gereformeerd leven in nederland

30 november 2012

De Here is druk aan het werk

Aanstaande zondag is het 2 december. Dat is de eerste Adventszondag van 2012.
Advent is de periode waarin veel mensen aandacht besteden aan de manier waarop de komst van Jezus Christus werd voorbereid. Het is ook de tijd waarin we ons extra concentreren op de wéderkomst van onze Heiland.
Het is goed om daaraan aandacht te besteden.
Niet om romantisch te doen. U zult mij niet horen over sterretjes die stilletjes flonkeren en engelkens die door het luchtruim zweven.
Nee, wij zullen moeten kijken naar de manier waarop de Here God het eeuwig heil voor Zijn kinderen realiseert.
Welnu: “Hoe zal ik Hem bezingen” is een gezang waarin het verleden en de toekomst beide aan de orde komen. Jezus’ eerste komst op aarde en Christus’ wederkomst aan het eind der dagen: beide zijn ze in beeld[1]. De schrijfster van het lied laat zien hoe de lijn van de heilshistorie dóórloopt. Daarover schrijf ik verderop in dit stuk nog wat meer.

Voornoemd gezang is een transformatie van het lied ‘Wie soll ich dich empfangen’ van Paul Gerhardt[2].

Die Paul Gerhardt was een Duitse dominee, die leefde van 1607-1676. Gerhardt was de zoon van een herbergier en burgemeester. Zijn grootvader van moeders zijde was superintendent in de Lutherse kerk; dat is een regionaal toezichthouder. De dominee-dichter kwam dus uit een streng-Lutherse familie.
Geen wonder eigenlijk dat, toen Gerhardt dominee in Berlijn werd, hij in botsing kwam met de calvinistische keurvorst Friedrich Wilhelm van Brandenburg. Die keurvorst was van mening dat calvinisten evenveel erkenning verdienden als lutheranen. Maar Paul Gerhardt was dat beslist niet met Friedrich Wilhelm eens. Dat was de reden dat de dominee in 1666 geschorst werd als predikant.
In 1667 werd hij, mede op verzoek van Berlijnse burgers weer toegelaten tot het ambt. Maar al heel snel gaf hij het predikantschap weer op. Hij weigerde om, op wat voor manier dan ook, samen te werken met de calvinisten.
In 1668 overleed Gerhardts vrouw. Daarna werd hij, in 1669, tóch weer predikant. In Lübben, deze keer. Dat is een plaats in het oosten van Duitsland. Daar overleed Paul Gerhardt in 1676.
Paul Gerhardt is bij ons veel bekender als dichter. Zo verscheen in 1666 Paul Gerhardts Geistliche Andachten. Dat is een bundel gezangen.
In het Liedboek voor de Kerken staan dertien gezangen van Paul Gerhardt. Naast ‘Hoe zal ik u ontvangen’ is bijvoorbeeld ook ‘Beveel gerust uw wegen’ heel bekend geworden[3].

Het lied ‘Hoe zal ik Hem bezingen’ is – ik schreef het hierboven reeds – een bewerking van een lied van dominee Gerhardt. Die bewerking werd gemaakt door Anka Brands[4].
Anka Brands was het pseudoniem van Franktje Achterhof (1918-1978). Mevrouw Achterhof was achtereenvolgens onderwijzeres in Berkel en Rodenrijs en Hoogeveen.
In de jaren ’70 van de vorige eeuw publiceerde zij enkele liedbundels.
We kennen haar onder meer van de Lofzang van Zacharias; dat is Gezang 8 in het Gereformeerd Kerkboek. Ook maakte ze een vertaling van ‘Een vaste burcht is onze God’; die vinden wij in het Gereformeerd Kerkboek terug als Gezang 33.

Anka Brands tekent de lijn na die de Here in Zijn Woord trekt. Laat ik een viertal punten op die lijn mogen markeren.
1.
De dichteres wijst op Gods rijksgebied.
Dat is het gebied van het Koninkrijk van God.
Dat Koninkrijk komt er doordat wij ons steeds meer aan de Here onderwerpen. Wij eerbiedigen het gezag dat Hij over ons heeft.
De Here God breekt Hoogstpersoonlijk de door de duivel opgetrokken bouwsels weer af. Hij biedt partij aan alle machten die Zijn Goddelijke kracht willen ondermijnen. Hij zorgt er voor dat alle plannen, die bedacht worden om Zijn Woord te overstemmen, nooit volledig kunnen worden uitgevoerd.
Er komt een moment dat Gods Koninkrijk volmaakt is. Dan overheerst de hemelse God alles en iedereen. Voor een samenleving met die heerlijkheid geldt: mooier kan het werkelijk niet worden[5]!
2.
De schrijfster van dit lied wijst op Jezus’ intocht in Jeruzalem:
“Hem spreidde Sion palmen
in geestdrift, gauw gedoofd…”[6].
In Johannes 12 meenden de mensen dat zij de man binnenhaalden die de Romeinen zou kunnen overwinnen. In Johannes 11 had hij Lazarus uit de dood doen opstaan[7]. Zo’n wonderdoener zou die Romeinen toch wel de baas kunnen? Ze zongen het zo bekende motief uit Psalm 118: “Gezegend hij, die komt in de naam des HEREN…”[8].
Vlak voor Jeruzalem legden enthousiaste mensen palmtakken op de weg.
Die palmtakken zien wij in Openbaring 7 terug als het gaat over de grote schare mensen die de Here prijst om Zijn grote daden. Ik citeer: “Daarna zag ik, en zie, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle volk en stammen en natiën en talen stonden voor de troon en voor het Lam, bekleed met witte gewaden en met palmtakken in hun handen. En zij riepen met luider stem en zeiden: De zaligheid is van onze God, die op de troon gezeten is, en van het Lam!”[9].
Als wij onze almachtige Heer op deze aarde bezingen, is dat een voorbereiding op een eeuwigheid die zó stralend en volmaakt is, dat die onze fantasie geheel te boven gaat.
3.
Anka Brands dichtte:
“Mijn hart vol boos begeren
getuigt steeds tegen mij…”.
En:
“Hij deed ons met Zich sterven
en uit het graf opstaan”[10].
Daarin kunnen wij klanken horen uit de hoofdstukken 5 en 7 van Hosea’s profetie.
In Hosea 5 staat: “De hoogmoed van Israël getuigt openlijk tegen hem. Israël en Efraïm zullen struikelen door hun ongerechtigheid. Ook Juda struikelt met hen”. En in Hosea 7 is te lezen: “En de hoogmoed van Israël getuigt openlijk tegen hem. Doch zij hebben zich niet bekeerd tot de HERE, hun God, en hebben Hem trots dit alles niet gezocht”[11].
Maar wij zien ook Paulinische motieven.
Kijkt u maar in Romeinen 6: “Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven, daar wij weten, dat Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt, niet meer sterft: de dood voert geen heerschappij meer over Hem”. En in 2 Timotheüs 2: “Het woord is betrouwbaar: immers, indien wij met Hem gestorven zijn, zullen wij ook met Hem leven; indien wij volharden, zullen wij ook met Hem als koningen heersen; indien wij Hem zullen verloochenen, zal ook Hij ons verloochenen; indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw, want Zichzelf verloochenen kan Hij niet”[12].
In die paar dichtregels resoneert de Heilige Schrift mee!
4.
De dichteres uit Hoogeveen formuleerde ook:
“Want Hij zal eens verschijnen
als rechter van ’t heelal,
die trotsen doet verdwijnen,
maar kleinen kronen zal”.
Die woorden brengen ons bij Mattheüs 18. Daar roept Jezus een kind in de kring van Zijn leerlingen. De Meester zegt: “Wie nu zichzelf gering zal achten als dit kind, die is de grootste in het Koninkrijk der hemelen. En een ieder, die zulk een kind ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij. Maar een ieder, die één dezer kleinen, die in Mij geloven, tot zonde verleidt, het zou beter voor hem zijn, dat een molensteen om zijn hals was gehangen en hij verzwolgen was in de diepte der zee”. En: “Ziet toe, dat gij niet één dezer kleinen veracht. Want Ik zeg u, dat hun engelen in de hemelen voortdurend het aangezicht zien van mijn Vader, die in de hemelen is”[13].
Als we dit gezang zingen, moeten wij goed doordrongen zijn van onze status. En die is heus niet hoog!
Maar er is meer.
Want dit gezang eindigt met de volgende regels:
“Nu zingt de kerk haar zangen,
de Geest zegt met de bruid:
Kom Heer, wij zien verlangend
naar uw verschijning uit”.
En zo ontplooit zich het perspectief van Openbaring 22: “En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En wie het hoort, zegge: Kom! En wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet”[14].

Het loopt tegen Advent.
Het wordt weer Kerst.
En misschien hangt u wel wat gezellige lichtjes op, thuis. Wellicht zet u wat van die leuke decemberdingetjes op tafel. Ik zou zeggen: doe dat vooral!
Maar laat het daar niet bij blijven.
Want iedere dag voert onze Here God Zijn plan met de wereld vérder uit. En dat plan behelst meer dan wat lichtjes en wat huiselijke gezelligheid.
Héél wat meer.

Noten:
[1] Eind december hoop ik in De Bazuin – het landelijk kerkblad van De Gereformeerde Kerken – Gezang 13:1 (“Hoe zal ik Hem bezingen”) kort toe te lichten in de rubriek ‘Psalm van de Week’. Dit stuk is het resultaat van enige voorstudie.
De tekst van het gezang is te vinden op http://liedboek.wikia.com/wiki/Hoe_zal_ik_Hem_bezingen .
[2] De Duitse tekst is te vinden op http://de.wikipedia.org/wiki/Wie_soll_ich_dich_empfangen .
[3] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Paul_Gerhardt .
[4] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van http://liedboek.wikia.com/wiki/Anka_Brands .
[5] Heidelbergse Catechismus – Zondag 48, antwoord 123: “Uw koninkrijk kome. Dat wil zeggen: Regeer ons zo door uw Woord en Geest, dat wij ons steeds meer aan U onderwerpen; bewaar en vermeerder uw kerk; verbreek de werken van de duivel en alle macht die tegen U opstaat; verijdel ook alle boze plannen die tegen uw heilig Woord bedacht worden; totdat de volmaaktheid van uw rijk komt, waarin U alles zult zijn in allen”.
[6] Gezang 13:3 (Gereformeerd Kerkboek).
[7] Zie Johannes 11:11-44.
[8] Psalm 118:26 a.
[9] Openbaring 7:9, 10.
[10] Gezang 13:4 (Gereformeerd Kerkboek).
[11] Achtereenvolgens citeer ik Hosea 5:5 en Hosea 7:10.
[12] Achtereenvolgens citeer ik Romeinen 6:8 en 9 en 2 Timotheüs 2:11, 12 en 13.
[13] Achtereenvolgens citeer ik Mattheüs 18:4-6 en Mattheüs 18:10.
[14] Openbaring 22:17.

29 november 2012

Met God op de goede weg

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Vandaag vraag ik uw aandacht voor een tekst waaruit Gereformeerde mensen, naar het mij voorkomt, veel troost kunnen putten. Het Schriftgedeelte staat in Spreuken 3, en luidt:
“Vrees niet voor plotselinge schrik,
noch voor de ondergang der goddelozen, als hij komt.
Want de HERE zal uw betrouwen zijn,
Hij zal uw voet bewaren, zodat hij niet gegrepen wordt”[1].

Wie de strekking van deze woorden tot zich wil laten doordringen, doet er goed aan de omlijsting van de Bijbeltekst een ogenblik nader te bezien[2].
In Spreuken 3 lezen we achtereenvolgens:
* een oproep om vroom te leven. Voor Gereformeerde mensen is het van groot belang om eigen inzichten aan Gods Woord te toetsen[3]
* een beschrijving van het belang van de wijsheid. De waarde van die Schriftuurlijk getinte kundigheid gaat boven aardse kostbaarheden uit[4]
* de stimulans om naar wijsheid en bedachtzaamheid te streven[5]
* de aansporing om, vanuit de genoemde wijsheid, medemensen in de omgeving eerlijk te behandelen[6].

Echte wijsheid verkrijgt men door het ontzag voor de Here[7].
Wijsheid is het fundament voor rijkdom, eer en vrede[8].

Wat is het tóppunt van wijsheid?
Men moet – als ik het goed zie – hier niet zozeer vragen: ‘wat?’, maar veeleer: ‘Wie?’.
Denkt u in dit verband maar aan Philippenzen 3: “Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus’ wil schade geacht. Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen, en in Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het geloof”[9].
De wetenschap met betrekking tot Christus’ reddingswerk opent een prachtig perspectief op de toekomst. Als kinderen van de Here God gaan we anders om met kennis en inzicht.

Die werkelijke wijsheid is een bron van leven. Wie daarnaar grijpt, mag Geestelijke vitaliteit verwachten[10].
Die wijsheid geeft levenskracht die op de hemel gericht is: dynamiek die door de Schepper gegeven wordt. Vanaf de eerste dag van de wereld laat Hij zien hoeveel energie Hij heeft, en hoeveel kracht Hij te géven heeft. Daarom spreekt de Spreukenleraar ook over de schepping; en over de orde die Hij in de schepping heeft gelegd[11].
In die orde wordt toegewerkt naar het eeuwig leven van Gods kinderen met hun Heer, Jezus Christus. Johannes 3 toont het culminatiepunt daarvan: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe”[12].

Wij bevinden ons op de weg naar die toekomst. Op die weg wordt onze voet bewaard. Opdat die voet niet gegrepen wordt.
In het Hebreeuws staat daar het woord millaked: ‘gevangenname’. Er is niemand die onze voet gevangenneemt. Niemand die onze voet dwingt om de verkeerde kant om te gaan. Niemand die ons op een weg zet die vol zit met valkuilen. Niemand die ons in een hinderlaag lokt[13].
Dat kán ook niet want onze Beschermer is bij ons.

Die troost wordt ons gegeven in een samenleving die steeds grootser en sneller wordt. De directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau, de heer dr. P. Schnabel, karakteriseerde dat onlangs als: “individualisering, informatisering, informalisering, internationalisering en intensivering”[14]. Er is meer aandacht voor het individu. Massa’s informatie staan ons permanent ter beschikking. De samenleving wordt gaandeweg informeler. Landsgrenzen worden vager. We leven ook steeds intensiever; het is de vraag of het woord ‘vervelen’ over een paar jaar nog wel in onze woordenboeken voorkomt.
Keuzevrijheid is heilig.
Maar familiebanden zijn dat over het algemeen óók: vooral de relaties tussen ouders, kinderen en kleinkinderen doen er tegenwoordig toe.
Vrijwilligerswerk en mantelzorg scoren goed.
Mijn conclusies:
* de wereld wordt groter
* tegelijkertijd concentreren we ons graag op het leven van onze eigen vierkante meters. Als compensatie voor die grote en ingewikkelde maatschappij, wellicht?

In die wereld behoedt de Here ons ervoor om kneuterig te denken.
Natuurlijk, het is helemaal niet verkeerd om veel aandacht aan de directe familie te besteden.
Maar we zullen de wereld om ons heen niet mogen vergeten.
En wat doen wij dan als het onoverzichtelijk wordt?
Hoe moeten wij onszelf corrigeren als we, in de drukte van de dag, de weg dreigen kwijt te raken?
Dan mogen we weten dat de Here onze voet bewaart.

Wij spreken nog wel eens over het bouwen en bewaren van de kerk.
Als het daarom gaat, mogen wij geloven dat de Here de lijn in deze wereld uitzet: de lijn van de schepping naar de eeuwigheid. Die lijn mogen wij in het geloof zien. De Here gééft ons dat geloof. Hij plaatst onze voeten op de goede weg. Wij moeten ons door Hem laten leiden. Wie zich blijmoedig overgeeft aan Gods leiding komt altijd goed uit.
Maar als het om die leiding gaat, gaan veel mensen protesteren. Sommigen glimlachen ietwat weemoedig. En dat laatste doet ook dr. Schnabel. De SCP-directeur komt uit een Rooms-katholiek gezin. Hij zegt zelf: “Ik ben opgevoed met een positief Godsbeeld. Dat krijg je nooit meer weg. Ik vind het geen prettige gedachte dat straks alles voorbij is, maar voor mij is er gewoon niets meer. Wel jammer, ja”.
De heer Schnabel kan nóg zo geleerd zijn, nóg zo kundig en bekwaam, maar als hij de Schriftuurlijke wijsheid kwijtraakt, gaat de deur naar de toekomst dicht. En de hemel wordt van koper.

In die samenleving koesteren Gereformeerden hoop.
Niet vanwege hun éigen superieure wijsheid.
Hun gerichtheid op de toekomst is niet gebaseerd op een raar soort godsdienstige arrogantie. Het is niet zo dat zij alles beter weten dan meneer Schnabel.
Kinderen van God bewegen zich anders door de samenleving. Waarom? Omdat de Here hen beschermt bij hun wandeling door de wereld. En uiteindelijk zal de Here hen binnenleiden in Zijn hemels domicilie.

De Here bewaart onze voet.
Want Hij bouwt en bewaart Zijn kerk!

Noten:
[1] Spreuken 3:25 en 26.
[2] In het onderstaande gebruik ik onder meer de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Spreuken 3.
[3] Spreuken 3:1-12. Zie met name vers 5: “Vertrouw op de HERE met uw ganse hart / en steun op uw eigen inzicht niet”.
[4] Spreuken 3:12-20. Zie met name vers 13, 14 en 15: “Welzalig de mens die wijsheid vindt, / de mens die verstandigheid verkrijgt; / want wat zij opbrengt, is beter dan de opbrengst van zilver, / wat zij doet gewinnen, is beter dan goud. / Zij is kostbaarder dan koralen, / al wat gij kunt begeren, kan haar niet evenaren”.
[5] Spreuken 3:21-26. Zie met name vers 21, 22 en 23: “Mijn zoon, laat ze niet wijken uit uw ogen, / bewaar overleg en bedachtzaamheid, / dan zullen wij het leven voor uw ziel zijn, / een sieraad voor uw hals. / Dan zult gij uw weg veilig gaan, / zonder dat uw voet zich stoot”.
[6] Spreuken 3:27-35. Zie met name de verzen 29 en 30: “Smeed geen kwaad tegen uw naaste, / terwijl hij in goed vertrouwen met u verkeert. / Twist niet met iemand zonder oorzaak, / indien hij u geen kwaad heeft gedaan”.
[7] Spreuken 1:7: “De vreze des HEREN is het begin der kennis; / de dwazen verachten wijsheid en tucht”.
[8] Spreuken 3:16 en 17: “Lengte van dagen is in haar rechterhand, / in haar linkerhand rijkdom en eer. / Haar wegen zijn liefelijke wegen, al haar paden zijn vrede”.
[9] Philippenzen 3:7, 8 en 9.
[10] Spreuken 3:17 en 18: “Een boom des levens is zij voor wie haar aangrijpen, / wie haar vasthouden, zijn gelukkig te prijzen”.
[11] Spreuken 3:19 en 20: “…de HERE heeft door wijsheid de aarde gegrond, / door verstand de hemelen vastgesteld, / door zijn kennis zijn de waterdiepten gekliefd / en druppelen de wolken dauw”.
[12] Johannes 3:16.
[13] Zie hiervoor ook http://www.fbcaltoona.org/1352108995453560/lib/1352108995453560/_files/THE_SECURITY_OF_WISDOM_AND_DISCRETION.pdf .
[14] In het onderstaande gebruik ik onder meer “Liberaal, maar niet libertair”; vraaggesprek met Paul Schnabel. In: Reformatorisch Dagblad, zaterdag 24 november 2012, (bijlage Accent), p. 13. Meer informatie over de heer Schnabel is te vinden op http://nl.wikipedia.org/wiki/Paul_Schnabel .

28 november 2012

Hosea 10: Gods toorn getoond

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

“Israël is een welige wijnstok”. Dat zijn prachtige woorden. Ze vormen de inzet van Hosea 10.
De lezer van het Bijbelboek Hosea lijkt opgelucht adem te kunnen halen.
De wijnstok is immers het beeld van Gods zegen[1]? De wijnstok is toch het beeld van Gods volk, dat omgeven is door welvaart en welzijn?
Denkt u, als het daar om gaat, bijvoorbeeld maar aan Psalm 80:
“Gij hebt een wijnstok uit Egypte uitgegraven,
Gij hebt volken verdreven en hèm geplant”.
Of ook aan Jeremia 2: “Ik echter had u geplant als een edele druif, een volkomen zuiver zaad”[2].
Men lijkt dus te kunnen jubelen: hoera, Hosea is de somberheid te boven. De zon gaat op. De nacht is voorbij.
Maar wie Hosea 10 leest, gaat de juichtoon alras dempen.
Want de duisternis is diep. De woede van de Here raast over Israël.
Zijn kinderen hebben de hemelse God verlaten. En dat néémt Hij niet.

Vandaag besteed ik aandacht aan Hosea 10.
Dat is leerzaam.
Voor schrijver dezes, in elk geval. En misschien ook wel voor u.

1 Vergeefse aanbidding
De priesters van de afgoden maken een hoop kabaal. Het lawaai kan men, om het zo maar eens uit te drukken, kilometers ver horen[3].
Deze kouwe drukte wordt door een Schriftuitlegger getypeerd als “vergeefse aanbidding van de Here door onrecht en kwaadwilligheid en schijnheiligheid”[4].
Vergééfse aanbidding: gebeden die uitgesproken worden als het hart er niet bij is, stuiten in de hemel op een dichte deur. Gebeden die opgezonden worden, terwijl de kerk vergeven is van onrechtvaardigheid, agressiviteit en hypocrisie kunnen maar beter niet worden gedaan!

2 Goddelijke gramschap
2.1
“En zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons, en tot de heuvelen: Valt op ons!”.
Die woorden zijn, zo denken wij niet zelden, afkomstig van Jezus. En dat klopt ook. De veroordeelde Zoon van God spreekt ze in Lucas 23 uit aan het adres van weeklagende vrouwen. Die vrouwen volgen Hem, als Hij op weg is naar het kruis.
Jezus zegt: “Dochters van Jeruzalem, weent niet over Mij, maar weent over uzelf en over uw kinderen, want zie, er komen dagen, waarop men zeggen zal: Zalig de onvruchtbaren, en de schoot, die niet heeft gebaard, en de borsten, die niet hebben gezoogd. Dan zal men beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons, en tot de heuvelen: Bedekt ons. Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal met het dorre geschieden?”[5].
U moet zich, zo maakt de Messias duidelijk, vooral zorgen gaan maken over uzélf. Al was het alleen maar omdat velen de verwoesting van Jeruzalem mee zullen maken; die zal in het jaar 70 na Christus plaatsvinden.
2.2
De woorden waarmee dit artikel begint doen ook denken aan Openbaring 6.
In dat hoofdstuk wordt beschreven hoe de Here naar het einde van de wereld toe werkt. Er is geen moment dat de Here onbenut laat.
Het visioen van Openbaring 6 pepert het alle Bijbellezers in: Gods grote dag komt er aan! En daarbij wordt het óók duidelijk dat er nog heel veel moet gebeuren.
Maar de regeringsleiders, alle hoge militairen, en alle andere leidinggevenden in de wereld krijgen een doodsschrik. In paniek gaan zij tegen de bergen en de rotsen praten. En ze zeggen: ‘Val maar op ons en verberg ons gauw! Zorg er voor dat de Koning in de hemel ons niet ziet! Want ach, als hij zijn ongebreidelde woede onbeteugeld laat, dan heeft ons laatste uur tóch geslagen…’[6].
2.3
Die woorden uit Lucas 23 en Openbaring 6 vormen in hun oorsprong een citaat uit Hosea 10[7].
In dat Schriftgedeelte toornt de Here over de beeldendienst van Israël. En niet minder over de buitenlandse politiek van de Israëlitische koningen. En Hij zegt: ‘mensen, reken er maar op dat er van al die diplomatieke handigheid, en van al die fraai gevormde beelden, helemaal niets overblijft. Ik breek ze Persoonlijk tot de grond toe af’.
Die woorden: “En zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons, en tot de heuvelen: Valt op ons!” vormen, om zo te zeggen, in Gods Woord een dreigend refrein. En wie die tekst goed leest, gaat het zich realiseren: in de verte dondert en bliksemt de Here!
Er zijn wel uitleggers die zeggen dat die bergen en die heuvels beelden zijn voor allerlei geestelijke machten; daar zouden bange burgers dan steun bij zoeken[8]. Die bewering zou best waar kunnen zijn. Maar hoe dat ook zij: die bange burgers vluchten naar zelf ontworpen schuilplaatsen. Dat is de diepste ellende van menselijke zonde.
Die diepe ellende is trouwens al te zien in de eerste jaren van de schepping. Ik herinner u aan Genesis 3. De Here straft de eerste zonden af, en zegt dan onder meer: de aardbodem is om uwentwil vervloekt, “al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, en doornen en dieselen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten”. Die dorens en distels vinden we ook in Hosea 10 terug. Leest u maar even mee: “En verwoest worden de hoogten van Aven, Israëls zonde. Doornen en distelen zullen hun altaren overwoekeren” [9].
Als de Here in Zijn almacht verschijnt, verschrompelt de zelfredzame mensheid tot één brok wanhoop.

3 Nieuw begin
In Hosea 10 concludeert de Here dat Hij eigenlijk helemaal opnieuw beginnen moet. Er dient nieuw land ontgonnen te worden. Er moet, om zo te zeggen, nieuw en zeer kiemkrachtig zaad worden ingezaaid. Dan zal de Here nieuwe vruchten geven[10].
Dergelijke beeldspraak komen we in de Bijbel veel vaker tegen[11] .
Ik wijs u op Spreuken 11: “…wie gerechtigheid zaait, heeft blijvend gewin”.
En ook op Jesaja 44: “Want Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge; Ik zal mijn Geest uitgieten op uw nakroost en mijn zegen op uw nakomelingen”.
En op Jesaja 45: “Druppelt, hemelen, van boven en laten de wolken gerechtigheid doen neerstromen; de aarde opene zich, opdat het heil ontluike en zij daarbij gerechtigheid doe uitspruiten; Ik, de HERE, heb dit geschapen”.
En op Jeremia 4: “Want zo zegt de HERE tot de mannen van Juda en tot Jeruzalem: Ontgint u nieuw land en zaait niet tussen de doornen”.
En op Hosea 6: “Zo zeker als de dageraad is zijn opgang. Dan komt Hij tot ons als de regen, als de late regen, die het land besproeit”.
En op Jacobus 3. Echte wijsheid komt van bóven, staat daar. En: “…gerechtigheid is een vrucht, die in vrede wordt gezaaid voor hen, die vrede stichten”[12].
Er moet nieuwe vruchten komen.
En de Here moet de wasdom geven!

4 De actualiteit van de eenentwintigste eeuw
4.1
Eén van de eerste kwesties die in het Bijbelboek Hosea in de schijnwerpers komt te staan, is het verband tussen leer en leven.
Men kan op zondag heerlijke kerkdiensten houden. En prachtige preken houden. En vele psalmverzen zingen.
Maar als in de kerk soms hete discussies worden gevoerd over zaken die de kern van de zaak niet raken…,
als in de kerk verdraagzaamheid en broederliefde soms ver te zoeken zijn…,
als in de kerk de geboden van God soms met een korreltje zout worden genomen…,
dan wordt het tijd om te beseffen dat de huldiging van de Here in het gebed ten principale ongepást is.
4.2
Hierboven noteerde ik reeds: in de verte toornt de Here over ongeloof en revolutie tegen Zijn heerschappij over hemel en aarde.
Het onweer komt snel dichterbij. Het is duidelijk dat er slechts weinigen in de samenleving zijn, die Gods ziedende woede aan horen komen.
De meeste mensen zeggen mét de Psalmen 14 en 53: er is geen God[13]. En als Die er wél zou zijn, waarom merken we dan niets van Zijn presentie? Dat in de verte bliksemschichten te zien zijn, dat signaleren zij niet.
Juist daarom is het van groot belang dat de kerk blijft zeggen: ‘mensen, lúister: het onweert!’. De kerk moet laten weten dat zij heel goed begrijpt, waarom het flitst in de verte. De kerk moet verkondigen dat zij hoort dat de Here in de verte buldert en davert.
4.3
Uit Hosea 10 wordt volstrekt duidelijk dat, als de kerk het van ménsen verwacht, het met die kerk slecht gesteld is. Sterker nog: dan is de ondergang van die kerk nabij.
De Here laat de kerk groeien. En dat is dan géén groei in getalsmatige zin. Het is groei omhóóg. Tot in de hemel, zogezegd. Want dáár gaat het met de kerk naar toe.
En ik wil maar zeggen: zodra kerkmensen alleen maar om zich heen gaan kijken, gaat het mis. Helemaal mis.
4.4
Ook hier staat Gods genade op de voorgrond. Terecht schreef een scribent over het Bijbelboek Hosea: “In scherpe bewoordingen wordt het karakter van Gods volk blootgelegd (…). Boos en slecht van het begin af aan. Tegen de achtergrond van deze typeringen krijgt Gods initiatief om juist dit volk uit te kiezen nog meer reliëf. Het is een spiegel voor ons”[14]. 
Het is voor Gods kinderen van het grootste belang om te zien dat, juist in de omstandigheden, van alledag, Gods trouw zo mooi te zien is. Wij worden in staat gesteld om allerlei activiteiten te ontplooien; in ons dagelijks werk en in onze vrije tijd. Wij kunnen weet-ik-hoeveel dingen organiseren. Wij kunnen elkaar vooruit helpen in de maatschappij. Wij ontvangen de gelegenheid om kerkdiensten te houden, en de Here God in heel ons leven te dienen.
De profeet Hosea houdt ons voor dat dat ook heel anders had gekund.
Daarin mogen en moeten Gereformeerde mensen van 2012 de verkiezende liefde van God zien. Hij geeft de mensen in de wereld nog tijd om tegen elkaar te zeggen dat zij een werkelijk God-vruchtig leven behoren te leiden.
Laten kerkmensen het elkaar maar vaak vertellen: wij moeten elkaar stimuleren om dankbaar voor Hem te leven. Laat ik u vandaag tenslotte mogen wijzen op Jacobus 2: “Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert geloof te hebben, als hij geen werken heeft? (…) Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood”.

Noten:
[1] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.hetlichtdeslevens.nl/studies/studieslezen/dewijnendewijnstok.html .
[2] Achtereenvolgens citeer ik Psalm 80:9 en Jeremia 2:21a.
[3] Hosea 10:5: “Om dat kalf van Beth-Aven zijn de inwoners van Samaria bezorgd; ja, daarover treurt het volk, daarover maken de afgodspriesters misbaar, omdat de heerlijkheid daarvan is geweken”.
[4] Zie http://www.logon.org/dutch/s/p255.html .
[5] Lucas 23:28-31.
[6] Openbaring 6:15-17: “En de koningen der aarde en de groten en de oversten over duizend en de rijken en de machtigen en iedere slaaf en vrije verborgen zich in de holen en de rotsen der bergen; en zij zeiden tot de bergen en tot de rotsen: Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem, die gezeten is op de troon, en voor de toorn van het Lam; want de grote dag van hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?”.
[7] Vandaag, woensdag 28 november 2012, vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Daar zullen de hoofdstukken 9 en 10 van het Bijbelboek Hosea centraal staan. Op woensdag 21 november jongstleden publiceerde ik op deze plaats een stuk over Hosea 9; zie https://bderoos.wordpress.com/2012/11/21/hosea-9/ . Dit artikel is een resultaat van enige voorstudie over Hosea 10.
Een ingekorte en bewerkte versie van dit artikel zal ook het tweede deel zijn van een inleiding die ik vanavond, tijdens de bovengenoemde vergadering, hoop voor te lezen.
[8] Zie hiervoor bijvoorbeeld http://www.broodhuis.org/bijbelst_6.htm .
[9] Achtereenvolgens citeer ik Genesis 3:17 en 18 en Hosea 10:8. Zie hierover ook http://home.kpn.nl/a.kamermans/gispen.htm .
[10] Hosea 10:11 en 12: “Efraïm was een afgerichte jonge koe, die gewillig dorste; Ik heb haar schone hals gespaard. Ik ga Efraïm inspannen, Juda zal ploegen, Jakob eggen. Zaait in gerechtigheid, oogst in liefde, ontgint u nieuw land. Dan is het tijd om de HERE te vragen, totdat Hij komt en voor u gerechtigheid laat regenen”.
[11] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://bible.cc/hosea/10-12.htm .
[12] Achtereenvolgens citeer ik Spreuken 11:18b, Jesaja 44:3, Jesaja 45:8, Jeremia 4:3, Hosea 6:3b en Jacobus 3:18.
[13] Psalm 14:1 en Psalm 53:1.
[14] Zie http://www.holyhome.nl/dhs-028.html .

27 november 2012

Hartelijke vreugde in 2012

De omschrijving die de Heidelbergse Catechismus geeft van het opstaan van de nieuwe mens doet mij telkenmale welhaast huppelen van zielenvreugd. Het kenmerk van dat opstaan is namelijk: “Hartelijke vreugde in God door Christus en lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven”[1].
Een christen kent dus altijd levensvreugde. Er blijft altijd een reden om met een zeker optimisme naar de toekomst te kijken.
In het Schriftbewijs dat de Catechismus erbij levert wordt gewezen op Jesaja 57: “…zo zegt de Hoge en Verhevene, die in eeuwigheid troont en wiens naam de Heilige is: In den hoge en in het heilige woon Ik en bij de verbrijzelde en nederige van geest, om de geest der nederigen en het hart der verbrijzelden te doen opleven”[2].
Een opkikker – nou, die willen wij allemáál wel!

Nu is de context van Jesaja 57 niet bepaald opgewekt.
1.
Voordat Gods oordeel losbarst verdwijnen de rechtvaardigen: de mensen die God en Zijn wet eerbiedigen. Hun verdwijning wordt niet eens ópgemerkt. Zo druk hebben de andere mensen het met zichzelf.
Maar één ding is zeker: de vromen worden door de Here beschermd. Iemand noteerde onder meer het volgende commentaar bij dit Schriftgedeelte: “Hun kenmerk is dat zij Godvrezend of vroom zijn. Zij gaan in vrede en rusten in vrede (…). Terwijl de goddelozen te lijden hebben van alles wat er om hen heen en met hen gebeurt, verliezen de vromen niets van wat God hun heeft toegezegd. Zij sterven in geloof en gaan genieten in de eeuwige vrede van de tot volmaaktheid gekomen rechtvaardigen”[3].
2.
Het goddeloze volk wordt aangesproken op de door haar in de praktijk gebrachte zonden: afgoderij en hoererij. Klaarblijkelijk is er sprake van occultisme, demonenverering en bepaalde vormen van prostitutie[4].
De ballingen aanbidden bomen, omdat die kennelijk worden beschouwd als behuizing van allerlei godheden. Tijdens die aanbidding vinden onder meer kinderoffers plaats.
De ballingen bidden ook voor stenen.
Men wordt ingewijd in een onzichtbare wereld van afgoden en soms vage rituelen. Zulke inwijdingen vormen, als het een beetje meezit, de basis voor zakelijk succes.
3.
Op de lange duur zijn de Here en de dienst aan Hem uit de gedachten verdwenen. Steeds weer vinden de mensen nieuwe energie om verdragen te sluiten met allerlei medemensen. Zo weet men zichzelf te redden, naar het lijkt.

En dan, opeens, gaat de Here tegen de getróuwen in den lande spreken.
Een rest wordt behouden. Een klein groepje trouwe dienaren van God krijgt een nieuw land toegewezen.
Die proclamatie is, naar uit Jesaja 62 blijkt, de opmaat tot een veel grótere reddingsoperatie. Leest u maar mee: “Trekt, trekt door de poorten, bereidt de weg voor het volk, baant, baant de weg, zuivert hem van stenen, heft een banier omhoog boven de volken. Want de HERE doet het horen tot het einde der aarde: Zegt tot de dochter Sions: zie, uw heil komt; zie, zijn loon is bij Hem en zijn vergelding gaat voor Hem uit”[5]. Godsgetrouwen uit de hele wéreld worden uitgenodigd om naar de Here toe te gaan. Kinderen van God uit alle hoeken van de aarde worden, om zo te zeggen, naar de kerk geroepen.

Die kinderen zijn armen van geest. Dat wil zeggen: ze komen met lege handen bij de Here.
Dergelijke klanken kennen we ook uit Mattheüs 5: “Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen”[6].
Gods kinderen leven op als zij zonder bagage bij de Here komen. Om met 1 Petrus 5 te spreken: “Vernedert u dan onder de machtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te zijner tijd. Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u”[7].

Wat moeten wij in 2012 met Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus? Is die hartelijke vreugde in God door Christus niet een beetje naïef?
Laten we onze maatschappij een ogenblik in ogenschouw nemen. Ik signaleer een viertal zaken:
a.
In Nederland kennen we geen kinderoffers.
En we kijken wat scheef naar mensen die met bomen praten.
b.
Maar Nederland is wel een land waarin, naar het lijkt, steeds minder ruimte is voor christelijke instellingen.
De Christelijke Gereformeerde predikant dr. M.J. Kater zei daar onlangs over: “Als je opeens van uit je riante huis op straat staat, overleef je dat niet, maar als je weet dat je op termijn in een hutje woont, kun je je daar op voorbereiden. Roep geen ach en wee, maar bereid je voor. Daar heb je de Heilige Geest bij nodig, maar we moeten het wel doen”[8].
c.
De heer P. Kohnen is directeur van VKMO-Katholiek Netwerk. Dat is een verband van zo’n dertig in de Rooms-katholieke traditie wortelende organisaties die gezamenlijk pogingen doen om de samenleving te verbeteren[9].
Kohnen signaleerde onlangs: “Alles wat religieus is, wordt op één hoop gegooid. Er is geen oog voor de pluraliteit, laat staan voor de bijdrage van de religie aan de samenleving”[10].
In het kort komt de volksopinie van deze tijd neer op:
* je bent christelijk, of je bent het niet
* je bent bij een kerk, en anders maar niet.
Voor heel veel Nederlanders zit daar niks meer tussen. En wat de onderlinge verschillen van die kerken zijn, dat zoeken ze zelf maar uit.
d.
Als het een beetje wil, wordt er over de kerk ook nog een tikje ironisch en een beetje spottend gedaan.
Dan praten de mensen over oogkleppen die de mensen eertijds op hadden. En over preektijgers. En over organisten vol verrassende virtuositeit, verheven vermetelheid en sprookjesachtige dweperigheid.
Maar het gesprek over echte godsdienst anno 2012 mijdt men veelal.
Terecht zei literatuurwetenschapper Christy Wampole eens: “Ironie is een heel defensieve houding. Het ontslaat je van verantwoordelijkheid voor je keuzes, van gevoel voor esthetiek en meer”[11].
En ook voor geloofszaken lijkt te gelden: alles is een grapje, en de kerk is ergens best plezant.

Welnu, in die omstandigheden wordt de kerk geroepen om in liefde voor de Here te leven.
Dat valt niet op, zijn wij wellicht geneigd te zeggen.
Wat heeft dat nou voor zin?

Laten wij bedenken dat de Here, zonder dat de mensheid het weet, de wereld in tweeën deelt:
* de mensen die in vrede leven
* de mensen die levenslang te maken zullen hebben met viezigheid en onrust.
In de taal van Jesaja 57 klinkt dat zo: “Zijn wegen heb Ik gezien, doch Ik zal het genezen, het leiden, en het weer vertroosting schenken, namelijk aan de treurenden ervan. Ik schep de vrucht der lippen: vrede, vrede voor hem die verre, en voor hem die nabij is, zegt de HERE; en Ik zal hem genezen. Maar de goddelozen zijn als de zee, zo opgezweept, dat zij niet tot rust kan komen, en wier wateren slijk en modder opwoelen. De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede”[12].
De hemelse God is met die tweedeling aan de gang!

Voor het gevoel van gewone wereldburgers doen Gereformeerde mensen niet zoveel bijzondere dingen.
Maar de Here weet precies wat wij doen en laten.
Gods gehoorzame kinderen van 2012 mogen het weten: de Here leidt hen naar Zijn woonplaats, waar eeuwig geluk wacht.
En daarom is de boodschap van vandaag: houdt moed; want uw Heer is druk doende om onze glorieuze toekomst te realiseren!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 33, antwoord 90.
[2] Jesaja 57:15.
[3] In het onderstaande gebruik ik http://www.oudesporen.nl/Download/OS1119.pdf .
[4] Jesaja 57:3 en 4:“Maar, gij, nadert herwaarts, kinderen van een tovenares, nakroost van echtbreker en overspeelster. Over wie maakt gij u vrolijk, tegen wie spert gij de mond open, steekt gij de tong uit? Zijt gij geen kinderen der zonde, leugengebroed?”.
[5] Jesaja 62:10 en 11.
[6] Mattheüs 5:3.
[7] 1 Petrus 5:6 en 7.
[8] Zie http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/dr_kater_voorbereiden_op_moeilijker_tijden_1_693493 .
[9] Zie http://www.katholieknetwerk.nl/pagina/57/over_ons .
[10] Zie http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/religie_blijft_publieke_domein_storen_1_693554 .
[11] Zie http://www.trouw.nl/tr/nl/5116/Filosofie/article/detail/3351566/2012/11/21/Het-probleem-van-deze-tijd-we-zijn-te-ironisch-alles-is-een-grapje.dhtml . Zie voor meer informatie over Christy Wampole http://www.princeton.edu/fit/people/display_person.xml?netid=cwampole .
[12] Jesaja 57:18-21.

26 november 2012

De taak van theologen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Professor Peter J.A. Nissen is hoogleraar Spiritualiteitsstudies aan de Universiteit van Tilburg.
Er zijn, zo sprak de geachte hoogleraar laatst, in Nederland meer theologen nodig.

Religiewetenschappers doen heel nuttig werk.”De religieuze kaart wordt steeds kleurrijker en de samenleving heeft behoefte aan duiding. Religiewetenschappers kunnen daar als geen ander in voorzien”.

Maar er moeten dus meer theologen komen.
Waarom?
De invloed van kerken neemt in de maatschappij af. Dat is logisch. Steeds minder mensen zijn lid van een kerk. En dus gaan er steeds meer kerkgebouwen dicht.
Toch hebben de mensen een heleboel vragen. De mensen zijn op zoek naar antwoorden.

Als ik het goed begrijp, is hier sprake van een tamelijk subtiel onderscheid.
Religiewetenschappers duiden religieuze verschijnselen. Zij verklaren die.
Theologen reageren op vragen van mensen. Zij beantwoorden die.

Ik citeer professor Nissen nog eens.
Theologen zijn goed in staat in om een klik te maken tussen (…) levensvragen en religieuze verhalen. “In religieuze verhalen vind je wijsheden en antwoorden die je op weg kunnen helpen. Voor het slaan van die brug, daar heb je een studie voor nodig, gekwalificeerde mensen”.
Een theoloog maakt dus de klik tussen vragen en verhalen.

Een theoloog geeft ook antwoorden, terwijl hij boeken over geschiedenis en maatschappijleer open heeft liggen. Zegt Peter Nissen.
“Ondanks de ontkerkelijking zijn we nog steeds cultuurchristenen. Onze waarden en normen stammen uit het christendom. Bovendien vind je religie terug in kunst, muziek, literatuur. Voor een religieus analfabeet zijn die dingen onbegrijpelijk”[1].

Professor Nissen zegt nog meer.
Maar dat laat ik nu liggen.
Het gaat mij om de kwestie: behoren theologen antwoorden op vragen te geven?

Die kwestie wil ik vandaag kort belichten.
Dat doe ik vanuit Job 38:
“Toen antwoordde de HERE Job uit een storm en zeide:
Wie is het toch, die het raadsbesluit verduistert
met woorden zonder verstand?
Gord nu als een man uw lendenen,
dan wil Ik u ondervragen, opdat gij Mij onderricht.
Waar waart gij, toen Ik de aarde grondvestte?
Vertel het, indien gij inzicht hebt!”[2].

Job heeft, zoals bekend, heel veel vragen.
Maar hij begrijpt heel goed dat hij bij de Here God in de beklaagdenbank zit. Eigenlijk zou Job willen dat er een scheidsrechter bóven God en Job stond. Dan zou hij vrijuit kunnen spreken. Het staat werkelijk in Job 9:
“Was er maar een scheidsrechter tussen ons, die zijn hand op ons beiden zou kunnen leggen…”[3].
Het is bijna Godslasterlijk!
Job roept God ter verantwoording: “laat mij weten, waarom Gij U tegen mij keert”. Job meent dat hij nog wel enig recht van spreken heeft: “ik wil tot de Almachtige spreken, ik wens mijn zaak te bepleiten bij God”. Ja, Job wil wel eens horen wat God te melden heeft: “Ach, dat toch iemand naar mij luisterde! Ziehier mijn ondertekening – de Almachtige antwoorde mij –“[4].

Welnu, in Job 38 begint de Here met Zijn antwoord aan Job.
Dat antwoord is opmerkelijk.
Het Goddelijk antwoord hangt in Job 38 namelijk aan elkaar van de vragen:
* wie heeft de afmetingen van de aarde bepaald?
* wie heeft de grenzen van de zee aangegeven?
* wie heeft er ooit een commando aan de dag gegeven om opnieuw te verschijnen?
enzovoort[5].
De hemelse God manifesteert zich als Schepper van de wereld. Hij is het die de aarde gemaakt heeft. Bij dat creërend werk was niemand aanwezig. Niemand kan zeggen: ik was er bij, en ik zag dat Hij het zo en zo deed.
Intussen is wèl duidelijk dat de schepping prachtig is: er zijn knappe mensen, wondermooie planten en schitterende dieren. De schepping is een lust voor het oog en een vreugde voor het hart. Uit heel die schepping spreekt de boodschap: als de Here iets maakt, dat maakt hij het magistraal.
Wie naar de schepping kijkt, kan het weten: als de Here Zijn energie laat zien, dan komen de zaken op orde. Wij mogen geloven dat de Here de zaken in de hand houdt.

Nu kom ik weer bij die kwestie die hierboven aan de orde werd gesteld.
Dat is de vraag: behoren theologen antwoorden op vragen te geven?
Als ik Job 38 lees, weet ik wat ik zeggen zal. Mijn antwoord luidt: nee, dat hoeft niet. Althans: dat is niet hun eerste en voornaamste taak.
Wat moeten theologen vooral doen? Zij mogen mensen leren geloven. Zij mogen mensen leren vertrouwen. Zij mogen mensen leren bewegen binnen de kaders van Gods wet.

Een goede theoloog gelooft alles wat de Here in Zijn Woord zegt.
Een goede theoloog heeft vertrouwen in zijn Heer.
Een goede theoloog hecht geloof aan de beloften die de Here in Zijn Woord geeft.
Een goede theoloog laat blijken welke eis de hemelse God in Zijn verbond stelt.
Als een theoloog dat niet gelooft, dan kan hij beter iets anders gaan doen.

De Here spreekt in Job 38 over Zijn plan: “wie is het toch, die het raadsbesluit verduistert
met woorden zonder verstand?”.
Daar valt het woord ‘raadsbesluit’.
Job doet met zijn kritiek op het Goddelijke wereldbestuur tekort aan de volmaaktheid van Gods raad[6].
Een Gereformeerd-vrijgemaakte dominee schreef eens: “God gebruikt de zonden van mens en duivelen in zijn heilige en onberispelijke raad tot het bereiken van zijn doel, de verlossing van zijn volk. God zelf wordt op geen enkele wijze ooit door de zonde bezoedeld. Die gedachte is godslasterlijk”. En: “Veel is voor ons verstand ondoorgrondelijk. Maar de eeuwige raad Gods, die over alle dingen gaat, is wel aanbiddelijk”[7].
De Schepper van de aarde zet Zijn plan door. Dwars door onze zonden heen. Dat is ongelooflijk, maar waar!

Geloof en aanbidding: dat behoren, als u het mij vraagt, twee centrale woorden in de levens van theologen te zijn.

Zelfs de meest erudiete Godgeleerden kunnen niet alle vragen over God volledig en afdoende beantwoorden.
Even goed hebben zij een heerlijk beroep: zij mogen Gods volk de liefde van hun Heer verklaren.
Want ook vandaag is Psalm 96 nog altijd voluit geldig:
“Vertelt de volkeren op aarde:
de HERE is het die aanvaardde
het koningschap, de oppermacht.
Vast staat de wereld door de kracht,
waarin Hijzelf zich openbaarde.

Naar recht zal Hij de volken leiden
Dat aard’ en hemel zich verblijden.
Juicht, velden, juicht, en ook de zee
met wat daarin is, juiche mee.
Verheugt u, bossen, akkers, weiden”[8].

Noten:
[1] Zie http://www.reliwerk.nl/2012/11/theologen-kunnen-niet-gemist-worden-in-nederland/ .
[2] Job 38:1-4.
[3] Job 9:33.
[4] Achtereenvolgens citeer ik Job 10:2, Job 13:3 en Job 31:35.
[5] Deze vragen komen achtereenvolgens uit de verzen 5, 8 en 12 van Job 38.
[6] Zie hierover ook: “Bijbel met kanttekeningen”. – Baarn: Bosch & Keuning n.v., deel 4, p. 90. Kanttekening 6 bij Job 38:2.
[7] Die dominee is dr. M.J. Arntzen. Zie http://www.bijbelstudiebond.nl/doc/art1995/MEIARNTZ.pdf?PHPSESSID=937891744f799a1f5942d69727d17d4c .
[8] Psalm 96:6 en 7 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

23 november 2012

De Here herstelt de wereld

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

“Christenen zouden minder vaak tegen en vaker vóór iets moeten zijn”. Op woensdag 21 november jongstleden troffen lezers van het Nederlands Dagblad deze uitdagende kop aan op pagina 2 van hun krant[1].
Zo’n krantenkop prikkelt mij. Want daaruit komt de suggestie naar voren dat ik altijd overal tegen ben. En dat is niet het geval. Echt niet.

Ik ben er vóór dat steeds meer mensen tijdens hun leven laten zien dat zij God dankbaar zijn voor hun redding.
Ik ben er voor dat mensen de Bijbel steeds vaker gaan lezen.
Ik ben er voor dat mensen de tien woorden van het Verbond – zoals opgetekend in Exodus 20 en Deuteronomium 5 – steeds meer gaan naleven.
Alle activiteiten die de eer van God groter maken, krijgen mijn steun.
Laat niemand mij vertellen dat ik overal tegen ben. Want dat is onzin. Volslagen onzin.

Ónder die krantenkop in het ND stond een artikel waarin allerlei resultaten werden gemeld uit een onderzoek naar het imago van christenen.
Sommige uitkomsten zijn tamelijk voorspelbaar.
* Christenen zijn, zo vinden vele wereldburgers, hypocriet.
* Christenen zijn veroordelend, zeggen ze.
* Christenen zijn tegen homo’s, menen velen.
Van dergelijk gepraat word ik altijd een beetje narrig.
Waarom? Omdat dat geredekavel meestal kant noch wal raakt. Laten we een ogenblik naar die uitkomsten kijken. Ik zeg daar, in telegramstijl, het volgende van.
a.
Christenen zijn net zo zondig als andere mensen. En dus falen ze in het leven met God met grote regelmaat. Christenen genieten van het feit dat God, in Zijn genade, hun zonden vergeven wil.
b.
Christenen zijn veroordelend. Goed beschouwd is dat geen wonder. Want gedrag dat tegen Gods Woord in gaat keuren zij, op basis van Gods Woord, af. Zo zijn zij tegen samenwonen. En tegen pesten.
c.
Christenen zijn, zo wordt gesteld, tegen homo’s. Wát een nonsens! Christenen zijn helemaal niet tegen mensen met een homoseksuele geaardheid. Christenen zijn tegen het praktiseren van die geaardheid; zeg maar even: tegen het samenwonen van homo’s als getrouwden.

Het ND-artikel werd gepubliceerd naar aanleiding van twee onderzoeken.
Eerst was er de studie van de Amerikaanse onderzoeker Gabe Lyons[2]. Hij werd bekend door zijn onderzoek naar het antwoord op de vraag hoe jonge niet-christenen tegen christenen aankijken. Hij bundelde zijn bevindingen in 2007 in het boek “UnChristian”[3].
De Amerikaanse research kreeg een Nederlandse tegenhanger. De Evangelische Omroep liet, in het kader van haar 45-jarig bestaan, bezien wat de rol van christenen in Nederland is.
De Nederlandse resultaten verschillen niet al te veel van de Amerikaanse.

Dit alles zo zijnde hoeft het niet te verwonderen dat er in de lage landen aan de zee momenteel veel belangstelling is voor de opinie van de heer Lyons.
En tevens voor diens boek ‘Herstellers: een nieuwe generatie volgelingen van Jezus’[4].

In zijn boek ‘Herstellers’ constateert Lyons volgens het ND het volgende.
Ten principale zijn er twee groepen christenen.
De ene groep “houdt zich ver van de seculiere samenleving. Het zijn christenen die alleen met christenen optrekken en die strijden tegen een samenleving die minder christelijk wordt.
Daarnaast is er een groep kerken en christenen die ‘relevant’ wil zijn, constateert Lyons. Ze willen geaccepteerd worden. Maar ondertussen verwatert hun boodschap zodanig dat er maar weinig appel van uitgaat om Jezus te volgen”.
Er zijn dus wereldmijders; mensen die alleen maar christelijke vrienden hebben,
En er zijn, zeg maar, relevantie-christenen; mensen die het Evangelie willen laten aansluiten bij het hedendaagse levensgevoel.

Dat is, als u het mij vraagt, in de wereld van 2012 een nogal curieus onderscheid. En wel om tenminste drie redenen.
1.
In onze levenspraktijk komen wij, of wij dat nu willen of niet, allerlei mensen tegen.
Mensen die van kerk of klooster niks weten.
Mensen die een christelijke opvoeding hebben gehad, maar daar momenteel weinig meer mee doen.
Mensen die heel christelijk leven, en ook veel van de Bijbel weten, maar vooral geen lid van een kerk willen zijn.
Enzovoort.
In zo’n open maatschappij wordt wereldmijding wel érg lastig.
2.
In de eenentwintigste eeuw is het bovendien zó dat wij vrijwel allemaal met het internet te maken hebben. Met dat internet wordt het bijkans onmogelijk om de wereld buiten te sluiten.
3.
Kinderen van God zijn “geheel anders”, zegt Efeziërs 4[5]. Zij moeten goed werk verrichten. Echte kinderen van God voeren hun taken uit, terwijl zij met God wandelen[6]. Maar die christenen marcheren toch niet ergens buiten de wereld? Welnee. Zij lopen er midden dóór.
Wereldmijders en relevantie-christenen: ik blijf het een zonderling verschil vinden.
Zou het niet eenvoudig zó zijn dat de ene groep christenen zich meer door de wereld laat meeslepen dan de andere?

Opnieuw citeer ik uit het ND-bericht.
Het eerste citaat:
“Maar Lyons [die onderzoeker dus, BdR] heeft hoop dat zich een derde groep vormt. Hij ziet een nieuwe generatie christenen opkomen die de samenleving niet mijdt maar zich ook niet oppervlakkig aanpast. Ze willen net als Jezus ‘besmettelijk heilig zijn’. Hij noemt hen ‘herstellers’, omdat ze volgens hem zien hoe God de wereld heeft bedoeld en met Hem willen meewerken aan herstel”.
Het tweede citaat:
“Ik denk dat we het evangelie in de Verenigde Staten, en misschien ook in Nederland, hebben verkleind. Het hele verhaal gaat over schepping, zondeval, verlossing en herstel, maar het wordt vaak versimpeld tot zonde en verlossing. Als je dit gelooft, ga je naar de hemel, zo niet, dan ga je naar de hel. Maar intussen verdwijnt dat God de aarde en de mensen goed had gemaakt en dat verlossing het begin is van onze samenwerking met God om ons leven en de wereld te herstellen”.
In het bovenstaande lees ik onder meer:
* er komen steeds meer herstellers: mensen die besmettelijk heilig willen zijn
* onze verlossing stelt ons in staat om met God samen te werken
* nu moeten wij, in intensieve coöperatie met God, de wereld restaureren.

Thans nader ik het hoofdpunt dat ik vandaag maken wil.
Dat is dit: uit het bovenstaande rijst, naar mijn inzicht, een wat te optimistisch mensbeeld op.

Met nadruk wordt gesuggereerd dat mensen bij machte zijn om samen te werken met God.
Maar ik denk niet dat dat kan.
Mensen kunnen alleen maar goed werk doen als de Here hen daartoe in staat stelt. Mensen kunnen alleen maar goed werk doen als zij instrument van de Here zijn.

Ik wijs op Jesaja 49: de knecht van de Here herstelt de wereld.
Ik citeer: “Zo zegt de HERE: Ten tijde des welbehagens heb Ik u verhoord, en ten dage des heils heb Ik u geholpen; Ik zal u behoeden en u stellen tot een verbond voor het volk om het land weder te herstellen, om verwoeste eigendommen weer tot een erfdeel te maken, om tot de gevangenen te zeggen: Gaat uit! tot hen die in de duisternis zijn: Komt te voorschijn!”[7].

Ik wijs op Mattheüs 8. Jezus herstelt de knecht van een legerofficier, signaleert het geloof dat die officier heeft, en wijst op de kloof tussen geloof en ongeloof.
Ik citeer opnieuw: “Toen Hij nu Kapernaüm binnenging, kwam een hoofdman tot Hem met een bede, en zeide: Here, mijn knecht ligt thuis, verlamd, met hevige pijn. Hij zeide tot hem: Zal Ik komen en hem genezen? Doch de hoofdman antwoordde en zeide: Here, ik ben niet waard, dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek slechts een woord en mijn knecht zal herstellen. Want ik ben zelf een ondergeschikte met soldaten onder mij, en ik zeg tot de één: Ga heen, en hij gaat heen, en tot een ander: Kom, en hij komt, en tot mijn slaaf: Doe dit, en hij doet het. Toen Jezus dit hoorde, verwonderde Hij Zich en zeide tot hen, die Hem volgden: Voorwaar, zeg Ik u, bij niemand in Israël heb Ik een zó groot geloof gevonden! Ik zeg u, dat er velen zullen komen van oost en west en zullen aanliggen met Abraham en Isaäk en Jakob in het Koninkrijk der hemelen; maar de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars. En Jezus zeide tot de hoofdman: Ga heen, u geschiede naar uw geloof. En de knecht genas, juist op dat uur”[8].

Ik wijs op Mattheüs 17. Het herstel dat de Here via Johannes de Doper aanbiedt wordt niet eens herkend. Laat staan dat van érkenning van Jezus Christus sprake is!
Na de verheerlijking op de berg ontspint zich in Mattheüs 17 het volgende gesprek: “En de discipelen vroegen Hem en zeiden: Hoe kunnen (…) de schriftgeleerden zeggen, dat Elia eerst moet komen? Hij antwoordde en zeide: Elia zal wel komen en alles herstellen, maar Ik zeg u, dat Elia reeds gekomen is en zij hebben hem niet erkend, maar met hem gedaan al wat zij wilden. Zó zal ook de Zoon des mensen door hen moeten lijden. Toen begrepen de discipelen, dat Hij over Johannes de Doper tot hen gesproken had”[9].

In Jesaja 49 wordt heel duidelijk gemaakt dat de Here de wereld herstelt. Hij stelt het volk in staat om het land weer goed en mooi te maken.
In Mattheüs 8 herstelt Jezus de knecht van de legerofficier. Met vreugde spreekt Hij over het geloof van de militair, die pleit voor de genezing van zijn zieke personeelslid. Maar het herstel van de knecht moet wel van Jezus komen. Het geloof van de krijgsman kan, op zichzelf genomen, niet voor herstel van de knecht zorgen. Bij het lezen van Mattheüs 8 komt de vraag op: wilt u de wereld zélf verbeteren, of laat u dat helemaal aan de Here God over?
In Mattheüs 17 wordt niet erkend dat Jezus de Hersteller van de wereld is. De kerkleiders begrijpen niet dat het herstel van de wereld via de weg van Jezus’ lijden wordt gerealiseerd. Het kerkvolk van Mattheüs 17 onderkent niet dat Gods Verbondsbeloften en –eis boven allerlei religieus gedoe úitgaan.

Voor lezers van 2012 moet het helder zijn: mensen kunnen aan de structurele verbetering van Gods schepping op éigen kracht niet bijdragen.
Voor aandachtige Bijbellezers van de eenentwintigste eeuw is het zonneklaar: mensen zijn, als het over vervolmaking van de wereld gaat, slechts werktuigen in Gods hand.

Nu kom ik tot de afronding van dit artikel. Dat besluit valt uiteen in drie punten.
1.
Christenen, en zeker Gereformeerden, leven van de geef. Zij hebben toekomst. Dankzij Jezus Christus.
Christelijk leven? Daar ben ik een groot voorstander van. En ik praktiseer en ondersteun dat van harte.
2.
De tegenstelling tussen wereldmijders en relevantie-christenen maakt de kwestie er niet helderder op. De vraag is of wij ons leven in Gods hand willen leggen. Alleen zó gaan we naar de volmaaktheid toe.
Er is een tegenstelling tussen de kerk en de wereld:
* in de kerk zitten de mensen die zich volledig overgeven aan God
* in de wereld wonen mensen die een beetje mee willen helpen bij hun eigen redding; in de wereld wonen ook mensen die álles zelf willen doen.
Voor die tegenstelling tussen gelovigen en ongelovigen hebben we in de kerk een mooi woord. Dat woord is: antithese.
3.
Laten wij vooral niet net doen alsof we anno Domini 2012 het wiel moeten uitvinden als het over christelijk leven gaat. Op alle plaatsen, en door alle tijden heen, zijn er mensen die de Here dienen. Daar zorgt Hij Zelf voor.
Hij Zelf kadert het leven van Zijn kinderen in. In Jezus Christus, namelijk.
Daar is Hij al voor de grondlegging van de wereld mee begonnen. En Hij gaat er mee door tot de Jongste Dag.
Het is de hemelse Heer Zelf die op die manier geloofsblijdschap bij Zijn kinderen bewerkt.
En vanwege die geloofsvreugde citeer ik tenslotte een paar verzen uit het eerste hoofdstuk van de brief die de apostel Paulus aan de christenen te Efeze schreef: “Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus. Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde”[10].

Noten:
[1] Zie “Christenen zouden minder vaak tegen en vaker vóór iets moeten zijn”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 21 november 2012, p. 2.
[2] Zie voor meer informatie over Gabe Lyons http://www.gideonboeken.nl/auteurs/naam/lyons/ .
[3] De gegevens van dat boek zijn: David Kinnaman and Gabe Lyons, “UnChristian: What a New Generation Really Thinks about Christianity … And Why It Matters”. – Baker Books. – 255 p. Zie ook http://forthesomedaybook.wordpress.com/2010/09/17/book-review-unchristian/ .
[4] De gegevens van dit boek zijn: Gabe Lyons, “Herstellers: een nieuwe generatie volgelingen van Jezus”. – Hoornaar: Gideon, 2012. – 240 p.
[5] Efeziërs 4:20: “Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen”.
[6] Zie Efeziërs 4:25-30: “Legt daarom de leugen af en spreekt waarheid, ieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkander. Geraakt gij in toorn, zondigt dan niet: de zon mag niet over een opwelling van uw toorn ondergaan; en geeft de duivel geen voet. Wie een dief was, stele niet meer, maar spanne zich liever in om met zijn handen goed werk te verrichten, opdat hij iets kan mededelen aan de behoeftige. Geen liederlijk woord kome uit uw mond, maar als gij een goed woord hebt, tot opbouw, waar dit nuttig is, opdat zij, die het horen, genade ontvangen”.
[7] Jesaja 49:8 en 9.
[8] Mattheüs 8:5-13.
[9] Mattheüs 17:10-13.
[10] Efeziërs 1:3-6.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.