gereformeerd leven in nederland

30 november 2011

Romeinen 9: Gods kinderen uitgekozen voor de heerlijkheid

In de kerk bivakkeren mensen die door de Here uitgekozen zijn. Hij zegt tegen Zijn kinderen: u hoort bij Mij. Zo komt het dat wij geloven dat de beloften van de Here echt waar zijn.
Dat is het hoofdonderwerp van Romeinen 9[1].

Nu is de Goddelijke uitverkiezing in onze tijd geen populair onderwerp.
Terecht zei iemand eens in een toespraak: tegenwoordig gaat het “om mijn keuze: ik moet kiezen voor Jezus. En dat God tevoren reeds koos, dat is niet populair. Meer dan eens heb ik dat zelfs horen ontkennen. Dat is ontstellend want ‘uitverkiezing’ is een heel bijbels gegeven. Maar ja, als je natuurlijk helemaal uitgaat van onze keuze en dat wij met onze keuze onze bestemming uiteindelijk bepalen – dat is onze zogenoemde vrije wil – dan kom je met Romeinen 9 echt niet uit de voeten. Romeinen 9 is dus nogal een problematisch hoofdstuk”[2].
De spreker sloeg indertijd de spijker op zijn kop. Op dit punt staan Gereformeerden tegenover evangelischen!

Anno Domini 2011 gebeurt het echter ook regelmatig dat mensen gewoon bij de Here weglopen.
Ik geloof dat Woord niet meer, zeggen die mensen dan. Ontspannen wandelen zij naar de kerkdeur. En daarna verdwijnen zij zomaar uit het gezicht. Meestal voelen de achterblijvers zich erg machteloos. Wat kunnen zij aan zulk ongeloof doen?
En ze vragen zich vooral af: zijn die weglopers tóch niet door God uitgekozen?

Wij moeten, denk ik, niet al te zeer schrikken van mensen die uit de kerk stappen.
De Here laat mensen geboren worden die, om zo te zeggen, vlak bij de kerk leven en tóch niet bij Hem horen.
In de Bijbel zijn daar ook wel voorbeelden van te vinden.
Ik wijs u op Genesis 16. Saraï wordt niet zwanger. Ze zegt tegen haar man Abraham: probeer maar om via onze slavin Hagar nakomelingschap te verwekken; dan wordt de geslachtslijn in ieder geval doorgetrokken.
Het plan lukt: Hagar is al snel zwanger. Hagar kijkt met een scheef oog naar haar meesteres: die Saraï mag dan een knappe vrouw zijn, maar zij kan niet eens kinderen krijgen! Wat héb je nou aan zo’n vrouw?
Saraï weet heel best hoe Hagar over haar denkt. En naarmate de tijd vordert kan zij het gedrag en de gedachten van Hagar steeds slechter verdragen. Zij wil Hagar kwijt! En wel zo snel mogelijk!  Dat gebeurt dan ook. Hagar wordt ontslagen en trekt de woestijn in.
Daar wordt zij door de Here aangesproken. Bij die ontmoeting zegt de Here onder meer: “Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en hem Ismaël noemen, want de HERE heeft naar uw ellende gehoord. Hij zal een wilde ezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn en de hand van allen tegen hem, en hij zal ten aanschouwen van al zijn broederen wonen”[3].
Wat zien we in Genesis 16 gebeuren? Laat ik enkele zaken noemen.
a. mensen wachten niet op God en maken zelf keuzes om hun verwachtingen waar te maken
b. hooghartigheid en onverdraagzaamheid maken een samenleving onmogelijk
c. de Here geeft, mede vanwege de deplorabele situatie waarin Hagar zich bevindt, de blijdschap van de geboorte van een kind: Ismaël
d. Ismaël blijkt wild en ontembaar te zijn: hij maakt keuzes die tegen de wil van de Here in gaan.

In Hebreeën 11 komt Abraham langs in het rijtje van geloofsgetuigen[4].
Maar dat wil dus niet zeggen dat de zonde in het leven van hem geen rol speelt. En ja, ook de mensen in zijn omgeving hebben er mee te maken. En ook in de levens van Abrahams nakomelingen heeft de zonde nog grote invloed!

De geschiedenis rond Ismaël toont aan dat de wil van mensen om de Here wel of niet te dienen er beslist toe dóet.
Maar als mensen de Here niet willen dienen, is het verhaal niet uit. Want als mensen zich van God verwijderen zien we hoe groots en betrouwbaar Gods beloften zijn. Tegen het donker van de zonde lichten Gods woorden over de toekomst óp. Leest u maar eens mee in Genesis 21: “…door Isaäk zal men van uw nageslacht spreken”[5]. In Romeinen 9 tekent Paulus bij die tekst aan: “Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods, maar de kinderen der belofte gelden voor nageslacht”[6]. Onze afstamming is niet het belangrijkste. De vraag is of wij Gods belóften aannemen. In een donkere zondige wereld is overal Zijn licht te zien. Want overal ter wereld zijn er mensen die die vraag positief beantwoorden: ja, ik geloof!
De Here God gaat verder. Dwars door menselijke zonden heen.

Wij komen mensen tegen die suggereren: christen-zijn, dat is voor mij te hoog gegrepen; dat kan ik niet.
Laat ik een voorbeeld noemen van iemand die dat doet.
NOS-correspondent Peter ter Velde schreef een semi-autobiografische roman over zijn jeugd. Het is een roman over Johan Verboom. Johan heeft het gevoel dat hij, als het over geloofszaken gaat, op geen enkele manier aan de verwachtingen van zijn vader kan voldoen. “Ik had gefaald. Ik had me voor Jezus geschaamd. Hij zal zich voor mij schamen als ik Hem zal ontmoeten. Ik voelde me als het zwart op de button. Zondig. Onrein. Onwaardig. Ik was acht jaar oud”. Johan weet het: op deze manier ga ik voor eeuwig verloren[7]!
Peter zelf heeft het geloof overigens inmiddels vaarwel gezegd…

Is ongeloof een kwestie van het ontbreken van religieuze vaardigheden?
Zeker niet.
Reeds in Exodus 33 zegt de Here: “Ik zal genadig zijn, wie Ik genadig ben, en Mij ontfermen, over wie Ik Mij ontferm”[8]. Op die manier, zegt de Here tegen Mozes, zal Ik Mijn naam uitroepen. Zó wil Hij bekend staan. Hij wil niet de reputatie hebben van Iemand die mensen verwerpt. Integendeel – hij neemt mensen áán.
Om het nogmaals met Paulus in Romeinen 9 te zeggen: “Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God, die Zich ontfermt”[9].
Het gaat niet primair om het antwoord op de vraag hoe hoog ouders of grootouders de lat leggen. Het gaat niet in de eerste plaats om de activiteit van ooms of tantes in de kerk. Alle licht moet op Gods barmhartigheid vallen.

En er is meer.
Hij gebruikt de wereldgeschiedenis om de heilsgeschiedenis vorm te geven.
Daar past, bijvoorbeeld, Ismaëls historie in.
En bijvoorbeeld ook de achterstelling van Ezau.
En bijvoorbeeld ook de keiharde Egyptische Farao.
Dat alles dient het doel dat de Hére zich heeft gesteld.

Heden ten dage zijn er nogal wat mensen die zeggen: als de verantwoordelijkheid bij God ligt, kunnen wij niet aansprakelijk gesteld worden. Waar hébben we het dan nog over?
Wij dienen echter goed te zien hoe de verhoudingen tussen God en mensen liggen. God is niet Iemand waarmee je iets regelen kunt over taken en verantwoordelijkheden. De Here heeft de mensen gemaakt. Onze positie wordt gemarkeerd in Genesis 2: de Here God creëerde de mens “van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen”[10]. Dan is het toch een regelrecht mirakel dat Hij uitgerekend via óns “de rijkdom zijner heerlijkheid” bekend wil maken? Het is een wonder dat Hij ook voor óns de heerlijkheid heeft voorbereid. Dan heb je niks te discussiëren of te mopperen. Lees Romeinen 9 er maar op na[11]!

Nog één ding.
De rijkdom zijner heerlijkheid: wat moeten wij ons daarbij voorstellen?
Misschien wordt dat duidelijk via de gelijkenis van de verloren zoon in Lucas 15.
Als die zoon bij zijn vader terugkomt, zien we eerst vaders barmhartigheid: hij omhelst zijn zoon, en kust hem. Daarna zien we ook het beeld van de heerlijkheid: de zoon krijgt het beste kleed aan dat er te vinden is; zoonlief krijgt een ring aan zijn vinger en schoenen aan zijn voeten[12].
Onze God is de Here Zebaoth; dat wil zeggen: Here der heerscharen, de God die machtige legers tot Zijn beschikking heeft[13].
Daarom: het eeuwige geluk van Zijn kinderen is gegarandeerd!

Noten:
[1] Op 16 november jl. publiceerde ik op deze internetpagina een artikel over Romeinen 8. Wie dat nog eens lezen wil kan terecht op https://bderoos.wordpress.com/2011/11/16/romeinen-8/ .
Vanavond, woensdag 30 november, vergadert de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Vanavond wordt Romeinen 9:1-29 besproken. Dit artikel is één van de resultaten van mijn voorstudie.
[2] Zie http://www.goedbericht.nl/NT/Romeinen/9-pottenbakker.html .
[3] Genesis 16:11 en 12.
[4] Hebreeën 11:8: “Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou”.
[5] Genesis 21:12.
[6] Romeinen 9:8.
[7] De gegevens van de betreffende roman zijn: Peter ter Velde, “De vader en de zoon”. – Schoorl: Uitgeverij Conserve, 2011. – 224 p.
[8] Exodus 33:19.
[9] Romeinen 9:16.
[10] Genesis 2:7.
[11] Romeinen 9:22 en 23: “En als God nu, zijn toorn willende tonen en zijn kracht bekend maken, de voorwerpen des toorns, die ten verderve toebereid waren, met veel lankmoedigheid verdragen heeft – juist om de rijkdom zijner heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid?”.
[12] Zie Lucas 15:20-24. Zie ook http://www.jaapfijnvandraat.nl/index.php?page=artikel&id=1761 .
[13] Zie http://www.jaapfijnvandraat.nl/index.php?page=artikel&id=830 . De term ‘Here Zebaoth’ staat in Romeinen 9:30: “En gelijk Jesaja tevoren gezegd had: Indien de Here Zebaoth ons geen zaad overgelaten had, als Sodom zouden wij geworden zijn en aan Gomorra zouden wij gelijk gemaakt zijn”.

29 november 2011

De dynamische kerk oefent geduld

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Wij moeten, zo leren wij uit de Heidelbergse Catechismus, de Here vereren op de manier die Hij ons in Zijn Woord geleerd heeft.
Als wij dat niet doen, dendert de straf van de Here door ons nageslacht heen. In Exodus 20 staat het immers: Gij zult u voor die beelden niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HERE, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten”[1].
Waarom heeft de Here zo’n diepgewortelde haat tegen die beelden[2]?
Antwoord: mensen die beelden maken suggereren dat de Here God heel ver weg is. De God die niet te zien is, moet zichtbaar gemaakt worden. De verre God moet tastbaar en grijpbaar gemaakt worden. Met die beelden haalt men God dus naar zich toe.

Tegenwoordig doen we niet al te veel meer met beelden. Toegegeven: er zijn Boeddhabeelden. En hindoeïsten hebben vaak huisaltaren thuis[3].
Maar vandaag kijkt men, als het om deze dingen gaat, veel vaker naar de binnenkant van het leven.
Ik vóel dat Hij er is, zeggen sommige mensen.
Men heeft het idee dat men een korte wijle als het ware boven de aarde zweeft.
Eenmaal teruggekeerd in de keiharde realiteit van alledag, zegt men dat het in de wereld zo dor en doods geworden is.
Zulke opmerkingen betekenen eigenlijk maar één ding: wij willen zo dicht mogelijk bij God zijn.

En dat terwijl de Here de weg wijst, waarlangs de mensen bij Hem kunnen komen.
In Johannes 14 zegt Hij: “Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij”[4].
De route naar de hemel is bekend. Wie eeuwig leven wil, moet zich aansluiten bij het gevolg van de Here Jezus Christus.
Gods kinderen trekken door de wereld, op weg naar Zijn Koninkrijk. Onderweg blijken er allerlei verkeerde denkbeelden over God te ontstaan. Als ware gelovigen die ontdekken, verwijzen ze heel snel naar de Bijbel. Dat is logisch: wie Jezus Christus echt wil leren kennen, moet in Zijn Wóórd wezen[5].

Kerkmensen pelgrimeren zichtbaar en hoorbaar naar hun eindbestemming. Onderweg gebeurt er van alles en nog wat. Maar wát er ook geschiedt: de kinderen van God wijken niet van hun route af!

Ware gelovigen zijn in bewéging.
Zij keren niet voortdurend terug naar diverse bedevaartsplaatsen.
In Lourdes komen, als ik goed ben ingelicht, elk jaar zo’n zes miljoen pelgrims naar het heiligdom van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes; er wordt gebeden en men laaft zich aan het bronwater van de grot aldaar[6].
Maar dat is nu juist niet wat de Here van Zijn volk verlangt. Hij wil bewéging. Dynamiek. Voorúitgang die past bij Zijn Koninkrijk. Een Gereformeerd-vrijgemaakte predikant merkte met betrekking tot bedevaarten terecht op: “God wil niet dat we gefascineerd blijven staan kijken, maar dat we gehoorzaam de weg gaan die Hij aanwijst“[7].
Laat het ook ons gezegd zijn!

Wandelen met God.
Christus volgen.
Dat lijkt eenvoudig. Maar dat is het niet.
Gelovigen zijn net als kinderen die zich door veel dingen laten afleiden. Ze hollen weg, om te kijken wat er elders te beleven valt.
Simpelweg vólgen: dat vinden mensen irritant.
Kent u Franca Treur? In 2009 publiceerde ze haar boek ‘Dorsvloer vol confetti’, waarin een Zeeuwse orthodoxe boerengemeenschap een belangrijke  rol speelt[8]. Zij zegt: “…mij aan iets of iemand onderwerpen? Daar begin ik niet meer aan. Zeker niet in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid. Ik steiger als mensen zeggen: daar zal God Zijn bedoeling wel mee hebben. Dat is zó’n dooddoener. Daarom heb ik grote sympathie voor Adam en Eva die als God wilden zijn” (…). “Het is niet de bedoeling dat er gewroet wordt in dingen die al eeuwenlang vastliggen. Maar die lijdelijke onderwerping, daar ben ik erg tegen. Een beetje wroeten is juist goed”[9].
Edoch – in de Bijbel lees ik niks over gelovige mensen die graaf- en spitwerk moeten doen.
De kernboodschap van de Here is duidelijk: volg Mij.
Dat heeft niets te maken met dociel sjokken. Dat heeft niets van doen met sullig slenteren. Dat is actief voortgaan op Gods weg, attentie hebbend voor wat er onderweg voorvalt.

Intussen moeten wij de goede strijd van het geloof strijden. Die woorden schrijft Paulus in 1 Timotheüs 6. Dat betekent: “jaag naar gerechtigheid, godsvrucht, geloof, liefde, volharding en zachtzinnigheid”.
Dát moeten kerkmensen doen.
Dát is de taak die wij hebben. En die taak moet worden verricht totdat de Here Jezus Christus terug zal zijn gekomen. En wij mogen weten dat Hij ons te Zijner tijd de hemelse God zal laten zien, “de Koning der koningen en de Here der Heren, die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht bewoont, die geen der mensen gezien heeft of zien kan. Hem zij eer en eeuwige kracht! Amen”[10].
Voor alle vormen van beeldendienst geldt: het is puur ongeduld. De mensen willen niet langer op God wachten. Daar ligt de kern van het probleem!

Zeker, de Here wil graag naar Zijn volk toe komen.
Maar dat kan pas als Hij al Zijn onderdanen in de kerk bij elkaar gebracht heeft.
En daarin is Hij heel planmatig bezig.

In Zijn tempel spreekt Hij van achter de gordijnen. Niemand mocht Hem zien.
En dan, in het begin van het Nieuwe Testament, komt Jezus als mens naar de aarde. “Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond”, schrijft Johannes[11].
“Toon ons de Vader”, zegt Philippus in Johannes 14. Jezus is verbaasd; Hij zegt: “Ben Ik zolang bij u, Filippus, en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader?”[12].  Jezus is zichtbaar. Hij is te betasten.
En als dan Christus uiteindelijk gestorven is, scheurt het gordijn in de tempel. In Mattheüs 27 blijkt zonneklaar dat er iets revolutionairs gebeurt: “En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot beneden in tweeën, en de aarde beefde, en de rotsen scheurden, en de graven gingen open en vele lichamen der ontslapen heiligen werden opgewekt”[13]. De Here God komt, om zo te zeggen, achter de gordijnen vandaan. Gods kinderen mogen vol vertrouwen naar Hem toe gaan. De afstand tot de Here wordt kórter!
En dan wordt het Pinksteren. De Geest van de Here wordt uitgestort. Hij komt in de harten van Zijn kinderen wónen. Nee, Hij komt er niet voor een tijdje; het betreft geen logeerpartij. Hij kiest bij de Zijnen domicilie. De Geest kiest de kerk als vaste woon- en verblijfplaats.
De kerk wordt gereinigd. De kerk wordt gehéiligd. De resten van de zonden worden weggeveegd. En daarna – ja, pas daarná – mogen de kerkmensen God zien. Nu staat Gods kinderen maar één ding te doen: geloven.
Ziet u hoe de bouw van Gods Koninkrijk vóórtgaat? Ziet u dat er een ópbouw in zit?

Dáárom wordt er op zondag gepreekt.
Dáárom oefenen wij ons door de week in de Godsvrucht.
En in ons hoofd echoot het woord dat Paulus schrijft in zijn brief aan de Romeinen: “Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het woord des geloofs, dat wij prediken”[14].
Opeens begrijpen wij waarom diezelfde apostel aan mensen in Corinthe schrijft: “Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Here in den vreemde zijn – want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen”[15].

Het tweede gebod is eerst en vooral een kwestie van geduld.
En wij realiseren het ons eens te meer:
“Zijn woord, dat ons behoudt,
maakt rijker dan fijn goud”.
“Wie daarin zich verheugt,
vindt in dat woord zijn vreugd,
zijn rijkdom, zijn beloning”[16].

Noten:
[1] Exodus 20:5.
[2] In het onderstaande gebruik ik onder meer een preek van B. Holwerda over Zondag 35 van de Heidelbergse Catechismus. Te vinden op http://ebookbrowse.com/preek-prof-b-holwerda-hc-zondag-35-pdf-d141424033 .
[3] Zie http://www.schooltv.nl/beeldbank/clip/20040315_hindoeisme06 .
[4] Johannes 14:6.
[5] Zie ook http://www.fo-cus.com/weblog/2008/07/de_tien_geboden_het_tweede_geb.html .
[6] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Lourdes .
[7] Zie http://pijnacker-nootdorp.gkv.nl/preken/HC%20ZONDAG%2035.pdf . De predikant in kwestie is dominee R.T. te Velde.
[8] De gegevens van dit boek zijn: Franca Treur, “Dorsvloer vol confetti”. – Amsterdam: Uitgeverij Prometheus, 2009. – 224 p.
[9] Zie http://www.trouw.nl/tr/nl/4324/Nieuws/article/detail/1083597/2010/01/16/Franca-Treur.dhtml .
[10] Zie 1 Timotheüs 6:11-16. Ik citeer de verzen 11, 15 en 16 uit 1 Timotheüs 6.
[11] Johannes 1:14.
[12] Johannes 14:8 en 9.
[13] Mattheüs 27:51 en 52.
[14] Romeinen 10:8.
[15] 2 Corinthiërs 5:6 en 7.
[16] Dit zijn regels uit Psalm 19:4 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

28 november 2011

De droefenis van Douma

De Gereformeerd-vrijgemaakte professor dr. J. Douma is onlangs 80 jaar geworden. Dat is een respectabele leeftijd.
De werkkracht van de emeritushoogleraar is, voor zover ik kan zien, momenteel redelijk groot. Hij heeft nog veel attentie voor de wereld om hem heen. Dat is prachtig. Hij is te feliciteren!

Afgelopen woensdag, 23 november, publiceerde het Reformatorisch Dagblad een interview met de ethicus[1]. De professor heeft nog wel wat te vertellen. Nog altijd zetten zijn woorden aan het denken. Dat zal hieronder blijken.

Douma sprak onder meer over de situatie van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt).
Graag geef ik wat citaten door. Ik maak van de gelegenheid gebruik om wat aantekeningen bij het vraaggesprek te maken.

Citaat 1
“…Ik vocht destijds niet om gereformeerd af te worden. En dat zie ik vandaag in eigen kring gebeuren. Destijds was het een strijden tegen de gedachte dat wij de enige ware kerk in Nederland waren, nu zie ik dat de Gerefor­­meerde Kerken vrijgemaakt zich over leerstellige zaken niet meer zo druk maken en meegenieten van een oecumenisch zo prettig mogelijk klimaat, waarin je je niet meer druk maakt over de onder­­linge verschillen. Alle kerken hebben hun sterke en hun zwakke kanten, zegt men. En laten we ons vooral niet meer druk maken over wat de Nederlandse Geloofsbelijde­­nis over de valse kerk schrijft.
Dat is de kop in het zand steken, vindt professor Douma”.

De mensen worden dus gereformeerd af.
Leerstellige zaken zijn niet populair. Onderlinge verschillen doen er niet meer zo toe.
Maar wat is nu de óórzaak van de malaise?
Mijn antwoorden:
Gereformeerd-vrijgemaakten willen meer aandacht voor het gevoel en zijn daarin doorgeslagen.
Gereformeerd-vrijgemaakten willen meer ruimte voor het eigen redeneervermogen. Het vertrouwen op de Here wordt gaandeweg geringer.
Gereformeerd-vrijgemaakten hebben tegenwoordig nog wel eens de neiging om bij het bestuderen van een Schriftgedeelte te beginnen bij de vraag of een Bijbeltekst tijdgebonden is.
Dat komt wel héél dicht bij een zin uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Wat de valse kerk betreft, deze schrijft aan zichzelf en haar verordeningen meer gezag toe dan aan Gods Woord en wil zich niet aan het juk van Christus onderwerpen”[2].
Nu er steeds meer ruimte komt voor eigen ideeën, lijken de Gereformeerden Kerken (vrijgemaakt) steeds meer op andere kerken en groeperingen. Dan is het contact met die kerken natuurlijk snel gemaakt.

Citaat 2
“Van nauwere samenwerking met de Nederlands Gereformeerde Kerken ben ik geen voorstander: we kunnen beter naast elkaar leven dan met elkaar. Maar mijn stem is in de kerken zwak gewor­den. Ik zou niet weten wat voor bezwaren er nog tegen het samen­gaan van beide kerkengroepen kan worden ingebracht, als je let op de oecumenische richting waarin onze kerken zich bewe­gen”.

De cultuur in de Nederlands Gereformeerde Kerken is, als ik het zo zeggen mag, nogal wat vrijer als die in de GKv.
Er is een vrouwelijke gemeentepredikant; dat is mevrouw ds. J. Cooiman-Bouma te Zeist[3].
In april van dit jaar werd te Emmeloord een kind van een lesbisch paar ten doop gehouden. Reden:  het betreffende kind maakt deel uit van het verbond[4].
Er bestaat intussen een veelzijdig samengestelde  klankbordgroep die bijdraagt aan de bezinning op het dragen van een kerkelijk ambt door praktiserende homoseksuelen; daar zitten Christelijke Gereformeerden, NGK-ers en GKV-ers in[5]. Gezien het voorgaande moet niet op voorhand worden verwacht dat men een helder Schriftuurlijk standpunt rondom homoseksualiteit zal formuleren. Als de doop van een kind van lesbische ouders in een NGK wordt toegestaan, kun je moeilijk keihard blijven zeggen dat het praktiseren van homoseksuele relaties tuchtwaardig is.
Bij dit alles moet worden genoteerd dat er hier en daar reeds intensief wordt samengewerkt tussen NGK en GKV: in Zaandam en in Deventer, bijvoorbeeld[6].
Dit alles zo zijnde komt het mij voor dat de waarneming van Douma klopt: NGK en GKV zullen op termijn samengaan.
Als u het mij vraagt heeft dat weinig te maken met de zwakke stem van de hoogleraar Douma. Ik ben bang dat het meer van doen heeft met een onzorgvuldig luisteren naar het Woord van de Here.

Citaat 3
“Meer dan eens heb ik aan de scribenten in onze kerken gevraagd: geef rekenschap van wat u doet in het licht van uw gereformeerd vrijgemaakte verle­den. Maar men laat mij praten. Ik ben intussen uitgepraat. Jongere theologen zullen wel in mijn spoor doorgaan”.

Proeft u de teleurstelling van professor Douma? Ikzelf proef ‘m wel. En ik voel met hem mee.
Er zijn tijden geweest dat ik ernstig overwoog om aan de kerkenraad van de GKv te Groningen-Helpman brieven te schrijven. Over de introductie van een Kind- en Bijbelgroep, bijvoorbeeld. Ik heb het niet gedaan. Waarom niet? Omdat ik dacht: je hebt alleen maar jezelf ermee. Men zou zich, zo verwachtte ik, slechts beroepen op classisbesluiten en synode-uitspraken; of simpelweg op veranderende tijden waarin het kerkvolk andere eisen stelt. Ik dacht: veel zal het niet meer uithalen. Als het tegenzit lopen zowel de geestelijke lenigheid als de geloofsblijdschap ernstige schade op, meende ik. Láát maar, dacht ik.
Het valt te vrezen dat professor Douma zich momenteel ongeveer net zó voelt.
Ach, ik begrijp wel dat Douma zich niet al te veel meer laat horen. De beste man is 80 geworden; dan is de strijdbaarheid van de jonge kerels meestentijds verdwenen. Maar ik hoop toch wel dat hij nog wat blijft schrijven. Zijn studies zijn, wat mij betreft, welkom[7].

Citaat 4
“Plannen om de GKV te verlaten heeft hij niet. ‘Zolang ik in een gemeente zit waarin voor mijn vrouw en mij de kerkdiensten nog een vreugde zijn, blijf ik vrijgemaakt gereformeerd. Ik ben niet van plan mij bij een van de inmiddels gevormde kerken te voegen die zich van ons hebben afgescheiden. Hoe het er over vijf jaar voorstaat, als ik dan nog zou leven, dat zien we dan wel weer’”.

Persoonlijk kan ik mij de reactie van Douma wel enigszins voorstellen. Vertrekken uit de kerk: dat doe je niet zomaar. Zeker niet als je bejaard bent.
Toch doorgrond ik zijn stellingname niet geheel. Hij ziet duidelijk dat steeds meer GKv-ers Gereformeerd af worden. En ik vraag: wanneer komt het moment dat professor Douma niet langer meer vrijgemaakt kan zijn? Hij kan wel zeggen: plaatselijk zitten we nog goed; en dat wil ik wel geloven. Maar er komt natuurlijk een moment dat de plaatselijke kerk afzakt. In de gegeven omstandigheden móet dat toch haast wel? Zodoende vraag ik: waar is het einde?

Citaat 5
“Veel hoop heb ik niet als ik naar mijn eigen kerken kijk. Hun zelfstandig bestaansrecht wordt twijfelachtig. Toen ik in 2001 over een federatie van kerken schreef, in navolging van anderen, stond het er met de kerken waaraan ik verbonden ben en waarmee ik me nog altijd verbonden voel, beter voor dan nu. Of ik aan de kerk lijd? Jazeker. Maar ik geloof in een heilige algemene christe­lijke kerk die ook vanuit Neder­land tot haar voltooiing zal ko­men. Dit geloof houdt me op de been”.

Uit de woorden van Douma spreekt droefenis en hoop.
Die hoop is heerlijk.
Toch eindigt het interview, wat mij betreft, in niemandsland. Er worden grenzen overschreden. En de professor lijkt te zeggen: ‘blijf nog maar even waar u bent; ik weet ook niet precies waar wij heen moeten gaan’.
Kunt u zich voorstellen dat ik een steek van teleurstelling in mijn hart voel?

De CGK, NGK en GKv transformeren steeds meer tot draagvlak-kerken. Kerken dus waarin de consensus belangrijk is. Kerken dus waarin haalbaarheid en harmonie trefwoorden zijn.
Dat, geachte lezer, is reden tot treurnis.

Het is te hopen dat alle ware gelovigen elkaar te Zijner tijd in één kerk zullen vinden.
Want het woord uit Psalm 68 is nog altijd waar: “Dag aan dag draagt Hij ons”[8].
Het is alleen dát vertrouwen dat eendracht geven kan.

Noten:
[1] “Vechten voor vrede”. In: Puntkomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, woensdag 23 november 2011, p. 2 en 3.
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 29.
[3] Zie http://www.kerknieuws.nl/nieuws.asp?oId=19358 .
[4] Zie http://www.kerknieuws.nl/nieuws.asp?oId=18058 .
[5] Zie http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/samenstelling_klankbordgroep_ngk_ambt_en_homoseksualiteit_rond_1_590386 [6] Zie http://www2.zaankerk.nl/index.php/wie-zijn-wij en http://www.3gk-deventer.nl/ .
[7] Gelukkig publiceert Douma nog regelmatig op http://www.gereformeerdekerkblijven.nl/wp/ .
[8] Psalm 68:20.

25 november 2011

De kerk is geen snelbuffet

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Het Woord van God: dat is het belangrijkste wat er bestaat. Daar moeten we in lezen. Dat moeten wij toepassen in ons leven. En als wij druk doende zijn, moeten wij onderweg regelmatig de tijd nemen om ons in de Bijbel te verdiepen.
Soms denk ik: wij zijn in de wereld zó druk aan het werk dat wij voor Bijbellezen niet zoveel tijd hebben.

Dat zelfde idee kreeg ik toen ik onlangs kennis nam van de ideeën van Mark de Boer.
Mark is directeur van de evangelisatiebeweging Agapè.
In het Nederlands Dagblad las ik: “Agapè-directeur Mark de Boer pleit ervoor nooit meer te evangeliseren. Tenminste, het evangelie delen moet niet op de manier zoals de term suggereert”.
De Boer schreef er een boek over[1].
Zijn zienswijze vatte hij samen in vijf punten. Ik citeer er twee van:
“1. Wees gericht op de ontvanger, niet op de boodschap. Maak contact, maak vrienden, kijk en leer wat hen bezighoudt. De postmoderne mens is een spiritueel wezen dat niet is geïnteresseerd in jouw boodschap, maar in relatie en verbondenheid.
2. Leef het evangelie. Gods grote verlangen is dat alle mensen Hem leren kennen. De enige manier waarop dat kan gebeuren, is als degenen die Hem al kennen het evangelie laten zien in hun hele leven”[2].

Als ik dat lees denk ik: het is heel goed, en ook noodzakelijk, om te laten zien hoe het Evangelie in de praktijk uitwerkt.
Maar laten wij evenwichtig blijven! Als wij Gods Woord in een hoek laten verstoffen, verwordt de evangelisatie ‘met handen en voeten’ tot een beste brok humanisme. En dat kan niet de bedoeling zijn.

Mark de Boer zegt: “We zijn meer op straat te vinden dan ooit. Maar niet de woorden om het evangelie over te brengen staan in eerste instantie centraal, maar het delen van het leven met mensen”.

Als dat tot mij doordringt, denk ik: mensen, laten wij de Bijbellezing niet vergeten.
Laten wij Gods Woord blijven openen!
Wij mogen niet alleen op ons eigen gevoel af gaan. En ook niet alleen op de dynamiek van ons eigen denkwerk. En ook niet alleen op de gedachtewisselingen in ons sociale netwerk. En ook niet alleen op de nood in de wereld.
Wij moeten Zijn Woord blijven openen.
En als wij vervolgens aan het werk gaan, moeten we met zekere regelmaat nog even stil staan om scherp naar dat Woord te luisteren. Want voordat je ’t weet wordt de Bijbel een vergeetboek.

In verband met dit alles leg ik vandaag het Woord open bij Jesaja 43: “Het volk dat Ik Mij geformeerd heb, zal mijn lof verkondigen”[3].

Jesaja spreekt over een volk. De Here maakt van individuen een samenleving. Hij richt geen club op.
Hij brengt mensen bij elkaar in de kérk.
Jesaja spreekt over de Schepper en de schepping. De Here heeft de mensen op deze aarde Zelf gemaakt. Hij kan met hen doen wat Hij wil. Daar bezit Hij de macht voor.
Jesaja geeft een Goddelijke zekerheid door. Hij garandeert dat het volk Gods lof zal verkondigen. De mensen hoeven zich niet af te vragen of voor die gezamenlijke lof nog wel voldoende godsdienstigen in de wereld zijn. De profeet weet het zeker: Gods eer kómt er.

De bedoeling van Jesaja is om zijn volksgenoten te bemoedigen. De boodschap is: er komt een einde aan de ballingschap.
De Here kondigt Zijn verlossingsdaden aan.
Dat geeft natuurlijk hoop. De Israëlieten mogen het aan elkaar doorgeven:
* de Here bereidt onze bevrijding voor
* nu weten wij zeker dat het met ons in orde komt!

Gods volk moet beseffen dat het bestaan in de Babylonische ballingschap slechts een klein deel van de wereldgeschiedenis is. De uitverkorenen van God moeten op gezette tijden ook achterom kijken.
En wat zien zij dan bijvoorbeeld? Dan zien zij hoe de Here bezig is. De Here spreekt! Dat is Hij “die door de zee een weg baant en een pad door machtige wateren; die wagen en paard doet uittrekken, krijgsmacht en helden”[4].
Indertijd bevrijdde Hij Zijn volk uit Egypte. Dát was al opzienbarend. En nu, in Jesaja 43, maakt Hij een nieuw begin: “…zie, Ik maak iets nieuws, nu zal het uitspruiten; zult gij er geen acht op slaan?”[5]. Daar kun je moeilijk aan voorbij kijken. Jesaja zegt: u móet het haast wel zien.

Israël moet zich realiseren dat het werk van God doorgaat.
In Jesaja 43 leert de Here Zijn volk om vérder te kijken dan de omstandigheden van het moment.
Israëlieten moeten niet blijven hangen in de deplorabele situatie van vandaag en morgen.
Er is leven ná de ballingschap. Er staat geen hek voor de toekomst.

Wat zegt Jesaja 43 ons vandáág? Ik zet een vijftal zaken op een rij.
1.
De Here leert ons dat de kerk geen buurthuis is. Natuurlijk is het een must om naastenliefde te betonen. Maar van stonde aan moet het duidelijk zijn dat die naastenliefde voor ons een verplichting is. Die liefde laten wij niet zien omdat wij zélf zulke beste mensen zijn. Die liefde tonen wij, omdat God ons uitgekozen heeft om Zijn kinderen te zijn. Hulpvaardigheid en barmhartigheid komen niet voort uit de dringende behoefte een lintje te ontvangen van koningin Beatrix. Het gaat er om dat de Here God de eer krijgt die Hem toe komt.
2.
Kerkmensen zijn, als het goed is, gul in het geven van hulp. Zo mogelijk laten zij hun handen wapperen. Zij doen hun best om, als dat maar enigszins kan, te voorzien in materiële noden. Maar waar het vooral om gaat is dat zij het Evangélie doorgeven. Het moet hulpvragers al heel snel duidelijk zijn dat je er niet bént met een goede maaltijd en het dragen van gekregen kleding. Dat zijn zaken waarmee de mensen van deze wereld zich bezighouden. Voor de kerk geldt het woord van Mattheüs 6: “…naar al deze dingen gaat het zoeken der heidenen uit. Want uw hemelse Vader weet, dat gij dit alles behoeft. Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden”[6].
3.
Als wij in de wereld aan het werk zijn, mogen wij terugkijken op al die dingen die de Here heeft gedaan. Natuurlijk kunnen wij wijzen op de opmerkelijke geschiedenissen die in de Bijbel staan.
Maar we mogen ook kijken naar ons éigen leven. Met al onze beperkingen konden wij de Here dienen. Hij heeft ons neergezet op de plek waar Hij ons wilde inzetten. Natuurlijk, dat ging uiteraard met zonden gepaard. Maar Hij gaf ons Zijn Heilige Geest. Zo ging Zijn werk verder. Dat is een wónder!
4.
Ambassadeurs van God in deze wereld moeten niet blijven staan bij de omstandigheden van dit moment. Zij mogen aan de wereld leren dat de Here druk aan het werk is om Zijn kinderen te bevrijden. Maar die bevrijding gaat, om zo te zeggen, verder dan de voedselbank. En ja, er is meer dan de eurocrisis.
In 1 Petrus 2 lees ik: “Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen”[7].
Gods werk gaat dus door!
Dat werk bestaat er niet uit dat Hij behoedzaam en voorzichtiglijk kijkt welke mensen er iets met Hem hébben. Of zoiets. Door de Here uitgekozen mensen worden bijeengebracht in de kerk. Niet in een clubje. Of in een eethuis. Of in een huiskring. Of in een conventikel. De Here God formeert een heilige vergadering!
5.
Ook wij mogen anno Domini 2011 uitzien naar een nieuw begin.
Wij krijgen een verblijfplaats in het nieuwe Jeruzalem waarover in Openbaring 21 gesproken wordt. God woont dan bij ons. Alle teleurstelling en verdriet zal verdwenen zijn. In Openbaring 21 lees ik: “En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw”[8].
Alle dingen worden nieuw. Er is méér dan dat nieuwe begin van Jesaja 43!

Tot slot keer ik nog één keer terug naar Mark de Boer.
Mark wil niet meer evangeliseren, zegt hij. Althans niet in de vroegere vorm. Want vandaag de dag kun je mensen alleen maar bereiken door hen zichtbare hulp te bieden. Het gaat om warme relaties. En om diepe verbondenheid.
Dat zal best.
Maar mét dat al is er één ding dat ik zeker weet: als de Bijbel voor het gemak dicht blijft, is de grote lijn in het leven weg. Dan wordt de kerk een religieus buffet. En de preek wordt een bemoedigend praatje, waarvoor je – bij wijze van spreken – net zo goed een humanistisch raadsman kunt inhuren.
Laten wij wakker zijn. En waakzaam.

Noten:
[1] De gegevens van het betreffende boek zijn: Mark de Boer, “Nooit meer evangeliseren”. – Amsterdam: Ark Media, 2011.  – 152 p.
[2] “Ongemakkelijk gevoel bij evangelisatie”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 23 november 2011, p. 2.
[3] Jesaja 43:21.
[4] Jesaja 43:16.
[5] Jesaja 43:19.
[6] Mattheüs 6:32 en 33.
[7] 1 Petrus 2:9 en 10.
[8] Openbaring 21:5.

24 november 2011

Terug naar de kerntaak

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

De kerkelijke verdeeldheid is in Nederland zó groot, dat het kerkmensen soms verlamt. Zij weten wel dat er in ‘hun’ kerk langzaam doch gestadig meer aandacht komt voor mensen; de emotie van mensen is soms belangrijker dan het Woord van God. Anderen kunnen hun onvrede niet precies omschrijven, maar ze voelen aan dat er in de kerk ergens iets niet goed gaat. Maar wat?

En als ze dan weg willen, waar moeten zij dan heen?
In álle kerken en groeperingen zijn regelmatig felle discussies; er lijkt bijna voortdurend gedoe te zijn.
Dit zo zijnde besluiten velen om maar rustig op de hun zo vertrouwde kerkbank te blijven zitten. Van de regen in de drup komen – dat helpt ook niet.
Anderen gaan wél kerkelijk verhuizen. De onvrede drijft hen echter voort. Tegen wil en dank verruilen ze hun kerkelijk onderdak voor een klerikale zwerftocht.

Het is belangrijk om te zien dat de kerk werk van de Here is.
Het gaat niet om ónze spiritualiteit. Het draait niet om ónze behoeften.
In de kerk is de Here bezig.

De diepte van de kerkelijke verdeeldheid in ons land laat zien, hoe weinig we daar nog rekening mee houden.
Momenteel ga ik er van uit dat de Here deze situatie laat bestaan, om te laten zien waar je als gelovigen terechtkomt als je maar met een half oor naar de Here luistert.

Laten wij terdege rekening houden met 1 Koningen 19: “Doch Ik zal in Israël zevenduizend overlaten, alle knieën die zich niet gebogen hebben voor de Baäl, en elke mond die hem niet gekust heeft” [1].

In 1 Koningen 19 krijgt Elia een openbaring van God.
Hij is bij de berg Horeb.
Elia heeft het als profeet wel een beetje gezien. Hij is net bij de berg Karmel geweest. Daar was hij samen met vierhonderdvijftig profeten van Baäl en vierhonderd woordvoerders van de Asjéra. Tegenover ruim achthonderd profeten heeft Elia bewezen dat de Here God is[2].
Elia is al die tegenstand  – van het volk, van koning Achab en van zovele anderen – nu wel een beetje zat. Meer nog: hij is er dood- en doodmoe van. Bij de berg Horeb valt hij in slaap.
Een Nederlands Gereformeerde dominee typeert in een preek de situatie van Elia zó: “Hij zit er volkomen doorheen, en hij kapt ermee; hij deserteert, hij vlucht naar de Horeb (…) Maar Elia gaat daar enkel maar naar toe om z’n opdracht terug te geven: Here God, sorry, maar dit wordt niks. Het is hopeloos. Zelfs nu, na de Karmel, is er feitelijk nog niks veranderd! Elia ziet het niet meer zitten”[3].

In de slaap komt de Here dan bij Zijn profeet.
Desgevraagd legt Elia uit dat hij heel ijverig voor de Here heeft gewerkt. En dat is nodig ook, want de Israëlieten zijn op het verkeerde pad. Naar een boodschap van God wordt niet meer geluisterd. Sterker nog: het volk van God is van mening dat koeriers van God uit de weg moeten worden geruimd; en wel zo snel mogelijk.
Elia beklaagt zich er bij zijn Heer over: zó gaat het momenteel met woordvoerders van God; ze lopen gevaar en moeten soms het vege lijf zien te redden.

En wat is de reactie van de Here?
Hij presenteert Zich.
Maar aan die presentatie gaan grote natuurverschijnselen vooraf.
Een sterke wind gaat voor Hem uit. De lucht komt met adembenemende snelheid voorbij. Is het een orkaan?
En dan, opeens, komt er in de aardkorst een enorme energie vrij: een aardbeving!
Vervolgens is er de macht van het vuur. In de omgeving van Elia is het plotsklaps heel heet. Heel plaatselijk verhit en verlicht de Here een stukje van de aarde.
Met Zijn energie kunnen er wónderen gebeuren. Zijn licht, warmte en beweging brengen mensen tot áctie.
Wat gebeurt hier?
Elia lijkt op zijn wenken te worden bediend. Want laten we wél wezen: hij wil wel eens zien dat God zó ingrijpt dat de wereld wezenlijk verandert. Hij wil met eigen ogen zien dat zijn Heer de zaak ês flink opschudt en aanpakt.
En dan, na al die drukte en opwinding, lijkt er bij Elia iets van teleurstelling te komen[4].
Er treedt namelijk een stilte in. Slechts een zacht suizen is te horen. Een koel briesje waait in Elia’s omgeving. En de profeet weet het: hier is de Here[5]!
De Here manifesteert Zich niet met macht. Hij vertoont zich met vrede.

Het is opvallend dat de Here Zich juist in dat zachte briesje bevindt.
De Here is niet in grote dingen. Hij zit niet per definitie in indrukwekkende gebeurtenissen. Hij zit niet altijd in wereldomvattende zaken en wereld-veranderende kwesties.
Zou het kunnen zijn dat de Here Zijn kerk hier leert om het niet van grootse dingen te verwachten?
Mensen van de eenentwintigste eeuw willen altijd iets doen.
Wij moeten, zo lijkt men te denken, de wereld verbeteren. 
Wat zegt de Here? Hij zegt: er zijn onder uw volksgenoten nog zevenduizend godsdienstigen over.
En de boodschap van de Here is duidelijk: de Here Zelf zorgt ervoor dat er godsdienstigen in het land overblijven!

De Here vraagt bekering.
Hij vraagt leven in Zijn dienst.
Dat wil niet zeggen dat er altijd maar spectaculaire dingen moeten gebeuren.
Want voor sensationele gebeurtenissen kan de Here Zelf moeiteloos zorgen. In 1 Koningen 19 blijkt dat genoegzaam.
Hij vraagt bekering. Ons hart moet dagelijks naar Hem toe worden gekeerd. De omgeving ontdekt die ommekeer niet onmiddellijk. Want dat proces voltrekt zich in stilte.
Bekeren begint bij onze oren. Want wij moeten eerst en vooral luisteren.
Zou het kunnen zijn dat die zachte koelte uit 1 Koningen 19 iets zegt over het karakter van ons leven met God? Ik zou denken van wel[6].
Leven in Gods dienst: dat gebeurt vaak in alle rust. Wie het Woord van de Here tot zich wil laten doordringen, moet naar de stilte toe. Niet voor niets zingen wij in Psalm 65:
“De lofzang klinkt uit Sions zalen
tot U met stil ontzag”[7].

In 1 Koningen 19 wordt het stil.
Maar dat wil niet zeggen dat er verder niets gebeurt.
Dat betekent al helemáál niet dat de Here stil zit. Dat zou een betreurenswaardig misverstand zijn!
Namens de Here moet Elia Hazaël aanstellen tot koning over Aram.
Israël krijgt ook een nieuwe koning: Jehu.
Daarnaast krijgt de moe gestreden Elia ook een opvolger: Elisa[8].

Als u het mij vraagt, kunnen we uit het verloop van die geschiedenis leren dat de Here de zaken goed in de hand heeft.
Wij moeten niet gaan denken dat de Here ons een beetje vergeten is. Hij grijpt heus wel in, maar dat doet Hij op het moment dat Hij in Zijn wijsheid bepaalde!

De Christelijke Gereformeerde hoogleraar J.W. Maris heeft eens gezegd: ‘God heeft wil tegen ons gezegd: Gij zult Mijn getuigen zijn, maar Hij heeft niet gezegd: Gij zult op Mijn stoel gaan zitten’[9].
In dit verband is dat, naar het mij voorkomt, een behartigenswaardig woord.

In 1 Koningen 19 wordt, dunkt mij, ook iets van de antithese zichtbaar.
De Here kondigt de dood van zijn tegenstanders aan; maar hij proclameert en garandeert ook het leven van Zijn kinderen.
Die twee koningen die Elia namens de Here moet aanstellen – Hazaël en Jehu – zijn zulke zwaardvechters, dat niemand eraan ontkomen zal. Áls er al iemand aan Hazaël ontsnapt, dan pakt Jehu hem nog wel. En anders worden zo iemand weggemaaid door het zwaard van Elisa[10].
Maar er blijven zevenduizend mensen over die zich wélbewust en zonder terughoudendheid aansluiten bij hun Heer. De hemelse God zorgt dat er kinderen van Hem blijven léven.

De kerkelijke verdeeldheid is in Nederland zó groot, dat het kerkmensen soms verlamt.
Wat zullen wij eraan doen?
Die verlamming genezen wij niet door allerlei druktemakerij.
De kerk – met lidwoord! – heeft maar één taak. Luisterend gehoorzamen. In alle rust.

Noten:
[1] 1 Koningen 19:18.
[2] 1 Koningen 18:18-46.
[3] Zie http://www.kerken.com/afdelingen/preach.php?PreachId=681 (= preek van de Nederlands Gereformeerde predikant M.H.T. Biewenga).
[4] Zie http://www.zvk.nl/kerkdienst.aspx?lIntEntityId=294 (= preek van de Gereformeerd-vrijgemaakte oudtestamenticus G. Kwakkel).
[5] 1 Koningen 19:9-13.
[6] Zie ook: Bijbel met kanttekeningen. – Baarn: Bosch & Keuning n.v., deel 3, p. 84. – Kanttekening 15 bij 1 Koningen 19:12.
[7] Psalm 65:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[8] 1 Koningen 19: 15 en 16: “Daarop zeide de HERE tot hem: Keer op uw schreden terug, naar de woestijn van Damascus, en als gij daar gekomen zijt, dan zult gij Hazaël zalven tot koning over Aram. Voorts zult gij Jehu, de zoon van Nimsi, zalven tot koning over Israël; en Elisa, de zoon van Safat, uit Abel-Mehóla, zult gij zalven tot profeet in uw plaats”.
[9] Geciteerd via een preek van Ds. Biewenga (zie noot 3).
[10] 1 Koningen 19:17: “Wie dan aan het zwaard van Hazaël ontkomt, hem zal Jehu doden; en wie aan het zwaard van Jehu ontkomt, hem zal Elisa doden”.

23 november 2011

Kastijden: een Schriftuurlijk woord

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Onlangs ontstond er een relletje rond het woord ‘kastijden’.
Dat kwam omdat de Hersteld Hervormde dominee Vlietstra in een nieuwsbrief enkele zinsneden citeerde uit een boekje van predikant/schrijver Jacobus Koelman (1631/1632-1695)[1]. Dat boekje heet ‘De Pligten der ouders in Kinderen voor God op te voeden’. In het boekje staat onder meer: “Als uw kinderen kastijding verdiend hebben, kastijdt hen dan zonder u te laten afhouden door het geroep of gesmeek van uw kinderen hoewel u wat verzachting mag geven. Laat uw kastijdingen het rebelse tegenstreven overwinnen zodat u dadelijk verkrijgt wat u gebiedt, namelijk vergeving te vragen of te bewijzen hetgeen zij gemakkelijk kunnen doen. Anders ware het beter de kastijding niet te beginnen. Laat uw kastijdingen godsdienstig geschieden. Gebruik ze als Gods instelling”[2].

Het kwaad was geschied.
De media doken er boven op.
Dominee Vlietstra, zo suggereerden die media, keurt het goed als kinderen worden geslagen.
Dat was niet best…

Er stond nog meer.
Maar dat vermeldden de media maar niet. Dat zou voor het journaalkijkend gepeupel te ingewikkeld worden.
Tja.

Dominee Vlietstra citeerde bijvoorbeeld ook nog: “Vergeeft uwen kinderen ook menigmaal, bijzonder in hetgeen zij tegen u misdoen en heel in het bijzonder in dingen die niet zozeer zonde als verlies zijn, bijvoorbeeld als zij een glas of een vat breken. Het is zeer verkeerd erg toornig te worden en hard te kastijden als de kinderen iets doen tot nadeel van uw staat en goed terwijl men weinig ontsteld is als de kinderen God onteren. Kastijdt meer wegens zonden tegen God dan wegens fouten omtrent uwe wereldse zaken. Dit zal uw kinderen doen zien dat u de zonden in hen het meest haat”.
Jacobus Koelman zei indertijd dus al: mensen, houdt de verhoudingen in het oog.
Koelman zei: laat duidelijk blijken dat de oneer van God het gróótste probleem is.

Dominee Vlietstra citeerde ook nog: “Laat in het kastijden altijd de teerheid van uw liefde zien en hoe onwillig u bent om hen te kastijden indien zij langs een lichtere weg verbeterd konden worden. Overtuigt hen dat u het doet om hun bestwil, niet om uwe passie te voldoen of omdat het u zo goeddunkt”.
Dat van die ‘teerheid’ sloegen de media maar over.
Want media zijn niet zo zachtjes.

Vooruit, nog één citaat: “Als u bestraft of kastijdt, gebruikt dan geen smaad- of scheldwoorden, bijnamen of uitdrukkingen. Werpt hun niets na dat hun leven, hun leden of gezondheid in gevaar zou brengen”.
Ja, die Koelman was heel verantwoord bezig.

Mijn conclusie: media vergroten of verkleinen hun ontdekkingen naar believen.
Veruit de meeste journalistieke verhalen rond deze zaak waren heel oneerlijk en bijzonder tendentieus.
Het relletje moet Gereformeerde mensen attent maken. In contacten met regionale en landelijke pers zullen wij tenminste drie keer moeten checken of onze verhalen goed overkomen. Ook moet, in het geval van publicaties of rtv-uitzendingen, terdege worden gecontroleerd hoe onze verhandelingen openbaar worden gemaakt; en ook of correctie achteráf nodig is.

Is ‘kastijden’ een Schriftuurlijk woord?
Jazeker.

Echter: het woord komt, bij mijn weten, niet zo vaak in de Nederlandse vertaling van de Bijbel voor. Althans niet in de N.B.G.-vertaling uit 1951.
We vinden het wel in Jeremia 2: “Laat uw boosheid u tuchtigen en uw afdwaling u kastijden; weet en zie, dat het boos en bitter is, dat gij de HERE uw God hebt verlaten, en dat er geen vrees voor Mij bij u is, luidt het woord van de Here, de HERE der heerscharen”[3].

Dit zijn woorden uit de eerste grote rede die Jeremia in Jeruzalem gehouden heeft.
De Here laat zien dat er een soort echtscheiding gaande is tussen Israël en haar hemelse God. De bruid is herhaaldelijk ontrouw geweest.
De Israëlieten ontkennen dat. Maar de bewijzen liggen er wel; en ze zijn overtuigend. Met name de leiders van het volk gaven het slechte voorbeeld.
Zij lopen, om het zo uit te drukken, bij de Bron van hun bestaan weg. Zij gaan zelf bronnen zoeken, en die benutten. De Israëlieten negeren de Bron van levend water. Zij zetten de waterbakken in  andere bronnen. Maar met die bakken is iets grondig mis. Ze zijn zo lek als een mandje. Het water loopt er dus net zo hard weer uit als dat het er ín komt[4].
En dat terwijl de Here hen in zo’n prachtige omgeving heeft gebracht. Mooi en vruchtbaar land is het. Er is eten genoeg voor iedereen. De Here heeft dáár een plek voor Zijn volk gereserveerd[5].
Maar nee, Israël denkt zichzélf te kunnen redden.
Israël papt aan met Egypte. En met Assyrië.
Kortom: het volk van God vertróuwt Hem niet.
Het is die smet die de Here altijd kan blijven aanwijzen. Hoeveel zeep je ook gebruikt, die vlek blijft Hij zien[6].
Kastijding is het gevolg van het bij God wegwandelen.
En laten wij Jeremia zorgvuldig lezen. Wat is die kastijding precies? Antwoord: de eigen boosheid. Waar bestaat die kastijding uit? Antwoord: uit de afdwaling van het volk zelf. De zonden komen, om zo te zeggen, als een boemerang terug. Gods volk bewerkt zogezegd zijn eigen ondergang.  

Is ‘kastijding’ een Schriftuurlijk woord?
Jazeker.

Wij kunnen het tegenkomen in Colossenzen 2: “Dit toch is, al staat het in een roep van wijsheid met zijn eigendunkelijke godsdienst, zijn nederigheid en zijn kastijding van het lichaam, zonder enige waarde en dient slechts tot bevrediging van het vlees”[7].
Wat is er aan de hand in Colosse?
Daar doen ze aan de verering van engelen. Ze hechten grote waarde aan visioenen. De mensen in Colosse denken dat zij verder komen met een bepaalde vorm van ascese. Ze worden er veel wijzer van, zeggen zij. Op die manier bereiken ze, zo menen zij te weten, een zekere vorm van volmaaktheid[8].
Het wordt, maakt Paulus duidelijk, hoog tijd om die opinie te herzien. Het gaat om het afsterven van de oude mens en het opstaan van de nieuwe mens. Maar het principe daarvan ligt in het reddingswerk van Jezus Christus. De energie voor de vernieuwing van Gods kinderen komt uit het sterven en de opstanding van Jezus Christus. Daar ligt het startpunt van een christelijk leven.
’t Zit êm niet in menselijke verzinsels, hoe vernuftig ook.
’t Zit êm niet in humane filosofietjes, hoe scherpzinnig ook.

Kastijden: dat woord heeft in Gods Woord te maken met de gevolgen van Godverlating.
En het duidt daar dan niet zozeer op het slaan van mensen.
En het duidt al helemaal niet op lijfstraffen voor kinderen.

Waarom is dat verhaal over ‘kastijding’ dan zo’n mediahype geworden?
Misschien wel omdat het afkomstig was van een dominee uit de bevindelijk-orthodoxe hoek.
Zeker is wel dat het journaille dat het verhaal groot maakte, nogal selectief is geweest en tamelijk onzorgvuldig heeft gelezen.

En dat, geachte lezer, voorspelt weinig goeds voor de toekomst.
Naar ik vrees zullen Gereformeerden, meer dan ooit, in de nabije toekomst rekening moeten houden met onbegrip en spotternij.

Noten:
[1] Zie over Jacobus Koelman: http://nl.wikipedia.org/wiki/Jacobus_Koelman .
[2] Uit de Hervormde Nieuwsbrief (kerkblad onder verantwoordelijkheid van de Hersteld Hervormde wijkkerkenraden Adullam en Elim te Katwijk aan Zee), 11 november 2011. Te vinden op http://content1d.omroep.nl/aed4f4d0ea0ca8897f1469db93e03994/4ecb5aef/nos/docs/141111_hervormde_nieuwsbrief.pdf .
[3]
Jeremia 2:19.
[4] Jeremia 2:13: “…Mij, de bron van levend water, hebben zij verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden”.
[5] Jeremia 2:7: “Ik bracht u toch in een vruchtbaar land om de vrucht en het goede daarvan te eten”.
[6] Jeremia 2:22: “Ja, al zoudt gij u wassen met loog en veel zeep gebruiken, dan blijft toch uw ongerechtigheid als een onuitwisbare vlek voor mijn oog, luidt het woord van de Here HERE”.
[7] Colossenzen 2:23.
[8] Zie: Bijbel met kanttekeningen. – Baarn: Bosch & Keuning n.v., deel 8, p. 261-263; met name p. 262. – Inleiding op het Bijbelboek Colossenzen.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.