gereformeerd leven in nederland

31 december 2012

Jaarwisseling 2012-2013: de opdracht is niet veranderd

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Morgen gaan we, Deo Volente, een nieuw jaar in. Een jaar dat van ons het volgnummer 2013 krijgt. Een jaar waarin de opdracht van de kerk onveranderd is.
Die opdracht vinden we, bijvoorbeeld, in Marcus 16. In dat hoofdstuk staat er ook bij welke gevólgen de uitvoering van die opdracht heeft. Ik citeer: “En Hij zeide tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping. Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden”[1].

De verkondiging van het Evangelie moet dus doorgaan.
De prediking, dáár gaat het om.

In onze tijd is het van enig belang om die prediking centraal te blijven stellen. Want die plek is nogal eens in discussie.

Zo stond er afgelopen donderdag, 27 december, een ingezonden in de krant van Jetze Baas. In het Nederlands Dagblad schreef hij: “In het ND van 22 december wordt gesteld dat in kerkdiensten van gereformeerde signatuur de preek centraal staat. Als deze constatering terecht is – en daar lijkt het naar mijn ervaring sterk op – is dat dan de bedoeling van een kerkdienst? Zou het in kerkdiensten niet allereerst om God en zijn Woord moeten draaien?”
En:
“Spreekt God niet op veel meer manieren dan in de preek? Zou bijvoorbeeld niet eerder de Bijbellezing het centrale punt van de eredienst moeten zijn? Het is toch bijzonder als God het Woord bij de start van de dienst al rechtstreeks tot ons richt: ‘Genade en vrede voor u.’ Daar kan geen preek tegenop!
Zou, doordat we ons zo op de preek focussen, de aandacht zijn weggeraakt van wat God ons in zegengroet, wetlezing, liederen en zegen wil meegeven? God wil graag dat we Hem zien, Hij wil zijn liefde onafgebroken aan ons openbaren. Daarvoor gaf Hij veel mogelijkheden in de kerkdienst. De vraag is of we die gaven optimaal gebruiken als de kerkdienst om de preek draait.
Natuurlijk, de preek is, als het goed is, naar Gods Woord geschreven en uitgesproken. De dienaar van het Woord heeft zich bij de voorbereiding en de uitvoering laten leiden door Gods Geest. Maar hoe vaak kwam hij er bij de voorbereiding niet helemaal uit en heeft hij voor een exegese gekozen die hemzelf op dat moment goed uitkwam?”[2].

Jetze zegt:
* leg de focus van de kerkdienst niet bij de preek
* de kerkdienst is helemáál en overál vol van God
* de preek heeft veel menselijks, want die hangt af van de keuzes en de studiezin van de dominee.
Persoonlijk ben ik geneigd een eindweegs met Jetze mee te gaan. De kerkdienst is inderdaad van de eerste tot de laatste minuut de moeite waard. En ja, de dominee is inderdaad een zondig mens.

En toch bevredigt die stellingname mij niet.

Waarom niet?
Omdat nu juist die prediking er voor zorgt dat er in de wereld een tweedeling komt: vóór of tegen Christus. Er is behoud voor wie gelooft. Er komt een harde veroordeling voor mensen die God niet zo belangrijk vinden.
Er vindt dus een scheiding plaats. Een schifting.
Die scheiding vindt niet zozeer plaats als we psalmen zingen. Die scheiding vindt niet plaats als we in de kerk collecteren. Die scheiding vindt met name plaats tijdens de preek.
Nu het hierom gaat wijs ik op Zondag 31 van de Heidelbergse Catechismus. Ik citeer: “Volgens het bevel van Christus wordt aan de gelovigen, allen samen en ieder persoonlijk, verkondigd en in het openbaar verklaard, dat al hun zonden hun door God om de verdienste van Christus werkelijk vergeven zijn, zo vaak zij de belofte van het evangelie met waar geloof aannemen.
Maar aan alle ongelovigen en huichelaars wordt verkondigd en verklaard, dat de toorn van God en het eeuwig oordeel op hen rusten, zolang zij zich niet bekeren. Naar dit getuigenis van het evangelie zal God oordelen, zowel in dit als in het toekomstige leven”[3].
De gelovigen horen de verkondiging. Persoonlijk, maar vooral ook als zij samen zijn. Bij de koffietafel. Maar de gelovigen horen ook de openbare verklaring van Gods Woord.
Laten wij dus de preek vooral niet onderwaarderen!

In dit verband merk ik op dat predikanten een hoogst belangrijke taak hebben.
Zij zullen moeten zoeken naar het antwoord op de vraag: wat wil de Here ons zeggen?
De vraag is niet: waar zal ik het zondag eens over hebben?
De vraag is niet: welke exegese zal ik in de eerstvolgende preek eens gebruiken?
De vraag is: wat wil de Here dat wij gaan doen?
De opdracht aan de predikant is: breng het Woord dat Ik gegeven heb.
Zeker, de prediker is een zondig mens. Maar daarmee is niet alles gezegd.

Op dit punt van de gedachtevorming aangekomen zijnde, ga ik weer terug naar Marcus 16.
Jezus leert Zijn discipelen: mensen, verkondig het Evangelie.
En vervolgens lezen we over de grote consequenties die die verkondiging heeft. Boze geesten moeten bij Gods volk uit de buurt blijven. Wij horen tongentaal. Gevaarlijke dieren kunnen geen kwaad meer doen. Vergif is niet meer dodelijk. Zieken worden genezen.
Je zou toch zeggen: dit is de ideale wereld.
Paradijselijk bijna.
Nu kan Marcus 16 worden beëindigd. De scribent kan de dop op zijn pen schroeven. Het boek kan dicht.
Niet dus.

Want de schrijver van dit Bijbelboek moet nog een paar dingen proclameren. Leest u maar mee:
“De Here Jezus dan werd, nadat Hij tot hen gesproken had, opgenomen in de hemel en heeft Zich gezet aan de rechterhand Gods. Doch zij gingen heen en predikten overal, terwijl de Here medewerkte en het woord bevestigde door de tekenen, die erop volgden”[4].
Jezus Christus neemt Zijn plaats in naast Vader. Daar is Hij de Advocaat van Zijn kinderen.
De discipelen verkondigen het Woord, overal waar zij komen.
De Here werkt vanuit Zijn woonplaats mee. Iedereen kan het zien en begrijpen: de hemelse signalen zijn blijkbaar volkomen duidelijk.

Als u het mij vraagt, heeft het bovenstaande alles te maken met preek en prediker.
De preek is nooit volmaakt.
De prediker is zondig.
Maar Jezus Christus pleit bij de Vader voor door Hem gekochte mensen.
Hij werkt mee om het Woord in onze levens te laten wortelen.
Jetze Baas schrijft in het Nederlands Dagblad van 27 december: “Hij wil zijn liefde onafgebroken aan ons openbaren. Daarvoor gaf Hij veel mogelijkheden in de kerkdienst”. Toegegeven, die liefde is van eminent belang. Maar we mogen de schifting niet vergeten. De Here scheidt de schapen van de bokken. Gelovigen worden van ongelovigen gescheiden. We vinden het misschien makkelijker om het daar maar niet over te hebben. Maar het zal wel moeten. Want in de kerk is heel Gods Woord van kracht.

Morgen gaan we, Deo Volente, een nieuw jaar in.
Een jaar waarin de opdracht van de kerk onveranderd is.
Er moet gepreekt worden.
Het Evangelie moet verkondigd worden. Met alles erop en eraan.
Als de kerk die opdracht vervult, zal 2013 een door de Here gezegend jaar worden.

Zo wens ik u allen veel heil en zegen toe voor het komende kalenderjaar.

Noten:
[1] Marcus 16:15 en 16.
[2] “Het draait niet om de preek”. Ingezonden van Jetze Baas uit Barneveld. In: Nederlands Dagblad, donderdag 27 december 2012, p. 12.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 31, antwoord 84.
[4] Marcus 16:19 en 20.

28 december 2012

Van A tot Z

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

“De kennis is aan het verdampen”[1].
Dat zijn woorden van prof. dr. M. Barnard. Barnard is hoogleraar praktische theologie aan de Protestantse Theologische Universiteit.
U moet, zei de professor in het Nederlands Dagblad tegen alle dominees en voorgangers, met Kerst gewoon over Lucas 2 preken. Waarom? Omdat de mensen niet meer weten wat daar staat, en waar dat over gaat. “De kennis is zo aan het verdampen dat we ons heel sterk op de kern van het christelijk geloof moeten richten en dat is Jezus Christus”.
Mw. dr. F. Stark, docent homiletiek en liturgiek aan dezelfde universiteit, valt Barnard bij. “In toenemende mate zijn mensen zo weinig vertrouwd met het kerstverhaal dat het goed is de basisinformatie aan de orde te stellen. Maar dan moet het niet alleen om het vertellen van het verhaal draaien; daar komen mensen uiteindelijk niet voor. Je vervalt dan in versimpeling met de sfeer van beschuit met muisjes. Ook gelovige interpretatie dient aan de orde te komen, zoals dat God mens is geworden. Dat bemoedigt mensen”.

De boodschap moet dus zijn: Christus is geboren. En de vraag is: welke gelovige interpretatie hoort daar bij?
Hoe moeten we het Evangelie uitleggen?
Hoe moeten wij de blijde Boodschap toepassen?

In de Adventsperiode ligt dat anders, zeggen andere theologen.
Dan kun je bijvoorbeeld het Bijbelboek Ruth lezen.
Je kunt samen de heilshistorische lijn ontdekken.

Met Kerst kan men dan prediken: “Wat betekent Lucas 2 nu echt voor vandaag? Dat God naast ons staat in de crises van het bestaan”.

Iemand zegt: inderdaad, wij moeten het Kerstverhaal vertellen. Maar dat betekent niet dat we terug moeten gaan in de tijd. En pas voorál op voor decadentie en verval.
Iemand merkt op: wij moeten het Kerstverhaal op een creatieve manier vertellen. Bedenk steeds weer wat nieuws.
Iemand spreekt uit: als je het Oude Testament erbij haalt – zeg maar: Mozes en Jozef – dan wordt het wel moeilijk. Vooral voor kinderen.
Iemand meent: begin bij Lucas 2 en haal er een ander Bijbelgedeelte bij. Dan kun je steeds een ander aspect van Gods werk laten zien.

Deze gedachtewisseling tot mij nemend, realiseer ik mij eens te méér hoe belangrijk het is om het Woord zelf te laten spreken. Mensen hoeven niet allerlei gekunstelde manieren te bedenken om Gods Woord aan de man en vrouw te brengen.
Wie Gods Woord leest, weet wat hem te doen staat: achter Jezus Christus aan.

Want Hij is onze Leidsman. Zo staat dat ook in Hebreeën 12: “Laat ons oog … alleen gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs”[2].
De leidsman – de archegon staat er in het Grieks[3]. Daarin zit ‘arche’: oeroud, van heel vroeger. En ‘gon’: oorspronkelijk, authentiek[4]. Christus is, om zo te zeggen, de Auteur van het geloof. Hij is de Aanvang van onze lofprijzing voor God. Het startpunt ligt niet in het simpele feit dat wij ons hart open doen. Hij begint en wint.
Hij is ook de voleinder – de teleioten, lees ik in de grondtekst. Hij is Degene die het geloof voltooit.
Hij is de Man die het begin maakt. En Hij maakt het ook helemaal af. Dat Griekse woord heeft ook de kleur van: perfectie, volmaaktheid. Jezus Christus is in ons bestaan diepgaand bezig. Hij pakt onze existentie grondig aan.
Hij zorgt er, om het zo uit te drukken, voor dat ons geloof duurzaam wordt. Zo wordt het echt een deel van onszelf.
Ons geloof wordt beschermd. Zeg maar rustig: áfgeschermd. Mensen voor wie het niet bestemd is kunnen er niet bij komen.
Jezus Christus proclameert: mensen, u blijft met uw vingers van Mijn kinderen af; want Ik ga Zélf voor hen zorgen.
Dat is de Boodschap van dat Kind in de kribbe.
Dat Kind in de kribbe vult en vérvult ons leven. Van A tot Z.

Nu ga ik weer naar de wereld van 2012.

Mensen zeggen: we moeten vertellen dat God méns geworden is; dat bemoedigt mensen.
Wie dat Evangelie brengt, moet wel het hele verhaal vertellen. Het helpt niet om alleen maar te zeggen: Jezus was een mens. Of: wij moeten Jezus’ voorbeeld volgen.
Want dan wordt vergeten dat Jezus Christus onze levens structureel verandert.

Mensen zeggen: we moeten oppassen voor teruggang. En voor verval van de prediking. Met een moeilijke term heet dat: we moeten oppassen voor regressie.
Dat is een mooi verhaal. Maar wie gaat daarvoor zorgen? En hoe dan?
Wie het Evangelie vandaag verkondigt, moet laten weten: Jezus Christus is met u aan het werk, terwijl u uw dagelijkse werkzaamheden verricht. Thuis, in het gezin waar u leeft. Op het kantoor waar u uw beroepsarbeid verricht. En terwijl u in uw fauteuil, achter uw computer, of met uw tablet-pc op schoot, de krant leest. Jezus Christus is met u bezig; waar u ook bent.

Mensen zeggen: wij moeten de Boodschap op een creatieve manier vertellen.
Laten wij daar voorzichtig mee wezen. Want als het erop aan komt, kan menselijke creativiteit onuitsprekelijk vermoeiend zijn.
Wie het Evangelie doorgeeft, moet weten dat Jezus Christus Zelf de grote Creator is. De Ré-creator. De Hérschepper.
Laten wij die creativiteit maar aan de Heiland overlaten.

Mensen zeggen: als we het Oude Testament erbij halen, snappen onze kinderen het al gauw niet meer. Voor hen wordt het te moeilijk. Ze zien de lijnen niet.
Dat zal wel zo wezen.
Maar we kunnen toch steeds stúkjes van de lijn laten zien? En we kunnen toch regelmatig repetéren wat wij al eerder hebben geleerd?
Natuurlijk pakken kinderen niet alles meteen op. Maar zou het mechanisme van Johannes 14 vandaag niet meer werken? Ik citeer: “…de Trooster, de heilige Geest, die de Vader zenden zal in mijn naam, die zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb”[5]. Dat zei Jezus tegen Zijn discipelen. Tegen het fundament van de kérk, dus. Dan mogen wij er, meen ik, op vertrouwen dat de Here Zijn Woord in de harten van ons en onze kinderen legt. Ook anno Domini 2012.

Mensen zeggen: wij moeten Lucas 2 in verband brengen met andere Schriftgedeelten.
Dat klopt.
Anders wordt de Kersthistorie een zoet verhaaltje. Met een baby en kostbare cadeautjes die lekker ruiken.
Jezus Christus is het middelpunt van de wereldgeschiedenis. Of men dat nu wil geloven of niet.
Hij is de Leidsman en Voleinder.
Het Beginpunt en de Voltooier.

Laten wij daarom Openbaring 22 nog maar eens repeteren:
“Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden, naardat zijn werk is. Ik ben de alfa en de omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde. Zalig zij, die hun gewaden wassen, opdat zij recht mogen hebben op het geboomte des levens en door de poorten ingaan in de stad”[6].

Noten:
[1] Zie: “Met Kerst gewoon het basale verhaal”. In: Nederlands Dagblad, maandag 24 december 2012, p. 2.
[2] Hebreeën 12:2.
[3] In het onderstaande gebruik ik onder meer de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Hebreeën 12:2.
[4] Zie ook http://www.learning-org.com/01.05/0034.html .
[5] Johannes 14:26.
[6] Openbaring 22:12, 13 en 14.

27 december 2012

De kern van het Evangelie

In dit tijdsgewricht is er in heel wat kerken belangstelling voor het zogeheten ‘kerkelijk jaar’.
Er wordt, ook in zich gereformeerd noemende kerken, gebruik gemaakt van oecumenische leesroosters voor advent en de veertigdagentijd. Er is toenemende aandacht voor de liturgische kalender.
Omdat het aantal kinderbijbelclubs gestadig groeit, en de invoering van kindernevendiensten hier en daar ingang vindt, is er behoefte aan materiaal dat bij het liturgisch jaar aansluit.
Over zo’n ‘kerkelijk jaar’ kun je uitgebreid heen en weer praten. Afgelopen zaterdag, 22 december 2012, gebeurde dat in het Nederlands Dagblad ook.
De protestantse predikant B.J. van der Graaf uit Amsterdam zei: “Dit heeft zo zijn eenzijdigheden. De eerste drie jaar dat ik zo’n rooster heb gevolgd, preekte ik veel over de evangeliën en nooit meer uit de brieven. De alternatieve lezingen voorzien in die lacune en ik denk dat het heel belangrijk is op die manier meer evenwicht in de lezingen aan te brengen. Een andere vraag blijft toch of de gemeente het helemaal meemaakt. Een deel waardeert de vereenvoudiging zeer, maar anderen blijven toch houden van themapreken. Dit is dus niet het ei van Columbus”.
De Nederlands-Gereformeerde predikant W. Smouter constateerde cynisch: “Zelf ben ik voorzichtig met die liturgische fijnzinnigheid: de meest verantwoorde liturgie tref ik daar waar het geloof in de levende Christus ontbreekt”. Smouter merkte ook op: “Vroeger hadden wij dienst op tweede kerstdag. Dat hebben we afgeschaft, omdat het wat overdreven veel werd en nu hebben we nota bene een kerstnachtdienst. Dit jaar voor het eerst zelfs twee stuks”.

Er zijn nog méér ontwikkelingen in liturgieland.
De rector van de Protestantse Theologische Universiteit, professor dr. F.G. Immink, constateerde in het ND: “Vooral op het gebied van het kerklied treden verschuivingen op. Zo klinken ’s zondags de opwekkingsliederen en evangelische gezangen. Maar dat niet alleen. Ook de dienst zelf wordt losser. De predikant beweegt zich daarbij vrijer ten opzichte van overgeleverde liturgische teksten. Formulieren zijn kennelijk niet meer in”.
Dominee A.M. de Hullu, voorzitter van het Gereformeerd-vrijgemaakte generaal-synodale deputaatschap voor liturgie en kerkmuziek, was zo mogelijk nóg duidelijker: “Liturgische vormen, of ze nu van evangelische of van hoogkerkelijke oorsprong zijn of niet, worden veel onbevangener benaderd. Wellicht meer pragmatisch. Historische achtergronden spelen dan nauwelijks een rol”.
Worship, ministry – het gebedsmodel waarbij twee personen bidden voor een derde persoon – en getuigenissen: men kan het op het kerkplein zomaar tegenkomen[1].

In de bovengenoemde omstandigheden is het, dunkt mij, van groot belang dat ware gelovigen zich concentreren op de kern van het Evangelie.
Men kan zich verbazen over allerlei gedachtegangen. Men kan zich ergeren aan diverse kerkelijke ontwikkelingen. Men kan intensief meedoen met tal van theologische discussies.
Maar waar gaat het om?
Het gaat om het antwoord op de volgende vragen:
* wat is de blijde boodschap van God?
* wat betekent dat voor Gods kinderen in 2012?

In verband met deze kwesties wijs ik u vandaag op Lucas 15.

In dat Schriftgedeelte lezen we:
* de gelijkenis over het verloren schaap
* de gelijkenis over de verloren penning
* de gelijkenis over de verloren zoon.

In dit hoofdstuk staan dus drie woorden centraal: verloren – gevonden – vreugde[2].

Aanleiding voor het vertellen van deze gelijkenissen: Jezus’ omgang met mensen die grove zonden gedaan hebben. De tollenaars bijvoorbeeld: zij innen de belastingen voor de Romeinse bezetter en doen daar nog een bedrag bovenop, om er zelf prettig van te kunnen leven. De Joden beschouwen die tollenaars als collaborateurs, medewerkers van de vijand.
De Schriftgeleerden vinden het maar niks dat Jezus zoveel aandacht aan zondaars besteedt. Later is er ook een rabbijns gezegde: “Laat iemand geen omgang hebben met een zondig, goddeloos, slecht mens, zelfs niet om hem dichter bij de wet te brengen”. Maar Jezus doet dat wél. Een schande!, menen de kerkleiders.

Jezus legt aan de Schriftgeleerden, en aan alle anderen die het horen willen, waarom hij de zondaars opzoekt.
Hij wil Gods genade laten zien.

In de gelijkenissen van het verloren schaap en de verloren penning zien wij hoe de toestand van de zondaars is. Zondaars die niet worden gered, die zijn reddeloos verloren. Ze kunnen de weg naar de toekomst zelf niet vinden. Ze zijn hulpeloos en, uiteindelijk, ten dode opgeschreven.
In de gelijkenis van de verloren zoon zien we hoe een onverstandig en zondig mens door zijn eigen toedoen totaal blut en smerig wordt. Maar bij Vader blijkt deze ver weggezakte figuur van harte welkom.

Laten wij de boodschap van Lucas 15 nog wat nader bekijken. Daar zitten, naar het mij voorkomt, tenminste drie aspecten aan[3].
1.
In de gelijkenis van het verloren schaap zien we wat er gebeurt als een dier de kudde verlaat. Als ik mij niet vergis, laat de Here hier zien hoe een kerkverlater zich voelen kan. Zo iemand weet best hoe de sfeer in de kerk is. Maar hij meent zichzelf wel te kunnen redden. Uiteindelijk doolt hij rond. Ergens, in de catacomben van zijn bestaan, is er nog een beetje heimwee naar de kerksfeer van vroeger. Maar ja, die sfeer is weg… Dat is verleden tijd.
2.
In de gelijkenis van de verloren penning lezen we over een vrouw die op zoek gaat naar het geld dat zij kwijt is. Zij veegt het huis[4]. Al het stof van de Oosterse hitte en vuiligheid wordt weggedaan.
Alle dwaalleer gaat de deur uit. De kerk wordt weer schoon. Zeg maar: rein en onberispelijk. Zo u wilt: onberispelijk en onbesmet[5]. Als het huis schoon en op orde is glinstert, ergens in een hoek, opeens die penning. In een zuivere kerk komt de glans van Gods blijde Evangelie pas goed tot zijn recht.
3.
In de gelijkenis van de verloren zoon kunnen wij het effect van bekering zien. De verloren zoon keert terug naar Vader. Zijn geestelijke armoede wordt Geestelijke weelde. Als die zogenaamd ‘zelfredzame’ zoon zich weer bij Vader meldt, wordt hij – Geestelijk bezien – puissant rijk.
Zo laat Jezus Christus zien wat er in het leven van alle mensen moet gebeuren.
Wie zich bekeert, mag zich verheugen op een leven vol hemelse overvloed.
Wie zichzelf wenst te bedruipen, moet er op rekenen dat hij onder het stof ligt, en daar ook blijft liggen. Net als die penning.

Terug nu naar de vragen die ik hierboven stelde:
Wat is de blijde boodschap van God? En wat betekent die voor Gods kinderen in 2012?

De blijde boodschap is: zondige kinderen van God mogen, als zij in Hem geloven, genieten van Zijn genade.
Verloren mensen zoekt hij op. Vandaag, morgen en overmorgen. En, Deo Volente, ook in het volgende kalenderjaar. Altijd weer wil Hij Zijn genade aanbieden.
Onze taak is: in afhankelijkheid, met open handen en open harten, de redding aanvaarden die de Here geeft. En vervolgens mogen wij in dankbaarheid leven. In onze activiteit binnen de kerk. In onze bezigheden in de samenleving.
Wie goed rondkijkt, heeft het al snel gezien: er is nog veel te doen in de wereld; en in de kerk is ook nog heel wat werk te verrichten. Niet vanwege ónze reputatie. Maar vanwege de naam van God.

Voor wie gaat doen wat zijn hand víndt om te doen, wordt de betekenis van het zogenaamde ‘kerkelijk jaar’ steeds minder groot.
Wie gewoon aan het werk gaat, die hééft niet zo veel met allerlei charmant ogende liturgieën-met-menselijke-trekjes in de kerk.

Zo iemand heeft wel wat ánders te doen.
Want hij kent de lengte, breedte en hoogte van ellende, verlossing en dankbaarheid.
En hij kent de levensvreugde van genade, geloof en bekering.
Daar leeft hij uit.
Iedere dag.

Noten:
[1] Zie: Koen Gerling, “Belangstelling orthodoxen voor kerkelijk jaar groeit”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 22 december 2012, p. 2 en 3.
[2] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.oudesporen.nl/Download/OS1422.pdf .
[3] In het onderstaande gebruik ik onder meer de inhoud van een e-mail die mijn vader, H.P. de Roos, mij zond op zondagavond 28 oktober 2012. Op die zondag sprak student C. Koster in de middagdienst van De Gereformeerde Kerk Groningen een stichtelijk woord waarbij Lucas 15:1-10 de tekst vormde. Broeder Koster sprak dus over de gelijkenissen van het verloren schaap en de verloren penning. Mijn vader bracht het door broeder Koster gesproken woord in verband met de parabel die er in de verzen 11-32 op volgt: de gelijkenis van de verloren zoon.
[4] Lucas 15:8: “Of welke vrouw, die tien schellingen heeft, en er één verliest, steekt niet een lamp aan en veegt het huis en zoekt zorgvuldig, totdat zij hem vindt?”.
[5] Deze terminologie leen ik van de apostel Paulus, die ‘m gebruikt in Philippenzen 1 en 2. Zie Philippenzen 1:9, 10 en 11: “En dit bid ik, dat uw liefde nog steeds meer overvloedig moge zijn in helder inzicht en alle fijngevoeligheid, om te onderscheiden, waarop het aankomt. Dan zult gij rein en onberispelijk zijn tegen de dag van Christus, vervuld van de vrucht van gerechtigheid, welke door Jezus Christus is, tot eer en prijs van God”. En Philippenzen 2:13, 14 en 15: “…God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt. Doet alles zonder morren of bedenkingen, opdat gij onberispelijk en onbesmet moogt zijn, onbesproken kinderen Gods te midden van een ontaard en verkeerd geslacht, waaronder gij schijnt als lichtende sterren in de wereld”.

24 december 2012

Kerst 2012: beloofd is beloofd

De geboortedag van Jezus Christus vieren we anno Domini 2012 in een kerkelijke wereld die op hol geslagen lijkt. De ontwikkelingen volgen elkaar snel op. Dat gaat zo rap dat het voor kerkelijke vergaderingen niet meer is bij te houden.

In Amsterdam is kanselruil tussen gereformeerden en protestanten heel vanzelfsprekend geworden[1]. Dominee van der Graaf – een ‘gereformeerde bonder’ – zegt daarover in het Nederlands Dagblad van vrijdag 21 december: “Dat we voorgaan in elkaars diensten is de vanzelfsprekende vrucht van een nauwe samenwerking. We hebben elkaar heel hard nodig, maar dat is het niet alleen. We doen het ook uit overtuiging en met vreugde”.
In Stadskanaal wordt nagedacht over een samenwerking tussen Gereformeerd-vrijgemaakten, Christelijke Gereformeerden en protestanten van hervormde snit.

Kerkrecht doet er niet meer zo toe.
Heel veel kerkgangers, met name jongeren, zoeken een kerk waar een hechte gemeenschap is en een goed verhaal gehouden wordt. Formele afspraken komen achter de ontwikkelingen aan. De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant W.J.M. Vreugdenhil zegt: “Landelijke regelingen hebben wel zin, maar volgen plaatselijke ontwikkelingen. Je ziet vaak dat ze wijzigen door druk van onderaf”.
Dominee H.J. Messelink, voorzitter van generaal-synodale deputaten voor kerkelijke eenheid van de Gereformeerd-vrijgemaakte kerken, deelt onomwonden mee dat de ontwikkelingen op plaatselijk vlak, meestal tussen vrijgemaakt- en Nederlands-gereformeerden, het deputaatschap in verlegenheid brengen. Het idee om van bovenaf regels op te leggen komt uit de vorige eeuw en “werkt nu al niet meer. We moeten in gesprek over de vraag of we alles wel van bovenaf willen regelen”.
Er heerst, kortom, een ietwat rommelige sfeer op het kerkplein.

In die omstandigheden klinkt het Kerstevangelie.
“Zij zal een zoon baren en gij zult Hem de naam Jezus geven”. “Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren”. En nog eens staat er bij dat die zoon gebaard werd: “En hij had geen gemeenschap met haar, voordat zij een zoon gebaard had”[2].
Als er een nieuwe wereldburger wordt geboren, staat de wereld even stil. Er is pijn en moeite. Dat is al zo vanaf Genesis 3: “Ik zal zeer vermeerderen de moeite uwer zwangerschap; met smart zult gij kinderen baren”[3].
Een klein kind kan nog heel weinig. Het is vrijwel helemaal afhankelijk van zijn ouders. Juist in die geboorte laat de hemelse God het zien: u moet zich volledig aan Mij overgeven. U ziet het: deze Baby moet helemaal door Zijn ouders verzorgd worden. Zo moet Ik op u passen. Zo moet Ik u helpen. Zo moet Ik mij over u ontfermen.

Er wordt uitgesproken: “We hebben elkaar heel hard nodig, maar dat is het niet alleen. We doen het ook uit overtuiging en met vreugde”.
We hebben elkaar nodig. Dat klinkt mooi. En vroom.
Maar waar het om gaat is dit: we hebben de Here Jezus Christus nodig. Hij kwam naar de aarde om onze zonden te vergeven. Op het kerkplein begint alles niet met elkáár. Het startpunt ligt bij de hemelse Heer!

In Mattheüs 1 overheerst één Goddelijk bericht: afspraak is afspraak.

De Here is trouw.
Dat blijkt door de geslachten heen. In Mattheüs 1 stáát ook een geslachtsregister. In dat register staan namen als die van Rachab, de hoer. En die van Ruth, de vrouw uit Moab. De Here kijkt over grenzen heen. Hij zet Zijn plan dóór; ondanks menselijke zondigheid en kleinzieligheid.
De hemelse God laat zien dat er systéém in Zijn doen en laten zit. Ik citeer: “Al de geslachten dan van Abraham tot David zijn veertien geslachten en van David tot de Babylonische ballingschap veertien geslachten en van de Babylonische ballingschap tot de Christus veertien geslachten”[4].
De Here laat duidelijk blijken: wat Ik belóófd heb, dat gaat door!
Mattheüs vermeldt dat er ook expliciet bij: “Dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen de Here door de profeet gesproken heeft, toen hij zeide: Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal Hem de naam Immanuël geven, hetgeen betekent: God met ons”[5].

Wie dit alles tot zich door laat dringen, merkt wellicht ook hoe het gebrek aan ménselijke planmatigheid schril afsteekt tegen de Goddelijke planning en daadkracht.
En wij kunnen er niet omheen kijken: de Here voert Zijn voornemens uit. Als dat érgens naar voren komt, dan is het wel op de eerste Kerstdag in de wereldgeschiedenis.
Dan kunnen mensen concluderen: wij hebben elkaar nodig. Of: wij moeten samen optrekken. Of: het is onze overtuiging dat wij dit of dat zus en zo moeten doen. Of: als wij de boel samen aanpakken, wordt onze levensvreugde groter.
Maar met zulke beweringen schiet men, als u het mij vraagt, langs de kern van de zaak héén. De kernvraag is: doen wij wat de Here van ons vraagt?
Het hindert mij dat ik over het antwoord op die laatste vraag zo weinig hoor.

Te Amsterdam, te Stadskanaal, en op heel veel andere plaatsen in den lande lijkt men te zeggen: de omstandigheden maken het nodig dat wij samen gaan werken.
De Here God heeft, in een heerlijk geslaagde soloactie, ingegrepen. Dat deed Hij om de levensomstandigheden van Zijn kinderen structureel te verbeteren. Dat deed Hij om Zijn kinderen een volmaakt leven te geven.
Onze Here, de Schepper van hemel en aarde, werkt zeer planmatig.
En systematisch.
Georganiseerd.
Methodisch.
Dat mag de kerk laten zien.
In alles.
Ook in de organisatie. En in het kerkrecht.

Morgen en overmorgen vieren we het Kerstfeest.
Dat is voor Gods kinderen een mooie gelegenheid om een heldere boodschap aan de wereld te proclameren.

Die boodschap luidt, wat mij betreft, als volgt.
In het verbond en in de kerk geldt: afspraak is afspraak. En beloofd is beloofd.

Noten:
[1] In het onderstaande gebruik ik onder meer: “Verlegen met ‘natuurlijke kanselruil’”. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 21 december 2012, p. 2.
[2] Achtereenvolgens citeer ik de verzen 21, 23 en 25 uit Mattheüs 1.
[3] Genesis 3:16.
[4] Mattheüs 1:17.
[5] Mattheüs 1:22 en 23.

21 december 2012

Gereformeerde zede

Wat is eigenlijk de Gereformeerde zede?
Die vraag kwam laatstelijk langs op een vrouwenvereniging.
Dat was een goede vraag. Het ijverig zoeken van een antwoord daarop getuigt van de ernst waarmee men het christelijk leven wil vorm geven.

Even zo goed is het niet gemakkelijk een eendúidig antwoord op die vraag te formuleren.
De Gereformeerde zede bestaat namelijk niet.
Gereformeerde zeden – gewoontes dus – veranderen door de tijd heen. Wat in 1970 misschien heel gewoon was, is in 2012 wellicht helemaal niet meer aan de orde.

Overigens is over die gereformeerde zede in het verleden nogal wat te doen geweest.
In “De Reformatie”, weekblad tot ontwikkeling van het gereformeerde leven, stond op 10 januari 1948 (!) te lezen: “Indien we ons niet vergissen is onder ons Gereformeerde volk het respect voor de Gereformeerde zede aan ‘’t wankelen”. En: “…bij hen, die thans met de Gereformeerde zede breken, mist men elk profetisch élan. En dat profetisch élan, beter gezegd de profetie alleen leidt tot reformatie van het leven”[1].
De Gereformeerd-synodale ethicus G.Th. Rothuizen liet in 1980 een boek het licht zien dat de volgende veelzeggende titel droeg: “Een bezige bij, of de gereformeerde zede bestaat niet meer”[2]. En dat terwijl zijn leermeester, R. Schippers, in 1955 nog een boek had gepubliceerd met de titel “De Gereformeerde zede”[3]. U ziet het: ’t kan snel gaan…

De Gereformeerde zede: we hebben het er zelden meer over.
Misschien ligt de reden daarvoor in het feit dat de Gereformeerd-vrijgemaakte hoogleraar J. Douma niet zo gelukkig is met die term. Die is hem te oppervlakkig, te wazig en te statisch.
Liever spreekt hij over ‘christelijke levensstijl’. Die uitdrukking heeft meer diepte. Die term laat ook zien dat er sprake is van één stijl, waarop voortdurend gevarieerd wordt[4].

Hoe dat zij: het is goed om onze levensstijl zo nu en dan tegen het licht te houden.
Als onze zeden slijten, en wij ons dagelijkse doen en laten wijzigen, behoort daar ook een eerlijke verantwoording bij.
Als we in de Gereformeerde wereld geen periodiek onderhoud plegen aan onze zeden, wordt voor nieuwe verschijnselen onvoldoende gemeenschappelijk gedrag ontwikkeld.
In de jaren ’80 van de vorige eeuw schreef professor dr. J. van Bruggen over dit thema: “De combinatie van slijtage en gebrek aan on­derhoud leidt tot inconsequenties. Niet mee­doen aan zondagsport en toch wel kijken er­naar voor de T.V. Niet aansluiten bij het FNV, maar wel lid zijn van de algemene per­soneelsvereniging enz.
In de plaats van de gereformeerde zede komt nu het steeds vaker herhaalde motto dat de mondige christen zijn eigen vrijheid en ver­antwoordelijkheid heeft en dat wij daarin toch vooral ieder zijn eigen beslissing moeten laten. Binnen het collectieve kader (de kerk­gemeenschap) wordt dan snel overgescha­keld op de individuele ontwikkeling van le­venspatronen”[5].
Het is een goede zaak om, als het over onze gewoontes gaat, onszelf bij tijd en wijle eens met een zekere nauwgezetheid te onderzoeken.

Vandaag wil ik de Gereformeerde zede belichten. En wel op een zestal punten.
Dat doe ik om mijzelf op te scherpen. Nee, ik doe het niet om alle lezers van deze internetpagina te dwingen om hun manier van doen aan mij aan te passen; natuurlijk niet. Ik geef mijn gedachten slechts door om u een kapstok aan te reiken; daar kunt u uw eigen Schriftuurlijke gedachtevorming vervolgens aan ophangen.
Hieronder vindt u slechts enkele opmerkingen. Persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat over het onderwerp nog veel meer te zeggen zou zijn. In die zin schiet dit stukje zonder twijfel schromelijk tekort. Ik troost mij echter met de gedachte dat, als niemand iets over Gereformeerde zede zegt, de stilte ongemakkelijk wordt.

Opmerking 1
Er zijn nogal wat tv-uitzendingen waarin op een of andere manier contact wordt opgenomen met overledenen.
Ook in gesprekken met mensen ‘uit de wereld’ komt dat thema nogal eens langs: hij of zij is nu ergens daarboven. En waarschijnlijk kijkt hij of zij mee…
Men loopt naar het graf van vader, moeder, zoon of dochter. Peinzend kijkt men naar de grafsteen. Soms worden dingen gezegd die heel troostvol lijken. Hij of zij is vast en zeker in de hemel; heel hoog en heel veilig. Hij of zij zweeft boven ons, ergens bij de sterren.
Gereformeerde mensen moeten zich met zulke dingen maar niet bemoeien. De plaats waar de overledene zich bevindt is aan de Here bekend; daar gaan wíj niet over.
Dat is voor heel wat onkerkelijke mensen een buitengewoon schrale troost. Maar des te dringender is de boodschap aan alle mensen op aarde: kom naar de kerk, vertrouw u toe aan Christus!

Opmerking 2
Het wordt in onze wereld steeds ingewikkelder om bij het misbruik van Gods naam en het gebruik van vloeken vandaan te blijven. De naam van God wordt te pas, en vooral te onpas, gebruikt.
In die wereld is het belangrijk om te tonen dat ik gereformeerd ben.
Mijn Bijbels staan zichtbaar in de huiskamer.
In de conversatie met mensen die bij mij over de vloer komen – en dat zijn heus niet allemaal christenen! – wordt onderwerpen als ‘geloof’ en ‘kerk’ niet gemeden.
Op de planken in mijn werkkamer staan heel wat boeken die over kerk en theologie gaan.
De omgang met naasten past bij de regels die de Here in de Schrift geeft. Natuurlijk gaat daarin wel eens iets mis. Maar de grote lijn is duidelijk zichtbaar.
Het merendeel der cabaretiers op tv en radio wordt het zwijgen opgelegd. Geloof en kerk zijn namelijk geliefde onderwerpen, waarover in bijna honderd procent van de gevallen nogal laconiek en te cynisch gedaan wordt.
Ik zou willen zeggen: laten wij niet verbergen dat wij gereforméérd leven.

Opmerking 3
De zondag wordt hoe langer hoe meer een dag om iets sociaals te doen.
Het wordt – bijvoorbeeld – een dag om samen te wandelen, te fietsen of te joggen.
Daarbij is het, zo weet ik uit eigen ervaring, steeds belangrijker om duidelijk te zeggen dat ik op zondag twee keer naar de kerk ga. Als dat door omstandigheden niet kan, staat thuis de kerkontvanger aan.
Op zondag staan, kortom, de kerkdiensten centraal.
Op zondagavond kijken mijn vrouw en ik vaak naar de ’s morgens opgenomen tv-uitzending van Nederland Zingt; het bekende programma van de Evangelische Omroep.
De ervaring leert dat het steeds moeilijker wordt om het reizen op zondag te voorkomen. In dit verband pleit ik er voor om als algemene regel te blijven stellen: de kerkdiensten en de grote aandacht voor Gods Woord mogen beslist niet in de knel komen.
Wat doen we op zondag wél, en wat doen wij niet? Eén van de regels die bij mij geldt, is: zodra ergens voor moet worden betaald, doe ik het niet.

Opmerking 4
In gereformeerde gezinnen is het niet altijd pais en vree. Sterker nog: tussen echtelieden botert het lang niet altijd.
De sfeer in de westerse wereld is bovendien individualistisch. Je moet jezelf redden. Je moet voor jezelf opkomen. Je moet je eigen zin doorzetten. De wereld wil het er wel bij ons in timmeren: een beetje tegendraadsheid kan nooit kwaad.
En hoe vaker de mensen dit soort opinies de wereld in slingeren, des te negatiever wordt de atmosfeer.
Nu het hierom gaat wijs ik op de Zondagen 39 en 41 van de Heidelbergse Catechismus. Daarin gaat het over “alle eer, liefde en trouw”. En over het “heilig huwelijk”[6].
Het huwelijk is, zo leren wij in Efeziërs 5, een beeld van de band tussen Christus en Zijn gemeente[7]. Die kennis alléén al kan er voor zorgen dat we in huwelijk en gezin goed voor elkaar zorgen. Ach, dan is er wel eens kortsluiting. Misschien knalt het zelfs regelmatig. Maar met het uitzicht op onze Here Jezus Christus is er altijd een weg terug.

Opmerking 5
Heden ten dage maken gereformeerde mensen niet zelden deel uit van tamelijk kleine kerken. Dat brengt vaak met zich mee dat men elkaar heel goed kent.
In dergelijke omstandigheden is het, meen ik, van het hoogste belang dat we niet op alle slakjes zout leggen. Misschien ergeren we ons wel eens aan het gedrag van een broeder of zuster. Dat kan best gebeuren. En stel u gerust: dat gebeurt overal.
Gereformeerde mensen moeten zich echter niet te snel opwinden. In een omgeving waarin een groot deel van onze medemensen een kort lontje heeft, is het van belang dat ware gelovigen laten zien dat zij zich pas druk gaan maken als dat de moeite werkelijk wáárd is. Bijvoorbeeld als de eer van God ermee gemoeid is.

Opmerking 6
Wij moeten ons inspannen om de volmaaktheid te bereiken. Zo staat dat in Zondag 44 van de Heidelbergse Catechismus[8].
Maar daarbij zullen we altijd moeten blijven bedenken dat wij die volmaaktheid niet zelf kunnen bereiken. Wij moeten de gerechtigheid in Christus zoeken.
De bovenstaande constatering helpt ons van onze kerkelijke prestatiedrang af. En van onze gejaagdheid. Van ons haantjesgedrag. En van onze stress.
Perfecte mensen worden wij hier op aarde niet.
Maar gereformeerd blijven we wel. Daarom is het goed om onze zeden helder te benoemen en, bij tijd en wijle, zorgvuldig te doordenken.

Noten:
[1] Zie: De Reformatie, jg. 23, nr 15 (10 januari 1948), p. 119. Ook te vinden op  http://www.digibron.nl/search/detail/012f103659f9dba18f35774a/de-gereformeerde-zede .
[2] Dat boek werd uitgegeven door Uitgeverij J.H. Kok te Kampen, en telt 186 pagina’s.
[3] Ook dit boek werd door Kok in Kampen op de markt gebracht. Het heeft 270 pagina’s.
[4] Zie “Ten geleide”. In: Radix 9 (1983), p. 135. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/013098fce155787adfd62170/ten-geleide/0 .
[5] Prof. dr. J. van Bruggen, ‘Het christelijk karakter van een gereformeerde school’ . In: “Het Gereformeerd Onderwijs; identiteitsbezinning 1968-1983”. – pagina 51-54.
[6] Heidelbergse Catechismus; Zondag 39, vraag en antwoord 104: “Wat eist God in het vijfde gebod? Dat ik aan mijn vader en moeder en aan allen die gezag over mij ontvangen hebben, alle eer, liefde en trouw bewijs, mij aan hun goede onderwijzing en tucht met gepaste gehoorzaamheid onderwerp en ook met hun zwakheid en gebreken geduld heb, omdat God ons door hun hand wil regeren”. En: Heidelbergse Catechismus; Zondag 41, vraag en antwoord 108: “Wat leert ons het zevende gebod? Dat alle onkuisheid door God vervloekt is. Daarom moeten wij die hartgrondig haten en rein en ingetogen leven, zowel in het heilig huwelijk als daarbuiten”.
[7] Uit Efeziërs 5 citeer ik de verzen 25, 26 en 27: “Mannen, hebt uw vrouw lief, evenals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft, haar reinigende door het waterbad met het woord, en zo zelf de gemeente voor zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbesmet”. En de verzen 29, 30, 31 en 32: “… want niemand haat ooit zijn eigen vlees, maar hij voedt het en koestert het, zoals Christus de gemeente, omdat wij leden zijn lichaam. Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn. Dit geheimenis is groot, doch ik spreek met het oog op Christus en op de gemeente”.
[8] Heidelbergse Catechismus; Zondag 44, antwoord 115: God wil “dat wij zonder ophouden ons inspannen en God bidden om de genade van de Heilige Geest, om steeds meer naar het beeld van God vernieuwd te worden, totdat wij na dit leven het doel, namelijk de volmaaktheid, bereiken”.

20 december 2012

Echt Gereformeerd

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Gereformeerd: dat is een aanduiding die door hele volksstammen wordt gebruikt. Je zou haast zeggen dat er gereformeerden in soorten bestaan.
Er is dus alle reden om het begrip ‘gereformeerd’ ietwat nauwkeuriger te bezien[1].
Vandaag doe ik dat in zeven paragraafjes.

Schriftuurlijke samenhang
Wie de Schrift leest, leert gereformeerd denken[2]. Die Bijbellezer ziet namelijk de samenhang tussen de verschillende Bijbelteksten.
Er zijn wel mensen die suggereren dat we het lezen van de Bijbel niet te ingewikkeld moeten maken. Dat lijkt mij een drogredenering. De Here heeft ons in Mattheüs 22 geboden om hem met ál onze krachten te dienen. En daar is het verstand bij inbegrepen[3].
Vandaag de dag wordt nog wel eens geklaagd over de fragmentarisering van het leven.
Gereformeerden hebben daar over het algemeen niet zoveel last van. Zij kennen zowel het Oude als het Nieuwe Testament.
Het Nieuwe Testament is, om zo te zeggen, het boek van de vervulling. Daarin wordt voortgebouwd op het Oude Testament.
De Here is Koning. Hij heeft alle recht om gediend en geëerd te worden. Het gaat in het O.T. vaak over de dag des Heren: een dag van verlossing, maar ook van oordeel. Het volk Israël komt in beeld. Maar ook heel veel andere naties komen in ons blikveld.
Er zit vóórtgang in de Bijbel. Het gaat van de profeten naar Christus en naar Zijn Heilige Geest.
De Bijbel is dus een dynamisch boek.
Er gebeurt van alles in.
Er wordt een lijn uitgetekend.
Er zit een Boodschap voor de wéreld in.

Gods vólk
Daarom beschouwen gereformeerden Gods Woord niet enkel als een Boek van individueel nut.
Massa’s druk pratende christenen hebben het over ‘mijn Heiland’. En over ‘mijn Vader’. En over het innige contact dat zij zélf met God hebben. En over het feit dat de Here hun hart vult.
Dat klinkt goed.
Solide.
Maar daarbij wordt niet zelden vergeten dat de Here een volk om Zich heen verzamelt.
Paulus schrijft aan de Corinthiërs: “Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest Gods in u woont?”[4]. De geméénte in Corinthe moet beseffen dat zij een tempel van God is: al die christenen zijn samen één tempel. De christenen vormen in gezamenlijkheid de woonplaats van de Heer.

Gods volk vandáág
Gods volk luistert naar het Evangelie. Dat doet zij in 2012. En dat zal, Deo Volente, in 2013 ook wel zo wezen.
Vanouds heeft de kerk altijd aandacht gehad voor haar omgeving. Iemand schreef: “Gereformeerd denken heeft de eeuwen door ook sterk oog gehad voor de tweeslag van schepping en herschepping. Niet alleen maar de herschepping (dat God door Zijn Geest Zijn genade in je leven uitwerkt), maar ook de Schepping: dat God deze werkelijkheid waarin wij leven, geschapen heeft”.
Onze herschepping vindt plaats in de schepping. Creatie en re-creatie zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden.
Daarom moeten we er voor zorgen dat Gereformeerde publicaties niet tijdloos worden. Gereformeerden van onze eeuw moeten in deze tijd voor Gods aangezicht leven.
Daarom moeten Gereformeerde dominees, en alle andere voorgangers in de kerken, ervoor zorgen dat preken en gebeden altijd een duidelijke link naar de samenleving hebben. De Bijbel, het jaarboekje van de kerk en de krant behoren, om het zo uit te drukken, naast elkaar op tafel te liggen.

Gods Woord open
Gereformeerden hebben aandacht voor héél Gods Woord. Daarom zijn kerkmensen – als het goed is – niet zo vatbaar voor allerlei, al of niet theologische, modegrillen. Als zij op alle bevliegingen reageren wordt de kerk een supermarkt met voor elk wat wils. En dat kan de bedoeling niet wezen.
De mensen staan in de kerk niet op de voorgrond. De Here staat vooraan.
En steeds weer wordt de vraag gesteld: wat wil Hij dat wij doen zullen?
Als de kerk zich concentreert op het beantwoorden van die vraag, worden de verschillen tussen kerkmensen minder belangrijk. Het lijkt bijna een gouden regel in de kerk:
als er vaak naar onderlinge verschillen gekeken wordt, komt er navenant minder aandacht voor de inhoud van Gods Woord en de consequenties daarvan voor het gereformeerde leven.
In februari 2006 hield de Gereformeerd-vrijgemaakte professor dr. M. te Velde in het Overijsselse Rouveen een lezing onder de titel: ‘Met overtuiging gereformeerd voorwaarts!’. Tijdens die avond zei de hooggeleerde: “Omgaan met verschillen kunnen wij niet zo goed. We zijn heel sterk gericht op de waarheidsvraag. Wat is waar en wat is niet waar? We gaan zo snel op zoek naar het lek in het schip”[5].
Zo’n constatering klinkt mij te ‘menselijk’. Laten we maar als vuistregel aanhouden: als er in de kerk uitgebreid wordt gesproken over het omgaan met verschillen, gaat de Bijbel langzaam dicht. En u begrijpt: dat is gevaarlijk!

Gereformeerden en evangelischen
a
Gereformeerden hebben aandacht voor héél Gods Woord[6].
Dat schreef ik hierboven.
Daarin verschillen gereformeerden nogal met evangelischen. De laatstgenoemde groepering beschouwt Bijbelteksten nogal eens als losse teksten; de eenheid van Gods Woord wordt niet vaak aangewezen.
b
Gereformeerden zijn zich er van bewust dat zij Gods vólk zijn. Dat noteerde ik ook. Die eenheid komt naar voren in structuren. In belijdenissen. En in ambten.
Bij evangelischen staan de gemeenten nogal eens op zichzelf. Gereformeerden laten zien dat zij samen optrekken, achter de Here aan. Die gezamenlijkheid is overal te zien. Tot in organisatiestructuren toe.

Schriftuurlijke verwachting
De theoloog Isaäk van Dijk (1847-1923) schreef eens een artikel over de vraag: wat is gereformeerd? Van Dijk was een zeer geleerde heer. Tussen 1883 en 1917 was hij hoogleraar in de theologie te Groningen. In zijn tijd typeerde K. Schilder Van Dijk als een “een fijne geest (…), een man van zeldzame distinctie en van prachtige zeggingskunst”[7].
Professor Van Dijk merkte op dat het wóórd ‘gereformeerd’ niet in de Bijbel voorkomt. Maar, zo noteerde de hooggeleerde er bij, de zaak komt in Gods Woord vaak langs. Van Dijk wees op Job. Dit kind van God raakt alles kwijt. En zelfs zijn leven komt in gevaar. Van Dijk legde de vinger bij Job 13: “Wil Hij mij doden, ik blijf op Hem hopen”[8].
Dat is Gereformeerd, zei de hoogleraar. Zijn bedoeling was klaarblijkelijk: wie – in alle omstandigheden van zijn leven – alles van God verwacht, is echt Gereformeerd[9].

Terug naar Gods Woord
Tenslotte: de Gereformeerd-vrijgemaakte professor C. Trimp (1926-2012) had maar weinig woorden nodig om uit te leggen wat gereformeerd is: “al wat Schriftuurlijk is, is gereformeerd”[10].
Laten wij het onszelf dus maar niet te moeilijk maken, en altoos terugkeren naar de Heilige Schrift!

Noten:
[1] Gisteren, woensdag 19 december 2012, deed ik dat ook al. Het betreffende artikel is getiteld ‘Herkenbaar gereformeerd’. Het is te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2012/12/19/herkenbaar-gereformeerd/ .
[2] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van: Ds. C. van Duijn, “Wat is gereformeerd denken?”. In: De Waarheidsvriend, donderdag 19 juni 2008, p. 6 en 7. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail.jsp?sourceid=1011&uid=00000000012e4e6c2f2609bd1637387f&docid=4 .
[3] Zie Mattheüs 22:37-40: “Hij zeide tot hem: Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten”.
[4] 2 Corinthiërs 3:16.
[5]  “De boot schommelt”. In: Reformatorisch Dagblad, vrijdag 10 februari 2006, p. 2. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/share.jsp?uid=00000000012dc1684d379c47baae15be&sourceid=1011 .
[6] In het onderstaande gebruikte ik onder meer: “Kritisch tegenover zwakheden evangelischen”. In: Reformatorisch Dagblad, vrijdag 13 november 2009, p. 2.  Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail.jsp?sourceid=1011&uid=00000000012dbd141234664b6df9cde0&docid= 37 .
[7] Zie: K. Schilder, “Verzamelde werken 1917-1919” (ed. Willem van der Schee). – Barneveld:  Uitgeverij De Vuurbaak, 2004. –  p. 329. Ook te vinden op http://www.dbnl.org/tekst/schi008verz01_01/schi008verz01_01_0078.php . Zie voor meer informatie over professor Van Dijk http://kranten.kb.nl/view/article/id/ddd%3A010008223%3Ampeg21%3Ap001%3Aa0007 .
[8] Job 13:15 a.
[9] Zie: Kol-ommetje “Gereformeerden”, door Aa. In: Gereformeerd Weekblad, vrijdag 15 december 1989, p. 2. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail.jsp?sourceid=1011&uid=00000000012eac4aa1d44fa2f7f39f6c&docid=43 .
[10] C. Trimp, “Wat is gereformeerd”. – Goes: Oosterbaan &  Le Cointre, 1964. – p. 33. Geciteerd via http://www.gereformeerdekerkblijven.nl/wp/?page_id=406 .

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.