gereformeerd leven in nederland

19 december 2013

Psalm 120: Gods kind te midden van bedriegers

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , , ,

Vandaag publiceer ik een stuk over Psalm 120[1].
De tekst van die psalm luidt:
Een bedevaartslied.
In mijn angst heb ik tot de HERE geroepen
en Hij heeft mij geantwoord.
HERE, red mij van de leugenlippen,
van de bedrieglijke tong.
Wat zal Hij u geven, en wat zal Hij u toevoegen,
gij bedrieglijke tong?
Gescherpte pijlen van een held,
benevens gloeiende kolen van brem.
Wee mij, dat ik in Mesech moet vertoeven,
dat ik moet wonen bij de tenten van Kedar.
Te lang reeds woon ik
bij wie de vrede haten;
ik ben een en al vrede, maar als ik spreek,
dan zijn zij uit op strijd
”.

De dichter klaagt over roddel. Er wordt over hem gepráát. De mensen strooien lasterpraatjes over hem rond.
En dat terwijl deze Psalm een pelgrimslied is[2]. De Israëlieten zingen onder andere dit lied als zij onderweg zijn naar Jeruzalem. Daar vieren zij dan het Pascha. Of de Grote Verzoendag. Of het Loofhuttenfeest.
Al wandelend zingen Gods kinderen dus onder meer over lastertaal. Over leugens. En over ruziezoekers.
Dat is een opvallend punt. Blijkbaar zingen Gods kinderen niet alleen maar over blije en mooie dingen. Het leven is niet alleen maar vrolijkheid en licht. En dat mag ook in de te zingen liederen naar voren komen.

Dit is het eerste bedevaartslied. Gods kinderen zingen dit bij het begin van hun reis naar de tempel.
De gelovigen stappen even uit de tredmolen van het gewone leven. Terwijl ze richting Jeruzalem lopen, zingen zij een lied dat uit het leven gegrepen is.
De Israëlieten leren ons om, ook in moeilijke situaties, onze toevlucht tot God te nemen.
In de kerk zitten geen wereldvreemde types. In de kerk wonen geen mensen die net doen alsof het leven een en al zonneschijn is. Dat is ook niet zo.

De psalmist heeft de Here aangeroepen. En toen heeft hij ook een antwoord ontvangen.
Dat klinkt hoopvol. Het lijkt wel alsof er een lofzang aankomt. Maar dat is niet het geval.

De psalmschrijver stort z’n hart voor de Here uit.
Hij heeft te maken met mensen die Hem in een kwaad daglicht stellen.
Maar de dichter weet blijkbaar ook dat de Here zal ingrijpen. Hoe dat precies zal gaan, dat weet de schrijver van dit lied niet. Maar hij weet ’t zeker: God laat hem niet zitten!

Er staan een paar uitdrukkingen in deze psalm die om verduidelijking roepen.
1. gloeiende kolen van brem
En exegeet legt uit: “De toevoeging ‘met kolen van de brem’ wil aangeven dat de pijlen brandend zijn. Men gebruikte het hout van de brem om houtskool te maken. Het hout kon bijzonder fel branden en behield lange tijd zijn hitte. Die eigenschappen maakte het hout bij uitstek geschikt om te gebruiken voor brandende pijlen bij het belegeren van een stad”.
Er brandt, om zo te zeggen, een onheilig vuur. Een vuur dat afschuwelijke wonden veroorzaakt. Wonden die levenslang te zien zijn.
2. Mesech
Mesech, dat is een natie die in Turkije leefde, ten noorden van Israël.
3. Kedar
Kedar is een nomadische herdersstam die rondtrok in de Arabische woestijn, ten zuidoosten van Israël.
Hoe zit dat nou? De dichter van de honderdtwintigste Psalm kan toch niet op twee plaatsen tegelijk zijn? Betreft het beeldspraak, wellicht?
Waarschijnlijk bedoelt de psalmist dat hij onder eigen volk niet beter af is dan wanneer hij in een heidens land zou wonen.
U begrijpt wel: dat is een ernstige zaak. Als het volk van God zo ver weggezakt is dat je ’t verschil tussen agressieve heidenen en kinderen van God niet meer kunt zien, is er iets heel erg verkeerd. Dan is er bekering nodig. Een totale ommekeer. Zeg maar gerust: een reformatie.
De dichter formuleert hier in feite een aanklacht tegen zijn eigen volksgenoten!

Zodra de dichter zijn mond open doet, krijgt hij te maken met tegenspraak. Met agressieve aanvallen. Met vijandschap.
Het lijkt wel alsof er niemand in zijn omgeving ooit van vrede heeft gehoord. Men haat vrede zelfs. Het is klaarblijkelijk een levensstijl geworden om alles te doen wat God verboden heeft.

Wat is de actualiteit van deze psalm?
Misschien weten wij niet zo goed wat wij met dit lied aan moeten.

Laten wij in dat geval eerst maar eens bedenken dat ons psalmboek een boek van de kerk van alle eeuwen is. Jaco van der Knijf – muziekredacteur bij het Reformatorisch Dagblad – zei daarover een paar maanden geleden: “Het is me opgevallen dat ten tijde van de Reformatie in ons land psalmen geliefd waren die wij nu als onbekend betitelen. In het jaar van de Beeldenstorm en de hagenpreken werd een liedboekje uitgegeven met 38 psalmen en een aantal gezangen. Psalmen die bekend moeten zijn geweest, want een melodie werd er niet bij afgedrukt. Naast 3, 23, 43 en 103 zijn het ook Psalm 2, 13, 15, 44, 50, 82, 112, 115, 126, 128 en 148. En: de tweede berijming van de artikelen des geloofs. De mensen van toen, die de rook van de brandstapels in hun neus hadden, herkenden zich in een psalm als Psalm 44 (…) Ik denk tot slot ook aan de vervolgde kerk anno 2013. Zouden psalmen waarin de roep om recht klinkt en de bede om bevrijding en vergelding wordt opgezonden, niet heel actueel zijn in landen als Noord-Korea, China of Syrië?”[3].

Wij moeten ons ook realiseren dat – door de eeuwen heen – kinderen van God heel veel angst hebben gekend, juist omdat zij in de dienst van de Here stonden.
De profeet Jona zegt in hoofdstuk 2: “Ik riep uit mijn nood tot de HERE en Hij antwoordde mij; uit de schoot van het dodenrijk schreeuwde ik, Gij hoordet mijn stem”[4]. Dat motief uit Jona’s profetie herkennen wij ook in Psalm 120:
“In mijn angst heb ik tot de HERE geroepen
en Hij heeft mij geantwoord”.

In Sint-Maartensdijk – een klein stadje op het eiland Tholen – werkte in de hervormde gemeente dominee Jan Keller; dat was in de jaren 1920 tot 1923. Hij zal er vast niet zo’n aangename tijd gehad hebben. Toen de predikant na drie jaar vertrok hield hij niet eens een afscheidspreek. Als laatste vers in zijn laatste dienst liet hij Psalm 120:3 uit de berijming-1773 zingen:
“Wee mij, die rust en hulp moet derven,
in Mesech als een vreemd’ling zwerven,
en steeds in Kedars tenten wonen,
bij mensen die mij bitter honen”[5]….
Zo moeten wij de Psalmen maar nooit gebruiken.
We moeten wel beseffen dat kinderen van God altijd onbegrip en weerzin ontmoeten. Of hoon en smaad. Sarcasme en cynisme. Of zelfs vervolging.
De dichter van Psalm 120 leert ons waar we met al die haat en nijd naar toe moeten. Naar de Here!
Laten we het voorbeeld van de dichter maar volgen. Eenvoudig, en zonder te protesteren.

Dominee G.J. van Aalst, een dominee uit de Gereformeerde Gemeenten, noemde Psalm 120 eens een psalm voor de binnenkamer. Voor openbare vergaderingen vond hij ‘m blijkbaar niet zo bruikbaar[6]. Dat is wel begrijpelijk. Maar de honderdtwintigste Psalm is natuurlijk wel een bedevaartslied. God legde dit lied in de mond van Zijn volk; de Israëlieten zongen het terwijl zij op pad waren naar Jeruzalem.
De Here zegt vandaag ook tegen ons: al zingend mag u uw problemen bij Mij neerleggen. Dat mag u thuis doen. Maar ook in de kerk.

Noten:
[1]
Deze onderwerpskeuze is ingegeven door het feit dat ik in januari 2014 in het Gereformeerd kerkblad De Bazuin Psalm 120:2 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek) kort hoop toe te lichten. Dat gebeurt in de rubriek ‘Psalm van de Week’. Vandaag tref ik alvast enkele voorbereidingen.
[2] In het onderstaande alinea maak ik onder meer gebruik van de webversie van de Studiebijbel, zie https://web.studiebijbel.nl/ .
[3] “Onbekende psalmen zingen in Tholen”. In: Reformatorisch Dagblad, 10 juni 2013, p. 2 en 3. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[4] Jona 2:2.
[5] J. Mastenbroek, “Veritas odium parit”. In: Reformatorisch Dagblad, 22 oktober 2009, p. 16 (rubriek ‘Kerkhistorie met een knipoog’). Ook te vinden op www.digibron.nl .
[6] Zie: Ds. G.J. van Aalst, “Onbekende psalmen”. In: De Saambinder – kerkelijk weekblad van de Gereformeerde Gemeenten -, 16 mei 2013, p. 11. Ook te vinden op www.digibron.nl .

18 december 2013

Ons levensdoel volgens Psalm 119

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Dit artikel gaat over de laatste woorden van Psalm 119:
“Mijn ziel leve, en love U,
mogen uw verordeningen mij helpen.
Ik heb gedwaald als een verloren schaap, zoek uw knecht,
want uw geboden vergeet ik niet”[1].

De dichter wil leven. Want zijn ultieme doel in het leven is het loven van God.

Psalm 119 is een loflied op Gods Woord. Een lofzang op Gods wet. Ik heb het al eens ‘een ode aan de grondwet van Gods Koninkrijk’ genoemd.
Ik noteerde er toen bij: “Het is God Zelf die dat Koninkrijk opricht. In Openbaring 21 zien wij waar het op uitloopt: ‘Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn’. Vanaf Zijn troon zegt de liefhebbende Heerser van hemel en aarde: ‘Zie, Ik maak alle dingen nieuw’”[2].
In Psalm 119 bereidt de psalmist zich ten diepste voor op een nieuw en hemels bestaan. De dichter wil Gods geboden nimmer vergeten. In de hemel zal dat nooit meer gebeuren. Maar op de aarde zijn er allerlei stoorzenders. De belangrijkste tegenwerker is, zoals bekend, de zonde. En daarom wil de dichter geholpen worden. De wet van God moet hem in het gareel houden. De Goddelijke voorschriften voor het leven moeten er voor zorgen dat hij binnen de kaders van het Verbond blijft leven.
En juist daarom wil de dichter dat zijn bestaan op aarde nog lang niet ophoudt. Immers: als hij in het dodenrijk gearriveerd is, kan hij God niet meer loven. Denk in dit verband ook maar aan Psalm 6:
“Want in de dood is Uwer geen gedachtenis;
wie zou U loven in het dodenrijk?”[3].
Als wij deze Psalm in de mond nemen vragen wij ook of de Here ons steeds weer wil leren om zonder protest te doen wat de Here van ons vraagt.
En u begrijpt ondertussen wel dat Psalm 119 ook een heel levenslustig lied is. Het is een lied van blije en opgewekte mensen. Het is een psalm die gezongen wordt door mensen die zin in het leven hebben: zin in het leven en zin in het Leven met een hóófdletter L.

Er zijn wel mensen die zeggen dat Psalm 119 een beetje ouderwets is.
Een evangelist schreef eens: “Voor een gelovige die tot het nieuwe verbond behoort, is Psalm 119 (hoe heilig, goed en buitengewoon leerzaam ook) een gepasseerd station. Het Nieuwe Testament leert dat de wet geen enkel gezag meer over mij heeft. Jezus bevrijdt van de vloek der wet en maakt mij er vrij van. Wanneer Christus de wet heeft afgeschaft en in plaats daarvan ons uitnodigt Hem te volgen, dan ga je toch niet weer terug naar de wet! De gelovigen van het oude verbond geven bij gebrek aan beter de eer aan de wet (Psalm 119); die van het nieuwe verbond aan een Persoon: onze Bevrijder Jezus Christus”[4].
Psalm 119 is ouderwets, zegt die evangelist. Want Jezus bevrijdt ons van de wet.
Is dat waar?
Nee, wij worden niet gered als we ons netjes aan de wet houden. Denkt u maar aan Romeinen 3: “Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen, en wel gerechtigheid Gods door het geloof in Jezus Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus”[5].
Maar daarmee is niet alles gezegd.
Laten we elkaar, nu het hier om gaat, wijzen op Zondag 24 van de Heidelbergse Catechismus.
Ik citeer:
[vraag] “Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een deel daarvan zijn?
[antwoord] Omdat de gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan, geheel volmaakt en in alle opzichten met Gods wet in overeenstemming moet zijn , terwijl zelfs onze beste werken in dit leven allemaal onvolmaakt en met zonden bevlekt zijn.
[vraag] Maar hebben onze goede werken dan geen verdienste? God wil ze toch in dit en in het toekomstige leven belonen?
[antwoord] Deze beloning wordt niet uit verdienste, maar uit genade gegeven.
[vraag] Maar maakt deze leer de mensen niet zorgeloos en goddeloos?
[antwoord] Nee, want het kan niet anders, of ieder die door waar geloof in Christus ingeplant is, brengt vruchten van dankbaarheid voort”[6].
Dus: wie zich aan de wet houdt, laat zijn dankbaarheid zien. Als het goed is zijn de wet van God en onze dankbaarheid in ons leven onlosmakelijk aan elkaar verbonden.
Gereformeerde mensen bereiden zich voor op een toekomst waarin zij God eeuwig zullen danken en loven.
Psalm 119 is dus helemaal niet ouderwets. Die evangelist van hierboven heeft ongelijk.

De dichter van Psalm 119 vergelijkt zichzelf met een dwalend schaap.
Als vanzelf gaan onze gedachten dan naar Lucas 15.
Daar staat de gelijkenis van het verloren schaap, en de boodschap die Jezus daarmee doorgeven wil. Voor het gemak citeer ik ‘m nog maar even: “Wie van u, die honderd schapen heeft en er één van verliest, laat niet de negenennegentig in de wildernis achter en gaat het verlorene zoeken, totdat hij het vindt? En als hij het vindt, tilt hij het met blijdschap op zijn schouders, en thuisgekomen, roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tot hen: Verblijdt u met mij, want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was. Ik zeg u, dat er alzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar, die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebben”[7].
De dichter van Psalm 119 weet ook dat hij opgezocht moet worden.
Hij beseft dat hij zich steeds weer moet bekeren. Hij moet zich iedere dag weer omkeren, met zijn gezicht naar de Here toe.
Wij moeten ons realiseren dat de Here ons steeds weer vast moet pakken om ons de goede kant op te leiden. Als wij met Hem meegaan, dan komen we goed terecht.
Laten wij dus maar niet net doen alsof wij zelf wel kunnen uitmaken hoe onze godsdienst er uit moet zien.

Is Psalm 119 gedateerd en ouderwets?
Wie dat denkt is dwaas. En onverstandig.
Hij moet het Woord van God nog maar eens nader bestuderen.

Noten:
[1]
Psalm 119:175 en 176.
Deze onderwerpskeuze is ingegeven door het feit dat ik in januari 2014 in het Gereformeerd kerkblad De Bazuin Psalm 119:66 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek) kort hoop toe te lichten. Dat gebeurt in de rubriek ‘Psalm van de Week’. Vandaag tref ik alvast enkele voorbereidingen.
[2] Zie mijn artikel ‘Lofzang op het wereldnieuws’. In: Gereformeerd kerkblad De Bazuin jg 6 nr 20 (23 mei 2012), p. 257 en 258.
Ik citeer de verzen 3 en 5 van Openbaring 21.
[3] Psalm 6:6.
[4] Dat schreef de evangelist Simon Streuper in mei 2012 in het Nederlands Dagblad. Zie http://www.nd.nl/artikelen/2012/mei/03/psalm-119-gepasseerd-station .
[5] Romeinen 3:21-24.
[6] Heidelbergse Catechismus – Zondag 24, vragen en antwoorden 62, 63 en 64.
[7] Lucas 15:4-7.

17 december 2013

Rechtstreeks naar de toekomst

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Als de Heidelbergse Catechismus spreekt over het opstaan van de nieuwe mens worden grote woorden gesproken.
In Zondag 33 gaat het over “hartelijke vreugde in God door Christus en lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven”[1].
Een nuchtere West-Europeaan kan denken: klinkt dit niet wat overenthousiast? Is dit niet wat overdreven?

Als we Galaten 2 erbij halen, wordt het misschien nog erger: “Want ik ben door de wet voor de wet gestorven om voor God te leven. Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, dat is, niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven”[2].
Wordt u zomaar iemand anders?
Bent u binnen de kortste keren uw vrijheid kwijt?
Kunt u nog wel zelfstandig nadenken, eigenlijk?

Er zijn theologen die zich dat ook afvragen[3].
Een jaar of vier geleden – het was in januari 2009 – zei de theoloog Frits de Lange: “Ik ben een vrij theoloog die niet weet waar hij uitkomt. Maar volgens mij ben ik door en door religieus”.
Hij zei toen ook: “Onzekerheid is er constant. Die heeft te maken met de onwil om me vast te leggen. Ik wil een open blik houden voor wat er gebeurt. Zodra je jezelf niet meer kunt herzien, sta je niet meer open voor het nieuwe. Sommige fundamentele zekerheden nestelen zich wel in mijn leven. Ik vind zelfwording van mensen enorm belangrijk. Je moet je persoonlijke identiteit ontwikkelen, zonder schone schijn en los van de verwachtingen van anderen”.

Deze woorden werden gesproken door een predikant en hoogleraar binnen de Protestantse Kerk in Nederland[4].

Kunnen we begrip opbrengen voor professor De Lange?

Wie aan het studeren is gaat bij voorkeur geen gebaande wegen. Een béétje student stapt zo nu en dan buiten de kaders. Gewoon omdat dat bij tijd en wijle originele gedachten oplevert.
En zulke gedachten willen wij allemaal graag hebben.
Maar als wij goed kijken zit er bij de professor nog wat meer achter. Hij zei namelijk ook: “Niet ik, maar Christus leeft in mij, zoals Paulus zegt, of met Calvijn: wij zijn niet van onszelf. Dat zijn allemaal woorden die ik niet kan missen, maar het is traditionele geloofstaal, waarmee ik slechts verstaanbaar ben in de kerk. Ik wil publieke theologie bedrijven”[5]. De professor wil graag begrepen worden. Hij wil verstaanbaar zijn. Is het, zo vraag ik mij af, dáárom dat hij onzeker is? Sluit hij met die onzekerheid aan bij het wijdverbreide gevoel van aarzeling? Sluit hij aan bij de wereld?

In feite leeft de professor met hetzelfde probleem dat Paulus indertijd had.
Ik citeer uit 1 Corinthiërs 2: “Ook ben ik, toen ik tot u kwam, broeders, niet met schittering van woorden of wijsheid u het getuigenis van God komen brengen. Want ik had niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en die gekruisigd. Ook kwam ik in zwakheid, met veel vrezen en beven tot u”[6]. Vreze en beven: daar hebt u het. De Nieuwe Bijbelvertaling-2004 heeft: “Bovendien kwam ik bij u in al mijn zwakheid en was ik angstig en onzeker”.
Paulus heeft zo z’n vragen gehad. Zo te zien heeft hij wel eens gedubd: is dit nou mijn bestemming?
Die professor uit de Protestantse Kerk bevindt zich dus in goed gezelschap.

Ik begrijp wel waar het probleem van de hoogleraar vandaan komt. Als mens besef ik wel waar hij heen wil.
Maar daarmee houdt het wel op.
In 1 Corinthiërs 2 schrijft Paulus meer. Ik citeer weer: “…mijn spreken en mijn prediking kwam ook niet met meeslepende woorden van wijsheid, maar met betoon van geest en kracht, opdat uw geloof niet zou rusten op wijsheid van mensen, maar op kracht van God”[7].
Wij moeten dus helemaal niet menselijk denken. Ons geloof rust op kracht van God.

Nu neem ik u graag weer mee naar Galaten 2.
Paulus schrijft daar: ik ben voor de wet gestorven.
In feite zat hij aan de wet vastgesnoerd. Hij had die wet een ontelbaar aantal keren overtreden. En dus had hij de vloek verdiend. In die situatie was het onbestaanbaar om voor God te leven.
Maar de omstandigheden zijn totaal anders geworden.
Jezus Christus, de Heiland, heeft de vloek op zich genomen. Paulus is een nieuw leven begonnen. En alle andere kinderen van God hebben, door het werk van de Redder der wereld, ook een nieuwe start gemaakt.
De kettingen van de wet zijn afgeworpen.
De Heiland heeft de weg naar de toekomst geplaveid. Een toekomst waarin Hij alles zal zijn in allen. Een toekomst vol geluk en vrede.
Op die weg mogen wij nu lopen. In alle vrijheid.
Jazeker, als we onze eigen wil doen mogen we een zijweg inslaan. En misschien ziet die zijweg er wel heel aantrekkelijk uit. Met bomen langs de kant, en vijvers in de verte.
Maar als die heerlijke toekomst in zicht komt, willen we er toch rechtstreeks naar toe? Dan zijn zijwegen niet belangrijk meer!

PKN-professor De Lange zei in 2009 ook nog: “Veel mensen zijn de band met de traditie kwijt. Ik wil de weggetjes daarnaartoe weer toegankelijk maken, met hen zoeken naar bronnen van zingeving en inspiratie. Wij hebben een religieuze omweg nodig om tot onszelf te komen”.
Dat is nou wat je noemt de omgekeerde wereld!
Want we moeten niet bij onszelf uitkomen. Welnee. We moeten naar Gods toekomst lopen. Recht toe, recht aan!

In Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus gaat het over “hartelijke vreugde in God door Christus en lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven”.
Hartelijke vreugde: met een blij hart, dus.
Lust en liefde om naar Gods wil te leven: daar hebben wij zin in. Wat wilt u, als er zo’n toekomst in beeld komt?
Leven in alle goede werken: dat is nog ês wat anders dan zoeken. Dat is nog ês wat anders dan allerlei drukte over persoonlijke identiteit.
Wie naar Gods toekomst toe loopt, weet heel goed waar hij terecht komt. In de hemel namelijk. En daar is het heerlijk!

Noten:
[1]
Heidelbergse Catechismus – Zondag 33, antwoord 90.
[2] Galaten 2:19 en 20.
[3] In dit artikel gebruik ik onder meer een stuk dat ik schreef in januari 2009.
[4] Zie over professor dr. De Lange http://www.pthu.nl/over_pthu/Medewerkers/f.delangede/ .
[5] Zie http://www.nd.nl/artikelen/2009/januari/02/varen-met-frits-de-lange .
[6] 1 Corinthiërs 2:1-3.
[7] 1 Corinthiërs 2:4 en 5.

16 december 2013

Twee predikanten over de kerk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Afgelopen donderdag, 12 december, stond in het Nederlands Dagblad een verslag van een ontmoeting tussen twee predikanten: G. de Fijter van de Protestantse Kerk, en R. van Kooten van de Hersteld Hervormde Kerk.
De sfeer in dat gesprek kon, geloof ik, wel beter.
Uit onderstaande citaten blijkt dat wel.

Van Kooten: “Ik heb jaren gesmeekt om een federatie. Alles mocht van mij centraal gebeuren, als ik maar op een eenduidige grondslag mocht staan. Dat kon niet. Je moet mij niet verwijten een nieuwe kerk te zijn begonnen”.

De Fijter: “Op de buitenkant van het vrijgemaakte kerkgebouw in Kampen las ik de slogan: ‘Je hoeft het niet over alles eens te zijn om een te zijn’. Dat vind ik mooi. Jullie wilden echter een exclusief gereformeerde kerk. Het gaat jullie erom of alle omhulsels, inclusief de stropdas wel op de juiste manier zitten”.

Van Kooten: “Het gaat mij er niet om of ik ruimte krijg. De gereformeerde belijdenis moet het alleenrecht hebben”.

De Fijter: “Weet je, wij zijn mensen van een voorbije generatie. We moeten ons druk maken om de generaties na ons. Dat er nog geloof gevonden wordt als onze kleinkinderen volwassen zijn. Wat daarbij helpt, is dat niet alleen de Protestantse Kerk en de Hersteld Hervormde Kerk met elkaar praten, maar samen met andere kerken. Dan ontstaat er een andere geestelijke cultuur”.

Van Kooten: “Eigenlijk zijn wij allemaal verliezers. Door de scheuring is in veel gemeenten het evenwicht eruit. Ze hellen over naar de ene of naar de andere zijde. Dat zie ik in beide kerken”[1].

Graag verwerk ik mijn leeservaringen in een viertal opmerkingen.

1 Een nieuwe kerk
In het bovenstaande klinkt het verwijt dat Van Kooten een nieuwe kerk is begonnen.
Dat verwijt is, wat mij betreft, een zwaktebod.
De kerk is het lichaam van Christus.
Die typering gebruikt Paulus bijvoorbeeld in Romeinen 12: “Want, gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werkzaamheden hebben, zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden ten opzichte van elkander”[2].
De kerk is een-voudig. Inderdaad: met een streepje tussen ‘een’ en ‘voudig’. De kerk is niet tweevoudig. Of drievoudig. Alleen daarom al is het verwijt ‘u begint een nieuwe kerk’ ondoordachte nonsens.
Trouwens: de kerk is werk van Christus. Ook dát zie ik terug in Romeinen 12. Ik citeer: “Want krachtens de genade, die mij geschonken is, zeg ik een ieder onder u: koestert geen gedachten, hoger dan u voegen, maar gedachten tot bedachtzaamheid, naar de mate van het geloof, dat God elkeen in het bijzonder heeft toebedeeld”. En: “Wij hebben nu gaven, onderscheiden naar de genade, die ons gegeven is[3]. Wat wij in de kerk bezitten, ontvingen wij van Christus. Wij moeten Hem volgen, en niet onze eigen zin doen!
Men spreekt vaak over een plurale, een meervoudige kerk. Een kerk van: uw wensen worden gehonoreerd, maar de mijne ook.
Maar een plurale kerk is een nepkerk.

2 De buitenkant
Dominee De Fijter zegt: “Het gaat jullie erom of alle omhulsels, inclusief de stropdas wel op de juiste manier zitten”.
De Fijter blijft bij de buitenkant steken.
Maar hij kan moeilijk beweren dat de sfeer in de Hersteld Hervormde Kerk sprekend lijkt op die in de Protestantse Kerk.
HHK-ers hebben een nogal bevindelijke inslag. Heel veel PKN-ers hebben die niet. En dat weet dominee De Fijter ook best.
Ik vind de uitspraak van De Fijter bepaald niet uitblinken door spitsvondigheid.
De Here ziet het hart aan, zeggen we vaak. God kijkt wat er zich in ons hart afspeelt. Die uitdrukking komt uit 1 Samuël 16. In dat hoofdstuk gaat het over de wijze waarop David tot koning wordt gezalfd. Maar vóórdat David in beeld komt, staan zijn broers in de schijnwerpers. Ik citeer: “Toen zij (Isaï en zijn zonen) binnenkwamen, en hij (Samuël) Eliab zag, dacht hij: Zeker staat hier voor de HERE zijn gezalfde. Doch de HERE zeide tot Samuël: Let niet op zijn voorkomen noch op zijn rijzige gestalte, want Ik heb hem verworpen. Het komt immers niet aan op wat de mens ziet; de mens toch ziet aan wat voor ogen is, maar de HERE ziet het hart aan”[4].
Onze buitenkant is niet het belangrijkste. Als dominee De Fijter daarop focust, doet hij opnieuw een zwaktebod. Zeker, de buitenkant kan een spiegel zijn van de binnenkant. Maar dat gaat, zou ik denken, lang niet altijd op.

3 Ruimte in de kerk?
In de kerk hebben Schrift en belijdenis het alleenrecht.
Veel mensen willen aldaar ruimte maken.
En daarmee bedoelt men dan: ruimte om eigen inzichten op Bijbelteksten los te laten. Of: ruimte om persoonlijke accenten op bepaalde Schriftgedeelten te leggen. Of: ruimte om stukken uit de Bijbel als irrelevant, tijdgebonden of achterhaald te beschouwen. Of: het recht om andersdenkenden in de kerk welkom te heten en elkander blijmoedig te verdragen.
In dit verband citeer ik Openbaring 22: “Ik betuig aan een ieder, die de woorden der profetie van dit boek hoort: Indien iemand hieraan toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen, die in dit boek beschreven zijn; en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn”[5].
Kan het nog duidelijker, eigenlijk?

4 Geestelijke cultuur contra geestelijke cultuur
De generaties na ons zullen, zo lees ik, te maken krijgen met een andere geestelijke cultuur.
Dat is ongetwijfeld waar.
Die generaties lijken te moeten leven in een een wereld waarin on-echte kerkelijke saamhorigheid aan de orde van de dag zal zijn. Nog vaker dan voorheen. Valse oecumene, noemen we dat.
Hoe moet dat verder?
Welnu, de kerk heeft altijd van doen met een Geestelijke cultuur, een samen-leving waarin Gods Heilige Geest de hoofdrol speelt. Zoals in Handelingen 9: “De gemeente dan door geheel Judea, Galilea en Samaria had vrede; zij werd opgebouwd en wandelde in de vreze des Heren, en zij nam in aantal toe door de bijstand van de heilige Geest”[6]. En zoals in Handelingen 11: “…want hij (Barnabas) was een goed man, vol van de heilige Geest en van geloof. En een brede schare werd de Here toegevoegd”[7].
De Geestelijke cultuur staat tegenover de geestelijke cultuur. Dat mogen we nooit vergeten!

Noten:
[1]
“Het onheilig vuur van 2003 blijft pijn doen”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 12 december 2013, p. 2 en 3.
[2] Romeinen 12:4 en 5.
[3] Romeinen 12:3 en 6.
[4] 1 Samuël 16:6 en 7.
[5] Openbaring 22:18 en 19.
[6] Handelingen 9:31.
[7] Handelingen 11:24.

13 december 2013

Het beperkte zicht van Richard Dawkins

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

“Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht voor wie Hem vrezen”.
Dat zijn woorden uit Lucas 1. Ze komen uit de lofzang van Maria[1].
Het zijn woorden waarin Gods keuze naar voren komt. Zijn barmhartigheid is voor wie Hem vrezen.
Maar wij bemerken ook hoe trouw de Here God is. Want zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht.

Als ik het goed zie, hebben deze woorden ook in 2013 nog weinig aan actualiteit ingeboet.
Ik schrijf dat uiteraard niet zonder reden.

De heer Richard Dawkins is een atheïstische evolutiebioloog[2].
Hij moedigt mensen aan om de Bijbel te lezen. Dat doet hij “…om literaire en historische redenen”.
“Met de God van de Bijbel kan Dawkins echter niets beginnen. Hij stoort zich aan teksten in het Oude Testament waar in naam van God geweld wordt uitgeoefend. Ook met de verzoening door het lijden, sterven en opstaan van Jezus Christus kan hij niet uit de voeten. Voor hem is het weerzinwekkend te bedenken dat God Zijn Zoon martelt om de zonden te dragen”[3].
Dawkins snapt niet waarom de Here geweld gebruikt. Dat komt omdat hij niet begrijpt dat de Here voor Zijn kinderen óp komt. Hij ziet niet dat, wanneer Gods kinderen in nood zijn, hun Heer adequaat ingrijpt.
Begrijpt u hoe actueel Lucas 1 vandaag nog is?

Als je opkomt voor het ene volk, staat de andere natie in de hoek waar de klappen vallen. Dat geldt menselijk bekeken al. Vanuit de hemel bezien wordt die regel nog consequenter toegepast. Want de Here heeft Zijn volk lief. Hij doet er alles aan om Zijn kinderen naar Zijn toekomst te leiden.
“Zijn barmhartigheid is voor wie Hem vrezen”.
Mensen die de God van hemel en aarde niet eerbiedigen, doorzien niet wat de almachtige God aan het doen is. Zulke mensen zien alleen maar dat de Here hard slaat. De dreunende slagen van God lijken dan ongenadig. Maar dat zijn ze niet.
“Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht.
Als mensen zich echter systematisch van God afwenden, speelt Gods toorn een grote rol in het leven. Vele, vele generaties zien vervolgens slechts een hardvochtige en barbaarse Man, die – ergens ver weg – aan een paar touwtjes lijkt te trekken. Al die mensen zien alleen maar Goddelijk geweld.
En dat terwijl de Here niets liever doet dan Zijn oneindige genade demonstreren.
Ziet u de toepasbaarheid van Lucas 1?

“Mijn ziel maakt groot de Here”, zingt Maria[4].
Dat betekent niet dat zij de Here groter maakt dan Hij is. Want dat kan niet.
Maar als Maria dit zingt, maakt zij de Here toch groter. In haar hart namelijk.
Anders gezegd: in Maria’s hart komt meer ruimte voor de Here.
Zo gaat dat ook met ons. Als wij tot de Here bidden en Hem alle eer geven, vervult Zijn grootheid ons meer en meer.
Terecht schreef een dominee in verband met Maria’s lofzang eens: “God groot maken krijgt ook onder de mensen plaats. Door Hem de eer te geven komt er meer plek voor God in het openbare leven, in huis en in onze omgeving. Aanbidden is niet evangeliseren. Want bij het grootmaken van God ben je op Hem gericht. Maar juist door helemaal op God gericht te zijn en je omgeving wat te vergeten, komt er meer ruimte voor God in het leven. De kerk heeft als eerste roeping de aanbidding. Voorafgaand aan alle activiteiten en inzet. Ook voorafgaand aan evangelisatiewerk. Anders blijft het mensenwerk onder een gesloten hemel”[5].
Richard Dawkins aanbidt God niet.
Dawkins bekijkt God van de literaire kant. Vanuit het verleden speelt God namelijk een nogal grote rol in de literatuur.
Dawkins bekijkt God van de historische kant. De naam van God komt namelijk nogal eens langs in de geschiedenis. Je kunt niet om Hem heen, zogezegd.
Daarom leest Dawkins de Bijbel toch maar. En Hij beveelt de Bijbel ook aan als cultureel leesvoer.
Zou de heer Clinton Richard Dawkins zich nooit afvragen of het misschien zo is dat God ervoor zorgt dat niemand om Hem heen kan?
Ziet u de actualiteit van Lucas 1?

Gods barmhartigheid is van geslacht tot geslacht.
Dat kan maar één ding betekenen. Namelijk: onze Schepper is reuze planmatig bezig.
In de kerk mogen en moeten wij het belijden: de Here volvoert Zijn heilsplan.
Vrij vertaald staat er: Gods barmhartigheid duurt vele gelovige generaties lang[6].
Laten wij ons geloof maar koesteren.
Dan kunnen we nog tot in lengte van dagen van Gods genade genieten.
Ziet u de dringende Boodschap en het blijde Evangelie van Lucas 1?

Noten:
[1]
Lucas 1:50.
[2] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Dawkins .
[3] Zie http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/atheist_dawkins_wees_vertrouwd_met_de_bijbel_1_790493 . Zie ook: “Atheïst Dawkins: Lees Bijbel goed”. In: Reformatorisch Dagblad, woensdag 11 december 2013, p. 2.
[4] Lucas 1:46.
[5] Dat schreef de Gereformeerde Bondsdominee P.F. Bouter. In: “God groot maken – meditatie over Lucas 1:46”. In: De Waarheidsvriend (11 december 2008),  p. 3. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[6] Zie hierover ook de webversie van de Studiebijbel, https://web.studiebijbel.nl/. Commentaar bij Lucas 1:50.

12 december 2013

Geen gewoon bestuurswerk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Afgelopen maandagavond was er een vergadering van de kerkenraad van De Gereformeerde Kerk Groningen[1].
Zoals gebruikelijk kwamen er weer heel wat dingen langs. Want zo gaat dat, in een dergelijke bijeenkomst.

Kerkenraadswerk is mooi.
Maar ook spannend, soms. En inspannend, bij tijd en wijle.

Ouderlingen en diakenen zaten maandagavond bij elkaar. In een dorp, even ten oosten van Groningen.
Wat zaten zij daar eigenlijk te doen?
Deden zij simpelweg bestuurswerk?
Nee, dat waren zij daar niet aan het doen.

Waarom niet?
Alleen al niet vanwege Genesis 3:9.

Daar, in Genesis 3, hebben de mensen net tegen Gods gebod gezondigd. Zo komt het dat zij naar zichzelf gaan kijken. Als ze dat doen, zien zij dat ze naakt zijn[2].
En ze voelen het aan: nu de zonde in de wereld is, kunnen we niet zomaar bij God komen.
Als Hij langs komt, verbergen ze zich. “Toen zij het geluid van de HERE God hoorden, die in de hof wandelde in de avondkoelte, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor de HERE God tussen het geboomte in de hof”[3].
Merkt u de onbeholpenheid der mensen? Ze gaan zich tussen de bomen verbergen. Alsof de Here God niet alles ziet. Alsof de Here niet dwars door de boomgaard héén kan kijken.
Mensen zijn van nature met die onbeholpenheid behept. De menselijke natuur is nu wezenlijk veranderd. De mensen gaan hun eigen ding doen. Mensen gaan hun eigen gedachten volgen. Net zoals dat in Efeziërs 2 staat: “…handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten, en wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns”[4].
Maar dan komt Gods genade aan het licht. “En de HERE God riep de mens tot Zich en zeide tot hem: Waar zijt gij?”[5].
De toornige God komt naar de mensen toe. Hij toont Zijn genade.
De Here is present.
En dat geldt ook voor kerkenraadsvergaderingen.
Alleen daarom al deden die kerkenraadsleden maandagavond geen simpel bestuurswerk, daar in die zaal achter dat woonhuis.

Kerkenraadsleden staan, in zekere zin, oog in oog met God.
Hij vraagt aan ambtsdragers: waar zijt gij? En: waar zijt gij mee bezig?
Hoe lang agenda’s ook zijn, hoe intensief er ook wordt vergaderd, altijd weer moeten kerkenraadsleden iets van Gods genade laten zien. In de besprekingen die ze voeren. In de huis- en ziekenbezoeken die gebracht worden. In de correspondentie die er namens de kerkenraad uit gaat.
Dwars door meningsverschillen heen mag de vraag van de Here God klinken: waar zijt gij? Die vraag klinkt, meestal onhoorbaar, in de vergaderingen. En in de vele contacten met gemeenteleden.
Waar zijt gij?
Dat betekent niet: Ik ben naar u op zoek. Want de Here weet natuurlijk best waar Zijn kinderen zich bevinden, en waar zij mee aan de gang zijn. Die vraag uit Genesis 3 betekent: Ik wil contact met u hebben. En: Ik wil dat u weer met Mij leeft. En: Ik wil weer met u door het leven wandelen. Wandelen met God, noemen wij dat.

Kerkenraadsvergaderingen zijn geen ouderwetse bijeenkomsten, in een wereld die bijkans door drukte verteerd wordt.
Kerkenraadsleden vergaderen in alle rust. Want zij willen goed nadenken. Zij willen woorden zeggen waarin door God gegeven wijsheid wordt weerspiegeld.
Graag wijs ik u in dat verband op 1 Koningen 19.

In dat hoofdstuk verschijnt de Here aan Elia.
Ik citeer: “En zie, toen de HERE juist zou voorbijgaan, was er een geweldige en sterke wind, die bergen verscheurde en rotsen verbrijzelde, die voor de HERE uitging. In de wind was de HERE niet. En na de wind een aardbeving. In de aardbeving was de HERE niet. En na de aardbeving een vuur. In het vuur was de HERE niet. En na het vuur het suizen van een zachte koelte. Zodra Elia dit hoorde, omwond hij zijn gelaat met zijn mantel, ging naar buiten en bleef in de ingang van de spelonk staan. En zie, er kwam tot hem een stem, die sprak: Wat doet gij hier, Elia?”[6].
De Here komt naar Elia toe in de stilte. Niet in allerlei spektakel en drukte. Maar in de rust. En Elia begrijpt dat blijkbaar.
In die stilte klinkt de stem van God: wat doet gij hier, Elia?
De stem in de stilte – die doet denken aan Genesis 3.
Het werk van de Here gaat door. De Here Zelf zal ingrijpen in de harten van mensen: “Doch Ik zal in Israël zevenduizend overlaten, alle knieën die zich niet gebogen hebben voor de Baäl, en elke mond die hem niet gekust heeft”[7].
Op de achtergrond van allerlei menselijk rumoer, van vraagtekens en van zonden, staat de hemelse garantie van Gods permanente werkzaamheid.
Zelfs in een rustige omgeving spreekt, ook tijdens kerkenraadsvergaderingen, de zonde een behoorlijk woordje mee. Maar kerkenraadsleden mogen het weten: de Here God is actief aanwezig!
Zijn beloften zijn voluit geldig, ook in 2013. Zoals die in Psalm 25:
“Des HEREN vertrouwelijke omgang is met wie Hem vrezen,
en zijn verbond maakt Hij hun bekend.
Mijn ogen zijn bestendig op de HERE,
want Hij voert mijn voeten uit het net”[8].

Aanstaande maandagavond is er in DGK Groningen opnieuw een kerkenraadsvergadering. Zonder diakenen, die keer.
Dat zal, zo de Here wil, de laatste kerkenraadsvergadering van het kalenderjaar zijn.
Als de Here nog niet terug komt gaat het kerkenraadswerk in 2014 verder.
Nee, dat werk gaat niet gewoon verder.
Want kerkenraadsvergaderingen staan, net als alle andere werkzaamheden in de kerk, onder de koepel van verwachting, vrede en zinderend geluk. Het is de overkapping van Openbaring 21: “En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn”[9].

Noten:
[1]
De inspiratie voor dit artikel putte ik uit: Hans Alderliesten, “Bezinning tijdens advent goed medicijn”. In: PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, woensdag 27 november 2013, p. 6. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[2] Genesis 3:7.
[3] Genesis 3:8.
[4] Efeziërs 2:3.
[5] Genesis 3:9.
[6] 1 Koningen 19:11-13.
[7] 1 Koningen 19:18.
[8] Psalm 25:14 en 15.
[9] Openbaring 21:3.

Delen uit dit artikel zijn gebruikt in: ‘Blanco stemmen’; hoofdartikel in: Kerkblad van De Gereformeerde Kerk Groningen, jg. 10 nr 8 (maart 2014), p. 2, 3 en 4.

« Vorige paginaVolgende pagina »

Blog op WordPress.com.