gereformeerd leven in nederland

30 maart 2012

Majestueus perspectief in Hebreeën 5

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

In de Gereformeerde kerk zeggen we vaak tegen elkaar: we moeten doen wat de Here zegt. Wij stimuleren elkaar: we moeten Hem gehóórzamen.
Als het goed is worden we steeds gezeglijker. We slagen er steeds beter in om Zijn wil te doen.

Dat heeft Jezus Christus óók moeten leren.
Dat blijkt bijvoorbeeld uit Hebreeën 5: “Tijdens zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood kon redden, en Hij is verhoord uit zijn angst, en zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden, en toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden”[1].

Jezus heeft leren gehoorzamen.
Dat betekent hier – als ik het goed begrijp – niet dat Hij, om zo te zeggen, langzaam vorderde op zijn reis van het gehucht Ongehoorzaamheid naar de metropool Gehoorzaamheid.
De formulering van de Hebreeënschrijver betekent dat Jezus Zich gaandeweg instelde op steeds zwaardere taken. Hij bereidde zich van lieverlede voor op de allerzwáárste taak: betalen voor de zonde[2].

Het komt mij voor dat in Hebreeën 5 in ons tijdsgewricht heel leerzaam wezen kan.
Het lijden van Jezus Christus komt namelijk maar beperkt in beeld. Natuurlijk: Jezus roept. En Hij huilt. En hij is angstig. Gods Woord draait daar niet omheen.
Toch ligt het accent in dit hoofdstuk ergens anders.
De Hebreeënschrijver maakt grote sprongen. Hij springt van Christus’ gehoorzaamheid in lijden, via Zijn verheerlijking in de hemel, naar het eeuwige geluk voor Zijn kinderen.
Mensen vragen tegenwoordig heel vaak: hoe voelt u zich? Of: wat gaat er door u heen? Of: hoe houdt u zich staande bij ziekte en tegenspoed? Of: hoe gaat u om met uw handicap? Of: welke teleurstellingen in uw leven heeft u nog niet verwerkt?
Welnu, alle emoties van Christus hoeven wij niet te doorleven. Wij hoeven niet precies te weten wat Jezus heeft gevoeld. De Bijbel leert ons om de blik op Christus’ verheerlijking te richten. Hebreeën 5 is reuze leerzaam omdat de scribent ons voorhoudt dat wij de grote lijn van de heilshistorie moeten blijven zien.
Maar: dóet onze ellende er dan niet toe? Zeker wel.
Wat kan het droevig zijn als u kinderloos blijft!
Er is verdriet als u alleen bent komen te staan.
Er is teleurstelling als u al heel erg lang ziek bent.
U verliest soms veel levenslust als u levenslang lichamelijke of geestelijke pijn hebt.
Soms priemt het verdriet omdat onze kinderen wegen gaan die bij God vandaan leiden.
De Hebreeënschrijver leert het ons echter, voor nu en voor altijd:
* mensen, kijk over die verdrietige dingen héén
* houdt de geloofsblijdschap vast
* laat u niet overweldigen door de emotiecultuur van deze aarde.
Kortom: blijf niet hangen in de droeve details van deze aarde, maar maak de sprong naar het nieuwe vaderland.

De Here biedt Zijn kinderen eeuwig heil aan.
Zo geeft Hij hen een unieke positie in Zijn koninkrijk.
Hij geeft hen een bevoorrechte positie. Hun bestaan wordt een leven in maestoso. Een verheven existentie.
Laten wij dat nooit vergeten!

Het is, meen ik, belangrijk dat wij dat laatste goed voor ogen houden.
We leven namelijk in een periode waarin mensen vaak met dieren vergeleken worden. En andersom.
Bijen kunnen, naar het schijnt, geweldig goed met elkaar communiceren.
Geleerden hebben uitgezocht dat koeien er soms hechte vriendschappen op na houden. Ook apen, dolfijnen en giraffen blijken goed te zijn in het onderhouden van relaties.
Dieren hebben ook hun eigen cultuur. Natuurlijk gaan ze niet naar een theater of museum. Maar er zijn wel gewoontes die dieren aan elkaar kunnen doorgeven; het gebruik van gereedschap, bijvoorbeeld.
En jazeker, dieren hebben ook normen en waarden. Vooral sociale dieren hebben soms een groot gevoel voor rechtvaardigheid; daarbij valt te denken aan apen, maar ook aan sommige soorten vogels.
In het dierenrijk geldt zelfs etiquette. In de wereld der insecten gebeurt het wel dat mannetjes de vrouwtjes voor laten gaan; dat is met name aan de orde als er gevaar dreigt.
Natuurlijk kunnen mensen nadenken. En zij kunnen filosoferen. Dat kunnen krokodillen niet. Maar dat is de fúnctie van die dieren ook niet, zo stellen bestudeerde lieden glimlachend vast.
Vaak denken wij – zo gaan die schrandere wetenschappers verder – dat wij beter zijn dan dieren. Nou, dat is maar hoe je ’t bekijkt… Misschien doen wíj wel heel vreemd. Als een vleermuis ons gaat testen op het vinden van een knikker in het donker, dan vindt die vleermuis ons vast niet bijster intelligent. Tja.
Wij moeten – zo menen wèldenkende mensen – niet doen alsof wij superieur zijn op deze aarde. Wij moeten inzien dat wij niet overdreven veel verschillen van dieren.
Dat zijn redeneringen die we in de krant kunnen tegenkomen. Soms worden ze ook via radio en televisie in de huiskamers gebracht[3].
Bij al die mooie, ongetwijfeld wetenschappelijk verantwoorde, verhalen wordt één ding vergeten. En dat is dit: de Here leert ons Hem te gehoorzamen, omdat Hij ons een plaats in Zijn hemelse woonplaats geven wil. Wij zijn, om met Psalm 8 te spreken, “met heerlijkheid en luister gekroond”. Wij mogen – in afhankelijkheid van de hemelse Machthebber – héérsen over de werken van Zijn handen[4].
En al doende brengt de Here Zijn kinderen Hoogstpersoonlijk op een duizelingwekkend hoog niveau. Uiteindelijk leidt Hij hen binnen in Zijn werkomgeving.
Dit zo zijnde slaat een vergelijking met aardse fauna toch nergens op?

De Here leert ons aan het aardse lijden voorbij te zien. Niet omdat wij emotieloze types zijn, die zich nergens wat van aantrekken. Welnee. Wij behoren op Jezus Christus te letten.
De Here leert ons de blik op de toekomst te richten. Niet omdat wij een beetje zweverig zijn, of omdat wij op deze aarde superieur en soeverein behoren te wezen. Welnee. Wij moeten onze Redder erkennen als de Gever van oneindig hemelleven.

In Hebreeën 5 gaat het over “allen, die Hem gehoorzamen”[5]. Al die mensen ontvangen een entreebewijs voor de woonplaats van God.
Daar staat het woord hup-akouousin.
Het werkwoord hup-akouō betekent: gehoor geven aan, luisteren naar. Het betekent niet alleen dat een boodschap gehoord is, maar ook dat de hoorder consequenties aan het door hem gehoorde verbindt. Een kwestie van luisteren én de Boodschap beantwoorden.
Daar zit, als ik het goed zie, ook een veronderstelling in. De veronderstelling dat Gods kinderen hun Heer levenslang nederig en blijmoedig zullen blijven dienen. Dat spreekt voor de Hebreeënschrijver blijkbaar vanzelf. En voor ons – Bijbellezers van 2012 – zit er ook de oproep in om, op onze eigen plaats, gelovig bezig te blijven.
De conclusies zijn onontkoombaar:
* Het lijden en sterven van Jezus Christus geeft Zijn kinderen alle reden om op de werkvloer van alledag voor Hem actief te zijn.
* Wie de Goddelijke genade kent, heeft een hemelse drijfveer!

Wie die motivatie toont, kijkt boven aardse treurnis uit.
Wie zulke volharding demonstreert, mag – desnoods midden op een gewone werkdag – zeggen: het mooiste kómt nog!

Een sprong van de aarde naar de hemel: die gaat ver.
Heel ver.
Maar kinderen van God gaan, met de energie die Hij geeft, die grote sprong maken.
En zij weten het zeker: wij komen goed terecht.

Noten:
[1] Hebreeën 5:7, 8 en 9.
[2] Zie Bijbel met kanttekeningen. – Baarn: Bosch & Keuning n.v., deel 8, p. 334. – Kanttekening 23 bij Hebreeën 5:8.
[3] Zie http://www.uitzendinggemist.nl/afleveringen/1245539 . Daar is onder meer de journaliste en psychologe Dagmar van der Neut aan het woord. Meer informatie over Dagmar is te vinden op http://www.dagmarvanderneut.nl .
[4] Psalm 8:6 en 7: “Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt, / en hem met heerlijkheid en luister gekroond. / Gij doet hem heersen over de werken uwer handen, / alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd”.
[5] In het onderstaande gebruik ik de webversie van de Studiebijbel.

29 maart 2012

Op weg naar de zege

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Het verhaal over de intocht van Jezus in Jeruzalem vind ik, eerlijk gezegd, intrigerend.
Hoe zou ík gereageerd hebben als ik mee gelopen had met het publiek in Johannes 12?
De mensen riepen: “Hosanna, gezegend Hij, die komt in de naam des Heren!” en: “De koning van Israël!”[1].
Zou ik dat óók geroepen hebben?

De Heilige Schrift nodigt ons uit om verder te kijken dan onze neus lang is.
En dan blijkt alras dat het helemaal niet om onze invulling van de situatie gáát.
Deze geschiedenis draait klaarblijkelijk niet om onze eigen fantasieën.

Want in Johannes 12 lees ik vervolgens ook: “En Jezus vond een jonge ezel en Hij ging erop zitten, gelijk geschreven is: Wees niet bevreesd, dochter Sions, zie, uw Koning komt, gezeten op het veulen van een ezel”[2].
U voelt mijn vraag misschien al aankomen: waar stáát dat dan geschreven? Antwoord: dat staat in Zacharia 9.

Uit dat hoofdstuk citeer ik: “Jubel luide, gij dochter van Sion; juich, gij dochter van Jeruzalem! Zie, uw koning komt tot u, hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig, en rijdende op een ezel, op een ezelshengst, een ezelinnejong”[3].
Die tekst staat in een hoofdstuk waarin beschreven wordt hoe de Here Zijn rijk sticht. Hij verovert het ene na het andere gebied. En als dat gebied dan gevormd is, dan geeft God dat aan Zijn Zoon.
Zacharia kondigt het moment aan dat de Messias Zijn nieuwe land binnen rijdt[4].

De opbouw van het Goddelijk rijk begint in Hadrach.
Dat is de naam van een stad die in het Assyrisch bekend staat als Hatarikku, in het verre noorden.
In de achtste eeuw voor Christus wordt die stad door de Assyriërs veroverd en met de grond gelijk gemaakt. Maar de grond van die stad, en de streek eromheen, blijft Hadrach heten[5].

De Here gaat verder. Hij vestigt zich in Damascus.
Dat is één van de oudst bewoonde steden op aarde.
Om die stad is, door de eeuwen heen, heel wat te doen geweest. Heel wat machthebbers en hun volken hebben hun beste krachten gegeven om Damascus te veroveren.
Ik las over Assyriërs, over Perzen, Seuliciden, Romeinen, Byzantijnen… – en nóg een paar volken. Zelfs het Ottomaanse keizerrijk kwam ik nog tegen[6].
Maar al die volken kunnen klaarblijkelijk niet tegen de Here op. Als Hij Zijn residentie opent, schrompelt de macht van andere naties weg.

Israël is te klein voor de Here.
Zijn macht is grenzeloos. Zijn macht reikt tot Hamath in Syrië, een belangrijke stad aan de rivier de Orontes. In de Bijbel is de weg naar Hamath een bekend fenomeen[7]. Hamath lag indertijd aan de noordgrens met Kanaän[8].
Kanaän: dat is het land dat de Here aan Zijn kinderen in bezit gegeven had. Maar hier, in Zacharia 9, gaat de Here dus de grens over. Hij vergróót Zijn rijksgebied.

Het oog van de Here valt op Tyrus en Sidon.
Dat zijn twee havensteden in Fenicië. Ze liggen gunstig aan de kust van de Middellandse Zee, en bovendien vlakbij de wouden van de Libanon. Er wonen veel mensen die zich gespecialiseerd hebben in het kappen van bomen. Ook zijn de stadstaten vermaard om de verwerking van ceder- en cypressenhout[9].
Maar de wijsheid met betrekking tot bouwkunde en dendrologie – de boomkunde – háált het niet bij de almachtige kracht van de hemelse Heer.

En dan, nog wat verder naar het zuiden, zijn er de steden van de Filistijnen: Askelon, Gaza, Ekron en Asdod.
De Filistijnen zijn in Zacharia 9 verbijsterd door de kracht die de Here aan de dag legt. Maar ze worden ook zélf door de God van hemel en aarde geannexeerd.
Zacharia windt er geen doekjes om: de Here neemt de macht over. Ook Filistea – aartsvijand van het volk van God – wordt nu ingeschakeld bij het wereldwijde werk van God.
Dat is niets te veel gezegd. Want, zo lees ik in Zacharia 9, “dan zal ook hij overblijven voor onze God, zodat hij zal zijn als een stamhoofd in Juda, en Ekron als een Jebusiet”[10]. Vijandelijke naties krijgen, om zo te zeggen, de nationaliteit van Gods volk!

Nu ga ik weer terug naar Johannes 12.

Jezus komt Jeruzalem binnen. En de mensen roepen: hier komt de koning van Israël!
Maar die uitroep is veel te beperkt. Dat snappen de mensen, daar vlak voor Jeruzalem, nog niet. Maar Jezus weet het wél. Hij neemt de macht over in heel de wereld.

En Hij komt aangereden op het veulen van een ezel.
In de geschiedenis van Israël is dat het teken van vrede.
Denkt u bijvoorbeeld maar aan het lied dat Debora in Richteren 5 zingt:
“Mijn hart gaat uit naar de aanvoerders van Israël
(…)
Gij, die rijdt op blanke ezelinnen,
gij, die gezeten zijt op tapijten”[11].
Ook kunnen we denken aan de richter Jaïr. In Richteren 10 wordt vermeld dat zijn zoons op dertig ezelhengsten reden[12].
Een vergelijkbaar gegeven is te vinden in Richteren 12. Daar gaat het over de kinderen en kleinkinderen van de richter Abdon; zij reden op zeventig ezelhengsten[13].
Een ezel is het dier van de vrede. Als ik mij niet vergis heeft de ezel bij ons dat imago vaak verloren. Ten onrechte. In een internetencyclopedie lees ik: “De reputatie van ezels dat zij eigenzinnige dieren zijn, heeft vooral te maken met hun intelligentie en voorzichtigheid. Ze zijn moeilijk te porren als men ze bijvoorbeeld met gevaar voor hun leven iets wil laten doen. Is eenmaal hun vertrouwen gewonnen, dan zijn ze dankbaar en prettig gezelschap”[14].
Onze Here Jezus Christus komt Jeruzalem binnen. Hij komt met vrede. En Hij komt ten bate van heel de wereld!

De Heiland komt naar de wereld toe “opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe”[15].

Het komt mij voor dat het van het hoogste belang is dat de kerk dat Evangelie aan de man en vrouw blijft brengen.
In onze tijd zijn Bijbel en kerk zaken van het privéterrein geworden.
Het Reformatorisch Dagblad berichtte afgelopen zaterdag, 24 maart: “Bijna drie op de vier Kamerleden zijn het eens of een beetje eens met de stelling dat religieuze argumenten in een politiek debat nooit doorslaggevend mogen zijn.
Dat blijkt uit een enquête door deze krant onder alle Tweede Kamerleden, van wie de helft daadwerkelijk aan het onderzoek heeft deelgenomen.
Met de stelling ‘Religieuze argumenten mogen in de politieke arena nooit doorslaggevend zijn’, is 53 procent het zondermeer eens. Zeventien procent is het met deze stelling ‘een beetje eens, 20 procent is het er pertinent mee oneens’”.
Wat is de publieke opinie? De Amsterdamse godsdienstsocioloog H. Stoffels merkt daar over op: “De grootste gemene deler lijkt: religie kán goed zijn voor anderen, maar alleen zolang zij er hun medemensen niet mee lastigvallen. Het lijkt er veel op dat het bij religie voor de meeste Kamerleden gaat om de zeer persoonlijke relatie van een privépersoon met zijn of haar God. Maar dat is dan wel een heel onzichtbare vorm van religie”[16]. Geloof? – het zóu kunnen dat dat voor sommige mensen heilzaam is; maar ach, de meeste mensen kunnen het er wel zonder doen. Zeggen ze.

Op basis van Zacharia 9 en Johannes 12 stel ik vandaag vast dat die publieke opinie de grootste misvatting aller tijden is.
De kerk behoort het Evangelie te proclameren. Dat is de blijde Boodschap van de Heer op een jonge ezel. Dat wil zeggen: het begin is er. Meer precies: Hij is er. En Hij maakt Zijn werk af.
Psalm 110 maakt ons Zijn werkwijze onomwonden bekend:
“Hij zal het kwaad der heidenvolken wreken,
hij roeit hen uit, vertrapt hen met zijn voet.
Terwijl hij voortgaat, drinkt hij uit de beken
en heft het hoofd, de zege tegemoet!”[17].

Noten:
[1] Johannes 12:13.
[2] Johannes 12:14 en 15.
[3] Zacharia 9:9.
[4] Zie ook: Bijbel met kanttekeningen. – Baarn: Bosch & Keuning n.v., deel 6, p. 300 en 301. – Inleiding op de eerste twee perikopen van Zacharia 9.
[5] Zie ook: Bijbel met kanttekeningen. – Baarn: Bosch & Keuning n.v., deel 6, p. 300; kanttekening 3 bij Zacharia 9:1.
[6] Zie http://eindtijdinbeeld.nl/EIB%20NEWS/Nieuwsbrief%2045%20-%20090429.doc .
[7] Zie bijvoorbeeld Numeri 13:21: “Zij trokken op en verspiedden het land van de woestijn Zin af tot aan Rehob toe, waar de weg naar Hamath begint”.
[8] Zie hierover ook http://jvpoll.home.xs4all.nl/wdo/GEO/H/HAMATH.HTM .
[9] Zie http://www.geheimenindebijbel.nl/kanaanenfenicie/hoofdstuk3/pag3.html .
[10] Zacharia 9:7.
[11] Richteren 5:9 en 10.
[12] Richteren 10:3 en 4: “Na hem stond de Gileadiet Jaïr op, en richtte Israël tweeëntwintig jaar. Hij nu had dertig zonen, die reden op dertig ezelhengsten, en dertig nederzettingen hadden; tot op de huidige dag noemt men ze de dorpen van Jaïr in het land Gilead”.
[13] Richteren 12:13 en 14: “Na hem richtte de Piratoniet Abdon, de zoon van Hillel, Israël. Hij had veertig zonen en dertig kleinzonen, die op zeventig ezelhengsten reden”.
[14] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Ezel_(dier) .
[15] Zie Johannes 3:16.
[16] Zie “Kamer: religieus argument telt niet”. In: Reformatorisch Dagblad, zaterdag 24 maart 2012, p. 1.
[17] Psalm 110:6 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

28 maart 2012

Dialoog in het duister

“Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe”[1].
Die tekst uit Johannes 3 kennen we allemaal. De woorden zijn, dunkt mij, zó bekend dat er weinig dominees zijn die er over preken. Want wat moet voor nieuws moet je er over vertellen?

Hoeveel mensen zouden zich realiseren dat die tekst uit een gesprek komt?

Het is een dialoog in de nacht. De Farizeeër Nicodemus praat in het donker met rabbi Jezus.
‘U komt uit de hemel, bij God vandaan. Want u verricht wonderen die je alléén maar kunt doen als je in nauw contact met God staat’, constateert de Farizeeër nuchter.
Er hangt een levensgroot vraagteken in de donkere nacht. Want de vraag ligt voor de hand: hoe komen ménsen eigenlijk in de hemel?
Jezus beantwoordt de niet gestelde vraag. ‘U moet opnieuw geboren worden, als u in de hemel komen wilt’.
Nicodemus wenst een toelichting. ‘Voor de tweede keer geboren worden, dat kán toch helemaal niet?’.
‘Toch wel’, zegt Jezus, ‘u moet geboren worden uit water en Geest’. Dat wil zeggen: er is een reiniging nodig. En: de Heilige Geest moet aan het werk om van uw leven iets nieuws te maken.
Jezus gaat verder.
Hij zegt: ‘wat uit het vlees geboren is, is vlees; wat uit de Geest geboren is, is geest’. Dat wil zeggen: de tegenstelling is scherp. Er gaapt een klóóf tussen God en de wereld. De afstand tussen hemel en aarde is schier onoverbrugbaar.

En wederom hangt daar een enorm vraagteken in de duistere nacht.
Want áls die tegenstelling zo groot is, wat praat je dan nog? Wat heeft die nachtelijke gedachtewisseling tussen Jezus en Nicodemus dan nog voor zin?
Jezus ziet het vraagteken. Hij voelt de vraag.
‘Verbaast u zich daar maar niet over. De Geest van God is net als de wind. Van die wind weet u ook niet waar die vandaan komt. En ook niet waar die heen gaat. Dat overziet een aards mens niet. Maar het gebeurt wel’. In die woorden doet Jezus een beroep op Nicodemus’ bijbelkennis. In een paar woorden komen enkele Schriftgedeelten langs flitsen. Kijkt u maar:
* Psalm 139: Gods werk is wonderlijk en ondoorgrondelijk. Een mens is “in het verborgene” gemaakt. Gods gedachten zijn onnavolgbaar. En niet te tellen, bovendien[2].
* Prediker 11: “Zoals gij de weg van de wind evenmin kent als het gebeente in de schoot van een zwangere vrouw, zomin kent gij het werk van God, die alles maakt”[3].
* Jesaja 40: als de Here één keer flink uitademt, blaast Hij de mens bijkans omver[4].
* Ezechiël 37: Ezechiël ziet een dal vol beenderen. De Here brengt al die beenderen bij elkaar, en blaast er leven in. Zijn levensadem kan mensen óók nieuwe krachten geven[5].
Wie die Bijbelteksten overziet, realiseert zich ook dat een  Schriftgeleerde dit had kunnen wéten. Men kan het onuitgesproken verwijt van Jezus bijna horen: Nicodemus, u wéét toch wel wat er in uw Bijbeltje staat?

Een nieuw vraagteken verschijnt aan het zwerk.
Want Nicodemus vraagt: hoe gaat dat alles in z’n werk?
Ziehier: een vraag van alle tijden.
Ook in 2012 vragen we waar we nu precies het werk van de Heilige Geest kunnen zien.
Welnu, de erudiete Farizeeër uit Johannes 3 wil dat ook precies gaan uitzoeken. Hij wil, om zo te zeggen, op wetenschappelijke wijze vaststellen waar de Geest werkt, en hóe Hij dat doet.

Opnieuw zien we een gigantisch vraagteken aan de horizon opdoemen.
Want Jezus vraagt aan Nicodemus: begrijpt u het nu nóg niet?
En Jezus zegt erbij: ‘Ik leg u uit wat Ik gezien heb; maar u gelóóft Mij niet. U gelooft Me al niet als ik praat over de vernieuwing van uw bestaan op aarde. Dat zo zijnde geef Ik u op een briefje: als Ik een beschrijving van de hemel geef, gelooft u er óók geen letter van. Geen jota en geen tittel!’[6].

En dan gebeurt er daar, in die donkere nacht, iets bijzonders.
Dat overweldigende vraagteken in de lucht, dat wordt nu omgevormd tot een uitroepteken.
Want Jezus proclameert: “En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zó moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een ieder, die gelooft, in Hem eeuwig leven hebbe”[7].
Nicodemus, de Farizeeër en leider in de kerk van die tijd, was – neem ik gemakshalve maar aan – nu wel op z’n qui-vive.
Waarschijnlijk herkende hij het verhaal van de koperen slang wel. In onze Bijbels staat het in Numeri 21. Het volk van God loopt door de woestijn. En één ding is zeker: heel de natie is het zát! De verhitte woestijnreizigers lopen te hoop tegen Mozes. De Israëlieten vragen toornig en wanhopig: waarom hebt u ons uit Egypte weggevoerd? Dat, geachte lezer, is ten diepste een regelrechte miskenning van het werk van de Here! Geen wonder eigenlijk dat Hij giftige slangen stuurde! Die beesten richtten een enorme slachting onder het volk aan…. Mozes bidt ter plaatse tot de Here. En dan krijgt Mozes de opdracht om een koperen slang te maken. Iedere Israëliet die naar die koperen slang kijkt zal, wanneer hij gebeten is, tóch in leven blijven[8].
De boodschap van Jezus is duidelijk. ‘Kijk naar Mij. En gelóóf maar dat Ik U eeuwig leven geven kan. Als die diepe overtuiging bij u aanwezig is, dan zal Ik Mijn leven inzetten om u te redden’.

Dat is het nieuws van Johannes 3:16.

En dat is het Evangelie dat Nicodemus te horen krijgt.
Die volijverige Farizeeër is, om zo te zeggen, ’s nachts nog aan het werk. Hij is op zoek naar de waarheid. De waarheid omtrent Jezus.
Wat zouden, zo vraagt Nicodemus zich af, de beste strategieën zijn om die Jezus recht te doen?
Hij krijgt een antwoord. Een eenduidig antwoord.
En dat antwoord luidt: ‘Als het gaat om Mij is er maar één waarheid. Dat is de waarheid omtrent Mijn lijden, sterven en dood: zó betaal ik de prijs om zondaars tot Mijn kinderen aan te nemen’.

Die ene waarheid is ook vandaag nog realiteit.
Die unieke waarheid is ook op woensdag 28 maart 2012 levensreddend.

Laten we maar eerlijk zijn: heden ten dage kijkt men aan die waarheid voorbij. Op alle terreinen van het leven vertelt men ons dat het nimmer uitgesloten moet worden geacht dat er meerdere waarheden zijn.
Dat wordt ons zélfs vanuit de kunstwereld voorgehouden.
Laatst orakelde de scheidend directeur van het Kröller-Müller Museum, Evert van Straaten, in een bijlage van het Nederlands Dagblad: “Kunst heeft voor mij wel iets spiritueels en dat deel ik met velen: het geeft een geestelijke bevrediging. De manier waarop ik kunst af en toe beleef, lijkt op de spirituele ervaring die ik vroeger in de kerk had’. Kunst botst daarentegen met een ‘dogmatisch geloof’, denkt van Straaten. ‘Kunst leert dat er niet één waarheid is. Daarom kan kunst bedreigend of oninteressant zijn voor mensen met strikte opvattingen over hoe de wereld in elkaar zit’”[9].
Ziet u hoe de museumdirecteur Johannes 3 in feite verwerpt?

Laat er geen misverstand over bestaan.
* Jezus was en is niet spiritueel. Jezus voerde eenvoudigweg de taak uit die Vader Hem opgedragen had.
* Ware gelovigen zijn niet op zoek naar geestelijke bevrediging; zij mogen zeker zijn van hun redding.
* Jezus Christus proclameert geen belangwekkend dogma. Welnee! Hij laat zien dat Hij de verpersoonlijking van Goddelijke liefde is. Hij verkondigt eeuwig leven die Hem hoopvol volgen wil.
* Jezus verkondigt de blijde Boodschap van redding voor ieder die in Hem gelooft. Dat is één waarheid. En geen twee, drie of meer. Evert van Straaten ten spijt.
* Op alle terreinen van het leven geldt het imposante Evangelie van Johannes 3. Oók in de kunst.
* Een gelovig mens is op weg naar de vrijheid van een heerlijk hemelleven. In die glorieuze woon- en werkomgeving zullen die ‘strikte opvattingen’ het begin van voortdurende vrede blijken te zijn!

De boodschap van Johannes 3 is eenvoudig.
Maar wel antithetisch.
Dat wel.

Noten:
[1] Johannes 3:16.
[2] Psalm 139:13-17: “Want Gij hebt mijn nieren gevormd, / mij in de schoot van mijn moeder geweven. / Ik loof U, omdat ik gans wonderbaar ben toebereid, / wonderbaar zijn uw werken; mijn ziel weet dat zeer wel. / Mijn  gebeente was voor U niet verholen, / toen ik in het verborgene gemaakt werd, / gewrocht in de diepten van het aardrijk; / uw ogen zagen mijn vormeloos begin; / in uw boek waren zij alle opgeschreven, / de dagen, die geformeerd zouden worden, / toen nog geen daarvan bestond. / Hoe kostelijk zijn mij uw gedachten, o God, / hoe overweldigend is haar getal”.
[3] Prediker 11:5.
[4] Jesaja 40:7 en 8: “Het gras verdort, de bloem valt af, als de adem des HEREN daarover waait. Voorwaar, het volk is gras. Het gras verdort, de bloem valt af, maar het woord van onze God houdt eeuwig stand”.
[5] Zie Ezechiël 37:1-14. Ik citeer de verzen 9, 10, 13 en 14: “Daarop zeide Hij tot mij: Profeteer tot de geest, profeteer, mensenkind, en zeg tot de geest: zo zegt de Here HERE: kom van de vier windstreken, o geest, en blaas in deze gedoden, zodat zij herleven. Toen profeteerde ik, zoals Hij mij bevolen had; en de geest kwam in hen en zij herleefden en gingen op hun voeten staan, een geweldig groot leger”. (…) En gij zult weten, dat Ik de HERE ben, wanneer Ik uw graven open en u uit uw graven doe opkomen, o mijn volk. Ik zal mijn Geest in u geven, zodat gij herleeft en Ik zal u doen wonen in uw land; en gij zult weten, dat Ik, de HERE, het gesproken en gedaan heb, luidt het woord des HEREN”.
[6] De jota en tittel komen voor in Mattheüs 5:17 en 18: “Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota of één tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied”.
[7] Johannes 3:14 en 15.
[8] Zie Numeri 21:4-9. Ik citeer de verzen 8 en 9: “De HERE dan zeide tot Mozes: Maak een vurige slang en plaats die op een staak; ieder, die daarnaar ziet, wanneer hij gebeten is, zal in leven blijven. Toen maakte Mozes een koperen slang en plaatste die op een staak; en wie, wanneer een slang hem gebeten had, op de koperen slang de blik richtte, bleef in leven”.
[9] Zie: “De balans opgemaakt”. In: Gulliver, bijlage bij het Nederlands Dagblad, vrijdag 23 maart 2012, p. 4 en 5.

27 maart 2012

De vreugde van de vijfde bede

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Het kan zomaar gebeuren dat de bede ‘Vergeef ons onze schulden’ tamelijk ver van ons af staat.
Wij leven van dag tot dag. De dagen en weken rijgen zich aaneen. Er zijn hoogtepunten en dieptepunten. Heerlijke momenten en verdrietige ogenblikken. Vrolijke tijdperken en treurige periodes.
Maar wie voelt zich de ganse dag schuldig?
Wie peinst de hele dag over zwartheid en zonde?

Toch leren we in de Heidelbergse Catechismus dat wij met die bede om vergeving aan de Here vragen: “Wil ons, arme zondaren, om het bloed van Christus geen van onze misdaden toerekenen en ook niet de slechtheid die altijd nog in ons is…”[1].
Gaat dat over mij?
Heeft ú daar iets mee te maken?

Dat is wel degelijk het geval.
Dat blijkt als we dit gebed in het actuele leven zetten.

Afgelopen zaterdag, 24 maart, citeerde ND-redacteur Van Bekkum enkele woorden van professor dr. K. Schilder (1890-1952). In het citaat had het Bijbelboek Openbaring de aandacht. Van Bekkum veranderde er een paar woorden in, om te laten zien dat Schilder zonder veel moeite naar vandaag toe vertaald kan worden.
Ik neem het citaat over.
“Worden de vraagstukken van Noord en Zuid, van vrije markt en menselijke maat en van de opwarming van de aarde ooit opgelost?
Ja en neen.
Opgelost worden ze in het voltooide koninkrijk der hemelen. (…).
Leer nu hieruit, o mens van de eenentwintigste eeuw.
Leer en versta, dat volgens de profetie, die van Patmos spreekt, de oplossing niet komt in uw weg. Dat tenslotte niet Marx, niet Freud, niet Nietzsche, niet Von Hayek, niet Žižek het veld beheersen, maar alleen Jezus Christus, die immers alleen de zeven zegelen open kan breken van dat boek, waarin ook geschreven is over klimaatcrisis, de val van banken en het failliet van staten, over Greenpeace en Occupy, over arbeidsmigratie en eurocrisis, over fort Europa en solidariteit, ja, over alles wat de aarde onrustig maakt tot de dood toe”[2].
In het bovenstaande is heel wat aardse tegenspoed opgesomd.
Wie het lijstje tot zich neemt, kan door somberheid worden bevangen. Wat een rómmeltje maken mensen ervan!

Natuurlijk weet ik niet hoe het u vergaat.
Maar als ik de geactualiseerde formuleringen van Schilder lees, komt Zondag 51 opeens een stukje dichterbij.
En waarom?
1.
De klimaatcrisis baart heel wat mensen zorgen. Wij moeten, zegt men, bang zijn voor temperatuurstijgingen. En voor meer neerslag. Wij moeten, naar men zegt, bevreesd zijn voor droogte- en hitteperioden. Het klimaat verandert, zo zeggen sommige geleerden, door toedoen van wereldburgers. Ontbossing, alsmede bepaalde  industriële en agrarische activiteiten gaan op langere termijn grote  problemen veroorzaken[3]. Dat alles is de schuld van mensen!
2.
De toestand in de financiële wereld heeft ons allen opgeschrikt. Banken vielen om. Allerlei financiers zegden het vertrouwen in elkaar op. De gewone burger in de straat zag het allemaal gebeuren. Hij kon er tamelijk weinig aan doen. Hooguit kon hij opmerken dat wij in een verdorven wereld leven. Want die financiële wantoestand is de schuld van mensen!
3.
Sommige staten gaan bijna failliet. Bewoners van Zuid-Europese landen hebben het in deze tijd zwaar. De Europese Raad – de bijeenkomst van regeringsleiders van de 27 lidstaten der Europese Unie – vergadert zich bij tijd en wijle suf over mogelijke oplossingen. Het kost die wijze dames en heren heel wat uren om aanvaardbare compromissen te sluiten. Dat alles is de schuld van mensen!
4.
‘Arbeidsmigratie’ is een deftig woord. Maar het grensoverschrijdend inlenen van arbeid is, zo merken deskundigen zwartgallig op, een tamelijk complexe materie. Zelfs ministers zijn druk doende om wantoestanden en onrechtvaardigheden uit de wereld te helpen. Dat alles is de schuld van mensen!
5.
De organisatie Greenpeace kennen we van acties voor het milieu. Men wil bedrijven dwingen om serieus aandacht te besteden aan klachten van klanten. Men wil de nietsvermoedende Jan Modaal informeren. En men wil aantonen dat het milieu op allerlei manieren kan worden beschermd en gespaard[4].
We kennen allen de Occupy-beweging: de mensen die – op verschillende plekken in de wereld – protesteren tegen economische ongelijkheid en de misstanden in de financiële sector.
In protestacties en grote demonstraties wordt aandacht gevraagd voor allerlei onregelmatigheden en tekortkomingen in deze wereld. En het is duidelijk: de schuld van mensen is groot!
6.
Gods kind kan die schuld niet wegnemen.
En toch kan hij wel iets doen: hij kan al die schuld bij God neerleggen; hij kan om vergéving vragen.

En zo komt de vreugde van de vijfde bede in zicht.
De kerk gaat naar haar Heer die, vanwege het door Christus vergoten bloed, alle zonden vergeven wil.
De schuld die we hebben wordt ons niet ten laste gelegd. Hoe zondig we ook zijn, de Here zorgt er voor dat ons leven niet stijf staat van de hemelse verwijten.

In ons leven speelt de zonde ons voortdurend parten. Ons aardse bestaan hangt van tekortkomingen aan elkaar.
Soms zien wij dat duidelijk. Op andere momenten zijn wij er blind voor.
Wij kunnen niet voorkómen dat wij zonden doen. Wij overzien niet waar het fout gaat. En wij kunnen de problemen als gevolg van onze diep-verkeerde inslag al helemáál niet oplossen. Daarom zijn leed en verdriet in deze wereld soms ons deel.

Maar wij mogen weten dat er geen veroordeling is voor de mensen die, zoals dat in Romeinen 8 heet, “in Christus Jezus zijn”[5]. Wie door geloof en doop aan Hem verbonden is, ziet het perspectief van geïntegreerde levensreiniging: van buiten én van binnen.

“En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren”.
Daar zit Evangélie achter. Het is de blijde Boodschap van 1 Johannes 1 en 2:
“Het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet. Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot een leugenaar en zijn woord is in ons niet. Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige; en Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld”[6].

Er zijn wel mensen die ons willen doen geloven dat het leven een voortdurend gevecht is. Een keiharde strijd tussen de arbeidersklasse en de kapitalistische klasse; tussen de kleine zelfstandigen en de langdurig werklozen. De filosoof en econoom Karl Marx (1818-1883) heeft zich daar in zijn tijd erg druk over gemaakt[7].
Er zijn wel geleerde dames en heren die zeggen dat je zo ongeveer alles in het leven vanuit de psychologie kunt beredeneren. Bijna alle problemen zijn te verklaren uit emotionele ervaringen, die diep – té diep – worden weggestopt. Denkt u maar aan de theorieën van de Oostenrijks-Hongaarse psychoanalyticus Sigmund Freud (1856-1939)[8].
Er zijn erudiete mensen die menen dat het leven pas weer echt de moeite waard wordt als je het christendom gewoon afschaft. Christenen houden er, zo wordt gezegd, een slavenmoraal op na: zij sjokken dociel achter Jezus Christus aan. Het is, zo zeggen ze, gewoon een kwestie van een sterke wilskracht – dat is alles. Deze zienswijze komt in de buurt van de theorieën van Friedrich Nietzsche (1844-1900)[9].
Er zijn goedwillende medemensen die het idee hebben dat de wereld pas vredig en prettig wordt als alle overdracht van financiële middelen, goederen en diensten op vrijwillige basis geschiedt. Iets dergelijks predikte de hierboven genoemde econoom en filosoof Friedrich von Hayek (1899-1992)[10].
Er zijn belezen burgers die menen dat de wereld op een kruispunt staat. Er komen grote, welhaast apocalyptische, veranderingen aan. Het is, zeggen de denkers van vandaag, hoog tijd dat er een einde komt aan het navelstaren. Er moet serieus worden nagedacht over revolutie. De Sloveense socioloog en cultuurcriticus Slavoj Žižek (geboren in 1949) beweert dat óók[11].

U ziet het: de ene theorie buitelt over de andere heen.

In die wereld blijft de kerk door de eeuwen heen aan de Here vragen: vergeef ons onze schulden.
Voor de kerk die vergeving van zonden blijft vragen, gaat de hemel open. De tweeëndertigste psalm tekent dat zo:
“Laat toch geen dwang voor u ooit nodig wezen,
wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen.
Maar wie op Hem vertrouwt en schuld belijdt,
omringt Hij met zijn goedertierenheid.
Verheugt u in de HERE, alle vromen,
u mag tot God met grote vreugde komen.
Rechtvaardigen, weest in de HEER verblijd
en zingt Hem lof in alle eeuwigheid!”[12].

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 51, antwoord 126.
[2] K. van Bekkum, “Het grote dilemma van de nazaten van Klaas Schilder”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 24 maart 2012, p. 14 en 15.
[3] Zie hierover ook http://nl.wikipedia.org/wiki/Opwarming_van_de_Aarde .
[4] Zie http://www.greenpeace.nl/about/Actie/ .
[5] Romeinen 8:1 en 2: “Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn. Want de wet van de Geest des levens heeft u in Christus Jezus vrijgemaakt, van de wet der zonde en des doods”.
[6] 1 Johannes 1:7-2:2.
[7] Zie over Karl Marx http://nl.wikipedia.org/wiki/Karl_Marx .
[8] Zie over Sigismund S. Freud http://nl.wikipedia.org/wiki/Freud .
[9] Zie over Friedrich W. Nietzsche http://www.scholieren.com/werkstukken/7505 .
[10] Zie over Friedrich A. von Hayek http://nl.wikipedia.org/wiki/Friedrich_von_Hayek .
[11] Zie over Slavoj Žižek http://nl.wikipedia.org/wiki/Zizek .
[12] Psalm 32:5 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

26 maart 2012

Zelfopoffering gevraagd?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

In heel veel Gereformeerde kerken doen relatief weinig mensen het werk. Velen van hen offeren zich op. Al dat kerkenwerk kost hen vele, vele uren.
En sommigen vragen zich af: hoe ver moet ik gaan? Moet ik mezelf opofferen? Moet ik mezelf wegcijferen?

Jezus heeft ons gered om de dóód in te gaan.
Dat kunnen wij natuurlijk niet nadoen. En dat móet ook helemaal niet.
Maar waar ligt onze grens?

Vandaag maak ik daar vijf opmerkingen over.

1.
Wij moeten, geloof ik, bedenken dat onze inzet in deze wereld een onderdeel is van een strijd tussen God en Satan.
We doen in ons leven dus niet ons eigen ding. Nee, we zijn – om zo te zeggen – soldaten van Christus.
Wie Romeinen 6 opslaat, ontdekt daar een mooie formulering. Onze levens zijn, als het goed is, geen wapens van de ongerechtigheid; ze zijn geen schiettuig van de duivel. Integendeel. Onze levens staan ter beschikking van de Here God. Hij voert de strijd. Hij staat vooraan. En Zijn kinderen volgen Hem. Wij zijn, om zo te zeggen, de wapens waarmee de hemelse God de definitieve overwinning behaalt.
Wij zijn, schrijft Paulus, met Christus door de dood heen gegaan. Maar wij zijn met Hem óók weer levend geworden[1].
Wij zijn levende mensen. En daarbij spreekt het vanzelf: Hij maakt ons niet kapot. Het is duidelijk: Hij brandt ons niet af.
In de kerk is uitrusten daarom niet verboden.

2.
Ons lichaam is, zo leren wij uit 1 Corinthiërs 6, een tempel van de Heilige Geest. Die Geest zorgt er voor dat we onze gaven ten dienste van de broeders en zusters kunnen gebruiken[2].
Paulus vermeldt daar bij dat wij voor een behoorlijke prijs gekocht zijn. Het bloed van Christus was de betaling die nodig was om tot Gods eigendom te maken. In Corinthe was de slavenmarkt een bekend tafereel; het beeld van Paulus zal de Corinthiërs dus wel aangesproken hebben!
Hoe moeten u en ik nu een dankoffer zijn? Mijn antwoord: door een heilige en reine levenswandel.
In heel ons leven moet blijheid meetrillen. Want Christus heeft voor ons betaald. Zodra die vreugde niet meer mee vibreert is er, bij al onze kerkelijke bezigheden, iets fout. Als wij te moe zijn om te bedenken dat wij dankbaar zijn voor Gods redding, is er iets verkeerd.

3.
Wij moeten, noteert Paulus in Efeziërs 5, wandelen in de liefde. Als ik het wèl heb, bedoelt hij daarmee te zeggen dat onze manier van leven door de liefde wordt bepaald; die toewijding is een antwoord op de genegenheid die Christus heeft laten zien. Zijn liefde is doorslaggevend voor ónze genegenheid.
En wandelt in liefde, zegt Paulus. Voor dat woord ‘liefde’ staat in het Grieks agapè: liefde die zich richt op de ander, waarbij die ander de vrije keus krijgt om die liefde al dan niet te beantwoorden[3].
Daar concludeer ik uit dat wij, als we in de kerk aan het werk zijn, steeds de energie moeten houden om op onze broeders en zusters gericht te zijn. Als wij geen kracht meer hebben om daarover na te denken wordt het hoog tijd voor een moment van bezinning.

4.
“Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht”. Zo staat dat in Philippenzen 2. In dat Schriftgedeelte schrijft de apostel Paulus verder over het feit dat Christus “…Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd…”[4].
Een argeloze lezer kan menen: hier worden wij toch opgewekt tot totale opoffering.
Wij moeten er echter, naar mijn overtuiging, rekening mee houden dat in Philippenzen 2 méér te lezen is.
Paulus schrijft daar óók dat God zowel het willen als het werken in ons werkt[5]. En ik vraag: het is, als ik het zo mag uitdrukken, toch niet de bedoeling dat de Here Zijn dure instrumentarium dol draait?
Doe alles zonder mopperen en pruttelen, schrijft Paulus. Maar als hij dat noteert, doelt hij niet op het werk in de kerk. Het is, zo blijkt alras, niet de bedoeling dat u en ik alles tegelijk gaan doen. Welnee!
Het leven draait om de regels van Gods wet, “gelijk gij te allen tijde gehoorzaam zijt geweest”[6]. Het gaat om christelijke volgzaamheid, om het inschikkelijk volgen van de Verlosser.
Gods kinderen moeten schijnen “als lichtende sterren in de wereld, het woord des levens vasthoudende”[7]. Uit die woorden leid ik af dat leven vanuit het Woord het allerbelangrijkste is in de kerk. Hoeveel functies wij ook bekleden, hoe druk we ons ook maken… – Bijbellezing en Woordbestudéring mogen nooit onder ons gejakker gaan lijden.

5.
Eén ding nog.
Mijn vader leerde zijn zeven kinderen: wie veel voor een ander moet doen, moet goed voor zichzelf zorgen.
Het komt mij voor dat kerkmensen zich dat, ook in dit verband, goed moeten inprenten.

Noten:
[1] Romeinen 6:12 en 13: “Laat dan de zonde niet langer als koning heersen in uw sterfelijk lichaam, zodat gij aan zijn begeerten zoudt gehoorzamen, en stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde, maar stelt u ten dienste van God, als mensen, die dood zijn geweest, maar thans leven, en stelt uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God”.
[2] 1 Corinthiërs 6:19 en 20: “Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God ontvangen hebt, en dat gij niet van uzelf zijt? Want gij zijt gekocht en betaald. Verheerlijkt dan God met uw lichaam”.
[3] Efeziërs 5:1 en 2: “Weest dan navolgers Gods, als geliefde kinderen,  en wandelt in de liefde, zoals ook Christus u heeft liefgehad en Zich voor ons heeft overgegeven als offergave en slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk”. Zie hierover ook de webversie van de Studiebijbel.
Zie over het woord ‘agapè’: http://nl.wikipedia.org/wiki/Agape .
[4] Philippenzen 2:5, 6, 7 en 8.
[5] Philippenzen 2:13.
[6] Philippenzen 2:12.
[7] Philippenzen 2:15 en 16.

23 maart 2012

Niet vrijblijvend, wel blijvend blij

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Wat is de taak van ware gelovigen in deze wereld?
Zij doen er alles aan om de Here God de eer te geven die Hem toe komt.
Dat Hij die eer krijgt, spreekt niet vanzelf. Zeker niet in 2012.
Daarover gaat dit artikel.

In Lucas 20 tekent Jezus Christus in de gelijkenis van de onrechtvaardige pachters de houding van Gods volk tegenover de eis van het verbond.
Ter oriëntatie citeer ik enkele verzen uit Lucas 20.
“Hij begon tot het volk deze gelijkenis te spreken: Iemand plantte een wijngaard en hij verhuurde die aan pachters en ging geruime tijd buitenslands. En toen het de tijd was, zond hij een slaaf tot de pachters, opdat zij hem van de vrucht van de wijngaard zouden geven. Maar de pachters sloegen hem en zonden hem met lege handen weg. Maar hij ging voort en zond een andere slaaf. Zij sloegen ook die, behandelden hem smadelijk en zonden hem met lege handen weg. En hij ging voort en zond een derde. Zij verwondden ook die en wierpen hem buiten de wijngaard. Toen zeide de heer van de wijngaard: Wat moet ik doen? Ik zal mijn geliefde zoon zenden; die zullen zij wel ontzien. Maar toen de pachters hem zagen, overlegden zij met elkander en zeiden: Dit is de erfgenaam: laten wij hem doden, opdat de erfenis voor ons zij. En zij wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem”[1].

De leiders van de kerk protesteren luid.
Geen wonder ook: ze begrijpen dat deze parabel op hén slaat. Ten overstaan van vele luisteraars worden zij weggezet als niets ontziende criminelen. En dat is natuurlijk niet best!

Vandaag komt die gelijkenis op deze internetpagina voorbij.
In een artikel dat geschreven werd door een Gereformeerde man. In een artikel dat veelal door Gereformeerde mensen gelezen wordt.
Je zou zeggen dat Gereformeerde mensen Jezus wel aanvaarden als Redder van deze wereld.
Heeft Lucas 20 dan nog wel een boodschap voor ons? En hebben wij nog wel een boodschap aan Lucas 20?

In Nederland leven we in een samenleving waarin het geloof in Jezus iets van vroeger is.
Op 19 april aanstaande begint de Evangelische Omroep met een serie televisieprogramma’s waarin een presentator bekende Nederlanders bevraagt over hun christelijke opvoeding en wat daar nu nog van over is. “Adieu God?” heet het programma[2].
Massale kerkgang is iets uit vroegere decennia. Vandaag de dag gaat de jeugd, als het meezit, op stage bij een kerkgenootschap; bij een Rooms-katholieke parochie, of zo[3]. Dat is een goede manier om kennis te maken met geloof en beleving, zegt men dan. Ergens diep in hun hart hopen de kerkelijke kopstukken natuurlijk dat de stagiaires de klerikale steunpilaren van de toekomst zijn. Maar ja, dat weet je maar nooit.
Zo is de sfeer in Nederland.
In die wereld ligt de Bijbel open bij Lucas 20.

Maar daar is de vrijblijvendheid weg.
In Lucas 20 staat namelijk te lezen: “Maar Hij zag hen aan en zeide: Wat betekent dan dit, dat er geschreven is: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, deze is tot een hoeksteen geworden? En ieder, die op die steen valt, zal verpletterd worden; en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen”[4].
Jezus Christus is de hoeksteen.
Hij is de steen die twee hoeken van een bouwwerk met elkaar verbindt. Hij is de steen waar je niet aan voorbij kunt kijken.
Jezus Christus verbindt joden en heidenen met elkaar. Gods kinderen komen bijeen omdat de Middelaar hen bij elkaar zet. Om met Efeziërs 2 te spreken: “Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft”[5].
Vrede krijgen wij niet door op televisie met een zekere hunkering naar het verleden te kijken.
Vrede krijgen wij niet door een maatschappelijke stage in een kerk te lopen, omdat dat best leerzaam is.
Vrede krijgen wij omdat Christus zich aan ons verbindt.
Vrede krijgen wij omdat wij ons, in het verbond, aan Hem vastklampen.
Wie die vrede niet wil, gaat z’n dood tegemoet. Hij moet rekening houden met Gods afwijzende oordeel.

In Lucas 20 worden mensen voor de keus gesteld: vrede of vrijblijvendheid.
Nee, in Lucas 20 gaat het niet over een geseculariseerde samenleving. Het gaat over Israël. En over de leiders in de kerk.
Kijkt u maar even mee:
* “Hij begon tot het volk deze gelijkenis te spreken”.
* “En de schriftgeleerden en overpriesters trachtten op hetzelfde ogenblik de hand aan Hem te slaan, maar zij vreesden het volk. Want zij begrepen, dat Hij deze gelijkenis met het oog op hen gesproken had”[6].
We kunnen zeggen dat Jezus Christus de kerk voor de keus stelt: vrede of vrijblijvendheid.

Naar het mij voorkomt, schuilt daarin ook de betekenis van Lucas 20 voor vandáág.

In Israël verwachtte men de Messias. En tot het moment dat Hij gekomen zou zijn, voldeden alle burgers keurig aan hun religieuze verplichtingen. De leiders gingen daarbij voorop. Die kerkbestuurders hadden een hoop extra regels geformuleerd om te zorgen dat iedereen in de pas bleef lopen. Het ‘kerkelijk leven’ marcheerde, in het algemeen genomen, aardig goed.
In Nederland zijn, anno Domini 2012, best nog veel mensen die – naar zij zelf zeggen – nog wel godsdienstig zijn. De geachte gelovigen zijn inmiddels mondig geworden. Zij formuleren zélf hun regels als het over godsdienst gaat. Zij volgen hun gevoel als het gaat om de aansluiting bij een kerkgenootschap.
‘Ik heb een radicale keuze gemaakt voor Jezus’, zegt iemand.
‘Dat gezin met vijf kinderen is zeer gelovig’, merkt iemand op.
‘Ik ben gelovig, en mijn kinderen worden gelovig opgevoed; maar mijn man gelooft niet meer’, zegt een derde.
Het geloof is iets vaags geworden; iets waarop je je in het dagelijks leven oriënteert.
Het geloof leidt tot allerlei min of meer individuele keuzes.
Met het geloof kun je van alles doen. Je kunt erover praten. Je kunt erover schrijven. Maar je kunt het niet opleggen. Aan niemand.
In het geloofsleven van de eenentwintigste eeuw geldt: dat is iets van mijzelf; en ik ben nergens aan gebonden.

Men voelt de vrijblijvendheid.
En dát terwijl Jezus Christus in Lucas 20 het volk aanspreekt. Hij spreekt de kerkleiders aan.
Het christelijk geloof is blijkbaar geen kwestie van eenlingen.
Het christelijk geloof is blijkbaar geen kwestie van eigen keuzes.
Het is een zaak van het krachtige werk van Jezus Christus.

Jezus Christus, de Zoon van God, verbindt joden en heidenen.
Hij brengt Zijn kinderen in de kerk bijeen. Onontkoombaar. En onverstoorbaar.
In de kerk heerst geen vrijblijvendheid.
Maar er is wel vrede. De vrede van Gods verbond.
Daarom moeten ware gelovigen zich, ook in onze tijd, de vragen stellen: waar is Christus nú aan het werk? en: waar is Zijn vólk bijeen?

Als Gods kinderen die plek gevonden hebben, mogen zij blij zijn.
In de kerk zijn zij enthousiast over de eeuwige verbintenis met Jezus Christus, hun Heiland.
Vanwege dat eeuwige verbond is er óók vandaag alle reden om in de kerk te zingen:
“De steen, dien door de tempelbouwers
verachtlijk was een plaats ontzegd,
werd tot verbazing der beschouwers
ten hoeksteen door God zelf gelegd.
Dit werk is door Gods alvermogen,
door ’s HEREN hand alleen geschied.
Het is een wonder in onz’ ogen.
Wij zien het, maar doorgronden ’t niet”[7].

Noten:
[1] Lucas 20:9-15.
[2] Zie http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/bekende_nederlanders_spreken_in_eo_programma_over_hun_christelijke_opvoeding_1_631322 .
[3] Zie bijvoorbeeld http://www.stageindegoedeherder.nl/ .
[4] Lucas 20:17 en 18.
[5] Efeziërs 2:14.
[6] Achtereenvolgens  citeer ik de verzen 1 en 19 van Lucas 20.
[7] Psalm 118:8 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.