gereformeerd leven in nederland

31 mei 2013

Mattheüs 28:20: oproep, vermaan en troost

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld”. Die troostvolle woorden spreekt Jezus in Mattheüs 28 uit[1]. Hij heeft, zo proclameert Hij, overal alle macht. In de hemel, en op de aarde. En omdat dat feit recht overeind staat, vaardigt Jezus Christus het doopsbevel uit. Hij heeft de macht. Daarom kunnen door Hem uitverkoren mensen zonder bezwaar op Zijn naam worden gezet.

De perikoop die met de hierboven gecursiveerde woorden eindigt, begint met een ietwat curieuze zin. Deze: “En de elf discipelen vertrokken naar Galilea, naar de berg, waar Jezus hen bescheiden had”[2]. Bescheiden: wat betekent dat hier?
Er staat eigenlijk dat de discipelen naar de plaats gingen waar Jezus hen bevolen had. De bedoeling is: de Here had hen een plaats gewezen waar zij naar toe moesten gaan. Ze hadden de dienstorder gekregen om daar te komen. Die instructie staat al wat eerder in Mattheüs 28. Namelijk daar waar Jezus zegt: “Gaat heen en bericht mijn broeders, dat zij naar Galilea gaan, en daar zullen zij Mij zien”[3].

Ik ga weer terug naar Mattheüs 28:20.
Ik ben altijd bij u, zegt Jezus tegen de discipelen. Jezus zegt dat tegen de mensen die samen het fundament van de kerk vormen.
Ik ben met u – dat is dus ook een woord voor de kerk; daar zijn de ware gelovigen van 2013 duidelijk bij inbegrepen.
Wij moeten hier, denk ik, zorgvuldig lezen.
Wat moeten Jezus’ leerlingen doen? “Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb”[4].
De mensen moeten gedoopt worden. En zij moeten Gods geboden leren kennen. En zij moeten zich aan die geboden houden.
Wat betekent dat vandaag de dag? Heel veel mensen zeggen: ja, ik ben gedoopt en dus hoor ik bij de Heer. Dat is een misvatting. De Here God zet door Hem uitgekozen mensen op Zijn naam. Maar vervolgens vraagt Hij ook gehoorzaamheid. Leven naar Gods geboden: dat levert pas een leven op dat – ook op de lange termijn! – echt heilzaam is.

Ik ben met u: die woorden klinken in de Bijbel vaker.
De Here zegt het al tegen Jakob, in Genesis 28: “En uw nageslacht zal zijn als het stof der aarde, en gij zult u uitbreiden naar het westen, oosten, noorden en zuiden, en met u en met uw nageslacht zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. En zie, Ik ben met u en Ik zal u behoeden overal waar gij gaat”.
Het wordt tegen Gideon gezegd, in Richteren 6: “De HERE is met u, gij dappere held”[5]. Nou, antwoordt Gideon nuchter, daar zie ik bar weinig van; de Midianieten zitten ons voortdurend achterna. En dan zegt de Here: Gideon, klaag maar niet langer en ga maar aan de gang met geheiligd bevrijdingswerk – Ik ben er immers bij?
De Here zegt het in Handelingen 18 ook tegen Paulus, in een donkere nacht; in Corinthe nog wel, de stad waar de gemoederen hoog oplopen: “En de Here zeide in de nacht door een gezicht tot Paulus: Wees niet bevreesd, maar spreek en zwijg niet; want Ik ben met u en niemand zal het op u toeleggen om u kwaad te doen, want Ik heb veel volk in deze stad”[6].
Ik ben met u:
* die woorden worden gezegd op kruispunten van de kerkgeschiedenis
* die woorden worden gezegd op momenten dat Gods presentie niet of nauwelijks zichtbaar is.

Ik ben met u: die woorden worden gesproken aan het adres van de kerk.
De kerk is heden ten dage gedecimeerd. Gods kinderen zitten, om zo te zeggen, overal en nergens. Zo hoort dat niet. Maar zo gaat het wel. En wie zegt dat de kerk een adres heeft – en ook een adres hebben moet -, wordt verbaasd aangekeken.
De kerk met een adres, dat is iets van een andere planeet; dat beleven we pas in de hemel. Suggereert men.
Maar hoe is dat te rijmen met Mattheüs 18? U weet wel: “Wederom, voorwaar Ik zeg u, dat, als twee van u op de aarde iets eenparig zullen begeren, het hun zal ten deel vallen van mijn Vader, die in de hemelen is. Want waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben Ik in hun midden”[7].

“En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld”.
Dat woord klinkt in een wereld die steeds fragmentarischer wordt. Dat fragmentarisme zien we bijvoorbeeld terug in het nieuwe Liedboek voor de Kerken, dat onlangs gepresenteerd werd als opvolger van het oude Liedboek, dat uit 1973 stamt.
Het Reformatorisch Dagblad analyseerde dat nieuwe boek onder meer als volgt:
citaat 1:
“In het nieuwe ‘Liedboek. Zingen en bidden in huis en kerk’ is wel de kwaliteitsnorm gehanteerd, maar is het concept van de ene stijl duidelijk losgelaten. Muzikaal, literair en theologisch is het een amalgaam van (theologische) stromingen, genres, muziekstijlen en vormen. De bundel wordt dan ook nadrukkelijk gepresenteerd als een liedboek voor ‘huis en kerk’ (let op de volgorde), terwijl de bundel-1973 ‘psalmen en gezangen voor de Eredienst in kerk en huis’ bood”.
Citaat 2:
“Zoals gezegd, de 1419 liederen (aangevuld met gebedsteksten) staan allemaal door elkaar. Je kunt dus (categorie Pinksteren) naast elkaar een middeleeuws gebed van Bernard van Clairvaux, een tekst van Oosterhuis (‘Hierheen, Adem, steek mij aan,/ stuur mij uit jouw verste verte/ golven licht’), oerreformatorische liederen van Luther, een 18e-eeuws luthers lied op een melodie van Bach, kerkliederen van Muus Jacobse en een oud lied van de Lakota-indianen (refrein: ‘Met wind in de haren/ en zon in de rug ligt/ het land voor ons open’) aantreffen.
Het is de vraag of dat elkaar allemaal niet bijt. Tot welke stroming een gebruiker zich ook rekent, niemand wil en kan alle liederen tegelijk voor z’n rekening nemen. Een remonstrant zal moeite hebben met Revius’ ‘Zolang als ik op aarde leven zal’ (lied 866); iemand die gereformeerd denkt, zal een lied waarin de Heilige Geest wordt neergezet als een vrouwelijke vogel, broedend op het water (lied 701), niet voor z’n rekening kunnen nemen”[8].
Welnu, betekent die tekst Mattheüs 28 – “Ik ben met u…”- dat het goed is om alles wat naar geloof ruikt, maar bij elkaar te gooien? Nee, zeker niet. Worden wij in die tekst aangemoedigd om iedereen die zich ‘kerkmens’ noemt, met de snelheid des lichts in één groepering bijeen te brengen? Ook al niet. Als ik het goed zie is de functie van Mattheüs 28:20 tenminste drieledig:
* die tekst roept ons ertoe op om de Here in heel ons leven te dienen; met hart, ziel en zinnen
* die tekst dringt ons ertoe om ons bij de kerk te voegen, en die niet te verlaten
* die tekst troost ons met de wetenschap dat de Verbondsgod altijd in de kerk present is; hoe weinig die kerk, maatschappelijk gezien, ook betekent.

“En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld”.
Met deze tekst werd op donderdag 2 juni 1988 het huwelijk van schrijver dezes en zijn vrouw bevestigd; aanstaande zondag zal dat, Deo Volente, vijfentwintig jaar geleden zijn.
Mijn vrouw en ik zijn er nog altijd heilig van overtuigd: dat woord uit Mattheüs 28 is voluit geldig. Vandaag. Morgen. Volgende week. En ook in alle volgende jaren die de God van het verbond ons samen geven wil.

Noten:
[1]
Mattheüs 28:20.
[2] Mattheüs 28:16.
[3] Mattheüs 28:10.
[4] Mattheüs 28:19.
[5] Richteren 6:12.
[6] Handelingen 18:9 en 10.
[7] Mattheüs 18:19 en 20.
[8] Jaco van der Knijff, “Liedboek: klassiek én postmodern”. In: PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, maandag 27 mei 2013, p. 2 en 3.

30 mei 2013

Godsdienst: een gave van God

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Er zijn van die uitspraken die blijven haken[1].
Het is al jaren geleden; mijn vrouw en ik hadden vrienden op visite.
Het was heel gezellig.
In onze gesprekken kwam de kerk regelmatig voorbij. We waren het niet altijd helemaal met elkaar eens. Dat hoeft ook niet. Maar we hadden elkaar op kerkelijk gebied altijd wel wat te melden.
Midden in het gesprek zei mijn vriend tegen me: het belangrijkste in je leven is dat je Gód dient. Het gesprek ging over de kerk. En over de liturgie in kerkdiensten. Toen kwam ook dat zinnetje: “…het belangrijkste is dat je God dient”.

Het gesprek ging verder.
Maar dat ene zinnetje is blijven hangen.
Laat ons wél wezen: de hierboven bedoelde vriend had natuurlijk helemaal gelijk. Godsdienst – in de oorsprónkelijke zin van dat woord: het loven en eren van God – moet altijd de hoogste prioriteit in een mensenleven hebben.
Toen ik er later nog eens over nadacht, kon ik echter zachtkens iets horen rammelen. Immers: je kunt zéggen dat je God dient. Je kunt de inténtie hebben dat te doen. Maar dient men God dan ook wérkelijk?

Want je kunt wel dénken dat je God dient, maar tóch helemaal fout zitten. Vele Oudtestamentische profeten wijzen daar ook op: Hosea, Micha…
U en ik kunnen wel dénken dat wij God dienen; maar misschien zitten wij wel helemaal fout.

Serieuze Gereformeerden merken ook wel zwakheid bij zichzélf.
Grote zwakheid zelfs.
Ik citeer uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “…maar door de Geest strijden zij daar elke dag tegen, hun leven lang. Zij nemen voortdurend hun toevlucht tot het bloed, de dood, het lijden en de gehoorzaamheid van de Here Jezus, in wie zij vergeving van hun zonden hebben door het geloof in Hem”[2]. Maar als het dan eens fout gaat, weten gelovigen ook hoe ze verder moeten nadat hun Godsvertrouwen weer terug gekomen is. De Dordtse Leerregels zeggen: “Bij hen die weer opgericht worden, nadat zij in zonde gevallen zijn, herleeft het vertrouwen te zullen volharden. Maar dat veroorzaakt zeker geen zorgeloosheid en slordigheid in de dienst van God. Nee, zij zorgen er juist des te meer voor, nauwgezet op de wegen van de Here te blijven. Deze zijn immers van tevoren bereid, opdat zij door daarop te wandelen, de zekerheid van hun volharding mogen bewaren. Dan zal het aangezicht van God, die met hen verzoend is, zich niet weer van hen afkeren wegens misbruik van zijn vaderlijke goedheid”[3].
Met die twee citaten van hierboven wil ik graag duidelijk maken dat je er met zo’n algemene uitspraak als ‘God dienen is het belangrijkst’ eigenlijk nog niet helemaal bent. Een gelovig mens maakt zijn leven, zijn geloofsleven, concreet in het leven van alledag. Nauwgezet wandelen op de weg van de Here – die uitdrukking wil onder meer zeggen dat men op de ‘Eigen weg’ van Gód loopt. Er wordt gewandeld op Zijn weg. Wij zitten samen in Zijn kerk. We leven van Gods liefde en van Zijn geschenken.
Daarom is het tijdens die wandeling op Gods weg niet in de eerste plaats de bedoeling dat je het onderweg samen leuk hebt, of zoiets. En daarom is het eerste doel van een kerkdienst niet dat kerkgangers met een goed gevoel achter de koffie komen te zitten. Als wij God echt willen dienen, komt ons gevoel op de tweede plaats. De emotie is er wel. Maar dat gevoel is een gave van God. En die gave is er nadat Hij zich aan ons gemanifesteerd heeft. De kerkdienst is daar speciaal voor gereserveerd.

Op die kerkdienst kom ik verderop in dit artikel nog even terug. Eerst iets over het leven ván en mét Gods geschenken.

Daar is, ook in onze tijd, veel discussie en gedoe over.
Er zijn namelijk nog steeds mensen die meewarig naar Gereformeerden kijken. Er zijn nog altijd mensen die eigenlijk vinden dat alle christenen aan de leiband van God lopen.
Er was eens een bekende cabaretier die zei: “Zoveel mogelijk geld nastreven, of denken dat het geluk in een bepaalde auto zit, is zinloos. Of je laten benauwen door een geloof, zoals sommige islamieten en christenen. Maar het is een keuze, dus wie dat lekker vindt moet dat doen”. Op de vraag of niet geloven minder benauwend is dan wel geloven, zei hij: “Dat weet ik niet. In een liedje uit deze voorstelling vraag ik God zelfmoord te plegen. Hij zegt dan zelf: ‘Dat kan ik niet, want ik besta niet.’ Ik bekijk het van alle kanten, ik kies niet”. Die cabaretier roept reuze stoer dat hij niet kiest. Intussen kiest hij natuurlijk wel.
Er was één zin die me opviel: DAT WEET IK NIET. Klaarblijkelijk was de man ten prooi aan een alles verterende onzekerheid.
Ik citeer nog één keer die cabaretier: “Schiep God of Allah ons of is het andersom? Niemand weet dat. Niemand kent de zin van het leven. Dus zoeken we maar. Ik denk dat veel mensen uit angst voor de dood of het hiernamaals iets verzinnen. Een god, of meerdere goden, ‘er moet iets zijn'”. Niemand weet dat, orakelde de kleinkunstenaar. Niemand kent de zin van het leven, stelde hij vast. Men is zoekende, deelde hij mee. En vervolgens beschuldigde de spreker de gelóvigen notabene van angsthazerij. Jawel. Maar deze even bekende als stoere Nederlander wist het ondertussen zelf niet.

De vijandschap tegen het christendom wordt, vind ik, steeds vinniger en onzinniger.
Inmiddels hebben gelovigen, wat er ook gebeurt, de zekerheid van Gods beloften. Wie God wil dienen, moet blijven bedenken dat Hij Zijn kinderen heeft uitgekozen. Gelovigen willen door alles heen die zekerheid koesteren.
Dat is niet hoogmoedig. Want Godsdienst heeft met arrogantie niets te maken. God geeft aan Zijn kinderen alles wat zij nodig hebben. Dat scheelt een hoop gezoek. Dat weten die kinderen best. En die belofte van alles omvattende en eeuwigdurende Goddelijke zorg is eens voor áltijd gegeven.

U merkt het: we zijn inmiddels weer terug in de kerk.
Laten we nog even naar de kerkdienst kijken.
Ik heb wel eens gehoord dat er een Gereformeerde dominee was die op bijzondere momenten in een kerkdienst wel eens vroeg om ‘applaus voor God’. Hij zei er, zo begreep ik, heel nadrukkelijk bij dat dat applaus niet voor kerkgangers bedoeld is, maar heel speciaal als eerbewijs voor God. Nu is applaus is een teken van goedkeuring, of van bewondering. In die zin kan ik dat wel volgen. Toch maakt zo’n applaus me niet bepaald warm van binnen. Zulk handgeklap is niet volledig verboden. Dat niet. Maar het is naar mijn idee wél zo dat onze God vooral Zélf voor Zijn eigen eerbewijs zorgt.
Ik schreef het al: Hij geeft ons alles wat wij nodig hebben. Hij geeft ons psalmen en geestelijke liederen om onze bewondering te uiten. Daar kun je dan ook applaus voor gebruiken. Maar dan kun je, als ik het zo even zeggen mag, nét doen alsof er geen woorden voor zijn. En die zijn er wel. Er zijn psalmen. En ze zijn nog wel door God geïnspireerd. Er zijn Wóórden voor, als u begrijpt wat ik bedoel.
Daarmee zeg ik niet dat men onmiddellijk en zonder uitstel alle gezangen dient af te schaffen. Ik zeg wel dat God Zichzelf aan ons manifesteert. En ik zeg ook dat God materiaal voor onze eerbewijzen aan Hem presenteert. We moeten het dus helemaal van God hebben.
Het is goed om op dit punt bij onszelf te rade te gaan. We moeten alles van God verwachten. Dat moet steeds helder en duidelijk wezen.

De bovenstaande constatering moet vooral niet leiden tot een soort therapeutische sessies met onszelf.
Laat ik dat verduidelijken aan de hand van een internetpagina van het Friesch Dagblad. Daar zag ik eens een bericht uit juli 2002. Ik las daar over een predikant, die orakelde: “Het overdenken van je levensloop kan ook een vindplaats van spiritualiteit zijn. Je beziet de gang van je leven dan vanuit het gezichtspunt van het geloof. Welke betekenis geef ik vanuit mijn gelovige visie aan bepaalde gebeurtenissen van mijn leven?”.
Bij zulk zelfonderzoek kom je goede dingen tegen. Maar er is ook het nodige dat ons dwars zit. Er zijn misschien woorden gezegd die door anderen verkeerd zijn geïnterpreteerd. Dingen die wij hebben gedaan zijn soms helemaal verkeerd uitgepakt. Zeker, zulke zelfbeproeving kan opleveren dat we de daden van God in ons eigen leven zien. Maar er is ook veel zonde. Schrijver dezes heeft daarom de neiging om met zulke research voorzichtig te wezen. Niet voor niets stond er in het bericht ook bij: “Niet altijd is het eenvoudig om hiermee bezig te zijn. Er worden vaak meer vragen opgeroepen dan antwoorden gevonden. En soms word je opnieuw geconfronteerd met herinneringen die je liever vergeten zou…”[4].
Kerkmensen mogen onbekommerd zeggen: gebruik de van God ontvangen gaven maar. Daar hebben we het al druk genoeg mee.
In dit verband citeer ik graag Romeinen 12: “Want krachtens de genade, die mij geschonken is, zeg ik een ieder onder u: koestert geen gedachten, hoger dan u voegen, maar gedachten tot bedachtzaamheid, naar de mate van het geloof, dat God elkeen in het bijzonder heeft toebedeeld. Want, gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werkzaamheden hebben, zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden ten opzichte van elkander”[5].
Onze God traint ons om gericht te zijn op Hem. In onze woorden en in ons gedrag mogen we functioneren als representant van Hem in deze wereld. We vertegenwóórdigen onze God, op onze eigen plek en in onze eigen omgeving. We worden hervormd door de vernieuwing van ons denken. Dat gebeurt concreet.
En het gebeurt vandaag.

Het zinnetje waarmee dit artikel begon, echoot weer in mijn gedachten.
“Het belangrijkste is dat je God dient”.
Mijn vriend had indertijd natuurlijk gelijk.
Maar laat het nooit bij zo’n simpele constatering blijven. Want als er daarná slechts betekenisvolle stilte volgt komt niemand werkelijk verder. De spreker niet. En zijn luisteraars ook niet. En laten we het met elkaar maar vaak repeteren:
* dat God Zichzelf aan ons manifesteert
* dat God Zelf materiaal voor het eerbewijs aan Hem presenteert.

Noten:
[1]
Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder publiceerde in december 2004.
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 29.
[3] Dordtse Leerregels, hoofdstuk V, artikel 13.
[4] Zie http://www.frieschdagblad.nl/index.asp?artid=6508 .
[5] Romeinen 12:3, 4 en 5.

29 mei 2013

De onoverbrugbare kloof

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

De Bijbel is het Woord van God.
In de belijdenisgeschriften wordt dat Woord nagesproken. Die geschriften bieden goede samenvattingen van alles wat in de Bijbel staat. Daarom gebruiken we ze ook in de kerk. We benutten ze bij het onderwijs aan de kinderen. En ook de ouderen worden er, via de catechismusprediking, nog in onderwezen.
Dat steeds doorgaande onderwijs is nodig. We weten wel wat er in de Bijbel en de belijdenissen staat. Maar in een voortdurend veranderende wereld is het nodig om de kennis op allerlei manieren, en op verschillende plekken in de samenleving, toe te passen. Onze kennis moet daarom paraat blijven: de inhoud van Schrift en belijdenis moet in ons voorhoofd zitten.

Laatst las ik een interview met een meneer die niet in Jezus Christus gelooft.
De Bijbel is niet waar, zegt hij.
En de eerste vraag van de Heidelbergse Catechismus – “Wat is uw enige troost in leven en sterven?” – is zó gesteld dat je niet kunt zeggen: ‘ik heb ook nog wel een ándere troost in de wereld’.
Zo werkt dat niet, zegt die meneer.

Herman Philipse heet hij. Het is wel bekend dat hij een ongelovig mens is. Op deze internetpagina is hij al eens vaker langs gekomen[1].

De heer Philipse zegt: “Voor iemand als ik, die niet gelooft in welke religie dan ook, is het zeer de vraag of er slechts één houvast is. Sterker, dat lijkt me zeer onwaarschijnlijk”.
En ook:
“Er is een reeks van factoren die mij houvast geeft”. Alles begint met de basiszekerheden: gezondheid, economische stabiliteit en hechte relaties. Daarna komen de dingen die het leven mooi maken: fascinerende mensen bijvoorbeeld, of de kunst.
Philipse zegt verder:
“Ik geloof niet in een hiernamaals, dat is menselijke fantasie. Ik wil het psychologische nut ervan niet onderschatten, want mensen met deze illusie blijken gemiddeld net iets gelukkiger te zijn. Zeker in moeilijke levenssituaties kan zo’n illusie veel helpen. Maar als wetenschapper zet ik de argumenten op een rijtje. De kans dat er een hiernamaals bestaat, is te verwaarlozen”[2].

Waar ligt de kern van het probleem?
Philipse bekijkt de zaak menselijk. Aards. Zijn stelling lijkt te zijn: als iets of iemand niet beredeneerbaar is, is het niet waar.
Van daaruit worden diverse redenaties opgezet.
Voorbeeld: denken of geest, die kunnen alleen bestaan als er hersenen zijn. Vergelijkt u het maar met een euro. Een euro is van metaal; de euro krijgt echter z’n waarde omdat er een afbeelding op staat. Zo kunnen gedachten niet bestaan zonder hersenen.
Ander voorbeeld: áls er al een zuivere geest bestaat, dan bestaan er geen middelen om de inhoud van de gedachtewereld kenbaar te maken. Wij hebben armen en benen, en een tong. God heeft die niet. Dus kan God Zijn wil niet bekend maken, zo concludeert Philipse. Dat zo zijnde, moet men zich afvragen wat onze kerkgang en onze godsdienst voor zin hebben.

Dat klinkt allemaal heel logisch.
Toch is de redenering, ook rationeel bezien, niet geheel sluitend.
Er zijn namelijk aardig wat wetenschappers die materie en geest als twéé grootheden beschouwen. Die geleerden zeggen bijvoorbeeld: “Ons lichaam verandert voortdurend. Als wij tachtig jaar zijn, zijn er in ons lichaam nauwelijks nog atomen aanwezig die er al waren toen wij één jaar waren. Toch zijn wij nog dezelfde persoon. Onze identiteit is blijkbaar niet van materie afhankelijk. En dat pleit ervoor om geest als autonoom ten opzichte van materie te beschouwen”[3].

Hierboven schreef ik al: Philipse bekijkt de zaak heel menselijk.
Mensen moeten, zo lijkt Philipse te menen, zelf hun problemen oplossen. Daar zit het kenmerkende verschil tussen geloof en ongeloof. Want in de kerk zeggen wij: de Here kiest mensen uit; en vervolgens gaat Zijn Heilige Geest in de harten van die mensen aan het werk.
Wat dit betreft wijs ik u op 1 Corinthiërs 12: “Gij weet, dat gij, toen gij nog heidenen waart, u blindelings naar de stomme afgoden liet heendrijven. Daarom maak ik u bekend, dat niemand, door de Geest Gods sprekende, zegt: Vervloekt is Jezus; en dat niemand kan zeggen: Jezus is Here, dan door de heilige Geest”.
Ook attendeer ik u graag op 1 Johannes 4: “Gíj zijt uit God, kinderkens, en gij hebt hen overwonnen; want Hij, die in u is, is meerder dan die in de wereld is. Zij zijn uit de wereld; daarom spreken zij uit de wereld en hoort de wereld naar hen. Wij zijn uit God; wie God kent, hoort naar ons; wie uit God niet is, hoort naar ons niet. Hieraan onderkennen wij de Geest der waarheid en de geest der dwaling.
En verder ook op 1 Johannes 5: “…de Geest is het, die getuigt, omdat de Geest de waarheid is”[4].

Puur menselijk bezien kan men zeggen: God is niet áánwijsbaar en niet béwijsbaar. Als mens kom je daar ook niet uit. Je loopt vast. Je snapt er niets van.

Zo ‘bewijst’ Philipse impliciet dat de Gereformeerden het gelijk aan hun kant hebben.
Zij beweren immers al eeuwen dat het geloof hen gegeven moet worden. Er moet van bovenaf ingegrepen worden.
Daarom schrijft Paulus in Colossenzen 3: “Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God”[5]. Paulus wil maar zeggen: de kern van het christelijk leven kunnen we hier op aarde niet ontdekken. Want die is verborgen. Christus draagt ons, om zo te zeggen, met Zich mee; dat zien wij niet, maar zo is dat wel.
In Jacobus 1 staat genoteerd: “Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is, daalt van boven neder, van de Vader der lichten, bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer”[6]. Mensen veranderen voortdurend. Hierboven bleek daar al iets van. Maar de Here wijzigt Zijn plan niet: eens gekozen, blijft gekozen!

Dit artikel kan professor mr.dr. H. Philipse natuurlijk niet overtuigen[7].
Dit artikel laat echter wel de antithese zien.
Er is een onoverbrugbare kloof tussen kerk en wereld.
Om met Johannes 3 te spreken: “Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld veroordele, maar opdat de wereld door Hem behouden worde. Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld; wie niet gelooft, is reeds veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God. Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever gehad hebben dan het licht, want hun werken waren boos. Want een ieder, die kwaad bedrijft, haat het licht, en gaat niet tot het licht, opdat zijn werken niet aan de dag komen; maar wie de waarheid doet, gaat tot het licht, opdat van zijn werken blijke, dat zij in God verricht zijn”[8].
Kerkmensen moeten zich niet door mensen als professor Philipse laten misleiden.
Ten principale is ons leven als kind van God een kwestie van uitverkiezing. En van Goddelijke genade. Laten we daar maar blij mee zijn.

Noten:
[1] Zie https://bderoos.wordpress.com/2012/05/09/psalm-68/ .
[2] Zie: Aaldert van Soest, “Accepteer wat je niet veranderen kunt”- vraaggesprek met Herman Philipse. In: Nederlands Dagblad, donderdag 23 mei 2013, p. 18.
[3] Zie: Ds. G.A. van den Brink, “De vooronderstellingen van Herman Philipse”. In: PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, 30 juni 2012, p. 14 en 15. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/013c164c0d7ab6458d6b2de4/de-vooronderstellingen-van-herman-philipse/2.
[4] Achtereenvolgens citeer ik 1 Corinthiërs 12:2 en 3, 1 Johannes 4:4-6 en 1 Johannes 5:6 b.
[5] Colossenzen 3:1-3.
[6] Jacobus 1:17.
[7] Zie voor meer informatie over deze geleerde filosoof http://nl.wikipedia.org/wiki/Herman_Philipse .
[8] Johannes 3:17-21.

28 mei 2013

Jezus Christus en Zijn lichaam

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

‘Bij u in de kerk praten ze heel veel over de kerk. En ze spreken maar heel weinig over Jezus Christus’. Dat zijn opmerkingen die een Gereformeerd mens in de wandelgangen nog wel eens horen kan.

Is dat waar?

Nee, dat zijn goedbedoelde nonsens.
We spreken wel veel over Christus. En ja, we praten ook veel over de kerk. Maar die twee zitten ook aan elkaar vast. Want in de kerk verzamelt Jezus Christus de mensen die bij Hem horen. Daarom kan Paulus in 1 Corinthiërs 12 schrijven: “Gij nu zijt het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden”[1].

In de kerk gaat het over Jezus Christus. En het gaat daar ook over mensen.
Dat blijkt heel duidelijk in Zondag 5 van de Heidelbergse Catechismus.
Wij moeten, zo lezen wij daar, zelf voor de zonde betalen. Maar daartoe zijn wij niet in staat. Betaling uit eigen vermogen is ten enen male tot mislukken gedoemd.
Toch moet een mens voor de zonde betalen[2].
De genadige Heer van hemel en aarde haalt ware gelovigen uit de crisis.
Hij schonk Jezus Christus aan de wereld. Hij was een Middelaar die tegelijk God en mens was.
In de kerk gebeuren daarom twee grootse dingen:
* daar wordt over Jezus Christus gesproken als de Redder der wereld
* daar wordt over de kerk zélf gepraat. Die is namelijk onlosmakelijk aan Hem verbonden.

Wie aan Jezus Christus verbonden wil zijn en blijven, moet dus de kerk opzoeken.
Heel veel mensen zeggen: het geeft niet waar je zit; als je bij Hem hoort, dan vindt Hij je altijd wel. Dat is een merkwaardige gedachtegang. En bovendien is die manier van denken onschriftuurlijk.
Nu het hier om gaat, kijk ik opnieuw naar 1 Corinthiërs 12. Wat lees ik daar? Dit: “Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook Christus; want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt. Want het lichaam bestaat toch ook niet uit één lid, maar uit vele leden”[3].
Wij zijn gedoopt om één lichaam te zijn. Dat ene lichaam kunnen u en ik overal in de wereld zien. In dat ene lichaam zitten heel verschillende mensen bij elkaar. Al die wereldburgers hebben te maken met dezélfde Heilige Geest: de Geest van Christus.

De uitdrukking ‘de Geest van Christus’ kennen we uit Romeinen 8: “Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe”[4]. En ook uit 1 Petrus 1: “…in Hem gelooft gij, zonder Hem thans te zien, en gij verheugt u met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde, daar gij het einddoel des geloofs bereikt, dat is de zaligheid der zielen. Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna”[5].

Mensen die over de kerk praten, spreken – als het goed is – impliciet ook over Jezus Christus.
Maar dat kunnen ze alleen maar doen als zij beseffen dat de kerk het lichaam van Christus is.
Dat kunnen zij niet doen als ze alleen maar praten over ‘mijn kerk’.
Dat kunnen zij ook niet doen als ze alleen maar praten over ‘de kerk waar ik mij thuis voel’. De kerk is de plek waar Jezus Christus mensen thuis brengt.

In de kerk wordt heel veel over Jezus Christus gepraat en gepreekt.
Zo veel en zo vaak dat je aan de koffietafel ook wel eens hoort zeggen: in de kerk is er te weinig aandacht voor mijzelf.
Maar dat, geliefde lezer, is ook al weinig overtuigende kletskoek.
Want in Zondag 5 van de Heidelbergse Catechismus lees ik dat wij op zoek moeten naar “een Middelaar die een echt en rechtvaardig mens” is[6]. Daarbij wordt in de Catechismus verwezen naar 1 Corinthiërs 15: “Want, dewijl (dat betekent: omdat) de dood er is door een mens, is ook de opstanding der doden door een mens”. In de kerk is dus echte aandacht voor mensen. Zelfs de Redder – De Man om wie alles in de kerk draait – is een mens! Maar wel een uniek Mens. Om met Hebreeën 7 te spreken: “Immers, zulk een hogepriester hadden wij ook nodig: heilig, zonder schuld of smet, gescheiden van de zondaren en boven de hemelen verheven”[7].
Jezus Christus was werkelijk een mens. Hij was echter van zondaren gescheiden. Hoe dat precies werkt, dat kunnen mensen niet uitleggen. Wij moeten eenvoudigweg geloven dat dat zo is.

Praten we in de kerk te weinig over Jezus, en te veel over de kerk?
Nee. Dat is niet zo. Want Christus en Zijn kerk zijn onverbrekelijk aan elkaar verbonden.
Is er in de kerk te weinig aandacht voor mensen?
Nee. Ook die stelling klopt niet. In de kerk beginnen we altijd bij Jezus Christus: God die mens werd. Van daaruit is er altijd aandacht voor en echt contact met mensen.

In 1 Corinthiërs 12 schrijft Paulus simpelweg: “Gij nu zijt het lichaam van Christus”.
Hij zegt niet: u moet zich misschien eens áf gaan vragen of u het lichaam van Christus bent. Hij noteert gewoon: dat bent u. En u begrijpt het wel: wie her en der allerlei lichaamsdelen vindt, ontwaart al snel de contouren van een vreselijk drama!

De kerk is het lichaam van Christus.
In de kerk moeten we daarom voortdurend opletten dat dat lichaam gezond blijft. Het spreekt daarbij vanzelf: de kerk leeft niet van liflafjes, maar van stevig voedsel. Om met Hebreeën 5 te spreken: “Want ieder, die nog van melk leeft, heeft geen weet van de rechte prediking: hij is nog een zuigeling. Maar de vaste spijs is voor de volwassenen, die door het gebruik hun zinnen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad”[8].
Er moet getraind worden. In de kerk gaan we intensief oefenen. Ambtsdragers en gemeenteleden zorgen er, onder de zegen van de Here, voor dat zij sterk worden. Want zij weten: in deze wereld moeten we tegen een stootje kunnen!

Noten:
[1]
1 Corinthiërs 12:27.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 5, vraag en antwoord 12: “Hoe kunnen wij aan deze straf ontkomen en weer in genade aangenomen worden, nu wij naar Gods rechtvaardig oordeel straf in tijd en eeuwigheid verdiend hebben? Antwoord: God wil dat aan zijn gerechtigheid wordt voldaan. Daarom moeten wij òf zelf òf door een ander volkomen betalen”. Vraag en antwoord 13: “Maar kunnen wij zelf betalen? Antwoord: Op geen enkele manier. Wij maken de schuld juist elke dag groter”.
[3] 1 Corinthiërs 12:12, 13, 14.
[4] Romeinen 8:9.
[5] Zie 1 Petrus 1:8 b-11.
[6] Heidelbergse Catechismus – Zondag 5, vraag en antwoord 15: “Wat voor een Middelaar en Verlosser moeten wij dan zoeken? Antwoord: Een Middelaar die een echt en rechtvaardig mens is en toch sterker dan alle schepselen, dat wil zeggen: die tegelijk echt God is”.
[7] Hebreeën 7:26.
[8] Hebreeën 5:13 en 14.

27 mei 2013

De luisteroefening van Hebreeën 11:6

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Gelovigen worden beloond.
Dat blijkt uit Hebreeën 11. Ik citeer vers 6: “…zonder geloof is het onmogelijk Hem welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken”[1].
In de kerk willen we Hem welgevallig zijn. Daar staat een Persoon centraal. Als we in de kerk bezig zijn, dan hébben we ’t ook over Iemand!

Waar draait ons geloof om?
Wij geloven dat God tot ons spreekt. Hij openbaart Zich aan ons. De Here wordt algemeen bekend. Hij manifestéért Zich: Hij toont dat Hij druk aan het werk is. Hij brengt verborgen dingen aan het licht. Hij legt uit wat Hij aan het doen is, en waarom. Hij heeft Zijn Heilige Geest in de kerk uitgestort. Hij maakt Zijn reddend beleid wereldkundig[2].
Ons geloof is het antwoord op Zijn spreken. Door alle tijden klinken op allerlei manieren, en in diverse toonaarden, variaties op dat verwachtingsvolle woord van de jonge Samuël: “Spreek, want uw knecht hoort”[3].
Asaf zegt het in de vijftigste Psalm zó:
“De God der goden, de HERE, spreekt en roept de aarde
vanwaar de zon opgaat tot waar zij ondergaat”.
En:
“Hoor nu, mijn volk, en Ik wil spreken,
Israël, en Ik wil tegen u getuigen:
God, uw God, ben Ik”[4].
De hemelse God toont Wie Hij is. En dat is maar goed ook. Anders waren wij reddeloos verloren[5].

Het is belangrijk om de eerbied voor de Here God te behouden.
Als Hizkia in Jesaja 37 in zijn gebed de troonzaal van God binnentreedt, is zijn inzet als volgt: “HERE der heerscharen, God van Israël, die op de cherubs troont, Gij, Gij alleen zijt God over alle koninkrijken der aarde; Gij hebt de hemel en de aarde gemaakt”[6]. Hizkia leert ons waarmee een gebed behoort te beginnen: de lof op God.
Mensen die zich tot God wenden, worden verondersteld Hem te eren. Als zij dat niet doen, kunnen zij zich beter stil houden. Zeker in de eenentwintigste eeuw moeten wij dat goed bedenken. Hoe vaak gebeurt het niet dat mensen de eed afleggen – “zo waarlijk helpe mij God almachtig” – terwijl zij feitelijk zelden in een kerk komen, en zich in de praktijk van hun privéleven bitter weinig van Hem aantrekken?
Een Christelijke Gereformeerde scribent citeerde eens de tekst uit Hebreeën 11 waarmee dit artikel begint. Terecht noteerde hij daar bij: “Gods naam noemen zonder deze voorwaarde is bijna een vloek”[7]. Wie zich met het Woord van God bezighoudt, moet Hem ernstig zoeken. Anders kan hij of zij er net zo goed met ophouden.

De Israëlieten – zo schreef iemand in de jaren ’60 van de vorige eeuw eens – verkregen hun geloof niet “op grond van wijsgerige speculaties, niet door nadenken of verstandelijke overwegingen. De kracht van de heiligen is vanouds geweest, dat zij de enigheid en majesteit van God hebben ervaren”[8]. De Here God had de Israëlieten uitgekozen. Dat was de reden dat Hij in hun hart aan het werk ging. En dat was te merken. De mensen van Gods volk ondervonden, om zo te zeggen, aan den lijve wat God deed en hoe Hij de wereld compleet veranderde!
Die ondervinding heeft de kerk in 2013 nog steeds. Nog altijd maken we mee hoe de Here werkt. Wie goed kijkt kan iedere dag ontdekken hoe de hemelse Here de door Hem geschapen wereld beschermt en in stand houdt.

In onze tijd is het, dunkt mij, belangrijk dit alles goed vast te houden.
Waarom? Bijvoorbeeld vanwege het volgende.
Vorige week donderdag, 23 mei, las ik in het Nederlands Dagblad dat de bekende ‘hofpredikant’ C.A. ter Linden het geloof in een persoonlijke God vaarwel zegt. In een door hem geschreven boek zegt hij: God is “een innerlijk appel om een goed en verantwoordelijk mens te zijn”[9]. “Ik kan God niet verbinden met deze natuur die in mijn ogen even heerlijk als vreselijk is. Ik heb geen antwoord op het onbeschrijfelijke lijden dat met het evolutieproces gegeven is. Ik herken er de hand van God niet in”. “Het enige wat ik overhoud, waarmee ik, in de geest van het oude Israël, het woord God zou willen verbinden, zijn die krachten die deze wereld van binnenuit in stand houden en het leven mogelijk maken. Liefde, trouw, recht en barmhartigheid”. Is de Bijbel volgens Ter Linden een waardeloos boek? Dat zeker niet. “De Bijbel bevat de sterkste teksten die ik ken. Ze bewaren een diepe levenswijsheid die mij mijn leven lang geraakt heeft. Ze bewaren gedachten waar ik anders nooit op gekomen zou zijn. Het is een boek waarin een nieuw denken zich baan breekt, dat betekenis heeft tot op vandaag”[10].
Ter Linden spreekt over een innerlijk appel. Kennelijk heeft hij het idee dat God nog wel iets in zijn hart doet. Maar dan komt het. Hij kan God niet meer verbinden met de gebeurtenissen om hem heen. God heeft, denkt Ter Linden, iets te maken met kracht van binnenuit. Met de manier waarop de mens zijn eigen leven vorm geeft. Zeker, God heeft de ‘hofpredikant’ wel aangeraakt. Zeker, de Bijbel is – op de keper beschouwd – reuze origineel. In de Bijbel breekt een nieuw denken zich baan, zegt de dominee.
Als ik deze dingen tot mij door laat dringen, besef ik hoe belangrijk het is om Hebreeën 11:6 gewoon in Gods Woord te laten staan.
Wie het aandurft om Gods Woord in twijfel te trekken, moet maar snel leren zwijgen. Godslasteraars bedérven de wereld alleen maar. Moeten wij door zulke negativiteit gevoed, gelaafd of getroost worden?

Laten wij het maar vasthouden:
1. God is de handelende Persoon in ons leven; hij maakt ons klaar voor een glorieus vervolg van ons bestaan. Naar Hem moeten wij luisteren.
2. Hij geeft ons geloof en daarom mogen wij in het gebed vrijmoedig en blijmoedig naar Hem toe gaan.
3. Wij behoren, hier op aarde, serieus werk te maken van het leven met God. Wij moeten horen wat Hij te zeggen heeft.
4. In de kerk zijn wij pas écht toekomstgericht, want wij geloven dat de Here ons een eeuwig hemelleven geeft.

Noten:
[1] Hebreeën 11:6.
[2] Zie voor definities van het woord ‘openbaren’: http://www.encyclo.nl/zoek.php?woord=openbaren .
[3] 1 Samuël 3:10.
[4] Achtereenvolgens citeer ik de verzen 1 en 7 uit Psalm 50 (onberijmd).
[5] Zie over dit alles ook: Dr. G. van den End, “Het gebed (1)”. In: Gereformeerd Weekblad, 18 juli 1997, p. 14-16. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/012de224755d2066705410a8/het-gebed/1 .
[6] Jesaja 37:16.
[7] D. Koole in De Wekker, kerkblad van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Geciteerd via: Reformatorisch Dagblad, 1 oktober 1994, p. 2 (rubriek ‘Uit de kerkelijke pers’). Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/012df2ad2d1e5671c1d543c8/uit-de-kerkelijke-pers/2 .
[8] Zie: H. Goedhart, “Kende Israël maar één God?”. In: De Waarheidsvriend, 5 oktober 1967, p. 2 en 3. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/012ed1c80463859d73f1a8ae/kende-israel-maar-een-god/4 .
[9] De gegevens van dit boek zijn: Carel ter Linden, “Wat doe ik hier in godsnaam: een zoektocht”. – Utrecht: Uitgever De Arbeiderspers B.V., 2013. – 164 p.
[10] “Ter Linden zegt persoonlijke God vaarwel”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 23 mei 2013, p. 8.

24 mei 2013

Prioritering volgens Job 1

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

“De Heer geeft en de Heer neemt”.
Het NOS-televisiejournaal van dinsdag 21 mei, 20.00 uur, was nog maar ruim een minuut bezig. En daar stond het. Zomaar, in de ondertiteling.
“De Heer geeft en de Heer neemt” – het was de vertaling van de woorden die een Amerikaan uitsprak toen hij uit de schuilkelder kwam. Hij was naar beneden gegaan om een verwoestende tornado af te wachten. Toen het stil was, kwam hij weer boven. Verbijsterd nam hij de chaos in ogenschouw. Daar stond hij. In de Amerikaanse staat Oklahoma. Te midden van heel veel puinhopen. In zijn stem waren zowel verbijstering als gelatenheid te horen. “De Heer geeft en de Heer neemt”.

U herkent, neem ik aan, de woorden uit Job 1: “De HERE heeft gegeven, de HERE heeft genomen, de naam des HEREN zij geloofd”[1].
Dat zegt Job als de Here hem zo ongeveer alles afneemt.
De runderen en de ezelinnen zijn geroofd; de bewakers zijn gedood. De kamelen en hun hoeders overkwam hetzelfde. De schapen en de herders zijn verbrand. De kinderen komen om als het huis waar zij verblijven, tijdens een storm instort.
En dan komen de hierboven geciteerde Bijbelwoorden over Jobs lippen.

“De HERE heeft gegeven, de HERE heeft genomen”.
Die woorden overpeins ik ook als ik denk aan Ruben en Julian. De namen van deze broertjes kwamen op deze internetpagina al eerder langs[2]. De vermiste broertjes werden op Pinksterzondag, 19 mei, bij Cothen gevonden; ze waren beide overleden[3]. Velen leefden mee. Bij massa’s mensen was er een gevoel van machteloosheid. Men wilde zo graag iets dóen. Maar al die goedwillende burgers konden niets meer uitrichten.
Wat doen christenen in een dergelijk geval? Wat behoren Gereformeerden te doen? Zij mogen het Job nazeggen: “De HERE heeft gegeven, de HERE heeft genomen, de naam des HEREN zij geloofd”.

Situaties als in Cothen en omstandigheden als in Moore (Oklahoma, U.S.A.) laten ons beseffen dat wij al onze bezittingen uit de hand van God ontvangen. En waarom is die belijdenis zo belangrijk? Omdat mensen die dat beamen, ook het verlies van mensen en materialen kunnen aanvaarden.
Als ik het goed zie ligt daarin ook de reden dat Gereformeerden zich niet aansluiten bij de uitvoering van allerlei rituelen.
Men berichtte dat er voor Ruben en Julian geen stille tocht wordt georganiseerd. Wel is een oproep gedaan om aanstaande zondagavond, 26 mei, tussen 19.00 en 20.00 uur een kaarsje voor het raam te zetten. Aldus worden de jongens herdacht.
Heel veel christenen doen daar vast niet aan mee. Zijn zij dan asociaal? Nee, zeker niet. Christenen, Gereformeerden inbegrepen, hebben heus geen innerlijke drang om zich buiten de samenleving te plaatsen. En toch branden zij geen kaarsje. Waarom niet? Omdat zij iets ánders doen dan de jongens herdenken. Gereformeerden leggen hun eerste prioriteit niet bij het kweken van een ‘maatschappelijk wij-gevoel’. Zij dragen al hun moeilijkheden op aan de Here. Zij vragen Hem: Here, wat moeten wij met deze puinhoop? Zij vragen Hem: Here, waarom hebt U dit toch gedaan? Zij vragen Hem: Here, waarom vond U dit nu nodig?
Aanstaande zondag zullen heel wat mensen een kaarsje branden.
Maar wat gebeurt er in de kerk? Daar worden gebeden opgezonden.
Wil dat zeggen dat Gereformeerden weigeren om een wij-gevoel in de samenleving te kweken? Zeker niet. Voor buitenstaanders lijkt dat misschien wel zo. Maar Gods kinderen willen een ándere boodschap afgeven. Namelijk deze: onze eerste prioriteit ligt niet bij het wij-gevoel. Om het maar eens modern te zeggen: onze identiteit ligt niet in Nederland, maar in Christus. In ons leven heeft de Here altijd voorrang. En dat geldt zeker op zondag.

Zondag: dat is de dag waarop we in de kerk samen de naam van de Here aanroepen.
Dat doen christenen al sinds mensenheugenis.
Denkt u maar aan Genesis 4: “En ook aan Seth werd een zoon geboren, en hij noemde hem Enos. Toen begon men de naam des HEREN aan te roepen”[4]. Reeds vele, vele eeuwen kent men het fenomeen van de publieke eredienst. Heel lang al is bij de kerk de Schepper van hemel en aarde in beeld.
De hemelse Heer vult op zondag, om zo te zeggen, heel het beeld van de kerk. Mensen en materialen uit de wéreld vallen buiten dat beeld. De kerk richt de blik volledig op haar Heer. Zij concentreert zich op Hem. Zij vergáápt zich zogezegd aan haar Here. Want wat de kerk ziet, dat is glorieus. Fenomenaal. Onuitsprekelijk heerlijk.

Wat houdt de naam van de Here eigenlijk in?
Dat kunnen we zien in Exodus 3. Daar zegt de Here tegen Mozes: “Ik ben, die Ik ben”[5]. We kunnen ook vertalen: Ik zal zijn, wie Ik zijn zal. Het is het motief dat wij – bijvoorbeeld – ook terugvinden in Openbaring 1: “Ik ben de alfa en de omega, zegt de Here God, die is en die was en die komt, de Almachtige”[6]. De hemelse God proclameert: mensen, Ik zal altijd actief blijven. Ik ben, zegt de Here in feite, altijd in leven. De Here is altijd present. Hij is nooit vermist. Niemand kan Hem doden.
Bij de verbondsvernieuwing in Exodus 34 vinden wij de vermelding: “En de HERE daalde neder in een wolk, stelde Zich daar bij hem en riep de naam des HEREN uit. De HERE ging aan hem voorbij en riep: HERE, HERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw, die goedertierenheid bestendigt aan duizenden, die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft; maar de schuldige houdt Hij zeker niet onschuldig, de ongerechtigheid der vaderen bezoekende aan kinderen en kindskinderen, aan het derde en vierde geslacht”[7].
De naam van de Here heeft alles te maken met medelijden. Met clementie en vergeving. En met trouw. Maar Hij is ook consequent en rechtvaardig.
De combinatie van al die eigenschappen, en de manier waarop al die karakteristieken samengaan, gaat onze pet te boven.
Maar in de kerk mogen wij ons oefenen in eerbied, aanbidding en geloofsblijdschap. Als wij in de kerk de naam van de Here in onze mond nemen, is er altijd vreugde en vertrouwen.

“De Heer geeft en de Heer neemt”.
Opeens stonden die woorden in de ondertiteling van het NOS-journaal van 20.00 uur, op die eenentwintigste mei.
“Kijk eens wat daar gebeurt”, zei ik tegen mijn vrouw.
Een dag later zei ik, terwijl wij aan tafel aten: “Daar kon zelfs de NOS niet omheen”.
Die puinhopen, die chaos, dat menselijk leed brengen ons terug naar de kern van het Woord van God. Zijn Evangelie wordt nog altijd verkondigd: als u in Mij gelooft, zult u behouden worden.
Voor alle ware gelovigen blijft het, ook op vrijdag 24 mei 2013, recht overeind: “De HERE heeft gegeven, de HERE heeft genomen, de naam des HEREN zij geloofd”.

Noten:
[1]
Job 1:21.
[2] Zie https://bderoos.wordpress.com/2013/05/14/onze-daadkracht-en-zondag-4/ .
[3] Zie hierover bijvoorbeeld http://nos.nl/artikel/509207-lichamen-zijn-van-ruben-en-julian.html .
[4] Genesis 4:26.
[5] Exodus 3:14.
[6] Openbaring 1:8.
[7] Exodus 34:5, 6 en 7.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.