gereformeerd leven in nederland

31 oktober 2011

Wij moeten de waarheid vertellen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Vandaag is het hervormingsdag.
Wij wijden enkele gedachten aan een rechtgeaarde monnik die 494 jaar geleden de moed had om te zeggen: “Weg met al die profeten, die tegen het volk van Christus zeggen: Vrede, vrede, en het is geen vrede”[1]. Maarten Luther heette hij. Bijna 34 was Maarten toen hij vijfennegentig stellingen aan de kapel te Wittenberg bevestigde[2].

Ook vandaag zijn er profeten die de vrede proclameren. Terwijl het eigenlijk niet zo vredig is.
De vraag is wat wij met zulke proclamaties doen.

Vrede, vrede, en het is geen vrede.
Die woorden brengen ons naar Ezechiël 13. Het gaat om de volgende woorden:
“Omdat, ja omdat zij mijn volk hebben doen dwalen door te zeggen: vrede! zonder dat er vrede is –, als het een muur bouwt, zie, dan bepleisteren zij die met kalk”;
en:
“Zo zal Ik mijn grimmigheid ten volle uitstorten over de muur en over hen die hem met kalk bepleisteren, en Ik zal tot u zeggen: weg is de muur en weg zijn zij die hem bepleisterden: de profeten van Israël, die tot Jeruzalem profeteerden en daarvoor een gezicht van vrede schouwden, zonder dat er vrede is –, luidt het woord van de Here HERE”[3].

Er is geen vrede, zegt God.
Dat zegt Hij omdat in Israël allerlei profeten rond lopen die leugens verkondigen. Ze bedenken zelf allerlei spreuken. En dan zeggen ze: de Here heeft het gezegd!
Die profeten zijn te vergelijken met een stelletje bouwvakkers. Ze hebben een handje geholpen bij het oprichten van een paar muren. Die muren hebben ze netjes bepleisterd. Ze zien er keurig uit, die muren. Maar die muren zijn niet zo degelijk als ze er uit zien. Als er veel regenbuien en hagelstenen komen, dan storten die muren in elkaar. Het worden ruïnes. En die profeten? Die liggen naast die puinhopen. Zij zijn ook omgevallen.
Zó loopt het af met mensen die in Mijn naam leugens vertellen, zegt God[4].

Zo komen we, dunkt mij, bij het doel van de herdenking van Hervormingsdag: we moeten de waarheid vertellen. De waarheid omtrent Gods Woord. De waarheid ván het Woord van God.
En zo arriveren we, of wij dat nu leuk vinden of niet, dus ook bij de ware kerk.

De ware kerk: dat is de kerk die de leer van de Drieëenheid handhaaft: Vader, Zoon en Heilige Geest zijn één[5].
De ware kerk: dat is de kerk die u en ik zien als wij nauwkeurig en met de nodige zorgvuldigheid op het kerkplein rondkijken.
De ware kerk: dat is de kerk die Gods Woord zuiver predikt, de sacramenten zuiver bedient en de tucht handhaaft om de kerk zuiver te houden[6].
De ware kerk: dat is de kerk die geregeerd wordt op de manier zoals de Here dat wil. Alles draait om de ware godsdienst. Het gaat om leiding in de kerk, op Geestelijke wijze[7].

Het begrip ‘ware kerk’ moeten wij dus niet alleen in verband brengen met de drie kenmerken van de kerk: preek, sacramenten, tucht.
De ware kerk staat pal voor de leer van de Drieëenheid.
De ware kerk wordt op een Schriftuurlijke manier geleid.
De ware kerk is ook te zien: buitenstaanders kunnen, na zorgvuldig onderzoek, leren begrijpen waar ze moeten zijn als zij de Here zoeken.

Dat laatste wil ik vandaag accentueren.
Hieronder maak ik duidelijk waarom ik dat doe.

In een editie van ‘De Verbinding’ – mededelingenblad van de Gereformeerd-vrijgemaakte Westerkerk te Amersfoort – wordt onder meer vermeld dat er op zondagmiddag 6 november om 17.00 uur een kerkdienst zal worden gehouden. Dat is gebruikelijk; we kijken er niet van op.
Merkwaardiger is dat de lezers van datzelfde kerkblad nadrukkelijk worden uitgenodigd voor een vesper op dezelfde middag. Ik citeer: “Op zondag 6 november is er weer een vesper in kerkgebouw De Hoeksteen (Klaartje Donzepad, achter Winkelcentrum Schothorst) georganiseerd door de Ned. Gereformeerde Kerk van Amersfoort-Noord. Thema: ‘Tot Wie zullen wij anders gaan?’ – Psalm 116. Een vesper is een viering met een meditatief karakter, waarbij veel ruimte is voor liederen, muziek en gebed (…). Aanvang: 16.30 uur”[8]. Die vespers worden, als ik het goed begrepen heb, georganiseerd door de plaatselijke Protestantse Kerk en de Nederlands Gereformeerde Kerk in Amersfoort-Noord.
Zo worden de kerkbladlezers voor een onalledaagse en – wat mij betreft – zéér eigenaardige keus gesteld:
* wilt u naar een ‘vrijgemaakte’ kerkdienst?
* of woont u liever een oecumenische gebedendienst bij?
Toegegeven: de eigen kerkdienst staat voorin het kerkblad.  De vesper staat achterin, in de rubriek ‘Ingezonden’. Maar toch.
Moeten wij dit nu rubriceren onder de categorie ‘kerkelijke concurrentie’?

Nu kom ik weer terug bij Ezechiël 13.
En bij die bouwvakkers die zo ijverig hebben geassisteerd bij het bouwen van prachtig uitziende muren.
De beeldspraak in Ezechiël 13 is, op de keper beschouwd, heel hard: muren waar geen samenhang in zit, laat de Here zonder enige moeite ineenstorten. En de bouwvakkers die hun bouwkundige kennis hebben ingezet? Die komen er naast te liggen. Zij gaan roemloos ten onder als de muren vallen.

De kerk moet de waarheid vertellen.
De héle waarheid.
Niets meer en niets minder.
Aan iets wat lijkt op de waarheid, hebben we niet zo veel.

Vandaag sluit ik mij aan bij mijn vader, H.P. de Roos te Haren.
Onlangs schreef hij een artikel onder de titel: “Hervormingsdag 2011”.
Hij noteerde ondermeer:
“Dit is ook een van de kenmerken van elke reformatie: de eenvoud, waarmee wordt teruggekeerd naar Gods Woord en de Belijdenis, teruggegrepen naar de Bron, die uit het oog verloren was. Het is ook de ernst van het verschil tussen de greep naar de zaligheid door eigen visie en goeddunken toe te passen, waar slechts geloof en gehoorzaamheid op zijn plaats zijn”.
En:
“Kerkhervorming? Ja! Maar laten wij niet menen dat zelf wel te kunnen. Het is Christus die voorop gaat in de Gereformeerde Kerk, die altijd weer gereformeerd moet worden. Wij hebben slechts te gehoorzamen en de eenheid te zoeken met allen die ditzelfde geloof aanhangen. Tot Gods eer en tot onze zaligheid”[9].

Alleen zo komen we in de kerk in de sfeer van Psalm 122:
“Vraagt vrede voor Jeruzalem.
Dat wie u liefheeft en bemint,
binnen uw muren vrede vindt.
Rust zij er in uw burcht voor hem”[10].

Noten:
[1] Zie stelling 92 van de 95 stellingen. Te vinden via https://cip.nl/31842-lees-de-95-stellingen-van-luther . Zie ook http://adosh.nl/?p=48 .
[2] Zie over Maarten Luther http://nl.wikipedia.org/wiki/Maarten_Luther .
[3] Ezechiël 13:10 en 16.
[4] Ezechiël 13:10-16. Ik citeer vers 14: “Ik zal de muur die gij met kalk bepleisterd hebt, neerhalen en ter aarde werpen, en zijn fundament zal worden blootgelegd; de stad zal vallen en gij zult daarin omkomen. En gij zult weten, dat Ik de HERE ben”.
[5] Zie artikel 9 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Deze leer van de Heilige Drieëenheid heeft de ware kerk altijd gehandhaafd, van de tijd van de apostelen af tot nu toe..”.
[6] Zie artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Wij geloven dat men nauwgezet en met grote zorgvuldigheid, vanuit Gods Woord, behoort te onderscheiden welke de ware kerk is, omdat alle sekten die er tegenwoordig in de wereld zijn, zich ten onrechte kerk noemen”. En: “De kenmerken waaraan men de ware kerk kan kennen, zijn deze: dat de kerk de zuivere prediking van het evangelie onderhoudt; dat zij de zuivere bediening van de sacramenten onderhoudt, zoals Christus die heeft ingesteld; dat de kerkelijke tucht geoefend wordt om de zonden te bestraffen. Kortom, dat men zich richt naar het zuivere Woord van God, alles wat daarmee in strijd is verwerpt en Jezus Christus erkent als het enige Hoofd. Hieraan kan men met zekerheid de ware kerk kennen en niemand heeft het recht zich van haar af te scheiden”.
[7] Zie artikel 30 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Wij geloven dat deze ware kerk geestelijk geregeerd moet worden op de wijze die onze Heer ons in zijn Woord geleerd heeft. Er moeten dienaren of herders zijn, om Gods Woord te prediken en de sacramenten te bedienen, ook opzieners en diakenen, om met de herders een raad van de kerk te vormen. Op die manier moeten zij de ware godsdienst onderhouden en zorgen dat de ware leer voortgang heeft, dat de overtreders op geestelijke wijze gestraft en in toom gehouden worden, en dat de armen en zij die in moeite verkeren, geholpen en getroost worden naarmate zij het nodig hebben”.
[8] In: ‘De Verbinding’, mededelingenblad van de Westerkerk in Amersfoort, jg. 55, nr 18, 29 oktober 2011 , p. 21. De Westerkerk is een Gereformeerde kerk (vrijgemaakt) in Amersfoort–West.
[9] H.P. de Roos, “Hervormingsdag 2011”. Opgemerkt 472, gedateerd op maandag 31 oktober 2011. Verzonden op donderdag 27 oktober 2011.
[10] Dit zijn de eerste vier regels van Psalm 122:3 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

28 oktober 2011

Gewone mensen doen geen kunstjes

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Christenen moeten, zo menen velen, tonen dat zij blij zijn met het geloof.
Maar laten wij eerlijk zijn: wij worden allemaal wel eens een beetje discussie-moe. We denken in de kerk allemaal wel eens: ‘láát maar’.  
Daarom lukt het niet om altijd maar blij te zijn. Vreugde uitstralen: dat doen wij in de regel niet de hele dag.

Er is trouwens meer.
Wij moeten naar kantoor of bedrijf. Wij moeten naar school. Er moeten boodschappen gedaan worden. Wij moeten de was doen. Wij moeten stofzuigen en schoonmaken.
Dan kun je toch niet de hele dag lopen glimlachen?

Geloofsblijdschap: sommigen doen het voorkomen dat dat dé methode is om, populair gezegd, zieltjes te winnen.
Wij moeten ons dat nimmer laten aanpraten.

In die mening werd schrijver dezes afgelopen woensdag, 26 oktober, bevestigd.
U moet weten: Tim Keller, voorganger van de Redeemer Presbyterian Church in New York City, sprak onlangs op een congres over kerkstichting in Berlijn[1].
Keller zei: hét recept voor gemeentestichting is er niet. “Het geheim van Tim Keller of dé methode-Redeemer bestaat niet”, zo stond woensdag in het Nederlands Dagblad te lezen.
In het ND las ik verder: “Al in zijn eerste toespraak voor ongeveer vijfhonderd (potentiële) gemeentestichters uit tweeëntwintig landen maakte Tim Keller (61) duidelijk niet te geloven in kunstjes: methodes die zomaar in een andere culturele context kunnen worden toegepast. ‘We zijn allemaal opgesloten in onze cultuur. Ik werk in een Amerikaanse omgeving, jullie in een Europese. Gebruik de dingen die je kunt gebruiken. Zijn ze niet bruikbaar, jammer dan’”[2].

Wat een opluchting.
Glimlachen hoeft niet meer.
Altijd maar wervend bezig zijn: dat is nu niet meer nodig.
We mogen in de kerk weer gewone mensen zijn.
Heerlijk.

Het is trouwens ook een verademing om in Gods Woord te lezen:
“Een blij hart maakt het aangezicht vrolijk,
maar door harteleed wordt de geest verslagen”.
Dat zijn woorden uit het Spreukenboek. Ze staan in hoofdstuk 15[3].
Die spreuk zet ons met beide benen op de grond.
Als u en ik blij zijn, dan is dat te merken.
Als wij een groot verdriet met ons meedragen, dan is dat meestal te zien. Wij kunnen het soms ontdekken als wij iemand in de ogen kijken. Wij ontwaren het in de manier van doen van iemand. Vreugde en verdriet zijn heel vaak zichtbaar.
En de Here heeft daar ook oog voor.

Onze Here heeft, zo leert ons Spreuken 15, alles onder controle. Hij weet wat er gebeurt. Hij stuurt de wereld aan[4].
Het offer van Zijn kinderen neemt Hij met vreugde aan, zegt de Spreukendichter in dit hoofdstuk[5]. Daarmee bedoelt Hij: als Mijn kinderen gerechtigheid en recht doen, is Mij dat zeer welgevallig[6]. Met andere woorden: de Here wil dat wij, met heel ons hebben en houden, leven voor Hem. Dat is de sfeer die wij, bijvoorbeeld, ook kennen uit Romeinen 12: “Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst”[7].
Spreuken 15 leert ons ook dat liefde tot God en de naaste een groot goed is. Eerbied voor God: dat is beter dan een geweldig druk leven waarin voortdurend iets moet gebeuren. Echte rust vinden wij, zo onderwijst ons dit Schriftgedeelte, bij de Hére[8].
Welnu, in dat verband staat dan ook die tekst over dat blije gezicht en die droeve geest.

Blijdschap in de Here staat midden in het dagelijkse leven.
Blijdschap in de Here staat tussen ongeluk en teleurstelling.
Tussen onzekerheid en verdriet.
Tussen boosheid en tegenslag.

Geloofsblijdschap kunnen wij niet overdragen, ook al doen we daar nóg zo ons best voor.
Geloofsblijdschap is dus geen kwestie van: kun je nog glimlachen, gnuif dan mee.

Tim Keller – die dominee uit New York, dus – heeft geen zin in allerlei foefjes en slimmigheidjes.
Hij zegt: “Het maakt me niet uit wat uw methode is, of hoe uw stad eruitziet. Gebruik de methodes waarvan u denkt dat ze goed zijn voor uw stad. Maar denk goed over de cultuur waarin u het evangelie brengt. Mij heeft het jaren gekost om achter de werkelijke vragen van mijn culturele omgeving te komen”.
Als u het mij vraagt, zijn we al een eind op pad als wij de krant lezen. Wij zijn goed op weg als wij vanuit het Woord van God commentaar leveren op grote en kleine gebeurtenissen in de wereld.
Als predikanten het Woord Gods verkondigen, mogen ze best laten merken dat zij in de afgelopen week de krant hebben gelezen.
Preeklezers mogen, bij het kiezen van hun gebedsonderwerpen, best laten horen dat zij weten wat er in de wereld speelt.

Wij allen mogen, midden in het leven van alledag, tonen dat wij macht gekregen hebben om kinderen Gods te worden. Wij mogen laten blijken dat wij in Zijn naam geloven. Wij mogen demonstreren dat wij uit God geboren zijn[9].

Geloofsblijdschap heeft niets te maken met voortdurend vergaderende kerkmensen die – vanwege hun missionaire roeping – de gehele dag zitten te schateren, om zich vervolgens gedesillusioneerd en doodmoe op een rustbed uit te strekken.
Geloofsblijdschap: die ontwikkelen wij als we ons realiseren dat wij burgers zijn “van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten”[10].

Die geloofsblijdschap had de dichter van Spreuken 15 ook. Kijkt u maar:
“Het pad des levens gaat voor de verstandige opwaarts,
opdat hij ontwijke het dodenrijk beneden”[11].

Ons levenspad gaat opwaarts.
Voor gewone kerkmensen, die geen kunstjes kennen, is het elke dag een beetje Pasen.

Noten:
[1] Zie over Tim Keller http://nl.wikipedia.org/wiki/Tim_keller .
[2] Zie “Tim Keller wars van kunstjes”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 26 oktober 2011, p. 2.
[3] Spreuken 15:13.
[4] Zie Spreuken 15:3: “De ogen des HEREN zijn aan alle plaatsen, opmerkzaam acht gevend op kwaden en goeden”. En vers 11: “Dodenrijk en verderf liggen open voor de HERE, hoeveel te meer de harten der mensenkinderen!”.
[5] Zie Spreuken 15:8: “Het offer der goddelozen is de HERE een gruwel, maar aan het gebed der oprechten heeft Hij welgevallen”. En vers 29: “Ver is de HERE van de goddelozen, maar het gebed der rechtvaardigen hoort Hij”.
[6] Dat blijkt bijvoorbeeld uit Spreuken 21:3: “Gerechtigheid en recht doen, is de HERE welgevalliger dan offers”.
[7] Romeinen 12:1.
[8] Zie Spreuken 15:16 en 17: “Beter is een weinig in de vreze des HEREN, dan een grote schat en onrust daarbij. Beter een schotel groente, waar liefde heerst, dan een gemeste os en haat daarbij”.
[9] Deze formulering is ontleend aan Johannes 1:12 en 13: “Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn”.
[10] Zie Philippenzen 3:20.
[11] Spreuken 15:24.

27 oktober 2011

Leven van genade

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

De Christelijke Gereformeerde predikant J.C.L. Starreveld pleitte in het Kerkblad van het Noorden – een regionaal blad van de CGK – onlangs voor nuchtere waakzaamheid in de kerk.
Hij deed dat als volgt: “Tweemaal kerkgang in morgen- en middagdienst is eigenlijk een reformato­rische versobering. Na de overvloed aan diensten in de kerk van voor de Reformatie in de 16e eeuw hebben onze vaderen gezegd: twee keer is genoeg. Weg met al die met­ten, lauden, vespers, private missen, uitvaartdiensten, herdenkingsmissen, aparte privédoopsels, gildevieringen en wat niet al.
Onze vaderen zeiden nuchter: alleen op zondag en allemaal tegelijk en twee keer komen we samen om Gods Woord te horen en de sacramenten te gebruiken.
En verder geen rituelen en toestanden en liturgische onderonsjes. Reken maar dat men daarvan opademde. Van dat bevrijdende en verloste om zo in eenvoud en waar­heid de Heere te dienen. Dat moeten we opnieuw in oefe­nen en ons daaraan geven”[1].   

In die paar zinnen van de emerituspredikant Starreveld kwam heel wat langs.

‘Metten’ is de aloude naam voor het nachtgebed. De metten wordt ook wel vigilae genoemd: nachtwake.
‘Lauden’ duidt op het gebed bij de dageraad.
‘Vesper’ is de term voor een avondgebed.
Die gebeden bestonden al in de vroege kerk.
We kennen trouwens ook nog de terts; om negen uur ’s morgens. En de sext; om twaalf uur ’s middags. En de none; om drie uur in de middag. Ik las ook: “Later zijn daar nog de prime (morgengebed) en de completen (slotgebed voor het slapen gaan) bijgekomen. Het geheel bestond als zodanig al in de zesde eeuw”.
Deze reeks gebeden wordt samengevat onder het hoofd ‘getijden’. Ter geruststelling: er is ook nog een ingekorte versie; die noemen we brevier.
Paus Paulus VI – hoofd van de Rooms-Katholieke kerk tussen 1963 en 1978 – heeft de getijden  hervormd.  De vaste tijdstippen voor de meeste gebeden werden los gelaten. De metten werden afgeschaft[2].
Gildevieringen maken heden ten dage niet zelden onderdeel uit van gildefeesten. Die uitbundige feesten vinden plaats in het zuiden des lands; soms zijn ze verbonden met de activiteiten van een lokale schutterij. De gildeviering,  een speciale Roomse  mis, fungeert dan als een rustpunt op zondag[3].
Welnu, sinds de zestiende eeuw zijn Gereformeerden – om het maar eens kort door de bocht te zeggen – van al die drukte af.

Gereformeerden komen op zondag bij elkaar.
Twee keer.
Zij luisteren naar Gods Woord. En zij gebruiken twee sacramenten.
Zo eenvoudig is dat.

Door de week zijn Gereformeerde mensen in dankbaarheid aan God aan de arbeid.
Op zondag luisteren zij naar de Here, die hen verzorgt met alles wat zij nodig hebben.
Op maandag gaan zij gehoorzaam aan het werk.
Zo gaat dat, als het goed is.

Alleen maar: het gaat lang niet altijd goed.
Want mensen zijn zondig. Het zit in ons karakter om God en onze naaste te haten[4]. Daarom moeten en mogen we ook door de week blijven bedenken dat wij leven van de genade van God.

Kent u het verhaal van die boekrol die verbrand werd?
Het staat in Jeremia 36.
Die geschiedenis gaat zo.

Het is ongeveer 605 voor Christus.
Jeremia krijgt de opdracht om de door God gegeven profetieën op te schrijven. De profeet gaat daarop ijverig aan het werk.
Het is een hele klus. Jeremia dicteert. Zijn secretaris Baruch schrijft.
Diezelfde Baruch gaat met die boekrol op een vastendag naar de tempel. Aldaar aangekomen leest hij de tekst op de boekrol voor. Alle aanwezigen kunnen het horen. De Hére spreekt!
Waarom gebeurt dat allemaal?
Omdat de Here had gezegd: “Neem een boekrol en schrijf daarop al de woorden die Ik tot u over Israël, Juda en alle volken gesproken heb, sedert de dag dat Ik tot u gesproken heb, sedert de tijd van Josia tot op heden. Misschien zal het huis van Juda luisteren naar al de rampspoed die Ik hun denk aan te doen, opdat zij zich bekeren, een ieder van zijn boze weg, en Ik hun ongerechtigheid en zonde vergeve”[5].
Het uitgebreide mondelinge verslag van die gebeurtenis bereikt al snel de leidinggevende functionarissen aan het hof.
Baruch ontvangt alras de dienstorder om de tekst van die boekrol ook in het paleis te komen voorlezen.
Dat gebeurt ook.
Maar daarna wordt die boekrol vernietigd. Wij kunnen lezen: “Telkens als Jehudi drie of vier kolommen gelezen had, sneed de koning ze met een schrijversmes af en wierp ze in het vuur dat in het bekken was, totdat de gehele rol verteerd was in het vuur dat in het bekken was. Zij verschrokken niet en scheurden hun klederen niet, de koning noch een van zijn dienaren, die al deze woorden hoorden; ofschoon zelfs Elnatan en Delaja en Gemarja er bij de koning op aandrongen de rol niet te verbranden, luisterde hij niet naar hen”[6].
Men zou zeggen: als er niemand luistert, dan houdt alles op. Wat kan er dan nog gedaan worden?
Maar zo is dat bij God niet.
Baruch moet een nieuwe boekrol vol schrijven. Alle profetieën moeten opnieuw genoteerd worden.
En de Here vertelt erbij hoe het zal aflopen met koning Jojakim. Een opvolger zal hij niet hebben. Als hij sterft, wordt hij niet eens fatsoenlijk begraven. Heel het nageslacht van de zittende koning krijgt te maken met rampen. Calamiteiten zullen aan de orde van de dag zijn.
Het is droevig maar waar: in Jeruzalem luistert niemand. Maar ze zullen wéten dat God bestaat.
En Jeremia dicteert. Baruch schrijft.
Op die boekrol komt nog meer te staan dan er op de vórige rol stond.  
Wat gebeurt hier?
1.
Het kerkvolk wordt geconfronteerd met Gods Woord. Men luistert welwillend, maar over een ommekeer lezen wij niet.
2.
De regering wordt geconfronteerd met datzelfde Woord. De koning zegt: daar heb ik niets aan. De koning zegt: mijn volk kan er niets mee. De koning zegt: gooi dat boek maar in de kachel.
3.
De Here God laat Zijn Woord opnieuw opschrijven. En Hij spreekt verder. Hij zegt nieuwe dingen. En Hij deelt nieuwe orders uit. Zijn werk gaat door!

In de kerk moeten wij beseffen dat het zo maar de verkeerde kant op kan gaan.
Wij kennen geen strakke schema’s van religieuze verplichtingen of kerkelijke taakjes.
Geen metten.
Geen lauden.
Geen vespers en geen completen.
Maar voordat wij ’t beseffen, ontstaat er een situatie waarbij we welwillend luisteren naar Woord en preek; maar vervolgens zetten we ons leventje ongestoord voort. We lopen netjes op de door de kerk onderhouden paadjes. En dat is dan dat.
Voordat wij ’t ons realiseren, zijn er kerkelijke leiders die mompelen dat je ’t met sommige voorschriften van de Here niet zo nauw nemen moet. Daar kun je vandaag niet meer mee aankomen, heet dat dan. Dat is tijdgebonden. Of zoiets. Begrijpt u wel?
Zo zitten mensen in elkaar. Mensen zijn zóndig.
En daarom zeg ik: in de kerk moeten we ons blijven realiseren dat wij in de kerk leven van genade. 

Baruch, de secretaris van Jeremia, ondervindt dat aan den lijve.
De Here zegt in Jeremia 45 namelijk tegen hem: “Want zie, Ik breng rampspoed over al wat leeft, luidt het woord des HEREN, maar Ik geef u uw leven ten buit in alle plaatsen waar gij zult heengaan”[7].
Niet dat Baruchs leven er makkelijker op wordt.
Jojakim vindt Baruch staatsgevaarlijk.
Baruch zal de val van Jeruzalem meemaken.
Baruch zal ervan beschuldigd worden de ondergang van Gods volk te bewerkstelligen[8]. Baruch wordt gedwongen om, samen met Jeremia, mee te gaan naar Egypte[9].
Maar de belofte blijft staan: “Ik geef u uw leven ten buit in alle plaatsen waar gij zult heengaan”[10]

Gereformeerden leven van genade.
Altijd.
Dat betekent niet dat hun leven altijd simpel is.
Maar zij stemmen in met Psalm 5:
“Wie bij U schuilt zal zich verblijden
en juichend zullen tot U gaan,
Wie onder uw bescherming staan.
Zij zullen U hun liefde wijden,
Uw naam belijden”[11].

Mensen die in genade tot Gods kinderen aangenomen zijn, die dienen hun Heer.
Zonder omwegen. In alle eenvoud. Altoos en immer.
Dat, geachte lezer, heeft dominee Starreveld goed gezien.

Noten:
[1] Geciteerd via: Reformatorisch Dagblad, zaterdag 22 oktober 2011, p. 2 (rubriek ‘Kerkelijke pers’).
[2] Zie http://www.protestant.nl/encyclopedie/themas/kerk/getijden .
[3] Zie bijvoorbeeld http://bisdomdenbosch.nl/default.aspx?class=item&item=2971 .
[4] Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 2, antwoord 5.
[5] Jeremia 36:2 en 3.
[6] Jeremia 36:23-25.
[7] Jeremia 45:5.
[8] Jeremia 43:3: “…Baruch, de zoon van Neria, zet u tegen ons op met de bedoeling ons in de macht der Chaldeeën over te geven, ten einde ons te doden en ons in ballingschap naar Babel te voeren”.
[9] Jeremia 43: 4-7: “Zo hoorden Johanan, de zoon van Karéah, en al de legeroversten en het gehele volk niet naar de stem des HEREN om in het land van Juda te blijven; maar Johanan, de zoon van Karéah, en al de legeroversten namen het gehele overblijfsel van Juda, hen die van alle volken waarheen zij verstrooid waren geweest, teruggekeerd waren om in het land van Juda te verblijven: de mannen, de vrouwen en de kinderen, de dochters van de koning en al de mensen die Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, bij Gedalja, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, had achtergelaten, ook de profeet Jeremia en Baruch, de zoon van Neria, en zij trokken naar het land Egypte, want zij luisterden niet naar de stem des HEREN; en zij kwamen tot aan Tachpanches”.
[10] Zie hierover ook http://www.jongerenredactie.nl/oud/artikel.php?artid=84 (= Arjen Karssenberg, “Gods belofte aan Baruch”. In: Reformanda, jg. 13, nr 37 (8 oktober 2003)).
[11] Psalm 5:9 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

26 oktober 2011

Euro-pijn

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Brood en spelen: die term komt van de Romeinse dichter Juvenalis. Ooit schreef hij: “Vroeger verkochten we onze stem aan niemand. Al een hele tijd heeft het volk de macht afgestaan. Het volk benoemde vroeger militaire bevelhebbers, hoge ambtenaren, legioenen, alles. Nu beperkt het volk zichzelf en hoopt alleen nog op twee zaken: brood en spelen”.
De uitdrukking ‘brood en spelen’ betekent: de gunst van het volk winnen door het aanbieden van eten en vermaak[1].

Vandaag wijs ik op de woorden van Juvenalis omdat er een zogeheten eurotop plaatsheeft. De vraag is: hoe moeten wij de financiële crisis, waar wij momenteel mee te maken hebben, bezweren?
Het probleem is dat Griekenland zijn schulden waarschijnlijk niet meer zal kunnen financieren. Financiële markten raken in paniek. En de vraag is: kan de euro wel blijven bestaan?
Hoe zal het met ons geld gaan?
Zijn er nog wel mogelijkheden om brood en spelen te blijven bekostigen?

Wij gaan van crisis tot crisis steeds voort.
Veel Europese overheden zijn in 2007 in de problemen geraakt; financieel gezien, althans. De Amerikaanse huizenmarkt stortte in. Hypotheken werden minder waard. Banken kwamen in problemen. Het vertrouwen slonk snel: banken leenden elkaar geen geld meer. Diverse overheden hielpen banken om overeind te blijven. Daar ging natuurlijk een hoop geld in zitten.
Tel daarbij dalende belastingopbrengsten en meer uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen[2].
Het principe is simpel: als er niet al te veel geld binnenkomt, kun je ook niet veel geld uitgeven.
Maar als het over geld gaat spelen veel dingen mee: sentimenten, voorkeuren en stemmingen.

Wat zullen wij van deze dingen zeggen?
Ons gezonde verstand zegt: als onze portemonnee leeg is, houdt het op. Of ook: wij passen ons uitgavenpatroon aan, naarmate ons inkomen stijgt of daalt.

Kinderen van God kunnen echter meer zeggen.
Want in het financiële verhaal, waarvan vandaag opnieuw een hoofdstuk wordt geschreven, spelen vertrouwenskwesties een grote rol.
En de vraag hangt boven het kerkplein: waar vertrouwen wij op? Laten wij ons vertrouwen op de Here stellen!

Tegen een man uit Lucas 18 zegt Jezus: “Hoe moeilijk kunnen zij, die geld hebben, in het Koninkrijk Gods ingaan”[3].
De aangesprokene heeft, om het maar zo te zeggen, een beste baan. En daarbij hoort uiteraard een dito inkomen[4]. Waarschijnlijk is het een ‘archoon’, een stadsoverste[5].
Dat zijn dus woorden die, in de gegeven omstandigheden, een tamelijk onaangenaam kleurtje hebben.

In Lucas 18 gaat het over een onrechtvaardige rechter. De man wordt de aandrang van een weduwe zat. Die weduwe lijdt onder onrecht en dringt aan op een rechtszaak. Uiteindelijk gaat de rechter maar aan het werk, ofschoon hij er weinig zin in heeft. Zo mogen Gods kinderen bij hun Heer aandringen op Zijn redding. Het is zeker: de Here zál luisteren[6].
In Lucas 18 gaat het ook over een farizeeër en een tollenaar. De Schriftgeleerde bidt met woorden waaruit een zekere zelfingenomenheid blijkt. De tollenaar heeft een diepgaand zelfonderzoek gedaan; hij ontdekte hoe verdorven zijn leven feitelijk is. ‘Wees mij genadig’, smeekt hij. Zó mogen Gods kinderen bij hun Heer aandringen op Zijn vergeving. Het is zeker: de Here zál vergeven[7].
In Lucas 18 gaat het ook over kinderen. Zij zijn wélkom bij de Here. Hij zegent hen. Zó worden kinderen van God hartelijk begroet als zij bij hun Heer komen[8].

In dát kader komt nu de stadsbestuurder in beeld.
Het is niet zo dat die man niets van Jezus hebben moet. Hij noemt Hem ‘Goede Meester’; dat doet hij natuurlijk niet voor niks. Die, ongetwijfeld invloedrijke, man begrijpt dat Jezus recht van spreken heeft als het over Gods Koninkrijk gaat.
Waar zit nu het probleem bij die rijke meneer?
Dat zit niet bij een afwijzing van Jezus. De stadsgouverneur erkent Gods Zoon immers als goede Leraar.
Het probleem is veeleer dat hij de Here Jezus een beetje op afstand volgen wil.
En dat is, zo maakt Jezus duidelijk, volstrekt onmogelijk.
Wie Jezus volgen wil, moet zijn nááste liefhebben. Hij moet liefde betonen aan de mensen om hem heen.
Wie Jezus volgen wil, moet bereid zijn z’n complete bezit van de hand te doen. Het Koninkrijk van God is niet iets dat mensen, gelovend en Godsdienstig, tóevoegen aan hun huidige levensstandaard. Het Koninkrijk van God is niet bedoeld als een aanvulling op het aardse bestaan. Dat Koninkrijk is geen aanhangsel. Dat Koninkrijk is geen supplement of bijlage[9].

Vandaag, woensdag 26 oktober, staat het verhaal van die rijke man bovenaan op deze internetpagina.
Vanavond vindt een eurotop plaats. Een consilium Europaeum. En de vragen zijn: hoe komen we die financiële problemen te boven? en: wat gaan we doen om binnenkort weer boven de respectievelijke staatsschulden uit te kunnen kijken?
Laten we maar niet denken dat die twee weinig met elkaar te maken hebben.
De maatregelen die vanavond genomen gaan worden zullen we waarschijnlijk in onze portemonnees gaan voelen. Een commentator schreef gisteren in het Nederlands Dagblad: “Deze crisis is (…) niet op te lossen met pijnloze maatregelen, zeker niet na anderhalf jaar treuzelen. Hard ingrijpen is nodig om bijvoorbeeld de euro als gemeenschappelijk betaalmiddel te redden. Als die wil er niet is, dan is het einde van de eurozone zoals we die nu kennen, onontkoombaar. Wat de regeringsleiders morgen ook beslissen, hun besluiten zullen – hoe ellendig dat ook is – pijn doen. En als dat niet het geval is, dan zijn het geen echte oplossingen”[10].
De maatregelen zullen dus pijn doen.
Maar de Here Jezus Christus zegt: mensen, volg Mij. Dan is die euro-pijn best te verdragen.
De Here Jezus zegt: bid maar tot Mij als u financieel moet inleveren.
De Here Jezus zegt: ik zal u genadig zijn als de belastingdruk verhoogd wordt.
De Here Jezus zegt: vertrouw maar op Mij als de economie stagneert.

Zeker, de regeringsleiders moeten hun verantwoordelijkheid nemen. Nou en of.
Maar de Here Jezus zegt: er is perspectief, want Mijn Koninkrijk komt er aan; dwars door alles heen.

Misschien zegt u: dit is een mooi verhaal.
Maar ondertussen raakt mijn portemonnee leeg.
En nee, ik kom niet rond.
En ja, aan het eind van mijn geld heb ik nog een stuk maand over[11].
Hoe móet dat nou?
Over mijn problemen heen kijken? Hoe is dat nou mogelijk?
Mag ik u dan wijzen op een prachtig machtswoord van de Heiland? Dat is dit: “Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God”[12].

Wellicht hebben wij veel, heel veel vragen.
Maar schuilend bij de Heiland is de euro-pijn te dragen.

Laten wij Psalm 49 maar repeteren:
“Maar God zal mij ontrukken aan de dood,
Hij koopt mij los en redt mij uit die nood.
Hij is het die ten leven mij geleidt
en die mij opneemt in zijn heerlijkheid.
Vrees niet wanneer een man zichzelf verrijkt
en in zijn huis met eer en aanzien prijkt.
Het is vergeefs, geen rijkdom kan hem baten:
al zijn bezit – hij moet het achterlaten”[13].

Noten:
[1] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Brood_en_spelen .
[2] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Europese_staatsschuldencrisis en http://nl.wikipedia.org/wiki/Tijdlijn_van_de_Europese_staatsschuldencrisis .
[3] Lucas 18:24.
[4] Zie Lucas 18:18: “En een hooggeplaatst man vroeg Hem en zeide: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?”.
[5] Zie: Dr. Jakob van Bruggen, “Lucas; het evangelie als voorgeschiedenis”. – Kampen: Uitgeverij Kok, 1993 (tweede druk: 1996). – p. 333.
[6] Lucas 18: 1-8.
[7] Lucas 18:9-14.
[8] Lucas 18:15-17.
[9] Van Bruggen, a.w., p. 334.
[10] Commentaar “Pijn”. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 25 oktober 2011, p. 11.
[11] Deze zin is ‘geleend’ van wereldverbeteraars die zich indertijd verenigden onder de paraplu van Loesje. Hij staat op een door Loesje gepubliceerde poster. Het affiche verscheen in februari 1986. Zie http://loesje.nl/posterarchief/ .
[12] Lucas 18:27.
[13] Psalm 49:5 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

25 oktober 2011

De deuren van de hemel gaan open

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Petrus heeft de sleutels van het Koninkrijk der hemelen. Zo staat dat in Mattheüs 16.
Ik citeer: “Ik zal u de sleutels geven van het Koninkrijk der hemelen, en wat gij op aarde binden zult, zal gebonden zijn in de hemelen, en wat gij op aarde ontbinden zult, zal ontbonden zijn in de hemelen”[1].

Hoe worden die sleutels gebruikt?
1. Met die sleutels worden de Schriften geopend.
Jezus laat vanaf dat moment in Mattheüs 16 geen moment onbenut om uit te leggen dat Hij moet lijden. Vanaf dat moment legt de Messias ook uit dat Hij te Zijner tijd zal opstaan[2]. Daar werkt de Here van d’allervroegste jaren naar toe. Hij zorgt er voor dat dat hoogtepunt in de heilsgeschiedenis kan aanbreken.
2. Met die sleutels worden onze harten geopend.
Dat laatste heeft, meen ik, alles met uitverkiezing te maken.
Graag wijs ik u op het feit dat Jezus in Lucas 24 aan Zijn leerlingen verschijnt.
De discipelen luisteren in dat hoofdstuk verbijsterd en verbluft naar het verhaal van twee opgewonden mannen uit Emmaüs. Die mannen geven uitgebreid weer wat Jezus een paar uur geleden aan hen heeft uitgelegd.
De discipelen begrijpen er niet veel van. Het verhaal van die twee dorpsmensen is toch niet te geloven?
En dan, zonder aankondiging, is Jezus bij hen. De discipelen kunnen niet geloven wat zij zien: hun Mééster.
Hij is weer terug!
Hij leeft! Hij eet vis, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld is.
En Hij spreekt. Hij zegt: wat die mannen uit Emmaüs aan jullie vertelden, dat klopt volledig. “Dit zijn mijn woorden, die Ik tot u sprak, toen Ik nog bij u was, dat alles wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes en de profeten en de psalmen moet vervuld worden”[3].
Plotsklaps gaan die discipelen het Evangelie begrijpen. Nee, niet omdat hen opeens een lichtje opgaat. Maar omdat de Here God hun hersens opent. Er staat: “Toen opende Hij hun verstand, zodat zij de Schriften begrepen”[4].
En zó gaan daar, in Mattheüs 16, gingen feitelijk de deuren van de hemel open.      

Eigenlijk is het geen wonder dat Jezus’ leerlingen de breedte en diepte van Christus’ woorden in eerste instantie onvoldoende peilden.
Zijn lijden, Zijn sterven, Zijn opstanding: dat waren stuk voor stuk processen met onaardse dimensies. Lijden, sterven en opstanding van Jezus: dat zijn gebeurtenissen die niet binnen het denkraam van mensen passen.

Petrus is daar in Mattheüs 16 trouwens zelf een levend bewijs van. Als Jezus over Zijn lijdensweg spreekt, zegt Petrus: “Dat verhoede God, Here, dat zal U geenszins overkomen!”.  
Laten wij ons niet vergissen: op dat moment is Petrus een instrument van de duivel. De Zoon van God weerstaat de verleiding. “Ga weg, achter Mij, satan!”, zegt Hij geërgerd[5].
Het wordt duidelijk: als het over de sleutels van Gods Koninkrijk gaat, staat de zaak op scherp.
De tegenstelling is diep.
Het is God tegenover Satan.
Hier staat hemelse harmonie tegenover aardse zondigheid.

Die antithese is anno Domini 2011 nog altijd duidelijk te zien.
Dat geldt zelfs voor mensen die niet in kerk of klooster thuis zijn.

Laat ik daarvan een actueel voorbeeld geven.
De Zeeuwse predikant K. Hendrikse, verbonden aan de protestantse gemeente te Middelburg, schreef een nieuw boek. ‘God bestaat niet en Jezus is zijn zoon’, heet het[6]. Jezus heeft waarschijnlijk wel geleefd, zegt de dominee. Maar die opstanding? Dat is, zo zegt hij, een mythe. Een fabel, zogezegd. Het is, zo meent de schrijvende theoloog, het zoveelste godenverhaal in een rijtje. “Het misverstand van een letterlijk opgevatte mythe”[7].
Het doet allemaal een beetje denken aan de overleveringen betreffende de god Osiris. Volgens oude verhalen is Osiris uit de hemel gekomen. Die Osiris werd ook koning; een heuse farao, dus. Van het oude Egypte, weliswaar. Maar tóch[8].
Het verhaal van Jezus heeft ook wel iets van de historie rond Mithras. Die Mithras is, zo zegt men, uit een maagd geboren. En Mithras zou – hoe toevallig! – ook twaalf discipelen hebben gehad. Mithras was reuze populair bij Romeinse soldaten. Het mithraïsme was in het Romeinse Rijk zelfs een officiële godsdienst[9]
Niet-kerkelijken kunnen al die verhalen naast elkaar zetten. Voor hen zijn het allemaal vertelsels. De kwestie is: wat geloven zij?

Op ware gelovigen komen ook vragen af. Bijvoorbeeld:
* blijven wij geloven dat de Here Jezus Christus voor ons geleden heeft?
* geloven wij dat de Heiland voor ons is opgestaan?
* beamen wij dat hier ten principale het verschil tussen hemel en hel zit?

Op dat geloof komt het aan.
Christus zegt: wat u op aarde binden zult, zal gebonden zijn in de hemelen, en wat u op aarde ontbinden zult, zal ontbonden zijn in de hemelen.
Wat betekent dat?
Dat betekent dat de evangeliserende activiteit van Petrus en zijn medeleerlingen effect zal hebben in de hemel. Tot nog toe was het leergezag altijd voorbehouden geweest aan de Schriftgeleerden. Maar de Heiland geeft die autoriteit nu aan Zijn discipelen. Wat meer is: Hij geeft die aan Zijn kerk. En de opdracht voor de kerk is: houdt u aan het dienstvoorschrift van uw Heer; houdt u aan de instructies van de apostelen[10].

Ik keer weer terug bij dominee Hendrikse.
De predikant is een aanhanger van het positivisme. Positivisme: dat is de opvatting dat alleen empirische wetenschap geldige kennis oplevert. Met andere woorden: wetenschap is slechts te verkrijgen door ervaring[11]. Allerlei beschrijvingen van bovennatuurlijke gebeurtenissen zijn, zo poneert Hendrikse, werkelijk volstrekte onzin. Hij schrijft: “Als leeswijzer kun je daarbij het uitgangspunt nemen dat alles wat zich niet verdraagt met logica en natuurwetten, behoort tot mythologisch taalgebruik dat niet bedoeld is om letterlijk te worden genomen”[12].   
Daartegenover staat het christelijk geloof.
In dat geloof weten wij dat Christus is opgestaan. Dat hebben wij niet gezien. Maar wij weten het wel. En wij ervaren de kracht ervan reeds in dit aardse leven; dat is de werking van de Heilige Geest.

Het heilig evangelie: dat is – zo leren wij in de Heidelbergse Catechismus – één van de middelen waardoor het koninkrijk der hemelen voor de gelovigen wordt geopend en voor de ongelovigen wordt gesloten[13].
En wij mogen het heilig evangelie van Mattheüs 16 proclameren: “…op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen”[14].
De Here Zelf bouwt Zijn kerk. Dat hoeven wij niet te doen.
En wie gelovig kijkt, die kan het zien: voor ware gelovigen gaan de deuren van de hemel soepel  open. Wonderlijk, maar waar.

Noten:
[1] Mattheüs 16:19.
[2] Mattheüs 16:21: “Van toen aan begon Jezus Christus zijn discipelen te tonen, dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel lijden van de zijde der oudsten en overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden en ten derden dage opgewekt worden”.
[3] Lucas 24:44.
[4] Lucas 24:45.
[5] Mattheüs 16:22 en 23.
[6] De gegevens van dat boek zijn: Klaas Hendrikse, “God bestaat niet en Jezus is zijn zoon”. – Amsterdam : Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2011. – 208 p.
[7] “Hendrikse vindt opstanding mythe”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 20 oktober 2011, p. 2.
[8] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Osiris_(Egyptische_mythologie) .
[9] Zie het hierboven geciteerde ND-bericht. En verder http://nl.wikipedia.org/wiki/Mithras .
[10] Zie hierover ook: Dr. Jakob van Bruggen, “Matteus: het evangelie voor Israël”. – Kampen: Uitgeverij Kok, 1990 (vijfde druk: 2008). –  p. 313-315.
[11] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Positivisme .
[12] Geciteerd via: Gert van den Brink, “Jezus staat Klaas Hendrikse in de weg”. In Gulliver – bijlage bij het Nederlands Dagblad -, vrijdag 21 oktober 2011, p. 8 en 9.
[13] Heidelbergse Catechismus – Zondag 31, antwoord 83.
[14] Mattheüs 16:18.

24 oktober 2011

Goddelijke voorzienigheid versus voltooid leven

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Afgelopen woensdag, 19 oktober, vond er een symposium plaats over ‘voltooid leven’. De bijeenkomst werd georganiseerd door de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde.
In de media staat deze vereniging bekend als de NVVE. Dat komt omdat de vereniging tot 2006 een andere naam had: Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie[1].  

Welnu, de NVVE praatte afgelopen woensdag over het zelfgewild levenseinde.

De Protestants Christelijke Ouderenbond – de PCOB – heeft zich ook in het debat over dat levenseinde gemengd. Moeten we als samenleving mééwerken aan een zelfgewild einde?, zo vraagt men.

Het leven is, zo zegt de PCOB, niet ons eigen bezit.
De waardigheid van het leven is niet gebonden aan de prestaties van de betrokkene. Het feit dat iemand bestáát doet er al toe.
Beleidsadviseur Gerrie Abrahamse van de PCOB schreef in verband met dit onderwerp in het Nederlands Dagblad: “Deze aspecten maken dat het debat niet moet draaien om medische of juridische vragen, maar allereerst rond levensvragen. Hier gelden drie dimensies: de ik-vragen, die zich richten op de eigen bezinning; jij-vragen, die zich richten op het onderlinge gesprek; wij-vragen, die zich richten op het maatschappelijk debat”.
Wij moeten, zo meent men in de PCOB, de levensvragen nadrukkelijk aan de orde stellen. Dat kan men het stellen van die levenseinde-vragen uitstellen of voorkómen[2].

Het stoort mij dat de naam van God in dit alles meestentijds niet wordt genoemd. Het lijkt soms wel alsof men het noemen van Gods naam zorgvuldig vermijdt.
De reden daarvoor kan zijn dat men bevreesd is dat de boodschap niet óver komt als de Schepper van het leven wordt genoemd. Dat die vrees bestaat is wel te begrijpen. Maar dat laat onverlet dat het belijden van Gods naam voor christenen nódig is.
Wij vertrouwen er toch op dat de Here ons zal voorzien van alles wat wij voor lichaam en ziel nodig hebben? Wij hebben toch de geloofszekerheid dat Hij elk kwaad, dat Hij ons in dit moeitevol leven toedeelt, voor ons doet meewerken ten goede[3]? Een christen is – meen ik – verplicht die belijdenis úit te spreken.

Veel mensen zeggen: we moeten met elkaar kunnen communiceren; als dat niet meer mogelijk blijkt, is het leven voltooid.
Hierover sprekende moeten wij, dunkt mij, goed onderscheiden tussen bestaansgrond en bestaansdoel.
Mensen zijn geschapen omdat dat in het plan van God was opgenomen. De Here God is, als ik dat zo zeggen mag, baas in onze buik. Híj is de Heer van ons bestaan. Terecht merkte J. van Bruggen eens op: “Gód beslist soeverein over het binnenkomen en zijn in dit leven”[4]. Onze bestaansgrond vinden wij dus in God.
Mensen hebben een plek in allerlei verbanden en gemeenschappen. Ons bestaansdoel is dat wij in die verbanden communiceren. Als zulke omgang – menselijkerwijs gesproken – niet meer uitvoerbaar  is, is daarmee het leven niet ten einde. Want wij zijn in Gods hand; Híj bepaalt wanneer ons leven hier op aarde ten einde is.

Vandaag de dag hebben allerlei sprekers het over menselijke waardigheid.
Bij tijd en wijle doelt men dan op verlies van decorum: iemand ziet er onaantrekkelijk uit.
Anderen spreken over ‘dying with dignity’:  sterven met waardigheid. Als die term valt komen euthanasie en hulp bij zelfdoding al snel in zicht.
Hoe dat zij – de kerkvader Augustinus leerde zijn luisteraars: “de onsterfelijke ziel van de mens is zo waardig en zo veel waardiger dan een lichaam omdat hij door God geschapen is[5].
Ik wil maar zeggen: christenen die willen spreken over humane waardigheid moeten eerst en vooral Gods Wóórd lezen.

Heden ten dage zijn velen de mening toegedaan dat wij, simpel gezegd, recht hebben op tenminste één sprankje geluk per dag.
De vraag is vervolgens: waar vinden wij dat geluk?
Als ik Jesaja 25 lees, begrijp ik dat er een sluier over ons bestaan ligt. Er ligt een bedekking over de wereld. De lucht kan nóg zo blauw zijn, de bloemen kunnen nóg zo kleurig wezen… – altijd is er wel iets dat ons aardse leven overschaduwt. Maar juist ín die schaduw mogen wij weten dat er een moment komt waarop onze Here die sluier zal verscheuren. Weg ermee!, zal Hij zeggen. De bedekking van deze wereld zal Hij weggooien. Dat ding heeft hier geen functie meer, zal Hij opmerken[6].

Ons leven kan zwart zijn. Diepzwart.
Maar dan, juist dan, mogen wij zeggen: hier is het niks meer, maar stráks… dan zul je eens zien!
Met name de ouderen onder ons hebben dagelijks te maken met de tekorten van het leven.
En misschien bent u geneigd tot een levenslange klacht.
Mag ik u wijzen op Psalm 88?
De Ezrahiet Heman had het met het leven helemaal gehád. Hij componeerde een leerdicht. Hij wilde zijn luisteraars blijkbaar iets leren. Heman wilde kennis overdragen[7]. Zijn tekst was somber:
“Vriend en metgezel hebt Gij van mij verwijderd;
mijn bekenden zijn een en al duisternis”[8].
De psalm is één en al jammerklacht. Maar Heman wist wel waar hij met zijn beklag en tegenwerping heen moest. Dát leerde Heman dus aan zijn volksgenoten. En de Geest van de Here heeft het zo geleid dat de les van Heman ook in onze bijbels staat. Zodoende houdt Heman ook óns in training. Hij zegt: mensen, klagen mag; maar bedenk goed wáár u dat doet.

“Gij zult niet doodslaan”. Die woorden kent u natuurlijk wel[9].
Die wetsregel is niet bedoeld als motto voor beveiligers, politieagenten en douaniers. Die bepaling is niet zozeer bedoeld als afbakening van onze speelruimte.
Het is een wetsregel die ons op de próef stelt.
Geloven wij werkelijk dat álle dingen die op aarde geschieden, “uit zijn vaderhand ons ten deel vallen”[10]?
Of – om met J. van Bruggen te spreken -: “geloven wij werkelijk dat de Here leeft en voor ons zorgt en dat Hij op aarde recht zal doen”[11]?

Als u het mij vraagt, is de kwestie van de Goddelijke voorzienigheid ook vandaag nog volop actueel.

Noten:
[1] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/NVVE .
[2] Zie: Gerrie Abrahamse, “Er is meer dan ‘voltooid leven’”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 20 oktober 2011, p. 11.
[3] Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 9, antwoord 26.
[4] J. van Bruggen, “Het leven is de moeite waard; pastorale handreiking voor verplegenden”. – Groningen: Uitgeverij De Vuurbaak bv, 1972 (tweede herziene druk). – p. 18.
[5] Zie http://www.npvzorg.nl/themas-van-a-tot-z/waardigheid-leven-met/ .
[6] Jesaja 25:7 en 8: “En Hij zal op deze berg de sluier vernietigen, die alle natiën omsluiert, en de bedekking, waarmede alle volken bedekt zijn. Hij zal voor eeuwig de dood vernietigen, en de Here HERE zal de tranen van alle aangezichten afwissen en de smaad van zijn volk zal Hij van de gehele aarde verwijderen, want de HERE heeft het gesproken”.
[7] Zie voor de betekenis van ‘leerdicht’: http://www.woorden.org/woord/leerdicht .
[8] Dat is Psalm 88:19; het slot van dit leerdicht.
[9] Zie Exodus 20:13 en Deuteronomium 5:17.
[10] Heidelbergse Catechismus – Zondag 10, antwoord 27.
[11] Van Bruggen, a.w., p. 25.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.