gereformeerd leven in nederland

30 december 2011

Jaarwisseling 2011-2012: naar een nieuw discipelschap?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Dit is het laatste stukje dat in dit kalenderjaar op deze internetpagina wordt gepubliceerd.
Zo de Here wil zullen er in de komende tijd nieuwe artikelen blijven verschijnen.
Maar dán zijn wij intussen de jaargrens 2011-2012 gepasseerd.

Wordt 2012 een jaar van nieuw discipelschap?
Wordt 2012 het jaar van de vorming van lerende gemeenschappen?
Dat zou best kunnen.

In het Nederlands Dagblad van dinsdag 27 december stond daar een groot artikel over[1].
In kleine groepen gaat men een missionair leertraject in. Men gaat zich wijden “aan elk denkbaar missionair doel: van tuintjes wieden in de buurt van de kerk, tot hulp aan daklozen, of het organiseren van een kennismaking met het christelijk geloof”.
Juist omdát men met groepjes werkt, is dat concept overal toepasbaar. Ook in dorpen dus.
Als ik het goed begrijp is er weinig tegen als missiegroepen kerkoverschrijdend zijn. Gereformeerd-vrijgemaakten en evangelischen kunnen uitstekend in één groep functioneren.

Het is een nieuw initiatief: Nederland Leert.
De eerste deelnemers hebben onderwijs genoten. In discipelschap. En in leiderschap. Over de vorming van missiegroepen. En het vestigen van missionaire centra.
Jaarlijks is er een retraite voor leiders en voorgangers.

Bij dit alles is de kunst dat alles blijvend verandert.

Men kijkt goed naar de huidige situatie.
Er wordt een doel op lange termijn gesteld. Wat willen wij over twee jaar bereikt hebben?
Als het goed is, is er ook een korte termijn-doel. Wat moeten wij in het komende halfjaar doen?

Goed beschouwd is het bovenstaande allemaal niet zo wereldschokkend.
Want het credo is: de wereld is ons werkterrein; en er is nog veel te doen.
Dat verhaal vertelt de kerk al jaren. Weinig nieuws dus.

Bij Nederland Leert zegt men: “Het gaat ons er niet om weer een activiteit te lanceren. Het belangrijkste onderdeel is het vormen van een discipelschapscultuur. Bij de deelnemers persoonlijk, maar ook bij de leiders zodat het principe van Jezus volgen zich als een olievlek verspreidt binnen de gemeente”.
Dit zo zijnde vraag ik mij af waarom er in één missiegroep meer gemeenten vertegenwoordigd zijn; vrijgemaakt en evangelisch werken immers schouder aan schouder aan hetzelfde doel. Ik krijg sterk de indruk dat de achterliggende gedachte is: in de gevestigde kerken bereiken we toch niks meer; we gaan maar iets nieuws doen…

Men maakt nieuwe geloofsnetwerkjes.
Men bouwt aan vertrouwen op basis van persoonlijk contact.
De redenering lijkt te zijn: van welke kerk of groep eventuele bekeerlingen lid worden…, dat zien we nog wel; laten die nieuwe christenen eerst maar eens goed rondkijken.
Inmiddels lijkt te worden vergeten dat de kerk het lichaam van Christus is.
Men lijkt veelal te zeggen: met kleine clubjes bereiken we meer; dan kunnen wij God beter dienen. Maar ik vraag: hoe verhoudt die redenering zich met Christus’ uitdrukkelijke wens dat de kerk één is?

Men maakt een nieuwe netwerk-achtige organisatie.
Dat alles beschouwend kan ik mij maar moeilijk aan de gedachte onttrekken dat men denkt: als wij dit nou zelf netjes regelen, dan wordt Nederland vanzelf een beetje christelijker.
Als wij een duidelijk lange termijn-doel stellen, dan wórdt het nog wel ês wat met gelovig Nederland.
Maar ik vraag: beseffen wij wel dat de Here al Zijn kinderen in één kerk vergaderen wil[2]?

Als wij spreken over discipelschap, dan is het eerste: de Here roept al Zijn kinderen bij Zich. Die kinderen groeperen zich, om te luisteren naar Christus’ onderwijs. Dat zien we, bijvoorbeeld, gebeuren bij het uitspreken van de Bergrede[3].

Als wij spreken over discipelschap, dan is het tweede: de Here wil dat Zijn kinderen Hem in het gewone leven altijd volgen.
Volgen: wat is dat?
Dat leren wij in Mattheüs 8.
* Volgen, dat is: erkennen dat Jezus Christus de macht heeft om te doen wat Hij wil[4].
* Volgen, dat is: geloven dat Christus’ bevelen ook voor óns leven grote consequenties hebben kan[5].
* Volgen, dat is: weten dat Jezus Christus onze zwakheden óp Zich genomen heeft[6].
* Volgen, dat is: ons realiseren dat wij in de wereld heel vaak niet begrepen worden; wij staan vaak alleen, net zoals dat indertijd met Jezus het geval was[7].
Wat concludeer ik hieruit?
Dit.
Discipelschap wil volgens mij niet in de eerste plaats zeggen dat wij klusjes voor een ander moeten gaan doen.
Discipelschap betekent eerst en vooral dat wij, bij alles wat wij doen en laten, de drieënige God eerbiedigen.
Niet alleen in de missiegroep.
Maar overal en altijd.
En het moet duidelijk zijn: discipelschap leren we in de kérk!

Als wij spreken over discipelschap, dan is het derde: rondbazuinen dat de Here op aarde is gekomen om voor onze zonden te betalen.
In Mattheüs 10 is dát ook de eerste opdracht aan discipelen: “Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen”[8].
En jazeker, daar horen dan ook allerlei tekens bij. Genezing van zieken, bijvoorbeeld. En het opwekken van doden. En de reiniging van melaatsen. En dat allemaal om niet; gratis en voor niets[9]. Echter: die tekens zijn, om zo te zeggen, de ondersteuning van het Evangelie. Die tekens zijn even zo vele nevenactiviteiten bij de verkondiging van de blijde Boodschap.

Laat men mij goed begrijpen.
Ik ben er niet tegen dat u de tuin van de buurman doet. Het is een goede zaak als wij daklozen proberen te helpen. Het is, wat mij betreft, prima als de kerkdeur open staat om kennismaking met het christelijk geloof te bevorderen.
Wij moeten echter niet denken dat wij op deze wijze veel zieltjes zullen winnen.
En wij moeten ook niet denken dat wij discipelschap pas gaan zien als wij van alles in de wereld op gang gaan brengen.

Wordt 2012 een jaar van ijverig en groots discipelschap?
Nogmaals noteer ik: discipelschap betekent eerst en vooral dat wij, bij alles wat wij doen en laten, de drieënige God eerbiedigen.
Onder de zegen van de Here zal dat ongetwijfeld gaan lukken. Die zegen wens ik u allen toe.

Daarbij noteer ik tenslotte een tekst uit Mattheüs 10: “En gij zult door allen gehaat worden om mijns naams wil; maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden”[10].

Noten:
[1] “’Nederland Leert’ beoogt missionaire metamorfose”. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 27 december 2011, p. 2 en 3.
[2]
Zie hierover ook http://bderoos.weblog.nl/geloofsnetwerkjes/ .
[3] Zie Mattheüs 5:1: “Toen Hij nu de scharen zag, ging Hij de berg op en nadat Hij Zich had nedergezet, kwamen zijn discipelen tot Hem”.
[4] Zie Mattheüs 8:2 en 3: “En zie, een melaatse kwam tot Hem en viel voor Hem neder, zeggende: Here, indien Gij wilt, kunt Gij mij reinigen. En Hij strekte de hand uit en raakte hem aan en zeide: Ik wil het, word rein. En terstond werd hij rein van zijn melaatsheid”.
[5] Mattheüs 8:5-13. Ik citeer de verzen 8, 10 en 13: “Doch de hoofdman antwoordde en zeide: Here, ik ben niet waard, dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek slechts een woord en mijn knecht zal herstellen  (…).Toen Jezus dit hoorde, verwonderde Hij Zich en zeide tot hen, die Hem volgden: Voorwaar, zeg Ik u, bij niemand in Israël heb Ik een zó groot geloof gevonden! (…) En Jezus zeide tot de hoofdman: Ga heen, u geschiede naar uw geloof”.
[6] Mattheüs 8:14-17. Ik citeer de verzen 16 en 17: “Toen het nu avond werd, bracht men vele bezetenen tot Hem; en Hij dreef de geesten uit met zijn woord en die ernstig ongesteld waren genas Hij allen, opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken werd door de profeet Jesaja, toen hij zeide: Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen en onze ziekten heeft Hij gedragen”.
[7] Mattheüs 8:18-22. Ik citeer de verzen 19 en 20: “En er kwam een schriftgeleerde tot Hem en zeide: Meester, ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat. En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen”.
[8] Mattheüs 10:7: “Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen”.
[9] Mattheüs 10:8.
[10] Mattheüs 10:22.

29 december 2011

De eredienst: duidelijk en zuiver

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

De eredienst is, om zo te zeggen, een kern van ons godsdienstig leven. Wij maken daar allen regelmatig deel van uit.
Geen wonder dat er veel over wordt nagedacht[1].

De formulering in artikel 65 van onze Kerkorde is op dit punt ook vrij strak[2].
De kerkenraad roept de gemeente twee keer samen voor het houden van een eredienst. Punt.
En in die erediensten hanteren we vaste liturgieën, die door de Generale Synode zijn goedgekeurd. Punt.

Die formulering is secuur dichtgetimmerd.
Maar achter die betimmering zitten bewogen mensen die, als ik het goed weet, intensief met elkaar gediscussieerd hebben.

In de jaren ’70 van de vorige eeuw zijn er wel kerkleden geweest die hebben voorgesteld om artikel 65 wat minder strak te formuleren.
Laten wij – zo zeiden sommigen – zeggen dat er een vaste plaats wordt ingeruimd voor Gods Wet en voor het Apostolicum. Dan kun je, zo was de gedachte, die geloofsbelijdenis ook zíngen.
Anderen vroegen: waarom moeten we vasthouden aan de vaste volgorde: eerst de wet, dan de belijdenis?
Men vroeg ook: waarom wordt het Apostolicum eigenlijk verplicht gesteld? De geloofsbelijdenis van Nicea is toch ook mooi?
We kunnen ervan verzekerd zijn dat over zaken als deze veel heen en weer gepraat is…

Er zijn ook wel eens gedachten gewisseld over het karakter van diensten tijdens bededagen. En over het karakter van kerkzang. En over huwelijksbevestigingen.
Als ik het goed begrepen heb, was de vraag eertijds: beschouwen wij al die dingen als rituelen, of als zaken die rechtstreeks met de leer van doen hebben?
In 1975 noteerde men uiteindelijk: de kerkenraden “zullen erop toezien, dat geen andere orden van dienst worden gebruikt, dan die door de generale synode zijn goedgekeurd”.
Het is, zo werd geconcludeerd, van belang dat er enige controle blijft over de bovengenoemde zaken. Er moet een “goede orde” zijn. De geloofsleer en de prediking moeten zuiver gehouden worden. Vanwege die zuiverheid moeten wij zorgvuldig zijn bij de bediening van de sacramenten.
Vanwege die zuiverheid moeten wij zorgvuldig zijn in onze kerkzang.
Als ik mij niet vergis was ‘zuiverheid’ indertijd een kernwoord!

Die woorden ‘toezien’ en ‘goedgekeurd’ riepen in de jaren daarna toch weer discussie op.
Kan, zo vroeg een aantal mensen zich af, een synode een bepaalde orde van dienst goedkeuren? Men kan toch niet veel verder gaan dan: wij bevelen iets aan?
In de besprekingen bleek onder meer dat heel wat synodeleden  vreesden voor wildgroei in de orden van dienst. Ook bleek men bang voor allerlei geëxperimenteer in de kerk. Zeker, men had oog voor de uitzonderingen; men noemde toen bijvoorbeeld aangepaste diensten voor gehandicapten.
Er werd nadrukkelijk bij gezegd: de regel is niet van ijzer.
Er werd nadrukkelijk bij gezegd: er is geen sprake van dwang.
Maar met dat al werden de regelingen toch heel waardevol gevonden.
Zodoende werd er in 1978 toch geformuleerd: “De kerken zullen zich houden aan de orden van dienst die door de generale synode zijn goedgekeurd”.

Het woord ‘geloofsleer’ klinkt sommigen in de oren als een zware donder, die vanuit de verte aan komt rommelen.
Anderen suggereren: die dogma’s? dat zijn voornamelijk slimmigheden… Er was eens een Amerikaan die zei dat theologie soms zomaar kan ontaarden in een“intellectueel spelletje”, gebaseerd op “de pret om spits en geraffineerd onderhoudend te zijn, of op de opwinding en drukte die verbonden zijn aan academische duels”[3].
Voelt u de sfeer aan?

In de kerk ligt dat echter anders. Gehéél anders[4]. Daar is echte aandacht voor mensen.
Soms blijkt dat zelfs uit details in de regelgeving. In de Kerkenordening uit 1905 en 1933 werd gezegd dat predikanten de Heidelbergse Catechismus “kortelijk” moesten uitleggen. En als het een beetje kon, moest men in alle zondagsafdelingen in één kalenderjaar kunnen behandelen.
Laat de behandeling der catechismus “kort en duidelijk” gebeuren, zei een deputatenrapport uit 1974. En het maakt niet zoveel uit of dat ’s morgens of ’s middags gebeurt.
In ónze Kerkorde lezen we niets meer over die noodzakelijke kortheid.
In 1975 zeiden sommige ambtsdragers eenvoudigweg: “een preek moet altijd duidelijk zijn en de lengte kan aan de dienaren des Woords worden overgelaten”.
Nu ja, zeiden anderen, de meeste kerkdiensten zijn tóch al korter geworden; nu heeft het niet zoveel zin meer om te zeggen dat die catechismuspreek niet te lang moet wezen.  
Maar het is, zo werd er toen bij gezegd, wel belangrijk “om er geen betoog van te maken”.

Uit dit alles proef ik hoe belangrijk onze vaderen het vonden dat de geloofsleer voor de kerkgangers duidelijk was.
Kerkmensen behoren, zo vond men, de zaken op een rij te hebben.
Gelovigen moeten, door het onderwijs in de kerk, zonder veel moeite in staat zijn om de actualiteit van de oude Heidelberger aan te geven.

Het geheel overziende kom ik vandaag tot twee kenmerken van de eredienst. Als alles goed gaat, is die dienst:
* duidelijk
* zuiver.

Daarbij maak ik één aantekening.
Op de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in 1978 kwam naar voren dat in artikel 66 van de Kerkorde – over de Catechismuspreek – expliciet moest worden aangegeven dat het wel dégelijk “de leer van Gods Woord” betrof.
Catechismusprediking: dat is bediening van Gods Woord!

Tenslotte nog dit.
Heel wat mensen gaan, geloof ik, vandaag de dag nogal nonchalant met de kerkdiensten om.
De gang van zaken aldaar wordt soms beoordeeld alsof het gaat om een discutabel soort religieus bedrijfsrendement.
Het bovenstaande laat ons zien hoe verkeerd dat is.

Noten:
[1] Sinds september 2011 ben ik lid van de mannenvereniging ‘Augustinus’ van de DGK Groningen. Op het rooster dat daar momenteel geldt, staat op woensdag 7 maart 2012 mijn naam vermeld. Het is, naar ik heb begrepen, de bedoeling dat ik een korte inleiding houd over ‘Het opzicht over de leer en de eredienst’ (hoofdstuk III van de Gereformeerde Kerkorde). Dat gebeurt naar aanleiding van: Ds. Joh. Strating, “Samenleving in saam-horigheid: vijf schetsen over de Kerkorde”. – Ned. Bond van Gereformeerde Jeugdverenigingen/Bond van Mannenverenigingen op Geref. Grondslag, [ca. 1984]. – schets 4, p. 28-36.
Op deze internetpagina verschijnen enkele weblog-artikelen die – geheel of gedeeltelijk – dienst kunnen doen als achtergrond bij of inhoud van die inleiding. In deze reeks verscheen het vorige artikel op donderdag 22 december jongstleden. Het is terug te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2011/12/22/formulieren-precisie/ . Dit artikel is het vierde in de serie.
[2] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van http://kerkrecht.nl/main.asp?pagetype=onderdeel&item=8&subitem=230 .
[3] Zie http://www.katholieknieuwsblad.nl/nieuws/item/950-‘theologen-zijn-vloek-voor-de-kerk’.html .
[4] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van http://kerkrecht.nl/main.asp?pagetype=onderdeel&item=8&subitem=231&page= .

28 december 2011

Stabiele Gereformeerden

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Onlangs las ik op de website van het dagblad Trouw de volgende verzuchting van een historica: “Het gros van het electoraat heeft – dankzij het onderwijs – geen benul meer van enig geloof”.
De Trouw-schrijfster noteerde: “Toen mijn dochter in groep 7 zat, kreeg zij de opdracht een werkstuk te schrijven over Karl Marx. Verder dan wat gegevens over het privéleven van Marx kwam ze niet. Tijdens de tafeltjesavond verklaarde de jonge leerkracht dat het niet gaf dat mijn dochter nog niets begreep van het marxisme. Het ging er alleen om dat ze kennismaakte met een van de grote wereldreligies, de andere twee waren het christendom en de islam”.
En:
“Onderwijs weerspiegelt de prioriteiten van een tijd en die liggen op het ogenblik in Nederland duidelijk niet bij het geloof. Mede daardoor is religie in één generatie een volkomen onbegrijpelijk verschijnsel geworden. Zelfs degenen die ervoor hebben doorgeleerd, kunnen het niet meer uitleggen. Godsdienst wordt gepresenteerd als een primitieve bezigheid, vergelijkbaar met middeleeuwse geneeskunde, waarin ook niemand zich meer echt hoeft te verdiepen”.
En:
“Ook de neiging van politici om alles terug te willen brengen tot eenvoudige goed- of foutschema’s speelt mee. Je bent voor of tegen weigerambtenaren, voor of tegen Mauro, voor of tegen onverdoofd ritueel slachten, je bent een graaier of een uitgeknepen arbeider”[1].

Religieuze zaken worden amper meer begrepen.
Geloofskwesties? De mensen snappen er weinig meer van.

Is het voor kerkmensen tijd om wanhopig en paniekerig te worden?

Dat lijkt mij niet.
Er is, dunkt mij, voor kinderen van God geen reden om bekommerd af te haken.
Als ik Jacobus goed begrijp is deze situatie voor de kerk níet rampzalig.
In hoofdstuk 1 schrijft hij namelijk: “Houdt het voor enkel vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt, want gij weet, dat de beproefdheid van uw geloof volharding uitwerkt”[2].
Met andere woorden: de tegenstand en het onbegrip in de wereld geven de kerk, als het goed is, des te meer redenen om aan het geloof vast te houden.

Jacobus schrijft nog meer. Ik citeer het volgende.
“Indien echter iemand van u in wijsheid te kort schiet, dan bidde hij God daarom, die aan allen geeft, eenvoudigweg en zonder verwijt; en zij zal hem gegeven worden. Maar hij moet bidden in geloof, in geen enkel opzicht twijfelende, want wie twijfelt, gelijkt op een golf der zee, die door de wind aangedreven en opgejaagd wordt. Want zulk een mens moet niet menen, dat hij iets van de Here zal ontvangen, innerlijk verdeeld als hij is, ongestadig op al zijn wegen”[3].

Wijsheid wordt ons gegeven als wij in geloof bidden.

Een gelovig mens is, als het goed is, standvastig. Hij leeft naar Gods geboden. Natuurlijk lukt hem dat niet helemaal; de zonde speelt hem parten.
Maar een kind van God maakt wel een begin met het leven naar álle geboden van God.
Er is geen enkele door God gegeven regel waarvan een gelovige zegt: dit gebod is voor vandaag niet meer relevant.
Er is geen enkele door God gegeven regel waarvan een gelovige zegt: van dat bevel trek ik mij niks aan.
Het kan niet zo zijn dat een echt kind van God heel intensief tot God bidt, maar in zijn hart aardse dingen veel belangrijker vindt.
Een ware gelovige wandelt met God. Voortdurend. Onverstoorbaar.

Wandelen met God in een seculiere wereld: dat is in feite niks nieuws.
Denkt u maar aan David. In Psalm 12 blijkt dat ook híj er al mee te maken had. Leest u maar mee:
“Help toch, HERE, want er zijn geen vromen meer;
ja, de getrouwen zijn schaars onder de mensenkinderen.
Zij spreken valsheid tegen elkander,
zij spreken dubbelhartig, met gladde lippen
De HERE verdelge alle gladde lippen
en elke grootsprekende tong;
hen die zeggen: Met onze tong zijn wij sterk;
onze lippen zijn met ons – wie is heer over ons?”[4].

David strijdt tegen dubbelhartigheid.
En hij vindt Jacobus aan zijn zijde.

Gereformeerde mensen zijn, als het om het dienen van de Here gaat, onverzettelijk.
Als ik mij niet vergis, zijn er in onze eeuw heel wat mensen die die stabiliteit met starheid verwarren.
Gereformeerden hebben oogkleppen op, heet het.
Gereformeerden kunnen niet nadenken, roept men uit. Zij baseren zich op een boek dat al zo’n duizend keer ontkracht is. Zeggen ze[5].
Gereformeerden denken dat zij alleen op de wereld zijn. Denkt men. Misschien moeten we een apart continent voor die Gereformeerden zoeken. Suggereren de mensen[6].
Dat pratend gepeupel vergist zich zeer.
Want Gereformeerden strijden slechts tegen wankelingen. Tegen besluiteloosheid en stuurloosheid.
Jacobus gebruikt in vers 8 van hoofdstuk 1 het Griekse woord dipsuchos; dat betekent: onbesloten, twijfelend[7]. Kinderen van God strijden tegen “innerlijke verdeeldheid”; zij willen koste wat het kost voorkómen dat hun hart in vakjes verdeeld wordt.

Gods kinderen kijken frank en vrij in de wereld rond.
Zij bemoeien zich met heel veel dingen. Zij vinden heel veel zaken buitengewoon interessant.
Kinderen van God worden echter niet gekweld door onbestendigheid en wisselvalligheid.
Zij zingen met Psalm 57:
“In U, Heer, heeft mijn hart zijn zekerheid,
U wil ik loven, die mij hebt bevrijd”[8].

Toegegeven: wereldlingen volgen dat allemaal niet.
Kerkmensen gaan terug naar het Woord van God. Zij oriënteren zich op Gods licht.
Dat is niet conservatief.
Dat is niet rigide.
Kinderen van God zijn niet onbuigzaam.
Want zij buigen zich neer voor de God die hen uitkoos om Zijn kinderen te zijn.
Ware gelovigen zijn geen harde types waar je geen kant mee op kunt.
Kinderen van God volharden in hun geloof. En zij houden vast aan de garantie van Psalm 98:
“Want, zie, Hij komt de aarde richten;
verwacht Hem, volken, weest bereid.
Hij komt een nieuwe wereld stichten
op recht en op gerechtigheid”[9].

Noten:
[1] Zie http://www.trouw.nl/tr/nl/4328/Opinie/article/detail/3077844/2011/12/15/Religie-is-nu-een-onbegrijpelijk-verschijnsel.dhtml . De betreffende historica is Mirjam Janssen. Haar internetpagina is te vinden op http://mirjamjanssen.com/ .
[2] Jacobus 1:2 en 3.
[3] Jacobus 1:5-8.
[4] Psalm 12:1-5 (onberijmd).
[5] Zie http://www.geenstijl.nl/mt/archieven/2011/04/hoera_puisten_bewijzen_de_evol.html .
[6] Zie http://www.telegraaf.nl/binnenland/11150547/__Geen_Potter_op_scholen__.html .
[7] Zie: Dr. L. Floor, “Jakobus; brief van een broeder”. – Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, 1992 (tweede druk: 1998). –  p. 56 en 57 . En: http://www.bijbelaantekeningen.nl/bn/?View=Dict&Dict=G01374 .
[8] Psalm 57:5 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[9] Psalm 98:4 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

27 december 2011

Het ouderlijk gezag richt ons op het hemels tijdperk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

In de Bijbel staan teksten, waar je vandaag – naar het lijkt – niet meer met goed fatsoen mee aan kunt komen.
Eén van die teksten staat in Spreuken 1. Ik citeer:
“Hoor, mijn zoon, de tucht van uw vader
en verwerp de onderwijzing van uw moeder niet”[1].

Past die tekst eigenlijk nog wel in de eenentwintigste eeuw?
In onze tijd hebben we vaak te maken met uit elkaar geslagen gezinnen. Kérkelijk zijn er soms grote verschillen. Bovendien neemt het aantal geschéiden ouders hand over hand toe.
In zulke situaties moet je soms schipperen. Je wilt iedereen immers zo vriendelijk mogelijk bejegenen? Dat is ook christelijk, toch? Nou dan…
Luisteren naar je vader en gehoorzamen aan je moeder: dat is soms makkelijker gezegd dan gedaan.

Zondag 39 leert mij: “Dat ik aan mijn vader en moeder en aan allen die gezag over mij ontvangen hebben, alle eer, liefde en trouw bewijs, mij aan hun goede onderwijzing en tucht met gepaste gehoorzaamheid onderwerp”. En daarbij wordt dan onder meer verwezen naar Spreuken 1.
Het stáát er gewoon: ik moet naar mijn ouders luisteren.
Is dat in 2011 niet een beetje ouderwets?

Toch niet.
Wij moeten, meen ik, eerst eens even het verbánd lezen van die tekst waarin we worden gemaand om onze ouders te gehoorzamen.
Luister naar je vader, zegt de Spreukenleraar. Let op de dingen die uw moeder zegt, proclameert deze onderwijzer.
Maar dat zegt hij pas nadat hij er op gewezen heeft dat echte, degelijke kennis begint bij het eerbiedigen van de Here:
“De vreze des HEREN is het begin der kennis;
de dwazen verachten wijsheid en tucht”[2].
De grote God heeft allerlei verbanden in de schepping gelegd.
De machtige God geeft de mens het vermogen om relaties aan te gaan.
De eeuwige God geeft intelligentie om kennis te verzamelen.
De trouwe Here geeft ons de mogelijkheden om de dingen op een rij te zetten.
Maar dat relateren en systematiseren begint bij de hemelse God. U moet, zo zegt de wijsheidsleraar in Spreuken 1, er alleréérst voor zorgen dat u de Here leert kennen.

Die discipline is een lieflijke krans om het hoofd.
Het is een teken van waardigheid.
Het is een teken dat het leven op een hoger plan is gekomen.
Vergelijkt u het maar met het feit dat sommige leden van het Nederlandse koningshuis een diadeem dragen op belangrijke gedenkdagen. En tijdens staatsbanketten[3]. Tijdens officiële gelegenheden verschijnen gezagsdragers niet in hun plunje. Men kan aan hen zien dat ze op niveau leven[4].
Zo gaat dat óók met Gods kinderen.

Het onderwijs dat ouders geven is, zo zegt de Spreukenschrijver, “een keten voor uw hals”[5].
In het oude Oosten droegen ook mannen halssieraden. Daaraan was vaak de zegelring bevestigd. Teken van doorluchtigheid en eminentie[6].
Kinderen dragen het ouderlijk onderwijs mee. En mensen uit de omgeving kunnen het zien: die kinderen hebben het nodige van thuis meegekregen!

Anno Domini 2011 houdt men ons veelal een andere les voor.
Een kind van gescheiden ouders schreef eens:
“Mijn ouders bleven bij elkaar. Voor de kinderen. Ze offerden zichzelf voor ons op. Jarenlang. En hoe gezellig en lief ze ook probeerden te doen, wij wisten dat. Jarenlang”.
En:
“Mijn vader en mijn moeder zijn inmiddels al jaren gelukkig, met een ander. Iemand die veel beter bij ze past”.
En:
“Mijn ouders zijn gelukkiger dan ooit. En dat maakt mij als kind van gescheiden ouders gelukkiger dan ooit. Ze gaven het goede voorbeeld, toen ik een stuk ouder was. Beter laat dan nooit. Want de les die ze me ongewild meegaven is hard, maar mooi. De liefde is niet geschikt voor doen-alsof. Volg je hart. Ga voor iets waar je echt gelukkig van wordt en als je graag wilt acteren, ga naar de toneelvereniging. Maar speel nooit de hoofdrol in een klucht die zelfs je kinderen niet willen zien”[7].
Wij moeten de pijn uit de bovenstaande taferelen niet wegpoetsen.
Er is soms nogal wat uithoudingsvermogen van man en vrouwen nodig.
En laten wij het zonder omwegen toegeven: als de spanning vaak te snijden is, dan is dat een regelrechte ramp.
En toch zeg ik: het leven hoeft geen toneelstuk te worden.
De gebondenheid die de Here geeft, is – zo zegt Spreuken 4 – uiteindelijk een weg naar het leven[8].

Gereformeerde gezinnen gaan samen op weg naar ééuwig leven.
Gereformeerde ouders en kinderen lopen samen op het pad dat de Here wijst.
Daar zinspeelt de Spreukendichter, denk ik, op als hij zegt:
“…
het pad der rechtvaardigen is als het glanzende morgenlicht,
dat steeds helderder straalt tot de volle dag”[9].
Volg je hart, zeggen de mensen.
Kom samen maar naar Mij toe, zegt de Here, uiteindelijk is dát de weg naar het leven. Naar onvergankelijkheid. Naar onsterflijkheid. Naar de eeuwigheid.
Wie zijn kind vermaant, moet zich afvragen: breng ik met mijn woorden mijn kind terug op de weg die de Here wijst?

Voor het volgen van de weg die God wijst, is echte wijsheid nodig.
Professor J. Douma omschreef wijsheid ooit als volgt: “Wijsheid is het inzicht van de mens om zo te handelen, dat hij de gevaren van het leven onderkent en door zelfbeheersing in staat is een veilig en voorspoedig leven te leiden”.
Daarvoor is training nodig. Douma gaf indertijd het volgende voorbeeld: “Zoals iemand pas pianist wordt als hij/zij lang oefent en dan pas deugt als pianist, zo moet de mens vanaf zijn jongste jaren geoefend worden om als mens te deugen. We oefenen de kinderen bijvoorbeeld in de deugd van zelfbeheersing. Kinderen die honger hebben, moeten niet uit de koelkast grijpen wat en wanneer ze maar willen. Ze moeten hun beurt afwachten en mogen aan tafel pas aanvallen als de maaltijd begint. Dat doen kinderen niet uit zichzelf; daarin moeten ze getraind worden”[10].

‘Discipline’ en ‘straf’: die woorden klinken ons vandaag onaangenaam in de oren.
Toch zijn die begrippen zo gek nog niet.
Nee, het is niet zo dat iedere vader en moeder er maar onbeheerst óp moet slaan teneinde de kinderen in het gareel te houden. ‘Slaan’ is in Spreuken 23 de onderstreping  van het indringende gesprek. Leest u maar mee:
“Richt uw hart op de vermaning
en uw oor op woorden van verstand”.
En pas daarná lees ik:
“Onthoud de tucht niet aan de knaap;
slaat gij hem met de stok, hij sterft er niet van;
gij slaat hem wel met de stok,
maar redt zijn leven van het dodenrijk”[11].
En ik wil maar zeggen: laten wij Gods woorden niet uit hun verbánd rukken!

Luisteren naar vader en moeder: dat raakt, zo lijkt het soms, een beetje uit de tijd.
Gereformeerde mensen moeten zich maar niet laten misleiden. Want nog altijd is het woord uit Spreuken 23 waar:
“Uw hart zij niet naijverig op de zondaren,
maar beijvere zich voortdurend de HERE te vrezen;
waarlijk, dan is er toekomst
en uw verwachting wordt niet afgesneden.
Hoor gij, mijn zoon, en word wijs,
richt uw hart op de weg”[12].

Laten wij zo op pad gaan.
Enthousiast op weg naar een hemels tijdperk!

Noten:
[1] Spreuken 1:8.
[2] Spreuken 1:7.
[3] Zie bijvoorbeeld http://www.arinadon.nl/maxima/?url=juwelen .
[4] Zie ook: Bijbel met kanttekeningen. – Baarn: Bosch & Keuning n.v., deel 4, p. 333. – Kanttekening 18 bij Spreuken 1:9.
[5] Spreuken 1:9: de tucht van vader en de onderwijzing van moeder “zijn een liefelijke krans voor uw hoofd, / een keten voor uw hals”.
[6] Zie: Bijbel met kanttekeningen. – Baarn: Bosch & Keuning n.v., deel 4, p. 333. – Kanttekening 19 bij Spreuken 1:9.
[7] Zie http://www.viva.nl/2010/12/04/vivablog-femke-echtscheiding-kind-van-gescheiden-ouders/?utm_medium=affiliate&utm_source=tradetracker_33149&utm_campaign=titelshop_Viva&utm_content=Viva_custom_ . 
[8]
Spreuken 4:13: “Houd vast aan de tucht, laat haar niet los, / bewaar haar, want zij is uw leven”.
[9] Spreuken 4:18.
[10] Zie http://www.gaaninhetspoorvandebijbel.nl/lesbrief62.doc .
[11] Spreuken 23:12-14.
[12] Spreuken 23:17-19.

23 december 2011

Kerst 2011: levensverhaal met eeuwigheidswaarde

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Overmorgen is het Eerste Kerstdag 2011.
Wij herdenken Christus’ komst op aarde.
De beschrijving van Zijn leven op aarde is in veel opzichten opmerkelijk.

Neem nou Mattheüs 1: “Want Hij is het, die zijn volk zal redden van hun zonden”[1].  

Wij hebben allemaal onze bestaansgeschiedenis. Met hoogtepunten: feesten, recepties, eerbewijzen. Met dieptepunten: miskenning van onze kwaliteiten, het overlijden van onze geliefde man of vrouw, ruzies in de kring van familie of vrienden.
Die historie vertellen wij aan het einde van ons leven. Een deel van dat relaas kunnen wij doen als we een flink aantal jaren op aarde hebben geleefd.
Maar in Mattheüs 1 staan de zaken anders. Jezus’ levensverhaal wordt vooraf verteld. Dat levensverhaal wordt in één zin samengevat.    

Een levensverhaal is achteraf controleerbaar.
Er kan onderzoek naar de feiten gedaan worden. De data kunnen op een rij worden gezet. De gebeurtenissen kunnen worden beschreven. Het is zelfs mogelijk om van dat levensverhaal een boek te maken.
Welnu, het levensverhaal van Jezus Christus wordt vooraf geproclameerd. Dat verhaal vereist geloof. Impliciet wordt de vraag gesteld: gelooft u dat de hemelse proclamatie waar is?
Zo dwingt de geboorte van Gods Zoon de wereld tot een keuze.

Hoe is het mogelijk dat het levensverhaal van Jezus Christus van te voren al kon verteld?
Dat was mogelijk omdat het levensverhaal van Jezus Christus al geboekstaafd was, vóór Hij als mens op aarde kwam.
De Israëlieten wisten al dat er vergeving voor hun zonden nodig was.
Ik wijs u, wat dat betreft, op Leviticus 4: “De HERE sprak tot Mozes: Spreek tot de Israëlieten: Wanneer iemand zonder opzet zondigt in een van de dingen die de HERE verboden heeft te doen, en één daarvan doet – dan zal, indien de gezalfde priester zonde gedaan en daardoor het volk in schuld gebracht heeft, hij voor de zonde die hij begaan heeft, een jonge, gave stier de HERE tot een zondoffer brengen”[2].
De Israëlieten wisten wel dat alleen de Here hen uit benauwdheid redden kon.
Asaf zei in Psalm 50:
“Offer Gode lof
en betaal de Allerhoogste uw geloften”.
Asaf aarzelde vervolgens niet om de Here God sprekend in te voeren:  
“…roep Mij aan ten dage der benauwdheid,
Ik zal u redden en gij zult Mij eren”[3].
In Jesaja 46 beschreef Jesaja – die daar woordvoerder van de Here was – hoe de mensen van zijn tijd op zoek waren naar redding. Dat werkte ongeveer als volgt. Mensen brachten hun edelmetalen bij een vakman; die expert moest er maar een god van maken. Als de goudsmid zijn werk gedaan had, konden de mensen thuis een mooi beeld neerzetten. En als het dan een beetje meezat, bogen zij zich er óók nog voor neer… Zo ging dat. Welnu, de Here maakte duidelijk dat de échte werkelijkheid er anders uitzag. Hij zei: “Hoort naar Mij, huis van Jakob en geheel het overblijfsel van het huis Israël, die door Mij gedragen zijt van moeders lijf aan, opgenomen van de moederschoot af. Tot de ouderdom ben Ik dezelfde en tot de grijsheid toe zal Ik u torsen; Ik heb het gedaan en Ik zal dragen, Ik zal torsen en redden”[4].

Het levensverhaal van Jezus Christus was, om zo te zeggen, reeds gepubliceerd.
En Mattheüs 1 laat het zien: de verwezenlijking van die historie gaat nu een nieuwe fase in.

Intussen is er wel degelijk sprake van een doorgaande lijn.
Het is niet zo dat het Oude en het Nieuwe Testament twee losse stukken van Gods Woord zijn, die wij ook strikt moeten scheiden.
Vader Józef moest het Kind Zijn namen geven.
Jezus.
En Immanuël[5].
De Here verzorgde die naamgeving niet zelf.
Want Jozef moest het kind erkennen. Die acceptatie maakte aan de wereld duidelijk: dit is een kind uit het geslacht van Dávid[6].
Hij werd een mens. Net als andere mensen. Met stamboom en al.
Zo markeerde de God van hemel en aarde een nieuw begin in de wereldhistorie.

Vandaag lezen wij in het Woord van God.
Dat doen wij in een wereld waarin geloof en ongeloof scherp tegenover elkaar staan. Net als vroeger.
En soms is die tegenstelling heel zichtbaar. Bij tijd en wijle doet het zicht op die tegenstelling bijna pijn aan je ogen.

Een actueel voorbeeld.
Afgelopen maandag, 19 december, promoveerde drs. J. van de Kamp aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Zijn dissertatie handelt over Duitse vertalingen van Engelse en Nederlandse gereformeerde stichtelijke literatuur tussen 1667 en 1697 en de rol van netwerken. In het Reformatorisch Dagblad van zaterdag 17 december stond te lezen: “Als één ding Van de Kamp in de loop van zijn onderzoek duidelijk werd, was het dat vertegenwoordigers van verschillende vroomheidsbewegingen in het zeventiende-eeuwse Europa nogal eens in nauw contact met elkaar stonden (…). Het leidde tot een van zijn belangrijkste conclusies: „Het ís mogelijk een koepelterm te gebruiken voor al deze vroomheidsbewegingen in Europa: piëtisme – van pietas, vroomheid. Juist omdat er zo veel overeenkomsten, maar ook contacten waren tussen de verschillende bewegingen”[7].
Dat was de eerste promotie.
Op diezelfde dag promoveerde er nóg iemand.
Aan dezelfde universiteit.
Het was drs. W. Dekker, hoofd vorming en educatie bij de IZB – vereniging voor zending in Nederland. De titel van zijn proefschrift luidt: “Afwezigheid van God; een onderzoek naar antwoorden bij W. Pannenberg, K.H. Miskotte en A. Houtepen”.
Het Reformatorisch Dagblad berichtte op dinsdag 20 december over beide promoties onder de kop “Promoties over God ervaren én kwijtraken”[8].
Zo stonden de presentie en vermeende absentie van God in één krantenbericht.
Kijk, wat een scherp contrast!

In Mattheüs 1 staat: “Hij is het, die zijn volk zal redden van hun zonden”.
Wij moeten het ons realiseren: Zijn vólk wordt gered.
Het levensverhaal van Christus wordt ónze geschiedenis. Preciezer: het levensverhaal van de Heiland wordt de historie van de kérk.
Daar, in de kerk, verzamelt Hij Zijn kinderen.
Soms is die kerk onooglijk. Verdwenen, bijna. Vrijwel weggevaagd door de Satan.
Maar de heilige vergadering van ware gelovigen is er tóch nog. Midden in een dolgedraaide en verscheurde wereld.
Kijk, wat een scherp contrast!

Mattheüs 1 markeert een nieuw stadium in de heilshistorie.
Maar de laatste zin van Mattheüs 1 luidt simpelweg: “En hij gaf Hem de naam Jezus”.
Is dat nu niet wat gewoontjes? Is dat niet een beetje té eenvoudig?
Jozef ging, om zo te zeggen, voor de geboortekaartjes zorgen.  
Is dat nou alles?

Toch niet.
Christus’ levensverhaal wordt ónze bestaansgeschiedenis.
Want wij horen bij Hem.

Hij is aan de mensen gelijk geworden, zegt Paulus in Philippenzen 2[9].
In Zijn lijdensweg is Hij diep vernederd. Tot aan het kruis op Golgotha toe.
En toen? Toen kreeg Hij de “naam boven alle naam”[10]. Een naam die nog móóier klonk dan Jezus. Of Immanuël.
Waarom gebeurde dat allemaal? Dat geschiedde “opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader!”[11].
En wat staat ons nu te doen?
Paulus’ voorschrift luidt kort en goed: “Doet alles zonder morren of bedenkingen”[12].
Ga na de feestdagen dus maar weer gewoon aan ‘t werk. Zonder gemopper. En zonder zielig gedoe.
Net als Jozef.

Wat is het gevolg van al die noeste arbeid?
Wij staan onbesmet tegenover de wereld.
Wij zijn onbesproken kinderen van God tegenover totaal verkeerde mensen.
Wij zijn lichtende sterren in een duistere nacht.
Kijk, wat een scherp contrast!

Paulus is in Philippenzen 2 heel duidelijk: “…ik verblijd mij met u allen. Verblijdt gij u evenzo en verblijdt u met mij”[13].
Die blijdschap is niet altijd zichtbaar.
Maar die geloofsvreugde is er wél. Want het Evangelie van Mattheüs 1 wordt nog altijd uitgebazuind: “Hij is het, die zijn volk zal redden van hun zonden”.
En dat betekent dat onze bestaansgeschiedenis nimmer eindigen zal.
Wij hebben een levensverhaal met eeuwigheidswaarde!

Noten:
[1] Mattheüs 1:21.
[2] Leviticus 4:1-3.
[3] Achtereenvolgens citeer ik de verzen 14 en 15 uit Psalm 50.
[4] Jesaja 46:3-8. Ik citeer de verzen 3 en 4.
[5] Zie Mattheüs 1:23: “Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal Hem de naam Immanuël geven, hetgeen betekent: God met ons”.
[6] Zie hiervoor ook http://www.gcvreugdenhil.nl/attachments/File/Preken2009/Mat_1_18-25_25_dec_2009.pdf .
[7] “Ook Duitsland kende een Nadere Reformatie”. In: Reformatorisch Dagblad, zaterdag 17 december 2011, p. 2.
[8] Zie het RD van dinsdag 20 december 2011, p. 2.
[9] Zie Philippenzen 2:7: het is een feit dat Hij “de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is”.
[10] Philippenzen 2:9: “Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken”
[11] Philippenzen 2:10.
[12] Philippenzen 2:14.
[13] Philippenzen 2:17 en 18.

22 december 2011

Kerkelijke formulieren: een kwestie van prikkelende precisie

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Een staatsbezoek van een koning of koningin wordt nauwkeurig voorbereid.
De kerk heeft namelijk tot taak om de ware leer over de hemelse God in de wereld te proclameren. Dan moet je natuurlijk goed weten wat je zegt!
Daarom zijn kerkelijke formulieren heel belangrijk[1].

Er is alle reden om in onze tijd eens wat extra aandacht aan die formulieren te besteden.
Hieronder zal dat genoegzaam blijken.

In de kerk betekent het woord ‘formulier’: vaststaande formuleringen om op een gestructureerde manier belangrijke gegevens uit Gods Woord aan de gemeente voor te houden.
In de kerk kennen we de Formulieren van Enigheid: de Heidelbergse Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels. Daarin is vermeld over welke geloofszaken in de kerk eenstemmigheid bestaat, of zou móeten bestaan. ‘Enigheid’ betekent hier: eensgezindheid.
Wij kennen ook de liturgische formulieren, zoals die voor de openbare belijdenis van het geloof, de doop en het avondmaal[2].

Dat woord ‘formulier’ heeft, als ik mij niet vergis, bij heel wat kerkmensen een ietwat donkere klank.
De voorlezing van liturgisch formulieren is, zo zegt men, nogal saai en geestdodend.
De formuleringen zijn bekend.
Sommige zinswendingen kent het kerkvolk zelfs uit zijn hoofd.

Er zijn ook wel mensen die zeggen: formulieren zijn nergens voor nodig. Zij stellen vast dat onder de eerste christenen eenheid heerste. Zij citeren, als het een beetje wil, Schriftgedeelten als 2 Timotheüs 3: “Blijf gij echter bij wat u geleerd en toevertrouwd is, wèl bewust van wie gij het hebt geleerd”[3]. Vervolgens maken zulke opmerkingen als: “Gods woord is ons in de Schriften bewaard gebleven. Het testament van Christus is in staat eenheid te handhaven. Kerkelijke ‘formulieren van eenheid’ zijn niet nodig!”[4].

Zulke ijveraars houden, als u het mij vraagt, onvoldoende rekening met de verdorvenheid van deze wereld.
Het ware geloof moet worden verdedigd.
Dát deed Guido de Brès bijvoorbeeld, toen hij de Nederlandse Geloofsbelijdenis formuleerde. In de aanbiedingsbrief, geadresseerd aan koning Philips II, schreef hij: “Onze vijanden beweren dat wij ongehoorzame opstandelingen zijn, die er alleen maar op uit zijn elk overheidsgezag te vernietigen en verwarring in de wereld te brengen. Zij beweren dat wij niet alleen onszelf van Uw heerschappij willen bevrijden, maar U ook van Uw troon willen stoten. (…) De profeten, de apostelen en ook de leden van de eerste christelijke gemeente zijn aangeklaagd en met (…) laster schijnbaar in het nauw gebracht. Maar net als zij dat in hun tijd gedaan hebben, verklaren wij nu uitdrukkelijk voor God en Zijn engelen dat wij niets liever willen dan, gehoorzaam aan de overheid, met een zuiver geweten te leven, God te dienen en ons leven te richten naar Zijn Woord[5].
Wij leven in een zondige wereld.
Steeds weer moet de kerk reageren op smaad en laster.
De kerk moet voortdurend met kennis gewapend worden.
Dáárom hebben we formulieren.

Onze formulieren hebben een onderwijzende functie. Het kerkvolk leert wat er in de Bijbel staat, bijvoorbeeld omtrent de sacramenten.
In onze formulieren is de kern van de kerkleer beknopt geformuleerd. Het is dus niet per se zo dat die formulieren álles over de geloofsleer zeggen. Maar heel veel relevante gegevens daarover worden wel even genóemd.
Onze formulieren hebben ook een samenbindende functie. Als ze worden gebruikt, dan weten wij: daar staan wij voor.
Wij krijgen zicht op de betekenis van  de heilsfeiten. En bijvoorbeeld ook op het ‘hoe’ en ‘waarom’ van doop en avondmaal.
Wij realiseren ons dat wij het Woord van God zuiver bewaren moeten.

Onze formulieren weerspiegelen, om te zeggen, de nauwkeurigheid van ons kerkelijk leven.
Het is oppassen geblazen als men aan de Formulieren van Enigheid niet genoeg heeft.

Dat laatste zien wij bijvoorbeeld in de Protestantse Kerk. Daar fundeert men zich niet alleen op de drie formulieren van Enigheid, maar bijvoorbeeld ook op de Augsburgse Confessie[6]. In totaal heeft de PKN elf belijdenisgeschriften[7]. De PKN heeft dus een breed fundament. Dat is een belangrijke reden geweest voor het ontstaan van de Hersteld Hervormde Kerk[8].

In dit verband is een tamelijk recente ontwikkeling in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) te Leusden en Amersfoort opmerkelijk.
De GKv’s en de Nederlands Gereformeerde Kerken aldaar erkennen elkaar. Een lokale krant meldde: “De beide Nederlands Gereformeerde kerken én alle Gereformeerde Kerken vrijgemaakt in Amersfoort en Leusden hebben op 8 december 2011 een ‘verklaring van erkenning’ getekend. Hierin spreken de kerken uit dat zij ‘in toenemend besef dat onze Heiland, Jezus Christus, Hoofd van zijn Kerk ons tot elkaar heeft gebracht, elkaar herkennen en erkennen als kerk van Christus, geroepen door God, verzameld door zijn Zoon en geleid door Zijn Woord en Geest’”[9].
Dat klinkt prachtig. Maar in Amersfoort kent men in de wijk Vathorst ook de Kruispuntgemeente: een “uniek samenwerkingsverband tussen de Protestantse Kerk Nederland, de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederlands Gereformeerde Kerk”[10].
Het lijkt wel of men te Amersfoort op weg is naar een Gereformeerde PKN!

Hierboven schreef ik al: onze formulieren weerspiegelen, om zo te zeggen, de nauwkeurigheid van ons kerkelijk leven.
Het is zorgelijk als met die punctualiteit een loopje wordt genomen.
Jazeker, dat geldt óók bij het gebruik van liturgische formulieren.

Op de Generale Synode-2011 van de GKv bereidde een commissie de bespreking van het thema ‘eredienst’ voor. De geachte commissieleden stelden vast dat “op diverse plaatsen kerken zich niet royaal meer houden aan de vastgelegde afspraak dat bij doop en avondmaal alsook bij de kerkelijke bevestiging van het huwelijk de vastgestelde formulieren worden gelezen”. De commissie noteerde erbij: “…het sterk onderwijzend karakter van formulieren ‘werkt’ vandaag niet meer goed”. Zo stond dat op zaterdag 14 mei 2011 in het Nederlands Dagblad.
Tja.
Wat zal men daar aan doen?
In het ND stond indertijd ook nog: “Dat roept de vraag op hoe zinvol het is dat de deputaten Eredienst liturgische formulieren hertalen en herzien of nieuwe opstellen. Dat heeft geen duidelijk effect ‘wanneer kerken vrij en willekeurig met de nieuwe formulieren omgaan of er zelfs amper gebruik van willen maken’, aldus de commissie. ‘Als dit de praktijk is of wordt moeten we het probleem eerlijk onder ogen zien en er wat mee doen’”[11].
Dat laatste citaat geeft veel te denken!

Als u het mij vraagt zijn onze formulieren even zo vele voorbeelden van prikkelende precisie.
Die vaststaande formuleringen dagen ons uit om bij ons kerkelijk doen en laten na te denken.
Een kwestie van stimulerende accuratesse dus!

Noten:
[1] Sinds september 2011 ben ik lid van de mannenvereniging ‘Augustinus’ van de DGK Groningen. Op het rooster dat daar momenteel geldt, staat op woensdag 7 maart 2012 mijn naam vermeld. Het is, naar ik heb begrepen, de bedoeling dat ik een korte inleiding houd over ‘Het opzicht over de leer en de eredienst’ (hoofdstuk III van de Gereformeerde Kerkorde). Dat gebeurt naar aanleiding van: Ds. Joh. Strating, “Samenleving in saam-horigheid: vijf schetsen over de Kerkorde”. – Ned. Bond van Gereformeerde Jeugdverenigingen/Bond van Mannenverenigingen op Geref. Grondslag, [ca. 1984]. – schets 4, p. 28-36.
Op deze internetpagina verschijnen enkele weblog-artikelen die – geheel of gedeeltelijk – dienst kunnen doen als achtergrond bij of inhoud van die inleiding. In deze reeks verscheen het vorige artikel op donderdag 15 december jongstleden. Het is terug te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2011/12/15/ondertekeningsformulieren/. Dit artikel is het derde in de serie.
[2] Dominee Strating noemt deze formulieren in het voorbijgaan. Zie met name paragraaf 5 en 6, pagina’s 31 en 32. Gezien de kerkelijke ontwikkelingen in de eenentwintigste eeuw acht ik extra attentie voor de waarde van deze formulieren gerechtvaardigd.
[3] 2 Timotheüs 3:14.
[4] Zie http://www.gemeente-van-christus.org/Preken/Davison/Roy/eenheidc.html .
[5] Zie http://www.guido.nl/Portals/0/documenten/Onderbouw/Guido%20boek%20Wim%20S.pdf .
[6] Zie voor de Nederlandse tekst van de Augsburgse Confessie http://www.elg-stadskanaal.nl/download/augsburgseconfessie.txt .
[7] Zie http://www.pkn.nl/5/info.aspx?o=0&rIntNavMotherNavId=3831&inc=info&rIntNavId=3831&page=8403 .
[8] Zie ook http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/balans_na_vijf_jaar_pkn_en_hhk_1_324913 .
[9] Het citaat komt uit de Leusder Krant van zaterdag 17 december 2011.
[10] Zie http://www.kruispuntvathorst.nl/ .
[11] “Onderzoek gebruik formulieren bepleit”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 14 mei 2011, p. 2.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.