gereformeerd leven in nederland

30 april 2013

Troonswisseling

Vandaag is het een bijzondere dag. Koningin Beatrix zal afstand doen van de troon. Willem-Alexander zal worden ingehuldigd; hij wordt de nieuwe koning der Nederlanden.

Bij deze verandering mag en moet de kerk bidden om continuering van haar vrijheid. De vrijheid om de Here te dienen, bedoel ik. Kerkmensen doen smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen “voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid”[1].
Daarin verschillen wij van mensen uit de wereld. De doorsnee-Nederlander vraagt zich af of de nieuwe monarch net zo professioneel zal zijn als zijn moeder. Veel verder gaat het allemaal niet.

Het is, denk ik, belangrijk dat ware gelovigen beseffen dat de troonswisseling die we vandáág beleven nog maar een klein begin is.
Dat leid ik af uit een tekst als de volgende. “En de zevende engel blies de bazuin en luide stemmen klonken in de hemel, zeggende: het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde, en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden”.
Die woorden staan in Openbaring 11[2].

Van wie zijn die stemmen eigenlijk? Van de vier wezens uit Openbaring 4 en 5 misschien[3].
In hoofdstuk 4 staat: “En voor de troon was als een glazen zee, kristal gelijk. En midden in de troon en rondom de troon waren vier dieren, vol ogen van voren en van achteren”. En: “…de vier dieren hadden elk voor zich zes vleugels en waren rondom en van binnen vol ogen en zij hadden dag noch nacht rust, zeggende: heilig, heilig, heilig is de Here God, de Almachtige, die was en die is en die komt. En wanneer de dieren heerlijkheid, eer en dankzegging zullen brengen aan Hem, die op de troon gezeten is en tot in alle eeuwigheden leeft, zullen de vierentwintig oudsten zich nederwerpen voor Hem, die op de troon gezeten is”.
In hoofdstuk 5 kunnen wij lezen: “En alle schepsel in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem, die op de troon gezeten is, en het Lam zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden. En de vier dieren zeiden: Amen. En de oudsten wierpen zich neder en aanbaden”[4].

Hoe dan ook – de proclamatie is duidelijk:
* God heeft Zijn koningschap aanvaard; Hij heeft Zijn macht in het verleden al laten zien
* die regeringsmacht zal eeuwig duren!

In het éérste deel van hoofdstuk 11 moet Johannes actief optreden.
Tot dan toe was hij toeschouwer geweest.
Maar nu moet hij de tempel opmeten. Dat wil zeggen: hij moet het Koninkrijk der hemelen openen en sluiten. Hij moet de sleutelmacht uitoefenen.
Het gebied buiten de tempel wordt gedurende 42 maanden – drieëneenhalf jaar dus – aan de heidenen gegeven. In die periode zal het Woord van God luidkeels verkondigd worden. De twee getuigen zijn volop actief.
De mensen in de wereld worden helemaal niet blij van die verkondiging. Integendeel. Zij doen verwoede pogingen om de bekendmaking van die blijde Boodschap voor eens en voor altijd af te stoppen. Uiteindelijk lijkt dat ook te gaan lukken. De twee getuigen worden ter dood gebracht. Nu is de Boodschap nergens meer te horen. Voor de wereld is dat een geweldige opluchting. Reden tot vréugde, zelfs! Ze sturen elkaar cadeautjes, alsof het sinterklaasfeest is.
En dan…
Dan staan die twee getuigen weer op. De wereld schrikt zich dood. Wat zullen ze nóu beleven?
Alle wereldburgers luisteren verbijsterd naar een stem uit de hemel. Die stem heet de twee getuigen van harte welkom in de hemel: ‘kom hier maar heen!’. De twee getuigen geven aan de uitnodiging gehoor. En even later kijken ze neer op dat verbouwereerde gepeupel, daar beneden.
Voor de zóveelste keer krijgt de wereld een beeld van Gods almacht. Er vindt een aardbeving plaats waarbij de schaal van Richter verbleekt. Tien procent van de stad verandert in een ruïne.
Er staat in Openbaring 11 iets bij.
Namelijk dit: “Het tweede wee is voorbijgegaan: zie, het derde wee komt spoedig”[5]. Dat wil zeggen: stap voor stap komt de Jongste Dag, de óórdeelsdag, dichterbij.

Als dát geconstateerd is, wordt het in Openbaring 11 tijd voor een danklied. Voor een lófzang.
De mensen waren woedend, vanwege de Evangelieverkondiging. Zij hadden er hun bekómst van. Zij hadden het er helemaal mee gehad. Zij wilden het niet langer hóren.
Maar nu blijkt dat de woede van de hemelse God nog veel groter is. Die toorn heeft ook aanzienlijk meer effect.
In dit hoofdstuk wordt ook heel duidelijk de antithese zichtbaar. Leest u maar mee: “…de volkeren waren toornig geworden, maar uw toorn is gekomen en de tijd voor de doden om geoordeeld te worden en om het loon te geven aan uw knechten, profeten, en aan de heiligen en aan hen, die uw naam vrezen, aan de kleinen en de groten en om te verderven wie de aarde verderven”.
In die antithese speelt het eeuwig verbond een beslissende rol: “En de tempel Gods, die in de hemel is, ging open en de ark van zijn verbond werd zichtbaar in zijn tempel, en er kwamen bliksemstralen en stemmen en donderslagen en aardbeving en zware hagel”[6].

Vandaag vindt er in Nederland een troonswisseling plaats.
En dus is het in Nederland een belangrijke dag.
Maar deze gebeurtenis moeten wij, denk ik, zien in het licht van het naderende oordeel van God; en ook van de triomfen die Hij, samen met Zijn kinderen, vieren zal.

Als ik het goed weet, is het besef van dat alles bij de nieuwe koning niet zo groot[7]. Dominee C.A. ter Linden heeft eens over prins Willem-Alexander gezegd: “Ik herinner me zijn verbazing en opluchting toen hij begreep dat het in vele verhalen van de Bijbel niet zozeer gaat om ‘history’, maar om ‘story’. Om geloofservaringen die het oude Israël overkwamen en die zij in beelden en voorstelling van hun tijd hebben uitgedrukt”. Zou de nieuwe koning op ongeveer dezelfde manier tegen Openbaring 11 aankijken?
Het Reformatorisch Dagblad constateerde onlangs het volgende. Prins Willem-Alexander “…heeft in de achterliggende decennia ook nooit blijk gegeven van bijzondere belangstelling voor kerkelijk Nederland. Koningin Beatrix heeft een paar keer interreligieuze bijeenkomsten in Utrecht bijgewoond. Van de prins is niet iets vergelijkbaars bekend. Hoe hij denkt over de reformatorische kerken is daarmee helemaal in nevelen gehuld. Gezien het feit dat in geen van de vele werkbezoeken ooit het thema kerken een rol heeft gespeeld, lijkt de prins weinig binding te hebben met kerkelijk Nederland”.
Koning Willem-Alexander zal, naar verwachting, best iets met het geloof hébben.
Maar dat de Here God bezig is met de uitvoering van een hemelse planning, dat zal hem wellicht niet in de zin komen.

Het is, denk ik, te meer belangrijk dat Gereformeerden zich realiseren dat de wereldgeschiedenis naar het einde toe gaat.
Nee, daarmee is niet gezegd dat we vandaag maar in een hoekje moeten wachten tot de klap komt. Er is feest, en daar mogen we best enthousiast aan meedoen.
Ook deze koning is ons door de hemelse Here gegeven.
Maar we moeten wel beseffen dat het aantreden van onze nieuwe koning een voetstap is in de richting van de periode waarin Gods eeuwig Koningschap op een volmaakte wijze geëffectueerd zal worden.

Daarbij mogen wij, naar het mij voorkomt, dat heerlijke bericht uit Openbaring 12 niet vergeten: “En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, om, zodra zij haar kind gebaard had, dit te verslinden. En zij baarde een zoon, een mannelijk wezen, dat alle heidenen zal hoeden met een ijzeren staf; en haar kind werd plotseling weggevoerd naar God en zijn troon. En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats heeft, door God bereid, opdat zij daar twaalfhonderd zestig dagen onderhouden zou worden”[8].
Satanische krachten hebben geen grip op Jezus Christus.
De duivel kan de kerk niet wegvagen.

Openbaring 11 vertelt ons dat Gods Koninkrijk nog niet tot in alle details van Goddelijke perfectie is gevestigd.
Toch kan al wél worden gezegd dat het koningschap is gekomen. En dat wordt ook luidkeels afgekondigd.
Zeker, er zullen nog allerlei oordelen komen. Maar die oordelen zijn van relatief korte duur.
Daarom kunnen we nú ook al instemmen met Salomo, die in Psalm 72 zegt:
“Zijn naam zij voor altoos,
zolang de zon er is, bloeie zijn naam.
Mogen alle volken elkander daarmee zegenen,
hem gelukkig prijzen”[9].

Vandaag is het in Nederland feest. En terecht. Een troonswisseling is een markant punt in de geschiedenis van een land.
Maar er komt nog iets groters aan. Een heilsfeit dat nog veel heerlijker is.

Prins Willem-Alexander heeft onlangs gezegd “…dat hij en zijn gezin ook deze maanden kerkdiensten bezoeken, maar wilde niet zeggen of hij zondag naar een kerkdienst gaat, omdat dat zijn privéleven is”[10].
Dat is, in een bepaald opzicht, wel begrijpelijk.
Maar niemand mag vergeten dat in Openbaring 11 ook vandaag nog staat: “Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde..”!

Noten:
[1]
2 Timotheüs 2:1 en 2.
[2] Openbaring 11:15.
[3] Dat suggereert ook Dr. H.R. van de Kamp, “Openbaring: profetie vanaf Patmos”. – Kampen, Uitgeverij Kok, 2000. – p. 274 en 275.
[4] Achtereenvolgens citeer ik Openbaring 4:6,8, 9 en 10; Openbaring 5:13 en 14.
[5] Openbaring 11:14.
[6] Openbaring 11:18 en 19.
[7] In deze alinea gebruik ik: Wim Hulsman, “Gelovig, niet kerkelijk”. In: PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, maandag 8 april 2013, p. 12 en 13.
[8] Openbaring 12:4, 5 en 6.
[9] Psalm 72:17.
[10] “Prinses Máxima blijft rooms-katholiek”. In: Reformatorisch Dagblad, woensdag 24 april 2013, p. 1.

29 april 2013

Wachttijd?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Jezus Christus moet u leegmaken; iedere dag weer!
Dat is de boodschap van de Amerikaanse spreker, auteur, socioloog en predikant Tony Campolo[1]. Het is een bijzondere man, die Campolo. Op zijn curriculum vitae staat onder meer: “De Italiaanse Amerikaan volgde colleges sterrenkunde bij Albert Einstein, was consultant bij de FBI, promoveerde in de sociologie en was de persoonlijke pastor van voormalig president Bill Clinton. Nu is hij fulltime spreker”[2]. Afgelopen dinsdag, 23 april, was hij te gast op de Christelijke Hogeschool Ede. Hij sprak daar op het symposium ‘Spirituele vorming in de praktijk’[3].
Het Nederlands Dagblad zag de charismatische Amerikaan optreden. Het verslag stond op woensdag 24 april in de krant.

Campolo wees in Ede op de rationele manier waarop veel mensen bidden: “Een calvinist geeft God informatie en een serie voorschriften in de trant van: Here, we gaan naar een bijeenkomst, en wilt U die zegenen? Campolo: ‘Denk jij dat God tegen jou zegt, als je bidt: Wow, dat wist ik niet? Hij weet natuurlijk al lang wat jij bidt. Sterker nog, Hij weet beter wat jij nodig hebt dan jijzelf’”.
De Amerikaan brak een lans voor het contemplatieve bidden. “De predikant doet dat elke morgen na het ontwaken, voor de werkdag begint. Campolo: ‘Het kost me vijftien tot twintig minuten om mijn geest leeg te maken. Want je neemt je zorgen van gisteren mee, en je hoofd raakt al gauw bezet door de dingen die je moet doen.’ Dan concentreert hij zich, liggend in zijn bed, op het kruis. ‘Ik wacht op Jezus, op het moment dat Hij contact met mij maakt. Dan ben ik een met Hem op het kruis en absorbeert Hij elke zonde in mijn leven, als een magneet die ijzer aantrekt’”.
“Wat gebeurt er als Christus contact met zijn geest krijgt? ‘De Heilige Geest zorgt er dan voor dan mijn binnenste wordt als een fontein, vol met gevoelens van vreugde. Ik wilde dat het elke dag zo was, maar dat is helaas niet zo: het gebeurt een op de acht keer bidden”.
“Het is Nederlands om op je knieën te gaan, te zeggen wat God al weet, om dan te constateren dat Hij niet luistert. Maar je moet wachten op de Geest. Wacht, wacht, wacht. Als we niet weten hoe we ons moeten overgeven aan Christus, raken we burn-out. Maar met een woord van Jesaja: mensen die op God wachten, vernieuwen hun kracht”[4].

Dat verhaal heb ik, op een bepaald punt althans, met lichte verbazing zitten lezen.
Tony Campolo wacht iedere morgen op de Heer. Eén op de acht keer krijgt Christus contact met Tony’s geest. Zeg maar even: eens in de week wordt het innerlijk van Tony een fontein van vreugde. Hij moet wachten, wachten, wachten. En soms komt het dan goed. Héél goed.
Maar hoe zit dat nou met die zeven dagen dat Tony’s fontein niet aan gaat? Is Jezus Christus dan een beetje afwezig? Vindt Jezus Christus het leven van Tony Campolo op die zeven dagen niet zo erg de moeite waard?
Ik zal u eerlijk zeggen: dat geloof ik niet. Uit Gods Woord begrijp ik dat Hij ook aan het werk is als Tony Campolo, en heel veel andere mensen, er niets van voelen.

Laat ik vandaag eerst wijzen op Psalm 81:
“Ik, de HERE, ben uw God,
die u opvoerde uit het land Egypte;
doe uw mond wijd open en Ik zal hem vullen.
Maar mijn volk luisterde niet naar mijn stem,
Israël was onwillig tegen Mij.
Daarom liet Ik hen gaan in de verstoktheid huns harten,
zodat zij in hun eigen raadslagen wandelden.
Och, dat mijn volk naar Mij luisterde,
dat Israël in mijn wegen wandelde!”[5].
De Here belooft dus Zijn volk te verzorgen. In het verleden had Hij dat ook al gedaan. Maar Zijn volk luisterde niet. Toen dat duidelijk werd, zei de Here: ga dan uw éigen gang maar.
Daaruit concludeer ik: de Here wil Zijn kinderen verzorgen. Als die kinderen zich van Hem afkeren, laat de Here hen ook een poos lópen op de door hen zelf gekozen wegen. Maar uit Psalm 81 blijkt méér. Terwijl Gods kinderen zich van hun Verzorger verwijderen, verlangt de Here al vurig naar de terugkomst van Zijn kinderschaar. Niet dat Gods volk daar dan al iets van voelt. Maar het is wel zo.

Nu ga ik naar Job 17.
In dat Schriftgedeelte doet Job een dringend beroep op God. Hij vertrouwt erop dat God Hem tegenover Zijn vrienden in het gelijk zal stellen. Job zegt:
“Stel U zelf als mijn borg bij U;
wie anders zal voor mij handslag geven?
Want hun hart hebt Gij gesloten voor inzicht;
daarom zult gij hen niet laten zegepralen”[6].
Job zegt tegen de Here: U hebt het hart van mijn vrienden Zelf afgesloten.
Die vrienden van Job zullen daar vast anders over gedacht hebben. Maar intussen was het wél zo.

Graag attendeer ik u ook op Jeremia 32.
Daar zegt de Here ronduit: “Ik zal hun één hart en één weg geven, zodat zij Mij vrezen al de dagen, hun en hun kinderen na hen ten goede; ja, Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, dat Ik Mij niet van achter hen afwenden zal en dat Ik hun wèl zal doen, en mijn vrees zal Ik in hun hart leggen, zodat zij niet van Mij afwijken; Ik zal Mij over hen verblijden en hun weldoen en Ik zal hen voorgoed in dit land planten met heel mijn hart en heel mijn ziel”[7].
De Here geeft Zijn kinderen een hart dat geen afdelingen heeft. Het leven van Zijn volk wordt één grote brok toewijding aan Hem. En dat doet de Here Zelf.
De Here wijst de weg. Zijn kinderen gaan zich niet afvragen: waar zullen wij eens heen gaan? Welnee. De Here maakt onomstotelijk duidelijk: dáár moet u naar toe.

Hoe dat precies gaat, dat kan geen mens precies uitleggen. Dat kon de dichter van Psalm 81 niet. Job en Jeremia konden het ook niet. En in 2013 kunnen wij het nog steeds niet. Zelfs Tony Campolo kan het niet.
Maar één ding is zeker: hier hebben we te maken met Gods almacht. En dus komt het, voor heel Gods volk, goed.

Wij hoeven niet op God te wachten.
We mogen er elke dag zeker van zijn: Hij verzorgt en onderhoudt ons. Iedere dag brengt Hij ons een paar stappen dichter bij het hemels domicilie dat Hij voor ons gereed maakt.

Dit alles zo zijnde, kom ik vandaag ook bij de Heidelbergse Catechismus.
Uit Zondag 2 citeer ik het volgende.
“[vraag] Waaruit kent u uw ellende?
[antwoord] Uit de wet van God”.
“[vraag] Kunt u dit alles volbrengen?
[antwoord] Nee, want naar mijn aard ben ik erop uit om God en mijn naaste te haten”[8].
Daar staat het, zwart op wit: naar mijn aard.
Het grijnst ons toe: naar mijn aard.
Wij kunnen er niet omheen: diep in onze harten zit haat tegen God en mensen.
De Enige die daar wat aan doen kan, is de Here.
En wij mogen het, ook op maandag 29 april 2013, blijven belijden: Hij is in actie gekomen. Hij heeft er wat aan gedaan!

In de eerste brief van Johannes staat het omschreven, met een waterval van woorden: “Hetgeen was van den beginne, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze eigen ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens – het leven toch is geopenbaard en wij hebben gezien en getuigen en verkondigen u het eeuwige leven, dat bij de Vader was en aan ons geopenbaard is – hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben. En ónze gemeenschap is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus. En deze dingen schrijven wij, opdat onze blijdschap volkomen zij”[9].
Het Goddelijke reddingsplan is er al sinds mensenheugenis.
De inhoud van dat plan is in de wereld geproclameerd.
Het grootste Geschenk in dat plan – de Here Jezus Christus – heeft Zijn heerlijke reddingswerk volbracht.
Johannes heeft het Zelf gezien. En Hij vertelde het verder. Luidkeels. Zonder omwegen.
De Vader hád al eeuwig leven. En hij betrok al Zijn kinderen erbij.
Johannes zegt: mensen, de Here heeft Mij het eeuwige leven laten zien. En ik verkondig het u. Nu ziet u dat eeuwigheidsperspectief óók.
Johannes zegt: mensen, God is mijn hemelse Vader. Mijn leven is onverbrekelijk met Hem verbonden. En met uw leven is dat net zo!
En daarom vlamt in ons bestaan de vreugde.
Hoe moeilijk het ook is, hoe zwaar het leven ook zijn kan, het vlammetje van de geloofsblijdschap kan blijven flakkeren. En wees er maar zeker van: ooit wordt dat flakkerende vlammetje weer een laaiend vuur!

Wacht, wacht, wacht!
Dat lijkt het credo van Tony Campolo.
De Amerikaanse baptistenprediker heeft het, zo zal ik maar aannemen, goed bedoeld.
Maar ik voel me toch meer thuis bij de klanken van Psalm 57:
“In U, Heer, heeft mijn hart zijn zekerheid,
U wil ik loven, die mij hebt bevrijd”[10].

Noten:
[1]
Zie voor meer informatie over deze man http://www.tonycampolo.org/ en http://nl.wikipedia.org/wiki/Tony_Campolo .
[2] Zie http://www.hourofpower.nl/campolo .
[3] Zie http://che.nl/onderzoek/geestelijk-leiderschap/nieuws/symposium-23-april-2013-spirituele-vorming-in-de-praktijk .
[4] Zie: Gerald Bruins, “Campolo: calvinisten onderschatten de zonde”. In: Nederlands Dagblad, 24 april 2013, p. 2.
[5] Psalm 81:11-14.
[6] Job 17:3 en 4.
[7] Jeremia 32:39, 40 en 41.
[8] Heidelbergse Catechismus – Zondag 2, vragen en antwoorden 3 en 5.
[9] 1 Johannes 1:1-4.
[10] Dit zijn de eerste regels van Psalm 57:5 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

26 april 2013

Over schakelaars en spiegels

“De huisgodsdienst heeft mijn leven gestempeld”. Dat zijn woorden van Matthew Henry, een bekende Britse predikant die leefde tussen 1662 en 1714. Hij is vooral bekend van de Bijbelverklaring ‘Exposition of the Old and New Testaments’[1].
Wie zijn typering leest, beseft eens te meer: de sfeer in huis is van groot belang.
Maar kunnen we de aanpassing aan de wereld anno 2013 eigenlijk nog wel tegenhouden? De doordenking van dit vraagstuk brengt mij op onderstaande gedachten[2].

Wij moeten geen schakelaars worden
Dr. W. Fieret, lector identiteit aan het reformatorische Hoornbeeckcollege, onderscheidde vorig jaar drie groepen jongeren in reformatorisch Nederland. Er zijn:
* verbinders: mensen die serieus proberen om Gods Woord te verbinden met hun dagelijks leven
* ontkoppelaars: mensen die hun denken en doen hebben losgemaakt van wat de Here in Zijn Woord zegt
* schakelaars: men schakelt moeiteloos tussen kerk en Goede Tijden Slechte Tijden op RTL4. Men schakelt makkelijk tussen geloof en wereld.
Uit onderzoek is gebleken dat die schakelaars de grootste groep zijn.
Iemand schreef daarover in het Reformatorisch Dagblad: “Feitelijk verkeren de schakelaars in verschillende werelden. Deze jongeren hebben namelijk het leven opgedeeld in compartimenten: de zondagse kerkgang en het volgen van de catechisatie is een nette afdeling van hun leven, sommigen hebben ook nog zo’n compartiment waarop het naambordje vereniging of –ja ook– Bijbelstudieclub staat. Maar daarnaast zijn ze op zaterdagavond te vinden in café of disco. Dat is een andere afdeling van hun leven.
De grote vraag is wat straks hun definitieve keuze zal zijn: de kerk of de wereld? Of blijven ze hun hele leven hinken op twee gedachten? De garantie dat het goed uitpakt, is er niet. Het dubbeltje wiebelt bij hen wel op zijn dunste kant. De misrekening van veel ouderen is dat het met dit grootste deel van de kerkelijke jongeren meevalt”[3].
De vraag is natuurlijk hoe het gesteld is met de jongeren binnen De Gereformeerde Kerken. Eerlijk gezegd vraag ik me af of ook zij voor een groot deel schakelaars zijn. Wij kunnen niet uitsluiten dat dat zo is. Wie dat schakelen wil voorkómen, moet zorgen voor concrete prediking. En juist omdat wij in onze kerken veelal preken van oudere datum beluisteren, zit daar een tamelijk grote moeilijkheid.
Maar er is meer.
Ook ouders en andere ouderen zullen er voor moeten uitkijken dat zij, om zo te zeggen, schakelaars worden. Zij hoeven er in hun werk geen geheim van te maken dat zij Gereformeerd zijn, en – door Gods genade – ook telkens weer gereformeerd wórden. Het mag en moet aan ons allemaal te merken zijn dat wij ons, ook doordeweeks, iets van de zondagse preken áántrekken.
Daarmee zeg ik niet dat het nodig is dat we de preek altijd kunnen navertellen. Maar we moeten niet vreemd opkijken als binnen ons gezin – laten we zeggen: op dinsdag – in de conversatie opeens een opvallende term uit één van de zondagse preken voorbij komt. Of een Bijbeltekst. Of een Psalm die gezongen is. En laten we – áls dat gebeurt – maar dankbaar wezen. Is dat geen mooi bewijs dat de Heilige Geest in de harten van oudere en jonge kerkleden werkt?
Laten we maar eerlijk wezen: we hebben lang niet altijd tijd om zo’n moment in de conversatie optimaal te gebruiken. Wij moeten, denk ik, elkaar geen ál te vrome verhalen vertellen: een modern gezin heeft vaak meer van een duiventil dan van een rustig haventje waar de zomerzon uitbundig schijnt.
Maar toch. Het is, lijkt mij, van belang om ervoor te zorgen dat er – als het even kan – aandacht voor elkaar is.
Laat de sfeer zó zijn dat er – zo nu en dan – ruimte is om vragen en twijfels aan de orde te stellen.
Niet dat er altijd pasklare antwoorden beschikbaar zijn.
Maar we mogen en moeten elkaar wijzen op het feit dat er voor Gods kinderen een heerlijke toekomst is.
Paulus omschrijft het hoe en waarom van die toekomst in Philippenzen 3 en 4 zó: “Want wíj zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten, die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen. Daarom, mijn geliefde broeders, naar wie mijn verlangen uitgaat, mijn blijdschap en kroon, staat alzo vast in de Here, geliefden!”[4].

Geen sluitstuk maar rustmoment
Hierboven noteerde ik reeds dat het, in het algemeen gesproken, beter is om geen ál te verheven verhalen over onze huisgodsdienst te houden.
Het is tamelijk makkelijk om een stuk in maestoso te schrijven.
Met een licht sarcastische ondertoon schreef iemand eens: “In gedachten zie ik kinderen knielen rond de ontbijttafel, voor het morgengebed. Natuurlijk hoort er ook een diep geestelijk gesprek bij, voorzien van Bijbelstudie en uitgebreide voorbede. Jonge ouders spreken hier met glanzende ogen prachtige woorden over, tijdens de contacten met hen binnen de verschillende gemeenten. Ze gaan het anders en vooral beter doen dan hun eigen ouders. Prachtig natuurlijk. Ouders die thuis een hok vol tieners grootbrengen reageren meestal wat gematigder”[5].
Wij begrijpen wel dat het in een huis vol tieners meestal heel anders werkt…
In die situatie zullen we er, denk ik, zeker in ónze tijd voor moeten ijveren dat de Schriftlezing en het gezamenlijk gebed in ons huiselijk leven echte rústmomenten zijn. Voor we ’t weten is ‘nog even lezen’ gedegradeerd tot het sluitstuk van een programma. Zo moet het niet zijn. In rustige regelmaat vraagt de Here stilte en concentratie om Zijn Woord te horen, en de consequenties daarvan te doordenken.

IJver van ouderen is een spiegel voor kinderen
De regelmaat van kerkelijke activiteiten, en onze deelname daaraan, kan voor anderen een spiegel zijn.
Kinderen zien bijvoorbeeld hoe betrokken hun ouders zijn bij dat werk. En hoeveel belangstelling zij daarvoor hebben.
Professor dr. W. Verboom, die in september 2006 afscheid nam als hoogleraar aan de Universiteit Leiden, sprak bij die gelegenheid over een “ontstellend gebrek aan kennis als het gaat om Bijbel en geloof”. Hij herinnerde eraan dat Maarten Luther ooit uitriep: “Help, lieve Heere, hoeveel narigheid heb ik er niet van gezien dat de gewone man bijna niets weet van de christelijke leer”[6].
In Psalm 78 zegt Asaf:
“Hetgeen wij gehoord hebben en weten,
en onze vaderen ons hebben verteld,
dat willen wij voor hun kinderen niet verhelen;
wij willen vertellen aan het volgende geslacht
des HEREN roemrijke daden, zijn kracht
en de wonderen die Hij gewrocht heeft”[7].
Wie dat tot zich door laat dringen, realiseert zich al snel dat bij het vertellen over Gods Woord, en over de daden die Hij vandáág verricht, geen slappe verhalen passen. We moeten er, meen ik, voor zorgen dat we altijd Geestdriftig kunnen blijven over het heerlijke werk dat onze Here in deze wereld bezig is te doen!
Professor dr. M.J. de Vries – hoogleraar aan de Technische Universiteit te Delft – zei een paar jaar geleden in het reformatorisch familieblad Terdege: “Ik vrees dat de dagelijkse omgang met het Woord voor veel gemeenteleden geen vanzelfsprekendheid meer is. Je schrikt soms van wat catechisanten je vertellen. In het tanen van de huisgodsdienst ligt de wortel van heel veel problemen in de gemeente”.
En:
“Als je je in toewijding overgeeft aan God, geeft Hij wat nodig is. Hij moet in ons leven de eerste zijn. Als dat niet meer het geval is, verliezen we onze werfkracht. Daar zit het echte probleem. We zijn te veel bezig met bijkomstigheden en prietpraatjes. We moeten terug naar de basis”[8].
Daarmee is, naar mijn mening, de kern van de zaak aangewezen!

Noten:
[1]
Zie over Matthew Henry http://nl.wikipedia.org/wiki/Matthew_Henry .
[2] Mij is gevraagd om na te denken over het thema ‘huisgodsdienst’. Dit in verband met de op vrijdag 6 september 2013 te houden startvergadering van de Bijbelstudieverenigingen van De Gereformeerde Kerken (DGK) in Groningen, Friesland en Drenthe. Dit is het tweede artikel waarin ik mij op het onderwerp oriënteer.
[3] W.B. Kranendonk, “Ouder moet kind tot Hem brengen”. In: Accent, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, zaterdag 29 september 2012, p. 12. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/013dae848b2bdf684921b528/ouder-moet-kind-tot-hem-brengen/3 .
[4] Philippenzen 3:20-4:1.
[5] Steven Middelkoop, “Geen woorden maar daden”. In: PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, woensdag 18 januari 2012, p. 3. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/013c157bcc904ce4020f83ca/geen-woorden-maar-daden/18 .
[6] Zie: P.J. Vergunst, “Lijn van de Bijbel onbekend”. In: De Waarheidsvriend (15 december 2011), p. 4 en 5. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/01380e422f9d3173cc4c7aad/lijn-van-de-bijbel-onbekend/22 .
[7] Psalm 78:3 en 4 (onberijmd).
[8] Huib de Vries, “In gesprek met Godzoekers”. In: Terdege – reformatorisch familieblad –, jg. 29 nr 3 (9 november 2011), p. 60-65.

25 april 2013

Samen vooruit

Spreken en schrijven over huisgodsdienst is, in zekere zin, gevaarlijk. Want iedereen heeft daar verstand van. We dienen onze Here immers ook achter de voordeur?
Spreken en schrijven over huisgodsdienst is, in andere zin, ook samenbindend. Wij ontdekken dat we geen enkelingen zijn. Er zijn nog meer mensen die in de Bijbel lezen.
Hieronder werk ik een drietal gedachten omtrent het onderwerp uit[1] .

Godsdienst doen we niet alleen achter de voordeur
Huisgodsdienst: persoonlijk vind ik het een wat raar woord. Gereformeerde mensen zijn namelijk altijd en overal in Gods dienst. In de kerk, op kantoor, in de auto, op het voetbalveld, als zij op visite zijn en… ja ook thuis. Huisgodsdienst: dat gebeurt in huis. Maar we praten, bijvoorbeeld, niet over kantoorgodsdienst.
Ik wil maar zeggen: spreken over huisgodsdienst is prima; áls wij ons dan maar realiseren dat het eren van God een volcontinu-activiteit is.
Dat blijkt ook uit Gods Woord. Laat ik, bij wijze van illustratie, wijzen op Deuteronomium 6: “Gij zult de HERE, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht. Wat ik u heden gebied, zal in uw hart zijn, gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat”[2].

Geen zin? Dat is heel begrijpelijk
Huisgodsdienst is een wat deftig woord voor zaken die in het Gereformeerde leven tamelijk gewoon behoren te zijn.
Dan hebben wij het bijvoorbeeld over het Bijbellezen aan tafel. Over het bidden. Over de voorbereiding van catechese en vereniging. En ook over het huisbezoek.
In de kerk zeggen we vaak dat zulke dingen vóórrang moeten hebben. Wij moeten tijd voor de Here maken, beweren we dan. Dat klinkt prachtig.
Maar intussen moeten we ons daar bijna allemaal toe zétten. Het is zelden zo dat Bijbellezen een hobby is. Er zijn weinig mensen die de uitleg van een Bijbeltekst uit hun mouw schudden. Het maken van een inleiding is voor heel wat mensen zwaar werk. Om niet te zeggen dat het een corvee is.
Laten we eerlijk zijn: soms is het vóórlezen van een inleiding al een beetje eng.
Misschien vragen we ons wel eens af: waarom doen we dit eigenlijk? Antwoord: omdat de Here zo aan het werk is.
In hoofdstuk III/IV van de Dordtse Leerregels staat dat zo: ”Hij opent het gesloten hart, Hij maakt het harde zacht, Hij besnijdt het onbesnedene, Hij vernieuwt de wil: van dood maakt Hij hem levend, van slecht goed, van onwillig gewillig, van weerbarstig gehoorzaam. Hij brengt de wil zover en geeft deze zoveel kracht, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen”[3]. Ons hart is gesloten. Ons hart is hard. Onze wil is eigenlijk dood. En slecht. Wij zijn onwillige mensen; we hebben er gewoon niet zoveel zin in. Wij zijn weerbarstig. Dwars, zeg maar. Tegendraads.
Zo staat dat, om maar eens een gedeelte uit Gods Woord te noemen, ook in Ezechiël 36: “…een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven. Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar mijn inzettingen wandelt en naarstig mijn verordeningen onderhoudt”[4].
De Here moet ons ontvankelijk maken voor Zijn Woord!
Er wordt wel gezegd: wij hebben moeite om onze kinderen bij de les te houden als het gaat om Bijbelstudie. Of om catechisatie. Dat is dus geen wonder.
En ook ouderen hebben er soms nog wel eens moeite mee. Er was eens een vereniging die de profetie van Jona ging behandelen. Vlak voor de vergadering kwam één van de verenigingsleden binnen. “Wat moet je nou over Jona zeggen hé?”, zei hij in het wilde weg. Die broeder bedoelde, als ik het goed begrepen heb, eigenlijk: soms is het best lastig om de Bijbel in het leven van 2013 toe te passen.

Bijbelstudie? Begin bij de uitverkiezing
Het verenigingsseizoen is bijna ten einde. Maar na de zomer gaan we weer van start.
Dan moeten we weer inleidingen maken. En we moeten weer opletten op catechisatie. En attent zijn op de Bijbelschool.
Er wordt antwoord gevraagd op vragen die schetsschrijvers stellen. Bijvoorbeeld: wat doet het u als u denkt aan de lijst van het leven? Staat uw naam daarop[5]? En: “Liefde voor God en Zijn kerk beweegt tot offers. Herkent u dat woord ‘offer’ als u naar uw eigen leven kijkt?”[6].
Dit soort kwesties appelleert aan ons gevoel. De kernvraag is: ráákt het ons? Of misschien zelfs: kúnnen we er wat mee?
Op zichzelf is er met dat soort vragen niet al te veel mis. Per slot van rekening is er in de Bijbel óók wel aandacht voor gevoel.
Neem bijvoorbeeld Psalm 119:
“Zie ik afvalligen, dan voel ik afschuw,
daar zij uw woord niet onderhouden”[7].
Ik wijs ook op Jesaja 26, waar de profeet tolk van het volk is. Hij zegt onder meer: “Ook in de weg uwer gerichten hebben wij U verwacht, o HERE; naar uw naam en naar uw gedachtenis ging ons zielsverlangen uit. Van ganser harte verlang ik naar U in de nacht, ja, uit het diepst van mijn gemoed zoek ik U”[8].
Gevoel? – daar mogen wij best aandacht voor hebben. Maar tijdens de catechisaties en de verenigingsavonden begint alles, als het goed is, bij de uitverkiezing.
Alles begint bij Jezus Christus. Naar Hém moeten wij luisteren. Zo staat het ook in Lucas 9. Tijdens de verheerlijking op de berg komt er opeens een stem uit een wolk: “Deze is mijn Zoon, de uitverkorene, hoort naar Hem”[9]. In Efeziërs 1 lees ik: “Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht”[10]. In het kader van het Verbond zijn wij onlosmakelijk aan de Here God verbonden.
Dáár behoren we altijd te beginnen als het over huisgodsdienst gaat.
Catechisaties en verenigingsavonden zijn niet uitgevonden om uit te maken wie er in de kerk de slimste is. Een verenigingsavond is geen wedstrijd van het type: wie weet er het meest van de Bijbel?
Bij alle huisgodsdienst – Bijbellezen, bidden, voorbereiding van studievereniging, catechese of huisbezoek – is het de bedoeling om elkaar samen vooruit te helpen. De één weet dit, en de ander wijst dáár op.
Daarom is het belangrijk om thuis ook echt goede voorstudie te doen. Anders heb je op de betreffende avond betrekkelijk weinig te melden.
Die gezamenlijkheid is belangrijk. Want de Here brengt al Zijn uitverkorenen sámen. In de kerk. En we moeten samen achter Hem aan gaan.
Een predikant zei in oktober 2012 in het Reformatorisch Dagblad: “Het verval ontstaat daar waar het huisbezoek en de catechese worden verzaakt. Geen wonder dat de kerk verzwakt als er bijvoorbeeld niet wordt toegezien op de huisgodsdienst. Het is beschamend om te horen dat in sommige gezinnen de Bijbel niet eens meer opengaat bij de maaltijden. Dan verliest de godsdienst kleur en inhoud”[11]. Ik denk dat deze spreker gelijk heeft.

Huisgodsdienst: dat is een wat plechtstatige verzamelnaam voor allerlei activiteiten die in een Gereformeerd gezin van het hoogste belang zijn. Wij moeten onze aandacht erbij houden!

Noten:
[1]
Mij is gevraagd om na te denken over het thema ‘huisgodsdienst’. Dit in verband met de op vrijdag 6 september 2013 te houden startvergadering van de Bijbelstudieverenigingen van De Gereformeerde Kerken (DGK) in Groningen, Friesland en Drenthe. Dit is het eerste van twee artikelen waarin ik mij op het onderwerp oriënteer.
[2] Deuteronomium 6:5-7.
[3] Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 11.
[4] Ezechiël 36:26 en 27.
[5] Deze formulering is een enigszins bewerkte vraag uit: Ds. C. van den Berg, “Naar een nieuw Jeruzalem: Bijbelstudie over Nehemia”. – Barneveld: De Vuurbaak, 2001. – p. 39; vraag 2.
[6] Van den Berg, a.w., p. 48; vraag 5.
[7] Psalm 119:158.
[8] Jesaja 26:9.
[9] Lucas 9:35.
[10] Efeziërs 1:4.
[11] Reinald Molenaar, “Knieval van een vrije Fries”. In: PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, vrijdag 19 oktober 2012, p. 4 en 5. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/013e155966241bfa346b010e/knieval-van-een-vrije-fries/0 . De spreker in kwestie is de hervormde emerituspredikant L.H. Oosten.

24 april 2013

Profeet van klein Pinksteren

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Jona 3: dat is het hoofdstuk waarin een niet al te gedienstige profeet opnieuw de opdracht krijgt om naar Nineve te reizen, om daar Gods oordeel aan te kondigen[1]. De naam Jona betekent ‘duif’. Zo’n dier is bij ons vaak een symbool van vrede. Maar deze profetie is op verschillende punten helemaal niet zo vredig.
Als Jona in hoofdstuk 1 eenzelfde dienstorder voor de eerste keer ontvangt, vlucht hij[2].
In hoofdstuk 3 gaat Jona echter wél op pad. Hij predikt Gods gericht. Dán gebeurt er iets verrassends: de Ninevieten bekeren zich. En de Here God is genadig. Het aangekondigde oordeel blijft uit.

Dat is, als u het mij vraagt, een leermoment voor kerkmensen uit de eenentwintigste eeuw.
Jona 3 reikt ons ook tróóst aan.
Eerlijk is eerlijk: de kerk heeft weinig aansluiting meer met deze tijd. Evangeliseren is moeilijk geworden. Heel wat gelovigen voelen de onweerstaanbare neiging om deze maatschappij maar af te schrijven. Secularisatie en ongeloof verslaan immers hun tienduizenden? In die omstandigheden lijkt het ontwikkelen van zendings- en evangelisatieactiviteiten verloren tijd.
Welnu, de God van hemel en aarde leert ons dat mensen zich soms bekeren. Dat gebeurde in Nineve. Plotsklaps – tot verbijstering van Gods woordvoerder Jona. Dat kan ook in Groningen gebeuren. Of in Zweden. Of in Canada. Of desnoods ergens in Azië.
Als de Here God ervoor zorgen kan dat er bekering komt, hoeven we ons zéker niet te schamen voor ons geloof. Als het te pas komt, mogen we onze mond best open doen. Als de gelegenheid er is, mogen we die ten nutte maken[3].
We moeten er voor waken om niet ontmoedigd te raken!

Jona heeft van zijn Opdrachtgever het bevel gekregen om te proclameren dat in Nineve de hele boel ondersteboven gaat. Wij lezen: “En Jona begon de stad in te gaan, één dagreis, en hij predikte en zeide: Nog veertig dagen en Nineve wordt ondersteboven gekeerd!”[4].
Het oordeel is hard. Het bericht dat Nineve hoort is, op z’n zachtst gezegd, buitengewoon onvriendelijk.
Moeten wij zoiets tegenwoordig óók zeggen? Je zou denken: als we daarmee beginnen, dan luistert er helemáál geen mens meer.
Maar zo simpel ligt het niet. Denk ik.
Goed beschouwd zijn er in ons leven veel onverklaarbare dingen.
Bijvoorbeeld:
* in februari 2013 spatte boven de Oeral in Rusland een grote meteoriet uit elkaar. Men zegt dat er meer dan duizend mensen gewond raakten. Er was bovendien veel materiële schade. Alle menselijke wetenschap ten spijt zijn we blijkbaar niet in staat om dat te voorkomen[5]
* in onze maatschappij zijn veel knappe koppen; maar één sneeuwbui legt soms een heel land lam
* in onze maatschappij zijn veel goedwillende mensen; maar één slechterik kan levenslange schade veroorzaken
* sinds vorig jaar horen we veel over het Higgs-deeltje, door sommigen ook wel ‘Godsdeeltje’ genoemd. Maar de oorsprong van het menselijk leven is nooit helemáál beredeneerbaar
* koortsachtig wordt gezocht naar de oorzaak van allerlei ziekten; áls er al genezingsmethoden gevonden worden, gebeurt dat meestal in heel kleine stapjes.
Als we in onze moderne tijd dit alles tot ons door laten dringen, is de conclusie onontkoombaar: de Here God kan ook vandaag grote dingen doen die – menselijkerwijs gesproken – onverklaarbaar zijn. Dus kan er ook een Goddelijk oordeel komen. Dat dat oordeel nog niet wordt geveld, heeft te maken met de genade van God. Graag attendeer ik u op 2 Petrus 3: “Doch dit ene mag u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Here is als duizend jaar en duizend jaar als één dag. De Here talmt niet met de belofte, al zijn er, die aan talmen denken, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen”[6].
Hieruit kunnen wij, meen ik, leren dat het goed is om zo nu en dan ook over Gods oordeel te spreken. Maar dan moeten wij óók praten over Gods lankmoedigheid. Gods gericht komt eraan, jazeker. Maar Zijn geduld is groot, daar kan niemand omheen. En Hij geeft de wereldburgers álle kansen om zich naar Hem toe te keren – beter laat dan nooit.

Profeet van klein Pinksteren: zo luidt de titel van dit artikel.
Het laatste vers van Jona 3 luidt namelijk: “Toen God zag wat zij deden, hoe zij zich bekeerden van hun boze weg, berouwde het God over het kwaad dat Hij gedreigd had hun te zullen aandoen, en Hij deed het niet”[7].
Buitenlanders worden door de Here behouden. Heidenen krijgen te maken met Gods genade. En zij zijn zich daar ook bewúst van.
De inwoners van Nineve tonen wat er gebeurt als de Here Zijn barmhartigheid demonstreert.
En wij?
Wij, stoere mensen van 2013, hoeven maar één ding te doen: geloven.
Geloven: dat is precies wat die leidinggevende militair uit Kapernaüm in Mattheüs 8 deed. Weet u ’t nog? Die krijgsman had een zieke knecht. De soldaat zei: “Here, ik ben niet waard, dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek slechts een woord en mijn knecht zal herstellen. Want ik ben zelf een ondergeschikte met soldaten onder mij, en ik zeg tot de één: Ga heen, en hij gaat heen, en tot een ander: Kom, en hij komt, en tot mijn slaaf: Doe dit, en hij doet het”. De reactie van Jezus spreekt boekdelen: “Voorwaar, zeg Ik u, bij niemand in Israël heb Ik een zó groot geloof gevonden!”[8].
“En Hij deed het niet”: dat is het Evangelie van Gods redding.
“En Hij deed het niet”: de Here laat aan Bijbellezers zien hoe lief Hij de wereld heeft.
“En Hij deed het niet”: de Here geeft Zijn schepping een nieuw perspectief.
En wat is de reden dat de Here voor die magistrale aanpak kiest?
Die reden ligt in de voltooiing van het reddingswerk door Jezus Christus. De Zoon van God: Hij deed het wel. En Hij merkte dat in Zijn hogepriesterlijk gebed Zelf ook op: “Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt”[9].

In de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijden wij hoe diep de mens door de mens in zonde gevallen is. Daar staat: “Wij geloven dat door de ongehoorzaamheid van Adam de erfzonde zich over heel het menselijk geslacht heeft verbreid. Zij is een verdorvenheid van de hele natuur en een erfelijk kwaad, waarmee zelfs de kleine kinderen in de moederschoot besmet zijn. Zij is namelijk de wortel waaruit allerlei zonden in de mens voortkomen. Daarom is ze zó gruwelijk en afzichtelijk voor God, dat zij reden genoeg is om het menselijk geslacht te veroordelen”.
Zo staat dat in artikel 15 van dat belijdenisgeschrift.
Maar daarmee zijn wij niet uitgepraat. Want wij mogen, ook op woensdag 24 april 2013, blijmoedig Jona 3 citeren: “En Hij deed het niet”!

Noten:
[1]
Vandaag over een week, op woensdag 1 mei 2013, vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Daar zullen hoofdstuk 3 en 4 van de profetie van Jona centraal staan. In dit artikel publiceer ik het eerste deel van enige studie daaromtrent.
[2] Over Jona 1 en 2 publiceerde ik in de afgelopen weken een tweetal artikelen. Die zijn respectievelijk te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2013/04/10/profeet-van-genade/ en https://bderoos.wordpress.com/2013/04/17/profeet-van-redding/ .
[3] Deze terminologie preludeert op Efeziërs 5:15 en 16: “Ziet dus nauwlettend toe, hoe gij wandelt, niet als onwijzen, doch als wijzen, u de gelegenheid ten nutte makende, want de dagen zijn kwaad”. En op Colossenzen 4:5 en 6: “Gedraagt u als wijzen ten opzichte van hen die buiten staan, maakt u de gelegenheid ten nutte. Uw spreken zij te allen tijde aangenaam, niet zouteloos; gij moet weten, hoe gij aan ieder het juiste antwoord moet geven”.
[4] Jona 3:4.
[5] Zie over deze gebeurtenis bijvoorbeeld http://wetenschap.infonu.nl/sterrenkunde/110644-meteoorinslag-in-rusland.html .
[6] 2 Petrus 3:8 en 9.
[7] Jona 3:10.
[8] Achtereenvolgens citeer ik Mattheüs 8:8 en 9 en Mattheüs 8:10.
[9] Johannes 17:4.

23 april 2013

Inzicht over het uitzicht

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Wat is uw enige troost in leven en sterven?
Wie die bekende vraag uit de Heidelbergse Catechismus van een afstandje bekijkt, kan de neiging hebben om een relativiteitstheorie te ontwerpen. Want ach, ‘de enige troost’ – dat is misschien wat overdreven. We worden in deze wereld wel vaker getroost. Door familieleden. Door vrienden. Door collega’s, misschien.
Maar dat is in Zondag 1 de bedoeling niet. De kwestie is: op welke geloofswetenschap kunt u altijd terugvallen? De kernvraag is: als uw leven door elkaar geschud wordt, als u volledig uit uw evenwicht bent… is er dan nog iets dat u hoop geeft?

De belijdenis van Zondag 1 der Heidelbergse Catechismus brengt ons bij de fundamenten van ons bestaan.
Laat ik Antwoord 1 nog maar even citeren.
“Dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven, het eigendom ben, niet van mijzelf, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus. Want Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald en mij uit alle macht van de duivel verlost. Hij bewaart mij zo, dat zonder de wil van mijn hemelse vader geen haar van mijn hoofd kan vallen, ja zelfs zo, dat alles dienen moet tot mijn heil. Daarom geeft Hij mij door zijn Heilige Geest ook zekerheid van het eeuwige leven en maakt Hij mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven”.

In Zondag 1 wordt de kloof tussen kerk en wereld zichtbaar.
U en ik kunnen in deze wereld heel rijk zijn. Maar met euro’s kunnen we niet voorkomen dat onze sterfdag eens aanbreekt.
Hoe rijk u en ik ook zijn: wij kunnen niet de portemonnee trekken om onszelf voor altijd en immer een compleet zelfstandige positie te verwerven, onafhankelijk van wie dan ook. Er kómt een dag dat wij anderen nodig hebben. Assistenten. Verpleegsters misschien. De uitvaartondernemer, in ieder geval.
En uiteindelijk? Ten langen leste worden wij in een graf gelegd.
Mannen, vrouwen en kinderen worden begraven. Maar met honden en katten gebeurt dat vaak ook. Mensen krijgen een mooie grafsteen. Honden en katten meestal niet; althans: niet zo’n gróte zerk. Maar het lijkt onmiskenbaar: het einde van ons leven is bij de beesten af.
Nu wijs ik u op Psalm 49:
“Maar de mens met al zijn praal houdt geen stand;
hij is gelijk aan de beesten, die vergaan”[1].
Maar er is meer.
De dichter van Psalm 49 zegt:
“Maar God zal mijn leven verlossen
uit de macht van het dodenrijk,
want Hij zal mij opnemen”[2].
Die wetenschap geeft in dit leven dé ultieme troost.
Waar kinderen van God zich ook maar bevinden…
wat wij ook doen…
hoe ontluisterend ons aardse leven ook eindigt…
altijd is er het besef dat ons leven niet eindigt in een niemandsland. Wij krijgen een prachtige woonplaats in het hemels domicilie van onze God.
Dat is een persóónlijke troost, jazeker. Dat is een individuéle vreugde, nou en of.
Maar het is voorál een boodschap waar de kerk mee de wereld in moet. Want de dichter van Psalm 49 spreekt álle volken aan. Hij praat tegen álle bewoners van de aarde. Tegen gewone mensen, en tegen bijzondere burgers. Tegen rijken, en tegen armen.
Het staat er zo:
““Hoort dit, alle gij volken,
neemt ter ore, alle bewoners der wereld,
zowel geringen als aanzienlijken,
rijken en armen tezamen”[3].

Jezus Christus kiest mensen uit waarmee hij een persoonlijke relatie aan gaat.
Hij richt een verbond met hen op. En dat doet Hij meteen al in het begin van de wereldgeschiedenis. Het woord ‘verbond’ komt in Genesis 6 al voor. Voordat de zondvloed komt, zegt de Here tegen Noach: “Maar met u zal Ik mijn verbond oprichten, en gij zult in de ark gaan, gij en uw zonen en uw vrouw en de vrouwen uwer zonen met u”[4].
Dat woord ‘verbond’ komt in de Bijbel vele, vele keren voor. En daarom kan in de kerk een triomfantelijk refrein klinken: God heeft een verbónd met ons. Daar, in de kerk, verzamelt de Here alle mensen die Hij in dat verbond opgenomen heeft. Die verbondsconstructie is uniek.

Nu het hier om gaat, vergelijk ik de Koran even met Gods Woord[5].

In die Koran staan verhalen die sterk op de geschiedenissen in de Bijbel lijken.
Een voorbeeld daarvan is het verhaal waarin God aan Abraham de opdracht geeft zijn zoon Isaäk te offeren. Uiteindelijk zorgt de Here dat er een offer komt. Echter: in de Koran loopt het verhaal anders. Daar komt Hagars zoon Ismaël op het altaar te liggen.
In het Woord van God blijkt dat Abraham de Here persoonlijk kent. Hij heeft een relatie met Hem. Abraham dient de Here, en de Here reagéért ook op Abrahams godsdienst. In de Koran zien we van dat relationele niets terug. Het verbond is in velden of wegen te zien.
Uit Gods Woord wordt duidelijk dat de Here in het verbond het plan heeft om Zijn kinderen te redden. Daarom staan in het Oude en Nieuwe Testament geordende profetieën en geschiedenissen: er zit een begin, een midden en een eind aan. In de Koran zijn de verhalen gerangschikt op lengte.
Moslims kennen het verbond niet. Wat dat betreft is de naam van hun religie kenmerkend. ‘Islam’ is namelijk het Arabische woord voor ‘onderwerping’. Christenen zijn genoemd naar Jezus Christus: de Zoon van God heeft een liefdesverhouding met Zijn kinderen.
Begrippen als genade, verzoening en vergeving zijn binnen de islam volslagen onbekend. Wij kennen het geboorteverhaal van Jezus, tot in detail. Maar een dergelijk verhaal kunnen moslims over Mohammed niet vertellen.

De Here verlost Zijn volk.
Hij heeft de zaken zó strak in de hand dat bij alle wederwaardigheden van ons leven het komende heil nimmer op de achtergrond komt te staan.
De Here werkt aan de uitvoering van een wereldwijd bevrijdingsplan. De dichter van Psalm 49 maakt dat onomstotelijk duidelijk: “God zal mijn leven verlossen”.
Het laatste vers van die Psalm luidt in de onberijmde versie:
“De mens, die met al zijn praal geen inzicht heeft,
is gelijk aan de beesten, die vergaan”[6].
U hebt wel gezien dat ik het woord ‘inzicht’ geaccentueerd heb. Want in die vérstrekkende visie op het leven zit het verschil. Binnen het verbond geeft de Here aan Zijn kinderen inzicht over het wijde uitzicht op het eeuwigheidsleven. Daarom staat het doen en laten van ware gelovigen in een nieuw, hemels licht!

Noten:
[1]
Psalm 49:13.
[2] Psalm 49:16.
[3] Zie Psalm 49:2 en 3.
[4] Genesis 6:18.
[5] In de onderstaande alinea’s gebruik ik onder meer http://www.christelijkesite.nl/index.php?option=com_content&view=article&id=98:een-gedeelde-god-jodendom-christendom-islam-1&catid=116&Itemid=500.
[6] Psalm 49:21.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.