gereformeerd leven in nederland

31 januari 2012

Komt de kerk 3.0 in zicht?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: ,

Er is nieuws over de kerk. Die kerk moet veranderen.
Zegt Sabine van der Heijden.

Sabine is momenteel docente jeugdwerk bij de Christelijke Hogeschool Ede. Zij is daar bezig met de “theoretische en methodische doordenking van het jeugdwerk”. Haar missie is om jongerenwerkers te ondersteunen. Die werkers moeten kwalitatief goed werk verrichten[1].

Zij schreef het boek “Kerk voor een nieuwe generatie”[2].
Kerken moeten intergenerationeel gaan denken: men moet af van de benadering van groepen; de kerk is één.
Kerken moeten zich concentreren op de inhoud, en dus niet op de vormen.
Sabine onderscheidt drie soorten kerken:
kerk 1.0: kerk tegenover jongerencultuur; de wereld is slecht, jongeren moeten leren ‘geheel anders’ te zijn;
kerk 2.0: men gebruikt elementen uit de jongerencultuur, en maakt daar een christelijke variant op;
kerk 3.0: kerken en groepen, waarin alles draait om relaties en authenticiteit[3].

Eerlijk gezegd zie ik wel wat sprankjes licht in dit alles.
a.
De groep raakt uit beeld. De categorale aanpak wordt zoetjes aan afgeschaft. Van die afschaffing ben ik een groot voorstander. De kerk is één. Die bestaat niet alleen uit flitsende jongeren die de zaak binnen de kortste keren omturnen. De kerk bestaat niet slechts uit bejaarden, die niet zoveel energie meer hebben en daarom veel dingen maar op hun beloop laten.
De Here geeft kerkmensen aan elkáár. Juist die mengeling brengt in de kerk het juiste evenwicht.
Als in Jozua 8 de wet wordt voorgelezen, staat er nadrukkelijk bij dat jan en alleman daarbij is; zelfs de allochtonen die in het volk Israël opgenomen werden, zijn present[4]. De kerk bestaat heus niet uit clubjes!
b.
De kerk moet, zegt Sabine, focussen op de inhoud.
Daar word ik blij van. Als zij daar tenminste het Woord van God mee bedoelt. Dat Woord moet het uitgangspunt zijn. Dat Woord moet richtinggevend wezen.

De jeugdwerkdocente komt dus een eindje in de goede richting.

Toch wordt mijn vreugde verdonkerd.
Op een internetpagina over haar nieuwe boek schrijft zij: “De centrale boodschap is: als we willen dat jongeren met God gaan leven, kunnen kerken die klus niet alleen aan het jeugdwerk overlaten, het gaat om de hele kerk! In hoeverre zijn jeugdwerkers zich daar echt van bewust en communiceren zij deze boodschap ook met hun kerk?”[5].
En de vraag ligt voor de hand: wat is eigenlijk de hele kerk?

Als wij de Bijbel eerlijk en open lezen, kunnen we niet om het antwoord op die vraag heen.
In Psalm 22 zegt David dat hij de Here looft in een grote gemeente; hij spreekt dus niet van gemeentes. Hij prijst de Here in de tegenwoordigheid van de mensen die Hem eerbiedigen; klaarblijkelijk is íedere ware gelovige er bij[6]. Als de psalmdichter dat zo zegt, suggereert hij daarmee nadrukkelijk dat het niet de bedoeling is dat Godvrezenden overal en nergens zitten.
Ook in de Psalmen 35 en 40 horen we over een grote gemeente[7]. Psalm 149 spreekt zelfs over de gemeente van de vromen[8].
Wij mogen, naar mijn stellige overtuiging, niet zeggen dat dit een oudtestamentisch gegeven is, en dat het in de nieuwtestamentische bedeling anders werkt.
In de eerste brief aan de Corinthiërs heeft Paulus het voortdurend over de gemeente. Slaat u 1 Corinthiërs 14 en 15 er maar op na[9].
Wij moeten ook niet nonchalant gaan roepen dat in één stad of dorp meerdere kerken kunnen zijn. Denkt u, wat dat betreft ook maar aan Openbaring 2 en 3: “Schrijf aan de engel der gemeente te Efeze”, “en schrijf aan de engel der gemeente te Smyrna” – enzovoort[10]. In al die schrijfopdrachten die de Here in Openbaring 2 en 3 aan Johannes geeft is nergens sprake van meerdere gemeenten in één plaats. We lezen wel dat de Here tot Zijn gemeenten spreekt – meervoud[11]. Er is, om zo te zeggen, in Gods verbond wel een kerkverbánd.  Maar kerken van verschillende soort op een plek: dat is eigenlijk onmogelijk. Kerken van verschillende snit in één dorp: dat is tamelijk onlogisch.
Als het gaat over de hele kerk, moeten we eerst en vooral werken aan de eenheid van Gods kinderen. Dat thema lijken heel wat mensen zorgvuldig te vermijden. Men lijkt te denken: dát is te ingewikkeld; en bovendien komen we daar toch nooit uit…
Maar als wij spreken over de hele kerk is het spreken over kerkelijke eenheid onvermijdelijk. Toch?

In de kerk draait alles om relaties en authenciteit.
Zegt Sabine van der Heijden.
Hoe belangrijk die ook zijn, het leven in Gods verbond is van meer belang. Alles begint met de Goddelijke uitverkiezing. Gods kinderen worden door de wereld gehaat. En niet zozeer omdat zij elke zondag naar de kerk gaan. Maar veeleer omdat zij door de Here zijn uitgekozen. Zo staat dat in Johannes 15[12].

De kerk is in ontwikkeling.
Er is een kerk 1.0. En een kerk 2.0. En een kerk 3.0.
Dat klinkt gladjes. En prettig. En modern.
Mensen ontwikkelen computerprogramma’s. Bij Adobe Reader is, als ik het goed begrepen heb, inmiddels versie 10.1.2 op de markt. En u begrijpt: daar zijn een boel knappe computerprogrammeurs mee aan de gang geweest.
Juist daarom staat de term ‘kerk 3.0’ mij een beetje tegen. Die uitdrukking suggereert mij té duidelijk dat de kerken mensenwerk is. En dat is écht niet zo. Niet voor niets staat in Jesaja 40 dat Hij de lammeren in Zijn arm vergadert[13].

De kerk voor een nieuwe generatie – zal die er nog zijn?
Jazeker, want de Here arbeidt gestaag verder.
Totdat wij de “de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid”. En het Evangelie is indringend: “En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere”[14].

Noten:
[1] Zie http://che.nl/onderzoek/geestelijk-leiderschap/kenniskring/sabine-van-der-heijden .
[2] De gegevens van dit boek zijn: Sabine van der Heijden, “Kerk voor een nieuwe generatie; zoeken naar een kerk waarin jongeren geloven”. – Heerenveen: Jongbloed Uitgeversgroep (Uitgeverij Medema), 2012. – 218 p.
[3] Zie “Ook kerk 3.0 is niet volmaakt”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 26 januari 2012, p. 2.
[4] Jozua 8:34 en 35: “Daarna las hij al de woorden der wet voor, de zegen en de vloek, naar alles wat in het boek der wet geschreven stond. Er was geen woord van al hetgeen Mozes geboden had, dat Jozua niet voorlas aan de gehele gemeente van Israël en de vrouwen, de kinderen en de vreemdelingen, die met hen meegegaan waren”.
[5] Zie http://kerkvooreennieuwegeneratie.wordpress.com/ .
[6] Psalm 22:26: “Van U komt mijn lof in een grote gemeente, / mijn geloften zal ik betalen / in de tegenwoordigheid van wie Hem vrezen”.
[7] Psalm 35:18: “Dan zal ik U loven in een grote gemeente, / onder een geweldige schare U prijzen”; Psalm 40:10: “Ik verkondig de blijde mare van uw gerechtigheid / in een grote gemeente; / zie, mijn lippen weerhoud ik niet, / HERE, Gij weet het. / Uw gerechtigheid verberg ik niet in mijn hart, / van uw trouw en uw heil spreek ik, / uw goedertierenheid en uw waarheid verheel ik niet / voor een grote gemeente”.
[8] Psalm 149:1: “Halleluja. Zingt de HERE een nieuw lied, / zijn lof in de gemeente der vromen”.
[9] 1 Corinthiërs 14:4, 19 en 35: “Wie in een tong spreekt, sticht zichzelf, maar wie profeteert, sticht de gemeente”. “…Maar in de gemeente wil ik liever vijf woorden met mijn verstand spreken, om ook anderen te onderwijzen, dan duizenden woorden in een tong”. “En als [de vrouwen] iets willen te weten komen, moeten zij thuis haar mannen om opheldering vragen; want het staat lelijk voor een vrouw te spreken in de gemeente”; 1 Corinthiërs 15:9: “Want ik ben de geringste der apostelen, niet waard een apostel te heten, omdat ik de gemeente Gods vervolgd heb”.
[10] Ik citeer Openbaring 2:1 en 8. Identieke opdrachten staan in 2:12 (brief aan Pergamum), 2:18 (brief aan Thyatíra), 3:1 (brief aan Sardes), 3:7 (brief aan Philadelphia) en 3:14 (brief aan Laodicea).
[11] Zie Openbaring 2:7, 11, 17 en 29; 3:6, 13 en 22: “Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt”.
[12] Zie Johannes 15:19: “Indien gij van de wereld waart, zou de wereld het hare liefhebben, doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld uitgekozen heb, daarom haat u de wereld”.
[13] Jesaja 40:11: “Hij zal als een herder zijn kudde weiden, in zijn arm de lammeren vergaderen en ze in zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtkens leiden”.
[14] Achtereenvolgens citeer ik Mattheüs 24:30 en 31.

30 januari 2012

Heilig Avondmaal: boven aardse efficiency en intimiteit verheven

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Het Heilig Avondmaal is een plechtig moment.

Het tempo van de viering ís daar ook naar. Alle kerkgangers willen zich terdege realiseren wat er gebeurt. Zij laten goed tot zich doordringen waarom het gebeuren móet.

Maar bij dat plechtige moment kun je wel wat vragen stellen.

Bijvoorbeeld: is het wel efficiënt genoeg?
Guido Attema – redacteur bij de IKON – schreef afgelopen vrijdag: “Tijdens het Avondmaal maakte hij [= een vriend van Guido, BdR] de opmerking dat het veel efficiënter zou zijn wanneer alles van te voren geprepareerd zou zijn. Een klein pakketje met een stukje brood en een pipetje gevuld met wijn dat onder de stoel klaar ligt om te consumeren wanneer de dominee de zegen erover uitspreekt. De betekenis van het ritueel ging duidelijk langs hem heen.
Toch raakte hij een gevoelige snaar. Want de kritiek onder alle jongeren die ik het afgelopen jaar meenam naar een dienst met Avondmaalsviering was eenduidig: ‘Op zich spreekt het me best aan, maar dat eten van dat brood duurt zo ontzettend lang! Ik ben dan alweer vergeten waar de preek over ging. Bovendien is de opgebouwde spanningsboog totaal verdwenen’. Dit zorgde ervoor dat ze niet snel terug wilden komen”[1].

Wie gaat nadenken over efficiency in de Avondmaalsviering, gaat in de eerste plaats voorbij aan de ernst ervan. Zo iemand miskent bovendien de grote gevolgen van het werk van onze Redder.
In Kolossenzen 2 lees ik dat Jezus het bewijsstuk van onze zonden aan het kruis genageld heeft[2]. Er is niet zomaar aangifte tegen Jezus gedaan. Hij heeft niet zomaar een poosje in de gevangenis gezeten. Nee, voor het oog van de wereld werd hij opgehangen aan een kruis.
God de Vader gaf Zijn Zoon een rang beneden de hemelse engelen; zo staat dat in Hebreeën 2. Hij stuurde Hem de dóód in[3].
En wat leverde dat ons op? Eeuwig leven!
Eeuwig leven is geen kwestie van een klein poosje. Eeuwig leven is niet vluchtig. Het is heel wat anders als een menselijke ademtocht. Het eeuwige leven heeft een onvoorstelbare lengte. En ik vraag: mag dan de Avondmaalsviering óók wat langer duren, alstublieft?
In de Avondmaalsviering gaat het niet over de vraag of de kerkdienst een beetje vlot verloopt. Het gaat er om dat de Zoon in ons hart leeft. Het gaat erom dat Jezus Christus ons leven vernieuwen kan. En het moet volkomen duidelijk wezen: de Here vraagt van ons duidelijke keuzes. In 1 Johannes 5 wordt er niet omheen gedraaid: “En dit is het getuigenis: God heeft ons eeuwig leven gegeven en dit leven is in zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet”[4].

Guido Attema schreef ook nog: “Jongeren tegenwoordig willen zich betrokken voelen, ervaren dat ze ertoe doen, gekend worden. Voor hen gaat het Avondmaal pas leven wanneer ze net als Jezus en zijn discipelen echt gezamenlijk om een tafel zitten. Waar ze elkaar in de ogen kunnen kijken, ervaringen kunnen uitwisselen, contact kunnen maken. Binnen veel jongerenbewegingen in kerkgemeenschappen zie je al gebeuren dat ze elkaar opzoeken om in klein verband met elkaar te eten en zodoende het brood delen”.

Gaat het in de kerk om intimiteit?
Velen denken dat dat zo moet zijn.
En nee, ik zeg niet dat intimiteit immer en altijd verboden is. Integendeel. Maar daar begint het niet. In de kerk leren wij, in het kader van het verbond dat de Here God met ons sloot, in het leven van alledag met Hem op te trekken. Hij prent ons Zijn verbondsbeloften in; wij handhaven de verbondséisen. In Psalm 25 klinkt dat zo:
“Alle paden des HEREN zijn goedertierenheid en trouw
voor wie zijn verbond en zijn getuigenissen bewaren.
Om uws naams wil, HERE,
vergeef mij mijn ongerechtigheid, want die is groot”[5].
In Spreuken 3 lees ik dat de Here een gruwelijke hekel heeft aan verkeerde mensen. Met echte dienaars van Hem leeft en werkt Hij op voet van vertrouwelijkheid[6].
Wat leren wij uit dit alles?
In de kerk gaat het niet in de eerste plaats om intimiteit tussen mensen. Het gaat eerst om de Verbondsomgang met God. En van daaruit betonen wij elkáár liefde. Intimiteit in de kerk wil niet altijd zeggen dat we alles van elkaars huishouden weten. Het is nergens voor nodig dat ons complete privéleven op straat ligt. Alles draait om de hemelse toekomst, die de Here ons beloofd heeft; wij moeten alles doen om elkaar dáár mee naar toe te nemen!

Gistermiddag hebben wij in onze kerk het Heilig Avondmaal gevierd.
Het ging er rustig aan toe. Dat mag ook. De kerk is geen racecircuit.
De viering van het Avondmaal was wel doeltreffend. Wij zijn weer bepaald bij het werk dat Christus voor ons deed. Wij leerden weer om aardse zaken in het perspectief van de eeuwigheid te zien.
Toegegeven: dat is niet zo modern. Antwoorden op zingevingsvragen zoeken de meeste mensen op aarde.
Maar het Heilig Avondmaal in onze kerk diende gistermiddag een hóger doel. Wij bereidden ons voor op een toekomst met onze Here. Een toekomst waarvan Hij ooit heeft gezegd: “Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten”[7].
En dat gaat – dat voelt u wel aan – verder dan aardse familiariteit en huiselijkheid.

Noten:
[1] Zie http://kerknieuws.nl/debat.asp?oId=153 .
[2] Kolossenzen 2:13 en 14: “Ook u heeft Hij, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en onbesnedenheid naar het vlees, levend gemaakt met Hem, toen Hij ons al onze overtredingen kwijtschold, door het bewijsstuk uit te wissen, dat door zijn inzettingen tegen ons getuigde en ons bedreigde. En dat heeft Hij weggedaan door het aan het kruis te nagelen”.
[3] Hebreeën 2:9: “…wij zien Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor een ieder de dood zou smaken, met heerlijkheid en eer gekroond”.
[4] 1 Johannes 5:11 en 12.
[5] Psalm 25:10 en 11.
[6] Spreuken 3:32: “…de HERE verafschuwt de verkeerde, / maar met de oprechten gaat Hij vertrouwelijk om”.
[7] Jesaja 55:9.

27 januari 2012

De beschietingen van Berkelaar

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

De waarheid, en niets dan de waarheid.
Dat moet drs. W.J. Berkelaar gedacht hebben toen hij onlangs voorstelde een waarheidscommissie in te stellen voor de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt)[1].

Het ‘geweld’ van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw moet in kaart gebracht worden. Er moet schoon schip worden gemaakt.

Uit het Reformatorisch Dagblad citeer ik het volgende.
“Volgens Berkelaar zijn de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) sedert enige tijd een betrekkelijk vreedzaam kerkgenootschap, maar is men decennialang verscheurd door religieus geweld. ‘Geweld? Er zijn toch geen doden bij gevallen, zoals bij de talloze islamitische aanslagen? Dat is waar, maar gewetensdwang en karaktermoord waren in deze kring lange tijd aan de orde van de dag. En dat is ook geweld’.
Hij gaat met name in op de rol van de onlangs overleden Kamper professor Jaap Kamphuis (1921-2011). Diens benoeming tot hoogleraar was zuiver politiek, meent Berkelaar, zelf opgegroeid in de Gereformeerde Kerken in Nederland. ‘Kamphuis had zich als predikant doen kennen als een geharnast verdediger van de leer dat de vrijgemaaktgereformeerde kerk de ‘ware kerk’ was. De ware misdaad van Kamphuis was dat hij gewetensdwang begon te beoefenen en anderen, die twijfelden aan de gedachte van de ‘ware kerk’ week in, week uit de maat nam in het weekblad De Reformatie”.
Kamphuis, zo vervolgt de VU-historicus, stierf op 13 december 2011 ‘zonder dat ooit een woord van excuus over zijn lippen kwam over het religieuze geweld dat hij in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw uitoefende”[2].

Het lezen van dit krantenbericht was voor mij een leermoment.
Hieronder leg ik uit waarom.

Het lezen van dit bericht leerde mij weer eens dat ik, als ik zeer negatief commentaar heb op de werkwijze van een theoloog, dat commentaar bij voorkeur niet openbaar gemaakt moet worden als die theoloog pas overleden is. En als ik tóch besluit om mijn negatieve gevoelens naar buiten te brengen, dan moet ik dat heel voorzichtig doen. Er moet een zekere welwillendheid tegenover de overledene getoond worden.
Wij weten allen dat professor J.  Kamphuis een liefhebbende echtgenote op deze aarde achterliet. Mevrouw Kamphuis-Gijsbers heeft, zo weten we, altijd pal gestaan naast haar man.
Wij weten allen dat professor J. Kamphuis kinderen op deze aarde achterliet. Eén ervan is zelfs hoogleraar in de dogmatiek[3].
Zij allen, en daarbenevens vele anderen, zijn nog bezig met de gewenning aan de lege plek die de oude Kamphuis achterliet. De pijn is nog groot. De wond is nog vers.
De manier van verwerken die drs. Berkelaar ten toon spreidt, getuigt van een gevoelloosheid die de mijne niet zijn mag. Even kort door de bocht gezegd: intermenselijk bezien lijkt dit nergens op.

Het lezen van dit bericht leerde mij weer eens dat scribenten voorzichtig moeten zijn met vergelijkingen.
Berkelaar schrijft over religieus geweld en islam.
Om te beginnen is die agressie, bij mijn weten, afkomstig van extremistische moslims. Er zijn veel gematigde islamieten die die gewelddadigheid veroordelen.
Verder komen bij dat geweld burgers om het leven. Zij worden doodgeschoten. Zij worden begraven. En na verloop van tijd zijn zij door velen vergeten.
Professor Jaap Kamphuis heeft, zo neem ik zondermeer aan, nimmer mensen om het leven gebracht.
Ik vind daarom de vergelijking volstrekt disproportioneel. Het zit allemaal een beetje in de buurt van die bekende mug en de al even befaamde olifant.

Het lezen van dit bericht leerde mij weer eens dat schrijvers als ik goed moeten argumenteren.
De ironie wil dat J. Kamphuis één van de mensen is waarvan ik dat leerde. Ik heb heel wat pennenvruchten van de overleden hoogleraar in de kast staan. En telkenmale als ik zijn teksten las, dacht ik: wat wéét die man toch veel. Zijn artikelen werden, als ik dat zo zeggen mag, niet zelden beëindigd met een bataljon voetnoten.
Daarom vind ik dat men Kamphuis niet van gewetensdwang kan betichten.
Zeker, ik sluit niet uit dat andere Gereformeerd-vrijgemaakte mensen de zienswijze van Kamphuis soms op nogal dwingende toon hebben overgebracht.
Maar dan nóg: gewetensdwang is echt wat anders. Wie de berichtgeving over Noord-Korea in de media een beetje volgt, weet daar wel iets van.
Als ik drs. Berkelaar was zou ik dat woord ‘gewetensdwang’ in dit verband niet meer gebruiken.

Het lezen van dit bericht leerde mij weer eens dat in het openbaar spreken en schrijven voor hoorders en lezers heel karaktervormend werkt.
Dat wist de oude Kamphuis ook.
Ik vind het veel te ver gaan als men J. Kamphuis van karaktermoord beschuldigt. In dit verband citeer ik graag een herinnering van de Nederlands Gereformeerde predikant dr. L.G. Compagnie. “Een herinnering uit mijn studententijd kwam weer boven: in het laatste jaar preekte ik eens in Laag Zuthem, en een paar honderd meter verderop preekte professor Kamphuis in de Vrijgemaakte Kerk. De volgende dag fietste hij langs de Broederweg waar ik net liep. Hij sprong van zijn fiets en zei: ‘Amice, we hebben gisteren allebei in dezelfde plaats gepreekt; ik wil toch graag zeggen dat me dat pijn doet!’ en onmiddellijk stapte hij weer op en reed verder”[4].
Wil men zó’n man van niets minder dan karaktermoord beschuldigen? Kom nou toch!

Het lezen van dit bericht leerde mij weer eens dat het uitspreken van een algemeen excuus over de gang van zaken in een bepaalde episode van de kerkgeschiedenis vrijwel niemand verder helpt.
Waarom niet?
Alleen al niet omdat heel de kerkgeschiedenis met zonden bevlekt is. In feite kun je wel aan de gang blíjven met het maken van excuses.
Daaraan voeg ik nog iets toe.
Het was J. Kamphuis zelf die heeft gezegd: “Bij kerkgeschiedenis wordt vaak gedacht : kerkgeschiedenis is taai, niet interessant. Ja, als je bij de hoofdlijnen in een handboek blijft! Maar hoe meer in detail, hoe spannender! Je ontmoet ménsen van Gods kerk, mèt hun moeiten, aanvechtingen en overwinningen”.
Kamphuis kende op dat gebied zelf ook pijn. Hij zei: “Ds. Heres glipt weg, ds. Hoogendoorn heeft nog wat geprobeerd, ook weg, en ds. Van Gurp is weg. Toen Van Gurp, een oude studievriend, die stap zette, heb ik daar nachten van wakker gelegen”[5].
Nee, Kamphuis was geen koele kikker. Heus niet. Maar één ding wist hij zeker: als het gaat over de kerk, dan gaat het over de kerk van God.
Excuses maken in de kerk? Dat kan. Maar niet te algemeen graag; en aan het juiste adres.
En het allereerste wat wij moeten doen is: aan de Here onze zonden belijden!
Waarom hoor ik drs. Berkelaar dáár niet over?

Het lezen van dit bericht leerde mij weer eens dat wetenschappers óók maar mensen zijn, en dat ik hun schrijfsels kritisch moet lezen.
Drs. Berkelaar weet klaarblijkelijk net zo goed als ik dat je soms prikkelend moet schrijven om een boodschap duidelijk over te brengen. Dat kun je doen door mooie beelden te gebruiken. En fraaie formuleringen te bedenken.
Maar déze uiting van Berkelaar categoriseer ik onder de rubriek Schieten met Scherp.
Schieten met scherp: dat hoef je niet meer te doen als het slachtoffer reeds overleden ís.
Begrijpt u wel?

Drs. Berkelaar schiet met scherp.
Ik ben onaangenaam getroffen.

Noten:
[1] Zie over W.J. Berkelaar http://www.hdc.vu.nl/nl/over-het-hdc/medewerkers/berkelaar/index.asp .
[2] Zie: “Laten GKV jaren 60 en 70 onderzoeken”. In: Reformatorisch Dagblad, dinsdag 24 januari 2012, p. 2.
[3] Dat is professor dr. B. Kamphuis, die werkzaam is aan de Gereformeerd-vrijgemaakte Theologische Universiteit te Kampen. Zie http://www.tukampen.nl/medewerkers/BKamphuis .
[4] Zie http://josdouma.wordpress.com/2011/12/14/een-herinnering-aan-prof-j-kamphuis/ .
[5] Zie http://www.gereformeerdekerkblijven.nl/wp/?page_id=506 .

26 januari 2012

Huwelijk en huwelijksbevestiging

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Dit artikel gaat met name over de huwelijksbevestiging[1].
Die huwelijksbevestiging staat in de Gereformeerde kerkorde.

Op het eerste gezicht is dat enigszins opmerkelijk.
Op onze trouwdag gaan we óók al naar het stadhuis of gemeentehuis. Doen we in de kerk de ceremonie nog eens dunnetjes over?
En waarom moet die huwelijksbevestiging ook in de kérkorde worden vermeld?

Laat ik het betreffende artikel uit de kerkorde eerst even citeren. Dan weten we waar we ’t over hebben. Ik citeer:
“De kerkenraad zal erop toezien dat de huwelijken kerkelijk bevestigd worden, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier dient te worden gebruikt”[2].

De huwelijksbevestiging heeft reeds oude papieren[3].
Wij moeten terug naar de tweede eeuw na Christus.
Het begint allemaal bij Ignatius van Antiochië, in Syrië[4]. Over diens leven weten we niet zoveel. Het is wel bekend dat hij een groot briefschrijver was.
Hij schreef over de eenheid van de christelijke kerk, over de verhouding tussen leraar en leerlingen, over de gnostiek… enzovoort. Hij schreef een brief aan de Efeziërs. En bijvoorbeeld ook één aan de Romeinen. En ook één aan mensen in Smyrna. En ook één aan Polycarpus. Die Polycarpus was bisschop van Smyrna; het huidige Izmir, in Turkije.
Ignatius was van mening dat een bruidspaar het huwelijk pas kon sluiten met toestemming  van de bisschop. Men moet, zo vond Ignatius, er zeker van zijn dat de verbintenis naar de bedoeling van God is. Een huwelijk dat gebaseerd was op zinnelijke begeerte zou nergens toe leiden. Zo kwam het dat steeds meer christenen hun huwelijk ten overstaan van de bisschop en oudsten van de gemeente sloten.

Toen in 381 het christendom staatsgodsdienst werd in het Romeinse Rijk, werd de kerk steeds meer ingeschakeld bij de huwelijkssluiting.
Karel de Grote (circa 748-814) bepaalde in zijn tijd dat de kerk maar moest bekijken of er voor de voorgenomen huwelijken ook beletselen waren. De praktijk werd dat iedereen die in het huwelijk trad, in het voorportaal van de kerk bleef staan. Daar werden, ten overstaan van de priester, de trouwbeloften afgelegd. Daarna liep het bruidspaar de kerk binnen om daar de zegen des Heren af te bidden.

In de Roomse kerk werd het huwelijk uiteindelijk een sacrament.
Dat betekende onder meer dat die gegroeide praktijk om in het voorportaal der kerk trouwbeloften af te leggen, nu als verplichting werd opgelegd.

De reformatoren vonden het maar onzin dat het huwelijk een sacrament werd.
Johannes Calvijn noteerde in de Institutie: “Het is een goede en heilige inzetting van God, maar ook werken als boer, timmerman, schoenmaker of kapper is een wettige ordinantie van God, en toch is dit alles geen sacrament”[5].
De reformatoren zeiden: het huwelijk is een natuurlijke orde; God heeft die zo in de schepping gelegd. De openbare bevestiging van huwelijken moet, zo meenden de reformatoren, door de overheid geschieden.

In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd de huwelijkssluiting vanaf 1580 aan de kerk overgelaten.
Mensen die niet tot een Gereformeerde Kerk behoorden, konden zich wenden tot een overheidsdienaar.
Toch was lang niet iedereen het er mee eens dat de kerk zoveel macht over het huwelijk kreeg. De Gereformeerde theoloog Gisbertus Voetius bijvoorbeeld meende dat het huwelijk vooral een kwestie voor de overheid was[6].

Na de Franse Revolutie werd de scheiding van kerk en staat doorgevoerd. Zodoende werd het burgerlijk huwelijk verplicht gesteld; de overheid kreeg het exclusieve recht om een huwelijk te sluiten.

In het Burgerlijk Wetboek dat wij nu kennen is de volgorde rond de huwelijkssluiting vastgesteld: eerst het búrgerlijk huwelijk, dan pas de kerkdienst.
Het is, zo blijkt uit het Neêrlandse Wetboek van Strafrecht, strafbaar om die volgorde om te keren. Overtreding kan leiden tot ruim 2000 euro boete. Bij herhaling kan twee maanden gevangenisstraf worden opgelegd[7].

Het mag duidelijk zijn: over de huwelijksbevestiging is door de eeuwen heen nog wel eens verschillend gedacht.

Intussen moeten wij, meen ik, het huwelijk met name Geestelijk taxeren. Ik bedoel daarmee: wij moeten de Heilige Geest aan het werk laten, en de Here aan het Wóórd laten[8].
Als het hierom gaat, kunnen we denken aan Spreuken 2. Wij mogen de echtvriend van onze jeugd niet verlaten, wordt daar gezegd. U moet, zo adviseert de Spreukenleraar, Gods verbond voorál niet vergeten[9].
In dit verband noem ik tevens Ezechiël 16. In dat Schriftgedeelte gaat het over “de zonen en dochters die gij Mij gebaard hadt”[10]. Ouders krijgen, om zo te zeggen, kinderen ten overstaan en in het bijzijn van God. Dat is een zaak van dagelijkse Gódsdienst.
Te denken valt ook aan Maleachi 2. De Here veroordeelt ontrouw in het huwelijk. Wie zijn vrouw ontrouw is, moet – zo lees ik – niet denken dat hij nog bij de Here aan kan komen met keurig nette offers en goedbedoelde godsdienstigheid[11]. Huwelijksontrouw betekent ten diepste dat Gods werk wordt miskend, en de Heilige Geest geen werkruimte krijgt[12].

Over de huwelijksbevestiging is nog wel meer te zeggen.
Men kan opmerken dat de ChristenUnie een paar maanden geleden voorstelde om het ceremoniële gedeelte van een huwelijksdag los te koppelen van het wettelijk deel. “Dat laatste kan dan beperkt worden tot een puur administratieve handeling op het gemeentehuis. Naar wens kan die al voorafgaand aan de officiële trouwdag worden afgewikkeld”, zo werd gezegd[13].
Dat voorstel laat ik nu maar voor wat het is.
Laten wij ons maar beijveren om een Gereformeerde kijk op het huwelijk te houden.

Het huwelijk?
Daarin zien wij hoe de relatie tussen Jezus Christus en Zijn geméénte is; zie Efeziërs 5[14].
Aan dat huwelijk mogen en moeten we dus hoge eisen stellen.
Eigenlijk is het niet zo’n groot wonder dat de huwelijksbevestiging in de Gereformeerde kerkorde staat!

Noten:
[1] Sinds september 2011 ben ik lid van de mannenvereniging ‘Augustinus’ van de DGK Groningen. Op het rooster dat daar momenteel geldt, staat op woensdag 7 maart aanstaande mijn naam vermeld. Het is, naar ik heb begrepen, de bedoeling dat ik een korte inleiding houd over ‘Het opzicht over de leer en de eredienst’ (hoofdstuk III van de Gereformeerde Kerkorde). Dat gebeurt naar aanleiding van: Ds. Joh. Strating, “Samenleving in saam-horigheid: vijf schetsen over de Kerkorde”. – Ned. Bond van Gereformeerde Jeugdverenigingen/Bond van Mannenverenigingen op Geref. Grondslag, [ca. 1984]. – schets 4, p. 28-36.
Op deze internetpagina verschijnen enkele weblog-artikelen die – geheel of gedeeltelijk – dienst kunnen doen als achtergrond bij of inhoud van die inleiding. In deze reeks verscheen het vorige artikel op donderdag 19 januari. Het is terug te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2012/01/19/kerkdienst-verbond/ . Dit artikel is het achtste in de serie.
[2] Dit is artikel 70 uit de Gereformeerde Kerkorde.
[3] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van http://www.refdag.nl/nieuws/binnenland/uitleg_burgerlijk_en_kerkelijk_huwelijk_1_604400  .
[4] Zie over hem http://nl.wikipedia.org/wiki/Ignatius_van_Antiochi%C3%AB .
[5] Zie: Johannes Calvijn, Institutie IV, hoofdstuk 19, paragraaf 34.
[6] Zie over Voetius http://nl.wikipedia.org/wiki/Voetius .
[7] Zie: Burgerlijk Wetboek, boek I, artikel 68; te vinden op http://wetboek.net/BW1/68.html . En: Wetboek van Strafrecht, artikel 449; te vinden op http://www.wetboek-online.nl/wet/Wetboek%20van%20Strafrecht/449.html .
[8] Hierop wijst ook Ds. F.L. Bos in zijn “De orde der kerk” uit 1950. De teksten die ik hieronder citeer, noemt ds. Bos ook. Zie http://kerkrecht.nl/main.asp?pagetype=onderdeel&item=41&subitem=1585 .
[9] Spreuken 2:7, 8, 9, 10, 11, 16 en 17: “Hij bewaart hulp voor de oprechten, / Hij is een schild voor wie onberispelijk wandelen, / terwijl Hij waakt over de paden van het recht / en de weg zijner gunstgenoten beschermt. / Dan zult gij gerechtigheid en recht verstaan, / ook rechtschapenheid, elke goede weg. / Want de wijsheid zal in uw hart komen / en de kennis zal voor uw ziel liefelijk zijn; / bedachtzaamheid zal over u waken, / verstandigheid zal u behoeden” (…) “om u te redden van de vreemde vrouw, / van de onbekende die gladde woorden spreekt, / die de echtvriend van haar jeugd verlaat / en het verbond van haar God vergeet”.
[10] Ezechiël 16:15, 19 en 20: “Maar gij hebt op uw schoonheid vertrouwd en ontucht gepleegd, trots op uw faam, en gij hebt aan iedere voorbijganger uw ontucht opgedrongen: het zou voor hem zijn (…) De spijze die Ik u gegeven had – fijn meel, olie en honig gaf Ik u te eten – hebt gij hun tot een liefelijke reuk voorgezet. Zelfs is het zover gekomen, luidt het woord van de Here HERE, dat gij de zonen en dochters die gij Mij gebaard hadt, genomen en ten offer gebracht hebt, hun tot spijze”.
[11] Maleachi 2:13 en 14: “In de tweede plaats doet gij dit: gij bedekt met tranen het altaar des HEREN, onder geween en gezucht, omdat Hij Zich niet meer tot het offer wendt, noch het uit uw hand aanneemt als Hem welgevallig. En dan zegt gij: Waarom? Omdat de HERE getuige geweest is tussen u en de vrouw uwer jeugd, aan wie gij ontrouw geworden zijt, terwijl zij toch uw gezellin en uw wettige vrouw is”.
[12] Maleachi 2:15: “Niet één doet zo, die voldoende geest bezit, want wat zoekt die éne? Het zaad Gods. Weest dan op uw hoede voor uw hartstocht, en dat men niet ontrouw worde aan de vrouw zijner jeugd”.
[13] Zie http://www.refdag.nl/nieuws/binnenland/slob_huwelijksceremonie_weg_bij_gemeentehuis_1_604233 .
[14] Efeziërs 5:22-27: “Vrouwen, weest aan uw man onderdanig als aan de Here, want de man is het hoofd van zijn vrouw, evenals Christus het hoofd is zijner gemeente; Hij is het, die zijn lichaam in stand houdt. Welnu, gelijk de gemeente onderdanig is aan Christus, zo ook de vrouw aan haar man, in alles. Mannen, hebt uw vrouw lief, evenals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft, om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord, en zo zelf de gemeente voor Zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbesmet”.

25 januari 2012

Romeinen 11: heel Israël behouden

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Als in de kerk het woord ‘uitverkiezing’ valt, komt meteen de Goddelijke barmhartigheid in het vizier. De Here God wil Zijn kinderen hemels heil geven. Hij geeft hen eindeloze levensvreugde en eeuwig geluk. Voor uitgekozen mensen is levensgeschiedenis héilshistorie.

Mensen die door de hemelse Here uitverkoren zijn, mogen weten dat zij het Woord van God, om zo te zeggen, met zich meedragen.
Dat Woord van God mogen zij ook úitdragen.
Zij staan volledig in dienst van de Schepper van hemel en aarde.
En zij realiseren zich dat de Here God hen inzet op de plekken die Hij daarvoor geschikt acht. Gelovige mensen weten zeker dat hun Heer altijd goede keuzes maakt; zij vertrouwen zich aan Hem toe.

Als het gaat over die Goddelijke keuze, is Romeinen 11 een mooi hoofdstuk[1]. In dat Schriftgedeelte maakt Paulus duidelijk dat de Here God wereldwijd werkt. De Goddelijke roepstem klinkt overal ter wereld!
In Romeinen 11 wordt het volgende gezegd.
* Een uitverkoren deel van de Joden wordt gered.
* Omdat veel Joden de boodschap van en over Jezus Christus niet aannamen, kwam het evangelie van Gods Zoon ook bij de heidenen. Hopelijk worden de Joden jaloers op die mensen uit het verre buitenland; per slot van rekening zijn Joden de natúúrlijke takken van de olijfboom.
* Bij dat alles mogen we erop blijven vertrouwen dat álle kinderen van God worden gered; heel Israël, heet dat in Romeinen 11[2].

Heel Israël zal behouden worden, noteert Paulus[3].
Als ik het goed weet, is die opmerking van Paulus één van de pijlers van het chiliasme. Dat is de leer over een duizendjarig rijk. Chiliasten verwachten dat Jezus Christus meer dan eens zal terugkomen. Chiliasten menen dat, als de kerkgeschiedenis tot een einde komt, Gods werk weer wordt versmald tot het volk Israël.
Hier ontspoort iets. Laat ik een tweetal ter zake doende Schriftgegevens noemen.
1.
De belofte van God is – zo lezen wij in Romeinen 4 –  niet alleen voor mensen die Abraham als voorvader hebben, maar ook voor mensen die het geloof met Abraham delen. Gods kinderen zijn “uit het geloof van Abraham”[4].
2.
Als wij spreken over kinderen van God, dan gaat het lang niet altijd over Joden. De mensen die God uitgekozen heeft, stammen lang niet allemaal van Abraham en Isaäk af.
Kinderen van God: dat zijn mensen uit álle geslachten van de wereld. Wat hebben al die mensen gemeen? Niet hun afkomst, dus; zij hebben allemaal een belofte van God gekregen.
Zo staat dat in Romeinen 9[5].
Op dit punt moeten wij blikvernauwing voorkómen!

Christenen uit alle windstreken worden opgeroepen vooral niet neer te zien op Joden[6].
Paulus gebruikt het beeld van twee olijfbomen.
Er is een edele olijfboom: Israël; de Joden zijn de takken.
Er is een wilde olijfboom: daar zijn héidenchristenen de takken van.
Takken van de edele boom zijn door de Here God afgebroken; dat zijn de Joden die Jezus Christus niet aanvaardden.
Wilde takken – dat zijn de heidenchristenen – werden door God op de edele olijfboom geënt. Zij hebben “aan de saprijke wortel van de olijf deel gekregen”, noemt Paulus dat[7].
Die laatste term suggereert dat Paulus teruggaat naar Abraham: de man die de belofte kreeg dat uit hem een groot volk zou voortkomen. Bijbellezers uit 2012 mogen, meen ik, ook denken aan “de wortel Davids” die zij in Openbaring 5 tegen komen[8].
Wat wil Paulus ons met deze situatietekening zeggen?
Hij wil de Goddelijke goedertíerenheid beschrijven.
Het is een voorrecht om bij de Here God te mogen horen. Samen met Hem kunnen wij – om met de achttiende Psalm te spreken – over een muur springen[9]. De genadige God maakt Zijn kinderen klaar om grote dingen te doen.
Maar Paulus wil voorál duidelijk maken dat wij niet op Joden moeten neerkijken. Het moet volstrekt helder zijn dat wij andere ongelovige mensen nimmer met minachting mogen bejegenen; zo van: jij snapt er tóch niks van… Dat wij uitverkoren zijn om een woonplaats in de hemel te krijgen, dat is een wonder. De almachtige God laat zien hoe genadig Hij is!

Die genade toont de Here aan de kerkmensen van nú.
Maar het is zonneklaar: die genade die wij vandaag zien, is slechts een klein onderdeel van het Goddelijke werk.
Hemelse activiteit is namelijk van álle eeuwen!
Paulus citeert woorden uit Jesaja 59: “Maar als Verlosser komt Hij voor Sion en voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren”[10].
David had in Psalm 14 al gesmeekt:
“Och, dat uit Sion Israëls redding daagde!”.
En David had indertijd al de vaste zekerheid dat de Here Zijn werk zou dóórzetten. In één adem zei hij er in die psalm bij:
“Als de HERE een keer brengt in het lot van zijn volk,
dan zal Jakob juichen, Israël zich verheugen”[11].
Door de Heilige Geest gedreven doorzag David dat de Here Zijn voornemens uitvoert.
De Here maakt Zijn reddingsplan concreet. Oók vandaag. Zodoende mogen ook wij weten: “…alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe”[12]. Die garantie is vandaag, woensdag 25 januari 2012, nog voluit geldig. Voor Joden. Voor Grieken. Voor Nederlanders. Voor Canadezen. Voor Amerikanen. Voor Egyptenaren en voor Syriërs. Die garantie geldt voor alle wereldburgers die naar Christus willen heten.

Gereformeerde mensen zitten in Nederland niet zelden in kleine kerkjes. En soms denken zij wellicht: is dit nou alles?
Als die gedachte in ons opkomt, mogen we ons realiseren: God gaat nog steeds verder met de vormgeving van de heilshistorie.
Het aantal Gereformeerden in Nederland neemt af.
Maar wie weet wat er nog kómen gaat?
En welk mens heeft een exact overzicht over de dingen die de Here élders in de wereld doet? Niemand toch?
Laten we niet wanhopen, en onze taak trouw verrichten op de plek waar de Here ons zette.

Het werk dat de Here God in deze wereld doet, is – goed beschouwd – groots en meeslepend.
Wij, gewone mensen van de eenentwintigste eeuw, kunnen weinig méér doen dan er bewonderend naar kijken.
En mét Paulus zeggen wij: “O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen!” En: “Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen”[13].

Noten:
[1] Op 14 december 2011 publiceerde ik op deze internetpagina een artikel over Romeinen 10. Wie dat nog eens lezen wil kan terecht op https://bderoos.wordpress.com/2011/12/14/de-eenvoud-van-romeinen-10/ .
Vandaag, woensdag 25 januari, vergadert de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Vanavond wordt Romeinen 11 besproken. Dit artikel is één van de resultaten van mijn voorstudie.
[2] Zie: Drs. G. Gunnink, “Vrede door vrijspraak: Bijbelstudie over de brief van Paulus aan de christenen te Rome”. – Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 1992. – p. 83.
[3] Romeinen 11:25 en 26: “Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, en aldus zal gans Israël behouden worden”.
[4] Romeinen 4:16: “Daarom is het alles uit geloof, opdat het zou zijn naar genade, en dus de belofte zou gelden voor al het nageslacht, niet alleen voor wie uit de wet, maar ook voor wie uit het geloof van Abraham zijn, die de vader van ons allen is”.
[5] Romeinen 9:8.
[6] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van: Drs. R.Th. de Boer, “Israël niet te vergeten: joodse volk en kerk in bijbels licht”. – Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1988. –  p. 134-136.
[7] Romeinen 11:17.
[8] Openbaring 5:5: “En een uit de oudsten zeide tot mij: Ween niet; zie, de leeuw uit de stam Juda, de wortel Davids, heeft overwonnen om de boekrol en haar zeven zegels te openen”.
[9] Psalm 18:30: “Met U immers loop ik op een legerbende in / en met mijn God spring ik over een muur”.
[10] Ik citeer het eerste deel van Jesaja 59:20. In deze noot citeer ik ook het verbánd – Jesaja 59:19-21 – : “En men zal vanwaar de zon ondergaat de naam des HEREN vrezen en vanwaar zij opgaat zijn heerlijkheid, want Hij komt als een onstuimige rivier, door de adem des HEREN voortgezweept. Maar als Verlosser komt Hij voor Sion en voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren, luidt het woord des HEREN. En wat Mij aangaat, dit is mijn verbond met hen, zegt de HERE. Mijn Geest, die op u is, en mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, zullen niet wijken uit uw mond noch uit de mond van uw kroost, noch uit de mond van het kroost van uw kroost, zegt de HERE, van nu aan tot in eeuwigheid”.
[11] Psalm 14:7.
[12] Johannes 3:16.
[13] Achtereenvolgens citeer ik uit Romeinen 11 de verzen 33 en 36.

24 januari 2012

De gordijnen worden open gedaan

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

“Gij zult geen vals getuigenis spreken”.
Het komt mij voor dat dit gebod – het negende in de rij van de tien die de Here eertijds gaf – vandaag de dag vaker overtreden wordt dan vroeger. Wij leven immers in een tijd waarin, mede dankzij de sociale media, woord en geschrift met fabuleuze snelheid wereldkundig gemaakt kunnen worden.
In die wereld is het de bedoeling dat Gereformeerden in alle handelingen de waarheid liefhebben, oprecht spreken en belijden en ook de eer en goede naam van hun naasten waar zij kunnen verdedigen en bevorderen[1].
Deze eis van God is, meen ik, vandaag reuze actueel.

Nadenkend over dat negende gebod is het van belang om de antithese te zien.
Paulus wijst daar in Romeinen 1 op.

Het lijkt mij goed om, nu het over de brief aan de Romeinen gaat, eerst wat langere lijnen te trekken.
Waar gaat het in die brief over?
Paulus geeft in Romeinen 1 tot en met 8, om zo te zeggen, een college dogmatiek. Zijn onderwerp is: Gods gerechtigheid uit het geloof.
Na een inleiding expliceert Paulus de noodzaak van de rechtvaardiging; zijn betoog daarover loopt door tot 3:20.
In dat kader schrijft de apostel over goddeloze heidenen en de straf die zij krijgen.
En over Joden die ten principale geen haar beter zijn dan die heidenen van hierboven. Natuurlijk: de Joden hebben Gods wet gehoord. De vraag is of die Joden naar de regels van die wet gelééfd hebben. De apostel Paulus draait er niet omheen: maar al te vaak gebeurde dat niet.
Echter: als die Joden óók al niet deugen, hoe moet het dan verder? Antwoord: wat overblijft is de trouw van God.
Met het doen van allerlei nuttige dingen voor de mensheid komen wij niet in de hemel. Wij kunnen de hemel niet verdienen door netjes te leven en goede werken te doen. Alle mensen zijn zondig. Slechts Gods trouw kan ons redden[2]!

Het evangelie is, zo schrijft Paulus in Romeinen 1, een kracht tot behoud voor ieder die gelooft[3].
Er zijn echter ook goddeloze mensen. Vúile mensen. Die zijn zo dominant dat ze niets liever doen dan de waarheid wegdrukken.
Er zijn mensen die het buitengewoon druk hebben met hun eigen gedachten. Zij danken God nooit voor Zijn gaven. Zodoende wordt het donker in hun hart; het licht van God gaat uit. Zij denken dat ze heel erg veel weten; ze vinden zichzelf reuze wijsgerig. Op de keper beschouwd zijn zij echter heel onverstandig.
Hun spiritualiteit uit zich in overdreven aandacht voor de natuur, in adoratie en aanbidding van mensen en dieren.
Als mensen die praktijk er op na houden, laat God de teugels verder vieren. Hij geeft hen over aan hun eigen zondige denkbeelden. Aan hun eigen niveauverlaging. En aan hun eigen seksuele uitspattingen. Dan komt ook het praktiseren van homoseksualiteit in beeld.
De Gereformeerd-vrijgemaakte dominee G. Gunnink typeerde dat alles eens zó: “Iemand kan zijn boosheid laten blijken door zich terug te trekken. Zo kan God ook doen; in zijn toorn kan Hij mensen aan hun eigen slechte gedachten en slechte daden overgeven”[4].
En u begrijpt: gaandeweg gaat dat van kwaad tot erger. Het denken wordt vergiftigd. Sterker: de gedachtewereld wordt ronduit verwerpelijk.
In dat kader schrijft Paulus dan over mensen zonder God; zij zijn “vervuld van allerlei onrechtvaardigheid, boosheid, hebzucht en slechtheid, vol nijd, moord, twist, list en kwaadaardigheid; oorblazers, lasteraars, haters van God, verwatenen, overmoedigen, grootsprekers, vindingrijk in het kwaad, hun ouders ongehoorzaam; onverstandig, onbestendig, zonder hart of barmhartigheid”[5].
Welnu, in de hierboven omschreven sfeer leven kerkmensen in de regel niet. Met dat soort zaken houden kerkmensen zich, als het goed is, nimmer bezig. Daar blijven zij ver vandaan.
Goed beschouwd gaapt er een diepe kloof tussen adspirant-hemelingen en goddeloze mensen. Ook al zijn het buren, hier geldt: zij staan op grote afstand van elkaar. Als het om levensovertuiging gaat, is er vervreemding.

De tegenstelling is scherp:
* als God niet wordt erkend, verpulvert het fundament van het geloof
* als zijn verbondseisen uit het leven worden weggestreept valt de grondslag voor de moraal weg[6].

Even zo goed is het, dunkt mij, niet voor niets dat de Spreukenleraar opmerkt:
“De woorden van de lasteraar zijn als lekkernijen;
zij glijden immers af naar de schuilhoeken van het hart”.
Die leraar vindt het nodig om dat twee keer te zeggen[7]!
Roddels komen bij ons binnen. Ze zakken snel weer weg in d’een of and’re hoek van ons hart. Maar daar blijven ze nog lang zitten…

Nu keer ik weer terug in Romeinen 1.

Professor dr. A.F.A. Korsten, emeritushoogleraar Bestuurskunde aan de Open Universiteit, somde eens de navolgende kenmerken van roddel op.
Het gaat om negatieve uitlatingen in woord of geschrift,
*over een derde buiten diens aanwezigheid,
* met genoegen gebracht,
* in overdreven vorm voorgesteld,
* ongecontroleerd en lichtvaardig[8].
Wie tegenwicht aan lasterpraat wil bieden, kan terecht in Romeinen 1.
Tegenover slap gewauwel stelt de Here Zijn kracht tot behoud.
Tegenover roddel buiten aanwezigheid van het slachtoffer stelt de Here Zijn openbaring. Hij laat Zich zien. Hij is erbij. En in Zijn Woord laat Hij zien hoe een samenleving heilzaam wordt als Zijn geboden worden geëerbiedigd.
Tegenover kleinmenselijk genoegen stelt de Here Zijn gerechtigheid.
Tegenover de overdreven vorm van roddel stelt de Here de realiteit van Zijn reddingsplan.
Tegenover ongecontroleerdheid en lichtvaardigheid stelt de Here de verkondiging van Zijn evangelie.

Het negende gebod is – zo merkte de Gereformeerd-vrijgemaakte dominee J. Holtland eens op – “ook de weg naar elkaar via de spraak. De taal is een bescherming voor elkaar: de taal als een mantel om elkaar heengeslagen. Christus wil ons heiligen tot en met het puntje van onze tong”[9].
Wij worden heilige mensen.
En dat móet ook.
In ons leven vinden werkzaamheden plaats; in ons hart is werk in uitvoering. Gééstelijk werk.
Alleen zo kunnen en mogen wij bij de Here Jezus Christus komen.

Wij moeten verstándig worden, legt Paulus in Romeinen 1 uit.
Over welke personen heeft Paulus het eigenlijk als hij over verstandige mensen schrijft?
De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant Joh. Francke (1908-1990) noteerde daaromtrent: “De mens heeft de gelegenheid en de verantwoordelijkheid om [op Gods werk] te reageren. Dat bedoelt Paulus met ‘verstand’. Het is meer dan ons woordbegrip verstand inhoudt. Het is het kennend vermogen van de mens, maar tegelijk de mens in zijn diepste zelfbewustzijn, zoals hij tegenover God staat en dit in zijn levenswijze openbaart. Het ‘verstand’ is dus het venster waardoor het licht van Gods openbaring naar binnen treedt en waardoor de mens in zijn verantwoordelijkheid wordt aangesproken”[10].
Wij zeggen wel eens tegen elkaar: de Here is er elke morgen.
En dat is ook zo.
Telkens als wij de gordijnen in onze slaapkamer open trekken, valt het licht van de nieuwe dag naar binnen.
Zo trekt Gods Heilige Geest elke dag de gordijnen van onze ziel open; dan kan het licht van Gods Woord in ons leven schijnen.

In Romeinen 1 nodigt Paulus Gods kinderen met graagte uit om, midden in hun dolgedraaide wereld, blijmoedig het raam uit te kijken. Dat kán ook: de Heilige Geest doet iedere dag bij de kinderen van God de gordijnen open.
Het moet gezegd: het uitzicht is niet altijd even prettig. Via het open raam drijft namelijk de stank van leugen, bedrog, onoprechtheid en laster binnen.
Maar één ding is zeker: als de gordijnen open zijn, is eerst en vooral het licht van Gods Woord te zien.
Anno Domini 2012 blijkt het woord van Romeinen 13 nog altijd geldig: “De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij. Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts!”[11].

Noten:
[1] Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 43, antwoord 112: God eist “dat ik tegen niemand een vals getuigenis afleg, niemands woorden verdraai en geen kwaadspreker of lasteraar ben. Dat ik ook niemand lichtvaardig en onverhoord veroordeel of help veroordelen. Maar dat ik alle liegen en bedriegen als echt duivelswerk vermijd, als ik tenminste de zware toorn van God niet op mij laden wil. Verder dat ik in rechtszaken en in alle handelingen de waarheid liefheb, oprecht spreek en belijd en ook de eer en goede naam van mijn naaste zoveel ik kan verdedig en bevorder”.
[2] Zie voor een indeling van Paulus’ brief aan de Romeinen ook http://www.oudesporen.nl/Download/OS1014.pdf .
[3] Romeinen 1:16 en 17: “Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek. Want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: de rechtvaardige zal uit geloof leven”.
[4] Drs. G. Gunnink, “Vrede door vrijspraak: Bijbelstudie over de brief van Paulus aan de christenen te Rome”. – Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 1992. – p. 15.
[5] Romeinen 1:18-30.
[6] Prof. dr. J.A.C. van Leeuwen merkt met betrekking tot Romeinen 1:28-31 onder meer op: “Ook hier wordt als reden voor het zedelijk verval genoemd de miskenning van God en zijn eisen: “zij hebben goed gevonden de erkenning Gods niet te bewaren”; en met de gezonde religieuze basis moest ook de grondslag voor de moraal wegvallen”. Zie: Dr. J.A.C. van Leeuwen, dr. D. Jacobs, “Korte verklaring der Heilige Schrift – de brief aan de Romeinen”. – Kampen: Kok, [ca. 1932]. – zevende druk. – p. 44 en 45.
[7] Namelijk in Spreuken 18:8 en in Spreuken 26:22.
[8] Zie http://www.arnokorsten.nl/PDF/Organiseren%20en%20mgmt/Roddelen%20voor%20managers%20verklaard.pdf .
[9] Zie http://www.kerken.com/afdelingen/printpreach.php?Pr eachId=83 .
[10] Joh. Francke, “Gerechtigheid uit het geloof”. – Groningen: Uitgeverij De Vuurbaak, 1974. – p. 32.
[11] Romeinen 13:12.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.