gereformeerd leven in nederland

31 mei 2012

Wijs prioriteren

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Een gelovig mens leeft voor de Here. Hij wandelt met God. Als hij een gelegenheid ziet, getuigt hij van zijn geloof. Dat spreekt vanzelf. Zo gáát dat met een kerkmens.

Leven met God: dat zien we zeker ook in de gewone dingen van het leven. In de manier waarop wij met onze agenda omgaan, bijvoorbeeld.
Dat is, als ik het goed zie, een van de dingen die wij uit Spreuken 24 kunnen leren:
“Maak buiten uw werk gereed en bereid het voor u op het veld;
daarna kunt gij uw huis bouwen”[1].
Doe eerst het werk op het land; bouw daarna pas uw huis. Dat wil zeggen: richt u in eerste instantie op de dingen die echt belangrijk zijn. Pak daarna de dingen aan die wel even kunnen wachten[2]. Uw levensonderhoud heeft een hoge prioriteit. Daarná komt het onderdak aan de beurt. Eerst het eten en drinken; vervólgens uw onderkomen.
De Here weet best dat wij niet alles tegelijk kunnen. De Here kent ons, en het is hem bekend dat mensen prioriteiten moeten stellen.

Die boodschap is, meen ik, onder meer van toepassing op ons werk in de kerk.
In de kerk moet gebóuwd worden, zo stellen wij bij tijd en wijle Geestdriftig vast[3]. Maar dat wil niet zeggen dat wij holderdebolder alles tegelijk moeten doen. Wij moeten geen haast maken met dit, én voorrang geven aan dat, én eerst ook nog wat anders. Niet alles tegelijk: dat is óók in het kerkenwerk een wijs woord.
Bovendien vraagt de Here niet van ons om met oogkleppen rond te lopen. Laten wij maar vrijmoedig in onze omgeving rondkijken. Daarbij is het aan te bevelen om goed te analyseren wat er om ons heen gebeurt. De Spreukenleraar zegt niet voor niets:
“Ik ging langs de akker van een luiaard
en langs de wijngaard van een verstandeloos mens
(…)
Toen ik dit aanschouwde, nam ik het ter harte,
toen ik het zag, trok ik een les daaruit”[4].
Laat onze manier van doen bedachtzaam wezen. Aan ongeleide projectielen hebben we in de kerk geen behoefte.

Wat is de context van die woorden uit Spreuken 24? Wat is de lijn in dat Schriftgedeelte?
De Spreukenleraar leert zijn luisteraars om zorgvuldig uit de buurt te blijven van mensen die zich van God noch gebod iets aantrekken. Wie in het doen van verkeerde dingen blijft hangen, krijgt bij zijn buren en andere medemensen een slechte reputatie[5].
Die luisteraars moeten, integendeel, naar wijsheid op zoek gaan. Die wijsheid moet, om zo te zeggen, een principekwestie wezen. Als de moeilijke dagen komen, met grote problemen en schier onoplosbare vraagstukken, moeten de luisteraars de door hen verworven inzichten niet eensklaps laten varen[6]. Wie echte wijsheid verwerft, en die blijvend toepast, mag de toekomst zonnig inzien. Voor hem openen zich verre horizonten[7].
Uiteindelijk is er een groot verschil tussen Godvrezenden en goddelozen: seculiere mensen moeten erop rekenen dat hun leven weinig meer is dan kommer en kwel. Ware gelovigen kunnen altijd opstaan en enige afstand van de malaise nemen[8].
Staande op het fundament dat God geeft, en gewapend met de door Hem geschonken wijsheid, is het mogelijk en noodzakelijk om een eerlijk oordeel te geven. Over maatschappelijke ontwikkelingen. Over allerlei gebeurtenissen. Over in de media geventileerde opinies[9].
Welnu – vanuit die wijsheid kunnen Gods kinderen er ook in slagen om goed te prioriteren. Zó kunnen kerkmensen helder zien wat er in de kerk moet gebeuren, en in welke volgorde.

In dit licht bezien is de mening van Agnes Jongerius, voorzitter van de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV), opmerkelijk.
Over Spreuken 24:27 zei zij eens: “Ik vat de spreuk anders op, namelijk dat je eerst je ding moet doen en daarna pas aan materiële welvaart mag denken. Daar ben ik het niet mee eens. Een huis is meer dan materiële welvaart; het is een plek om thuis te komen. Voor mij is mensen uitnodigen aan je tafel de metafoor van geluk. Samen lekker eten. Het hoeven geen ingewikkelde gerechten te zijn, als er gewoon maar wat op tafel staat. Misschien komt dat ook wel omdat ik uit een groot gezin kom.
Als je de spreuk opvat in de zin van carrière eerst, en kinderen later, dan ben ik het er ook niet mee eens. Nederlandse vrouwen krijgen hun eerste kind gemiddeld heel laat, maar dat is niet zonder consequenties. Hoe later je een kind krijgt, hoe meer risico voor moeder en kind. Dat begint al vanaf je dertigste. Wat dat betreft, zou de oude campagne ‘Een slimme meid krijgt haar kind op tijd’ weer van stal kunnen. Ik denk dat het alle twee tegelijkertijd kan. Daar moeten we in Nederland voor zorgen”[10].
Als ik het bovenstaande goed begrijp, zegt mevrouw Jongerius:
*mijn prioriteit is huiselijk geluk
* het is van belang dat een vrouw jong kinderen baart, en dus niet te lang wacht met kinderen krijgen.
Dat heeft, als u het mij vraagt, weinig te maken met het feit dat de Here ons prioriteren leert; zowel in de maatschappij als in de kerk. En het heeft ook niet veel van doen met een wijs oordeel, dat op Gods Woord gebaseerd is.
De uitlatingen van de voormalige FNV-voorzitter laten ons zien hoe belangrijk het is om Gods Woord te lezen, en de woorden in hun context te laten staan!

Spreuken 24 brengt ons terug naar de wijsheid die de Here geeft.
Dat Schriftgedeelte leert ons ook afhankelijkheid van de hemelse God. Het ontvangen van door Hem gegeven inzicht moet in ons leven de hoogste prioriteit hebben.
De aldus verkregen wijsheid geeft rust om dingen te doorzien, en al of niet voorrang te geven. In dezen geldt een bekend woord uit Jacobus 4. Kerkmensen moeten blijven zeggen: “Indien de Here wil, zullen wij leven en dit of dat doen”[11].

In Efeziërs 1 bidt Paulus tot God, “opdat de God van onze Here Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen”[12].
Eens preekte een Gereformeerd-vrijgemaakte dominee over Spreuken 24 en Efeziërs 1. Hij zei: “Leg prioriteit bij het bewerken van je eigen akker: werken in je bijbel en in gebed. Dan vind je bij God een huis om in te wonen, je meer en meer thuis te weten bij de Heer”[13].

Uit dit alles concludeer ik dat wij bij het kerkelijk opbouwwerk mogen prioriteren.
In alle rust.
Met aandacht voor Gods Woord.
Met oog voor de wereld.
Bezield door de wijsheid die Gods Geest geven wil.
In afhankelijkheid van de hemelse Heer.
Thuis bij God.
Met uitzicht op de toekomst.

Noten:
[1] Spreuken 24:27.
[2] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.deltacursus.nl/studie/deltacursus_studie_46.pdf .
[3] In de afgelopen tijd heb ik aan het bouwen in de kerk al vaker aandacht besteed. Zie bijvoorbeeld https://bderoos.wordpress.com/2012/05/24/de-wapens-in-de-hand/ .
[4] Spreuken 24:30 en 32.
[5] Spreuken 24:8 en 9: “Wie aldoor bedenkt kwaad te doen, / die noemt men een aartsschelm. / Het bedenken van dwaasheid is zonde, / en de spotter is de mens een gruwel”.
[6] Spreuken 24:10: “Betoont gij u slap ten dage der benauwdheid, / dan komt uw kracht in het nauw”.
[7] Spreuken 24:14: “…erken, dat de wijsheid zó is voor uw ziel. / Als gij haar gevonden hebt, dan is er toekomst / en uw verwachting wordt niet afgesneden”.
[8] Spreuken 24:16 en 20: “Want de rechtvaardige valt zevenmaal, doch staat weer op, / maar de goddelozen struikelen in de rampspoed”. “Want voor de boze is er geen toekomst, / de lamp der goddelozen wordt uitgeblust”.
[9] Spreuken 24:25 en 26: “…Maar hun die recht oordelen, gaat het goed, / over hen komt de zegen van de voorspoed. / Wie juiste antwoorden geeft, / kust de lippen”.
[10] Zie http://www.eo.nl/magazines/visie/artikel-detail/fnv-voorzitter-agnes-jongerius/ .
[11] Jacobus 4:13-15: “Welaan dan, gij, die zegt: Vandaag of morgen gaan wij op reis naar die en die stad, wij zullen er een jaar doorbrengen, zaken doen en winst maken; gij, die niet eens weet, hoe morgen uw leven zijn zal! Want gij zijt een damp, die voor een korte tijd verschijnt en daarna verdwijnt; in plaats van te zeggen: Indien de Here wil, zullen wij leven en dit of dat doen”. Zie ook http://www.cip.nl/nieuwsbericht_detail.asp?id=23040 (punt 7).
[12] Efeziërs 1:17.
[13] Zie http://www.meppel.gkv.nl/Preken/060604_laan1.htm .

Aantekening:
Dit artikel is, in gewijzigde vorm, gepubliceerd in het Gereformeerd Kerkblad De Bazuin, jg. 7  nr 1 (9 januari 2013).
 Aldaar was het getiteld: “Gelovig prioriteren″. De noten onder het artikel zijn in De Bazuin weggelaten.

30 mei 2012

Terug naar het Woord

Afgelopen zaterdag, 26 mei, stond in het Nederlands Dagblad een interview met de heer H.R. Schaafsma. Schaafsma is scheidend voorzitter van het Christennetwerk GMV.

Hij is van mening dat er in de christelijke wereld meer nagedacht moet worden. Er moet meer dóórdacht worden.
Hij vindt “dat we de aloude thema’s van rentmeesterschap, naastenliefde en duurzaamheid weer eens goed [moeten] doordenken en in een nieuw jasje steken”.
En:
“Ik vind dat de waardenbepaling in de kerken en de christelijke wereld niet verloren moet gaan. Wanneer je als christenheid de komende tien jaar een plek wilt hebben in de samenleving, dan moet je van waarde zijn, van betekenis. Juist die christelijke waarden moet je telkens weer doordenken en vernieuwen. In de kerken en ook bij CGMV mag daar meer aandacht voor zijn. Als je dat niet doet, lopen de leden weg. In het geval van CGMV zeggen ze dan: ‘Die dienstverlening kan ik ook ergens anders halen’”[1].

Het pleit dat de heer Schaafsma voert, klinkt goed. Een Gereformeerd mens voelt zich daarbij wel thuis.
Het is – om het maar eens hedendaags te zeggen – belangrijk om de identiteit te bewaken.
Christenen moeten, zegt de heer Schaafsma, van waarde zijn. Van betékenis. Hoe word je dat? En hoe blijf je dat? Daar is ten diepste maar één antwoord op: men moet terug naar de Schrift.

Daarin zegt de Here wat de houding van Zijn kinderen dient te zijn.
Graag wijs ik u op teksten uit Spreuken 21. Ik citeer:
“Gerechtigheid en recht doen,
is de HERE welgevalliger dan offers”.
En:
“Kronkelend is de weg van de bedrieger,
maar een eerlijk man is recht in zijn doen”.
En:
“Recht doen is een vreugde voor de rechtvaardige,
maar een verschrikking voor de bedrijvers van ongerechtigheid”[2].
Gereformeerde mensen moeten recht door zee zijn. Niet zozeer omdat eerlijkheid een groot goed is, maar omdat zij de Hére daarmee dienen.

Het komt mij voor dat bekering in ons leven een trefwoord moet wezen.
We mogen en moeten in ons dagelijkse doen en laten zien dat ons aardse bestaan de materiële wetten van oorzaak en gevolg overstijgt. Het leven van alledag is geen kwestie van actie en reactie. Ons hart moet zich naar de Here toekeren. Dan pas komen onze bezigheden werkelijk op orde.
Dan ziet onze arbeid er, om zo te zeggen, van buiten goed uit; maar van binnen zit de zaak dan óók stevig in elkaar.
De Spreukendichter leert ons:
“Elke weg van een mens is recht in zijn ogen,
maar de HERE beproeft de harten”[3].

Als we met de Here leven, komen ook de mensen in onze omgeving in zicht. De Spreukendichter zegt:
“De begeerte van de goddeloze gaat uit naar het kwaad;
zijn naaste draagt hij geen genegenheid toe”.
Het verlangen van ware gelóvigen is dus: vanuit de bekering het goede te doen, en de naaste – waar mogelijk – te helpen.

Ik keer weer terug naar de heer Schaafsma.
In het ND merkte hij op: “Iemand zei ooit: wat ziek is gaat sterven. Dat geldt ook voor organisaties als ze niet hun unieke waarde kunnen aantonen”.
Die unieke waarde zit in het contact met de Here. Zo u wilt: in het werken vanuit het Woord.
Wat dit betreft geldt ook het woord dat Jezus in Mattheüs 7 sprak: “Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is”[4].
Men moet het Woord laten spreken.
En daarna moet de Schrift daadwerkelijk tóegepast worden.
Als men maatschappelijke ontwikkelingen op hun waarde wil schatten, moet de Bijbel open gaan. Er moet een vraag worden beantwoord; en wel deze: wat is een Gereformeerde reactie op de huidige situatie?

Toegegeven: met het formuleren van een Gereformeerde zienswijze maakt men lang niet altijd vrienden. Je wordt er, kort door de bocht gezegd, niet populairder van.
En nu de wereld zowel als de kerk fragmentarisch geworden zijn, wordt het er ook niet bepaald makkelijker op.
Schriftuurlijke duidelijkheid in principes en praktijk zal echter voorop moeten staan!

Het CGMV is een netwerk. Een christennetwerk.
Vergis ik mij als ik zeg dat men in dat netwerk al te snel in praktische hulp blijft steken?
Vergis ik mij als ik zeg dat praktische oppervlakkigheid het in dat denkwerk vaak wint van Schriftuurlijke diepte?
Wij moeten terug naar het Woord!

Hoe het binnen het CGMV in de toekomst gaan moet?
Daar is het laatste woord nog niet over gezegd. Hoe zou dat ook kunnen?
Eén ding is zeker: een christelijke organisatie die steeds meer gaat denken in termen van invloed, haalbaarheid en zichtbaarheid zal op termijn verdwijnen.
Wat te doen als veel voornemens niet kunnen worden uitgevoerd? Daar moet men dan maar vrede mee hebben. Voor wie werkelijk werkt vanuit het Woord blijft Romeinen 8 recht overeind: “Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here”[5].
Gereformeerde toekomstgerichtheid: dat is een groot goed!

Noten:
[1] “‘Als de leden zeggen: dit willen we niet meer, dan stopt het’”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 26 mei 2012, p. 16 en 17.
[2] Achtereenvolgens citeer ik de verzen 3, 8 en 15 uit Spreuken 21.
[3] Spreuken 21:2.
[4] Mattheüs 7:21.
[5] Romeinen 8:38 en 39.

29 mei 2012

Goddelijke Drie-eenheid: een zaak van geloof

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Dat de Here Zich in drie Personen laat kennen wordt in Gods Woord heel duidelijk. Wij hoeven slechts te denken aan die tekst uit Mattheüs 28: “Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb”[1]. Dan weten we: onze God is Vader, Zoon en Geest. En zó moeten wij Hem eerbiedigen.

God is een volstrekt uniek Wezen. En in Hem zijn drie Personen.
In de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat het zó: “Zij zijn alle drie even eeuwig in eenzelfde wezen. Er is geen eerste of laatste, want Zij zijn alle drie één in waarheid, in macht, in goedheid en barmhartigheid”[2].
Het is belangrijk om die belijdenis helemaal te laten staan, en daar niets van af te doen[3].
De Drie-eenheid van God kan men maar moeilijk in een beeld vatten. Men kan denken aan het beeld van ijs, water en damp: hetzelfde element verschijnt in verschillende ‘vormen’[4]. Erg bevredigend is een dergelijk beeld niet. Daarom is dit dogma een kwestie van geloof. Wáár geloof.

In de Islam wordt nogal eens gesuggereerd dat de Drie-eenheid een Goddelijke familie is. De Koran spreekt over christenen die geloven in Jezus en Maria als goden naast Allah[5].
Wij moeten overeind houden dat de ene God uit drie Personen bestaat. En waarom? Omdat Ik het zeg, kondigt de Here vanuit de hemel af. Wij moeten ons niet wijs laten maken dat God in drie wezens gesplitst zou zijn!
De Here God houdt ons in Zijn Woord de féiten voor. En nee – die werkelijkheid kunnen wij, aardse mensen met een beperkt denkraam, niet bevatten. Maar dat hoeft ook niet. Want Hij is Gód.
De Britse schrijver en apologeet C.S. Lewis (1898-1963) schreef eens: “Als het christelijke geloof iets was dat we zelf verzonnen, dan zou het natuurlijk wel te vereenvoudigen zijn. Maar we verzinnen het niet zelf. We kunnen in eenvoud niet wedijveren met mensen die zelf een religie verzinnen. Hoe zouden we? We houden ons bezig met de feiten. Eenvoud is geen kunst als je je niet om de feiten hoeft te bekommeren”[6].
Waarvan akte!

Overigens is de loochening van de Goddelijke Drie-eenheid al een oud verschijnsel. Arius, een presbyter in Alexandrië, sprak er ook al over[7].
Vandaag duiden we die dwaling veelal aan met het woord ‘unitarisme’. We zien unitarisme terug in de Islam. En bijvoorbeeld ook bij Jehova’s getuigen[8].
De bestrijding van dat unitarisme is, als we er eens goed op letten, nog altijd nodig.

Hebben Gereformeerde mensen geen vragen als het over de Drie-eenheid van God gaat?
Ach, soms komen zomaar vragen op.
Ik noem er enkele.

Waarom zegt Jezus in Johannes 14: “de Vader is meer dan Ik”[9]? Suggereert Hij daar tóch een rangorde?
Antwoord: als gezondene is Hij op aarde tijdelijk de mindere van Zijn Vader. Maar dat zal gaan veranderen. Hij zal weer terugkomen op het niveau van de hemelse heerlijkheid. En Jezus weet dat Zelf heel goed. In Johannes 17 formuleert Hijzelf: “En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was”[10]. Jezus Christus claimt terecht de plaats “de rechterhand van de majesteit in den hoge”[11].
En daar zal Hij nooit stil zitten. Welnee. Vérre van daar. “In het huis mijns Vaders zijn vele woningen – anders zou Ik het u gezegd hebben – want Ik ga heen om u plaats te bereiden”. Dat is een citaat uit Johannes 14[12]. Dit hoofdstuk zet onze levens, om zo te zeggen, in hemels perspectief!

Maar waarom gebruikt Jezus in Johannes 20 de uitdrukking ‘Mijn God en uw God’[13]? Het gebruik van die term impliceert toch dat er een zeker verschil in niveau tussen Vader en Zoon bestaat?
Antwoord: nee, dat is beslist niet Jezus’ bedoeling. Integendeel. Hij zet de deur naar de toekomst open.
Een exegeet noteert: “En God, die door Jezus steeds ‘mijn Vader’ was genoemd, zal ook hún Vader zijn. Juist door het opstijgen naar de Vader [bij de hemelvaart, BdR] ontstaat die hechte familieband in Christus, die een groep leerlingen tot broeders maakt”[14].
In Johannes 20 gaat het dus niet zozeer over de positie van Jezus. Alles draait om de hemelse status die Gods kinderen zullen krijgen. Nu Jezus Christus voor de zonden heeft betaald, is de weg naar God open. Kinderen van God mogen in Zijn woonplaats domiciliëren. Zo komen broeders en zusters, om zo te zeggen, nader tot God. En er zal een tijd komen dat Christus alles in allen zal zijn!

Paulus schrijft in 1 Corinthiërs 11: “…het hoofd van Christus is God”[15]. Wederom dringt zich de vraag op: is er een hemelse ordening, een indeling in klassen?
Het komt mij voor dat we nog wat verder in Gods Woord moeten lezen. In Efeziërs 1 schrijft de apostel Paulus: “En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt”[16].
Jezus Christus ontvangt alle macht, in hemel en op aarde. Vanuit de hemelse volmaaktheid regeert Hij – in heerlijke harmonie met de Vader – de wereld, tot het einde der dagen. Alleen dáárom al is het zaak om de gedachte aan een hemelse klassenstrijd zo snel mogelijk te verwerpen.

Het bovenstaande overwegend worden, wat mij betreft, tenminste twee dingen helder.
Het EERSTE is dit: de Goddelijke Drie-eenheid demonstreert hoe belangrijk het is dat wij héél Gods Woord laten spreken. Wie Schriftpassages uit hun verband rukt, komt zomaar verkeerd uit.
En het TWEEDE is: wie de Goddelijke Drie-eenheid gelovig aanschouwt, bemerkt al gauw hoeveel hij van de hemelse genáde zien kan.
De Vader geeft voortdurende zorg aan al Zijn kinderen.
De Zoon heeft het verlossingswerk gedaan, waardoor het hemelse reddingsplan ten bate van ware gelovigen volledig kan worden uitgevoerd.
De Heilige Geest richt de kerk steeds weer op de door God gegeven beloften van geluk, vrede en eeuwig leven.

De Here geeft ons via de Drie-eenheid extra strijdkracht.
Door de Heilige Geest bekwaam gemaakt ziet de dichter van Psalm 110, David, God de Vader en Zijn Zoon met elkaar spreken. In de kerk bezingen we dat als volgt:
“Zo heeft de HERE tot mijn Heer gesproken:
Zit aan mijn rechterhand en neem uw recht,
totdat Ik elke vijand heb gebroken
en als een voetbank voor u neergelegd”[17].
Die hemelse dialoog geeft ook de kerk van 2012 de motivatie om te volharden in de strijd. Laten wij daarom maar blijven zingen:
“Uw volk is zeer gewillig om te strijden.
Zijn treden aan in heilig feestgewaad.
Ook zal uw jeugd zich aan uw glorie wijden
als frisse dauw in vroege dageraad”[18].

Noten:
[1] Mattheüs 28:19.
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 8.
[3] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van http://www.stichting-promise.nl/artikelen/schriftgezag/islam-en-christen-de-drie-eenheid.htm .
[4] Zie http://www.heidelbergsecatechismus.nl/idee_lijst.php .
[5] Zie in de Koran bijvoorbeeld Soera 5:116: “En toen zei Allah: “O Isa, zoon van Maria, heb jij tegen de mensen gezegd: “Neemt mij en mijn moeder tot twee goden naast Allah?” En hij (Isa) zei: “Heilig bent U! Nooit zou ik kunnen zeggen waarop ik geen recht heb. Indien ik dat gezegd had, zou U dat zeker geweten hebben. U weet wat er in mijn ziel is, en ik weet niet wat er in Uw Ziel is. Voorwaar, U bent de Kenner van het verborgene”. De Koran is te vinden op http://www.kuran.nl/kuran/kuran_index.htm .
[6] Geciteerd via http://www.ontdekjezus.nl/drie-eenheid.html .
[7] Zie hierover http://nl.wikipedia.org/wiki/Arianisme .
[8] Zie ook http://nl.wikipedia.org/wiki/Unitarisme_(theologie) .
[9] Johannes 14:28.
[10] Johannes 17:5.
[11] De term komt uit Hebreeën 1:3: “Deze, de afstraling zijner heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen, die alle dingen draagt door het woord zijner kracht, heeft, na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge”.
[12] Johannes 14:2.
[13] Johannes 20:17: “Jezus zeide tot haar: Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader; maar ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God”.
[14] Dr. P.H.R. van Houwelingen, “Johannes: het evangelie van het Woord”. – Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, 1997; derde druk 2007. – p. 392.
[15] 1 Corinthiërs 11:3.
[16] Efeziërs 1:22 en 23.
[17] Psalm 110:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[18] Psalm 110:3 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

25 mei 2012

Pinksteren 2012: feest bij een nieuwe start

Pinksteren komt eraan.
Wij denken aan het moment waarop Gods Geest in de kerk werd uitgestort. In de kérk, inderdaad. Dat is de inzet van Handelingen 2: “En toen de Pinksterdag aanbrak, waren allen tezamen bijeen”[1]. Dat woord ‘allen’ duidt op de leerlingen van Jezus.
Misschien waren Gods kinderen wel in de tempel. In Lucas 24 staat namelijk: “…en zij [de discipelen, BdR] waren voortdurend in de tempel, lovende God”[2].

Pinksteren is in de kerk het feest van de nieuwe start!

Die kerkmensen uit Handelingen 2 gingen iedere dag naar de kerk.
Daar werd onderwijs gegeven.
Er was harmonie.
Er was liefde voor elkaar.
En ja, er was ook voedsel.
Bij dat alles werd het werk van de Here Jezus niet vergeten: het Heilig Avondmaal werd gevierd.
Het leek bijna ideaal: “…en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten”[3].

Wie nadenkt over eendracht, kan somber worden. De eenheid in de Gereformeerde wereld is immers ver te zoeken. Waar gaat het heen met de kerk?
Niemand op aarde kan op die vraag een exact antwoord geven.
Maar dat wil niet zeggen dat de kerk op de Pinksterdagen wanhoop gedreven wordt. Discussiëren en disputeren: dat heeft de kerk van den beginne gedaan.

De eendracht in Handelingen 2 betekende niet dat men het overal precies over eens was.
Die eendracht duidde al helemáál niet op een allesomvattende kennis. De kerk was niet de plek waar men alles met een verbijsterende onmiddellijkheid doorgrondde.
Kijkt u maar in Handelingen 5. Daar lees ik: “En zij – dat zijn de apostelen – gaven daaraan gehoor en gingen tegen de ochtend de tempel binnen en leerden”[4]. En ook: “Zij dan gingen uit de Raad weg, verblijd, dat zij verwaardigd waren ter wille van de naam smadelijk behandeld te zijn; en zonder ophouden, iedere dag, leerden zij in de tempel en aan huis, en verkondigden het evangelie, dat de Christus Jezus is”[5].
De Pinksterkerk van Handelingen 2 blijkt een onderwézen kerk te zijn geweest. De Pinksterkerk was een kerk waar voortdurend les gegeven werd. Dat was blijkbaar nodig. Misschien zijn er onderling ook wel enige discussies geweest. Wie zal het zeggen?
Hoe dat zij: in de kerk was harmonie. Men verheugde zich over de reddende kracht van Jezus Christus.

Anno 2012 worden we wel eens narrig als in de kerk, en op het kerkplein, fel geredekaveld wordt. Dat schrikt velen af.
En het kan zomaar gebeuren dat Gereformeerden hun eigen weg gaan. In een paar jaar tijd ontstaan dan enkele kerkverbandjes. In de Gereformeerde wereld weten we daar vandaag wel van.
Het spreekt vanzelf dat niemand van zulke gebeurtenissen blij wordt. Het moet ons echter niet al te zéér verbijsteren. In de kerk zijn besprekingen, debatten en woordenwisselingen aan de orde van de dag.

Pinksteren is zeker niet het feest van de splitsing. Pinksteren is niet het kruispunt van vele wegen, waaruit men naar hartenlust kiezen kan. Pinksteren is geen ANWB-bord waarop tien, vijftien plaatsen staan die vanuit Handelingen 2 bereikbaar zijn. Op het Pinksterfeest wordt het leven van door God uitgekozen mensen weer op koers gelegd.
Dat gebeurde op die eerste Pinksterdag ook. We lezen over eenvoud des harten. De harten van Gods kinderen gingen maar één kant op. Men was gericht op Christus Jezus. Ziedaar: het werk van de Heilige Geest.

Ook in de eenentwintigste eeuw is het kernpunt van Pinksteren: de Heilige Geest richt kinderen van God, verenigd in de kerk, op hun Zaligmaker!
Als het goed is gaan de klerikale discussies in onze tijd over het antwoord op de vragen: is de richting in de kerk nog goed? en: laten we ons niet te veel afleiden en beïnvloeden door dingen die op het kerkplein gebeuren? en: passen we, wellicht ongewild, de boodschap van Gods Woord aan de wereld aan?

Pinksteren 2012 valt in een tijd waarin voortdurend heen en weer gepraat wordt over geld. Hoe helpen we landen die in zware financiële problemen verkeren?
Men spreekt over het Europees Stabiliteits Mechanisme: een noodfonds van vijfhonderd miljard euro. En over een strenge begrotingsdiscipline. En over de macht die de Nederlandse overheid mogelijk inlevert[6].
Dat zijn belangrijke kwesties.
Maar op de Pinksterdag kijkt de kerk de euro voorbij. Vérder omhoog, naar Jezus Christus die Zijn Geest zond om de kerk op Hem gericht te houden. Kinderen van God mogen het weten en belijden: Hij heeft voor al onze zonden volkomen betaald[7].
Dat geeft stabiliteit die aards geld ver voorbij streeft. Natuurlijk: dat geloof lost de problemen met de euro niet op. Maar geloofskracht relativeert die vraagstukken wel.

Pinksteren 2012 valt ook in een jaar waarin door de Maya’s het einde der tijden leek te zijn voorspeld.
U weet het wellicht: Maya’s zijn mensen die – in meerderheid althans – in Guatemala en het zuiden van Mexico wonen[8]. De oude Maya’s hadden een tamelijk ingewikkeld kalendersysteem. Eén van die kalenders – de zogenaamde Lange Telling – eindigt omgerekend op vrijdag 21 december 2012.
Echte experts op het gebied van Maya-historie hadden al gezegd dat er geen reden is om het noemen van de datum 21-12-’12 uit te leggen als een profetie over de eindtijd.
Het Amerikaanse wetenschappelijke tijdschrift Science wijdde er wel een artikel aan. Dat vond men kennelijk wel de moeite waard. Ergens, in de kelders van het hart, huist blijkbaar bij heel wat mensen het gevoel dat de wereld van bovenaf geregeerd wordt. Men lijkt zelfs enigszins angstig[9].
Het komt mij voor dat de kerk zich, juist ook met het zicht op de Pinksterdag, koelbloedig en moedig mag tonen. De kerk hoeft, op weg naar de eindtijd, nooit bang te zijn. Want de Heilige Geest woont in de kerk. Daarom is het honderd procent zeker dat we, in het geloof, het zicht op de Here Jezus Christus niet zullen kwijt raken. Dan hebben wij ook zicht op een leven waarin de dood geen rol meer speelt. Om met Paulus in Galaten 6 te spreken: “Want wie op de akker van zijn vlees zaait, zal uit zijn vlees verderf oogsten, maar wie op de akker van de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten”[10].

Pinksteren komt eraan.
De kerk bewondert de daden van God.
En zij eert Hem omdat Hij garanties geeft voor een leven vol geluk en vrede. Een leven dat nooit eindigt.
Om het met Zondag 1 uit de Heidelbergse Catechismus te zeggen: Hij geeft “mij door zijn Heilige Geest ook zekerheid van het eeuwige leven en maakt Hij mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven”[11].
Zo blijft Pinksteren in de kerk altijd de moeite waard!

Noten:
[1] Handelingen 2:1.
[2] Lucas 24:53.
[3] Handelingen 2:46.
[4] Handelingen 5:25.
[5] Handelingen 5:41 en 42.
[6] “Steigers euro reiken hoog”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 23 mei 2012, p. 1. En: “Geen ‘permanent dweilfonds’”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 23 mei 2012, p. 3.
[7] Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 1, antwoord 1: “Want Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald en mij uit alle macht van de duivel verlost”.
[8] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Maya%27s .
[9] Zie: “Het einde der tijden in 2012”. Commentaar in het Reformatorisch Dagblad, vrijdag 11 mei 2012, p. 1. Ook te vinden op http://www.refdag.nl/opinie/commentaar/commentaar_het_einde_der_tijden_in_2012_1_643416. Ik citeer een paar zinnen: “Maar de voedingsbodem voor deze moderne sprookjes is toch het onbestemde gevoel van velen dat deze wereld niet alleen door natuurwetten geregeerd wordt. Er is iets bovennatuurlijks, menen ze. Gelukkig dat dat besef bestaat – maar zorgelijk dat die leemte gevuld wordt door te shoppen bij moderne religieuze stromingen of pseudowetenschappelijke theorieën”.
[10] Galaten 6:8.
[11] Heidelbergse Catechismus – Zondag 1, antwoord 1.

24 mei 2012

De wapens in de hand

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

De Here heeft dagwerk aan Zijn kerk. Dat zien we lang niet altijd. Maar ’t is wel zo. De Here verleent geen zorg in deeltijd. Hij is altijd present!

Daarom is het bouwen van de kerk een zaak waar garánties aan hangen. De bouw is omgeven met de zekerheid van Gods aanwezigheid[1].
In zijn tijd weet Nehemia dat óók.
Maar er is meer. Dat zal hieronder blijken.

Nehemia krijgt van Arthahsasta toestemming om naar Jeruzalem te gaan. Daar leidt hij de herbouw van de muren.
Die herbouw gaat niet zonder slag of stoot; er is veel tegenstand. Vandaar dat bouwers en sjouwers in de ene hand een wapen hebben en in de andere hand bouwmaterialen. Een hoornblazer doet dienst als verbindingsofficier en beveiliger.
Wij lezen: “Toen nu onze vijanden gehoord hadden, dat wij op de hoogte gekomen waren en dat God hun plan verijdeld had, konden wij allen terugkeren naar de muur, ieder tot zijn werk. En sinds die dag deed de ene helft van mijn knechten het werk en de andere helft droeg de speren, de schilden, de bogen en de pantsers, terwijl de oversten achter het gehele huis Juda stonden, dat aan de muur bouwde. De lastdragers verrichtten hun arbeid zo, dat zij met de ene hand het werk deden en met de andere hand de werpspies vasthielden; de bouwers hadden ieder zijn zwaard aan de heup gegord, terwijl zij aan het bouwen waren. De hoornblazer stond naast mij”[2].

De namen van de belangrijkste tegenstanders zijn wellicht wel bekend:
* Sanballat: de stadhouder van Samaria, die zich mogelijk in zijn positie bedreigd voelt nu Jeruzalem herbouwd wordt
* Tobia: een Jood die met de vijand heult, en zo een hoge positie verworven heeft
* Gesem: de Arabierenkoning[3].
Met spot en cynisme proberen zij eerst de publieke opinie te beïnvloeden. Als echter blijkt dat het werk aan Jeruzalems muren niet gestopt kan worden met sarcasme en schimpscheuten, wordt een ander middel ingezet. Lichamelijke bedreiging, namelijk.
Die dreiging, in combinatie met de grootte van het karwei en de psychische druk, werkt bij het volk verlammend.
De kracht van de Satan, de tegenstander van God, blijkt groot te zijn. En dat, geachte lezer, lijkt mij iets om vandaag te signaleren.

In Nehemia 4 is de Satan heel duidelijk aanwezig.
En we zijn geneigd te zeggen: zo gáát dat als je de Satan toelaat. Zo wérkt dat als beleidsbepalende figuren bewust de verkeerde kant op gaan.
Maar dat is iets te makkelijk.
Nehemia heeft van Arthahsasta expliciete tóestemming gekregen om de arbeid in Jeruzalem aan te vangen. En wat meer is: de Here God is de stuwende kracht achter Nehemia’s plannen. In Nehemia 1 bidt Gods kind tot zijn hemelse Heer. En in Nehemia 2 gebeurt dat nog eens[4]. Dus: ondanks de hemelse energie van de Here is de Satan actief.
Mijn conclusie: daar waar de Here werkt, geeft ook de Satan acte de présence! Altijd en overal, op allerlei manieren, probeert de Satan Gods werk af te breken. De les uit het Bijbelboek Nehemia is: de Here is aanwezig, en dús de Satan ook. In Nehemia kan niemand daar omheen kijken. Maar we moeten er in alle omstandigheden rekening mee houden!

Er zijn ook situaties waarin Gods tegenstander zich op een veel geniepiger wijze laat gelden.
En als wij dat constateren, wandelen wij als vanzelf de eenentwintigste eeuw binnen.

Zo kan het anno Domini 2012 gebeuren dat het Evangelie een kwestie van goeie wil is. Als je positief in het leven staat, dan zijn u en ik al een heel eind op de goede weg.
De Nederlands Gereformeerde emerituspredikant drs. H. de Jong omschreef dat onlangs als volgt: “De tijd lijkt aanstaande dat we ophouden de boodschap van het evangelie zo te verwoorden dat we er de goedkeuring van de samenleving mee zoeken te verkrijgen. De schijn is lang opgehouden dat de kerk eigenlijk hetzelfde bedoelde als alle goedwillende mensen. Het eigene van de Bijbelse boodschap werd ten onder gehouden. Niet eens zozeer ontkend of bestreden, maar verzwegen. Geloven wilde zeggen dat God van je hield, dat je er als mens mocht zijn, dat je streefde naar politieke gerechtigheid en dat je voor het behoud van de groene aarde was. Maar niemand bekeerde zich op die boodschap, de kerken stroomden erbij leeg. Het wordt nu tijd dat we terugkeren naar de kern van ons geloof die bestaat uit het feit dat God ons om Christus’ wil de zonden vergeeft”[5].
De kerk behoort díe boodschap te prediken.
Niet dat de kerkzalen daar voller van worden. Dat niet. Dominee de Jong zegt: “Dat verwacht ik niet, maar wie God echt zoeken, zullen op die oude kern afkomen en er blij mee zijn”. En verder: “De kloof met de wereld wordt er diep, zeer diep van”[6].

In het Bijbelboek Nehemia zien we de antithese: de tegenstelling tussen kerk en wereld.
Die tegenstelling was er in de tijd van Nehemia.
Dat scherpe contrast is er in 2012 nog altijd.

Daarom moeten we ook nu wapens bij de hand hebben waarmee Gods kinderen zich verdedigen kunnen.
Wat zijn ónze wapens?
De waarheid en de gerechtigheid. De bereidwilligheid om het Evangelie van werkelijke vrede te brengen. Het geloof in Gods beloften. En het gebed.
De inventarisatie van ons wapenarsenaal heb ik overigens niet zelf gedaan. Die inventarisatie werd gemaakt door Paulus. De betreffende lijst vindt u in Efeziërs 6[7].

Gereformeerde mensen moeten die wapens bij de hand houden. Ja – zelfs IN de hand houden.
Die wapens dienen optimaal gebrúikt te worden.
We moeten ze niet wegleggen. Zo van: de wereld snapt het niet als wij met scherp gaan schieten. Of misschien zelfs: die wapens zijn onnut geworden, want de samenleving is vredig en stil.
Laten wij ons niet vergissen: als de Here in de kerk bezig is, zijn satanische machten in de buurt!

Noten:
[1] Zie hierover ook mijn artikel ‘De Here staat nooit aan de zijlijn’, hier gepubliceerd op donderdag 10 mei 2012. Het is te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2012/05/10/nooit-aan-de-zijlijn/ .
[2] Nehemia 4:15-18.
[3] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van http://www.prekendiespreken.nl/preken/dutch/neh04.html .
[4] Zie Nehemia 1:4-11. Ik citeer de verzen 4, 5 en 6: “Ook vastte en bad ik voor het aangezicht van de God des hemels en zeide: Ach, HERE, God des hemels, grote en geduchte God, die het verbond en de goedertierenheid gestand doet jegens hen die U liefhebben en uw geboden onderhouden, laat toch uw oor opmerkzaam en uw ogen geopend zijn, om te horen naar het gebed van uw knecht…”. Zie ook Nehemia 2:4: “Toen bad ik tot de God des hemels”.
[5] Dit citaat komt van http://eeninwaarheid.info/, zaterdag 19 mei 2012. De gegevens van het betreffende boek zijn: Drs. H. de Jong, “Vergeving. De kern van het christelijk geloof”. – Franeker: Uitgeverij Van Wijnen, 2012. – 112 p.
[6] Zie: “De Jong: kerk moet weer vergeving van zonden prediken”. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 15 mei 2012, p. 2.
[7] Efeziërs 6:10-20. Ik citeer de verzen 14, 15, 16, 17 en 18: “Stelt u dan op, uw lendenen omgord met de waarheid, bekleed met het pantser der gerechtigheid, de voeten geschoeid met de bereidvaardigheid van het evangelie des vredes; neemt bij dit alles het schild des geloofs ter hand, waarmede gij al de brandende pijlen van de boze zult kunnen doven; en neemt de helm des heils aan en het zwaard des Geestes, dat is het woord van God. En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen”.

23 mei 2012

Leraren gezocht

Wat is het eigene van het ambt van predikant?

Er is een goede reden om over bovenstaande vraag na te denken. In heel wat in zich Gereformeerd noemende kerken functioneert naast de predikanten ook de kerkelijk werker.
De editie van het Gereformeerd-vrijgemaakte blad De Reformatie van vrijdag 24 februari 2012 zette die figuur in het middelpunt. In de rubriek Signalen van de website Eeninwaarheid.info kwam het onderwerp afgelopen zaterdag – 19 mei – nog eens langs.
Ik citeer: “Ds. J.H.F. Schaeffer (GKv) en kerkelijk werkster J. Burger-Niemeijer (GKv) vragen zich af of een kerkelijk werker een pseudopredikant is. Zij constateren dat er een groeiend tekort aan predikanten in de GKv is. Uit onderzoek is gebleken dat het aantal dienstdoende predikanten in 2025 naar verwachting zal zijn afgenomen met bijna 40 procent ten opzichte van 2008. Het aantal vacatures zal zijn toegenomen met ruim 200 procent. Het werk zal door steeds minder predikanten gedaan moet worden oftewel ‘er zullen aanzienlijk meer taken door niet predikanten (mv!) gedaan moeten worden om de gemeenten te kunnen blijven dienen’.
Volgens het tweetal kan de mondige gemeente dat invullen: ‘Waarom zouden gemeenteleden niet kunnen preken, toerusten en pastoraal actief zijn?’ En ‘in sommige gevallen kunnen mannelijke kerkelijk werkers binnen de GKv preekconsent krijgen. Is er in de beleving van de gemeente verschil tussen de preek van een dominee en die van een kerkelijk werker? Wat maakt het ambt hierbij nog voor verschil?’ , zo vragen de schrijvers zich af”[1].

Wat kan een dominee, wat een gewoon gemeentelid niet kan?
Klaarblijkelijk is dat de vraag die velen door de ziel prangt.
En de conclusie ligt voor de hand: gewone gemeenteleden hebben, globaal bekeken, ongeveer dezelfde bekwaamheden als dominees. Zodoende heeft het ambt van predikant niet zoveel unieks.

In onze tijd, waarin zoveel informatie van allerlei soort makkelijk toegankelijk is, kunnen mondige gemeenteleden best een opstel maken over een Bijbeltekst; wie van ‘goede wil’ is noemt dat een preek. Gewone gemeenteleden kunnen kerkmensen in hun buurt bemoedigen of, zo u wilt, coachen. Gewone gemeenteleden kunnen, als hun broeders en zusters problemen hebben, hen de Weg wijzen.

Toch bevredigt het mij niet.
Helemaal niet.

De eerste vraag die aan dominees bij hun bevestiging wordt gesteld is: “Bent u ervan overtuigd, dat God zelf u door zijn gemeente tot deze heilige dienst heeft geroepen?”[2].
Dominees worden door de Here GEROEPEN.
Dominees worden vrijgesteld om Gods Woord te bestuderen en te verkondigen.
Dominees weiden de kudde. Zij verkennen het culturele landschap van 2012. Zij volgen maatschappelijke ontwikkelingen, en confronteren die met Gods Woord. Zo ontstaat het antwoord op de vragen: waar staat de kerk in onze maatschappij? en: welke antwoorden geeft de kerk aan de samenleving?
De kudde wordt – kortom – verzorgd.

Gewone gemeenteleden zijn daartoe eveneens in staat.
Zij kunnen Gods Woord bestuderen. En zij volgen de maatschappelijke ontwikkelingen meestentijds nauwkeurig.
En in onze tijd is dat ook een stuk mákkelijker geworden.
Maar zij oefenen overdag een beroep uit. Van accountant tot verpleger, van hovenier tot timmerman: ieder hebben zij hun dagelijkse werk. Het kerkenwerk doen zij er naast.
In de kerk zijn mensen die goed kunnen studeren. Anderen kunnen dat minder goed. Maar daarbij speelt de tijd die beschikbaar is ook een rol. De beroepsbevolking in de kerkelijke gemeente heeft gewoon minder uren beschikbaar om het Woord te bestuderen, pastoraal werk te doen en de ontwikkelingen in seculier wordend Nederland te volgen.

Mijn stelling is: als dominees
* simpele preekjes houden
* preken houden waarin de actualiteit niet is verdisconteerd
* niet of nauwelijks in de gemeente komen
* het merendeel van de catechisaties aan anderen overlaten
* het kerkrecht niet kennen en niet willen toepassen,
dan laten zij heel veel van de hen gegeven gaven onbenut.

Een dominee merkte op zijn internetpagina eens op “dat er aan de ene kant geaccepteerd mag worden dat er een zekere rivaliteit tussen verschillende groepen bestaat; dat verschillen er nu eenmaal zijn en dat die ruimte mogen krijgen. Wat je hiermee bereikt, is dat mensen gepassioneerd met de gemeente bezig zijn, zonder die te domineren en anderen hun plek te ontzeggen”[3].
Dat klinkt prachtig.
Maar dat iedereen gelijkwaardig is, wil nog niet zeggen dat iedereen gelijk is!

Ik wijs erop dat er in Gods Woord veel aandacht voor Bijbels onderwijs en Schriftuurlijk onderzoek is.
Ik geef een paar voorbeelden.
In Exodus 35 wordt gezegd dat Oholiab de gave heeft gekregen om te onderwijzen[4]. In Daniël 9 krijgt Daniël onderricht van Gabriël[5]. In Habakuk 2 wijst de Here er met nadruk op dat afgoden geen onderwijs kunnen geven[6]. In zijn brief aan de Colossenzen typeert Paulus zijn ambt als volgt: “Hem verkondigen wij, wanneer wij ieder mens terechtwijzen en ieder mens onderrichten in alle wijsheid, om ieder mens in Christus volmaakt te doen zijn”[7]. In 1 Timotheüs 2 vinden we Paulus’ opmerking dat vrouwen zich door mannen moeten laten onderwijzen[8]. Ik kom bij 2 Timotheüs 2; Paulus draagt Timotheüs daar op om op zoek te gaan naar mensen die in staat zijn om het geloof op aansprekende wijze over te dragen[9]. In 2 Timotheüs 3 staat geschreven dat Gods Woord, om zo te zeggen, buitengewoon geschikt is als lesboek voor het leven[10].

Nu kom ik weer bij die beginvraag: wat is het eigene van het ambt van predikant?
Gods Woord lezend, luidt het antwoord: predikanten zijn herders en leraars. Die term – herders en leraars – kennen we uit Efeziërs 4: de herders en leraars zijn door de Here aangesteld[11].
Predikanten zijn door God geroepen om herders en leraars te zijn.

Dit alles overziende bekruipt mij de hinderlijke gedachte dat achter al dat gedoe over dominees, kerkelijke werkers, pastorale medewerkers en pastoranten een groot probleem schuilgaat[12]. De gezagscrisis, namelijk.
We hebben er op het kerkplein moeite mee dat een ander het over ons te zeggen heeft. We hebben er een hekel aan dat een ander ons de richting wijst die wij hebben in te slaan.
Kennis vergaren en de richting zoeken: dat kunnen wij zelf net zo goed als een ander.
En dominees? Zij laten, zonder al te veel tegenspraak, hun takenpakket uitdunnen. Foei toch!

Wat is de taak van de kerk?
Laat zij op zoek gaan naar herders en leraars.
En als die leraars er dan eenmaal zijn, laten kerkmensen dan niet teveel mopperen op het feit dat zij onderwijs krijgen.
De Here wil ons onderwijs laten geven. De Here laat ons de richting wijzen. Zó doet de Here dat.

Noten:
[1] Zie http://eeninwaarheid.info/ , zaterdag 19 mei 2012.
[2] Zie het Formulier voor de bevestiging van Dienaren des Woords in het Gereformeerd Kerkboek.
[3] Zie http://www.nieuweverhalen.nl/?e=40 .
[4] Exodus 35:34: “En Hij heeft hem en Oholiab, de zoon van Ahisamach, uit de stam van Dan in het hart gegeven om anderen te onderrichten”.
[5] Daniël 9:22: “En hij begon mij te onderrichten en sprak met mij en zeide: Daniël, nu ben ik uitgegaan om u een klaar inzicht te geven”.
[6] Habakuk 2:19: “Wee hem die tot een stuk hout zegt: Ontwaak, en tot een stomme steen: Word wakker. Zou die onderrichten? Zie, hij is gevat in goud en zilver, doch er is volstrekt geen geest in hem”.
[7] Colossenzen 1:28.
[8] 1 Timotheüs 2:11 en 12: “Een vrouw moet zich rustig, in alle onderdanigheid, laten onderrichten, maar ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft”.
[9] 2 Timotheüs 2:2: “…en wat gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan vertrouwde mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te onderrichten”.
[10] Ik citeer het eerste deel van 2 Timotheüs 3:16 uit de Herziene Statenvertaling: “Heel de Schrift is door God ingegeven en is nuttig om daarmee te onderwijzen”.
[11] Efeziërs 4:11 en 12: “En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus”.
[12] Pastoranten zijn degenen die pastoraat ontvangen.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.