gereformeerd leven in nederland

30 september 2013

Het gevecht van Jan Pronk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Wij lezen regelmatig in Gods Woord.
Wat gebeurt er, als wij dat doen? Antwoord: dan spreekt de Here God tegen ons. Als Hij spreekt, moeten wij luisteren. Want de Here spreekt met gezag.
In de Bijbelse tijd was dat ook al zo. Ik wijs u op Marcus 1: “En allen werden zeer verbaasd, zodat zij elkander vroegen, zeggende: Wat is dit? Een nieuwe leer met gezag! Ook de onreine geesten geeft Hij bevelen en zij gehoorzamen Hem”[1]. Paulus schrijft in 2 Corinthiërs 2: “Want wij zijn niet als zovelen, die winst maken uit het woord van God, maar wij spreken in Christus uit zuivere bedoelingen, ja, op gezag van God en voor Gods aangezicht”[2].
God spreekt met gezag. En mensen die vanuit de Schrift redeneren, mogen ook met gezag spreken.
Sprekers die God alle eer geven verdienen aandacht.

Omdat God met gezag spreekt, is er geen sprake van een dialoog.
Als het goed is, spreken kerkmensen in veel gesprekken de Bijbel na. Als het in die gesprekken gaat over de waarheid van Gods Woord is er geen sprake van een discussie. Er is geen echte gedachtewisseling. Er is geen samenspraak, waarbij mensen tot een gezamenlijk standpunt moeten komen.

Als God spreekt, is Hij toonaangevend.
Wij kunnen geen dialoog met Hem aangaan.
Er zijn wel mensen die brieven aan God hebben geschreven. Kinderen bijvoorbeeld. Maar ook volwassenen. Dat is geen goede zaak.
In het Nederlands Dagblad van afgelopen donderdag, 26 september, kwam Jan Pronk aan het woord.  Ooit was hij minister, en VN-gezant voor Soedan[3]. Hij sprak ook over die brievenschrijverij. En wel als volgt: “De EO vroeg me ooit een brief aan God te schrijven. Maar we hebben een prachtige brief gekregen, de Bijbel. Alle handvatten om te leven staan erin. God vraagt niet om een brief terug te schrijven, Hij vraagt ons ernaar te leven”[4].
De heer Pronk heeft het begrepen. Dat ziet u.

Toch is het spreken van de heer Pronk op onderscheiden punten niet scherp genoeg. Het is, als u het mij vraagt, een typisch geval van‘net niet’.
Wat zegt Pronk? “Hij vraagt ons naar de Bijbel te leven”.
Daar gaat al iets helemaal mis. De Here eist dat wij Zijn Woord eerbiedigen. Denkt u maar aan de tien woorden van Gods verbond van Exodus 20: gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben, gij zult u geen gesneden beeld maken – enzovoort.
Hierboven staat een belangrijk woord: verbond. Dat woord brengt ons bij Genesis 17: “Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn”[5].
In het verbond is er een grote belofte, maar ook een eis. Ik citeer opnieuw Genesis 17: “Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht, en wees onberispelijk”[6].
Het geloof is geen kwestie van vraag en aanbod. Het is een verbondszaak.
En dat heeft Jan Pronk niet begrepen.

Jan Pronk wil ten diepste niet van genade leven.
“Ik geloof niet in een persoonlijke God en kan ook niet meer bidden. Althans, niet het traditionele gebed waarbij je hulp en leiding vraagt”.
U ziet het: Jan heeft geen hulp nodig. En leiding geeft hij zelf wel.
In mijn hart voel ik een steek van teleurstelling. Ik had Jan Pronk zo graag gegund dat hij heel zijn leven – met alle bezigheden en belevenissen – zou overgeven aan zijn Schepper. Daar zou het leven zoveel rustiger van worden. Er kwam meer zekerheid. En meer stabiliteit.

Ergens begrijp ik Jan Pronk niet.
Want hij ziet zo scherp. En hij heeft veel gezien. Hij heeft ontdekt hoe hulpeloos de mens ten principale in elkaar zit.
Leest u maar mee: “Ik heb in mijn leven veel meegemaakt en gezien. Ik ben niet cynisch geworden, wel pessimistisch. De mens is bezig de aarde te verwoesten. Waarden worden steeds meer geschonden. De mens is reuze-arrogant. Bij velen heerst een gedachte dat het wel goed komt, omdat we meester zijn over de technologie. Die zal ervoor zorgen dat toekomstige generaties problemen kunnen oplossen, die wij nu creëren. Wat een hovaardij. Technologie is mensenwerk. We lossen er niet alleen problemen mee op, we maken er ook massavernietigingswapens mee. Of ze tast onze privacy aan, waardoor we minder mens worden”.
Jan Pronk ziet arrogantie. Heerszucht. En hovaardij.
Een gelovig mens trekt de conclusie: het enige dat de mensheid nog redden kan, is Gods genade.
Ik zou toch zo graag willen dat Jan Pronk dat ook erkent. Ik zou willen dat hij begrijpt dat de levensvreugde opvlamt als je in afhankelijkheid van God leeft.
Niet dat alle problemen dan in één klap opgelost zijn. Maar het geeft wel rust in situaties waarin alles je zo ongeveer bij de handen afbreekt.

Het lijkt wel alsof Jan Pronk voortdurend in gevecht is met zichzelf.
Hij zegt: “Mijn werk heeft geen eeuwigheidswaarde”. En: “…teleurstellingen maken me bescheiden”.
Maar hij spreekt ook uit: “Ik denk niet na over mijn dood. Ik ben 73 en voel me nog heel jong. Ik heb nog nooit in een ziekenhuis gelegen. Wat dat betreft ben ik een geluksmens. Ik denk niet aan de dood, ik denk aan wat ik nog moet doen. De dood is voor mij Somalië, Rwanda, Sudan. Moord en doodslag. Ik heb het gezien, gevoeld en geroken. De zonde in ultima forma. Het is zó erg dat je alles wilt doen om het tegen te gaan”.
Aan de ene kant is er de bescheidenheid. De ootmoed.
Aan de andere kant is er het activisme van iemand die de rommel in de wereld zelf op wil ruimen.

Jan Pronk lijkt me een aardige man. Gedreven. En oplossingsgericht.
Als het gaat over durf en volharding kunnen wij, denk ik, soms een voorbeeld aan hem nemen.
Jan Pronk wil echter te veel zelf regelen. Hij is, ook wat dat betreft, echt een mens. Een zondig mens.

Nog één keer wil ik in dit artikel Gods Woord citeren.
Het betreft een passage uit 1 Petrus 4.
“Indien gij door de naam van Christus smaad lijdt, zijt gij zalig, daar de Geest der heerlijkheid en de Geest Gods op u rust. Laat dus niemand uwer moeten lijden als moordenaar, of dief, of boosdoener, of als een bemoeial. Indien hij echter als Christen lijdt, dan schame hij zich niet, maar verheerlijke God onder die naam. Want het is nu de tijd, dat het oordeel begint bij het huis Gods; als het bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods? En indien de rechtvaardige ternauwernood behouden wordt, waar zal dan de goddeloze en zondaar verschijnen? Laten derhalve ook zij, die naar de wil van God lijden, hun zielen aan de getrouwe Schepper overgeven, steeds het goede doende”[7].
Gods kinderen moeten in de wereld goede dingen doen.
Zij moeten Christus dienen.
Het eindoordeel over die dienst ligt bij God.
Kerkmensen worden streng beoordeeld. Dat zij een eeuwig leven tegemoet gaan, is enkel en alleen te danken aan de reddingsactie van Christus.

Hoe loopt het af met ongelovigen?
De vraag stellen is haar beantwoorden.

Het verhaal van Jan Pronk leert kinderen van God om opnieuw om vast te vertrouwen op Gods glorieuze beloften.
En ja, wij weten het: dan lopen wij deuken op. Wij raken beschadigd.
Het zij zo.
Laten wij ons leven in Gods handen geven. Steeds het goede doende.
Dan komt alles goed.
Want het verbond dat God met mensen sloot biedt een eeuwigheidsperspectief.

Noten:
[1]
Marcus 1:27.
[2] 2 Corinthiërs 2:17.
[3] Zie ook http://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Pronk_(politicus) . Zijn internetpagina is te vinden op http://janpronk.nl/ .
[4] Aaldert van Soest, “Mijn werk heeft geen eeuwigheidswaarde”; interview met Jan Pronk. In: Nederlands Dagblad, donderdag 26 september 2013, p. 16.
[5] Genesis 17:7.
[6] Genesis 17:1.
[7] 1 Petrus 4:14-19.

27 september 2013

Zeven vragen en antwoorden

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

‘Jezelf prijsgeven voor eenheid’: dat is de kop boven een artikel van professor Bram van de Beek. De verhandeling staat in het Nederlands Dagblad van dinsdag 24 september.
We zouden bereid moeten zijn om onze identiteit op te geven, staat er. Net als in het Bijbelboek Handelingen. Men zocht elkaar weer, nadat er grote spanningen waren geweest.
Er was sprake van verschil in taal: er waren Arameessprekenden en Griekssprekenden.
Er waren onderscheiden culturen.
Besneden mensen, en niet-besnedenen.
En iedereen moest water bij de wijn doen. Besnedenen moesten begrijpen dat de besnijdenis niet meer nodig was. En heidenchristenen moesten zich “onthouden van bloed, van afgodenoffers, van gestikte dieren en van hoererij”.
Van de Beek schrijft: “Dat wordt van christenen gevraagd voor de eenheid van de kerk. Ze geven zichzelf op. Ze doen dat voor de eenheid van de kerk. Ze doen dat voor de eenheid van Christus, want in Hem verlies je je identiteit. Je wordt lid van zijn lichaam en zijn lichaam is één”[1].

Het artikel van Van de Beek kriebelt mij.
Ik krijg er jeuk van.
Want hij suggereert: als iedereen een paar stapjes doet, dan ontmoeten wij elkaar vanzelf. Oftewel: als iedereen een flesje water klaar zet om bij de wijn te doen, dan wórdt het nog wel eens wat in de kerk.
Maar de kerk is geen compromissenclub.
Gelovigen moeten zich overgeven aan Jezus Christus. Compromisloos. Zij moeten wandelen met God. Er is niemand die vraagt om daar zogenaamd genuanceerde verhalen over te houden.

Naar aanleiding van zijn overpeinzingen stelt Van de Beek zeven vragen, die ik hieronder gaarne beantwoord.

1.
“Zijn we bereid de anderen met wie we samen zijn, te beschouwen als behorende tot de ene gemeenschap van Christus, die Hij geroepen heeft door het ene Woord in de ene doop om Hem na te volgen?”.
Antwoord:
In de vraagstelling zit een probleem. Mensen zijn namelijk niet bij elkaar. Van nature niet. Als zij al samenklonteren, is dat niet zelden om verkeerde dingen uit te denken.
Jezus Christus brengt Zijn kinderen bij elkaar. Hij roept hen. En Hij laat hen dopen. Omdat Hij een verbond met Zijn kinderen gesloten heeft. Omdat Hij onze zonden vergeven wil. Omdat Hij ons Zijn Heilige Geest gegeven heeft, die ons op de door God aangewezen wegen wandelen doet.

2.
“Kunnen we onze eigen godsdienstige identiteit formuleren? Wat is het veilige huis waarin we wonen, en waar hebben we vaste grond onder de voeten? Wat willen we niet kwijt? Willen we toelaten dat anderen ons helpen om dat te benoemen?”.
Antwoord:
Ware gelovigen willen in leer en leven Gods Woord eerbiedigen.
Iedere zondag komen alle echte christenen uit een plaats of regio samen om naar dat Woord, en de uitlegging daarvan, te luisteren. Bij dat Woord is het veilig. De Here roept ons in Zijn huis, en biedt ons een hecht fundament onder ons leven. Dat willen wij nooit kwijt.
Het zou mooi zijn als velen mét ons zouden gaan. Niet om dingen te benoemen. Maar om Gods eer groot te maken.

3.
“Wat is de identiteit van een christen?”.
Antwoord:
Ik omschrijf die met Romeinen 8.
“Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn. Want de wet van de Geest des levens heeft u in Christus Jezus vrijgemaakt, van de wet der zonde en des doods (…). Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here”[2].

4.
“Zijn we bereid alles wat we onder vraag 2 hebben genoemd – en hadden moeten noemen, maar verzwegen – op te geven wat anders is dan wat we op vraag 3 antwoordden?”.
Antwoord:
In antwoord 2 gaat het over de veiligheid bij God en Zijn Woord.
In antwoord 3 gaat het over ‘in Christus Jezus zijn’.
Dat is niet wezenlijk van elkaar verschillend.
Die veiligheid in Christus Jezus geven ware gelovigen nooit op.
Professor Van de Beek maakt de indruk alsof hij in de antwoorden 2 en 3 lange, horizontaal gerichte verhalen verwacht. Als je zulke verhalen ophangt, ben je als gelovige mensen binnen de kortste keren overal en nergens. Doch niet in de kerk.

5.
Zijn we bereid elkaar de hand te geven als we dit in aanmerking nemen?
De vraag is natuurlijk wat we nu precies in aanmerking moeten nemen.
Maar één ding is zeker: ware christenen geven ieder graag de hand die
* in heel zijn leven veiligheid bij Jezus Christus zoekt
* in leer en leven heel Gods Woord eerbiedigt
* en zo in Christus Jezus is.

6.
“Hoe geven we dit in onze tijd ruimhartig organisatorisch gestalte?”.
Antwoord:
Dit is, wat mij betreft, een merkwaardige vraag. Dientengevolge is het antwoord wellicht ook enigermate opmerkelijk.
Het woord ‘gestalte’ betekent: de verschijning, het aanzien.
Het woord ‘organisatorisch’ betekent: betreffende de ordening. Dat gaat over de samenstelling van de kerk.
Het woord ‘ruimhartig’ betekent: edelmoedig, onzelfzuchtig.
Als ik het goed zie vraagt professor Van de Beek: hoe zou de kerk in onze tijd onbaatzuchtig vorm moeten worden gegeven, zodat de kerk er van buiten mooi uitziet?
Onze Here Jezus Christus geeft de kerk vorm. Hij heeft Zijn leven gegeven om zonden te vergeven. Dat was pas onbaatzuchtig. Ware gelovigen hebben daar allemaal baat bij.
Vanuit de wereld gezien ziet de kerk er lelijk uit. Afstotelijk. Irritant. Buitengewoon lastig.
Maar Gods kinderen zullen de kerk vinden. De kerk: mét lidwoord. Want de hemelse God brengt hen daar Zelf naar toe.

7.
“Zijn we bereid te leven uit de ene verkondiging van de opgestane Christus die de Geest voor ons heeft uitgesproken door Petrus in de éne doop in het breken van het ene brood? En zijn we bereid aan Jezus over te laten hoe het met de anderen zit – en ook bereid om achter Petrus aan te lopen, ook als die de verkeerde vragen stelt?”.
Antwoord:
Kerkmensen wandelen met God. En zij vormen een gemeenschap met allen die God uitgekozen zijn. Zulke mensen noemen wij in de regel: uitverkorenen.
Wie er bij de kerk horen, dat laten we uiteindelijk aan onze Here Jezus Christus over.
En laten we het zuiver stellen. We lopen achter onze Heiland aan.
Jawel, in de stoet gelovigen komen we dan ook Petrus tegen. Petrus zal echter geen verkeerde vragen stellen. Waarschijnlijk stelt hij geen enkele vraag. Boven die lange stoet gelovigen hangt, denk ik, maar één vraagteken. Het is het vraagteken van Johannes 11: “…een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat?”[3].

Noten:
[1]
Bram van de Beek, “Jezelf prijsgeven voor eenheid”. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 24 september 2013, p. 11.
[2] Romeinen 8:1, 2, 38 en 39.
[3] Johannes 11:26.

26 september 2013

Debora, Barak en Gods voorzienigheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Mannen vormen samen het sterke geslacht, zeiden de mensen vroeger[1]. Tegenwoordig is men daar wel zo ongeveer van terug gekomen. Maar de uitdrukking ‘het sterke geslacht’ bestaat nog steeds. Het is ook heel Schriftuurlijk om te zeggen: de man moet voorop gaan.

Het vreemde is dat we daar in Richteren 4 – de geschiedenis van Debora en Barak – maar weinig van zien. Barak wordt door Debora in dienst geroepen. En dan nog is Barak niet echt gewillig. Akkoord, hij wil zijn missie wel volbrengen. Maar dan moet Debora wel meegaan.
Ze gaat ook mee. En ze wordt de stimulator van een expeditie om Israël te bevrijden van de Kanaänitische koning Jabin en diens opperbevelhebber Sisera.

De Kanaänieten hadden, zo omschreef iemand, een “technologisch voordeel”[2]. Negenhonderd ijzeren strijdwagens hadden ze in die tijd. Dat was natuurlijk niet niks!
Commentatoren zeggen ook dat Jabin en Sisera veel meer volk op de been konden brengen als Israël. Daarbij valt het ook op dat Debora en Barak slechts uit twee stammen krijgsvolk rekruteren: uit Naftali en uit Zebulon. Van de rest van Israël horen we niets. Wilden de andere tien stammen niet worden lastig gevallen?
Wellicht vond de Here het wel genoeg om uit te rukken met twee stammen. Het ging tenslotte om Zijn mobilisatie-order.

Hoe dan ook: uit Richteren 5 weten we dat het tijdens de achtervolging van Jabin en Sisera heel slecht weer moet zijn geweest.
“Van de hemel streden de sterren,
vanuit haar banen streden zij tegen Sisera.
De beek Kison sleurde ze mee
de aloude beek, de beek Kison
– ga voort, mijn ziel, met kracht! –
toen dreunden de hoeven der paarden
van het wilde jagen dier dapp’ren”[3].

Dat betekent: het water kwam met bakken uit de hemel. Zóveel tegelijk, dat het wel leek alsof de sterren voor de gelegenheid meevochten in de strijd. Er kwam zoveel water dat de Kison buiten haar oevers trad. Dat was echt geen vredig beekje meer!
Het moet geweldig tekeer zijn gegaan. Vernietigend voor mens en dier. Richteren meldt het ons zonder omhaal van woorden: “… en het gehele leger van Sisera viel door de scherpte des zwaards; niet één bleef er over”[4]. De scherpte des zwaards! Je zou haast zeggen: als je alles gehad hebt, krijg je dat ook nog!

Als dit tot ons is doorgedrongen, kan ook duidelijk zijn dat Debora en Barak in Richteren 4 niet in het middelpunt staan. En Jabin of Sisera ook niet.

Het gaat in de eerste plaats om Gods voorzienigheid. Het gaat om de “almachtige en tegenwoordige kracht van God, waardoor Hij hemel en aarde, met alle schepselen, als met zijn hand in stand houdt en zó regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede en alle dingen, niet bij toeval, maar uit zijn vaderhand ons ten deel vallen”.
U herkent vast de woorden van de Heidelbergse Catechismus wel[5].

Maar de Kanaänieten dan? Daar bleef helemaal niemand van over. Die werden helemaal niet in stand gehouden.
Wat is de kern van deze historie?
Het gaat om:
1. Gods voorzienigheid
2. het plan dat God met Zijn verbondsvolk heeft. Hij wil Zijn kinderen naar het land van de beloften brengen.

Iemand schreef naar aanleiding van Richteren 4: “Hij geeft de overwinning. Laten wij in gehoorzaamheid Hem achterna gaan. Laten we de vijand bestrijden met de waarheid. De leugen is in de stad, occultisme en afgodendienst. Het was een hele cultus. Daar kun je je niet mee vermengen. Dat had God ook keer op keer gezegd. Maar daar zal dan ook in de toekomst harder aan gewerkt moeten worden! We moeten dus geen compromis sluiten met de vijand, ook vandaag niet. Belagers liggen op de loer. Laten we zonder zonde blijven en wijzen op die ene weg tot verzoening door het offer van de Here Jezus. Daar moeten we niet zachtjes over praten, maar het van de daken schreeuwen”[6].
Die schrijver heeft wel gelijk.
Toch heb ik de neiging om het accent wat te verleggen.
Wij moeten niet vergeten dat het in Richteren 4 in de eerste plaats en vooral om een straf van de Here gaat. Kijkt u maar: “Toen gaf de HERE hen over in de macht van Jabin, de koning van Kanaän, die regeerde te Hazor, en wiens krijgsoverste Sisera was, die te Haróseth-Haggojim woonde”[7].
Maar: als de Israëlieten zich dan weer tot de Here wenden, start de Here een ‘schoonmaakactie’.
Debora zegt tegen Barak: Heeft de “HERE, de God van Israël, niet geboden: ga heen, trek naar de berg Tabor en neem met u tienduizend man Naftalieten en Zebulonieten, en Ik zal aan de beek Kison Sisera, de krijgsoverste van Jabin, naar u toe voeren met zijn strijdwagens en zijn troepen, en Ik zal hem in uw macht geven?”[8].
Wat is nu de moraal van dit verhaal?
We moeten ons verbazen over Gods genadig ingrijpen. En dat na zóveel ongehoorzaamheid!
Wij kunnen wel roepen: wij moeten dit, en wij moeten dat.
Maar het is in Richteren 4 wel de Verbondsgod die de zaken aanpakt!
De Israëlieten zijn tot het besef gekomen dat het anders moet: daarom zijn ze weer met het gezicht naar de Here gaan staan. Dat is waar. Maar aan de verdrukking van Jabin kunnen de Israëlieten niet op eigen kracht een einde maken.
Dit Schriftgedeelte cirkelt niet om mensen die wakker moeten worden.
Het gaat om de uitvoering van het plan dat God met Zijn volk heeft.

Vandaag is de ‘vrouw in het ambt’ prominent in beeld.
Onlangs heb ik daar op deze plek al wat over geschreven[9].
Het is duidelijk: Debora laat heel Israël mee profiteren van haar geloofswijsheid. Maar is Debora nu typisch een voorbeeld van de vrouw in het ambt?
Wie in Richteren 4 een aanknopingspunt zoekt om daarover te spreken en te schrijven is, dunkt mij, verkeerd bezig. Met dit Bijbelgedeelte in de hand kan niemand doorslaggevende argumenten leveren om de vrouw een ambt te geven. Want: ook buiten ambtelijke dienst hebben vrouwen een hele uitgebreide taak. En trouwens: het is vast niet voor niets dat de vrouw Debora de man Barak inschakelt!
Nogmaals: waar het hier om gaat, is dat de Here voor Zijn volk zórgt. Hij zet Zijn plannen door. En in Richteren 4 blijkt wel heel duidelijk dat Hij daarbij Zijn kinderen op soms onverwachte en ongedachte wijze inschakelt.

Tegenwoordig zijn er veel mensen die vragen hebben over Gods voorzienigheid.
Ze zeggen: en onze tegenspoed dan?
En onze ellende?

Laten wij het maar voor ogen houden: Gods voorzienigheid is geen abstracte belijdenis.
U kunt niet zeggen: het is allemaal wel waar, maar met mij heeft het niet zoveel te maken. In mijn wereld past die voorzienigheid niet.
Want ook in de ellende die we om ons heen zien moeten we van Gods almacht getuigen. Ook tijdens periodes van ziekte moeten we erop vertrouwen dat niets ons van Gods liefde scheiden kan.
En natuurlijk zijn dan niet alle vragen beantwoord. We kunnen ons soms afvragen waarom God het niet wat makkelijker voor ons heeft gemaakt. Laten we in die omstandigheden beseffen dat we, om het met Jesaja 40 te zeggen, een druppel aan een emmer zijn. En een stofje aan een weegschaal[10]. Wat práten we nu toch?
Laten we ons erin trainen om over onze situatie héén te kijken. Laten we vaak bedenken dat onze Verbondsgod de geschiedenis – en de historie van óns heil! – werkelijk overziet.
Dacht u dat Debora en Barak – en hun manschappen – het niet moeilijk hebben gehad, daar in die stortbui?
Ze zullen vast een mening hebben gehad over die klimatologische extremiteiten!
Maar voor de heilshistorie was de vermelding van die vragen, van de emoties bij al dat natuurgeweld klaarblijkelijk niet zo belangrijk.

De belijdenis van Gods voorzienigheid moeten we met beide handen vasthouden. Wij dienen ons terdege te realiseren dat de God van hemel en aarde Zijn magistrale plan uitvoert. Hij leidt de kerk op de weg die naar de hemel leidt. Ja, dat gebeurt ook in 2013!
Laten we maar gewoon weer leren om “… in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar te zijn en voor de toekomst dit vaste vertrouwen te hebben in onze trouwe God en Vader, dat geen schepsel ons van zijn liefde scheiden zal. Want alle schepselen zijn zo in zijn hand, dat zij zich tegen zijn wil niet roeren of bewegen kunnen”[11].

Noten:
[1]
Dit stuk is een bewerking van een artikel dat ik in januari 2006 schreef. Gedeelten ervan werden eerder gebruikt in een schets over Richteren 13,14 en 15 en Richteren 4. Die schets werd geschreven voor de Gereformeerd-vrijgemaakte mannenvereniging ‘Rehoboth’ te Groningen-Helpman. Mede-auteur van die schets was K. Holwerda te Groningen (1932-2007).
[2] Zie http://nl.cgg.org/index.cfm/fuseaction/Library.sr/CT/TRANSCRIPT/k/1426 .
[3] Richteren 5:20, 21 en 22.
[4] Richteren 4:16 b.
[5] Ze staan in Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus, antwoord 27.
[6] Zie http://www.schreeuwomleven.nl/bijbelleesplan/richteren.html .
[7] Richteren 4:2.
[8] Richteren 4:6 en 7.
[9] Zie https://bderoos.wordpress.com/2013/09/11/belang-van-scheppingsvolgorde/ en https://bderoos.wordpress.com/2013/09/12/kanttekeningen-bij-een-advies/ .
[10] Zie Jesaja 40:15-18: “Zie, volken zijn geacht als een druppel aan een emmer en als een stofje aan een weegschaal; zie, eilanden zijn als fijn stof, dat uitgestrooid wordt; de Libanon is niet toereikend als brandhout, en zijn wild gedierte niet ten brandoffer. Alle volken zijn als niets voor Hem, zij worden door Hem beschouwd als nietig en ijdel. Met wie dan wilt gij God vergelijken en welke vergelijking op Hem toepassen?”.
[11] Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 10, antwoord 28.

25 september 2013

De kerk ziet een groots panorama

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Halleluja. Welzalig de man, die de HERE vreest,
die van harte lust heeft in zijn geboden.
Zijn nakroost zal machtig zijn op aarde,
het geslacht der oprechten zal gezegend worden;
overvloed en rijkdom zijn in zijn huis,
zijn gerechtigheid houdt voor immer stand.
Voor de oprechten gaat het Licht in de duisternis op,
genadig en barmhartig en rechtvaardig.
Voorspoedig is de man die zich ontfermt en uitleent,
die zijn zaken recht behartigt;
want hij zal nimmer wankelen,
tot eeuwige gedachtenis zal de rechtvaardige zijn.
Voor een kwaad gerucht zal hij niet vrezen,
zijn hart is gerust, vol vertrouwen op de HERE;
zijn hart is standvastig, hij vreest niet,
terwijl hij met vreugde op zijn vijanden ziet.
Hij deelt uit, hij geeft aan de armen,
zijn gerechtigheid houdt voor immer stand,
zijn hoorn verheft zich in ere.
De goddeloze ziet het en ergert zich,
hij knarst met de tanden en wordt verteerd;
de begeerte der goddelozen gaat teniet
”.
(Psalm 112)

Psalm 112 is een vrolijk lied.
Voor de vijand van God geldt: “… al zijn boosheid is gebreideld
en al zijn plannen zijn verijdeld”[1].
Goddeloosheid is begrensd. Zulke activiteiten worden steeds meer beperkt.
Een kind van God wordt daar blij van.

Waar gaat het in Psalm 112 eigenlijk over? De dichter zegt het volgende.
De mensen die de Here eren worden gezegend. Die zegen zie je in heel wat opeenvolgende generaties terug. Die mensen hebben geweldig veel invloed in de wereld. Ze zijn rijk. Zij hebben ruim voldoende voedsel en kleding.
Als zulke mensen eerlijk en oprecht door het leven gaan zullen zij nooit worden vergeten.
Dergelijke mensen zijn niet bang voor roddel. Daar staan zij boven. Hoe houden ze dat vol? Antwoord: omdat zij op de Here vertrouwen.
In feite kijken Gods kinderen met genoegen naar hun tegenstanders. Kinderen van God hebben wel wat anders te doen dan zich te kwellen met het zicht op de bezigheden van schepsels die in zonden zwelgen! Uitverkorenen van God doen goede dingen met hun geld. En omdat ze dat jarenlang volhouden, krijgen zij bij steeds meer mensen een goede reputatie.
Geen wonder dat mensen die zónder God leven, dat eigenlijk geweldig irritant vinden! Maar al die negatieve energie brengt hen niet verder. Heel hun leven loopt tenslotte op niets uit.

De vorm die de dichter kiest, en de woorden die hij gebruikt, doen vermoeden dat hier de poëet actief is die ook Psalm 111 formuleerde. Daarom menen veel uitleggers dat dit lied een vervolg van die Psalm is.

Even zo goed is de dichter wel érg optimistisch, vindt u ook niet[2]?
In mijn voorgeslacht zaten aardig wat vrome, gelovige mensen. Ik woon echter niet in een kasteel. Mijn vrouw en ik hebben geen financiële problemen. Maar in onze omstandigheden is het niet verantwoord elke dag een duur zeiljacht te kopen.
Zulke mensen zijn er heel veel in de kerk. Mensen komt u wel uit een gezin waar armoe troef was. Misschien komt u wel een familie waar vader en moeder ieder dubbeltje om moesten draaien.
Daar heeft de psalmist het dus niet over.

De psalmschrijver kijkt veel verder. Hij kijkt naar boven. Hij richt zijn blik op de toekomst. Hij demonstreert wat de praktijk van Mattheüs 5 en 6 is. U weet wel:
“Zalig de barmhartigen,
want hun zal barmhartigheid geschieden.
Zalig de reinen van hart,
want zij zullen God zien”.
En: “Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten vóór u vervolgd[3].
En: “…verzamelt u schatten in de hemel, waar noch mot noch roest ze ontoonbaar maakt en waar geen dieven inbreken of stelen. Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn”.
En: “Maakt u dan niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden? Want naar al deze dingen gaat het zoeken der heidenen uit. Want uw hemelse Vader weet, dat gij dit alles behoeft. Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden”[4].

Wanneer de componist van dit lied spreekt over generaties, kijkt hij niet met een half oog naar het verleden en een beetje naar de toekomst. Nee, hij omspant een enorm stuk wereldgeschiedenis.
Niet omdat hij een soort Winston Churchill is. Of iemand die, bijvoorbeeld, lijkt op Albert Einstein. Maar omdat hij geïnspireerd wordt door de Heilige Geest.
Dat kan niet anders.
Want een gewoon mens kan niet zover kijken. Een gewoon mens heeft in zijn lichaam niet zoiets als een ingebouwde verrekijker. Die geeft God niet. Zo werkt dat niet.
De Here geeft wel een heel speciaal licht. Ik bedoel het schijnsel van 1 Petrus 2. In de kerk, zo lees ik in dat hoofdstuk, zit een volk “om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht”[5].
De schrijver van Psalm 112 bewijst het: met de lamp van Gods Geest doorzie je een heleboel dingen. Met de ‘röntgenstraling’ die de Heilige Geest geven wil, blijven wij niet aan de buitenkant van de dingen steken.

En daarbij gelden dan ook de garanties van Lucas 6.
Ik citeer: “…elke boom wordt aan zijn eigen vrucht gekend. Want van dorens leest men geen vijgen, en van een braamstruik oogst men geen druif. Een goed mens brengt uit de goede schat zijns harten het goede voort en een slecht mens brengt uit de boze schat het boze voort. Want waar het hart vol van is, daarvan spreekt de mond”[6].
Als de Heilige Geest in ons hart woont gebeuren er mooie dingen in ons leven!

Psalm 112 is een lied dat ons erbij bepaalt bij het doel van de geschiedenis van kerk en wereld.
We leven in een tijd waarin heel veel kennis bijzonder snel kan worden gedeeld. Met z’n allen zijn wij voortdurend in beweging.
Iemand schreef eens: we zijn verstrikt in onze eigen geschiedenis. “De mens heeft een onblusbare behoefte aan geschiedenissen waarin hijzelf centraal staat. Dat kan de streekroman zijn en de historische biografie. Evengoed kan het de televisie zijn met een historische film of een documentaire”[7].

De God van hemel en aarde leert aan de kerk:
* mensen staan in de wereldgeschiedenis niet centraal, maar de Here
* Gods kinderen mogen de kerkgeschiedenis niet vergeten
* Gods kinderen moeten niet slechts belangstelling hebben voor hun eigen tijd; zij moeten het uitzicht op een toekomst met God altijd blijven bewonderen.

De ware gelovigen van 2013 sluiten aan in een lange rij van kerkmensen die – door alle tijden heen – godvrezend leefden.
Ware gelovigen van 2013 hebben nog een eeuwigheid vóór zich, vol geluk en vrede.
Voor hen is Lucas 18 aan de orde van de dag: “Voorwaar, Ik zeg u, er is niemand, die huis of vrouw of broeders of ouders of kinderen heeft prijsgegeven om het Koninkrijk Gods, of hij zal vele malen meer ontvangen in deze tijd en in de toekomende eeuw het eeuwige leven”[8]!

Noten:
[1]
Psalm 112:5 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek). Begin november hoop ik in het Gereformeerd kerkblad De Bazuin in de rubriek ‘Psalm van de Week’ Psalm 112:5 kort toe te lichten. In dit artikel tref ik alvast enkele voorbereidingen.
[2] In deze alinea gebruik ik onder meer de webversie van de Studiebijbel; uitleg bij Psalm 112.
[3] Mattheüs 5:7, 8 en 12.
[4] Mattheüs 6:20 en 21 en de verzen 31-33.
[5] 1 Petrus 2:9.
[6] Lucas 6:44 en 45.
[7] Zie: dr. H.A. Hofman, “Het vak geschiedenis heeft het moeilijk”. In: Reformatorisch Dagblad, vrijdag 31 januari 1986, RD-Plus p. 9. Hofman bespreekt het het boek “Hoe ontstaat geschiedenis? Een historische antropologie” van P.F.M. Fontaine. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[8] Lucas 18:29 en 30.

24 september 2013

De kerk leeft van verzoening

U kent, naar ik wel aannemen mag, antwoord 54 van de Heidelbergse Catechismus: van de kerk geloven wij “dat de Zoon van God uit het hele menselijke geslacht Zich een gemeente, die tot het eeuwige leven uitverkoren is, van het begin van de wereld tot aan het einde vergadert, beschermt en onderhoudt. Hij doet dit door zijn Geest en Woord in eenheid van het ware geloof. En ik geloof dat ik van deze gemeente een levend lid ben en eeuwig zal blijven”[1].

Jezus Christus vergadert zich een gemeente.
Het is belangrijk om dat vast te stellen. Tegenwoordig worden christenen steeds zeldzamer. Ik bedoel: christenen in de zin van artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. “Zij die bij de kerk horen, zijn te kennen aan de kenmerken van de christenen, namelijk aan het geloof en hieraan dat zij, na de enige Heiland Christus aangenomen te hebben, de zonde ontvluchten en de gerechtigheid najagen, de ware God en hun naaste liefhebben, niet naar rechts of naar links afwijken en hun oude mens met zijn werken kruisigen”. Het is niet genoeg dat we individueel christen zijn. Dan krijgt de Here onvoldoende eer. De Here brengt christenen samen. Met hun verschillende gaven brengen de christenen hun God eer. Vanuit hun soms zo sterk verschillende activiteiten klinkt, in verschillende toonaarden, steeds de lof van God.

De gemeente duikt in Gods Woord op ongedachte plaatsen op.
In het boek Exodus bijvoorbeeld.
Vandaag vraag ik daarvoor graag uw aandacht.

In Exodus 12 kunnen wij lezen: “En gij zult het bewaren tot de veertiende dag van deze maand; dan zal de gehele vergadering der gemeente van Israël het slachten in de avondschemering”[2].
Dat is een vers uit een hoofdstuk waarin het gaat over de instelling van het Pascha. Er wordt een schaap of een geit apart gezet. De familiehoofden slachten het dier op een vastgesteld tijdstip. Het vrijkomende bloed moet opgevangen worden. Het moet op de deurposten en dorpels van de huizen worden gestreken.
En dan staat er: “En het bloed zal u dienen als een teken aan de huizen, waar gij zijt, en wanneer Ik het bloed zie, dan ga Ik u voorbij. Aldus zal er geen verdervende plaag onder u zijn, wanneer Ik het land Egypte sla”[3].
Daar zit een opvallend detail in. De Here weet toch alles? En het is Hem toch genoegzaam bekend wie er bij Hem horen? Toch moeten Gods kinderen laten zien dat ze bij Hem horen. Aan de Egyptenaren. En ook aan elkaar.
Gods kinderen mogen aan elkaar vertellen: wij worden niet door God gestraft. Gods kinderen moeten het in de wereld proclameren: wij worden niet door de Here gekastijd.
Datzelfde Evangelie moet in 2013 klinken.
Het bloed van Jezus Christus heeft gevloeid. Bij iedere viering van het Heilig Avondmaal klinkt het bij de uitreiking van de bekers met wijn: “Neemt, drinkt allen daaruit, gedenkt en gelooft dat het kostbaar bloed van onze Here Jezus Christus vergoten is tot een volkomen verzoening van al onze zonden”[4]. In de kerk zitten de mensen die genieten van Gods genade. Die mensen tonen aan hun geloofsgenoten, en aan heel de wereld: wij leven van verzoening!

Graag wijs ik vandaag ook op Exodus 16.
Onder de Israëlieten is een opstand. Mozes en Aäron hebben te maken met een volk waar de stemming tot ver onder het nulpunt is gedaald. Wij kunnen lezen: “Och, dat wij door de hand des HEREN in het land Egypte gestorven waren, toen wij bij de vleespotten zaten en volop brood aten; want gij hebt ons in deze woestijn geleid om deze gehele gemeente van honger te doen omkomen”[5].
Dat is revolutie tegen de Here. De publieke opinie van de ganse natie keert zich tegen het beleid dat de Here uitvoert.
Over de manier waarop Mozes op al dat geroep en gemopper reageert lezen wij niets.
Wij horen echter wel dat de Here een maatregel afkondigt: “Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel laten regenen; dan zal het volk uitgaan en verzamelen…”[6]. Wat gebeurt daar? Antwoord: de Here geeft Zijn volk voedsel.
Is dat gegeven voor de kerk van 2013 nog altijd van belang? Zeker wel. Uit Exodus 16 leren we dat wij in de kerk gevoed worden. Het is verkeerd om als christen op eigen benen te blijven staan. Het is niet goed om alleen maar in ons eigen huis een christelijk leven te leiden. De Here geeft voedsel aan heel Zijn volk. Hij verzorgt geen voedselvoorziening voor een paar individuen die eten hebben besteld: hier één, en daar weer een ander. Hij geeft voeding aan heel het volk. En Hij heeft iedereen hetzelfde voedsel: Zijn Woord.
Ware christenen komen naar de kerk om Zijn Woord te horen.

In Exodus 16 staat er nog iets bij. Ik citeer wederom. De Here zegt: “Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel laten regenen; dan zal het volk uitgaan en verzamelen zoveel als voor elke dag nodig is, opdat Ik het op de proef stelle, of het al dan niet wandelt naar mijn wet”[7].
Israël moet zich dus aan voorschriften houden. Het volk moet volgens regels leven. En de Here neemt de proef op de som: houden Zijn kinderen zich aan de door Hem gegeven wetten? Hij wil weten of de door Hem uitgekozen natie Hem werkelijk eerbiedigen wil.
Het bovenstaande is, meen ik, ook vandaag belangrijk.
Want wij zien hier de contouren van Gods verbond. We zien de beloften van voedsel en verzorging. Maar wij ontdekken ook dat de Here gehoorzaamheid eist. Gehoorzaamheid aan Zijn wetten; die geboden hebben rechtsgeldigheid in heel het leven. In alle tijden. Op alle plaatsen van de wereld.

Heden ten dage zit daar een groot probleem.
Professor P.G.J.M. Raedts, hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen, constateerde onlangs dat het vanaf 1960 verkeerd gegaan is: “Er stond toen een generatie theologen op die de ontvlechting van kerk en staat in alle toonaarden toejuichten. De godsdienst is na die tijd geminimaliseerd”. De kerkgenootschappen hebben, zo zei hij, het pleit verloren. Hij ziet een toekomst voor de basisgemeente. “Dat is een kleine, biddende gemeente, die maatschappelijke ontwikkelingen volgt en een profetisch geluid laat horen”. De kerk krijgt, meent Raedts, een plaats “in een groeimarkt van amusement en concerten”. Maar, zo zei de hoogleraar erbij, “de kerk is nooit een voortzetting van het verleden”[8].

Wie zulke opinies leest, ziet al snel dat Gods Woord in het archief gezet is.
In de Bijbel staat dat God Zich een gemeente vergadert. Door alle tijden heen.
In de kerk leven wij van verzoening.
In de kerk leven wij naar de regels van de door de Heer van hemel en aarde gegeven wet.
En wij weten: de Here God heeft een verbond met Zijn kinderen gesloten.

Als wij dat verbond in de eenentwintigste eeuw voluit honoreren, dan is er ook hoop. En zekerheid.
Welke zekerheid is dat?
De Here zal ons iedere dag verzorgen. Iedere dag zal er genoeg zijn om van te leven. Elke dag is Hij aanwezig.
Dat gold in Exodus 12.
In Exodus 16.
En vandaag geldt het nog.
Zo zal Hij ons, aan Zijn vaderhand, naar Zijn toekomst leiden.

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 21.
[2] Exodus 12:6.
[3] Exodus 12:13.
[4] Formulier voor de viering van het Heilig Avondmaal; Gereformeerd Kerkboek, p. 527.
[5] Exodus 16:3.
[6] Exodus 16:4 a.
[7] Exodus 16:4.
[8] “De secularisatie is voorbij”. In: Reformatorisch Dagblad, zaterdag 21 september 2013, p. 2.

23 september 2013

Een lied voor wijze mensen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Mensen die goed kunnen leren gaan naar een universiteit. Of naar een hogeschool. Daar leren zij vaak heel goede dingen. Later kunnen ze leiding geven bij het maken van allerlei mooie gebouwen. In de bedrijven waar zij werken, kunnen ze de zaken goed overzien. Zij kunnen zeggen: ‘jij moet dit doen, en jij dat’. Zij kunnen uitleggen wat de juiste aanpak is om bepaalde dingen voor elkaar te krijgen.
Mensen die veel hebben geleerd kunnen zich goed redden in de wereld. Zij hebben een goed salaris. En ze hebben veel geld.
Maar heel vaak zijn ze niet wijs. Ze hebben namelijk niet de wijsheid die Psalm 111 bedoelt:
“’t Begin van ware wijsheid is
– zo leert ons Gods getuigenis –
de Here als uw God te vrezen.
Wie hiernaar leeft, hij heeft verstand”[1].
Mensen zijn pas echt verstandig als ze met God leven!

Psalm 111 is een opvallende psalm[2].
Weet u waarom?
De dichter van die psalm gaat naar de kerk. Wij kunnen lezen:
“Halleluja. Ik zal de HERE van ganser harte loven,
in de kring der oprechten en in de vergadering”[3].
De psalmschrijver voegt zich bij de mensen die in alles op God vertrouwen. Bij de echte gelovigen dus. Bij de ware gelovigen, zeggen we dan in de kerk. Daarbij denken we vaak aan Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus: “Waar geloof is een stellig weten waardoor ik alles voor betrouwbaar houd, wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft. Tegelijk is het een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt”[4]. Zeker weten en vast vertrouwen: daar is de psalmdichter blijkbaar vol van.

De arbeid die de Here in de hemel verricht levert fantastische resultaten op.
De psalmist spreekt blijmoedig uit: Gods werk is “na te speuren door allen die er behagen in hebben”[5].
Laten wij even rustig lezen wat daar staat.
Mensen die niet bij God horen, snappen geen snars van de Goddelijke arbeid. Zij hebben geen idee wat de Heer van hemel en aarde aan het doen is. Zij beseffen niet waar het met de wereld naar toe gaat.
Maar de mensen die in de kerk zitten weten daar wel iets van. Nee, ze weten niet alles. Zij kunnen, als het er op aan komt, eigenlijk alleen maar een paar grote lijnen van Gods plan schetsen. Maar in de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat: “Wij geloven dat deze Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat en voldoende leert al wat de mens moet geloven om behouden te worden”[6]. Kerkmensen weten genoeg. Om het maar eenvoudig te zeggen: wie bij God in de hemel wil wonen, moet de Bijbel kennen en geloven dat dat Boek waar is. Het is niet nodig om aanvullende colleges te volgen.
Er is dus een groot verschil tussen gelovigen en mensen die God negeren!

De God van hemel en aarde is er altijd geweest.
En Hij zal er ook in de toekomst steeds wezen.
Het verbond dat Hij met Zijn kinderen sloot, zal Hij nooit vergeten. Het staat er zonder omwegen:
Hij “gedenkt voor eeuwig zijn verbond”[7].
De Here blijft, gedurende de hele geschiedenis van kerk en wereld, trouw.
Dat was vroeger al zo. Wie in Gods Woord leest, kan dat zonder veel moeite constateren. Kijkt u maar eens naar de geschiedenis van Israël.

Het is belangrijk om te zien dat het verbond een heel centrale kwestie in deze psalm is.
De dichter eert God om alle dingen die Hij in Zijn oneindige wijsheid tot stand heeft gebracht.
Maar hij zegt ook:
“… betrouwbaar zijn al zijn bevelen,
vastgesteld voor immer en altoos,
volbracht in waarheid en oprechtheid”[8].
Er moet dus ook naar bevelen geluisterd worden. Het verbond is een zaak van belofte en eis. En die beloften en eisen gelden in alle tijden. Het is heus niet zo dat we in 2013 moeten zeggen: dat verbond is niet zo belangrijk meer.

Mensen zijn pas echt verstandig als zij met God leven.
Je wordt wijs als je in de Bijbel leest!
Er zijn maar enkele wetenschappers die dat erkennen. Vorig jaar was er in Leiden een geleerde die, ironisch genoeg, juist daardoor in het nieuws kwam. Mr. F. Schonewille wilde op het titelblad van zijn proefschrift een spreuk plaatsen: “Initium sapientiae timor Dei; laudatio eius manet in saeculum saeculi”. Dat is een vrije weergave van Psalm 111:10. Eerst werd dat verboden. Later werd het toch toegestaan[9].
Het incident toont aan dat het geloof van Gods kinderen vandaag de dag door velen in de samenleving niet meer wordt begrepen, erkend en geëerbiedigd. De maatschappij is seculier geworden. Gelovigen zijn, meent men, lastig. Gelovigen zijn, zo stellen velen, moeilijk te volgen. Gelovigen zijn, zo beweren verbaal actieve bollebozen, volstrekt onwetenschappelijk. In die wereld zullen we ’t moeten blijven belijden:
de ware christen “dient zijn God met hart en hand.
Voor eeuwig wordt Gods naam geprezen”[10]!

Noten:
[1]
Dit zijn de eerste vier regels van Psalm 111:5 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[2] In oktober aanstaande hoop ik in het Gereformeerd kerkblad De Bazuin in de rubriek ‘Psalm van de Week’ Psalm 111:6 kort toe te lichten. In dit artikel tref ik alvast enkele voorbereidingen.
[3] Psalm 111:1 (onberijmd).
[4] Heidelbergse Catechismus – Zondag 7, antwoord 21.
[5] Psalm 111:2 b.
[6] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 7.
[7] Psalm 111:5 b.
[8] Psalm 111:7 b en 8.
[9] Zie: “Religieus motto in proefschrift mocht toch”. In: Reformatorisch Dagblad, 31 mei 2012, p. 1.
[10] Dit zijn de laatste twee regels van Psalm 111:5 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.