gereformeerd leven in nederland

29 juni 2012

De Here geeft ruimte

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Vandaag, vrijdag 29 juni, gaat de heer R.J.A. Doornenbal promoveren[1]. Doornenbal doceert aan de Christelijke Hogeschool Ede. Zijn lessen bevinden zich op het snijvlak van theologie en cultuur.
Zijn proefschrift handelt – zo verneem ik via het Nederlands Dagblad – over “de uitdaging van missionair leiderschap aan het adres van het theologisch onderwijs in Nederland. De CHE-docent bestudeerde de internationale en interkerkelijke Emerging Church Movement en de Missional Church Movement die staan voor missionaire experimenten met nieuwe kerkvormen, toegesneden op de postmoderne tijd, vaak buiten de kaders van de traditionele kerk. De eerste stroming bestaat uit pioniers met hun poten in de missionaire modder, de tweede uit theologisch geschoolde denkers, ook te vinden in traditionele kerken”.

De heer Doornenbal heeft een tamelijk helder idee over het karakter van de missionaire beweging. Ik citeer weer uit het ND: “Een grondtrek van de missionaire beweging is dat er ruimte wordt gegeven aan God om een diepe spirituele vernieuwing te bewerken. Lees de verslagen van bisschoppen in de Anglicaanse Kerk. Ze waren vastgelopen in een kerkelijke sleur, maar hebben God opnieuw leren kennen”.
Als het om bekering gaat, spelen preken slechts een ondergeschikte rol. “Ik mis (…) de diepere analyse van de vraag waardoor mensen tot geloof komen. Die wordt wel gesteld binnen de missionaire beweging”[2].

Mensen moeten ruimte geven aan God, zo stelt de promovendus.
Ontegenzeglijk is het waar dat de mens zélf gelooft. En ja, hij bekeert zichzélf[3].
Maar daar begint het volgens de Heilige Schrift niet.

Als het gaat om ons geloof, moeten wij bij de Here starten. Hij kiest de Zijnen uit. Hij geeft ons de ruimte om zich naar Hem toe te keren. Dat is een blijk van grote genade. Want wij verdienen niet dat wij in de ruimte worden gezet.

Met betrekking tot deze kwestie wijs ik eerst op Jesaja 41[4].
Daar loopt een rechtszaak. De kustlanden moeten zich op hun sterkst presenteren. Echter: hoe krachtig zij ook zijn, zij kunnen niet tegen de Here op. Hij bestuurt de wereldhistorie. En dat doet Hij al vanaf de schepping van hemel en aarde.
De hemelse Heer typeert Zichzelf als “de HERE, die de eerste ben, en bij de laatsten ben Ik dezelfde”[5].

Nu ga ik naar Jesaja 44.
Dat is, om zo te zeggen, een herstelpunt. Een hoofdstuk eerder – in Jesaja 43 dus – heeft de Here het oordeel uitgesproken. Maar de Here laat Zijn volk niet los. Hij laat Zich kennen als de Maker en Formeerder van het volk. Daar ligt de basis van de uitverkiezing van Israël. De Here zegt: “Zo zegt de HERE, de Koning en Verlosser van Israël, de HERE der heerscharen: Ik ben de eerste en Ik ben de laatste en buiten Mij is er geen God”[6].

Ik kom bij Jesaja 48.
In dat Schriftgedeelte laat de Here weten dat Hij vroeger allerlei dingen tot stand bracht die Hij daarvóór al had aangekondigd. Hij wist wel dat het volk niet al te vrolijk op Zijn daadkracht zou reageren. Maar juist daarom deed Hij van te voren een proclamatie uitgaan. En de vragen zijn: waarom vertelt het volk Gods grote daden niet verder? Waarom maken Gods kinderen Zijn werk niet wijd en zijd bekend?
Vanaf nu gaat de Here nieuwe dingen doen. Over die gebeurtenissen heeft het volk van te voren niets gehoord.
In dat kader spreekt de Here uit: “Hoor naar Mij, Jakob, Israël, mijn geroepene. Ik ben dezelfde, Ik ben de eerste, ook ben Ik de laatste”[7].

Laten wij onze aandacht verleggen naar Daniël 10.
Daar ontvangt Daniël een schokkend visioen. Het gaat over de toekomst van zijn eigen volk. Daniël is verbijsterd. Alle kracht verdwijnt uit zijn lijf. Hij, de intelligente en invloedrijke bestuurder, zakt in elkaar.
Daniël, de dienstknecht van God, ontvangt vanuit de hemel nieuwe energie. Iemand zegt tegen hem: “Daniël, gij zeer beminde man, let op de woorden die ik tot u spreek, en ga rechtop staan, want nu ben ik tot u gezonden”. En: “Vrees niet, Daniël, want van de eerste dag af, dat gij uw hart erop gezet hadt om inzicht te verkrijgen en om u voor uw God te verootmoedigen, zijn uw woorden gehoord, en ik ben gekomen op uw woorden”[8].
Daniël bad tot God. Vervolgens gaf de Here een visioen aan Zijn dienstknecht. De Here beluisterde Zijn kind. Er bestond al een Vader/kind-verhouding. En dáárom is de Here tot actie overgegaan.

Nu ga ik naar Lucas 22.
In dat hoofdstuk discussiëren de discipelen over de plaats die zij in de hiërarchie-onder-Jezus innemen.
Jezus maakt duidelijk dat die gedachtewisseling er eigenlijk niet zo veel toe doet. Het allerbelangrijkste is dat Hijzelf als de lijdende Christus hun redder en dienaar wezen wil. Ik citeer: “Want wie is de eerste: die aanligt, of die dient? Is het niet, die aanligt? Maar Ik ben in uw midden als dienaar”[9].
Het initiatief gaat niet uit van mensen. Ménsen stellen geen rangorde vast. Ménsen openen geen deuren, om de hemelse Heer in hun leven toe te laten. Alles begint bij onze Here Jezus Christus die een dienaar wil zijn.

Thans kom ik bij Openbaring 1. En ik blader meteen maar even verder naar het laatste hoofdstuk van de Bijbel.
In Openbaring 1 kunnen we lezen: “Wees niet bevreesd, Ik ben de eerste en de laatste, en de levende, en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden, en Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk”[10].
In Openbaring 22 klinkt het nog eens: “Ik ben de alfa en de omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde”[11].

Als ik het goed begrijp, meent de heer Doornenbal dat er – met name in de meer traditioneel ingestelde kerken – meer ruimte aan God gegeven zou moeten worden om een diepe spirituele vernieuwing te bewerken.
Het kan natuurlijk best zijn dat ik iets gemist heb. Maar uitgaande van het feit dat Doornenbal christelijk is – en ook zo bekénd wil staan – is zijn uitlating op z’n minst verbazingwekkend.
Niet wij geven God de ruimte.
De Here geeft ons de ruimte. En wat meer is: Hij kiest Zijn kinderen uit om dagelijks in het verbond met Hem te leven!

Als het waar is dat de missionaire beweging zegt dat zij aan de Here God alle gelegenheid geeft om Zijn werk te doen, dan vraag ik mij af waar die beweging haar uitgangspunt neemt bij het nadenken over de activiteiten die zij ontwikkelt.
In het Woord van God lees ik dat de Here de eerste en de laatste is.
Dat zo zijnde kun je toch niet zeggen dat goedgeluimde mensen, bereidwillig als zij zijn, aan hun Schepper de bewegingsvrijheid geven om Zijn werk in hun harten te doen? Ik kan dat met de beste wil van de wereld niet Schriftuurlijk vinden.

Wie aan de Here God de ruimte geven wil, moet de Bijbel nog maar eens goed lezen.

Noten:
[1] Zijn promotie vindt vanmiddag om 13.45 uur plaats in de Aula van de Vrije Universiteit te Amsterdam. De gegevens van zijn dissertatie luiden: Robert Doornenbal, ”Crossroads. An Exploration of the Emerging-Missional Conversation with a Special Focus on Missional Leadership and its Challenges for Theological Education”. – Delft: Uitgeverij Eburon, 2012. – 454 p. Zie ook http://dare.ubvu.vu.nl/bitstream/1871/35543/4/abstract_dutch.pdf .
[2] Zie “Missionaire nood vraagt ander leiderschap in de kerk”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 27 juni 2012, p. 2.
[3] Zie hierover ook de Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 12: “En wanneer de wil vernieuwd is, wordt hij niet alleen door God geleid en bewogen; maar door God in beweging gebracht, werkt hij ook zelf. Daarom wordt terecht gezegd dat de mens zelf gelooft en zich bekeert door de genade, die hij ontvangen heeft”.
[4] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van de webversie van de Studiebijbel.
[5] Jesaja 41:4.
[6] Jesaja 44:6.
[7] Jesaja 48:12.
[8] Daniël 10:11 en 12.
[9] Lucas 22:27.
[10] Openbaring 1:17 en 18.
[11] Openbaring 22:13.

28 juni 2012

Ezechiël 21: de leiderschapstijl van de Here

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Wanneer wij de kerk opbouwen is dat geen fluitje van een cent. Het is niet zo dat er nimmer tegenspoed komt. In de kerk hebben we namelijk met zondige mensen te maken. En door die zonden vertraagt de bouw van de kerk nogal eens.
In zulke omstandigheden moeten we ook ernstig rekening houden met de straf van de Here. Want de hemelse God laat laagheid en laksheid in de kerk niet over zijn kant gaan.
Hij vraagt eerbied voor Zijn werk. Hij vraagt ijver voor Zijn naam. Hij eist bekéring.
Daarbij mogen wij echter ook rekenen op de trouw van de Here[1].

Dat alles komt ook naar voren in een Schriftgedeelte als Ezechiël 21[2].
Dat zal hieronder blijken.

Wat houdt de profetie van Ezechiël in hoofdstuk 21 in?
1.
In dit Bijbelgedeelte moet Ezechiël een preek houden aan het adres van Jeruzalem. Het is een donderpreek. Alle mensen moeten het weten: hun levenseinde komt eraan!
Ezechiël moet zuchten. Hij moet laten zien dat hij het zwaar heeft. Heel zwaar. En als de mensen om hem heen meelevend gaan vragen: ‘beste man, waar zit u toch zo mee?’, dan moet hij uitleggen welke boodschap hij van de Here gekregen heeft. Ezechiël moet zeggen dat hij een zwaard ziet. Een zwaard dat vlijmscherp is; zo een waarmee men doden kan. Dat zwaard is bedoeld voor Gods volk. Met name de léiders van het volk krijgen er mee te maken. Er zullen dóden vallen. De mensen in Ezechiëls omgeving dienen zich voor te bereiden op een periode van rouw: “Daarom, sla u op de heup”[3]. Dat heupslaan was eertijds een teken van diep verdriet. Overigens is het goed mogelijk dat daar onze uitdrukking ‘het op je heupen krijgen’ vandaan komt[4].
De Here draait er niet omheen: “Want de proef is geleverd”[5]. Dat betekent: het is de Here duidelijk geworden dat Babel een heel geschikt straf-instrument in Zijn hand is.
Het wordt nog érger. Ezechiël moet enthousiast in de handen klappen[6]. Dat zwaard moet nog méér mensen doden… Wij kunnen de profeet bijna zien staan: pak dat ongehoorzame volk maar áán, Here; zij hebben straf verdiend!
De Here Zelf zal notabene geestdriftig mee applaudisseren.
In Ezechiël 21 is het ernst. Bittere ernst!
2.
Beeldend wordt beschreven hoe de koning van Babel op reis zal gaan.
Op zekere dag zal hij aankomen bij Rabba, in het land van de Ammonieten.
Even tussendoor: de weg van Babel naar Rabba en Jeruzalem liep indertijd tot Damascus samen. Vanaf die plek leidde één weg naar Rabba, en één naar Jeruzalem[7].
Welnu – Nebukadnezar, de Babylonische koning, zal op die tweesprong staan. Via waarzeggerij zal hij er vervolgens achter proberen te komen waar hij zijn veroveringsdrang het beste botvieren kan. Die toekomstvoorspellingen zullen hem leren dat hij zijn geluk maar moet beproeven in Jeruzalem.
Koning Nebukadnezar zal naar Jeruzalem gaan – en nu citeer ik – “om er stormrammen op te stellen, om er de mond te openen tot moordgeschreeuw, er de stem te verheffen tot een krijgskreet, om er stormrammen op te stellen tegen de poorten, een wal op te werpen en een schans te bouwen”[8].
Nebukadnezar gaat een schans bouwen om Jeruzalem in te nemen!
Het zal blijken dat de Jeruzalemmers de gebeurtenissen in de meest letterlijke zin ongelooflijk vinden. De Here beschermt hen immers? En wat koop je nou voor die toekomstvoorspellingen waar die Babyloniërs zich zo intensief mee bezig houden?
Maar het zal Gods kinderen spoedig duidelijk worden: via die Nebukadnezar worden zij met de gevolgen van hun éigen zonden geconfronteerd!
3.
Zedekia, de koning van Juda, zal zijn koninklijke waardigheid verliezen.
Afbraak zal aan de orde van de dag wezen.
Het wordt een puinhoop.
Een enorme ruïne.
Eén grote rommel!
Zeg maar gewoon: een zootje.
Dat is het trieste einde van Gods werk. Denkt een gewoon mens dan. Want wat moet je met een chaos? Wat kún je nog met een ravage? Wat zal een mens met zo’n janboel aanvangen?
4.
En dan, opeens, floept er – ergens in de diepe duisternis – een lichtje aan. Een klein lampje is het slechts. Maar onmiskenbaar straalt daar licht. Lévenslicht.
Leest u maar mee: “Een puinhoop, een puinhoop, een puinhoop zal Ik ze maken. Maar ook zo zal het niet blijven. Totdat hij komt, die er recht op heeft en aan wie Ik het geven zal”[9].
Wie in het Hebreeuws een woord herhaalt, wil laten blijken: wat ik nu zeg is belangrijk. Als een woord drie keer herhaald wordt is het dus héél belangrijk[10]. Het zal werkelijk waar zijn: het wordt een puinhoop.
Maar er is meer. Véél meer. Zedekia wordt weliswaar als koning afgezet. Hij moet van zijn troon af. Maar nee, die troon blijft niet leeg. Er komt, om zo te zeggen, geen vacature voor regent.
5.
Dat blijkt uit Lucas 1.
Daar zegt een engel tegen Maria: “En zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren, en gij zult Hem de naam Jezus geven. Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genoemd worden, en de Here God zal Hem de troon van zijn vader David geven, en Hij zal als koning over het huis van Jakob heersen tot in eeuwigheid, en zijn koningschap zal geen einde nemen”[11].
Er komt een nieuwe Koning. Een Koning die voor ééuwig regeren zal!
Zondige mensen maken er telkens weer een beestenboel. Een zwijnenstal is er niets bij.
Een gewoon mens ziet slechts de afgang. En de spiraal naar beneden.
Maar de Here biedt bevrijding. Nee, niet alleen maar een óplossing. Hij geeft verlossing. Door het reddingswerk van Zijn Zoon.

Ezechiël 21 is een waarschuwing: wie te maken krijgt met Gods toorn moet voor zijn leven vrezen.
Maar Ezechiël 21 geeft de kerk ook troost: want ondanks alles zet de Here Zijn werk door.
Dat wordt alras glashelder als wij een ogenblik kijken naar de leiderschapstijlen van Nebukadnezar en van de Here.
U weet waarschijnlijk wel dat ‘leiderschap’, en het nadenken daarover, heel modern is. De kerk heeft, zeggen deskundigen tegenwoordig, een grotere gevarieerdheid aan leiderschapsculturen nodig.
Hoe zit het in Ezechiël 21 eigenlijk met dat leiderschap?

Nebukadnezar is belust op macht en invloed. Hij is een veroveraar. Hij wil zijn stémpel op de wereld drukken.
Dat blijkt onder meer uit zijn invloed in de architectuur. Ruim negentig procent van alle bouwvallen die gevonden zijn in zijn koninkrijk, zijn gemaakt van bakstenen waar zijn naam op staat. Het lijkt er op dat hij bijna elke stad en elke tempel in het hele land heeft laten bouwen, verbouwen en/of verfraaien[12].
Nebukadnezar is dus een man van de bouw. De bouw aan zijn roem. De bouw aan zijn koninkrijk.
Zo komt ook de bouw van de schans bij Jeruzalem in een ander licht te staan.
Nebukadnezar bouwt aan zijn reputatie. Latere generaties in heel de wereld zullen moeten weten dat hij dé machthebber van Babel was!

Wat zijn de kenmerken van de leiderschapstijl van de Here?
Laat ik er enkele noemen:
* rechtvaardigheid – de Here kastijdt Zijn kinderen als zij straf verdiend hebben; maar dat doet Hij niet voor eeuwig, en niet genadeloos
* almacht – de machtige Nebukadnezar wordt door de hemelse Here als Zijn instrument gebruikt
* verbondstrouw – de Here laat het volk waarmee Hij een verbond gesloten heeft, nooit in de steek
* wijsheid – het is de Here bekend dat, als mensen zichzelf willen gaan redden, er niets meer van hen terecht komt; daarom grijpt Hij Zelf structureel in
* verlossing – wat geen mens ooit bedacht, heeft God uitgevoerd: het universele verlossingsplan voor heel de wereld
* bouwkundige kracht – de Here bouwt met zijn Goddelijke energie Zijn kerk, dwars door kleinzielige zonden van aardse mensen heen.

Ezechiël 21 is een hoofdstuk vol tegenstellingen.
Daarin staat aardse zonde tegenover Goddelijke toorn.
Daarin staat het bloedbad – aangericht door Gods zwaard – tegenover het bloed van onze Heiland Jezus Christus
Daarin staat de agressieve aanval tegenover Gods genade
Daarin staat de aardse schansbouwer -Nebukadnezar- uiteindelijk ook tegenover de hemelse Kerkbouwer -de drie-enige God-.

De leiderschapstijl van de Here?
Die kunnen wij zien
* in de straf voor het zondigende volk
* in de genade voor het toekomstige volk
* in de daaraanvolgende glorie van Zijn uitverkoren volk.

Bouwen aan de kerk: dat is geen hopeloze zaak.
Want de Here breekt door menselijke bekrompenheid heen.
De Bouwer en Beschermer van de kerk werkt aan pracht en praal voor al Zijn kinderen.
Zo gelden voor Gods uitverkorenen uit alle tijden en plaatsen die bekende regels uit Psalm 32:
“Welzalig hij wiens zonde is vergeven,
die van de straf genadig is ontheven,
wiens overtreding, die hem had bevlekt,
voor ’t heilig oog des HEREN is bedekt”[13].

Noten:
[1] Over deze thematiek schreef ik ook in mijn artikel ‘Kerk in ballingschap’, alhier gepubliceerd op donderdag 21 juni 2012. Het artikel is te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2012/06/21/kerk-in-ballingschap/ .
[2] In dit artikel ligt de focus op Ezechiël 21:1-27.
[3] Ezechiël 21:12.
[4] Zie http://www.onzetaal.nl/taaladvies/advies/het-op-je-heupen-krijgen .
[5] Ezechiël 21:13.
[6] Ezechiël 21:14.
[7] Zie “Bijbel met kanttekeningen”. – Baarn: Bosch & Keuning n.v., deel 6, p. 61. – Kanttekening 44 bij Ezechiël 21:20.
[8] Ezechiël 21:22.
[9] Ezechiël 21:27.
[10] Zie hierover bijvoorbeeld http://www.manna-vandaag.nl/index.php?option=com_content&view=article&id=14480:karaktertrekken-van-god&catid=107:studie-van-de-dag&Itemid=285 .
[11] Lucas 1:31, 32 en 33.
[12] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Nebukadnezar_II .
[13] Psalm 32:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

27 juni 2012

Evangelisch-reformatorisch

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Het hangt in de lucht: de behoefte om het kerkelijk leven opnieuw te etiketteren.
Twee etiketten springen daarbij momenteel in het oog: ‘evangelisch’ en ‘reformatorisch’.

Natuurlijk weet ik niet hoe het ú vergaat.
Maar wat mij betreft is de betekenis van de benaming ‘evangelisch’ wel zo’n beetje duidelijk. Er zit een wereld van Pinkstergroeperingen en charismatische stromingen achter.
Allerlei gezelschappen, van klein tot groot en van diverse snit, mogen als ‘evangelisch’ worden aangeduid. In die wereld is van alles mogelijk. Men kan er, zo bleek onlangs, zelfs een voorganger hebben die feitelijk nog maar een kind van een jaar of elf is[1].

Persoonlijk vind ik het woord ‘reformatorisch’ echter een wat vage term.
Reformatorischen zijn, voor mijn begrip, gelovigen die zich – kerkelijk gezien – in de orthodoxe hoek bevinden. Soms zijn ze ook bevindelijk. Bij tijd en wijle kan men veel van hen leren. Maar het is, geloof ik, wel oppassen geblazen.

Eertijds heette de reformatorische wereld gesloten te zijn. Onder druk van de stormachtige ontwikkelingen rond internet gaan die circuits echter steeds vaker open[2].
Reformatorischen hechten veel waarde aan erediensten. In die diensten neemt het orgel nog altijd een grote plaats in.
Reformatorischen hebben een eigen stijl[3]. Bijvoorbeeld als het gaat om de uiterlijkheid in de godsdienst: denkt u maar aan de hoeden die door vrouwen worden gedragen. Maar ook in het dagelijkse leven zijn reformatorische mannen en vrouwen vaak wel te herkennen: donkere pakken en rokken gelden welhaast als onderscheidingstekens. En over vrouwen gesproken: een smaldeel der reformatorischen bewaakt streng de plaats van de vrouw in de maatschappij; ‘laat de vrouw op de juiste plaats’, zo wordt gezegd.
Mensen in de reformatorische wereld zijn zich er sterk bewust van dat zij rentmeesters zijn. Op aarde is, zo merkt men op, alles tijdelijk. Wij staan in een lange geschiedenis; de Here God heeft in die historie onbetwist de leiding.
Reformatorischen hebben een open oog voor de wereld. De heren Van der Staaij en Dijkgraaf – Tweede Kamerleden voor de Staatkundig Gereformeerde Partij – zitten, als het daar om gaat, op een vooruitgeschoven post. Zij hebben bestuurlijke invloed. Het komt mij voor dat er in de orthodoxe hoek véél leidinggevende figuren zitten. Zou dat komen omdat zij zo principieel en vasthoudend zijn? Dat zou natuurlijk best kunnen.
Wellicht is die maatschappelijke betrokkenheid ook te verklaren uit het feit dat bij reformatorischen relatief weinig televisietoestellen te vinden zijn. Menselijkerwijs gesproken scheelt dat een hoop tijd. Bij al die activiteiten in de samenleving wordt Gods Woord vaak geciteerd, of op een andere manier gebruikt. Daarin verschilt men, bijvoorbeeld, nogal van het Leger des Heils. De heilssoldaten zijn volop actief in de samenleving, maar noemen de Bijbel niet zo expliciet.

In het woord ‘reformatorisch’ zit natuurlijk het woord reformatie. In de kerkelijke wereld denken we dan meestal aan de Reformatie van 1517.
Logischerwijs kan men vervolgens zeggen dat alle kerken die zich met die Reformatie verbonden voelen ‘reformatorisch’ mogen heten.

Maar zo simpel ligt dat niet. Welnee[4].
Neem nu de Christelijke Gereformeerde Kerken. Er zijn CGK’s waar men onbekommerd het Liedboek voor de Kerken gebruikt. Men zingt er ritmisch. In die kerken dragen vrouwen zonder hartzeer een lange broek. In ándere CGK’s zijn zulke dingen volstrekt ondenkbaar.
Ook is er de Hersteld Hervormde Kerk, de kerk die ontstond na grote meningsverschillen over de vorming van de Protestantse Kerk in 2004.
Laten wij thans de Gereformeerde Bond binnen de Protestantse Kerk niet vergeten. Binnen de Bond zijn er de bevindelijken. Maar er zijn, als ik dat zo zeggen mag, ook wat lossere Bonders.
En dan zijn er de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), de Nederlands Gereformeerde Kerken en de ‘linkerflank’ van de CGK. Meestal duiden we die niet aan als reformatorisch. Sommigen voelen de neiging om die kerken orthodox-gereformeerd te noemen; maar dat is, als ik het goed weet, vooral een verlegenheidsterm.

Om het geheel nog ietwat ingewikkelder te maken meldt de internetencyclopedie Wikipedia dat het woord ‘reformatorisch’ sinds de jaren ’70 van de vorige eeuw functioneert “als zelfaanduiding door organisaties uit de bevindelijk-gereformeerde zuil”.
Er staat bij: “Daarnaast waren er nog organisaties uit de periode van voor de bevindelijk-gereformeerde zuilvorming die zichzelf als reformatorisch aanduidden. Voorbeelden hiervan zijn de Stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte, die sinds 2010 Stichting voor Christelijke Filosofie heet, en de van 1975 tot 2001 bestaande Reformatorische Politieke Federatie (RPF), een partij die een orthodox-gereformeerde en geen bevindelijk-gereformeerde grondslag had, maar ook veel evangelischen trok”[5].

Iemand formuleerde als centrale uitgangspunten voor de reformatorische wereld:
* “De mens is zondig en heeft verzoening nodig
* Verzoening krijg je door geloof in Jezus Christus
* Dit geloof is een gave van God, 100% genade
* De wereld is het gebied van satan: mijding”.

Het is duidelijk dat een Gereformeerd mens zich in veel van het bovenstaande wel kan vinden.
Niet voor niets hebben mijn vrouw en ik al jaren een abonnement op het familieblad Terdege; het familieblad dat tweewekelijks in reformatorische kring verschijnt.

Het zou, wat mij betreft, echter te ver gaan om te zeggen dat ik mij in reformatorische sferen thúis voel.
En waarom voel ik mij daar niet helemaal gelukkig?
Omdat de aanduiding ‘reformatorischen’ staat voor een ratjetoe.
Wanneer we spreken over reformatorischen hebben we soms te maken met mensen die redeneren vanuit hun eigen bevindelijkheid en beleving. Anderen kijken wat anders tegen leer en leven aan.
Bij sommigen lijkt de traditie bijna heilig te zijn. Anderen veroorloven zich in veel dingen een wat meer hedendaagse aanpak.
Bij reformatorischen zien we, als het om wereldmijding gaat, nogal wat gradaties. De verschillen komen, bijvoorbeeld, naar voren in het gebruik van internet en e-mail binnen gezinnen en scholen[6].
Bij reformatorischen is, naar mijn idee, het kerkbesef niet zo groot. Als de kerk wél reuze belangrijk was zou men – naar mijn oordeel – meer werk maken van kerkelijke eenheid. Als de kerk wél reuze belangrijk was zou men – naar mijn oordeel – de Gereformeerde Bond binnen de Protestantse Kerk zo spoedig mogelijk opheffen. Soms krijg ik de indruk dat bij de reformatorischen de kerk ook een beetje het eigendom van ménsen is.

Nu maak ik graag nog een stapje naar de actualiteit van 2012.

Het is, denk ik, onder meer de hierboven beschreven variatie die ervoor zorgt dat velen tegenwoordig zo laconiek het combinatiebegrip ‘evangelisch-reformatorisch’ in de mond nemen.
De term ‘evangelisch’ zowel als het woord ‘reformatorisch’ fungeren in het spraakgebruik van onze tijd als verzamelnamen. Het zijn uitdrukkingen die sprekers en luisteraars er van harte toe uitnodigen om slechts de grote lijn in de gaten te houden. Wie te veel naar de details kijkt is een spelbreker. Zo’n studieus figuur mag niet meer meedoen – wég met die man!

Evangelisch-reformatorisch: dat is typisch zo’n woord waarbij ik me wat ongemakkelijk voel.
Dat komt, geloof ik, omdat het een containerbegrip is. Er zit een wereld achter van allerlei kerkelijke cultuurtjes. En van diverse menselijke gevoelens.
Evangelisch-reformatorisch: dat is typisch zo’n woord waarin de menselijke emotie somtijds prevaleert boven Gods wil en Zijn bevel.

Evangelisch-reformatorisch: dat is typisch zo’n woord dat wij, naar mijn inzicht, met een verbijsterende onmiddellijkheid moeten parkeren op de afdeling Klerikale Curiosa.
En wel in de hoek van de Al of niet Bewuste Ongehoorzaamheid.
Want daar hoort het thuis.

Noten:
[1] Zie bijvoorbeeld http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/elfjarige_jongen_wordt_voorganger_ik_weet_me_geroepen_1_655124 .
[2] Zie voor een sfeerimpressie van de reformatorische wereld http://www.ceesvdwal.nl/Cees_van_der_Wal_fotografie_en_ontwerp/Portfolio/Portfolio_files/Gewone_mensen_1.pdf .
[3] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.nji.nl/nji/download/congressen/20120601Workshop_34_reformatorische_ouders.pdf .
[4] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.kerkzoeker.nl/reformatorisch.html .
[5] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Reformatorisch .
[6] Zie hierover ook http://www.geref-onderwijsvereniging-zwolle.nl/uploads/Reformatorisch%20onderwijs,%20een%20alternatief.pdf .

26 juni 2012

Dominee: loodgieter en kunstschilder?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

De predikant en de preek zijn onverbrekelijk aan elkaar verbonden.
Tot voor kort, althans.

Want in een opiniestuk op de website Kerknieuws.nl staat te lezen: “Theologieopleidingen zouden niet enkel moeten hopen op een sprankelende persoonlijkheid die nieuw elan brengt in de kerk, maar de studie moeten aanpassen aan de moderniteit. De dominee in spe zal ermee te maken krijgen dat er in de toekomst niet langer een hecht kerkgenootschap bestaat dat wekelijks samenkomt. In plaats daarvan willen mensen zelf kunnen kiezen welk bezinningsevenement bij hen past en op welk moment daar tijd voor is. Deze projecten kunnen dan wel vanuit een specifieke kerk worden georganiseerd, maar de dominee moet in het achterhoofd houden dat dat de bezoeker om het even is.
Om de toekomstige dominees en priesters klaar te stomen voor het vak, zullen de opleidingen vakken in de studie moeten incorporeren die de student helpen creatief te zijn in het uitdragen van de theologie buiten de ouderwetse preekstoel om. Kerken zullen namelijk veel minder vaak als warm bad fungeren waarin de dominee automatisch opgaat”[1].

De studie Godgeleerdheid moet worden aangepast aan de moderniteit. De studie moet dus hedendaagser worden. Nieuwerwetser.
Dat klinkt wel redelijk. Zeker wanneer we in de sfeer van de apologetiek zitten – dat is de verdediging van het christelijk geloof – is het van belang om te weten hoe de wereld er uit ziet. U en ik moeten weten wat de denktrant van de Nederlandse opinieleiders is. U en ik dienen te weten wat er in de krant staat. Weten wat er in de wereld te koop is – dat is een must om als kerk werkelijk antithetisch in de wereld te kunnen staan.
Maar dat woord ‘moderniteit’ bevalt mij in genen dele. Want dat is de eenentwintigste eeuw niet zelden het synoniem van kerkelijk invoelingsvermogen. Of, zo u wilt: de mate waarin de kerk oog voor de samenleving heeft. Zeg maar: de manier waarop de kerk omgaat met de zieke buurvrouw, de zielige medemens uit een ver land en de andersdenkende die niks met de kerk heeft… Daar mag de kerk echter nooit beginnen. De kerk dient zich te concentreren op de genade die de Heer van hemel en aarde aan Zijn kinderen geven wil. Dát is het startpunt van de ware christen.
De prioriteit van de kerk behoort bij de prediking van het Evangelie te liggen.
Kerkmensen moeten geen praatjes houden over Theo die het zo moeilijk heeft. En over Giny, die zo sociaal voelend is en een samenbinder in de buurt blijkt te wezen.
In de kerk wordt uitgelegd dat de Here God de zonde haat. In de kerk horen wij dat de Here God behagen heeft in rechtvaardigheid. In de kerk wordt ons verteld dat de Schepper van hemel en aarde een reddingsplan voor deze wereld heeft bedacht. In de kerk vernemen wij het blij makende Evangelie van de Here Jezus Christus, die naar de aarde kwam om te lijden en te sterven. God heeft “zijn goedheid en barmhartigheid (…) uitgestort over ons, die schuldig waren en verdienden veroordeeld te worden. Want in volkomen liefde heeft Hij zijn Zoon voor ons in de dood overgegeven en Hem opgewekt tot onze rechtvaardiging, opdat wij door Hem onsterfelijkheid en eeuwig leven zouden hebben”. Zo staat dat in de Nederlandse Geloofsbelijdenis[2].
In de kerk zitten geen aardige mensen, die alleen maar vriendelijke verhaaltjes vertellen. In de kerk luisteren we naar het Evangelie van Christus. De Ambtsdrager over wie God gezegd heeft: “Gerechtigheid hebt Gij liefgehad en ongerechtigheid hebt Gij gehaat; daarom heeft U, o God, uw God met vreugdeolie gezalfd boven uw deelgenoten”. Dat leerden de Korachieten in Psalm 45 al aan hun luisteraars; de Hebreeënschrijver wijst ook op Hem[3]. Dankzij die Ambtsdrager is de kerk onderweg. Op pad van de vuilnisbelt naar het koninklijk paleis.
De kerk bestaat niet primair vanwege de meelevende groetjes, en de lieve attentie voor de buurman. De eerste en voornaamste taak van de kerk is deze: God eren vanwege de volvoering van Zijn reddingswerk!

Het hechte kerkgenootschap moet zich, zo wordt gesuggereerd, op een spoedige verdwijning voorbereiden.
Eerlijk gezegd geloof ik daar weinig van.
Want wat moet ik in dat geval met 2 Timotheüs 2? Ik citeer: “En toch staat ongeschokt het hechte fundament Gods met dit merk: De Here kent de zijnen, en: Een ieder, die de naam des Heren noemt, breke met de ongerechtigheid”. Het fundament is van God: van Hem afkómstig dus, en door Hem gelegd.
En, zo wordt daarbij genoteerd, de Here ként de zijnen. Dat wil zeggen: de Here weet wie Zijn kinderen zijn; het is Hem bekend welke mensen er door Jezus Christus met een bloedband hecht aan Hem verbonden zijn. Door alle eeuwen heen blijft die Boodschap klinken. Ja, we horen die Boodschap ook al in het Oude Testament. In Numeri 16 lezen we over de opstand van Korach, Dathan en Abiram. Mozes zegt: “Morgen, dan zal de HERE doen weten, wie Hem toebehoort, en wie de heilige is, dat Hij hem tot Zich doe naderen; die Hij verkiezen zal, zal Hij tot Zich doen naderen”[4].
Ik wil maar zeggen: door alle tijden heen, brengt de Here mensen bijeen rond Zijn Woord.
Ik wil maar zeggen: door alle tijden heen klinkt de oproep tot reformatie; tot terugkeer naar de Here.
Ware christenen hanteren daarbij niet het adagium van de vrijblijvendheid. Zo van: we moeten nog maar ês zien hoe we dat vorm gaan geven. Immers, de Hére roept. En dan wordt er binding gevraagd. Aan God. En daarna – ja daarná! – ook aan elkaar.

Hierboven lees ik over een bezinningsevenement.
In dat laatste woord zit een zekere tweeslachtigheid. Enerzijds zijn er de contemplatie en de meditatie. Anderzijds proeft men de nauw verholen behoefte aan de kick en het ongebreideld enthousiasme, het flitsende programma en de dynamiek.
Het meest treffend in dat woord ‘bezinningsevenement’ is het ménselijke element. De humane drijfveer is dé motor om een dergelijke festiviteit te organiseren.
Welnu – hoe ik ook mijn best doe, ik slaag er niet in om het bovenstaande te rijmen met de welomschreven taak die christenen van de Here krijgen. Ik noem u:
* het hoog houden van de reputatie van onze Here
* het doel van onze levenstijd; die tijd staat in het kader van de dankbaarheid, en de dienst aan de verlossende God
* het strijden met open vizier, in een wereld waarin de almachtige God steeds vaker vergeten lijkt te worden.
Deze kwestie overziende dringt zich de actualiteit van Zondag 12 uit de Heidelbergse Catechismus aan ons op. De reden dat wij ‘christenen’ worden genoemd is volgens dat leerboekje gelegen in het feit dat we door het geloof leden van Christus zijn en zo deel hebben aan zijn zalving. Dan gaan we:
* als profeten zijn naam belijden
* als priesters onszelf als levende dankoffers aan Hem offeren
* als koningen in dit leven met een vrij en goed geweten tegen de zonde en de duivel strijden
* na dit leven in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regeren[5].

Op Kerknieuws.nl lees ik: “Deze projecten kunnen (…) wel vanuit een specifieke kerk worden georganiseerd”.
Laten wij wél zijn: de kerk – mét lidwoord – heeft iets zeer specifieks. Zij wordt namelijk door de Here Zelf vergaderd. Die kerk is uniek. Van die kerk is er maar één.
In dat licht bezien is de term ‘een specifieke kerk’ enigermate merkwaardig. En dan druk ik mij nog zachtjes uit.

Er is nog meer dat mij verbaast.
Toekomstige dominees en priesters moeten namelijk klaargestoomd worden voor het vak.
Klaargestoomd, nog wel. Voor het vák, ook nog: aldus worden zielzorg, pastoraat en prediking diverse aspecten van een ámbacht.
Zo worden dominees en priesters een soort loodgieters: als de leidingen in orde zijn, wordt – zo veronderstelt men – de sanitatie vanuit de hemel netjes geregeld. Intussen sijpelt er iets reuze belangrijks weg: de eerbied voor God; onze nederigheid bij Zijn heiligheid.
De roeping van de predikant is in velden of wegen te bekennen.
Foei toch!

Eén ding nog.
Een predikant moet, zo lees ik, creatief zijn.
Als ik het goed begrijp moet hij nogal wat eigenschappen van een kunstenaar hebben. Dan kan hij, naar ik aanneem, de gemeente zo beschilderen dat het een kleurrijk geheel wordt…
Hoogst merkwaardig.
En schandalig bovendien. Want zo wordt het werk van de Here miskend.
Laat het voor ware gelovigen intussen duidelijk wezen: de kloof tussen kerk en wereld is breed. En diep. Zeer diep.

Noten:
[1] Zie http://kerknieuws.nl/debat.asp?oId=174 .
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 20.
[3] Zie Psalm 45:7 en 8; Hebreeën 1:9.
[4] Zie Numeri 16:5.
[5] Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 12, antwoord 32. De Catechismus is niet letterlijk geciteerd; het betreffende antwoord staat in de eerste persoon enkelvoud (ik-vorm).

25 juni 2012

Beeldende verhalen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Wilt u het christelijk geloof verdedigen? Dan hoeft u in de toekomst niet zo veel argumenten meer te hebben.
We leven namelijk in een postmoderne samenleving. In die maatschappij doen beelden en verhalen het een stuk beter. Als u het geloof uit gaat leggen, is het goed als u een mooi verhaal kunt vertellen.
Dat zegt de Britse theoloog Alister McGrath. Deze Godgeleerde schreef een handboek apologetiek.
In het Nederlands Dagblad werd zijn boodschap aldus samengevat: “In de postmoderne tijd is het gebruik van argumenten minder belangrijk geworden voor een apologeet. Beelden en verhalen bieden daarentegen apologetisch gezien meer potentie dan in de moderne tijd.
Of we het postmodernisme nu goed of fout vinden, we moeten erkennen dat we in een postmodern klimaat leven. De manier waarop we het geloof uitleggen en verdedigen moeten we daarop aanpassen. Dat betekent dat redeneren en argumenteren mensen minder zegt dan in de moderne tijd”.
Als tip geeft McGrath: “‘Wees wellevend, luister goed naar wat de vraag precies is, geef geen voorverpakte antwoorden en leer van andere apologeten”. “Het is een manier om de schatten van het christelijk geloof te etaleren, op te poetsen en aan te prijzen”[1].

Nu ben ik maar een gewone jongen. Met gezond verstand; dat wél gelukkig.
En eerlijk is eerlijk: dat handboek heb ik nog niet gelezen.
Maar het lijkt mij gepast om hier en daar een relativerende noot te plaatsen. Verder stel ik ook wat vragen.

In de Bijbel kom ik heel veel verhalen tegen.
Over de manier waarop God de wereld schiep. Over de bevrijding van de Israëlieten uit Egypte. Over Elia en Elisa. Over de levensloop  van Jezus op aarde. Over de evangelisatie in het Bijbelboek Handelingen. Enzovoort.
In de Bijbel kom ik heel veel beelden tegen. Een verbrande olijfboom in Jeremia 11, bijvoorbeeld[2]. En het gezinsleven van Hosea; zie Hosea 1[3]. En twee huizen in Mattheüs 7: één op de rots, en één op het zand[4]. En het koninklijke bruiloftsmaal, in Mattheüs 22[5]. En – om niet meer te noemen – bouwmaterialen in 1 Corinthiërs 3[6].
Gods Woord staat vol beelden. En verhalen: daar zijn er ook veel van.
Door de eeuwen heen zijn die verhalen doorverteld. Die beelden zijn ‘vertaald’ naar het moderne leven. Er is over gepreekt. Er is in fauteuils en aan koffietafels uitgebreid over gesproken.
Inmiddels keren massa’s mensen zich van het christelijk geloof af.
Daarom vraag ik: wij hebben toch niet de illusie dat met het vertellen van verhalen en het oproepen van beelden de kerken plots vol gaan lopen? En: wij hebben toch niet het idee dat via meer vertellingen aan veel mensen duidelijk wordt dat geloven levensreddend is?

Levensverhalen zijn ook in onze tijd modern. Het is in om die verhalen op te schrijven.
Gereformeerden krijgen in zo’n verhaal de kans om te laten zien hoe God hen aan Zijn hand door het leven heeft geleid. Zij kunnen aantonen dat de Here God immer present was: bij tijden van vreugde, en ook in periodes die door dieptepunten gekenmerkt werden.
Soms zullen onkerkelijke en/of ongelovige mensen van dergelijke verhalen onder de indruk zijn.
Ongetwijfeld zullen er echter heel wat mensen zijn die zeggen: ik ben gedurende mijn ganse leven in geen kerk of klooster geweest, en ach – ik heb me óók gered.
En ik vraag: het vertellen van verhalen en het schetsen van allerlei beelden is toch geen garantie van geloofsbloei?

Verhalen en beelden: waarom werken we daarmee? Antwoord: omdat we de mensen om ons heen willen laten weten hoe goed God is.
Het probleem is alleen dat de Here God in Exodus 20 heeft gezegd: “Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is”[7].
De God die geloof vraagt, is niet in een beeld te vatten. Van de God die Zich in Zijn Woord openbaart kan niemand een afbeelding maken.
Men kan nóg zoveel verhalen vertellen, en nóg zoveel beeldspraak gebruiken… – uiteindelijk wordt geloof gevraagd in de hemelse Here, Schepper van hemel en aarde, die voor mensenogen onzichtbaar is.
En ik vraag: is het niet zo dat iemand die in God gelooft, het uiteindelijk moet doen mét Gods Woord en zónder beelden?

Over de Here kan men schitterende verhalen vertellen.
Over het ontstaan van de Bijbel kan men heel wat dingen zeggen. Ráke dingen, ook.
Maar uiteindelijk komt het op gelóóf aan.

Nee, ik ben er niet tegen dat er Bijbelverhalen worden verteld. Integendeel.
Maar laten we niet denken dat het opdissen van allerlei verhalen, als het om evangelisatie en zending gaat, het ei van Columbus is.
Met beeldende verhalen redden we de kerk niet.

Noten:
[1] Zie “Postmoderne apologeet moet verhalen en beelden gebruiken”. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 22 juni 2012, p. 2.
[2] Jeremia 11:15-17.
[3] Hosea 1:2-12.
[4] Mattheüs 7:24-27.
[5] Mattheüs 22:1-14.
[6] 1 Corinthiërs 3:10-15.
[7] Exodus 20:4.

22 juni 2012

Geloofsblijdschap in een geseculariseerde wereld

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Gereformeerde mensen mogen zich oefenen in geloofsblijdschap. Elke dag mogen zij bedenken dat een kind van God blij mag wezen met zijn redding.
Maar menselijkerwijs gesproken valt dat niet altijd mee.

Laten we even teruggaan naar de tijd waarin Gods Woord geschreven wordt.
Daar lijken de omstandigheden ook heel vaak geen reden tot vreugde in de Heer te geven.

Neem bijvoorbeeld Handelingen 13.
In dat Schriftgedeelte lezen we over de verbreiding van het Evangelie. Barnabas en Paulus worden uitgezonden naar Cyprus. Van daaruit vertrekt men naar het vasteland[1].
Paulus preekt in Antiochië. In een indrukwekkend relaas geeft hij een overzicht van de geschiedenis van Israël. Overtuigend toont hij aan dat Jezus de vervulling van Gods belofte is. Omdat het evangelie van Jezus bij de Joden in Palestina geen erkenning heeft gekregen, zijn Gods dienaren nu naar Antiochië gegaan. En, zegt Paulus, het is thans van het allerhoogste belang dat ú de blijde Boodschap van Jezus’ lijden en opstanding wel op waarde schat.
De Joden in Antiochië blijken uiteindelijk niet erg onder de indruk.
Wij lezen: “Maar de Joden stookten de aanzienlijke vrouwen, die God vereerden, en de voornaamsten der stad op, en zij verwekten een vervolging tegen Paulus en Barnabas en dreven hen uit hun gebied. Doch zij schudden het stof van hun voeten af tegen hen en gingen naar Ikonium; en de discipelen werden vervuld met blijdschap en met de heilige Geest”[2].

Er is ongeloof. En revolutie.
De discipelen negeren de vervolging. Het stof van de stad wordt zelfs van de voetzolen geschud. En vervolgens wordt vermeld dat Jezus’ leerlingen vol worden van blijdschap en van de Heilige Geest.

Dat klinkt misschien ietwat vreemd. Vreugde in een situatie vol scheldpartijen en spot, hoe kan dat nou?
Maar juist dáárin blijkt de kracht van God. Juist dáárin kan men zien dat het Koninkrijk van God wordt opgericht.
Paulus schrijft in Romeinen 14: “…het Koninkrijk Gods bestaat niet in eten en drinken, maar in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap, door de heilige Geest”[3]. In de Heidelbergse Catechismus kunnen wij lezen: “…de Schrift zegt dat een onkuise, afgodendienaar, echtbreker, dief, gierigaard, dronkaard, lasteraar, oplichter, of een dergelijke zondaar, het koninkrijk van God niet beërven zal”[4].
De conclusie is welhaast onontkoombaar: in de geloofsvreugde zien we de kloof tussen kerk en wereld opdoemen.

De door de Heilige Geest gegeven geloofsblijdschap geeft ook hoop voor de toekomst.
Leest u maar even mee in Romeinen 15: “De God nu der hope vervulle u met louter vreugde en vrede in uw geloof, om overvloedig te zijn in de hoop, door de kracht des heiligen Geestes”[5].
De Heilige Geest is een door God gegeven garantie van de hemelse toekomst. In Efeziërs 1 wordt de Geest gekarakteriseerd als “een onderpand (…) van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid”[6].
De Heilige Geest en geloofsblijdschap: dat is een combinatie die de toekomst open legt!

Als u het mij vraagt, heeft de geloofsblijdschap in Handelingen 13 ons ook vandaag nog wel het een en ander te zeggen.

Wij leren bijvoorbeeld dat we als Gereformeerde mensen in een heidense wereld stevig in onze schoenen moeten staan.
Wij leven in een wereld waarin openheid en tolerantie zo ongeveer tot de grondrechten behoren. De vele mogelijkheden tot snelle communicatie dwingen ons ertoe om oog te houden voor heel veel gebeurtenissen in de wereld om ons heen. In die omstandigheden zijn wij alras geneigd om wat water bij de wijn te doen. Het moet voor de gemiddelde Neêrlandse kerkmens per slot van rekening wel leefbaar blijven, nietwaar?
Welnu, de Here God leert ons om ons te concentreren op Zijn blijde Boodschap. We mogen ons richten op de geloofsblijdschap die de Here geeft.

De ‘zendelingen’ in Handelingen 13 worden, om zo te zeggen, getraind in weerbaarheid.
Eertijds zei men wel dat schelden niet zeer doet. Maar inmiddels weten we heel goed dat negatieve bejegening, bespotting en kwaadsprekerij mensen kapot kunnen maken.
De boodschappers van God in Handelingen 13 hebben daar geen last van. Zij schudden het stof van hun voeten en reizen af naar de volgende stad. Ongebroken en veerkrachtig gaan zij hun gang.
Dat is, denk ik, een goede leer voor kerkmensen van 2012. Wij doen er bij goed aan om het fulmineren óp en tekeergaan tégen de kerk grotendeels te negeren.
Dit Schriftgedeelte leert ons onder meer om bij spotters en cynici uit de buurt te blijven.

Geloofsblijdschap geeft hoop voor de toekomst.
Het komt mij voor dat dat in onze tijd van belangrijk is. Allerlei mensen verzekeren ons dat onze samenleving op drift is geraakt. De poldercultuur is, als ik mij niet vergis, enigszins uit beeld geraakt. In de afgelopen jaren is de onvrede toegenomen. De vakbeweging lijkt gaandeweg machtelozer te worden. Vandaag de dag is ‘protesteren en demonstreren’ het devies. Wie wat te melden heeft, moet zich tot krant of televisie wenden; dan wordt men al snel gehoord… Er wordt gestreden over DNV; dat is de nieuwe vakbeweging. En over de invoering van een nieuw zorgstelsel in ons land. De politie voerde onlangs actie voor een betere salariëring. In het openbaar vervoer worden nogal eens stakingen gemeld. Kortom: men kan in ons land zo langzamerhand wel spreken van een tamelijk onrustig sociaal klimaat[7].
Mét dat al lijkt het soms wel of deskundigheid afhangt van het aantal keren dat slimme sprekers in de krant geciteerd worden, of op de televisie te zien zijn.
Gereformeerde mensen moeten ervoor waken om zich op de zichtbaarheid van opinieleiders te verkijken. De Heilige Geest plaveit de weg naar de toekomst. Onze geloofsblijdschap wordt gaandeweg groter omdat wij uitzicht op de hémel hebben!

Vervuld zijn van blijdschap en van de Heilige Geest: dat is niet iets zweverigs. Of iets groots, waar een aardse sterveling niet bij kan.
Het betekent dat ware gelovigen nuchter in deze wereld staan.
Geconcentreerd op het Evangelie van Gods Zoon.
Weerbaar.
Hoopvol.
En antithetisch. Dat vooral.

Noten:
[1] Een kaartje is te vinden op http://bijbelseplaatsen.nl/plaatsen/P/Paulus%201e%20zendingsreis/334/ .
[2] Handelingen 13:50, 51 en 52 .
[3] Romeinen 14:17.
[4] Heidelbergse Catechismus – Zondag 32, antwoord 87.
[5] Romeinen 15:13.
[6] Efeziërs 1:13 en 14.
[7] Zie hierover ook http://www.andereuropa.org/category/eu_democratie/ .

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.