gereformeerd leven in nederland

23 september 2011

Olie en dauw in Psalm 133

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Op deze internetpagina wordt met een zekere regelmaat op het thema ‘kerkelijke eenheid’ gevarieerd.
In verband met dat onderwerp schreef een lezer mij: “In psalm 133, die ook wel de lofzang op de zegen van de eenheid der kerk wordt genoemd, houdt de Here ons voor dat het goed is dat de broeders ook te samen wonen. De keerzijde is dat het niet goed en liefelijk is in Zijn oog wanneer de broeders niet te samen wonen en zogenaamde eenheid zoeken over de kerkmuren heen”. Wij moeten, schreef die lezer erbij, zoeken naar de eenheid in de wáárheid[1].

En zo bracht die lezer mij bij Psalm 133.
Die psalm intrigeert mij.

Want dichter David maakt, wat mij betreft, gebruik van opmerkelijke metaforen.
De eendracht in de kerk is namelijk vergelijkbaar met de olie die langs Aärons baard vloeit. Die eenheid is ook te vergelijken met dauw die van de Hermon komt.
Kijkt u maar:
“Als olie die Aärons hoofd besproeide
en langs zijn baard en mantel nedervloeide,
is hun eendrachtig samenzijn.
Het is als Hermons dauw zo fris en rein,
een dauw, die door het vroege licht bestraald,
op Sions bergen nederdaalt”[2].
Ik weet nog dat we op de jongelingsvereniging dit vers meestentijds niet zongen. Het ging ons te hoog. Het werd ons te dol. Wij – nuchtere jongens van de jaren ’70 en ’80 der twintigste eeuw – wisten niet goed wat wij met zulke hoogdravende taal aan moesten.

Maar de vraag is natuurlijk waarom David zulke beeldspraak gebruikte.

De in de tempel dienstdoende priesters gebruikten nogal wat olie.
Dat blijkt bijvoorbeeld in Leviticus 14.
In Leviticus 13 en 14 gaat het over melaatsheid en andere vormen van huiduitslag. U weet het waarschijnlijk wel: een melaatse was zo ongeveer levend dood; hij werd zorgvuldig buiten de eredienst gehouden. Hoofdstuk 14 gaat met name over de procedure rond de reiniging. Iemand die genezen was werd weer in de volksgemeenschap opgenomen.
Die reiniging vond in twee fasen plaats. Na een eerste serie rituelen mocht de genezene zich weer in dorp en stad vertonen. Een week later moesten een aantal offers gebracht worden. Dán pas was de ex-patiënt weer zover dat hij bij de Here God mocht komen.
Bij al die ceremoniën werd, om het maar ês duidelijk uit te drukken, flink met olie gekwengeld. Kortheidshalve vermeld ik het volgende.
Een deel van die olie moest geofferd worden. Een ander deel van die olie moest in de linkerhandpalm van de priester gegoten worden. Een beetje van die olie werd “voor het aangezicht des Heren” gesprenkeld. Ziet u het al spetteren?… Ook streek de priester met z’n rechterhand een beetje olie op verschillende lichaamsdelen van de ex-patiënt die gereinigd wenste te worden. Die olie mengde zich daar met bloed van het inmiddels gebrachte schuldoffer; dat bloed had de priester er al eerder op gesmeerd[3].
Al met al was het een ingewikkelde gebeurtenis, die veel aandacht en zorgvuldigheid vereiste. Geen wonder eigenlijk dat de priester verre van schoon bleef!
Wij zijn geneigd om te vragen: was dat eigenlijk niet een vieze bedoening? En vooral: kon dat allemaal niet een beetje hygiënischer?
Nee.
Dat kon niet.
Het uiterlijk van mensen met allerlei huidziekten – waaronder melaatsheid – was een beeld van de toestand in het menselijk innerlijk. Mensen zijn zondig; misvormd door duizend zonden.
Dat reinigingsritueel  maakte helder dat er een grondige schoonmaak nodig was. Sterker nog: die huidziekten wezen op de noodzaak van Christus’ kruisdood. Alleen door Zijn lijden, sterven en opstanding was en is het voor ons mogelijk om ons in de troonzaal van de heilige God te vertonen[4] .

De olie die in Aärons baard zit is dus een beeld van de noodzakelijke reiniging.
De olie die in Psalm 133 her en der zit, vertelt ons dat wij heilig moeten zijn. Wie niet heel zijn leven aan de Here wijden wil moet uit Gods buurt blijven. Daarom moet de kerk, de vergadering van Zijn uitverkorenen, volkomen aan Hem toegewijd wezen. In de kerk zitten de mensen die zich, met heel hun hebben en houden, aan hun Heiland overgeven.

Nu iets over de dauw van de Hermon.

De Hermon is de hoogste berg in Israël; die ligt op de grens met Libanon en Syrië.
Op de top van de Hermon ligt altijd sneeuw. Ook in de zomermaanden dus. Die sneeuw fungeert min of meer als de bevroren watervoorraad van Israël en z’n buurlanden. Het smeltwater van de Hermon wordt namelijk door de Jordaan afgevoerd, en komt zo ook in het meer van Galilea terecht.
Als overdag de zon op de Hermon schijnt, verdampt er uiteraard ook het een en ander. Des nachts, als het koeler wordt, slaat die waterdamp neer op de berghellingen en de vlaktes in de buurt. Daar wordt het land reuze vruchtbaar van. De boeren in de omgeving zijn daarover uiteraard zeer verheugd!
Die dauw komt van boven. Daarom kan men ook zeggen: die dauw is een geschenk van God. Op die manier geeft Hij vruchtbaarheid en leven aan heel Zijn volk[5].
Trouwens – zou het kunnen zijn dat Psalm 133 een vooraankondiging en tegenbeeld  is van Johannes 7? Jezus zegt daar: “Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke! Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien”[6]. Ik vraag het maar.

In de kerk geldt: als de Here het leven vruchtbaar maakt, wordt het voor eeuwig winstgevend. De Here geeft permanente overvloed: er is altijd Geestelijk voedsel genoeg.

Wij kunnen Psalm 133 de lofzang op de zegen van de eenheid van de kerk noemen.
De Here leert ons daar
* te blijven bij de heiligheid
*  en ons in Gods kracht voor te bereiden op de eeuwigheid.
Kerkelijke eenheid: die zoeken we niet omdat dat zo goed is voor ons imago.
Kerkelijke eenheid zoeken wij omdat de kerk – mét lidwoord – de heilige vergadering van God is.
Psalm 133 leert ons wat, bij het uitvoeren van onze oecumenische taak, de juiste drijfveer is.

Noten:
[1] Zie de reactie op https://bderoos.wordpress.com/2011/09/05/vreemde-bescheidenheid/ .
[2] Psalm 133:2.
[3] Zie Leviticus 14. Ik citeer vers 14-18 uit dat hoofdstuk: “De priester zal een deel van het bloed van het schuldoffer nemen en dit strijken aan de rechter oorlel van hem die gereinigd moet worden, en aan zijn rechterduim en zijn rechter grote teen. En de priester zal een deel van het log olie nemen en op zijn eigen linkerhand gieten; de priester zal zijn rechtervinger dopen in de olie die in zijn linkerhand is, en van die olie met zijn vinger zevenmaal sprenkelen voor het aangezicht des HEREN. Van de rest van de olie die in zijn hand is, zal de priester iets strijken aan de rechter oorlel van hem die gereinigd moet worden, en aan zijn rechterduim en zijn rechter grote teen, boven op het bloed van het schuldoffer. En wat van de olie in zijn hand is overgebleven, zal de priester doen op het hoofd van hem die gereinigd moet worden; zo zal de priester over hem verzoening doen voor het aangezicht des HEREN”.
[4] Zie hierover: Ds. Joh. de Wolf, “Schaduwen van het Licht: Bijbelstudie over het boek Leviticus”. – Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 1989.  – 2e druk. – p. 49 en 50.
[5] Zie http://www.kerken.com/documenten/februari042001.doc .
[6] Johannes 7:38 en 39.

Geef een reactie »

Nog geen reacties.

RSS feed for comments on this post. TrackBack URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.