gereformeerd leven in nederland

31 januari 2013

Het doel van aards koningschap

Vandaag, 31 januari, is Hare Majesteit Koningin Beatrix vijfenzeventig jaar geworden. Afgelopen maandagavond, 28 januari, kondigde zij om 19.00 uur ’s avonds haar abdicatie aan. Op 30 april van dit jaar zal Prins Willem-Alexander ingehuldigd worden. Vanaf die dag zal ons land dus een koning hebben.

Toen afgelopen maandagavond het nieuws van de troonsafstand bekend werd, leek de hele wereld opeens stil te staan.
De televisie bood op Nederland 1 een avondvullend programma waarin Koningin Beatrix en Prins Willem-Alexander centraal stonden. De volgende ochtend was het niet anders. Het WNL-televisieprogramma Vandaag de Dag stond geheel in het teken van het abdicatienieuws.
In mijn brein echode met zekere regelmaat één woord van achttien letters: mensverheerlijking.
Daarmee ontken ik niet dat ons staatshoofd goed werk heeft gedaan. Dat heeft zij wél: jarenlang was zij een stabiele factor in de Neêrlandse monarchie. Maar ik zeg ook dat, naar mijn smaak, de nadruk al te veel lag op de kwaliteiten van de mens Beatrix, Koningin der Nederlanden.

Want waar gaat het eigenlijk om als wij nadenken over de troonswisseling?
Wat mij betreft is de kernkwestie dat wij de hoop uitspreken dat “wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid”. Ongetwijfeld herkent u de formulering van 1 Timotheüs 2[1].
Voor kerkmensen moet zó’n leven prioriteit hebben.
Het ambt van koning of koningin staat, als het goed is, in dienst van zó’n levenssfeer. Eén van de belangrijkste taken van het koningshuis is immers: het bewaken van de godsdienstvrijheid.
De opgave voor de overheid, inclusief het staatshoofd, “is niet alleen zorg te dragen voor de openbare orde en daarover te waken, maar ook de heilige dienst van de kerk te beschermen, en te bevorderen dat het koninkrijk van Jezus Christus komt en het Woord van het evangelie overal gepredikt wordt, zodat God door ieder geëerd en gediend wordt, zoals Hij in zijn Woord gebiedt”. Aldus artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
Het is die dienstbaarheid die bij een aardse koning of koningin hoort. Bij koningin Beatrix. En, naar Gereformeerde mensen in 2013 mogen hopen, ook bij koning Willem-Alexander.

In 1 Timotheüs 2 wordt voor koning het woord ‘basileus’ gebruikt[2].
In de Griekse wereld bezigde men dat woord indertijd ook wel als het over de Romeinse keizer ging.
Paulus neemt in dit Schriftgedeelte meteen ook alle àndere hooggeplaatsten mee. En de apostolische intentie is duidelijk: alle regeringsgezag wordt door God verleend; dat dient gerespecteerd te worden.

Wellicht komt de vraag op: is een stil leven in feite niet hetzelfde als een rustig leven?
Nee, dat is niet Paulus’ bedoeling.
Hij gebruikt in 1 Timotheüs 2 het woord eremos: rustig – met rust gelaten worden. En ook het woord hesuchios: rustig – een rust van binnenuit, die ontstaat als men niet lastig gevallen wordt. Het tweede is dus het gevolg van het eerste.
Het doel van het koningschap? Dat moet in ieder geval zijn dat iedereen de Here kan dienen. Vrijelijk, zonder angst. Openbaar, niet slechts achter de voordeur. In zichtbare daden, die navolging verdienen.

Wij moeten de Here bidden om blijvende gelegenheid tot het beoefenen van ware godsdienst.
In psalm 72 dicht David:
“Men vreze u, zolang de zon er is,
en zolang de maan er is, van geslacht tot geslacht”[3].
In een commentaar bij deze Psalm schreef Johannes Calvijn in 1557 dat in die woorden met name wordt gedoeld op de dienst aan God. Zo vermaant de dichter “de koningen tot plichtsbetrachting en spoort hij het volk aan tot gebed, omdat er niets voortreffelijker is dan om er met al onze wensen naar te streven de dienst en de eer Gods te bevorderen”[4].

Het bovenstaande moet, naar mijn stellige overtuiging, bij Gereformeerde mensen de boventoon voeren.

Wat voor koning zal Willem-Alexander worden?
Commentatoren op radio en televisie vertellen ons dat er waarschijnlijk wel wat veranderen zal aan het karakter van het koningschap in ons land. Het wordt, naar men zegt, ceremoniëler. Maar het is niet te verwachten dat de nieuwe koning slechts een lintjesknipper wordt.
Hoe dat zij: de koning blijft vooralsnog het staatshoofd. Hij heeft een samenbindende functie, jazeker. Hij moet een bruggenbouwer zijn, inderdaad.
Maar hij zal zich, gedurende heel zijn ambtsperiode, vooral moeten realiseren dat de overheid een dienares van God is[5]. Denkt u in dit verband maar aan Romeinen 13: “Wie zich dus tegen de overheid verzet, wederstaat de instelling Gods, en wie dit doen, zullen een oordeel over zich brengen. Want, als iemand goed handelt, behoeft hij niet bevreesd te zijn voor de overheidspersonen, maar wel, als hij verkeerd handelt. Wilt gij zonder vrees voor de overheid zijn? Doe het goede, en gij zult lof van haar ontvangen. Zij staat immers in dienst van God, u ten goede”[6].
Groen van Prinsterer schreef eens: “Wie de staat neutraal wil laten, laat hem steeds dieper wegzinken in de modder van het nihilisme en bereidt het zuivere heidendom voor”. En: “Alleen een overheid naar Gods Woord, waarin de grondslagen van recht en moraal, van gezag en vrijheid zijn neergelegd, biedt uitkomst”.
De Nederlandse regering is, zo schreef iemand enkele jaren geleden, een ‘hulp in de huishouding van de Heere’.
Dat is een typering die mij de moeite waard lijkt om te onthouden.

Graag ga ik nu nog even terug naar 1 Timotheüs 2. Want daar is meer dan die koningen en hooggeplaatsten. Er is meer dan een rustig leven.
Er staat namelijk ook: “Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland, die wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen. Want er is één God en ook één middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen; en daarvan wordt getuigd te juister tijd”[7].
Zóveel is wel duidelijk: de God van het verbond wil allerlei mensen redden. Joden en heidenen. Mensen van hoge komaf en burgers aan de onderkant van de samenleving. Al die mensen hebben te maken met de onmetelijke liefde van de hemelse Heer.
Die diepe genegenheid is gebleken in het volbrachte werk van de Here Jezus Christus.

Die blijde Boodschap mag de kerk proclameren.
Overal op aarde.
Ook in Nederland.
Het is te hopen dat onze regering, daar ook in de toekomst, veel ruimte voor geven wil.
Laten wij de Here maar vragen of hij daartoe in de harten van de Nederlandse regering werken zal.
In de harten van alle ministers en staatssecretarissen.
In het hart van koningin Beatrix.
En ook in het hart van onze toekomstige Koning Willem-Alexander.

Noten:
[1] 1 Timotheüs 2:2.
[2] In het onderstaande gebruik ik onder meer de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij 1 Timotheüs 2:2.
[3] Psalm 72:5.
[4] Meditatie ‘God vrezen’. In: Reformatorisch Dagblad, zaterdag 5 mei 2012, p. 2. De meditatie is van de hand van Johannes Calvijn en komt uit ‘Psalmen’; een publicatie uit 1557. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/013c16047ba6d63c6546e414/god-vrezen/0 .
[5] In het onderstaande gebruik ik onder meer: Dirk-Jan Nijsink, “Politiek mag je niet ‘koud’ laten”. In: Daniël, blad van de Jeugdbond Gereformeerde Gemeenten, jg. 63, nr 23 (3 december 2009), p. 14 en 15. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/013773cf99a19a9b67e84aaf/politiek-mag-je-niet-koud-laten/1 .
[6] Romeinen 13:2, 3 en 4.
[7] 2 Timotheüs 2:3-6.

30 januari 2013

Luisterles van Joël

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

De naam van de profeet Joël spreekt boekdelen: ‘God is de God’[1]. Hij is de almachtige God die alles in handen heeft. Over afgoden hoeven wij dus helemaal niet te praten.

Het lijkt er op dat Joël een inwoner van Juda was. In de hoofdstukken 1 en 2 komen Juda en Jeruzalem namelijk regelmatig voorbij.
Daarin verschilt Joël dus van Hosea: de laatstgenoemde richtte zich vaak tot het tienstammenrijk. Een ander verschil met Hosea is dat Joël niet zozeer met statements, met korte uitspraken, werkt. Joëls profetie is wat rustiger opgebouwd.
Er wordt wel gezegd dat Joël zo rond 800 voor Christus optrad; hij zou een tijdgenoot van Amos en Jesaja zijn. Maar dat is lang niet zeker.
Joël profeteert over grote rampen die aanstaande zijn: een droogte, en een sprinkhanenplaag. De profeet roept op tot bekering. Als de mensen naar de God van hemel en aarde luisteren, zal de Here zeker bereid zijn om Zijn volk te vergeven. Ook zal het land dan weer net zo vruchtbaar zijn als vroeger.
Joël spreekt echter ook over een àndere vruchtbaarheid. Hij spreekt over de Heilige Geest die uitgestort zal worden. Die zal vruchten van de Géést geven.
Joël laat als woordvoerder van de Verbondsgod ook een levensgrote tegenstelling zien:
* vijanden van God worden gestraft
* het volk van de Here ontvangt Zijn zegen.

Joël spreekt over een sprinkhanenplaag[2]. Dat verhaal moeten de mensen in herinnering houden. Vaders en moeders moeten het aan hun kinderen blijven vertellen. En die kinderen moeten de geschiedenis weer aan hún kinderen voorhouden. Want Joël proclameert: “Hoort dit, gij oudsten, en neemt ter ore, alle inwoners des lands. Is zo iets geschied in uw dagen of in de dagen van uw vaderen? Vertelt daarvan aan uw kinderen; laten uw kinderen het aan hun kinderen vertellen en hun kinderen weer aan het volgende geslacht”[3].

Alles wordt kaal gevreten.
Het hele land wordt in rouw gedompeld.
Er kan geen wijn meer worden gemaakt. Alles wat op de akkers geplant was, is weg. Er is ook geen voedsel voor het vee meer.
Alles in het land stagneert. Zelfs de offers in de tempel worden niet meer gebracht: “Spijsoffer en plengoffer zijn ontrukt aan het huis des HEREN; de priesters, de dienaren des HEREN, treuren”[4].
Joël roept de mensen bij elkaar voor een speciale kerkdienst. Dat moet een liturgie van bede en boete worden. Joël geeft zelf het goede voorbeeld.
In de natuur zijn hele hectares vol natuur weggebrand. Daarom zijn zelfs de dieren geneigd om aan die kerkdienst mee te doen!
Kortom: de economie staat volledig stil. Alle rijkdom die Gods volk meende te hebben, is geheel verdwenen. En de vraag is: komt Gods volk nu terug bij haar Heer, of niet?

De profeet Joël geeft het woord van de Hére door[5]. Zo staat dat in het eerste vers van Joëls Bijbelboek. Dat betekent: er gebéurt wat. Het is dus niet zo dat de profeet wat zegt, en dat zijn woorden totaal geen effect hebben. Dat is met Gods Woord nóóit zo. Zie ook Jesaja 55[6].

De mensen moeten wel luisteren: hoort dit… neemt ter ore.
In Gods Woord betekent dat: u kunt niet volstaan met het geven van allerlei wetenschappelijke verklaringen; want hier is méér aan de hand.
Als wij dat lezen, moeten ook wij blijkbaar zeggen: er is meer dan kennis en wetenschap.

De sprinkhanenplaag waarover Joël spreekt, is tamelijk uniek.
Daarom moeten vooral de oudere mensen zich achter de oren krabben. Als er zóiets gebeurt, dan moet de Here God daar wel iets mee willen zeggen…, maar wat?
Een bekende Britse schrijver en verdediger van het christelijk geloof zei eens: ‘God fluistert door Zijn Woord en buldert door een ramp’[7]. Dus moet iedereen extra scherp luisteren.
En dat betekent dan ook: geen leuk verhaal vertellen om het publiek te vermaken; maar grénzen aangeven, zodat Gods volk in de toekomst niet in hetzelfde kwaad vervalt.
Joël hanteert, zeg maar, de stijl van Asaf in Psalm 78. Over de sprinkhanenplaag in Egypte zegt die psalmist: “Hij gaf hun gewas aan de kaalvreter / en hun opbrengst aan de sprinkhaan”[8].

Overigens worden in de Bijbel in totaal negen soorten sprinkhanen genoemd. Joël noemt daar vier van. Dat zijn meteen ook de vier schadelijkste.

Zo’n sprinkhanenplaag was in de historie van Israël wel bekend. Wij lezen erover in Exodus 10. De dichter van Psalm 105 heeft het er ook over[9]. Bovendien heeft de Here in Deuteronomium 28 nadrukkelijk gewaarschuwd voor een sprinkhanenplaag; die zou er komen als de Israëlieten niet naar de Here zouden luisteren, en Hem niet zouden gehoorzamen[10].
Een dergelijke plaag moet aanzetten tot boetedoening en gebed. Dat leert Salomo ons ook in 1 Koningen 8[11].
In Joël 1 laat de Here zien: het lijkt er, menselijk bezien, wellicht soms op dat ik geen attentie meer voor Mijn volk heb; maar niets is mínder waar!
Dat is een boodschap die wij ons óók moeten toeëigenen. En we mogen ons realiseren dat ons gebed niet tegen een koperen hemel aanbotst.

Eén enkele sprinkhaan kun je zo vertrappen. Blijkens Numeri 13 voelden de Israëlieten zich vroeger zo tegenover de Kanaänieten[12]. Maar als diezelfde sprinkhanen in groten getále komen, zijn ze overweldigend en verwoestend[13].

Sprinkhanen: die dieren zijn in Gods Woord ook een beeld van duivelse machten. In Openbaring 9 mogen ze overigens alleen goddelozen beschadigen[14].
Wie moeten wij vandaag de dag als ‘sprinkhanen’ zien? Wellicht de mensen die ons vertellen dat wij Gods Woord niet zo serieus moeten nemen. En de mensen die zeggen dat de Bijbel alleen waar is als u dat ook echt belééft; in dat geval is Gods Woord alleen maar waar als u en ik er iets bij vóelen.

Joël meldt dat de offers in de tempel niet meer gebracht worden.
Die melding maakt ons duidelijk hoe belangrijk het is dat ons leven volkomen toegewijd wordt aan het dienen van de Here. We mogen Hem niet tekort doen.

De dag des Heren komt!
Hij grijpt in. De wereldhistorie kent een nieuwe wending.
De laatste oordelen geeft Hij zelf als Hij uit de hemel komt. Zie Openbaring 19[15].
De Here is dan niet meer onzichtbaar aan het werk. Iedereen kan dan zien hoe Hij het laatste deel van Zijn plannen uitvoert.

De naam Joël zegt het al: ‘God is de God’. Hij is de almachtige God die alles in handen heeft.
Dat is de vooronderstelling waarmee wij dit Bijbelboek lezen moeten!

Noten:
[1]
In het onderstaande gebruik ik onder meer http://nl.wikipedia.org/wiki/Jo%C3%ABl_(boek) en http://www.oudesporen.nl/Download/OS1013.pdf .
[2] Vandaag over een week, op woensdag 6 februari 2013, vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Daar zal Joël 1:1-2:17 centraal staan. Dit artikel is een resultaat van enige voorstudie over Joël 1. Een ingekorte en bewerkte versie van dit artikel zal ook het eerste deel zijn van een inleiding die ik tijdens de bovengenoemde vergadering hoop voor te lezen.
[3] Joël 1:2 en 3.
[4] Joël 1:9.
[5] Zie Joël 1:1: “Het woord des HEREN, dat kwam tot Joël, de zoon van Petuël”.
[6] Jesaja 55:10 en 11: “Want zoals de regen en de sneeuw van de hemel neerdaalt en daarheen niet weerkeert, maar doorvochtigt eerst de aarde en maakt haar vruchtbaar en doet haar uitspruiten en geeft zaad aan de zaaier en brood aan de eter, alzo zal mijn woord, dat uit mijn mond uitgaat, ook zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend”.
[7] Dat was C.S. Lewis (1898-1963). Meer informatie over hem is te vinden op http://nl.wikipedia.org/wiki/C.S._Lewis .
[8] Psalm 78:46.
[9] Zie Exodus 10:1-20. En Psalm 105:34 en 35.
[10] Deuteronomium 28:38: “Veel zaad zult gij naar de akker brengen, maar weinig inzamelen, want de sprinkhaan zal het afvreten”. En vers 42: “Van al uw geboomte en veldvruchten zullen de sprinkhanen zich meester maken”.
[11] Zie 1 Koningen 8:37 en 39: “Wanneer er hongersnood in het land is, wanneer er pest is, brandkoren, honigdauw, sprinkhanen, kaalvreters; wanneer de vijand het volk in de steden van zijn land benauwt, welke plaag en welke ziekte ook … hoor Gij dan in de hemel, de vaste plaats uwer woning, en vergeef, grijp in, en vergeld ieder naar al zijn wegen…”.
[12] Numeri 13:33: “Ook zagen wij daar de reuzen, Enakieten, die tot de reuzen behoren, en wij waren als sprinkhanen in onze eigen ogen en ook in hun ogen”.
[13] Richteren 6:5: de Midianieten “trokken op met kudden en tenten, en zij kwamen talrijk als sprinkhanen; zij waren niet te tellen, zij, noch hun kamelen, en zij kwamen het land verwoesten”. En hoofdstuk 7:12: “Midian nu en Amalek en al de stammen van het Oosten lagen in de vlakte, talrijk als sprinkhanen, en hun kamelen waren ontelbaar, talrijk als het zand aan de oever der zee”.
[14] Openbaring 9:3 en 4: “En uit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde te voorschijn en hun werd macht gegeven, gelijk de schorpioenen der aarde macht hebben. En hun werd gezegd, dat zij aan het gras der aarde geen schade zouden toebrengen, noch aan enig gewas, noch aan enige boom, maar alleen aan de mensen, die het zegel van God niet op hun voorhoofden hadden”.
[15] Zie Openbaring 19:11-21. Ik citeer vers 11: “En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard; en Hij, die daarop zat, wordt genoemd Getrouw en Waarachtig, en Hij velt vonnis en voert oorlog in gerechtigheid”.

29 januari 2013

Christelijk burgerschap

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

“Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus: want dit is de wet en de profeten”. Die bekende tekst staat in Mattheüs 7[1].
Wie die woorden tot zich door laat dringen, kan denken dat het hier een fatsoensnorm betreft. Een Goddelijke vingerwijzing met betrekking tot omgangsvormen.
Toch is er wat meer aan de hand.
Want deze Bijbeltekst fungeert als Schriftbewijs onder Zondag 42 van de Heidelbergse Catechismus. Die Zondag handelt over het achtste gebod: ‘Gij zult niet stelen’. Die woorden hebben voor ware gelovigen een heel positieve bedoeling. De opstellers van de Catechismus hebben die aldus samengevat: “Dat ik het welzijn van mijn naaste, waar ik kan en mag, bevorder en zo met hem doe, als ik wil dat men met mij doet. Bovendien dat ik mijn arbeid trouw verricht, om ook de behoeftige te kunnen helpen”[2].
Bij het bevorderen van het welzijn van de naaste komt Mattheüs 7 in beeld.
Als we dat welzijn niet bevorderen, stelen we blijkbaar ook.

Het is belangrijk om de positiviteit van dit gebod in de kerk te benadrukken. Niet zozeer omdat de kerk zo negatief bekend staat; men zegt: je mag er niks. Het punt is: wij moeten ons realiseren dat Jezus Zélf heel opbouwend spreekt.
Wie de Here zoekt, zal Hem vinden. De deur van Zijn troonzaal staat open.
Vader luistert naar onze vragen. Vader geeft voedsel als Zijn kinderen daarnaar verlangen.
De hemelse Heer wil niets liever dan dat Zijn kinderen het goed hebben.
Onder die omstandigheden zegt de Here: bevorder het welzijn van uw medemens. En begin dan maar bij de ware gelovigen om u heen.

Het is gemakkelijk om te zeggen: dat verbod om te stelen kennen we nu wel.
We kennen het verhaal over het goed ingevulde belastingformulier. We weten wel dat wij gul giften moeten geven. Enzovoort.
De Here vraagt echter om een antwoord op de vraag: hoe staan wij in de wereld? In de kerk mogen en moeten wij er ons best voor doen dat onze broeders en zusters in hun persoonlijke levenssituatie een zekere levensvreugde ontvangen. In onze omgeving mogen wij iets laten zien van Gods zegeningen.
Ieder kerklid doet dat, als het goed is, op zijn eigen manier. Als het mee zit, vullen wij elkaar daarin mooi aan.

Juist vanwege het bovenstaande kúnnen Gereformeerde mensen niet zoveel met de mededeling dat mensen met veel vrije tijd mogen leven met het motto ‘Leef u uit – vrijheid, blijheid’[3].
De wereld toetert in onze oren dat we goed voor ons zelf moeten zorgen. Dat moet ook. Maar er is meer.
Terecht zei iemand eens dat de satan misschien wel het drukst aan het werk is als wij vrije tijd hebben.

De Here leert ons in Lucas 10 dat de Samaritaan die hulp biedt aan een slachtoffer van geweldpleging en beroving de naaste is van die gewonde langs de weg. Tegen een wetgeleerde zegt Jezus: “Ga heen, doe gij evenzo”[4]. Studeren is goed. Geleerdheid, dat is prachtig. Maar helpen in moeilijke omstandigheden, dat is minstens net zo veel waard.
Jacobus gaat in hoofdstuk 1 zelfs zo ver dat hij zulke hulp ware godsdienst noemt: “Zuivere en onbevlekte godsdienst voor God, de Vader, is: omzien naar wezen en weduwen in hun druk en zichzelf onbesmet van de wereld bewaren”[5].

“Gij zult niet stelen”.
Die negatief geformuleerde grondregel van Gods koninkrijk krijgt in de kerk altijd een positieve invulling.
Dat komt omdat hulp in de kerk nimmer los verkrijgbaar is. In de kerk zit de aandacht voor barmhartigheidswerk altijd vast aan liefde voor de Here God. Jezus Christus zegt het in Mattheüs 22 zo: “Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf”[6].

Genegenheid voor onze naasten begint bij de liefde tot God.
Terecht schreef dr. H. van den Belt, universitair docent bij het Departement Religiewetenschap en Theologie te Utrecht, in januari vorig jaar: “Veel christenen gaan uit van een vervaltheorie waarin de publieke moraal alleen maar verder en verder van God af kan raken. In de praktijk blijken mensen zonder God ook tot moreel hoogstaande keuzes te kunnen komen. Het is de kunst om als christen die keuzes met God te verbinden. Uiteindelijk komt al het goede van Hem en openbaart Hij Zich in het hart en geweten van alle mensen, ook van mensen die Hem niet kennen en willen erkennen”[7].

“Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus”.
Dat is een Goddelijke les in christelijk burgerschap.
Daarom is Zondag 42 geen halfzacht catechetisch onderwijs. De Catechismus geeft een gedragslijn voor Gereformeerde mensen die onderweg zijn naar het betere vaderland. Het vaderland van Hebreeën 11. Het hémels vaderland[8].
In dat kader mag de kerk het Evangelie dat Paulus in Efeziërs 1 brengt, blijven repeteren: “En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt”[9].

Noten:
[1]
Mattheüs 7:12.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 42, antwoord 111.
[3] In het onderstaande gebruik ik onder meer: prof. dr. A. Baars, “Over tijdsbesteding gesproken”. In: Accent, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, zaterdag 30 oktober 2010, p. 12. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/012dbb0a4f67d37e2f2c40d6/over-tijdsbesteding-gesproken/1 .
[4] Lucas 10:37.
[5] Jacobus 1:27.
[6] Mattheüs 22:37, 38 en 39.
[7] Dr. H. van den Belt, “Plichtsbesef beperkt het dikke ik”. In: Accent, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, zaterdag 14 januari 2012, p. 12. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/013c15780e7fb57e898bc72c/plichtsbesef-beperkt-het-dikke-ik/0 . Meer informatie over dr. Van den Belt is te vinden op http://www.uu.nl/gw/medewerkers/HvandenBelt/0 .
[8] Zie Hebreeën 11:13-16: “In dat geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde. Want wie zulke dingen zeggen, geven te kennen, dat zij een vaderland zoeken. En als zij gedachtig geweest waren aan het vaderland, dat zij verlaten hadden, zouden zij gelegenheid gehad hebben terug te keren; maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels, vaderland. Daarom schaamt God Zich voor hen niet hun God te heten, want Hij had hun een stad bereid”.
[9] Efeziërs 1:22 en 23.

28 januari 2013

De kern van het kerkrecht

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , , ,

Kerkrecht: dat is, zoals wij allen weten, vandaag de dag niet zo’n populair woord. Kerkrecht herinnert mensen aan afspraken. Kerkrecht belemmert de vrijheid.
Toch is dat zeker niet de bedoeling[1].

Het Gereformeerde kerkrecht is terug te voeren op de allesoverheersende liefde van de drie-enige God: Vader, Zoon en Heilige Geest.
Daarover maak ik vandaag graag enkele opmerkingen.

1.
Het gaat er niet om dat gelovigen zich aan regeltjes houden. Als alles goed is, bevordert het kerkrecht de éénheid in de kerk. Datzelfde kerkrecht zorgt er hopelijk voor dat mensen zich bekeren. Ze keren zich af van zondige dingen. Zij keren zich naar de Here toe.
In dat laatste – die bekering – verschilt het kerkrecht wezenlijk van wereldlijke rechtspraak. In de wereld gaat men veelal niet verder dan het bestraffen van verkeerde dingen en het naleven van fatsoensregels. Het veranderen van de levenskoers is geen doel van rechtsgeleerden.

2.
In mei 1970 sprak dominee G. Zomer (1925-1982) op een zogeheten jongelingsbondsdag. Zijn referaat aldaar ging over het kerkrecht en had als titel ‘Maar de Koning is gezalfd’. In de kerk gaat het, zo maakte de dominee de jongeren toen duidelijk, om de eer van Christus. In de kerk dóen we niet aan hiërarchie; we wérken niet met rangen en standen. Sterker nog: alle machtsconcentratie zal sterven onder de toorn van God. In Psalm 2 staat dat zó:
“Die in de hemel zetelt, lacht;
de Here spot met hen.
Dan spreekt Hij tot hen in zijn toorn,
en verschrikt hen in zijn gramschap:
Ik heb immers mijn koning gesteld
over Sion, mijn heilige berg”[2].
Het kerkrecht, betoogde dominee H. Bouma (1917-2000) op diezelfde dag, behoort te functioneren als de geestelijke politie van de kerk. “Alleen waar die wordt erkend en gehandhaafd mogen we gelovig verder belijden dat Hij door Zijn Heilige Geest in ons, Zijn lidmaten de hemelse gaven uitgiet en dat Zijn macht ons schut en bewaart”[3].

3.
Dat genoteerd hebbende wijs ik ook op de laatste regel van die tweede Psalm: “Welzalig allen die bij Hem schuilen!”.
In de kerk combineren we liefde met waakzaamheid. In de kerk koppelen we toewijding aan dienstbaarheid.
Dominee Bouma sprak hierboven over ‘geestelijke politie’. Het mag bekend zijn dat de slogan van de Néderlandse politie momenteel ‘waakzaam en dienstbaar’ is. In de kerk beginnen we echter ergens anders. Daar zijn Gods liefde en de genegenheid voor elkáár de uitgangspunten.
Daarom is, denk ik, de toon van de muziek enorm belangrijk. Men mag spreken over God die toornt. Maar men moet eerst en voorál spreken over de Here God die – in het kader van Zijn verkiezende liefde – Zijn kinderen naar Zich toe en hen, om zo te zeggen, aan Zijn hart drukt.
Door alles heen moet de toewijding aan de Here merkbaar blijven!

4.
In het kerkrecht gaan we uit van Gods liefde.
Maar dat betekent niet dat we dan te maken hebben met lievigheid. Of met romantiek. Of met idyllische tafereeltjes.
Professor J. Kamphuis (1921-2011) schreef in een bespreking van een boek over kerkrecht eens: “Terecht wordt herhaaldelijk opgemerkt dat de vraag welk kerkrecht men heeft, afhangt van die andere: welke leer, vooral welke leer heeft men over de kerk. Hier staat echter confessionele overtuiging tegenover confessionele overtuiging (òf: het gebrek daaraan). Daarom geeft Nederland ook een staalkaart aan kerkrecht te zien”[4].
Kerkrecht heeft alles te maken met de leer van de kerk!

5.
In dezen gelden ook bekende woorden uit 1 Johannes 2.
“Wie zegt: Ik ken Hem, en zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar en in die is de waarheid niet; maar wie zijn woord bewaart, in die is waarlijk de liefde Gods volmaakt”.
Maar ook:
“Wie zegt in het licht te zijn en zijn broeder haat, die is in de duisternis tot nu toe. Wie zijn broeder liefheeft, blijft in het licht en in hem is niets aanstotelijks; maar wie zijn broeder haat, is in de duisternis en wandelt in de duisternis, en hij weet niet waar hij heengaat, want de duisternis heeft zijn ogen verblind”[5].

6.
In de kerk houden we ons aan bepaalde afspraken.
Maar het is beslist niet zo dat de kerk ból staat van regeltjes.
Nu het hierom gaat, ga ik even terug naar zaterdag 17 maart 1990. Te Kampen werd toen door het Gereformeerd Wetenschappelijk Genootschap een studiedag georganiseerd over plaats en betekenis van het kerkrecht. En daar werd gezegd: “We moeten in ons kerkrecht wel de volle ruimte laten voor de eigen geestelijke verantwoordelijkheid van gemeenteleden en ambtsdragers, om vanuit beknopte grondregels en hoofdlijnen zelf in iedere situatie biddend en denkend te leren verstaan, wat goed is ten overstaan van de Here en van de mensen”.
Het is belangrijk dat we dat principe vasthouden. Het schijnt dat sommige mensen de indruk hebben dat kerkelijke regels star zijn. Men proeft bij tijd en wijle een zekere hoogmoedigheid; ‘wij weten het toch nét iets beter…’. Rechtsvinding moet in het kerkrecht een centraal begrip zijn. Wikkend en wegend moet men, soms van geval tot geval, het recht zoeken.

7.
Professor P. Deddens (1891-1958) typeerde kerkrecht ooit als ‘het recht van Christus in de kerk van Christus’.
Dat is het uitgangspunt bij het werk in de kerk. Het is, als alles goed gaat, ook het startpunt van alle ámbtswerk.
In dit verband geef ik tenslotte nog één keer het woord aan professor J. Kamphuis.
Alles draait om het “het rècht van Christus op onze dienst aan Hem, in zijn kerk èn de rijkdom en heiligheid van het ambt. Zó spreekt de apostel Paulus tegen de ouderlingen in Efeze, Handelingen 20:28: ‘Zorg voor uzelf en voor de hele kudde waarover de heilige Geest u als herder heeft aangesteld; u bent de opzieners van Gods gemeente, die hij verworven heeft door het bloed van zijn eigen Zoon’. In het ouderlingen-ambt hebben we met het werk van de Heilige Geest te doen èn met de koop door het bloed van Gods eigen Zoon. Dàt is het niveau waarop de kerkenraad moet handelen!”[6].

Noten:
[1]
In het onderstaande gebruik ik onder meer: “Doel kerkrecht veel breder dan naleving van de regels”. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 20 maart 1990, p. 2. Ook te vinden op http://kranten.kb.nl/view/article/id/ddd%3A010559312%3Ampeg21%3Ap002%3Aa0026 .
[2] Psalm 2:4, 5 en 6.
[3] In deze alinea gebruik ik onder meer: “Jongelingsbondsdag in Spakenburg”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 9 mei 1970, p. 6. Ook te vinden op http://kranten.kb.nl/view/paper/id/ddd%3A010554604%3Ampeg21%3Ap006%3Aa0090 .
[4] J. Kamphuis, “Eén boek over velerlei kerkrecht”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 4 maart 1989, p. 7. Ook te vinden op http://kranten.kb.nl/view/article/id/ddd%3A010558994%3Ampeg21%3Ap007%3Aa0161 .
[5] Achtereenvolgens citeer ik 1 Johannes 2:4, 5, 9, 10 en 11.
[6] Ik citeer uit een interview met J. Kamphuis, dat door dominee A.H. Driest gedateerd werd op woensdag 1 juni 2011. Onder meer te vinden op http://www.gereformeerdekerkblijven.nl/wp/?page_id=506 .

25 januari 2013

Tekortkoming in theologenland

De discipelen van de Here Jezus hebben, neem ik aan, vaak raar op gekeken terwijl zij naar hun Meester luisterden.
U mag, zei Hij, heel blij wezen als de mensen om u heen duidelijk maken dat zij een diepe antipathie tegen u hebben. Wees maar blij als de mensen u verafschuwen! Want dan hebt u uw plicht gedaan. De profeten van vroeger kwamen óók haat en afkeer tegen. Als u daar ook mee te maken krijgt, dan weet u dat u uw taak goed vervuld hebt.
In Lucas 6 staat het zó:
“Zalig zijt gij, wanneer u de mensen haten en wanneer zij u uitstoten, en smaden en uw naam als slecht verwerpen ter wille van de Zoon des mensen. Verblijdt u te dien dage en springt op van vreugde, want, zie, uw loon is groot in de hemel; immers, op dezelfde wijze hebben hun vaderen met de profeten gehandeld”[1].

Wie het bovenstaande leest, denkt wellicht: alles is oké als ik zo nu en dan met mensen in mijn omgeving over Jezus praat.
Nu het hierom gaat, wijs ik op een fijn puntje in de hierboven geciteerde tekst. De discipelen moeten blij zijn als zij worden genegeerd “ter wille van de Zoon des mensen”!
Jezus spreekt over vervolging omdat de discipelen leerlingen zijn van Jezus die méns werd. Waarom kwam Jezus als mens naar de aarde? Antwoord: om te lijden en te sterven voor de zonden der mensen.
Jezus zegt hier eigenlijk: juist het feit dat Ik méns werd stuit op tegenstand. Mijn lijden en sterven voor des mensen zonden, die zorgen voor aversie. Juist het verhaal van Mijn ópstanding hoort men met tegenzin aan. Het feit dat mensen zelf niet voor schuldsanering kunnen zorgen, dat levert weerzin en walging op.

Wie in de wereld geen aandacht krijgt, wordt daar soms treurig van. En dat geldt niet in het minst voor volgelingen van Jezus Christus.
Gelovigen die het daar soms moeilijk mee hebben, moeten zich realiseren dat het oordeel over zulk aandachtstekort door Gód wordt geveld. In dit verband citeer ik 1 Petrus 4: “Daar Christus dan naar het vlees geleden heeft, moet ook gij u wapenen met dezelfde gedachte, dat, wie naar het vlees geleden heeft, onttrokken is aan de zonde (…) Daarom bevreemdt het hen, dat gij u niet met hen stort in diezelfde poel van liederlijkheid, en zij belasteren u; maar zij zullen daarvan rekenschap moeten geven aan Hem, die gereed staat om levenden en doden te oordelen”[2].

Deze zaken breng ik te berde vanwege de huidige omstandigheden in theologenland.

Aldaar lopen twee groepen rond[3].
De ene groepering zegt: de kerk moet missionair wezen; relevant voor de samenleving, zogezegd.
Het andere gezelschap mompelt: met al onze evangelisatieactiviteiten smeren wij slechts boter aan de galg; laten wij er mee ophouden.

In de EO-kapel te Hilversum werd op dinsdag 22 januari over dat verschil doorgepraat. Daar vond het Andries Radio symposium plaats. De titel daarvan was: ‘Monnik of missionaris?’.
Bonifatius en Willibrord waren zowél monnik als zendeling, zei historicus H. Paul. Dus: die twee sluiten elkaar helemaal niet uit.
Emerituspredikant P. Boomsma wees er op dat de Here van de kerk de houding van de kerk bepaalt.
Dat zal allemaal wel, sprak dominee N.A. Riemersma, maar inmiddels is catechisátie geven al bijna zending drijven. Voor veel mensen is geloven geen kwestie van leven of dood meer.
De heer H. van Wijnen, oud-directeur van de Hervormd-Gereformeerde Jeugdbond, zei dat jongeren waarschijnlijk niets van het besproken thema snappen. Er is een mismatch, zei hij.

Graag wijs ik erop dat er weinig nieuws onder de zon is[4].

In dit verband wijs ik eerst op Psalm 69. Daar wisselen klachten en pleidooien elkaar ook af. David zegt: “Want om Uwentwil draag ik smaad, / bedekt schaamte mijn gelaat”[5]. De psalm eindigt echter met een belijdenis van Godsvertrouwen: “Ik zal de naam van God prijzen met een lied, / Hem verheerlijken met een lofzang”. En: “De ootmoedigen zullen het zien, zij zullen zich verheugen; / gij, die God zoekt, uw hart leve op”. En: “Want God zal Sion verlossen / en de steden van Juda bouwen, / opdat zij daar wonen en het bezitten; / het kroost van zijn knechten zal het beërven, / en wie zijn naam liefhebben, zullen daarin wonen”[6].
Wat leren we uit deze psalm? Het is goed om ons van onze positie in de wereld bewust te zijn. Maar in de kerk komen wij, als het goed is, ergens anders uit. Alles staat of valt met ons vertrouwen op de Here.
Daarbij mogen en moeten wij terugvallen op het werk van Jezus Christus. Hij heeft Zijn reddingswerk hélemaal afgemaakt. En daarna? Daarna stond hij weer op! Echte kinderen van God mogen het blijven beseffen: met ons zal het nét zo gaan. In dienst van God maken wij de door Hem aan ons gegeven taak op aarde af; en daarna gaan wij in de hemel verder: vernieuwd en verheerlijkt.

In dit verband wijs ik ook op Marcus 15.
Dat Schriftgedeelte confronteert ons met Jezus Christus die aan het kruis hangt.
De voorbijgangers weten daar weinig anders te doen dan de spot met de Gekruisigde te drijven.
En wie zoveel ellende ziet, krijgt onweerstaanbaar de neiging om de zaak wat te relativeren.
Zo komt het wellicht dat de omstanders met een knipoog op Jezus’ leven terugkijken. Had die Man niet eens gezegd dat Hij de tempel kon afbreken en vervolgens weer supersnel kon herbouwen?
Enneh… Hij heeft zóveel mensen beter gemaakt, nu kan Hij voor Zichzelf toch óók wel iets prettigs regelen? In Marcus 15 staat te lezen: “Laat de Christus, de Koning van Israël, nu afkomen van het kruis, dat wij het zien en geloven. Ook die met Hem gekruisigd waren beschimpten Hem”[7].
Wat leren wij uit Marcus 15?
Het eerste is: schimpen en spotten is van alle tijden.
En het tweede is: wie gelóóft, die wordt behouden. De mensen wilden in Marcus 15 een wonder zien; dán zouden zij gaan geloven. Oftewel: de mensen vonden het in Marcus 15 tijd worden dat Jezus Zijn macht weer eens zou tonen; dán zouden zij Hem volgen. In 2013 kunnen wij dat niet meer zien. Maar nog altijd vraagt de Here ons: “Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat?”[8].

In dit verband wijs ik ook op Hebreeën 11.
Daar komen heel veel geloofsgetuigen langs. Abel, Henoch, Noach, Abraham, Sara…: al die mensen hadden een prachtige functie in het plan van God.
Het gaat mij nu om de karakterisering van Mozes. Ik citeer: “Door het geloof heeft Mozes, volwassen geworden, geweigerd door te gaan voor een zoon van Farao’s dochter, maar hij heeft liever met het volk Gods kwaad verdragen, dan tijdelijk van de zonde te genieten; en hij heeft de smaad van Christus groter rijkdom geacht dan de schatten van Egypte, want hij hield de blik gericht op de vergelding”[9].
Wat leren wij uit Hebreeën 11?
Kinderen van God ondervinden soms nadeel of schade van hun christen-zijn. Maar dat nemen zij voor lief. Want zij weten van Christus, die Zijn reddingswerk voltooide.
Diezelfde kinderen van God weten dat de Hére zal oordelen over de manier waarop ze in de wereld hebben gewerkt en geleefd.

Als wij dit alles tot ons door laten dringen is het, denk ik, al snel met de slachtofferigheid afgelopen.

In theologenland zegt men:
* we moeten beter ons best doen om de mensen te benaderen
of
* we moeten ons maar stil houden; want met deze wereld wordt het toch niks meer.
Als ik Gods Woord lees, komen een vijftal gedachten in mij op. Het zijn deze:
1. Het leven van Gereformeerde mensen wordt gekenmerkt door vertrouwen op de Here.
2. Er wordt aan onze vernieuwing gewerkt; we krijgen een definitief domicilie in de hemel.
3. Wij moeten niet naar de wereld blijven kijken. Wie zijn blik op Jezus Christus richt, wordt boven aardse dilemma’s uitgetild.
4. Echte kinderen van God laten zich niet in de slachtofferrol drukken; ze leven liever met God aan de schaduwkant van het leven, dan zonder God in het centrum van de wereld.
5. Ware gelovigen blijven niet in deze wereld steken, maar zien in het leven het perspectief op de toekomst.
Als de geleerden in theologenland dát weer gaan beseffen wordt de sfeer in die contreien een stúk optimistischer. Dat garandeer ik.

De blik in theologenland is, zo concludeer ik thans, nogal eens te beperkt.
Men kijkt naar elkaar. En men zegt: u doet het goed. Of: jij doet het beter.
Maar daar hoort het helemaal niet om te gáán.

Nog één keer citeer ik enkele verzen uit Lucas 6.
De Here Jezus Christus zegt: “Wat noemt gij Mij Here, Here, en doet niet wat Ik zeg? Een ieder, die tot Mij komt en mijn woorden hoort en ze doet, Ik zal u tonen aan wie hij gelijk is. Hij is gelijk aan iemand, die bij het bouwen van een huis diep gegraven en het fundament op de rots gelegd heeft. Toen een watervloed kwam en de stroom tegen dat huis aansloeg, kon hij het niet aan het wankelen brengen, omdat het goed gebouwd was. Doch wie hoort en het niet doet, is gelijk aan iemand, die een huis op de grond bouwt zonder fundament. Toen de stroom daar tegenaan sloeg, stortte het terstond in en het huis werd één grote bouwval”[10].

Wij moeten niet zozeer kijken.
Wij moeten veeleer luisteren.
Luisteren naar de Here Jezus Christus.
En vervolgens moeten wij, met geopende oren en een gewillig hart, aan het werk gaan.
Te midden van smaad en spot. Jawel. En te midden van ironie en cynisme. Welzeker.
Maar toch vlamt dan de vreugde in ons leven op. Want wij gaan een glorieuze toekomst tegemoet.

Noten:
[1]
Lucas 6:22 en 23.
[2] 1 Petrus 4:1, 4 en 5.
[3] In het onderstaande gebruik ik onder meer: “Te laat begonnen met missionaire activiteiten”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 23 januari 2013, p. 2.
[4] In het onderstaande gebruik ik onder meer de webversie van de Studiebijbel.
[5] Psalm 69:8.
[6] Achtereenvolgens citeer ik Psalm 69:31, 33, 36 en 37.
[7] Marcus 15:32.
[8] Johannes 11:25 en 26.
[9] Hebreeën 11:24, 25 en 26.
[10] Lucas 6:46-49.

24 januari 2013

Monique’s mening over de kerk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Wat moet de kerk doen om in dit woelige tijdsgewricht overeind te blijven?
Midden-Oostendeskundige Monique Samuel weet het wel: “Daar waar kerken zich niet vastklampen aan de vorm, maar wel aan de inhoud, is groei. En ook het omgekeerde: daar waar kerken krampachtig kerk zijn, maar de kernboodschap op losse schroeven komt te staan, is krimp en stagnatie”[1].
De kerk kan, zegt Monique, zorgen voor cohesie in de samenleving.
En verder zegt zij: “Experimenteren met vorm en liturgie kan samengaan met onverkort vasthouden aan de inhoud van het christelijk geloof”.
Kerken moeten, als het even kan, een proactieve instelling hebben.
Kerken dienen radicaal en duidelijk te wezen. “Streef naar geestelijke groei, God op de eerste plaats, een complete ommezwaai in je leven”.
In de kerk moet men zich welkom kunnen voelen.
“Trouw blijven aan de kern van het Evangelie en duidelijk uitspreken waar je als kerk voor staat, leidt niet per definitie tot uitsluiting. (…) Trouw zijn aan de kern betekent dus ook trouw zijn aan Gods oneindige liefde voor ieder mens. Op zoek gaan naar de kern betekent ook eerlijk zijn over ons falen. De kerk heeft haar ware principes vaak verloochend. Net zoals ik zelf trouwens. Maar dat is geen reden om die principes net zolang bij te stellen tot ze tot een comfortabele leunstoel geworden zijn. Geloof wringt en schuurt, ook in 2013”.
Kerken mogen nooit overtuigd zijn van hun eigen gelijk. Geloof is een zoektocht. “Vol zijn van je eigen gelijk is weinig hulpzaam. Het gaat dan ook niet om krampachtig vasthouden aan maar eerlijk op zoek gaan naar de kern, het goede nieuws, de blijde boodschap en daar opnieuw invulling aan geven in deze tijd”.

Wie is Monique Samuel?
Kort gezegd: zij is politicoloog, publicist en auteur van Egyptisch-Nederlandse afkomst[2].
En het mag duidelijk zijn: Monique windt er geen doekjes om.
Dat doet zij trouwens zelden. Drieëntwintig is ze. En nu al is ze bekend als politiek commentator en opiniemaker. Op levendige en charmante wijze maakt zij duidelijk waar het op staat. Dat is haar kracht. Ze is fris en flitsend. Als zij op tv is, zap ik niet zo snel weg.

Ik ga een eindweegs met haar mee, als ze over de kerk schrijft.
Inderdaad: de inhoud is belangrijk.
“Streef naar geestelijke groei, God op de eerste plaats, een complete ommezwaai in je leven”; ook dát is taal die ik wel versta.
Zeker, ik voel mij graag welkom in de kerk. Nou en of.

Toch zet ik vandaag wat puntjes op de i.
Voor mijzelf.
Omdat de formuleringen van Monique wringen en schuren.
Misschien hebt u er óók nog wat aan.

Experimenteren
Experimenteren met vorm en liturgie? Daar ben ik tegen.
Het gaat er niet om dat ik mij goed voel in de kerk. Of dat Monique zich daar helemaal oké voelt. Dat is wel mooi meegenomen, maar gaat het niet om.
In de kerk zijn we thuis bij God. In de kerk éren wij de Here. En als het gaat om de vraag: hoe eren wij God?, kun je niet zeggen: nou ja, probeer ês wat. Of: we zullen eens kijken hoe het in de hemel óverkomt.
Als de profeet Jeremia in hoofdstuk 13 het oordeel van God aankondigt, zegt hij: “Bewijst de HERE uw God, eer, voordat Hij het donker doet worden, voordat uw voeten zich stoten aan de bergen in de schemering, en gij op licht hoopt, maar Hij dat tot diepe duisternis maakt, in donkerheid verandert”[3].
Het moet ons om de eer van Gód gaan. Dat zo zijnde ga je geen dingen uitproberen. Die eer wordt zorgvuldig voorbereid en vormgegeven. Nóg zorgvuldiger als bijvoorbeeld de plechtigheden rond de inauguratie van president Barack Hussein Obama II van de Verenigde Staten[4].
Experimenteren? Nee, doe maar niet.

Proactief
Dat is de kerk altijd geweest. Proactiviteit, dat is: iets doen voordat er wat anders gebeurt. En ook: maatregelen treffen om onwenselijke gebeurtenissen te voorkomen.
Daar is de kerk sterk in. De kerk kijkt naar de toekomst. Een hémelse toekomst, met God.
Tegelijkertijd is de kerk ook conservatief.
Dat is zo, omdat de Here Zijn kinderen bewaart. Denkt u maar aan Psalm 116: “De HERE bewaart de eenvoudigen”[5]. Dat is ook zo, omdat Gods kinderen de wijsheid bewaren die de Here hen geeft. Om met Spreuken 22 te spreken:
“Neig uw oor en hoor de woorden der wijzen,
richt uw hart op mijn kennis.
Want het is liefelijk, dat gij ze in uw binnenste bewaart,
dat zij alle bestendig op uw lippen zijn.
Opdat uw betrouwen op de HERE zij,
onderricht ik u heden, ja u”[6].
Een proactieve kerk? Daar ben ik vóór. Niet omdat mensen beleid moeten maken, zodat ontsporingen worden voorkomen. Maar omdat de Here lijnen uitzet, waarbinnen de wereldhistorie zich ontspint. Omdat de Here Verbondskaders geeft, waarbinnen Zijn kinderen vrijelijk mogen leven. Omdat de geschiedenis lineair is: de Here maakt de toekomst voor Zijn kinderen gereed.

Verloochend
Monique schrijft: “De kerk heeft haar ware principes vaak verloochend. Net zoals ik zelf trouwens”.
Het komt mij voor dat wij allemáál onze principes wel eens verloochenen.
Dat gebeurt zelfs in de Bijbel. Petrus heeft zijn principes verloochend. U kent die tekst waarschijnlijk wel: “En terstond kraaide een haan. En Petrus herinnerde zich het woord, dat Jezus gesproken had: Eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen. En hij ging naar buiten en weende bitter”[7].
Mensen zijn zondig.
Wij verloochenen allemaal onze principes wel eens. Misschien zelfs wel regelmatig. Maar dat is het púnt ook niet. De zaak is: willen wij, vervuld van en geholpen door Gods Geest, tegen die zonden strijden? Willen wij proactief ons best doen om de zonde te mijden? Willen wij ons bekeren?
Dat is niet makkelijk.
Ook al bent u 50 jaar – zoals ik -, dan nog is er de strijd tegen zonden die iedere keer weer in het leven opduiken. Maar er moet wel gestréden worden.

Eigen gelijk
Kerken mogen niet overtuigd zijn van hun eigen gelijk.
Dat zal waar wezen.
De kerk moet het Evangelie verkondigen. Niet meer. Niet minder.
Maar mag de kerk nooit stellen dat ze gelijk heeft? Mag een gelovig mens nooit zeggen dat hij gelijk heeft? Als Monique dát meent, zeg ik: dat ben ik fundamenteel met je oneens.
In dit verband vermeld ik dat Monique een lesbische geaardheid heeft.
Laat het duidelijk zijn: als persoon is zij daar beslist niet minder om. Homoseksueel zijn: dat is een verschrikkelijk gevecht. Mensen met een dergelijke geaardheid hebben vaak een zwaar leven. Daar doe ik niets van af.
Maar als een homo of lesbienne die geaardheid praktiséért, moet ik zeggen: als ik de Bijbel lees, begrijp ik dat de Here dat verboden heeft. Dus: de kerk mag op grond van Gods Woord zeggen: wij hebben gelijk. En dat zegt de kerk dan, als het goed is, niet omdat zijzélf zo nodig gelijk moet hebben. Dat zegt de kerk omdat zij Gods Wóórd naspreekt. De kerk heeft soms gelijk. Maar de kerk is nooit gelijkhébberig.
Bij deze poneer ik de volgende stellingen:
* de ware kerk is nooit overtuigd van haar eigen gelijk
* de ware kerk fundeert haar gelijk altijd op het Woord van God.

De kerk
Hierboven viel het begrip ‘ware kerk’.
Dat is de kerk die in alles Jezus Christus volgt. Dat is de kerk die in dat volgen heel consequent is. Ook als dat nadelig is. Ook als omstanders zeggen dat de kerk over sommige dingen volstrekt achterhaalde ideeën heeft. Ook als omstanders zeggen dat je dit of dat in deze wereld niet meer verkopen kunt.
En laat het helder zijn: als het goed is, is daar in één plaats of regio maar één van. Jezus Christus brengt al die mensen niet op heel véél plaatsen bijeen.

Van harte welkom
Alle mensen zijn welkom in die kerk. Wat preciezer: alle berouwvolle zondaren zijn daar welkom.
Het is te hopen dat die berouwvolle misdadigers zich daar ook welkom vóelen.
Laten we ’t maar eerlijk toegeven: dat gaat heel vaak mis. Mensen gaan maar al te vaak te kort door de bocht als hun eigen Godsdienstige gewoonten doorbroken worden.
Maar het principe blijft: iedere biddende zondaar is in de kerk welkom. En wie zich niet welkom vóelt, moet maar goed bedenken: bij de Here is iedere schuldige vol spijt van harte welkom.

Zoektocht
Ik heb een hekel aan dat woord.
Het suggereert dat de mens op zoek is naar God. En dat is onzin. Want de Here laat zich in Zijn Woord vinden. En wie, in het gebed, Zijn troonzaal binnengaat vindt gehoor.
Zoektocht: ik heb een hekel aan dat woord.
Het suggereert dat mensen niet kunnen weten hoe zij moeten leven. En dat is onzin. Want Micha zegt niet voor niks: “Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en wat de HERE van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God”.
Zoektocht: ik heb een hekel aan dat woord.
Want het is een eufemisme voor de omstandigheid dat we eigenlijk wel weten hoe het hoort, maar vervolgens geen zin hebben om het te dóen.
Zoektocht: ik heb een hekel aan dat woord.
Want de kerk wordt belemmerd in de verkondiging van het Evangelie. Dat gebeurt omdat de wereld de blijde Boodschap soms pure onzin vindt. Dat gebeurt omdat de wereld de blijde Boodschap soms toevoegt in een lange, lange rij van levensovertuigingen. En wie dat doet, komt terecht in een discussie die nimmer eindigt.

Wat is de taak van de kerk in dit woelige tijdsgewricht?
Zij behoort het Evangelie te verkondigen.
Met die blijde Boodschap besluit ik dit artikel. Ik geef een bekend citaat uit Johannes 3.
“En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zó moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een ieder, die gelooft, in Hem eeuwig leven hebbe. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld veroordele, maar opdat de wereld door Hem behouden worde”[8].

Noten:
[1]
Zie http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/monique_samuel_kerk_belangrijk_voor_samenhang_in_samenleving_1_706848 .
[2] Zie http://www.moniquesamuel.nl/ .
[3] Jeremia 13:16.
[4] Op maandag 21 januari 2013 werd Obama geïnaugureerd als president van de Verenigde Staten. Het betreft zijn tweede ambtstermijn.
[5] Psalm 116:6 a.
[6] Spreuken 22:17, 18 en 19.
[7] Mattheüs 26:75.
[8] Johannes 3:14-17.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.