gereformeerd leven in nederland

21 maart 2013

Wat wij leren van de SGP-historie

De Staatkundig Gereformeerde Partij heeft in de afgelopen tijd weer eens gesproken over de positie van de vrouw.
Het regeerambt komt de vrouw niet toe.
Maar namen van vrouwen mogen, zo besloot men onlangs, wel op een kandidatenlijst komen. Waarom? Omdat het feit dat zij vrouw zijn geen reden mag wezen om hen te verbieden op zo’n lijst te staan. Dat zou namelijk discriminatie zijn. En daar komt juridisch gedoe van. Dat is in strijd met de in Nederland geldende rechtspraak.

Het standpunt van de SGP is begrijpelijk. Men wil het geldende recht niet negeren. Eigen principes wil men echter ook niet verloochenen. Daarom is in SGP-gelederen voor een tussenweg gekozen[1].

In de toekomst zal blijken of deze formeel-juridische oplossing ook werkelijk forméél blijft.
Zijn we op weg naar een SGP-politica, of toch niet?

Het SGP-besluit is vooralsnog het einde van een tamelijk lang verhaal[2].
In 1984 waren enkele vrouwen lid geworden van de Haagse kiesvereniging van de SGP. Dat kon omdat de landelijke statuten op dat punt geen bepalingen kenden. Het hoofdbestuur van de partij liet de plaatselijke kiesverenigingen vrij in hun beleid. Vanwege allerlei bezwaren van andere kiesverenigingen werden vrouwen echter niet toegelaten op regionale of landelijke vergaderingen.
In 1993 werd besloten dat het lidmaatschap van de SGP in principe niet aan de vrouw toekomt. De vrouwen die al partijlid waren, mochten dat echter wel blijven.
In 1996 werd omtrent het lidmaatschap van vrouwen opnieuw een besluit genomen. Vrouwen konden buitengewoon lid worden. Vrouwen mochten meedenken, doch niet meebeslissen. Even zo goed bleef het ‘vrouwenstandpunt’ binnen de SGP een nogal heet hangijzer. Dat kwam ook vanwege druk van buitenaf. Enkele vrouwen- en mensenrechtenorganisaties vonden het SGP-standpunt onverteerbaar. Uiteindelijk oordeelde een rechter dat de Staat in strijd met artikel 7 van het VN-Vrouwenverdrag handelde door de SGP te subsidiëren, zolang deze partij vrouwen niet toestond lid te worden.
In 2006 mochten vrouwen gewoon lid worden. Niet dat men daar binnen de SGP nou zo gelukkig van werd. Maar de externe druk was hoog. Zodoende kwam het besluit er toch. Wel noteerde men er bij dat vertegenwoordigende en besturende functies aan mannen voorbehouden bleven.
Eind 2007 werd duidelijk dat de SGP staatssubsidie kon blijven houden. Wel moest de Staat gaan bevorderen dat de SGP maatregelen zou nemen die er toe zouden leiden dat de SGP het passief kiesrecht ook aan vrouwen zou toekennen.
Nu mogen SGP-vrouwen dus wel op een kandidatenlijst staan.

Eén van de meest opvallende zaken aan deze geschiedenis vind ik dat de besluiten onder druk van buitenaf tot stand gekomen zijn.
In deze kwestie betreft het een politieke partij. Daar heeft de staat tot op zekere hoogte invloed op.
Mij prangt de vraag door de ziel hoe lang het nog duurt voordat de kerk gedwongen wordt om een ‘vrouwenstandpunt’ in te nemen. Het valt te vrezen dat zo’n standpunt moet stroken met de publieke opinie. Hoeveel aandacht is er in die situatie voor Gods Woord? Mag de Heilige Schrift dan nog voorrang krijgen, of niet?
Het komt mij voor dat het belangrijk is om goed te weten hoe in Gods Woord over de positie vrouwen gesproken wordt.

Zo kom ik vandaag bij 1 Corinthiërs 14.
De tekst in kwestie is u vast wel bekend: “Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen in de gemeenten zwijgen; want het is haar niet vergund te spreken, maar zij moeten ondergeschikt blijven, zoals ook de wet zegt. En als zij iets willen te weten komen, moeten zij thuis haar mannen om opheldering vragen; want het staat lelijk voor een vrouw te spreken in de gemeente. Of is het woord Gods bij u begonnen? Of heeft het alleen u bereikt?”[3].

De perikoop waar deze woorden in staan, gaat over de gang van zaken in de kerkelijke gemeente. In de kerk telt iedereen mee. Alle aanwezigen hebben ook werkelijk het récht het recht om in de kerk te zijn.
De belangrijkste Man die daar aanwezig is, is de Here God. In de kerk is Hij, om zo te zeggen, de Ceremoniemeester. Hij bepaalt welke positie mannen, vrouwen en kinderen in moeten nemen.

De vrouwen moeten zwijgen.
Zij mogen zich niet mengen in de beoordeling van het profetisch getuigenis. De vrouw mag niet op de voorgrond staan.
Dat is in lijn met Genesis 3: “Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermeerderen de moeite uwer zwangerschap; met smart zult gij kinderen baren en naar uw man zal uw begeerte uitgaan, en hij zal over u heersen”. En met 1 Timotheüs 2: “…maar ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft of gezag over de man heeft; zij moet zich rustig houden. Want eerst is Adam geformeerd, en daarna Eva. En Adam heeft zich niet laten verleiden, maar de vrouw is door de verleiding in overtreding gevallen”[4].
Is dit nu een typisch geval van discriminatie? Zet de Here de vrouwen op achterstand? Dat geloof ik niet. Het woord ‘discriminatie’ wil zeggen: zodanig onderscheid maken dat iemand definitief op achterstand komt. ‘Discriminatie’ betekent: een manier van doen waardoor één mens, of meer mensen, een ongunstige uitkomst van een zaak moeten verwachten. En dat, geachte lezer, is hier niet het geval. Want in 1 Timotheüs 2 staat óók: “…doch zij zal behouden worden, kinderen ter wereld brengende, indien zij blijft in geloof, liefde en heiliging, met ingetogenheid”[5].
Laat ik de zaak puntsgewijs op een rij zetten:
* vrouwen hebben in de schepping in principe geen vooraanstaande positie
* maar vrouwen worden wel behouden
* ze baren kinderen die ook behouden kunnen worden
* de aardse positie van vrouwen is niet gelijk aan die van mannen
* de definitieve positie die vrouwen in de hemel krijgen is gelijk aan die van mannen: zij ontvangen hetzelfde geluk en dezelfde vrede.

In 1 Corinthiërs 14 vraagt Paulus: “Of is het woord Gods bij u begonnen? Of heeft het alleen u bereikt?”.
Paulus bedoelt: u moet tevreden zijn met wat u van de Here gekregen hebt.
De geschiedenis begint niet met de Corinthiërs.
De historie begint niet met Westeuropeanen die plotsklaps ontdekken dat vrouwen achtergesteld worden.
De wereldgeschiedenis begint in Genesis 1 en 2: de machtige Schepper creëert hemel en aarde. Met alles er op en er aan.
De wereldgeschiedenis gaat verder met Genesis 3: de mens valt in zonde, maar vervolgens blijkt de machtige Schepper ook genádig is. Hij roept de mensen bij zich en wijst hen een plek aan waar zij zich kunnen ontplooien. Man en vrouw hebben elk hun eigen gaven. En de onderscheiden takenpakketten zijn door hun Schepper daarbij aangepast.

De grondkwestie lijkt mij: eerbiedigen wij de Here, de Ceremoniemeester van de kerk, die – genadig als Hij is – aan diep gevallen mensen tóch een erepositie geeft?
Er zijn wel mensen die ongeveer als volgt redeneren. De vrouw is het ondergeschikte hulpje van de man. Soms is ze weinig beter dan vee. Bovendien is God vanaf het begin een Man vol willekeur. Kijk maar naar de offers van Kaïn en Abel: dat van Kaïn wordt nietswaardig geacht, dat van Abel wordt aangenomen. Van God zou je een zekere onpartijdigheid verwachten. Maar niks is minder waar. Hij laat de hele mensheid verdrinken, behalve Noach en zijn gezin. Alsof er in iedere maatschappij, naast slechte mensen, geen goede mensen te vinden zouden zijn… – enzovoort[6].
U begrijpt wel dat de bovenstaande manier van Bijbellezen vérre van Gereformeerd is! De Here vraagt niet van ons om uit te zoeken hoe goed wij zelf eigenlijk zijn. De Here vraagt niet van ons om een grondig te onderzoeken in hoeverre de Here bevooroordeeld is. Dat zou volstrekt ongerijmd zijn!
De grondvraag is – ik noteer het nogmaals – : eerbiedigen wij de Here, en al het werk dat Hij doet?
En een daaraan verbonden vraag is: begrijpen wij dat wij, om onze positie reëel onder te kunnen zien, Gods Woord nauwkeurig moeten blijven lezen?

De historie rond de Staatkundig Gereformeerde Partij leert Gereformeerde mensen eens te meer hoe belangrijk het is om nauwgezet van Gods Woord kennis te nemen, en de consequenties van dat Woord voor onze tijd steeds goed te overdenken!

Noten:
[1]
Zie hierover bijvoorbeeld: “SGP’ers eens met aanvulling vrouw” en “Stapje op weg richting SGP-politica”. In: Reformatorisch Dagblad, maandag 18 maart 2013, p. 1.
[2] Ik gebruik onder meer http://nl.wikipedia.org/wiki/Vrouwenstandpunt_van_de_Staatkundig_Gereformeerde_Partij .
[3] 1 Corinthiërs 14:34, 35 en 36.
[4] Achtereenvolgens citeer ik Genesis 3:16 en 1 Timotheüs 2:12-14.
[5] 1 Timotheüs 2:15.
[6] Zie voor een dergelijke redenering http://home-1.tiscali.nl/~ti112509/discrimi.htm .

20 maart 2013

Menselijke schranderheid versus Goddelijke uitverkiezing

Vandaag schrijf ik iets over hoofdstuk III/IV van de Dordtse Leerregels[1].

Welke redenering wordt aldaar bestreden?
En hoe gebéurt dat eigenlijk?
Vandaag teken ik in elf paragraafjes de denklijn van dat hoofdstuk uit. Voor mijzelf. En voor allen die willen meegenieten.

1
De opbouw van deze Leerregels is gebaseerd op de vijf artikelen van de remonstrantie[2]. Hoofdstuk III/IV gaat logischerwijs terug op de artikelen 3 en 4.
Die luiden als volgt.
Artikel 3
“Dat de mens het zaligmakende geloof van zichzelf niet heeft, en ook niet door de kracht van zijn wil, omdat hij in de stand van de afwijking en van de zonde, niets goeds, dat waarlijk goed is (zoals inzonderheid het zaligmakend geloof), uit en van zichzelf kan willen, denken of doen. Maar dat het nodig is, dat hij door God in Christus door de Heilige Geest herboren wordt en vernieuwd, in verstand, gevoel of wil en in alle krachten, opdat hij hetware goed recht moge verstaan, bedenken, willen, en volbrengen naar het woord van Christus in Johannes 15:5 (…)”.
Artikel 4
“Dat deze genade van God is het begin, de voortgang en de voltooiing van alle goeds, ook zo ver, dat de wedergeboren mens zelf, zonder deze voorgaande of toekomende, opwekkende, volgende en medewerkende genade, noch het goede kan denken, willen of doen en ook geen enkele verzoeking ten kwade kan weerstaan. Zodat alle goede daden of werkingen die men maar bedenken kan, toegeschreven moeten worden aan de genade van God in Christus. Maar als het gaat om de manier van de werking van deze genade, deze is niet onwederstandelijk, want er staat van velen geschreven, dat zij de Heilige Geest wederstaan hebben, Handelingen 7 en elders op vele plaatsen”.

2
Natuurlijk weet ik niet hoe het u vergaat.
Maar persoonlijk lijkt mij op artikel 3 niet zoveel aan te merken.
Wel word ik argwanend als ik bekijk hoeveel soorten genade er volgens artikel 4 van de remonstrantie zijn. Voorgaande genade, toekomende genade, opwekkende genade, volgende genade, meewerkende genade… : waar haalde men dat eertijds toch allemaal vandaan? Het klonk allemaal wat gezwollen. Een beetje opgeschroefd. Alsof men iets te verbergen had.

3
Wie het kluwen touw uit elkaar wil halen, moet – als u het mij vraagt – beginnen bij de ‘vrije wil van de zondaar’. Zo noemden de remonstranten dat. Die vrije wil is de spil van van het hele systeem. Van daaruit redeneerde men naar het besluit van God toe. Vanuit de ‘vrije wil’ praatte men richting de uitverkiezing. Vanuit de ‘vrije wil’ legde men Gods genade uit.

4
Belangrijk is ook het antwoord op de vraag: wat betekent het dat de eerste mens naar Gods beeld geschapen is?
Gereformeerden zeiden: de mens kreeg prachtige mogelijkheden van God. Iemand typeerde die eens als “hoge, heerlijke, geestelijke gaven”[3]. Wie die hoge gaven ziet, begrijpt hoe diep de mens gevallen is.
Nee, zeiden de remonstranten. Adam kréég helemaal geen gaven van God. Die moest hij nog ontwikkelen.

5
De remonstranten spraken wel over erfzonde.
Maar die zonde is, zo beweerden de remonstranten, niet te karakteriseren als schuld. Erfzonde is een aangeboren zwakheid, zo werd gesteld. En ach, met die zwakheid viel het meestal reuze mee. Men sprak graag over de ‘stand van afwijking’. Dat hield eigenlijk in: het staat allemaal wel een beetje scheef, maar intussen blijft de mens nog aardig overeind. De mens is niet ‘standaard’ dood door overtredingen en zonden, zo concludeerde men; hooguit heeft de zonde dodelijke kracht.

6
Gereformeerden zeiden: de mens heeft zijn natuurlijke vermogens gehouden. Daar bedoelden ze mee: hij is mens gebleven. De mens is geen dier geworden. En ook geen duivel. Dus:
* alles is wel bedorven
* maar er heeft geen evolutie plaats gevonden; tot zoogdier, of iets dergelijks.
Remonstranten zeiden: de mens kan kiezen voor het goede.
Gereformeerden zeiden: je kunt nog wel zien hoe Gods gaven er bij Adam uit moeten hebben gezien; maar die gaven zélf zijn weg. Gereformeerden zeiden: de mens heeft nog wel gevoel voor fatsoen. Maar de door God geschonken schittering van gaven zien we niet meer. Alles is dof. Bevuild. Smerig en, menselijkerwijs gesproken, niet meer schoon te krijgen.

7
Remonstranten zeiden: de mens kan altijd kiezen voor het goede. Daarom, concludeerden de remonstranten vervolgens, kunnen slimme mensen best bij Gods genade uit komen. Als mensen een beetje logisch redeneren, dan komt alles goed.
Gereformeerden zeiden: ons leven is vuil. Het is zó erg dat we ons zelfs niet eens meer aan Gods wet kunnen houden; en dat terwijl die wet zó goed is!

8
Gereformeerden zeiden: hier is de heilige Geest nodig. Hij zet Zijn kracht in. De verkondiging van Gods Woord is Zijn middel om mensen weer bij God te roepen. De kracht van de Heilige Geest is ongelooflijk groot. Gods Geest is onoverwinnelijk. Als de Heilige krachtdadig ingrijpt, dán kan geen mens dat negeren.
Remonstranten zeiden: er blijft altijd de mogelijkheid om op eigen kracht bij God te komen. We beschikken over intelligentie en denkkracht, nietwaar?

9
Het Evangelie van verlossing wordt in de wereld geproclameerd.
De remonstranten zeiden: iedereen hoort die Boodschap, maar het gedrag dat de mensen er op na houden zorgt er voor dat de Boodschap hen niet bereikt. Zij doen de deur dicht. Zij sluiten zich er voor af.
Gereformeerden wezen op Schriftgedeelten als Romeinen 9. U herkent die woorden wel als u ze leest: “Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil. Gij zult nu tot mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie wederstaat zijn wil? Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt? Of heeft de pottebakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot alledaags gebruik?”[4].

10
Het is dus geen zaak van de vrije wil van mensen, maar van Gods liefde; die liefde toont Hij in de uitverkiezing.
Daarbij is gegarandeerd dat de Heilige Geest mensen verandert tot in de wortel van hun bestaan. Hij maakt harde harten zacht. Zó komt dat mensen ook zelf in beweging komen, en zich naar God toe keren.
De kracht van Gods Heilige Geest is – om met Efeziërs 1 te spreken – “overweldigend groot”. Wij moeten, zegt 2 Thessalonicenzen 1, welgevallen hebben in al het goede; het werk van het geloof moet volmaakt worden. Wij worden geroepen met Goddelijke heerlijkheid en macht[5]. Zo zeiden Gereformeerden dat. En zo zeggen zij dat nóg.

11
Daarbij is geen sprake van dwang.
Het christelijk geloof is geen doctrine.
Uitverkoren mensen mogen weten dat Gods barmhartigheid de stabiele factor in hun leven is.
Dat is de stijl van Mattheüs 20: “Staat het mij niet vrij met het mijne te doen, wat ik wil? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben?”[6].

Tenslotte nog dit.
Wie de zaken rond menselijke verdorvenheid en bekering eens op een rij zet, merkt hoeveel daar aan vast zit. Goed beschouwd is het niet zo’n wonder dat hoofdstuk III/IV als één stuk leerstof wordt aangeboden; in artikel 4 van de remonstrantie wordt de achtergrond van het dérde artikel uit die verklaring getekend.
De remonstranten klonken in vroegere tijden reuze vredelievend. En realistisch.
Door de jaren is gebleken hoe belangrijk het is om aan de Gereformeerde leer vast te houden.
Wie aan menselijke redeneringen de voorrang geeft, komt uiteindelijk in een mistig gebied terecht.

Noten:
[1]
Vanavond, woensdag 20 maart 2013, vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Daar zal hoofdstuk III/IV van de Dordtse Leerregels centraal staan. Dit artikel is het tweede deel van enige voorstudie over dat onderwerp.
[2] In het onderstaande gebruik ik: Ds. J. Faber, ds. H.J. Meijerink, ds. C. Trimp, ds. G. Zomer, “Tot prijs zijner heerlijkheid: schetsen bij de behandeling van de Dordtse Leerregels”. – Utrecht: Bond van Gereformeerde M.V., vierde druk 1978. – p. 41-54.
[3] Dat was de Gereformeerd-vrijgemaakte ds. H.J. Meijerink (1903-1983). A.w., p. 42.
[4] Romeinen 9:18-21.
[5] Zie Efeziërs 1:19: wij moeten weten “hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte zijner macht”. En 2 Thessalonicenzen 1:11 en 12: “Hiertoe bidden wij ook te allen tijde voor u, dat onze God u de roeping waardig achte en met kracht alle welgevallen in het goede en het werk des geloofs volmake, opdat de naam van onze Here Jezus in u verheerlijkt worde, en gij in Hem, naar de genade van onze God en van de Here Jezus Christus”. En 2 Petrus 1:3: “Zijn goddelijke kracht immers heeft ons met alles, wat tot leven en godsvrucht strekt, begiftigd door de kennis van Hem, die ons geroepen heeft door zijn heerlijkheid en macht”.
[6] Mattheüs 20:15.

19 maart 2013

Ach, ging ik toch de wegen van uw recht

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Gods koninkrijk komt!
De werkkracht van onze Here is ook in 2013 ongebroken. Dat geloven wij. Dat weten wij.

Maar hoe komt dat koninkrijk er eigenlijk? Op welke manier wordt die heerlijke monarchie in deze wereld binnen gebracht?
Het antwoord is te vinden in Zondag 48 van de Heidelbergse Catechismus. Als wij bidden: ‘Uw koninkrijk kome’ betekent dat onder meer: “Regeer ons zo door uw Woord en Geest, dat wij ons steeds meer aan U onderwerpen”[1].
Het koninkrijk van God komt niet met groot wapentuig. Dat koninkrijk komt er niet door een daverende defensie. Dat koninkrijk komt er omdat ware gelovigen op de wegen wandelen die God hen wijst.

Daar bidden we ook om in Psalm 119:
“Och, dat mijn wegen vast waren
om uw inzettingen te onderhouden”[2].
De dichter van Psalm 119 slaakt een verzuchting. Hij klaagt over zichzelf. Want die dichter weet wel hoe hijzelf in elkaar zit. En hij weet ook heel goed hoe de wéreld er uit ziet. Uit de grond van zijn hart wenst hij vastigheid. Hij zou wérkelijk willen dat hij in zijn leven een vaste koers vaart.
Als het goed is, is dát ook het hoogst verlangen van gelovige mensen.
In Psalm 119 staat de uitroep ‘ahalay: och, mocht het zijn dat…. In een variante spellingsvorm komt dat woord ook voor in 2 Koningen 5, het hoofdstuk over Naäman de Syriër. Het krijgsgevangen meisje uit Israël zegt daar tegen haar meesteres: “Och, was mijn heer maar bij de profeet in Samaria, dan zou deze hem wel van zijn melaatsheid verlossen”[3]. Uit het diepst van haar hart zegt dat meisje: was de profeet van de Here maar hier, dán zou er redding wezen.
In Psalm 119 bidt de dichter:
“Uw inzettingen zal ik onderhouden;
verlaat mij niet geheel en al”[4].
De dichter wil een koersvast leven leiden. Maar hij realiseert zich dat dat alléén maar lukken gaat, als de Here hem helpen zal. Als de hemelse God zich afwezig gaat melden, dan kun je ’t leven van de dichter óók wel afschrijven.
Gods koninkrijk komt. Jazeker! Maar dat koninkrijk komt er door de krachtige activiteit van de reddende God. Hij houdt mensen op de weg die naar het leven leidt. De door Hem uitverkoren mensen worden in de kerk bijeengebracht. Dat en daar is het glorieuze begin van de Goddelijke monarchie.

Gods koninkrijk komt!
Dat is geen proclamatie voor halfzachte kerkgangers die, een maal per week, best behoefte hebben aan een vriendelijk woordje[5].
Wie kerkmensen diep in hun hart kijkt, ontdekt al snel dat de meeste kerkgangers graag preken willen horen over zogeheten ‘mooie teksten’. Echter: als een predikant zich daartoe beperkt, wordt de Bijbel in snel tempo dunner.
De Here vraagt een ómmekeer. Niet voor niets zegt Jezus in Marcus 1: “De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie”[6]. Het leven moet, om zo te zeggen, opnieuw beginnen.
Hoe nodig dat is, laat de Here ons ook in het Oude Testament zien. Wie de profetieën tot zich neemt, leest veel over de afvalligheid der Israëlieten. Over de toorn van God. En over Zijn oordeel. Ware gelovigen moeten horen wat de Here zoal over dat oordeel bekend heeft gemaakt. Nee, dat is niet om die godsdienstige hoorders angst in te boezemen, of mentaal plat te walsen. Oordeelsprediking heeft tenminste twee kanten:
* troost voor allen die de Here God in heel hun leven dienen
* een waarschuwing voor Gods kinderen om bij leven voor de Here aan de goede kant te blijven staan.
De Here “wreekt Zich op de goddelozen, die hen in deze wereld getiranniseerd, verdrukt en gekweld hebben. Die zullen tot erkenning van hun schuld gebracht worden, door het getuigenis van hun eigen geweten. Zij zullen wel onsterfelijk worden, maar alleen om gepijnigd te worden in het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is (…). De gelovigen en uitverkorenen daarentegen zullen gekroond worden met heerlijkheid en eer. De Zoon van God zal hun naam belijden voor God, zijn Vader (…), en zijn uitverkoren engelen, en God zal alle tranen van hun ogen afwissen (…). Dan zal blijken dat hun zaak, die nu door veel rechters en overheden als ketters en goddeloos veroordeeld wordt, de zaak van de Zoon van God is. En als een genadige beloning zal de Heer hun zo’n heerlijkheid doen bezitten als in het hart van een mens nooit zou kunnen opkomen. Daarom verwachten wij die grote dag met sterk verlangen, om ten volle te genieten de beloften van God in Jezus Christus, onze Here”. Zó omschrijft de Nederlandse Geloofsbelijdenis dat[7].

Gods koninkrijk komt!
Dat geloven wij. Dat weten wij.
Maar soms betrappen we ons op de gedachte: wanneer kómt dat koninkrijk toch? Of ook: hoelang wordt ons geduld nog op de proef gesteld?
Wie dergelijke gedachten heeft moet maar denken aan het mosterdzaadje. En aan het zuurdesem. Blijkens Lucas 13 kan men het koninkrijk van God met dat zaad en dat desem vergelijken[8].
Een mosterdzaadje is maar klein. Maar als de boom volgroeid is, blijkt dat die enorme potentie heeft.
Men hoeft relatief maar weinig zuurdesem te gebruiken om een gistingsproces op gang te brengen. In Lucas 13 gaat het over drie maten meel: dat is 3 x 13,13 liter; daarvan kan men ruim vijftig kilogram brood maken, zodat honderdvijftig mensen er ruim van kunnen eten[9].
Kleine Gereformeerde kerkjes mogen zich door Lucas 13 laten geruststellen. Sterker nog: zij mogen zich er mee laten tróósten. Maar al te vaak wordt de kerk met een licht cynische blik terzijde geschoven. De invloed van de kerk is momenteel bijna nihil. Maar ook nu mag de kerk blijven verkondigen dat de volmaaktheid van Gods rijk eens zal komen.
De kerk denkt, als het goed is, niet in termen van resultaat en rendement. Want in de kerk is het genoegzaam bekend: de werkkracht van onze Here is ook in 2013 ongebroken.
Gods koninkrijk komt!

Noten:
[1]
Heidelbergse Catechismus – Zondag 48, antwoord 123.
[2] Psalm 119:5 (onberijmd). Overigens is de titel van dit artikel ontleend aan Psalm 119:2 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek):
“Gij hebt ons hart uw orde opgelegd,
opdat wij die met ijver onderhouden.
Ach, ging ik toch de wegen van uw recht,
dan stond ik niet beschaamd, als ik vertrouwde
op wat Gij in uw liefde tot mij zegt,
als ik de schoonheid van uw wet aanschouwde”.
[3] 2 Koningen 5:3.
[4] Psalm 119:8 (onberijmd).
[5] In deze alinea gebruik ik onder meer: Dr. D. Visser, “Waar blijven de vruchten van de prediking?”. In: De Wekker – kerkblad van de Christelijke Gereformeerde Kerken – , 14 september 2012, p. 8 en 9. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/013bb2c69edb33df075ea29e/waar-blijven-de-vruchten-van-de-prediking/5 .
[6] Marcus 1:15.
[7] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 37.
[8] Zie Lucas 13:18-21.
[9] Zie de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Lucas 13:21.

18 maart 2013

De troost van Gods voorzienigheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Alles wat wij in ons leven tegenkomen, komt uit de hand van God. Of het nu voor- of tegenspoed, gezondheid of ziekte, rijkdom of armoede is – alles wordt ons vanuit de hemel toebedeeld. Zo lezen we dat ook in Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus.

De heer Jildert de Boer uit Harderwijk heeft daar een correctie op.
Onderschat de duivel niet, schrijft hij in het Nederlands Dagblad. Jezus was alleen maar met positieve dingen aan de gang. God heeft helemaal niets met het kwade te maken.
De heer De Boer gaat ver. “Hoe kan de catechismus dit principe overslaan? De catechismus kan hier de toets aan Gods Woord niet doorstaan”.

Dat is niet gering.
Na 450 jaar breekt het licht door. Verbluffend. Verbijsterend, zelfs.
Dit alles stemt tot nadenken.

Voor een goed begrip laat ik de volledige tekst van het betreffende Ingezonden hieronder volgen.
“Opmerkelijk dat Gijsbert van den Brink (ND 28 februari) zondag 10 van de Heidelberger Catechismus blijft verdedigen. Alsof alles – positief en negatief, goed en kwaad – uit Gods vaderlijke hand ons toekomen. De rol van de duivel als overste van deze wereld wordt in zondag 10 volledig buiten beschouwing gelaten. De catechismus gaat blijkbaar uit van een versluierd, oudtestamentisch Godsbeeld, waarbij men vaak alles wat uit de onzichtbare wereld kwam, toeschreef aan God. Jezus heeft ons echter God doen kennen. Hij sprak: ‘Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’. Zo Zoon, zo Vader! Jezus was alleen met positieve en goede dingen bezig. Boven het artikel staat: ‘God heeft ook met het kwaad te maken’. Dat is er helemaal naast. God staat volkomen buiten het kwaad, want hij heeft geen gemeenschap met het kwade. Jakobus noemt hem de Vader der lichten, die niemand in verzoeking brengt. Johannes zegt: ‘God is licht en in hem is in het geheel geen duisternis. De bron van het kwade is de duivel. Hoe kan de catechismus dit principe overslaan? De catechismus kan hier de toets aan Gods Woord niet doorstaan”[1].

Nogmaals: dit is niet gering.
De Heidelbergse Catechismus gaat uit van een versluierd, oudtestamentisch Godsbeeld.
De schrijvers van dit christelijke leerboekje zaten er helemaal naast.
En de hint is duidelijk: wie anno 2013 uit dit boekje nog iets leren wil, is knap ouderwets.
Nou nou.

Over Gods voorzienigheid wil ik hieronder iets naar voren brengen.
In alle bescheidenheid.
Zonder al te veel omwegen.
Misschien ben ik dan wel ouderwets. Conservatief, zelfs.
Het zij zo.

Jildert de Boer komt aan met een tekst uit Johannes 14. In het navolgende citaat cursiveer ik die: “Ben Ik zolang bij u, Philippus, en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader?”.
In die woorden wijst Jezus zijn discipel Philippus terecht. Philippus moet, zo wil Jezus duidelijk maken, eindelijk eens begrijpen dat God de Vader Zijn Zoon naar de aarde heeft gestuurd. Jezus Christus voert de Hem opgedragen taak uit, en spreekt woorden die van God afkomstig zijn. De Zoon laat zien wie Zijn Vader is. De Verlosser kondigt aan dat er in de toekomst grote dingen gaan gebeuren. Hij gaat weer terúg naar Vader. En als Jezus in de hemel is, zal Hij aldaar plaatsen reserveren voor al Zijn kinderen, van alle plaatsen en van alle tijden.
In Johannes 14 vinden we – om zo te zeggen – de taakomschrijving van de Redder der wereld. Zij taak op aarde is bijna voltooid. Maar in de hemel heeft Hij nog veel werk te doen.
Eerlijk gezegd vind ik het verband met Gods voorzienigheid ietwat vaag. In Johannes 14 worden we met name gewezen op Jezus als onze Kwartiermaker in de hemel. Hoe Jildert de Boer Johannes 14 verbindt met onze dagelijkse verzorging op aarde is mij niet geheel helder.

Jildert citeert ook Jacobus 1: “Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is, daalt van boven neder, van de Vader der lichten, bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer”[2].
En zijn conclusie ligt voor de hand: onvolmaakte dingen komen niet bij God vandaan.

Ook 1 Johannes 1 komt voorbij: “En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen: God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis”[3].
De gevolgtrekking van Jildert is klaarblijkelijk: duistere zaken komen niet van God.

Hoe moet dit nu verder?

Zou het kunnen zijn dat Jildert de grootsheid van de Schepper van hemel en aarde onderschat?
Zeker, we hebben hier op aarde te maken met de gevolgen van satanische krachten. Van verval en van ziekte. Van kortzichtigheid en van foutieve inschattingen.
Maar juist daarin en daardoor wordt de overwinnende kracht van God zichtbaar.
In de tijd dat de Here Jezus op aarde was, werd lang niet iedereen genezen. Sterker nog: dienaren van de hemelse Heer werden soms ziek. Paulus schrijft in 2 Timotheüs 4: “Trófimus heb ik ziek achtergelaten te Milete”[4].
Maar door dat alles heen liet en laat Jezus zien dat Hij dóórwerkt.
Sommige mensen worden wel genezen; zij zijn levende illustraties van de volmaaktheid die, na het aanbreken van de Jongste Dag, weer in héél de wereld te zien zal zijn.
De Evangelieverkondiging gaat door, ook al is Trófimus ziek.
Ook vandaag kunnen we Gods grootheid zien. Een ernstig gehandicapte man zei eens: “…God gaf mij bijzondere genade, zodat ik nooit opstandig of boos werd (…) God wil dat wij met ons lijden de toevlucht nemen tot Hem. Dat we dwars door onze moeilijkheden heen onze weg op Hem wentelen, het van Hem verwachten. Het beste wat je kunt doen is je leven in goede en slechte dagen in Gods hand leggen. Ik geloof dat Gods wegen veel hoger zijn dan de mijne; Zijn gedachten zijn niet te doorgronden”[5].
Jildert schrijft: God heeft helemaal niets met het kwade te maken.
Dat gaat te ver.
Dat gaat te snel.
De Here God laat ons zien dat Hij sterker is dan de duivel.
Nee, wij kunnen en moeten niet negeren dat gelovige mensen vaak merken dat er in het leven van alledag aan hen getrókken wordt. Er wordt om hen gestreden. Maar bij iedere kerkgang laat de Here zien dat de overwinning aan Hém is. Bij ieder christelijk woord of werk viert Hij triomfen, en knarsen de tanden van de satan.

Wij moeten vasthouden dat geen schepsel ons van Gods liefde scheiden kan.
Als wij die glorieuze omstandigheid vergeten, komen wij binnen de kortste keren in de grootste problemen.
Dan zeggen we, net als Jildert, dat allerlei aardse problemen van de satan komen. En daarmee uit.
Tegelijkertijd insinueren we echter ook dat onze God, om welke reden dan ook, tijdelijk absent is.

Daarom zullen we méér moeten zeggen: de duivel en de boze geesten doen hun best wel, maar ze kunnen niet meer schade berokkenen dan God toelaat[6]. En daarbij geeft Hij aan Zijn kinderen geduld om de levensgang te aanvaarden.
Bij sommige mensen kunnen wij het zo duidelijk zien: aftakeling, verergering van ziekte en handicap; en wat daar verder volgt.
Telkens als we met zulk een afgang geconfronteerd worden, vraagt de Here ons: u ervaart het nu aan den lijve, u ziet het om u heen gebeuren… – en blijft er nu nog wat óver, Mijn kind? Hij vraagt ons: begrijpt u dat aardse achteruitgang en versukkeling aantonen hoe essentieel het is dat Mijn hemelse volmaaktheid weer op aarde komen zal?

Jildert de Boer suggereert dat de hemelse Here, als de satan zijn macht misbruikt om ziekten en ellende in de wereld te zenden, even afwezig is. Daarmee doet hij tekort aan Gods almacht.
Mét Romeinen 8 mogen wij, gedurende heel ons aardse leven, zeggen: “Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard? Gelijk geschreven staat: om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen. Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad. Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here”[7].

Noten:
[1]
Jildert de Boer, “Zondag 10”. Ingezonden in: Nederlands Dagblad, dinsdag 12 maart 2013, p. 11.
[2] Jacobus 1:17.
[3] 1 Johannes 1:5.
[4] 2 Timotheüs 4:20.
[5] Anneke Tukker-Versluijs, “’God wist van mijn ongeluk’”; interview met Erwin Hout. In: De Waarheidsvriend, 21 juni 2012, p. 6 en 7. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/013c1abe2ce4c3da5134e78d/god-wist-van-mijn-ongeluk/1 .
[6] Hier gebruik ik: J. Jonkman, “Er is een bijzondere vaderlijke zorg van God voor Zijn kinderen”. In: De Wekker – kerkblad van de Christelijke Gereformeerde Kerken -, 3 februari 2012, p. 8 en 9. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/013bb2c138e8c92aed0cfed4/er-is-een-bijzondere-vaderlijke-zorg-van-god-voor-zijn-kinderen/9 .
[7] Romeinen 8:35-39.

15 maart 2013

Een nieuwe paus

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Afgelopen woensdagavond, 14 maart 2013, kwam er om 19.06 uur witte rook uit de schoorsteen van de Sixtijnse Kapel te Rome. Het habemus papam klonk: er is een nieuwe paus. De man werd zesenzeventig jaar geleden geboren als Jorge Maria Bergoglio en heet nu paus Franciscus.

Wat moet een Gereformeerd mens daarmee? In de kerk kennen we geen pausen. Er zijn hooguit invloedrijke predikanten en ouderlingen.
Gereformeerde scribenten kunnen zeggen: ach, ik schrijf niets over het aantreden van Franciscus; wij hebben niets met hem te maken.
Toch wil ik vandaag enkele woorden schrijven naar aanleiding van deze gebeurtenis. Immers: heel de wereld vergaapt zich aan de komst van paus Franciscus.
De kerk staat midden in die wereld. En we zien wat daar gebeurt. In die wereld willen de kerkmensen hun Heer dienen. Daarbij spreken we de Nederlandse Geloofsbelijdenis na. Het is in de kerk zo “dat men zich richt naar het zuivere Woord van God, alles wat daarmee in strijd is verwerpt en Jezus Christus erkent als het enige Hoofd”[1].
Dat is mijn uitgangspunt bij het schrijven over de nieuwe kerkvorst.

De eerste aantekening die ik maak, betreft het moment waarop de naam van de nieuwe kerkleider bekend werd. Het is opvallend dat de nieuwe paus aantrad op de protestantse biddag voor gewas en arbeid.
In heel veel kerken richtten mensen zich tot de God van het verbond, om Hem te vragen om voor deze wereld te blijven zorgen.
Op diezelfde dag trad paus Franciscus aan. En het lijkt wel of hij voor velen een soort verlosser is. Op het stampvolle Sint Pietersplein in Rome ging een groot gejuich op toen de witte rook verscheen. Het verlossende woord was blijkbaar gesproken!
In die omgeving belijdt de kerk dat Jezus Christus de enige Verlosser is.
En de vraag ligt, in grote letters geschreven, op tafel: Wie/wie aanbidden wij?

Ik maak een tweede opmerking.
De paus noemt zich naar Franciscus van Assisi. Dat is een bekende naam. De naam is verbonden aan een kloosterorde: de Franciscanen.
Eertijds kwam er een moment dat Franciscus zich terugtrok in de eenzaamheid. Hij “wijdde zich aan de melaatsen, het herstellen van kerkjes en aan het gebed. Zelf wilde hij de allerarmste zijn. Hij bedelde zijn dagelijks voedsel bij elkaar, daarvan delend met anderen die nog minder hadden dan hij. Vanaf dat moment werd zijn enige geliefde ‘Vrouwe Armoede’”.
Zo staat dat beschreven in de bekende internetencyclopedie Wikipedia.
Daar staat ook te lezen: “Franciscus was de belichaming van een nieuw persoonlijk gekleurd soort vroomheid binnen het christendom, waarbij de ontwikkeling van het individu en diens persoonlijke gaven en talenten van grote betekenis waren. Tegelijk hechtte hij grote waarde aan het behoren tot een groep gelijkgezinde gezellen, een broederschap, waarin men in elkaars noden en behoeften kan voorzien”[2].
Franciscus van Assisi leefde van 1182 tot 1226. De nieuwe paus wil in zijn voetsporen treden. We mogen dus soberheid van de nieuwe paus verwachten. En invoelingsvermogen.
Op zichzelf zijn dat buitengewoon goede eigenschappen.
Maar even zo goed is de paus het hoofd van de Rooms-Katholieke Kerk. Hij noemt zichzelf de opvolger van Petrus. Hij noemt zichzelf de Plaatsbekleder van Jezus. En zo beschóuwt hij zichzelf ook. Dat mogen we niet uit het oog verliezen.

Een derde kanttekening.
De hoofdredacteur van het NOS Nieuws, Marcel Gelauff, zei: “De rituelen die erbij komen kijken, maken het tot goede televisie. Er is iets te zien”. En: “Dat komt door het historische element. Er wordt niet zo vaak een nieuwe paus gekozen. Maar mijn fascinatie, en die van velen, heeft ook te maken met de rituelen die bij het conclaaf komen kijken. Die zorgen ervoor dat het goede televisie is. Er is iets te zien. Dat maakt het ook voor niet-katholieken aantrekkelijk”.
Ed Arons, oud-hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad, zei: “Vroeger spraken de religieredacteuren van christelijke media weleens met de religieredacteur van de NOS. Mijn protestantse collega’s klaagden dan dat de NOS meer aandacht besteedde aan katholieken. Dat komt omdat de protestanten zijn versnipperd, terwijl de Rooms-Katholieke Kerk nog één is. Daarnaast hebben protestanten een ‘naakt’ geloof en katholieken een ‘aangekleed’ geloof. De Rooms-Katholieke Kerk is met haar rituelen zichtbaar en tastbaar. Dat maakt het aantrekkelijk om erover te berichten”[3].
De mensen kijken geboeid naar de manieren van doen, naar de kleding en de architectuur van Roomse kerkgebouwen.
Dat brengt mij bij Mattheüs 6. Jezus zegt daar: wees niet bezorgd over uw voedsel, of over uw kleding. Jezus maakt duidelijk dat materiële dingen in een christenleven niet de hoogste prioriteit hebben. Waar het om gaat, is dat wij eerst het Koninkrijk van God zoeken. Ik citeer een paar verzen uit het voornoemde Schriftgedeelte: “Indien nu God het gras des velds, dat er heden is en morgen in de oven geworpen wordt, zó bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, kleingelovigen? Maakt u dan niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden? Want naar al deze dingen gaat het zoeken der heidenen uit. Want uw hemelse Vader weet, dat gij dit alles behoeft. Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden”[4]. Als pracht en praal de sfeer bepalen ontstaat er een héidense atmosfeer.
Hoe komt het Koninkrijk van God tot stand? Het antwoord is drieledig:
* de Here God wil en kan ons het goede geven
* de Here is onze Koning en Hij heeft alle dingen in Zijn macht
* aan Gods naam wordt uiteindelijk eeuwig toegebracht[5].
Dat staat, als u het mij vraagt, ver van roomse pronk af.

Een laatste opmerking.
De heer Peter Blokhuis, die tot mei 2012 voorzitter van de ChristenUnie was, zei indertijd in een interview met het Reformatorisch Dagblad: “Protestanten moeten zich geen Italiaans beeld van roomsen vormen waar meteen het geweer op gericht zou moeten worden. Tegenwoordig kun je met veel rooms-katholieken prima over de Bijbel praten. Ik heb een jaar samen met een aantal van hen op een Bijbelclub gezeten. Dat heeft mijn ogen geopend”[6].
Nee, ik heb geen wapenvergunning.
En nee, ik ben geen lid van een schietvereniging.
En nee, ik voel geen enkele behoefte om rooms-katholieken overhoop te schieten. Dat laat ik wel uit mijn hoofd. Sterker nog: ik ken veel roomsen die heel sympathieke mensen zijn. Maar het springende punt is dat religie in de Rooms-katholieke kerk in sommige opzichten op ware godsdienst lijkt. Ten diepste is het dat, naar mijn stellige overtuiging, niet.
Het is zonde dat, naar schatting, 1,15 miljard mensen helemaal de verkeerde kant op worden gestuurd[7]. Zónde. In de Schriftuurlijke betekenis van het woord.

Noten:
[1]
Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 29.
[2] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Franciscus_van_Assisi .
[3] Maurice Hoogendoorn, “De kracht van een aangekleed geloof”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 14 maart 2013, p. 2.
[4] Mattheüs 6:30-33.
[5] Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 52, antwoord 128: “Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Dat wil zeggen: dit alles vragen wij van U, omdat U ons al het goede wilt en kunt geven, want U bent onze Koning en hebt alle dingen in uw macht. Wij bidden U dit, opdat daardoor niet aan ons maar aan uw heilige naam eeuwig lof wordt toegebracht”.
[6] Gerard Vroegindeweij, “Ik heb ten diepste een boerenziel”; vraaggesprek met Peter Blokhuis. In: PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, vrijdag 18 mei 2012, p. 2 en 3. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/013c16141ce4f5a84a7ea933/ik-heb-ten-diepste-een-boerenziel/42 .
[7] Deze schatting ontleen ik aan: “Franciscus I, een sobere Argentijn”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 14 maart 2013, p. 1. Overigens hanteert het ND nog een volgnummer bij de pausnaam. Het Vaticaan heeft inmiddels duidelijk gemaakt dat dat niet de bedoeling is. Zie bijvoorbeeld http://www.vatican.va/holy_father/francesco/elezione/index_en.htm .

14 maart 2013

De ernst van de erfzonde

Is de erfzonde nou zo erg?

Dat is een oude vraag. In de Veroordeling der dwalingen onder hoofdstuk III/IV van de Dordtse Leerregels komt die vraag ook aan de orde[1]. Daar wordt verwezen naar woorden uit Romeinen 5: “Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben”[2].
Waarom is door één zonde meteen alles kapot?
Het antwoord op die vraag kan worden geïllustreerd met een bevuild kledingstuk. Wie een nieuwe broek of een nieuwe rok koopt gaat daarmee pronken. Maar zodra er één vlek op die broek of die rok komt, is het met paraderen afgelopen.
Het antwoord op die vraag is voor zondige wereldburgers overigens buitengewoon moeilijk te verteren. Dat komt omdat zij zich niet kunnen indenken wat Goddelijke zuiverheid inhoudt. Wie praat over God, heeft het meteen ook over volmaaktheid. Hij spreekt over perfectie in haar uiterste consequentie. Als die wereld op één plek bevlekt wordt, is heel de de wereld vuil – dat is consequent, systematisch, stelselmatig.
Dat kunnen wij ons, zondig als wij zijn, niet meer voorstellen. Wij hebben daar geen beeld meer bij.  Met geen mogelijkheid kunnen wij nagaan hoe God redeneert en werkt. Alleen dáárom al zit er niets anders op dan gelovig aan te nemen wat God ons zegt: één zonde bederft de ganse wereld.
Wie zegt: ‘die erfzonde is zo erg niet’, poneert eigenlijk: ik kan wel nagaan hoe God Zijn werk vorm geeft. Zo iemand zegt eigenlijk: ik weet wel hoe volmaaktheid er uit ziet; en met één vlekje is die onberispelijkheid heus niet aangetast. Zo iemand zegt impliciet: ik kan net zo logisch redeneren als God; daarin ben ik gelijk aan Hem.
Voelt u hoe merkwaardig zo’n betoog is?
Voelt u dat de Here God met zo’n redenering naar beneden wordt gehaald? Immers, een mens gaat bepalen hoe God de zonde moet beoordelen!

In de ontstaanstijd van de Dordtse Leerregels hingen veel mensen de volgende redenering aan.
Die mensen zeiden: bij de schepping van de mens waren zijn goede eigenschappen nog niet aanwezig. Die goede karaktertrekken werden later pas goed ontwikkeld. Daar moest Adam zélf zijn best voor doen.
Zij zeiden: als dát zo is, dan is de zondeval toch niet het scheidingsmoment van goed en kwaad? Die goede kwaliteiten waren nog niet volgroeid. Dan kun je toch niet zeggen dat vanaf de zondeval geen mens meer werkelijk goede dingen kan doen?
Die argumentatie rammelt.
In Efeziërs 4 schrijft Paulus over de mens “die naar de wil van God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid”[3]. Met andere woorden: de Schepper legde bij de creatie van de mens alle goede karakteristieken al in zijn bestaan. Van stonde aan wist de mens precies wat goed en kwaad was.
Dat doorzag de mens ook volledig. Daarin was hij een beeld van God. Het diepe inzicht van de mens deed, om zo te zeggen, erg aan God denken.
En ondanks dat scherpe inzicht, ondanks die heldere kijk op hemel, aarde en kosmos, gaven Adam en Eva toe aan de verleiding van de duivel.
Zo kwam de zonde in de wereld. Zo werd heel de wereld vuil. Onvolmaakt. Zondig.

De remonstranten zeiden:
* de wil van de mens is in principe goed
* het probleem is alleen dat die wil bedorven wordt door de beperktheid van ons verstand, en de achtbaan van onze emoties.
Oplossing: als wij heel ijverig gaan studeren, heel verstandig leven, en ons gevoel netjes in toom houden kunnen wij nog heel ver komen.
Dat klinkt aantrekkelijk. Want aldus kunnen wij toch zélf een beetje regelen dat wij God goed dienen.
Maar intussen legt men zo de profeet Jeremia het zwijgen op. Want in hoofdstuk 17 zegt hij: “Arglistig is het hart boven alles, ja, verderfelijk is het; wie kan het kennen?”[4]. In ons hart neigen we voortdurend naar oneerlijkheid. In principe zijn wij – zo leert Gods woordvoerder ons – boosaardig en geniepig.
Van nature zijn mensen kinderen van de toorn, schrijft Paulus in Efeziërs 2[5]. De Here God kan permanent woedend op Zijn kinderen wezen. En het is aan Zijn genade te danken dat dat niet zo is. Die genade is geculmineerd in Christus’ komst naar de aarde.
Voor Gereformeerden is het zaak
* om te beseffen dat wij niets – maar dan ook helemaal niets – volmaakt kunnen doen
* om te beseffen dat Jezus Christus onze Redder is, en dat wij zonder Hem ten dode opgeschreven zouden zijn geweest.

De remonstranten zeiden: mensen zijn reuze intelligent, en daarom kunnen zij zichzélf wel redden. Zij zeiden: eigenlijk wil de hemelse God Jezus Christus best aan alle mensen openbaren. Als iedereen nou een beetje z’n best doet, komt elke wereldburger in de hemel.
Toen men dat beweerde ging men voorbij aan het feit dat de Here Zijn regels en wetten aan Zijn volk bekend moest maken. Als Hij dat niet zou hebben gedaan, was dat volk er nooit uit zichzelf op gekomen om door God geautoriseerde normen en waarden toe te passen. In Psalm 147 staat dat zo:
“Hij heeft Jakob zijn woorden bekendgemaakt,
Israël zijn inzettingen en zijn verordeningen.
Aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan,
en zijn verordeningen kennen zij niet. Halleluja”[6].
De God van hemel en aarde proclameerde het Evangelie. Hij verkondigde Zijn wet. Hij koos mensen uit om Zijn kinderen te zijn!
Als dat niet gebeurd was, zouden mensen hun eigen pad gekozen hebben. Paulus riep indertijd in Lystra: “Hij heeft ten tijde der geslachten, die achter ons liggen, alle volken op hun eigen wegen laten gaan”. U kunt dat in Handelingen 14 na lezen[7]. Als mensen hun eigen zin mogen doen, wandelen zij subiet bij God vandaan.

Als de mens zich bekeert, komt dat – zo stelden de remonstranten – voort uit zelf gegenereerd geloof.
En dat terwijl de Here in Jeremia 31 duidelijk en zonder omwegen meedeelt: “Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn”[8]. Het initiatief komt dus vanuit de hémel.
En dat terwijl de Here in Jesaja 44 zegt: “Ik zal mijn Geest uitgieten op uw nakroost en mijn zegen op uw nakomelingen”. Alweer is het de Hére die in actie komt!

Tenslotte nog dit.
Het is belangrijk de Gereformeerde leer over de erfzonde goed voor ogen te houden.
Waarom?
Bijvoorbeeld omdat Rooms-katholieken een heel ander verhaal over de erfzonde hebben.
Bij de Roomsen wordt de erfzonde door het doopsel vergeven; de vóór het doopsel begane zonden zijn daar bij inbegrepen. De neiging tot zondigen blijft, zo zegt men, bestaan. Gelukkig is er dan de biecht. De priester legt een boetedoening op, en verleent kwijtschelding. Meestal verkrijgen zondaars die door het bidden van een aantal gebeden[9].
Met dit voorbeeld voor ogen is de conclusie bijna onontkoombaar: over de erfzonde kunnen we vrij snel ons ‘eigen verhaal’ maken.
Gereformeerden moeten het vasthouden: verlossing van de zondesmet wordt door de Schepper Zelf bewerkt. Zijn verlossingswerk is onze redding!

Noten:
[1]
Op woensdag 20 maart aanstaande vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Daar zal hoofdstuk III en IV van de Dordtse Leerregels centraal staan. Dit artikel is het eerste deel van enige voorstudie over dat onderwerp.
[2] Romeinen 5:12.
[3] Efeziërs 4:24.
[4] Jeremia 17:9.
[5] Efeziërs 2:1-7: “Ook u, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en zonden, waarin gij vroeger gewandeld hebt overeenkomstig de loop dezer wereld, overeenkomstig de overste van de macht der lucht, van de geest, die thans werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaamheid, – trouwens, ook wij allen hebben vroeger daarin verkeerd, in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten, en wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns –, God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, – door genade zijt gij behouden –, en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar zijn goedertierenheid over ons in Christus Jezus”.
[6] Psalm 147:19 en 20.
[7] Handelingen 14:16.
[8] Jeremia 31:33.
[9] Klaas van der Zwaag, “Eerste hulp bij rooms-katholieke begrippen”. In: Reformatorisch Dagblad, zaterdag 28 juli 2012, p. 2. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/013c6a12adad1610c0ba1f30/eerste-hulp-bij-rooms-katholieke-begrippen/3 . Van der Zwaag schreef zijn artikel naar aanleiding van: Eric van den Berg, Frank Bosman, Peter van Zoest, “Het geel-witte boekje; eerste hulp bij katholieke begrippen”. – Heeswijk: Uitgeverij Abdij Van Berne, 2012. – 140 p.

« Vorige paginaVolgende pagina »

Blog op WordPress.com.