gereformeerd leven in nederland

30 augustus 2013

Profetisch preken

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Het nieuwe kerkelijk seizoen komt er weer aan.
Derhalve wordt er weer driftig nagedacht over de preek. De preek is een wekelijks weerkerend fenomeen. Voorgangers en gemeenteleden zijn allen bij de preek betrokken. Geen wonder dus dat de predicatie onderwerp van bespreking is.

Er moet profetisch worden gepreekt, zei de hervormde dominee Van Ekris uit Zeist laatst; hij gaf een werkcollege tijdens een studieweek voor theologiestudenten uit de Gereformeerde Bond.
In een profetische preek wordt inzichtelijk wat in een maatschappij doelbewust verborgen wordt gehouden.
In zo’n preek wordt het kwaad ontregeld en het heil op de voorgrond geplaatst.
In zo’n preek wordt benadrukt dat God aanwezig is.
In zo’n preek wordt ook naar de toekomst gekeken: het wordt duidelijk hoe die toekomst er op een bepaald punt uitziet[1].

Betekent dit dat de verkondiging van Gods Woord een toespraak over de hedendaagse politiek worden moet? Nee, zeker niet. De christelijk-gereformeerde professor dr. W.H. Velema zei aangaande dat punt eens: “We preken geen politiek. We preken het handelen van God door Jezus. We roepen op tot gehoorzaamheid aan het Woord van God en daarmee aan de Here Jezus Christus zelf, ook in politieke aangelegenheden”[2].
In dit verband merk ik op dat het belangrijk is om een helder zicht hebben op de positie van een dominee. Een predikant is een herder. Een herder leidt zijn schapen naar veilig terrein. Hij maakt duidelijk: daar moet je niet heengaan, want er is gevaar.
Kerkmensen moeten weten welke bedreigingen er in onze maatschappij zijn. De secularisatie, bijvoorbeeld. En de individualisering.
Kerkmensen moeten zich realiseren hoe ze zich tegen al die gevaren moeten wapenen[3].
Laat ik in de beeldspraak van de herder en zijn schapen blijven. De herder brengt zijn dieren naar grazige weiden. Hij leert ze: dit kun je eten; maar dat is voedsel dat er lekker uitziet, maar intussen wel onzichtbaar gif bevat.
Preken zijn soms tijdloos: je kunt ze in 1990 houden, maar als je ze in 2013 opnieuw houdt lijkt dat niet al te ernstig. En toch word ik telkenmale een tikje narrig van zo’n tijdloos sermoen. Want een preek moet waarschuwen tegen het onheil dat in een bepaalde periode dreigt.

K. Runia schreef in 1985: “We zullen goed [naar het Woord] naar moeten luisteren, het zorgvuldig bestuderen en het duidelijk actualiseren. We zullen bereid moeten zijn om het volle Woord te brengen en het te brengen in al zijn scherpte. Ik ben bang dat wij vaak lang niet durven zeggen wat de bijbel zegt. Dat daarom de profetische kracht ook aan veel van onze preken ontbreekt. Want profetisch spreken in onze tijd is niets anders dan dat volle Woord, in al zijn duidelijkheid en concreetheid, in de situatie van de gemeente neerleggen. Het is spreken ‘zur Zeit und zur Situation’”[4].
Het volle Woord – dat wil zeggen dat wij bij het lezen en uitleggen van de Heilige Schrift altijd het geheel van de Bijbel meerekenen.

Wij leven, zoals reeds genoegzaam bekend kan zijn, in een verdorven wereld.
Zijn Gereformeerde preken om die reden evenzovele uitingen van simpele somberheid?
Zeker niet.
Het was de Engelse prediker Martyn Lloyd-Jones (1899-1981) die ooit zei dat ‘de aarde een zeer slecht oord is’[5]. Die zienswijze lijkt mij wel erg pessimistisch. Zulk een opinie gaat voorbij aan het feit dat Jezus Christus Zijn uitverkorenen in de wereld verzamelt.
De profeet Jesaja heeft dat werk ooit eens in een gebed omschreven. Leest u maar mee in hoofdstuk 63: “…zij waren wederspannig en bedroefden zijn heilige Geest; daarom veranderde Hij voor hen in een vijand. Hij zelf streed tegen hen. Maar Hij dacht aan de dagen van ouds, aan Mozes, aan zijn volk.
Waar is Hij, die de herders zijner kudde voerde uit de wateren? Waar is Hij, die zijn heilige Geest in hun binnenste gaf? Die zijn luisterrijke arm aan de rechterhand van Mozes deed gaan, die vóór hen de wateren kliefde om Zich een eeuwige naam te maken; die hen deed gaan door de waterdiepten? Evenmin als een paard in de woestijn struikelden zij; als aan het vee, dat afdaalt in de vallei, gaf de Geest des HEREN hun rust. Zo hebt Gij uw volk geleid om U een luisterrijke naam te maken”[6].
Jesaja laat het zien: we leven in een wereld die doortrokken is van zonde. Maar hij toont ook aan dat de Here Zelf ingrijpt. De Here vestigt een reputatie die niet kapot kan, zegt Jesaja. In ééuwigheid niet.
De taak van de kerk is: God eren. De kerk moet demonstreren waar en hoe de Here vandaag werkt. Wij hoeven niet etaleren hoe de mensen klungelen en knoeien. Wij hoeven niet aanwijzen hoe de wereldburgers modderen en prutsen. Wij mogen met Salomo, de dichter van Psalm 72, instemmen:
“Zijn naam moet eeuwig lof ontvangen,
aan Hem alleen de eer.
De aarde juiche met haar zangen:
Ja, amen! Looft de HEER!”[7].
Paulus schrijft in 1 Thessalonicenzen 1 aan christenen in Thessalonica: “En gij zijt navolgers geworden van ons en van de Here en gij hebt het woord onder zware verdrukking met blijdschap des heiligen Geestes aangenomen, zodat gij een voorbeeld geworden zijt voor alle gelovigen in Macedonië en in Achaje”[8]. De Heilige Geest geeft geloofsvreugde. Door Zijn toedoen kunnen wij voorbeelden zijn voor de mensen om ons heen: in en buiten de kerk.

In 1990 – dat is inmiddels al drieëntwintig jaar geleden! – zei de hervormde dominee A. Beens tijdens een conferentie tegen zijn collega’s: “Broeders, we zijn er als dienaren des Woords in de eerste plaats om te preken, om profetisch te preken. Het gaat in die prediking nooit om dominees, die de profeet uithangen. Een predikant die zijn taak en plaats niet weet, in geen enkel opzicht weet te relativeren, is een ramp voor het volk”.
En:
“Die zich oefent in het horen, krijgt inzicht in het handelen van God. De profetische prediking is bediening van het Woord van God. Een prediker moet een man zijn met een geheiligde visie. En geen gemeenteopbouwer; daar zijn we niet voor”[9].
Waarvan akte!

Noten:
[1]
“Profetie hoort thuis in een preek”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 28 augustus 2013, p. 2.
[2] K. Runia, “Prediking en politiek-sociale vragen”. In: Theologia Reformata, 1 juni 1985, p. 15-30. Ook te vinden op http://www.digibron.nl .
[3] Zie hierover ook: “Laat kerk niet zwijgen over antichristelijke ontwikkelingen”. In: PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, woensdag 24 augustus 2011, p. 6 en 7. Ook te vinden op http://www.digibron.nl .
[4] K. Runia. Zie noot 2.
[5] Zie: P.J. Vergunst, “Biddend in een boze wereld”. In: De Waarheidsvriend, 30 december 2008, p. 4 en 5. Ook te vinden op http://www.digibron.nl . Zie over Martyn Lloyd-Jones http://nl.wikipedia.org/wiki/Martyn_Lloyd-Jones .
[6] Jesaja 63:10-14.
[7] Psalm 72:10 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[8] 1 Thessalonicenzen 1:6 en 7.
[9] “Predikant die zijn plaats niet weet, is ramp voor het volk”. In: Reformatorisch Dagblad, 5 september 1990, p. 2. Ook te vinden op http://www.digibron.nl .

29 augustus 2013

Zes woorden over liturgie

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Jan en alleman praat vandaag de dag over liturgie.
Ook in de Gereformeerde Bond binnen de Protestantse Kerk wordt er lang en ernstig over gediscussieerd en gedebatteerd.
In het Reformatorisch Dagblad van maandag 26 augustus stond onder de kop ‘Veel onkunde over betekenis eredienst’ onder meer te lezen: “Wie beseft dat de heilige God Zich tot mensen richt, dat Christus als de Middelaar van het verbond ons ontmoeten wil, heeft volgens Vergunst de sleutel in de hand voor het verstaan van de eredienst. De gereformeerde eredienst is een afwisseling van spreken van God en antwoorden van de gemeente. ‘Liturgie bewaart ons bij Hem, de God van het verbond. Het sterke besef daarvan maakt dat onze eerste associaties bij het woord liturgie er meestal naast zitten. Wie anno 2013 aan liturgie denkt, heeft het over spanning in de gemeente, over een lastig thema, over de balans tussen vernieuwen of bewaren – terwijl voorbijgeleefd wordt aan de functie van de liturgie’”[1].

Het woord ‘liturgie’ komt van leitourgia: volksdienst.
Gods kinderen verzamelen zich om te tonen dat zij op allerlei manieren, overal en altijd, in dienst van hun Heer staan. Alles wat Hij zegt, dat willen zij doen.

Logischerwijs betekent dat dat zij de oren gespitst hebben. Kinderen van God willen goed luisteren naar wat de Here zegt. Dat is logisch. Als zij in het wilde weg maar wat gaan doen, zonder te luisteren naar hun Opdrachtgever, schieten ze in een oogwenk hun doel voorbij.
Kerkmensen gebruiken, als alles goed is, hun ogen om Gods Woord te lezen.
Het ligt voor de hand dat zij attent zijn op de Boodschap die hun God doorgeeft.

Dat laatste gegeven brengt mij vandaag bij 1 Samuël 3.
In dat Bijbelgedeelte wordt Samuël door de Here geroepen. In eerste instantie heeft de opgroeiende jongen niet door dat de stem van de Here door de kamers schalt. Maar als hij eenmaal begrijpt dat de Here tot Hem spreekt, is hij een en al oor: “Spreek, want uw knecht hoort”[2].
Dat doet die aan God gewijde jongen natuurlijk heel netjes.
Maar hij is dan ook door Eli geïnstrueerd: “Toen begreep Eli, dat de HERE de jongen riep. Daarom zeide Eli tot Samuël: Ga heen, leg u weer neer, en als Hij u roept, zeg dan: spreek HERE, want uw knecht hoort. En Samuël ging heen en legde zich weer op zijn plaats neer”[3].

Dat Eli niet onmiddellijk doorgrondt wat er in tegen het einde van de nacht – zeg maar: in de vroege ochtendstond – gebeurt, is niet zo’n wonder. Er staat bij: “Nu was in die dagen het woord des HEREN schaars; gezichten waren niet talrijk”[4]. Het leven kabbelt dus voort. Dat maakt het volk onverschillig, de priester inbegrepen. De Israëlieten gaan hun eigen gang. De tempeldienst is netjes geregeld. Weliswaar zit er een oude priester die bijna blind is, maar ach – de aloude gewoonten kunnen gewoon worden gehandhaafd. Mooi toch?

Wanneer ik in het bovenstaande een beeld van de situatie geef, kost het mij weinig moeite om 1 Samuël 3 met het hedendaagse kerkelijke leven te associëren. Dat ga ik hieronder doen.

Gereformeerden leven in Nederland in een seculiere samenleving. De mensen vinden de diverse interieurs van kerken nog wel mooi. En soms geloven ze ook nog wel ergens in. Maar van echte godsdienst is geen sprake meer. Gereformeerden weten dat. Daar zijn ze aan gewend. Ze begrijpen wel dat de samenleving feitelijk niet meer te redden is; menselijk gesproken, althans. Tja, dat is nu eenmaal zo.
Gelukkig kunnen Gereformeerden elke zondag nog naar de kerk. Keurig. Braaf. Als het een beetje meezit, zitten ze elke zondag ongeveer op ’t zelfde plekje in de kerk. Hopelijk is de preek een beetje begrijpelijk, en makkelijk toe te passen in de wereld van 2013. Hopelijk zingen zij mooie psalmen. Als ze geluk hebben zit er een bekwame organist bij de manualen van het orgel.
Alzo kabbelt het Gereformeerde leven voort.
Voor zij ’t weten herkennen ze ’t niet meer als de Here iets zegt.

Samuël moet, in zijn tijd, de oren ook wijd open doen. In een samenleving die behoorlijk geseculariseerd is. In een maatschappij waar de godsdienst netjes geregeld is, keurig binnen de kaders waar die vroomheid hoort; in de tempel, namelijk.
In 2013 is er heel veel veranderd. Maar één ding is nog altijd helemaal geldig: Gereformeerden moeten goed luisteren wat de Here tot hen zeggen wil. In de situatie van vandaag. Met de instrumenten van deze tijd.
Samuël heeft er waarschijnlijk al wel eens van gehoord: van de wonderdaden die de Here eertijds deed. Maar hij, en iedereen in zijn omgeving – Eli inbegrepen – moet het opnieuw leren: de Here spreekt nog steeds.
In de eenentwintigste eeuw behoren Gereformeerden te beseffen dat het Evangelie nog altijd geproclameerd wordt. Die blijde Boodschap moet verkondigd in de maatschappij zoals die zich héden ten dage manifesteert. Gods kinderen hebben de opdracht om Gods Woord uit te dragen: in woord en geschrift, in doen en in laten.

Kerkgang en eredienst: dat zijn geen kwesties van de automatische piloot.
Kerkgang en eredienst roepen om een antwoord op de vraag: wat vraagt de Here van ons; vandaag, morgen en overmorgen?

Jan en alleman praat vandaag de dag over liturgie. De monden zijn er vol van. De lucht is ervan bezwangerd.
Hoe dat alles zij: een goed verhaal over liturgie kunnen wij, op de keper beschouwd, in zes woorden samenvatten. Namelijk als volgt: spreek HERE, want uw knecht hoort.

Noten:
[1]
“Veel onkunde over betekenis eredienst”. In: Reformatorisch Dagblad, maandag 26 augustus 2013, p. 9.
[2] 1 Samuël 3:10.
[3] 1 Samuël 3:8 en 9.
[4] 1 Samuël 3:1.

28 augustus 2013

Laten wij wandelen in ’s Heren licht

Op deze internetpagina wordt vaak geschreven over actuele zaken. De kwesties van vandaag of gisteren. Van eergisteren desnoods. Maar daarmee is het dan ook wel bekeken: veel verder reikt onze blik meestal niet.
Dat heeft een nadeel. Veel grote lijnen zijn amper te zien.

Wat zien wij als wij wel een wat langere lijn uittekenen?
Hoe stond het er, bijvoorbeeld, in 1988 voor? Wat voor kerknieuws was er vijfentwintig jaar geleden?

Toen ging het over Godsverduistering. Die term werd geïntroduceerd door professor H. Berkhof (1914-1995)[1]. Zijn duiding van de tijd leverde heel wat discussies en schrijvensstof op.
Men zei dat die Godsverduistering de eigen schuld van de kerken was. Die kerken waren veel te benepen. Angstvallig conservatief, soms ook. Er werd gezegd dat God de grote afwezige is bij onze vragen die beginnen met ‘waarom’. Godsverduistering was plotsklaps overal. Communicatieproblemen, sociale ontworteling, cultuurcrisis – alles werd teruggevoerd op die verduistering.
We moeten op zoek, zeiden de deskundigen. In het donker moeten we tasten naar het lichtknopje[2].
Vandaag de dag, in 2013, weten we dat de Godsverduistering in ons land tot nu toe heeft dóórgezet. Het aantal kerkgangers neemt geleidelijk af. Ware gelovigen zijn er niet zoveel meer.
Maar we weten meer. Religie is, om zo te zeggen, overal en nergens. Zelfs mensen die zichzelf onkerkelijk noemen, zeggen soms dingen die reuze christelijk klinken. Bijvoorbeeld: ‘we moeten zorgen voor de mensen om ons heen’. Of: ‘we moeten de schepping goed beheren, anders gaat de aarde ten onder aan misbruik van grondstoffen’. Dat lijken aangename klanken. Het is echter zaak om niet te vergeten dat dergelijke filosofietjes heel selectief zijn: men maakt zich druk vanwege de persoonlijke drijfveer; of om een gegarandeerd gelukkig bestaan voor zonen, dochters en kleinkinderen. Maar de kernkwestie – alle eer aan God – is veelal vergeten.

In 1988 werd in Utrecht de eerste roze viering georganiseerd. In de betreffende kerkdienst had men, zoals dat toen heette, bijzondere aandacht voor seksuele diversiteit. Die vieringen werden een traditie. Eind juli van dit jaar zei iemand: “Ieder jaar weer is er een lokale groep enthousiaste mensen die aan de slag gaat en een viering neerzet die steevast 700 tot 800 mensen trekt. Voor sommige mensen is de viering op Roze Zaterdag de enige kerkdienst die ze in een jaar bezoeken”.
Westduitse homoseksuelen stichten in 1988 een eigen kerk. Er werd gedemonstreerd bij synodes. Er werden rapporten geschreven en verklaringen aangenomen[3].
Als een vloedgolf kwam dat vraagstuk op de kerken af. Niemand kon er meer omheen.
In onze tijd hebben wij nog altijd met deze zaken te maken.
Het is, dunkt mij, van eminent belang dat Gereformeerden, ook in 2013, duidelijk maken dat mensen met een homofiele geaardheid in de kerk van harte welkom zijn. Daarnaast kunnen en mogen wij er niet omheen kijken dat de Here, de God van hemel en aarde, homoseksuele relaties verbiedt. In Gods Woord staat nog altijd: “Toen zeide de mens: Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees; deze zal ‘mannin’ heten, omdat zij uit de man genomen is. Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen tot één vlees zijn”[4]. Zij: die man en die vrouw dus. Dat betekent niet dat ik homo’s discrimineer. Dat zou ik zeker niet willen! Ik houd mij echter wel aan de voorschriften van de Here. Want ik vertrouw erop dat Hij wijze wetten aan Zijn volk geeft.

Sinds 1988 is het aantal Gereformeerden gedecimeerd. Links en rechts liepen zij de kerk uit.
Waar liepen al die mensen heen? Antwoord: naar de baptisten, bijvoorbeeld. In april 2006 schreef het Friesch Dagblad over de groei van de baptistengemeente Bethel in Drachten. In 1988 had die gemeente zestig leden. In 2006 waren het er tweeduizend, kinderen niet meegerekend. “Ruim 47 procent van de ondervraagden gaf aan opgevoed te zijn in de GKN, 20 procent in de NHK en ruim 9 procent in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt).
(…) Op haar top in 1980 had de Gereformeerde Kerk Drachten – bedoeld is: Gereformeerd synodaal, BdR – ruim tienduizend leden. Tussen 1980 en 2000 kwam er een omslagpunt”. Iemand zegt:  “Hoeveel leden ze aan de Bethelkerk in Drachten zijn kwijtgeraakt is onduidelijk. Het gaat zeker om vele honderden”[5].
In het bovenstaande is een symptoom van een veel grotere ontwikkeling beschreven.
Achter in de jaren ’80 van de vorige eeuw ligt, als ik het goed zie, het beginpunt van de afbraak der kerkmuren. Een echt startschot daarvoor is, bij mijn weten, nooit gegeven. Maar feit is dat kerkgrenzen hoe langer hoe minder belangrijk werden. Hoe kwam dat? Ergens las ik de volgende typering, afkomstig uit een samenvatting van gedeelten uit een boek uit 1988: “Voor de meeste ouders lijkt de regelmatige kerkgang voornamelijk een kwestie van gewoonte te zijn, evenals het regelmatig gezamenlijk bidden en lezen uit een dagboek of de bijbel. Men vindt het belangrijk maar waarom blijft veelal onduidelijk. Ditzelfde geldt voor de zondagsregels en de verkeringsregels. Kort samengevat: de (beweeg)redenen voor de praktijken, regels en gewoonten die de meeste ouders geven of waarvan zij blijk geven, slaan uiteindelijk steeds weer terug op gewoonte en regel: ‘zo doen we dat nu eenmaal’ lijkt de belangrijkste drijfveer te zijn.
De godsdienstigheid van de meeste ouders kenmerkt zich verder – behalve door het hechten aan bovengenoemde gewoonten en regels op het niveau van de praktijken – door marginale relevantie, beleving, kennis en reflectie”[6].

Wie vijfentwintig jaar terugkijkt, realiseert zich hopelijk hoe belangrijk het is om te luisteren naar een tekst uit Jesaja 2: “Huis van Jakob, komt, laten wij wandelen in het licht des HEREN”[7]. Dat Schriftwoord staat in een perikoop waarin alle volken van de aarde worden opgeroepen om naar de Here toe te gaan. Vanuit Zijn woonplaats klinkt Zijn Woord. Vanaf Zijn troon wordt Zijn wet geproclameerd.
Wie zich niet aan die wet houdt, zal te maken krijgen met Zijn rechtvaardig oordeel en onomkeerbaar vonnis.
Dat is ook het moment van het laatste oordeel. Daarna zal er geen strijd meer zijn. Geen ruzie. En geen oorlog. Om nog eens met Jesaja 2 te spreken: “En Hij zal richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige natiën. Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren”[8].
Daar gaan Gereformeerde mensen in Nederland naar toe!

Als mensen vrede willen sluiten buiten Gods Woord om, komt er alleen maar meer ellende van.
Denkt u alleen maar aan het hierboven reeds genoemde vraagstuk der homoseksualiteit. Heeft de emancipatie der homo’s en lesbiennes vrede in de maatschappij gebracht? U weet het wel: het tegendeel is waar. Sterker nog, demonstraties voor en tegen homoseksualiteit zijn momenteel aan de orde van de dag.
Wie Gods Woord niet eerbiedigen wil en liever zijn eigen zin doorzet, moet er op rekenen dat daar alleen maar commotie en heisa van zal komen.

Gereformeerden behoren te leven naar de regels die Gods Woord geeft. Naleving van die voorschriften lijkt de vrijheid soms zeer te beperken.
Maar wie een paar langere lijnen trekt door de historie van kerk en wereld, ontdekt alras dat eigenzinnigheid en egocentrisme der mensen slechts resulteren in onheil en rampspoed.

Daarom moeten wij het – al is het tegen de stroom in – blijven belijden:
een kind van God “mag uit des Heren hand
voorspoed op zijn weg verwachten.
Het door God beloofde land
erven ook zijn nageslachten”[9]!

Noten:
[1]
Zie over H. Berkhof http://nl.wikipedia.org/wiki/Hendrikus_Berkhof .
[2] Zie: Ds. M. Baan, “Godsverduistering”. In: Reformatorisch Dagblad, donderdag 20 december 1990, p. 15. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/ .
[3] “Westduitse homo’s stichten eigen kerk”. In: Reformatorisch Dagblad, 3 september 1988, p. 2; Beierse synode omgeven door demonstraties”. In: Reformatorisch Dagblad, 25 november 1993, p. 2; “Homo’s naar leefwijze ten volle aanvaarden”. In: Reformatorisch Dagblad, 25 maart 1995, p. 1. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/ .
[4] Genesis 2:23 en 24.
[5] Zie http://www.frieschdagblad.nl/index.asp?artid=28827 .
[6] Zie http://www.pietvanderploeg.nl/resume.htm . Dit is een citaat uit een samenvatting van: Ron Benjamins en Piet van der Ploeg, “Gewoonweg Gereformeerd”. – Franeker: Van Wijnen, 1988.
[7] Jesaja 2:5.
[8] Jesaja 2:4.
[9] Dit zijn regels uit Psalm 25:6 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

27 augustus 2013

Bescheiden gelovigen leven antithetisch

Jezus Christus is altijd bij ons.
De Heidelbergse Catechismus is daar in Zondag 18 heel stellig over: “Christus is echt mens en echt God. Naar zijn menselijke natuur is Hij niet meer op aarde, maar naar zijn godheid, majesteit, genade en Geest verlaat Hij ons nooit meer”[1].

Dat is een krachtige belijdenis. Jezus Christus, die in deze wereld zonder enige twijfel aan de winnende hand is, reist met ons mee.
Wie dat bedenkt, voelt wellicht ook een zekere beschaamdheid opkomen.
Kinderen van de hoge God mogen zeker van hun zaak wezen. Niet omdat zij arrogant zijn. Niet omdat zij ergens boven de wereld zweven. Maar omdat zij de Overwinnaar altijd bij zich hebben.
In de kerk zitten echter mensen die regelmatig onzeker zijn. In de kerkbanken zien wij mensen die het regelmatig helemaal niet meer zien zitten. Daar komen we mensen tegen die met ziekte en zwakte behept zijn.
De kerk moet zich schamen. De kerkmensen moeten zich ootmoedig naar de Here toewenden. Zij moeten met hun gezicht naar Hem toe gaan staan. Zij moeten de wereld de rug toekeren.
Als kerkmensen Zondag 18 gaan lezen, worden zij tegenover God reuze bescheiden.
Als kerkmensen Zondag 18 gaan lezen, ontdekken zij weer hoe scherp de tegenstelling tussen kerk en wereld is. In de kerk hebben we daar een woord voor: antithese.

Daar hebben we twee kernpunten in Zondag 18:
* bescheidenheid
* antithese.

Laat ik u, nu het hierom gaat, een ogenblik mogen meenemen naar Athene.
En naar Handelingen 17.

Daar predikt Paulus het Evangelie. Hij is verbaasd en geïrriteerd over al die afgodsbeelden die hij ziet.
Maar hij zegt niet: mensen, nu zal ik u eens vertellen hoe het zit. Hij zegt niet: ik ga hier, in Athene, de boel eens omturnen.
De gezant van de Here verkondigt: “De God, die de wereld gemaakt heeft en al wat daarin is, die een Heer is van hemel en aarde, woont niet in tempels met handen gemaakt”[2]. Paulus wijst dus op de Schepper. Hij wijst omhoog. Hij laat blijken dat de Here niet in een huis woont zoals wij dat kennen. Daarin zien we die bescheidenheid terug. Al die wijze mensen in Athene kunnen van alles wél; maar het scheppen van deze wereld, dát lukt hen niet. En het lukt Paulus ook niet. Daarom moeten de mensen in Athene de Here aanbidden. In alle ootmoed.

In 2013 is dat niet anders geworden.
We leven in een tijd waarin mensen Gods schepping afbreken. In de krant lezen we zelfs over een mogelijke gifgasaanval in Syrië. De Nederlandse minister van buitenlandse zaken, de heer Timmermans, is heel boos. In het Nederlands Dagblad van vrijdag 23 augustus wordt hij als volgt geciteerd: “‘Ik vind het onbegrijpelijk en ook voor de wereldgemeenschap beschamend dat de Veiligheidsraad niet staat is om hier een duidelijk besluit te nemen’, zei Timmermans gisteren. De bewindsman kan ‘geen enkel begrip’ opbrengen voor China en Rusland, die het onderzoek blokkeerden. ‘Het gaat puur en alleen om vast te stellen wat gebeurd is en wie daar schuldig aan is’”[3].
Ziehier, een treffende omschrijving van de besluiteloosheid en de machteloosheid der wereld.
Op zondag 25 augustus staat Syrië, onder grote internationale druk, toe dat de Verenigde Naties onderzoek gaan doen naar die gifgasaanval[4]. Echter: veel Syriërs vinden dat de wereld veel te traag ingrijpt…
In die leefomgeving is het zaak om de Maker van deze wereld te aanbidden. Het is zaak om, alvorens de puinhopen van onze verdorven samenleving op te ruimen, aanbiddend naar de Heer van hemel en aarde te gaan. Bescheiden. Ootmoedig. Dan komen we bij Iemand – met een hoofdletter I! – die deze wereld redden wil. Dan komen we bij de Verlosser uit: de Man die, uit een overvloed van genade, ons heeft uitgekozen om Zijn kinderen te zijn. Bij Jezus Christus, dus!

In Handelingen 17 predikt Paulus ook: “Hij (dat is: de Schepper) heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald, opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons”[5].
Die Schriftwoorden zeggen mij tenminste twee dingen:
* de begrenzingen die we in ons leven zo vaak voelen, zijn door de Here gegeven.
We zeggen het zo vaak: ik kan niet alles tegelijk. Of ook: ik overzie het niet meer. Of: hoe kan het toch dat dit of dat gebeurt!…
We leven in een tijd waarin we heel vaak van elkaar niet meer weten hoe we in het leven staan. Zelfs ouders en kinderen weten soms heel weinig van elkaar.
Onder de kop “Ouder onderschat seksuele activiteit tiener” stond op donderdag 22 augustus in het Reformatorisch Dagblad onder meer te lezen: “Het verschil tussen wat wij dénken dat onze tieners doen en wat zij in werkelijkheid doen is groot”, concluderen de onderzoekers. Ouders van 12- en 13-jarigen vergissen zich bijvoorbeeld in tongzoenen (13 procent denkt dat hun kind dat weleens heeft gedaan, terwijl dat in werkelijkheid al 32 procent is) en onderschatten verliefdheid (67 procent tegenover 87 procent)”. En: “De verschillen op 16-jarige leeftijd zijn nog groter als het gaat over de inschatting of kinderen al seksuele ervaring hebben of niet. Van de ouders denkt 20 procent dat hun zoon of dochter manuele seks heeft, terwijl uit het onderzoek onder tieners blijkt dat dit 52 procent is. Voor wat betreft geslachtsgemeenschap liggen die percentages iets lager, maar het verschil tussen verwachting en praktijk is net zo groot: de ouders gaan uit van 16 procent, terwijl 43 procent van de jongeren aangeeft omgang te hebben gehad”[6].
Het gaat mij nu niet om de precieze cijfers. De kwestie is, denk ik, deze: we weten heel weinig van elkaar, omdat wij veelal zelf onze grenzen bepalen. Als wij zelf onze grenzen mogen aangeven, dan voelen wij ons vrij.
Daartegenover zeggen ware gelovigen: de Here zet de grenspalen in ons leven neer. En waarom doet hij dat? Dat staat ook in Handelingen 17.
* de Here wijst Zijn kinderen de weg om bij hun Heer te komen.
Dat vind ik een buitengewoon troostrijke gedachte: de Here bakent Persoonlijk het terrein af, zodat wij niet als een stel zotte zoekers op zoek gaan naar de zin des levens. De Here plaveit namelijk Zelf het pad waarop wij de Here zullen zoeken en vinden!

Bescheiden gelovigen lopen op de weg waar de Here hen hebben wil: het wandelpad dat leidt naar een toekomst met Hem.
En al wandelend realiseren zij het zich: de almachtige God gaat met ons mee.
En ook: wij worden vergezeld door de Koning, de Majesteit.
En ook: wij worden geleid door een genadige Heer; Hij houdt ons op het pad, zodat wij niet verdwalen.
En ook: de Heilige Geest woont in ons hart; dat is Zijn vaste verblijfplaats.

Dat geloof maakt Gods kinderen sterk.
Dat geloof geeft vurige vastheid in een weifelende wereld.

Noten:
[1]
Heidelbergse Catechismus – Zondag 18, antwoord 47.
[2] Handelingen 17:24.
[3] Zie “Ban-Ki-moon wil onderzoek naar aanval met gifgas”. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 23 augustus 2013, p. 1.
[4] Zie http://nos.nl/artikel/544051-syrie-laat-onderzoek-gifgas-toe.html .
[5] Handelingen 17:26 en 27.
[6] “Ouder onderschat seksuele activiteit tiener”. In: Reformatorisch Dagblad, donderdag 22 augustus 2013, p. 1.

26 augustus 2013

Definitief domicilie

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Laatst waren mijn vrouw en ik te gast bij een echtpaar waar, aan het eind van de middagmaaltijd, een deel van Ezechiël 48 werd gelezen.

Het eerste deel van dat Schriftgedeelte gaat over de verdeling van gebieden.
Ik citeer het begin van het hoofdstuk. “Dit nu zijn de namen der stammen. Van het noordelijke einde, langs de weg van Hethlon, totdat men komt te Hamath en Hazar-Enon, terwijl het gebied van Damascus noordwaarts ligt, ter zijde van Hamath, van de oostzijde tot de zee: Dan één deel; naast het gebied van Dan van de oostzijde tot de westzijde: Aser één deel; naast het gebied van Aser van de oostzijde tot de westzijde: Naftali één deel; naast het gebied van Naftali van de oostzijde tot de westzijde: Manasse één deel; naast het gebied van Manasse van de oostzijde tot de westzijde: Efraïm één deel; naast het gebied van Efraïm van de oostzijde tot de westzijde: Ruben één deel; naast het gebied van Ruben van de oostzijde tot de westzijde: Juda één deel; en naast het gebied van Juda, van de oostzijde tot de westzijde, moet de heffing liggen, die gij zult geven: vijfentwintigduizend el breed en de lengte als een der delen van de oostzijde tot de westzijde….”[1].

Bij het aanhoren van zulk een voorlezing stapelen de vragen zich op.
Waar gaat dit over?
Wat hebben wij er in 2013 aan om hiernaar te luisteren?

Op een kaartje waarop die verdeling aangegeven staat, is te zien dat het land na de ballingschap wordt verdeeld in rechthoekige stukken. Dertien in getal. Twaalf voor de stammen, en één voor het zogeheten heilige gebied, en de vorstelijke domeinen[2].

Dat dertiende stuk is dus een heilig deel van het land. Het wordt ook ‘de heilige heffing’ genoemd. Er wordt, om zo te zeggen, een stuk land afgezonderd; dat is bedoeld als woonplaats van de Here.
Daarin komt de tempel te liggen.
Midden in het land troont de Here. Daar zetelt Hij. Dat is de plek waar de macht wordt uitgeoefend. Dat is het gebied van waaruit het land wordt bestuurd.
Het is ook de woonplaats van de priesters. Al het tempelpersoneel vindt op dat terrein een huis. De hemelse God is zorgzaam voor de mensen die in Zijn dienst staan!

Wat gebeurt er zoal in Ezechiël 47 en 48?
Ik maak daar nu eerst vier opmerkingen over.
1.
In de hoofdstukken 40 tot en met 48 van Ezechiëls profetie wordt een nieuwe start gemaakt.
Na de ballingschap keert Israël naar het beloofde land terug. De Here belooft dat Zijn volk van alle zonden gereinigd zal worden.
Door de Heilige Geest geleid zullen Gods kinderen er weer zin in krijgen om de Here te dienen. De harten van alle volksgenoten zullen de Here toegewijd zijn.
2.
Het is volkomen duidelijk: God heeft de regie strak in handen.
Hij geeft allerlei maten en gewichten die in de dienst aan Hem gebruikt moeten worden.
Er komen allerlei voorschriften. Over feesten. En over de manier waarop geofferd dient te worden. Iemand schreef: “Zo zit in het profetisch boek een pak aan voorschriften en regelingen in verband met de tempel, de feestdagen, de offers. Ook burgerlijke zaken met de verdeling van de grond voor volk en vorst en de fiscale wetgeving worden in de rand van de religieuze regelingen meegegeven. Duidelijk een theocratisch model”[3].
3.
Aan de oostelijke voorkant van de tempel stroomt water.
Naarmate de afstand van het water tot de tempel groter wordt, zwelt het water aan.
Het wordt een rivier.
Die rivier garandeert nieuw leven. Die rivier brengt genezing. De oevers langs die rivier zijn, om zo te zeggen, oases van rust.
En wij begrijpen: de komst van de Here brengt een nieuw evenwicht. De dienst aan de God van hemel en aarde brengt bezieling in het land. Geestdrift, met hoofdletter G.
4.
Bij de verdeling van het land duiken de oude stamnamen weer op.
Zo wordt het natuurlijk in de eerste plaats duidelijk dat God een nieuw begin maakt.
Maar tegelijk wordt helder gemaakt dat de Here het verleden niet vergeet. Het is niet zo dat Hij een groot deel van de wereldgeschiedenis en de kerkhistorie moeiteloos doorstreept. Het is niet zo dat de voorbije jaren, met al hun hoogte- en dieptepunten, van nul en generlei waarde zijn.
Zo zit Gods wereld niet in elkaar.
Hij maakt Zijn kinderen klaar voor een nieuw, excellent bestaan in een fantastische wereld!

Er is meer te zeggen.

De Here maakt plaats voor al Zijn kinderen.
Er wordt geen stam vergeten. Geen enkele familie hoeft zich achtergesteld te voelen!
Graag wijs ik u op de formulering van Ezechiël 48:29: “Dit is het land, dat gij ten erfdeel moet verloten onder de stammen Israëls, en dit zijn hun delen, luidt het woord van de Here HERE”. Zó moeten de erfenissen worden verdeeld.
De Here geeft erfrechten aan Zijn volk. Dat doet denken aan Schriftgedeelten als Jeremia 10 en Jeremia 51: “Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de stam zijner erfenis: HERE der heerscharen is zijn naam!”[4].
De Here heeft een Verbóndsrelatie met Zijn volk. Daar komt helemaal niemand tussen!

Als wij kijken naar ons eigen leven, denken wij vaak: ach, het leven kabbelt voort.
Als wij naar Nederland kijken, denken we wellicht: die economische crisis is knap lastig, maar op een nader te bepalen moment komen weer úit recessie en crisis.
Als wij naar de wereld kijken, denken we misschien: we moeten, als het over onze omgang met de aarde gaat, duurzamer werken; wij moeten zuiniger op de aarde zijn.
Als ik mij niet vergis, hebben we heel vaak niet beeld dat de Here bezig om voor Zijn volk een definitieve woonplaats te maken.

Het creëren van een eeuwig domicilie voor al de door Hem gekochte kinderen: dat is, om zo te zeggen, de kernactiviteit – zo u wilt: de core business – van de Schepper van hemel en aarde.
Ezechiël 48 maakt duidelijk hoe lang de Here daar al mee bezig is. In dat Schriftgedeelte toont de Here dat er bij de uitvoering van Zijn heerlijke plan een nieuwe fase is bereikt.
In 2013 zijn we een stuk verder in de wereldgeschiedenis. Vandaag de dag wordt er alom getwijfeld aan de presentie van de hemelse God. Hij is er niet meer, zeggen velen. Hij kijkt vanaf de zijlijn toe, suggereren anderen.
In die wereld lezen Gereformeerden de Bijbel. Gewoon aan tafel. Achter het bureau. Of in de stoel. En in dat Woord is nog altijd Ezechiël 48 opgenomen. Bij oppervlakkige lezing zegt dat hoofdstuk ons niet zoveel. Maar als we wat beter kijken zijn er troostrijke conclusies te trekken. In het voorgaande is dat wel bewezen.
Wij lezen verder. Want dat kán in 2013. Dus waarom zouden wij dat niet doen?
Bijvoorbeeld in Openbaring 21: “En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee was niet meer. En ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is. En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn, en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er meer zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan”[5].
Ja, ook in Openbaring 21 heeft de Here aandacht voor maten: “En hij, die met mij sprak, had een gouden meetstok om de stad op te meten, en haar poorten en haar muur. En de stad lag in het vierkant en haar lengte was even groot als haar breedte; en hij mat de stad op met de stok: twaalfduizend stadiën; haar lengte en haar breedte en haar hoogte waren gelijk. En hij mat haar muur op: honderd vierenveertig el, mensenmaat, die engelenmaat is”[6].
Boven dit artikel staat: definitief domicilie. De Here toont namelijk de eeuwige behuizing van Zijn kerk. De contouren van de glorieuze woonplaats van Zijn kinderen zijn reeds te zien.
En de Here zegt: mensen, kijk maar goed!

Ik ga weer even terug naar die eettafel waarmee dit artikel begon. Daar werd een stuk van Ezechiël 48 gelezen.
’t Was op zondagmiddag 18 augustus 2013, tussen beide kerkdiensten in.
Ach… zo’n Bijbellezing, wat zegt dat nou? Antwoord: heel veel. Maar dan moeten we wel iets verder kijken dan onze neus lang is. Dat blijkt maar weer.

Noten:
[1]
Ezechiël 48:1-8.
[2] Zie http://www.oudesporen.nl/Download/OS1285.pdf .
[3] Zie http://denieuwefilosoofvanoudenburg.skynetblogs.be/archive/2012/05/21/ezechiel-45-46-47-en-48.html .
[4] Jeremia 10:16 en Jeremia 51:19.
[5] Openbaring 21:1-4.
[6] Openbaring 21:15, 16 en 17.

23 augustus 2013

Bekeerd worden…?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Aanstaande zondag hopen Gods kinderen weer naar de kerk te gaan.
Waarom doen zij dat?
Zij gaan daar heen om, samen met andere kinderen van God die in de omgeving wonen, God te eren en naar Zijn Woord te luisteren.

Het is van belang om dat duidelijk voor ogen te hebben.
Dat realiseren we ons als wij de woorden van enkele tieners uit de Gereformeerde Gemeenten tot ons door laten dringen. Zij zijn naar een kerkdienst van de Gereformeerde Gemeente te Tricht-Geldermalsen geweest. Het was, zeggen zij in het Nederlands Dagblad van zaterdag 17 augustus, een mooie dienst. En waarom dan? Antwoord: “We komen hier om de boodschap te horen om bekeerd te worden. Dat is de reden waarom je naar de kerk gaat en daarom geloof je”[1].

Ik citeer nogmaals: “We komen hier om de boodschap te horen om bekeerd te worden”.

Wat zeggen die tieners eigenlijk?
De vorenstaande zin loopt niet over van duidelijkheid.
Maar als ik goed gelezen heb, bedoelen die jongens het volgende.
Als we naar de kerk gaan, worden we misschien krachtdadig bekeerd. Als wij niet naar de kerk gaan, weten we zeker dat er niks gebeurt. Als we hier gaan zitten, mogen we hopen dat we in het hart worden gegrepen – je weet nooit.

Binnen de Gereformeerde Gemeenten, en andere kerken die veel nadruk op bevindelijkheid leggen, is het een gebruikelijk woordpaar: bekeerd worden.

Dominee P. Blok zei vorig jaar in het familieblad Terdege: “Wat is toch een mens! Er blijft op een operatiekamer echt niets van je over. Als je meent iets te zijn, kom je daar wel aan de weet dat je je bedriegt. Al die ballast van ons leven heeft geen enkele betekenis. Alleen de blanke gerechtigheid van Christus blijft dan over. Na de operatie moest ik opnieuw bekeerd worden[2].
Ds. C.J. Meeuse zei eens: “Mensen willen een andere boodschap horen, zoeken een andere sfeer. Dan vraag ik hun: ‘Moet je in de andere gemeente nog bekeerd worden, of heb je het geloof al? Als ze je dat aanpraten, ben ik voor God verantwoordelijk als ik je niet waarschuw’”[3].
In het Reformatorisch Dagblad vroeg een meisje eens: “Ik denk er de laatste tijd veel over na dat ik bekeerd moet worden. In de Bijbel staat: Zoekt en gij zult vinden. Maar dat kunnen wij toch zelf niet? We moeten toch wachten tot God in ons leven komt?[4].

Hoe zit het eigenlijk met dat ‘bekeerd worden’?

Die woordcombinatie komt voor in de Statenvertaling van Johannes 12: “Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze”[5].
De Herziene Statenvertaling heeft op dat punt: “Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard, opdat zij niet met de ogen zouden zien en met het hart inzien en zich bekeren en Ik hen zou genezen”.
De N.B.G.-vertaling 1951 spreekt, net als de HSV-2010, van ‘zich bekeren’. Het Griekse Woord epi-straphosin betekent ook: zij bekeren zich[6].

Waar gaat het in Johannes 12 om?
Het centrale punt is daar dat de Joden zich verharden.
Op die manier wordt de profetie van Jesaja 6 vervuld: “Hoort aldoor – maar verstaat niet, en ziet aldoor – maar merkt niet op”[7].
God zorgt er Zelf voor dat de oren nog dover worden. De prachtige gevolgen van het werk van Jezus Christus blijven onopgemerkt. De harten worden nog harder.

Maar daarmee is over Johannes 12 nog niet alles gezegd.

Want de mens heeft in datzélfde Johannes 12 wel degelijk een eigen verantwoordelijkheid. Wat is de kern daarvan? Het antwoord staat in de verzen 36 en 46 van het hoofdstuk.
Vers 36: “Gelooft in het licht zolang gij het licht hebt, opdat gij kinderen des lichts moogt zijn”.
Vers 46: “Ik ben als een licht in de wereld gekomen, opdat een ieder, die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijve”.
Geloof in Mij!, zegt Jezus Christus. Dat vraagt de Here van ons. Dat is onze taak in de wereld. Dat moet het uitgangspunt zijn bij al ons doen en laten.

Jezus laat ook duidelijk blijken dat Hij een gezant uit de hemel is. Hij brengt geen áárdse boodschap – welnee. Christus is vanuit de hemel naar de aarde gekomen. Hij zegt: “Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij, maar in Hem, die Mij gezonden heeft”. En nog een keer: “…wie Mij aanschouwt, aanschouwt Hem, die Mij gezonden heeft”. Het Evangelie heeft, met andere woorden, onaardse proporties en hemelse dimensies. Des te meer reden dus, om in Hem te geloven!

In Johannes 12 en volgende hoofdstukken bereidt Christus Zich voor op Zijn kruisdood.
Kinderen van God uit alle plaatsen en van alle tijden mogen geloven dat Zijn lijden en sterven voldoende was om de wereld te redden.
Daar mogen wij vast op vertrouwen.
Dat moet, gedurende heel ons leven, onze zekerheid wezen.

In het Nieuwe Testament staan, bij mijn weten, nergens passages van het type: nu moet u rustig gaan afwachten, en misschien gebeurt er dan nog wel eens wat. Of: als u nu maar ijverig naar de kerk blijft gaan, dan wórdt het nog wel eens wat met u.
De vermaning is kort maar krachtig: geloof in Mij!

Die tieners uit Tricht-Geldermalsen zeggen: “We komen hier om de boodschap te horen om bekeerd te worden”. En de onuitgesproken woorden hangen in een onzichtbare ballon boven de jonge sprekers: wij hopen maar dat er ooit wat bijzonders gebeurt…
Misschien hebben die jongelui hun eigen probleem nog niet eens precies gepeild. Maar naarmate zij verder opgroeien, zal het hen – naar ik vrees – steeds vaker verteld worden: zolang jullie niks voelen, is Gods werk in jullie leven nog onvoltooid.

Opnieuw citeer ik Johannes 12.
“En toch geloofden zelfs uit de oversten velen in Hem, maar ter wille van de Farizeeën kwamen zij er niet voor uit, om niet uit de synagoge te worden gebannen; want zij waren gesteld op de eer der mensen, meer dan op de eer van God[8].
Kijk, daar raken wij een centraal punt.
God dient geëerd te worden.
Met heel ons verstand.
En met al onze krachten.
Wij hoeven niet onzeker te zijn, of het misschien nog eens mag komen staan te gebeuren dat een troostend Schriftwoord op ons gemoed valt.
Wij hoeven niet te focussen op ons vaak zo veranderlijke hart.
Wij mogen het weten: wat Jezus Christus in Zijn Woord zegt is ruim voldoende om ons te redden. Wat Hij zegt is volkomen betrouwbaar. Wij hoeven er niks bij te bedenken, teneinde onze redding – om zo te zeggen – dubbel te garanderen.

Aanstaande zondag gaan wij weer naar de kerk.
Wij gaan daar heen om, samen met andere kinderen van God die in de omgeving wonen, God te eren en naar Zijn Woord te luisteren.
Er wordt geen zelfredzaamheid gevraagd. Dat is een hele opluchting.
Die gewone kerkgang is daarom vol van geloofsblijdschap.

Aanstaande zondag wordt het weer een mooie dag.
Daar vertrouw ik op.
Dat weet ik zeker.

Noten:
[1]
Linda Stelma, “’U kunt niet blijven wie u bent’”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 17 augustus 2013, p. 2.
[2] Geciteerd via: Reformatorisch Dagblad, 15 december 2012, p. 2 (rubriek ‘Kerkelijke pers’). Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/013f3add56cda80cf6bf89f9/terdege-ecclesia/1 .
[3] Janita van Hoeven en Albert-Jan Regterschot, “Machteloos bij kerkelijke krimp”. In: Accent, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, zaterdag 27 oktober 2012, p. 13. Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/013e3e8073836eb7922c5a9f/machteloos-bij-kerkelijke-krimp/4 .
[4] In: Reformatorisch Dagblad, 27 december 2011, p. 16 (rubriek ‘Punt Uit’). Ook te vinden op http://www.digibron.nl/search/detail/013562959b71f754913e4150/bekering/18 .
[5] Johannes 12:40.
[6] Hier gebruik ik de webversie van de Studiebijbel.
[7] Jesaja 6:9.
[8] Johannes 12:42 en 43.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.