gereformeerd leven in nederland

26 september 2011

Geloven, dat is: zien wat de Here doet

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Wat is geloven?
De invloedrijke Britse filosoof John Gray heeft daar een opmerkelijke mening over.

Wie is de heer Gray?
John N. Gray  – geboren in 1948 – was vroeger hoogleraar Europese Studies aan de London School of Economics.
Hij heeft heel wat boeken geschreven over politieke theorie. Hij bekriseerde het humanisme en diverse socialistische theorieën.
Ook liet hij zich buitengewoon pessimistisch uit over de mogelijkheid van verandering van menselijk gedrag. Hij voorspelde dat de wereld in de eenentwintigste eeuw geteisterd zal worden door oorlogen en door toenemende schaarste van natuurlijke bronnen[1].

Welnu, professor Gray laat weer eens van zich spreken.
En hij zegt: “Rituelen, meditatie, er een speciale leefwijze op nahouden: dat is wat telt. Wat gelovigen geloven is secundair – áls het er al toe doet”.
De heer Gray wijst op het leven van de Engelse schrijver Graham Greene (1904-1991). Die bekeerde zich tot het rooms-katholicisme toen hij de ‘onverklaarbare goedheid’ van een priester opmerkte. Gray zegt daarover: “Sommigen vinden Greene’s nonchalance misschien schokkend. Hoe kun je tot een godsdienst willen behoren als je niet eens weet waarom? Het antwoord is: dat wist hij wél, maar zijn redenen hadden niets van doen met argumenten”[2].
Als ik het goed begrijp is de stelling van John N. Gray kort en goed: geloof is ervaring; rationele argumenten doen er niet zo toe.

Die stelling wekt bij mij mij enige bevreemding.
Er is nog wel wat méér dan ervaring. 

In het Woord van God blijkt namelijk voortdurend dat de Here van alles doet. Hij ontwikkelt, om zo te zeggen, een koortsachtige activiteit om Zijn kinderen door de wereld te loodsen.
En jazeker: die grote daden kunnen wij ZIEN.
Het komt mij voor dat kinderen van God ook heden ten dage met Psalm 65 moeten blijven belijden:
“U antwoordt ons met grote daden
in uw gerechtigheid.
God van ons heil, o vast vertrouwen
van ieder volk en land,
de verste volkeren aanschouwen
de werken van uw hand”[3].

Gods grote daden kunnen wij zien.
Vaak wordt pas achteraf duidelijk hoe groots Gods arbeid is.
Voor Gereformeerde mensen is het echter volkomen helder: de Here is voortdurend voor ons aan het werk. Zijn kinderen worden aan Zijn vaderhand door de wereld geleid. En Hij weet welke kant het met ons op moet gaan. En Hij weet ook zeer wel wat er niet moet gebeuren.

In dit verband wijs ik op Mozes. In Deuteronomium 1, 2 en 3 gaf hij een les vaderlandse geschiedenis.
En Mozes blikte daar onder andere terug op het moment dat Hij aan de Here vroeg om – tegen een eerdere uitspraak van de Here in – het land Kanaän tóch binnen te mogen gaan.
Volgens Deuteronomium 3 zei Mozes: “Here HERE, Gij zijt begonnen uw knecht uw grootheid en uw sterke macht te laten zien; want welke god is er in de hemel of op de aarde, die zulke werken en zulke krachtige daden kan doen als Gij? Laat ik toch naar de overzijde mogen trekken en het goede land zien, dat aan de overkant van de Jordaan ligt, dat schone bergland en de Libanon”. De Here stond dat niet toe: “laat het genoeg zijn, spreek Mij niet meer over deze zaak”[4].
Mozes baseerde Zijn verzoek op Gods grootheid.
Hij sprak expliciet over Gods sterke macht.
Bewonderend had hij Gods werk gadeslagen. Hij had vaak gemerkt hoe krachtdadig God kan ingrijpen.
Dat had de middelaar van het Oude Testament ervaren – werkelijk en wezenlijk. Maar achteraf zei hij dus óók: mensen, ik heb het gezien.

En hoe zit dat met ons?
Soms realiseren we ons pas achteraf dat de Here in ons leven dingen heeft gedaan. Dan zeggen we: het kan geen toeval zijn dat het zo gegaan is. Dan doorleven wij Gods presentie. Natuurlijk. Maar we herkennen ook Zijn daadkracht. Wij signaleren Gods werkkracht.
En ik vraag: heeft de heer Gray nooit ogenblikken gekend, waarop hij dacht: dit past zo mooi in elkaar, dit kán geen toevalligheid zijn…?

Wij kunnen hier, denk ik, nog wel wat meer over zeggen.
Want het zicht op Gods daden moet ons wel gegeven worden.

Dat maakt een fragment uit de geschiedenis van de profeet Jeremia duidelijk.
In hoofdstuk 11 heeft de Here Zijn woordvoerder gewaarschuwd voor een aanslag die op zijn leven zou worden gepleegd.
Daar staat: “De HERE nu heeft het mij doen weten en zo bemerkte ik het: toen hebt Gij mij hun daden laten zien! Ik zelf was als een argeloos lam, dat ter slachting geleid wordt, en ik wist niet, dat zij zulke plannen tegen mij smeedden…”[5].
Van die misdadige plannenmakerij had Jeremia niets gemerkt. Maar de Here liet het hem zien. Jeremia was ervan overtuigd dat de criminelen in zijn omgeving wel door de Here zouden worden aangepakt. Maar hij vroeg zich wel af: “Waarom is de weg der goddelozen voorspoedig, en zijn zonder zorg allen die zich trouweloos gedragen?”[6].  Nou, zei de Here, u zult nog ernstiger dingen meemaken; pas dus vooral goed op!

Uit de gang van zaken in Jeremia 11 maak ik op dat het heldere zicht op de Goddelijke sturing van ons leven door de Here wordt gegeven, voorzover Hij dat noodzakelijk vindt.
Het is, denk ik, veel te makkelijk en te armelijk om enkel en alleen te zeggen dat men God kan ervaren. Soms kunnen dienaars van de heilige Here de resultaten van Zijn werkkracht wel degelijk zien.

Bij tijd en wijle kondigt de Here trouwens expliciet áán dat Hij opmerkelijke dingen gaat doen.
En Hij nodigt mensen uit om goed in de wereld rond te kijken.
Goede waarnemers kunnen de resultaten van Gods activiteit zorgvuldig bekijken. 

Wat dat laatste betreft breng ik u graag terug naar een moment in de historie van Mozes.
Na diens eerste optreden bij de Farao was hij tamelijk mismoedig. Zou zijn inzet wel écht helpen[7]? Wees maar rustig, zei de Here in Exodus 5, u zult het wel zien. Sterker nog: u zult Mijn werk zien: “…de Here zeide tot Mozes: Nu zult gij zien, wat Ik aan Farao doen zal; want door een sterke hand zal hij hen laten gaan, ja door een sterke hand hen uit zijn land drijven”[8].
De Here proclameerde plechtig dat Zijn kind Mozes met eigen ogen zou gaan zien dat God grote dingen zou gaan doen.

Later verklaarde Mozes dus zonder omwegen: mensen, Ik heb die dingen gezien!
En de Schepper en Onderhouder van deze wereld laat het ook vandaag aan alle Bijbellezers weten: er is méér dan geloofservaring.

Voor ware gelovigen is er, ook anno Domini 2011, nog altijd veel te zien.
En aan dat kijken komt nimmer een einde.
Jezus sprak er over in Johannes 8: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien iemand mijn woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwen”[9].
Kinderen van God weten dat er méér is dan ervaring en gevoel.
Kinderen van God kijken over de dood heen.
Tot in eeuwigheid.
Jezus Christus, onze Heiland, staat daar garant voor.

En het staat vast: die garanties zijn meer waard dan de woorden van de Britse filosoof John N. Gray.
Veel meer.

Noten:
[1] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/John_N._Gray .
[2] Zie http://www.trouw.nl/tr/nl/5116/Filosofie/article/detail/2924462/2011/09/22/Religie-draait-niet-om-wat-je-gelooft.dhtml .
[3] Psalm 65:3 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[4] Deuteronomium 3:24-26.
[5] Jeremia 11:18 en 19.
[6] Jeremia 12:1.
[7] Zie Exodus 5:22 en 23: “Toen keerde Mozes terug tot de HERE en zeide: Here, waarom behandelt Gij dit volk zo hard? Waarom hebt Gij mij gezonden? Want van het ogenblik af, dat ik bij Farao gekomen ben, om in uw naam te spreken, heeft hij dit volk slecht behandeld, en Gij hebt uw volk geenszins gered”.
[8] Exodus 5:24.
[9] Johannes 8:51.

23 september 2011

Olie en dauw in Psalm 133

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Op deze internetpagina wordt met een zekere regelmaat op het thema ‘kerkelijke eenheid’ gevarieerd.
In verband met dat onderwerp schreef een lezer mij: “In psalm 133, die ook wel de lofzang op de zegen van de eenheid der kerk wordt genoemd, houdt de Here ons voor dat het goed is dat de broeders ook te samen wonen. De keerzijde is dat het niet goed en liefelijk is in Zijn oog wanneer de broeders niet te samen wonen en zogenaamde eenheid zoeken over de kerkmuren heen”. Wij moeten, schreef die lezer erbij, zoeken naar de eenheid in de wáárheid[1].

En zo bracht die lezer mij bij Psalm 133.
Die psalm intrigeert mij.

Want dichter David maakt, wat mij betreft, gebruik van opmerkelijke metaforen.
De eendracht in de kerk is namelijk vergelijkbaar met de olie die langs Aärons baard vloeit. Die eenheid is ook te vergelijken met dauw die van de Hermon komt.
Kijkt u maar:
“Als olie die Aärons hoofd besproeide
en langs zijn baard en mantel nedervloeide,
is hun eendrachtig samenzijn.
Het is als Hermons dauw zo fris en rein,
een dauw, die door het vroege licht bestraald,
op Sions bergen nederdaalt”[2].
Ik weet nog dat we op de jongelingsvereniging dit vers meestentijds niet zongen. Het ging ons te hoog. Het werd ons te dol. Wij – nuchtere jongens van de jaren ’70 en ’80 der twintigste eeuw – wisten niet goed wat wij met zulke hoogdravende taal aan moesten.

Maar de vraag is natuurlijk waarom David zulke beeldspraak gebruikte.

De in de tempel dienstdoende priesters gebruikten nogal wat olie.
Dat blijkt bijvoorbeeld in Leviticus 14.
In Leviticus 13 en 14 gaat het over melaatsheid en andere vormen van huiduitslag. U weet het waarschijnlijk wel: een melaatse was zo ongeveer levend dood; hij werd zorgvuldig buiten de eredienst gehouden. Hoofdstuk 14 gaat met name over de procedure rond de reiniging. Iemand die genezen was werd weer in de volksgemeenschap opgenomen.
Die reiniging vond in twee fasen plaats. Na een eerste serie rituelen mocht de genezene zich weer in dorp en stad vertonen. Een week later moesten een aantal offers gebracht worden. Dán pas was de ex-patiënt weer zover dat hij bij de Here God mocht komen.
Bij al die ceremoniën werd, om het maar ês duidelijk uit te drukken, flink met olie gekwengeld. Kortheidshalve vermeld ik het volgende.
Een deel van die olie moest geofferd worden. Een ander deel van die olie moest in de linkerhandpalm van de priester gegoten worden. Een beetje van die olie werd “voor het aangezicht des Heren” gesprenkeld. Ziet u het al spetteren?… Ook streek de priester met z’n rechterhand een beetje olie op verschillende lichaamsdelen van de ex-patiënt die gereinigd wenste te worden. Die olie mengde zich daar met bloed van het inmiddels gebrachte schuldoffer; dat bloed had de priester er al eerder op gesmeerd[3].
Al met al was het een ingewikkelde gebeurtenis, die veel aandacht en zorgvuldigheid vereiste. Geen wonder eigenlijk dat de priester verre van schoon bleef!
Wij zijn geneigd om te vragen: was dat eigenlijk niet een vieze bedoening? En vooral: kon dat allemaal niet een beetje hygiënischer?
Nee.
Dat kon niet.
Het uiterlijk van mensen met allerlei huidziekten – waaronder melaatsheid – was een beeld van de toestand in het menselijk innerlijk. Mensen zijn zondig; misvormd door duizend zonden.
Dat reinigingsritueel  maakte helder dat er een grondige schoonmaak nodig was. Sterker nog: die huidziekten wezen op de noodzaak van Christus’ kruisdood. Alleen door Zijn lijden, sterven en opstanding was en is het voor ons mogelijk om ons in de troonzaal van de heilige God te vertonen[4] .

De olie die in Aärons baard zit is dus een beeld van de noodzakelijke reiniging.
De olie die in Psalm 133 her en der zit, vertelt ons dat wij heilig moeten zijn. Wie niet heel zijn leven aan de Here wijden wil moet uit Gods buurt blijven. Daarom moet de kerk, de vergadering van Zijn uitverkorenen, volkomen aan Hem toegewijd wezen. In de kerk zitten de mensen die zich, met heel hun hebben en houden, aan hun Heiland overgeven.

Nu iets over de dauw van de Hermon.

De Hermon is de hoogste berg in Israël; die ligt op de grens met Libanon en Syrië.
Op de top van de Hermon ligt altijd sneeuw. Ook in de zomermaanden dus. Die sneeuw fungeert min of meer als de bevroren watervoorraad van Israël en z’n buurlanden. Het smeltwater van de Hermon wordt namelijk door de Jordaan afgevoerd, en komt zo ook in het meer van Galilea terecht.
Als overdag de zon op de Hermon schijnt, verdampt er uiteraard ook het een en ander. Des nachts, als het koeler wordt, slaat die waterdamp neer op de berghellingen en de vlaktes in de buurt. Daar wordt het land reuze vruchtbaar van. De boeren in de omgeving zijn daarover uiteraard zeer verheugd!
Die dauw komt van boven. Daarom kan men ook zeggen: die dauw is een geschenk van God. Op die manier geeft Hij vruchtbaarheid en leven aan heel Zijn volk[5].
Trouwens – zou het kunnen zijn dat Psalm 133 een vooraankondiging en tegenbeeld  is van Johannes 7? Jezus zegt daar: “Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke! Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien”[6]. Ik vraag het maar.

In de kerk geldt: als de Here het leven vruchtbaar maakt, wordt het voor eeuwig winstgevend. De Here geeft permanente overvloed: er is altijd Geestelijk voedsel genoeg.

Wij kunnen Psalm 133 de lofzang op de zegen van de eenheid van de kerk noemen.
De Here leert ons daar
* te blijven bij de heiligheid
*  en ons in Gods kracht voor te bereiden op de eeuwigheid.
Kerkelijke eenheid: die zoeken we niet omdat dat zo goed is voor ons imago.
Kerkelijke eenheid zoeken wij omdat de kerk – mét lidwoord – de heilige vergadering van God is.
Psalm 133 leert ons wat, bij het uitvoeren van onze oecumenische taak, de juiste drijfveer is.

Noten:
[1] Zie de reactie op https://bderoos.wordpress.com/2011/09/05/vreemde-bescheidenheid/ .
[2] Psalm 133:2.
[3] Zie Leviticus 14. Ik citeer vers 14-18 uit dat hoofdstuk: “De priester zal een deel van het bloed van het schuldoffer nemen en dit strijken aan de rechter oorlel van hem die gereinigd moet worden, en aan zijn rechterduim en zijn rechter grote teen. En de priester zal een deel van het log olie nemen en op zijn eigen linkerhand gieten; de priester zal zijn rechtervinger dopen in de olie die in zijn linkerhand is, en van die olie met zijn vinger zevenmaal sprenkelen voor het aangezicht des HEREN. Van de rest van de olie die in zijn hand is, zal de priester iets strijken aan de rechter oorlel van hem die gereinigd moet worden, en aan zijn rechterduim en zijn rechter grote teen, boven op het bloed van het schuldoffer. En wat van de olie in zijn hand is overgebleven, zal de priester doen op het hoofd van hem die gereinigd moet worden; zo zal de priester over hem verzoening doen voor het aangezicht des HEREN”.
[4] Zie hierover: Ds. Joh. de Wolf, “Schaduwen van het Licht: Bijbelstudie over het boek Leviticus”. – Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 1989.  – 2e druk. – p. 49 en 50.
[5] Zie http://www.kerken.com/documenten/februari042001.doc .
[6] Johannes 7:38 en 39.

22 september 2011

Bekering of missionaire bombarie?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Kerksluiting is een drama, schreeuwde het Nederlands Dagblad ons op dinsdag 20 september toe.
Er is onlangs een handboek over het sluiten van kerken gepresenteerd. Het heet: “Meer dan hout en steen. Handboek voor sluiting en herbestemming van kerkgebouwen”. In het boek worden achtergronden van kerksluiting beschreven. Er is een stappenplan voor de besluitvorming. En natuurlijk komt ook de communicatie met de gemeente aan bod.

Eén van de auteurs van het handboek is professor dr. H.P. de Roest. Hij doceert praktische theologie aan de Protestantse Theologische Universiteit; zijn standplaats is Leiden. De hoogleraar wil zich niet bij die kerksluiting neerleggen. “In deze tijd van neergang is er voor gemeenten alle reden na te denken over wat het betekent getuige van Jezus te zijn. Kerken hebben de roeping wegen te vinden om het getuigenis te vernieuwen.
Daarom verbind ik het thema van kerksluiting ook uitdrukkelijk met de missionaire opdracht van de kerk. Je moet niet wachten tot het moment dat de laatste het licht uitdoet.
Al in een vroeg stadium, als de financiële middelen teruglopen en het potentieel aan leidinggevenden minder wordt, moet je als kerk nadenken over je toekomst. De opheffing van een kerk biedt missionaire kansen” [1].

Wij moeten, zo stelt hoogleraar De Roest, het getuigenis vernieuwen.
Van dat soort woordgebruik word ik meestentijds een beetje huiverig. Vernieuwen: dat betekent heden ten dage nogal eens dat de blijde Boodschap een beetje wordt ingekort. Je moet de mensen áánspreken, zegt men dan; daarom moet je het niet te moeilijk voor hen maken.

Het getuigenis moet vernieuwd worden.
Sterker nog: de kérk moet vernieuwd worden.
Die boodschap is niet zo nieuw als zij lijkt. In Ezechiël 18 lees ik: “Werpt alle overtredingen die gij begaan hebt, van u weg, en vernieuwt uw hart en uw geest. Waarom toch zoudt gij sterven, huis Israëls?”[2].

Ik wil maar zeggen: vernieuwing heeft te maken met bekering van de gelovigen.
Het gaat er niet in de eerste plaats om dat wij een modern idioom uitvinden dat bij de beleving van mensen aansluit. Alles begint bij het feit dat wij ons hart, om zo te zeggen, terugdraaien naar God.
De Here zegt in Ezechiël 18: jullie betichten Mij ervan dat ik onrechtvaardig ben; maar kijk vooral eens naar uzelf… Oppervlakkig luisterend klinkt dat als het oudste kinderspelletje ter wereld: ‘hij heeft het gedaan en ik weet nergens van’. Maar dat niet Gods bedoeling. Ieder mens is, zo wil de Here aan Israël leren, persóónlijk verantwoordelijk voor zijn daden. En het probleem is nu juist dat de volmaakte hemelse God alles weet van al die Israëlitische zonden. Voor Hem geldt geenszins: Ik weet nergens van. De Here kan nauwkeurig bepalen waar het in Israël fout gaat. Al dat onrecht, al die zelfverwerkelijking…, dat past niet bij Hem. Dat hóórt niet bij Hem.
Oftewel: bij de heilige God past enkel een Godgewijd volk[3].
Conclusie: alleen een heilig volk kan echt missionair zijn.

Bij de vermanende woorden uit Ezechiël 18 blijft het overigens niet.
In Ezechiël 36 blijkt dat de Here Zich niet terugtrekt. Hijzelf zal de reiniging voltrekken. Hij neemt Zelf het initiatief tot verwijdering van de afgoden uit het land. De Here zorgt dat het Pinksteren wordt: Gods Geest gaat in de harten van Zijn kinderen wonen[4].  In Ezechiël 36 zit de actie bij de Here.
Nee, Gods activiteit en onze gelovige bezigheid sluiten elkaar niet uit. Onze voorvaderen hebben in Dordrecht daarover onder meer beleden: “Waar eerst de hardnekkige tegenstand van het vlees de mens helemaal beheerste, begint nu door de Geest een gewillige en oprechte gehoorzaamheid de overhand te krijgen. Daarin bestaat de geestelijke vernieuwing en de ware vrijheid van onze wil”. En: “…hoe meer wij ons inzetten bij het volbrengen van onze roeping, des te heerlijker openbaart zich het heilzaam werk van God in ons en zo gaat zijn werk des te voorspoediger voort”[5].
God geeft ons, om zo te zeggen, Geestelijke ondernemingszin!

En nu komen wij bij de vreemde paradox.
Iedereen praat over missionaire activiteit; maar er is klaarblijkelijk een gebrek aan Geestelijke initiatieven.
Massa’s mensen hebben de mond vol over evangelisatie en zending; maar de Geestelijke ondersteuning ontbreekt schijnbaar.
Mijn conclusie: men wacht niet op de Here. Men wil te veel zelf doen.
Maar al te graag wil men fris en fruitig het Evangelie verkondigen.  Vervolgens zal het religieus gepeupel zelf vroom en vrolijk kerksluitingen voorkomen.
Ziet u dat er iets helemaal scheef gaat?

Er is nog iets.
Bij al die evangelisatiedrukte wordt vergeten dat de duivel druk doende is om, ware dat mogelijk, iedere verzameling van ware gelovigen uit elkaar te drijven.
Afgelopen zondag stond ik na de morgendienst met een vriend en mede-kerkganger te praten. Het ging over Gereformeerde levenswandel. Mijn vriend en broeder zei binnen vijf minuten wel drie keer: “De duivel gaat rónd”[6].  De ouderen onder ons kennen nog wel de Statenvertaling van 1 Petrus 5: “Zijt nuchteren, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden”[7]. In andere vertalingen briest de leeuw niet meer; hij brult[8]. Maar de bedoeling is duidelijk.
Om kort te gaan: mijn vriend heeft gelijk.

Wij moeten, denk ik, meer rekening houden met de duivel.
In Genesis 3 legde Eva aan de satan uit dat de Here haar, en haar man Adam, zou straffen als zij vruchten zouden eten van de boom midden in de hof. De reactie van de duivel was even misleidend als aanlokkelijk: “Gij zult geenszins sterven, maar God weet, dat ten dage, dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad”[9].
Wat deed de duivel precies? Hij wees erop dat de omstandigheden vooralsnog prioriteit één waren. Hij wees erop hoe ondenkbaar het was dat er daar, in het paradijs, iets mis kon gaan.
Ik kan mij niet onttrekken aan het idee dat veel kerkmensen iets dergelijks vandaag óók doen. Men moet, zo zegt men, inlevingsvermogen tonen als men het Evangelie overbrengen wil. Men dient relaties aan te gaan. Men moet naar de mensen toe: naar het café, in de kroeg of op de markt. Kijk goed naar de verschillende omstandigheden van mensen – zegt men -, dan ben je al een heel eind verder.
Wat zal men van zulk een ijver zeggen?
Het komt mij voor dat het goed is om onze omstandigheden lager op de prioriteitenlijst te zetten. Onze positie in de wereld is niet het belangrijkste. De toestand in ons leven hoeft niet altijd voorrang te hebben.

De Here God gaat in Ezechiël 18 terug naar de kern: “Ik heb geen welgevallen aan de dood van wie sterven moet, luidt het woord van de Here HERE; daarom bekeert u, opdat gij leeft”[10]. Dat geldt voor de kerk. En vervolgens is het ook een proclamatie aan heel de Nederlandse natie.
Op de keper beschouwd ligt de zaak uiterst simpel: wij moeten ons terugdraaien naar de Here God. Met heel ons hebben en houden. Maar wel met lege handen.
Dán pas kan die vreemde paradox – veel missionaire bombarie zonder Geestelijke leiding – zo snel mogelijk uit de wereld worden geholpen.

Noten:
[1] “Kerksluiting is onderschat drama én missionaire kans”. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 20 september 2011, p. 2.
[2] Ezechiël 18:31.
[3] Zie hierover ook http://gebedsbroeders.nl/blog/zonde .
[4] Ezechiël 36:25-27: “Ik zal rein water over u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw afgoden zal Ik u reinigen; een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven. Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar mijn inzettingen wandelt en naarstig mijn verordeningen onderhoudt”.
[5] Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV. Ik citeer achtereenvolgens uit de artikelen 16 en 17.
[6] Dat werd gezegd door Jaap Doornbos uit Ten Boer.
[7] 1 Petrus 5:8.
[8] Zo is dat bijvoorbeeld in de Nieuwe Bijbelvertaling uit 2004 en de Herziene Statenvertaling uit 2010.
[9] Genesis 3:5.
[10] Ezechiël 18:32.

De gegevens van het bovengenoemde handboek zijn: Harry Bisseling, Henk de Roest & Peet Valstar (redactie), “Meer dan hout en steen. Handboek voor sluiting en herbestemming van kerkgebouwen”. – Zoetermeer: Boekencentrum, 2011. – 256 p. 

21 september 2011

Gereformeerde genoeglijkheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: ,

In het Bijbelboek Prediker staan twee dingen naast elkaar:
*genieten van dit leven
* Gods gericht.
Ter illustratie zet ik twee teksten onder elkaar:
– uit Prediker 5: “Zie, wat ik als goed heb opgemerkt, is dit: dat het voortreffelijk is te eten en te drinken en het goede te genieten bij al het zwoegen, waarmee iemand zich aftobt onder de zon gedurende de weinige dagen van zijn leven, die God hem schenkt, want dit is zijn deel”;
– uit Prediker 11: “Verheug u, o jongeling, in uw jeugd, en uw hart zij vrolijk in uw jongelingsjaren; ja, volg de lust van uw hart en wat uw ogen aanschouwen, maar weet, dat God u om al deze dingen in het gericht zal doen komen”[1].

Veel mensen schrikken van Goddelijke rechtspraak.
Nee, men spreekt daar niet zoveel over. Maar een sterfgeval in de nabije omgeving zet heel wat medemensen aan het denken. Soms veroorzaakt zulk sterven bij achterblijvers ook onrust. Er wordt dan bijvoorbeeld gezegd: ik heb het stellige idee dat de ziel van die-en-die nog geen rust heeft; die ziel zwerft nog ergens.
Persoonlijk ben ik geenszins geneigd om over de vertolking van zulke gevoelens lacherig te doen. Misschien wil de Here via die gevoelens wel een oproep doen: kom bij Mij!
Wie aan die oproep gehoor geeft, hoeft niet bang te zijn voor het gericht.
Wie aan die oproep gehoor geeft, heeft in dit leven talloze genotsmomenten.

Om ons heen zeggen heel goedwillende burgers dat we maar moeten genieten van leuke dingen. Het kan nú nog, zo merkt men blijmoedig op.
Gereformeerde mensen zeggen wat anders.
Ze móeten niet genieten van leuke dingen. Nee, dat mogen zij.
Zij komen in het gericht. Maar zij weten dat de Here hen in Christus genadig wezen zal.
Voor Gereformeerden geldt het adagium van Prediker 2: “Want wie kan eten en wie kan iets genieten buiten Hem?”[2].

Die tekst uit het tweede hoofdstuk van het Bijbelboek Prediker is het startpunt van dit stukje.
Wie kan eten en wie kan iets genieten buiten Hem? 

Kent u de Neêrlandse tekstschrijver en zanger Dirk Witte? In 1917 schreef hij het liedje “Mensch, durf te leven!”[3].
Ik citeer het eerste couplet van dat liedje:
“Je leeft maar heel kort, maar ’n enkele keer
En als je straks anders wilt, kun je niet meer!
Mensch, durf te leven!
Vraag niet elken dag van je korte bestaan:
Hoe hebben m’n pa en m’n grootpa gedaan?
Hoe doet er m’n neef en hoe doet er m’n vrind?
En wie weet, hoe of dat nou m’n buurman weer vindt,
En – wat heeft ‘Het Fatsoen’ voorgeschreven?
Mensch, durf te leven!”.
Een protestantse dominee typeerde dat liedje eens als een goede samenvatting van de levenswijsheid van de Prediker[4]. Dat ben ik niet met die predikant eens. Want Prediker proclameert niet dat wij ons van de hele wereld niets moeten aantrekken. De diepste boodschap van Prediker is, naar het mij voorkomt, dat een gelovig mens kan genieten van het leven omdat hij Gods gericht met vertrouwen tegemoet ziet. De Prediker heeft allerlei dingen gedaan. Hij heeft in zijn leven veel betekend. Diezelfde Prediker heeft tijdens al dat werk ontdekt dat zo ongeveer alles in het leven relatief is. Maar uiteindelijk is zijn conclusie: u kunt pas écht genieten als u zich realiseert dat alles uit de hand van God komt.

Als ik het goed weet is het Hebreeuwse woord voor ‘genieten’ een intensieve vorm van het woord ‘zien’. “Genieten is intensief zien”, schrijft iemand zelfs. In Prediker wordt ook nog een ander werkwoord voor ‘genieten’ gebruikt: je in iets vermeien; je in iets verliezen.
Wie daarover verder denkt kan in de sfeer van de Reformatie komen. Immers: Maarten Luther en Johannes Calvijn leerden ons om met lege handen naar God toe te gaan. In de zestiende eeuw leerden we dat wij van genáde leven.
Zo komen wij in de atmosfeer van Jesaja 58. Wie met lege handen bij de Heer van het leven komt, leert wat werkelijk genieten is: “…dan zult gij u verlustigen in de HERE en Ik zal u doen rijden over de hoogten der aarde en u doen genieten het erfdeel van uw vader Jakob, want de mond des HEREN heeft het gesproken”[5].
Mensen uit de wéreld moeten genieten door allerlei zaken naar zich toe te halen. Kort door de bocht gezegd: zij moeten grabbelen en graaien. Christelijke genieters geven zich aan de Here óver. Dat is dus precies het omgekeerde[6]. In die zin draagt Gereformeerde genoeglijkheid iets van de antithese in zich.

Nee, de Prediker is geen zwartkijker die per ongeluk toch kijk- en luistergeld betaald heeft.
Hij wijst op het verschil in rijkdom: de kerk heeft een heel andere welvaart als de wereld.
In verband met Prediker 2 vroeg een Gereformeerde dominee eens: “Hoeveel rijken laten geen spoor van gebroken relaties en huwelijken achter zich? Tussen ouders heen en weer geslingerde kinderen. Zoveel leegte en verveling. Psychische moeilijkheden, gedrenkt in alcohol en drugs. Zwelgen in genotzucht zonder werkelijk genieten?”[7].
Welnu, de Prediker maakt duidelijk dat aardse pronk en staatsie zomaar verdwenen kan zijn[8].
Wij moeten. zegt hij, scherp blijven zien dat alles uit Gods hand komt. Prediker zegt het zó: “Ook ieder mens, aan wie God rijkdom en schatten geeft, en die Hij in staat stelt daarvan te eten en zijn deel te krijgen en zich bij zijn zwoegen te verheugen – dat is een gave Gods”[9].

Misschien vraagt u zich af wat de reden is dat ik dit alles te berde breng.
Wel, afgelopen zaterdag vond er in Veenendaal een symposium plaats naar aanleiding van de publicatie van het vijfentwintigste deel van de Studiebijbel, een uitgave van de Stichting Centrum voor Bijbelonderzoek. Dat deel gaat over het laatste gedeelte van de Psalmen en de boeken Spreuken en Prediker. Het symposium was getooid met de titel ‘Heb ontzag voor God, want er is een gericht’. Drs. M. Rotman, medewerker van de Studiebijbel, merkte aldaar op dat de teneur van Prediker minder negatief is dan velen denken.
Het Reformatorisch Dagblad berichtte over dat symposium. Ik citeer: “De les van Prediker is volgens Rotman dat ‘de schepping niet zinloos is, maar dat mensen mo­­gen genieten van Gods gaven, in dankbaarheid aan God’”[10].

Die dankbaarheid wordt nog vergroot als wij, via Prediker 12, constateren dat de Here God de herder van de kerk is. De Prediker spreekt ook over die herder. Dat doet hij als volgt. “De woorden der wijzen zijn als prikkelen; als ingeslagen nagelen zijn de verzamelingen daarvan; gegeven zijn zij door één herder”[11].
Prediker suggereert dus nadrukkelijk: ik spreek Gods kinderen toe.
De Prediker richt zich eerst en vooral tot Gods verbóndsvolk[12].
De kernboodschap van de Prediker is helder: kinderen van God genieten nu al een voorsmaak van de heerlijkheid waarin zij te Zijner tijd zullen leven.

Laten wij het maar goed onthouden: Gereformeerd genieten is volstrekt tegengesteld aan werelds hedonisme. 

Noten:
[1] Achtereenvolgens citeer ik Prediker 5:17 en Prediker 11:9.
[2] Prediker 2:25.
[3] Dirk Witte leefde van 1885 tot 1932. Gegevens over hem zijn te vinden op http://nl.wikipedia.org/wiki/Dirk_Witte .
[4] Dat was Ds. R. Kamermans, predikant van de Protestantse Kerk in Goes. Zie http://home.kpn.nl/a.kamermans/prediker.htm .
[5] Jesaja 58:14.
[6] Zie over dit alles ook http://www.artway.eu/content.asp?id=302&lang=nl&action=show .
[7] De betreffende predikant is de Gereformeerd-vrijgemaakte dominee J. Beekhuis. Zie http://www.zvk.nl/kerkdienst.aspx?lIntEntityId=773 . De typering van de zwartkijker is ook van Beekhuis afkomstig.
[8] Prediker 5:12 en 13: “Er is een smartelijk kwaad, dat ik gezien heb onder de zon: rijkdom, door zijn bezitter bewaard tot zijn eigen onheil. Die rijkdom toch gaat door tegenspoed teniet; en heeft hij een zoon verwekt, dan heeft hij niets meer”.
[9] Prediker 5:18.
[10] “Teneur Prediker niet negatief”. In: Reformatorisch Dagblad, maandag 19 september 2011, p. 2.
[11] Prediker 12:11 .
[12] Ds. M.J.C. Blok schreef terecht: “Prediker is dus de man, die het volk (hier: het volk van God, de kerk) samenroept, en in die kerkvergadering of verbondsgemeenschap het voert, in opdracht van God”. In: “Het boek Prediker: de kerk onder het kruis”. – Bond van Gereformeerde Meisjesverenigingen in Nederland”. – 2e druk, 1980. –  p. 8.
 

20 september 2011

In het isolement ligt onze kracht

De woorden boven dit artikel zijn afkomstig van Groen van Prinsterer.

Guillaume Groen van Prinsterer (1801-1876) mogen wij beschouwen als de grondlegger van de christelijke politiek. Hij streed tegen ongeloof en revolutie in staat en kerk. Ook was hij een voorvechter van het christelijk onderwijs.
Hij publiceerde veel. In 1829 bracht hij anoniem het blad Nederlandsche Gedachten uit. Daarin verzette hij zich tegen de Belgische Revolutie: de omwenteling die in 1830 tot de onafhankelijkheid van België leidde.
Groen van Prinsterer werkte voor het kabinet van de koning. Ook was hij gedurende twee perioden lid van de Tweede Kamer.
Vanaf 1837 steunde Groen de kerkleden die zich in 1834 hadden afgescheiden van de Nederlands Hervormde Kerk.
Groen was, zoals hierboven reeds bleek, een ijverig publicist. Zo publiceerde hij in 1846 het ‘Handboek der geschiedenis van het vaderland’, en in 1847 ‘Ongeloof en Revolutie’.
De uitgangspunten van de Anti-Revolutionaire Partij – de eerste politieke partij in Nederland, die in 1879 zou worden opgericht –  zijn voor een deel op Groen’s gedachtegoed gebaseerd[1].

In het isolement ligt onze kracht, zo poneerde Groen van Prinsterer.
Daarmee bedoelde hij: gelovige mensen moeten, dwars tegen de hoofdstroom in, vasthouden aan de christelijke beginselen.

Heden ten dage bekijkt men zo’n isolement met een zeker scepticisme.
Want – zo zegt men – wie geïsoleerd leeft en werkt, raakt gemakkelijk het zicht op de grote lijnen kwijt. Zo iemand blijft al snel in de bestudering van details steken. Verzuring en verbittering kunnen de sfeer zomaar gaan bepalen; er treedt een zekere blikverenging op. Laatst schreef oud-ND-journalist Aad Kamsteeg daar nog over[2].
Daarom is het gelovig isolement tegenwoordig niet meer zo populair. Het is, zo beweert men, in deze wereld niet meer vol te houden. Men mompelt: zo wérkt het eenvoudigweg niet meer.
En daarmee is de zaak afgedaan. Denkt men.

Als ik het goed begrijp, had Groen van Prinsterer in zijn isolement weinig last van dreigende blikvernauwing.
In ‘Ongeloof en Revolutie’ – eigenlijk eene reeks van historische voorlezingen – beriep hij zich tamelijk nadrukkelijk op zijn voorgeslacht. Het oordeel van mijn voorvaderen dóet er toe, zei hij. Wij moeten “zien op de wolke der getuigen die, van den beginne der wereld tot op dezen dag, onder tegenspraak en verdrukking, verkondigers der waarheid en kracht van de in het Paradijs gedane en aan het kruis volbragte belofte geweest zijn”[3].
Ziet u de wolk van getuigen? We zijn opeens op bekend terrein. We zijn bij Hebreeën 12. U weet wel: “Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een grote wolk van getuigen rondom ons hebben, afleggen alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen, die vóór ons ligt”[4].
En zo ging Groen van Prinsterer terug naar het begin van de wereld. En vervolgens wandelde hij, samen met die getuigen uit de brief aan de Hebreeën, weer terug naar het heden. Zeg niet dat dat een  makkelijke wandeling was. Hij rept van tegenspraak en verdrukking. Het was echt geen toeristisch uitje. Maar toch hebben die getuigen – en ook Groen van Prinsterer zélf – het vol gehouden. Want de beloften van God waren voortdurend in hun herinnering. Hoezo blikverenging?

‘In het isolement ligt onze kracht’.
Wat bedoelde Groen van Prinsterer daar nu precies mee?
Dr. R. Bisschop, directeur van de locatie Revius van het reformatorische Wartburg College, omschreef het een paar jaar geleden zó:  “Daarmee bedoelde hij niet dat de gereformeerde gezindte zich terug diende te trekken uit de samenleving om haar eigen eenzaamheid te zoeken. Dus niet de refozuil verder uitbouwen en dichtplamuren. Hij bedoelde daarmee dat de kracht van christelijke politiek ligt in het zuiver bewaren van de Bijbelse beginselen en het trouw blijven aan die waarden. Die moeten uiteraard steeds opnieuw worden doorvertaald naar de alledaagse praktijk – met een open oog voor de nood van deze wereld”[5].
Dat woord ‘isolement’ betekent blijkbaar niet dat ware gelovigen een comfortabel huis voor zichzelf bouwen en daarna door een bekwame aannemer een stevige vestingmuur laten oprichten. Wij moeten ons klaarblijkelijk niet het idee laten aanpraten dat Gods kinderen in een kleine, uitzichtloze wereld behoren te leven. Groen van Prinsterer leert het ons anders:
* wij moeten de nood van de wereld signaleren
* en vanuit Gods Woord mogen we Gereformeerde reacties geven op de gebeurtenissen die zich in de wereld voltrekken.

Heel veel Gereformeerden zijn de betekenis van zo’n isolement vergeten. Gereformeerd-vrijgemaakten, bijvoorbeeld.
Dr. M.J. Arntzen – emerituspredikant in de GKv – schreef daar afgelopen vrijdag, 16 september, in het Nederlands Dagblad het volgende over: “Mijn vraag is echter of men in vrijgemaakte kringen niet van het ene uiterste in het andere viel. Er is toch een zeker gewettigd isolement? Lange tijd weigerde men lid te worden van de Raad van kerken in Nederland, omdat daar allerlei wind van leer gedoogd werd. En nu nemen de vrijgemaakten onbeschroomd deel aan de zogenaamde synode van Dordrecht, waarbinnen in feite leervrijheid heerst. Hier was isolatie op z’n plaats geweest. Meer dan we vermoeden dringt ook bij vroeger zeer gelovigen de gedachte door dat ieder zijn eigen waarheid heeft, als je maar iets gelooft. En het zou van kracht getuigen als je je daarvan isoleert”[6].

Veel GKv-ers lijken te denken: weg met het isolement.
Zij lijken te denken: dat isolement, die beslotenheid, die altoosdurende eenzaamheid, die eeuwige retraite – dat zijn evenzovele doodzonden.
Zij lijken te denken: in het isolement ligt onze kwetsbaarheid. Of ook: in onze afzondering tonen wij kerkelijke krakkemikkigheid.
En zo worden de woorden van Groen van Prinsterer verdraaid. Zo wordt de betekenis van zijn motto verdonkeremaand. En uiteindelijk doolt men door het duister. Moeten wij gaan vrezen voor allerlei werelds gewauwel?

Laten wij het goede voorbeeld van Groen van Prinsterer maar volgen: wel in de wereld, maar – naar Johannes 15 – niet ván de wereld[7].
Het is – tenslotte – Groen van Prinsterer zelf die ons terugleidt naar de Heilige Schrift. De laatste woorden in het boek ‘Ongeloof en Revolutie’ luiden namelijk als volgt: het gaat om “dit ééne, hetwelk ik tevens als het voornaamste beschouw, dat ik, zoo er iets goeds en nuttigs in mijne voordragt geweest is, den lof er van dankend terugbreng aan Hem van Wien ik de krachten ontving; terwijl ik Hem vergeving vraag voor het gebrekkige en verkeerde dat, door mijn eigen toedoen, er mede gemengd werd”[8].

Noten:
[1] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Guillaume_Groen_van_Prinsterer. En ook http://nl.wikipedia.org/wiki/Belgische_revolutie en http://nl.wikipedia.org/wiki/Anti-Revolutionaire_Partij .
[2] Zie voor de woorden van Kamsteeg: http://www.nd.nl/artikelen/2011/september/05/de-zwakte-van-het-isolement .
[3] G. Groen van Prinsterer, “Ongeloof en revolutie. Eene reeks van historische voorlezingen”. Leiden: S. en J. Luchtmans,  1847, p. 21. Zie ook http://dbnl.nl/tekst/groe009onge01_01/ .
[4] Hebreeën 12:1.
[5] Zie http://www.refdag.nl/opinie/kracht_van_sgp_ligt_in_het_isolement_1_468549 .
[6] “Isolement”. Ingezonden van dr. M.J. Arntzen. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 16 september 2011, p. 10.
[7] Zie Johannes 15:19: “Indien gij van de wereld waart, zou de wereld het hare liefhebben, doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld uitgekozen heb, daarom haat u de wereld”.
[8] “Ongeloof en Revolutie”, p. 429.

19 september 2011

Duurzaamheid begint bij ware godsdienst

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Er wordt, zoals wij allen weten, veel nagedacht over duurzaamheid[1].

Met duurzaamheid wordt bedoeld: “een ontwikkeling die aansluit op de behoeften van het heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun éigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen”. In het duurzame denken is het tamelijk vanzelfsprekend dat wordt gestreefd naar een ideaal evenwicht tussen ecologische, economische en sociale belangen. Men werkt aan een gezonde aarde met welvarende bewoners en goed functionerende ecosystemen[2].

Wat betekent dit nu in de praktijk?
Als voorbeeld neem ik de bouwsector. Daar wordt gepleit voor de toepassing van innoverende, betaalbare technieken voor energieopwekking, klimaatbeheersing en waterzuivering.
Men praat en schrijft ook over energie uit zon, wind, biomassa, getijden, aardwarmte en waterkracht[3].

Als ik het goed weet vormt het cradle to cradle-principe heel vaak het uitgangspunt. Cradle to cradle betekent: alle gebruikte materialen zouden na hun leven in het ene product, nuttig kunnen worden ingezet in een ander product. Alle restproducten moeten kunnen worden hergebruikt, of milieuneutraal zijn[4].

Het Christelijk Ecologisch Netwerk wijst ons onder meer op Romeinen 12[5]. Onze eredienst moet doordacht zijn. Het is, zo wordt gezegd, tijd voor een bewuste verandering.  We dienen te ontdekken wat God van ons wil[6].

Het hoeft geen betoog dat de mensen in bovengenoemd netwerk op zichzelf wel gelijk hebben als zij zeggen: we moeten helder zien wat God wil dat wij doen. Maar laten we dan wél de zaak in een wat breder kader zetten: de strijd tussen God en Satan, de antithese tussen Gods kinderen en mensen zónder God.
Als het om duurzaamheid gaat, mogen wij – denk ik – de vragen daaromheen niet los zien van de dienst aan de Here.
De neiging om dat wél te doen, acht ik tamelijk groot. Jan en alleman praat over de opwarming van de aarde of over het broeikaseffect. Er worden milieurapporten geschreven. Men breekt zich het hoofd over allerlei klimaatscenario’s.
In die situatie moeten Gereformeerden goed weten wat ze zeggen, en waaróm ze dat doen.
Het beheren van de schepping behoort voor Gereformeerden eerst en vooral een kwestie van ware godsdienst te zijn.
Echte duurzaamheid begint bij de permanente eerbiediging van Gods naam.

In Psalm 8 wordt gezegd dat de mens “met heerlijkheid en luister gekroond” is. Hij héérst dus over de schepping.
Maar in Jeremia 4 gaat het over Godverlating. En de gevolgen doen denken aan het begin van de Bijbel. Kijkt u maar: “Ik zag de aarde, en zie, zij was woest en ledig; ik zag naar de hemel, en zijn licht was er niet. Ik zag de bergen, en zie, zij beefden, en alle heuvelen schudden”.
Ook in Hosea 4 lezen we over de zonde van de Israëlieten en de straf van de Here. En dan staat daar bij: “Daarom treurt het land, en al wat erin woont verkwijnt, zowel het gedierte des velds als het gevogelte des hemels; ja, zelfs de vissen der zee komen om” [7].
Het gaat mij er niet om dat we elk misbruik van de aarde één-op-één moeten koppelen aan een Goddelijke straf. Maar in zijn algemeenheid kunnen we zeggen dat goddeloze mensen met onzichtbare kettingen worden gebonden aan de aarde. De Gereformeerd-vrijgemaakte dominee J.R. Wiskerke (1923-1968) zei daar eens over: “Wij zullen (…) erkennen dat God de werkers van het kwaad met ‘slaafse’ banden aan zijn cultuuropdracht ketent, zodat zij dwangarbeid moeten verrichten in het ont-dekken, in het uit-graven van de schatten van zijn naam, die Hij in zijn goede schepping (…) verborgen heeft om door de mensen aan het licht te worden gebracht”[8].

In onze tijd zeggen heel wat mensen die zeggen dat de schepping zó ingenieus in elkaar zit, dat er toch wel iets moet zijn[9].
Er zijn ook wel christenen die – een beetje in de stijl van de Zwitserse theoloog Karl Barth – praten over een blikseminslag[10]. Die bliksem schiet opeens naar beneden. Je kunt ‘m niet vasthouden. En die bliksem is in een oogwenk weer verdwenen.
In die wereld belijden Gereformeerden dat wolken en zon Gods eer groot maken; aan alles is merkbaar: hier is Gód aan het werk[11].
En het is heus niet zo dat de Here de door Hem gecreëerde schepping nu aan haar lot overlaat. Zijn kleding is, om zo te zeggen, Goddelijke kracht en energie uit één stuk. Hij zorgt er voor dat de aardbol niet uit haar baan raakt[12].

Wij praten vandaag de dag nogal eens over duurzaamheid. Zeg maar even: over een goed beheer van de aarde.
En dat is goed.
Maar enige nuchterheid is hierbij wel gewenst. Gereformeerde mensen praten namelijk al heel láng over rentmeesterschap. In de christelijke ethiek is het een heel bekend begrip. Dat komt onder meer omdat Jezus in Lucas 12 het werk van de rentmeester in een vergelijking gebruikt[13]. En wellicht ook omdat Gods kinderen volgens 1 Petrus 4 rentmeesters van Gods genadegiften zijn: dankbare beheerders van hemelse gaven[14].
Hoe dat zij: op dit gebied lopen Gereformeerden, in zekere zin, een beetje vóór op de rest van de wereld.

Duurzaamheid is in.
Geef de aarde door, roept het Wereld Natuur Fonds ons toe[15].
En natuurlijk: het is goed om na te denken over een goed beleid en bestuur van de aarde. In alle tijden. Op alle plaatsen.
Maar laten wij daarbij niet vergeten wat de Here in Jesaja 46 ook tegen óns heeft gezegd: “Ik, die van den beginne de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is; die zeg: Mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al mijn welbehagen doen”[16].
Laten wij maar niet in paniek raken.
Want de Here bestuurt ons leven. Ook anno Domini 2011.

Noten:
[1] Dit onderwerp komt bijvoorbeeld ook aan de orde tijdens een bijeenkomst van de Gereformeerde Landelijke Studentenvereniging Virtute Deï.
[2] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Duurzame_ontwikkeling .
[3] Zie hierover bijvoorbeeld http://www.duurzaamheid.nl/ .
[4] Zie hierover http://www.cradletocradle.nl/home/321_wat-is-cradle-to-cradle.htm .
[5] Romeinen 12:1 en 2: “Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst. En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene”.
[6] Zie http://cenet.nl/wp-content/uploads/2010/11/Themapakket-Buitengewoon.pdf (pagina 3).
[7] Psalm 8:6; Jeremia 4:23; Hosea 4:3. Deze teksten worden ook door ds. M.J.C. Blok genoemd. In: “De schepping in ademnood”. – Kampen: Uitgeverij Van den Berg, 1989. – p. 44 en 45.
[8] Zie J.R. Wiskerke, “De strijd om de sleutel der kennis”. – Groningen, 1978. – p. 228, 229. Geciteerd via Blok, a.w., p. 47.
[9] Bij het schrijven van onderstaande alinea’s gebruikte ik onder meer: Ds. C.G. Bos, “Geloven en belijden I: toelichting op de Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikelen 1-19”. – Groningen: Uitgeverij De Vuurbaak, 1977 (2e druk),  p. 28 en 29.
[10] Zie over deze theoloog http://www.karlbarth.nl/ .
[11] Zie Psalm 19:2: “De hemelen vertellen Gods eer, / en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen”.
[12] Zie Psalm 93:1: “De HERE is Koning. / Met majesteit heeft Hij Zich bekleed; / de HERE heeft Zich bekleed, / Hij heeft Zich met kracht omgord. / Vast staat nu de wereld, zij wankelt niet”.
[13] Zie Lucas 12:42 en 43: “En de Here zeide: Wie is dan de trouwe, de verstandige rentmeester, die de heer over zijn bedienden zal stellen om hun op tijd hun deel te geven? Zalig die slaaf, die zijn heer bij zijn komst zó bezig zal vinden”.
[14] 1 Petrus 4:10: ”Dient elkander, een ieder naar de genadegave, die hij ontvangen heeft, als goede rentmeesters over de velerlei genade Gods”. Zie hierover ook: Dr. P.H.R. van Houwelingen, “1 Petrus: Rondzendbrief uit Babylon”. – Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, 1991 (vierde herziene druk: 2010). – p. 156 en 157.
[15] Zie http://www.wnf.nl/nl/home/?splash=1 .
[16] Jesaja 46:10.

Aantekening:
Dit artikel is ook geplaatst in: De Bazuin – Gereformeerd Kerkblad -, jg. 5, nr 38 (26 oktober 2011), p. 549 en 550 (rubriek ‘Binnenplaats’). In De Bazuin zijn de noten weggelaten. 

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.