gereformeerd leven in nederland

31 januari 2014

God is liefde

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

De titel van dit stuk echoot door de wereld.
Er zijn veel mensen die dat zeggen. In één zinnetje van drie woorden zeggen zij: boven deze wereld zetelt een Heer de iedereen en alles lief heeft.

God heeft ons lief. In de kerk mogen wij dat zonder omwegen vaststellen.
En wij mogen er blij om wezen.
Heel vaak wordt die blijdschap een beetje aan de kant gedrukt. Dat komt omdat wij het druk hebben; in de maatschappij, en in de kerk. In de kerk lopen heel gewone, zondige mensen rond. En dus hebben we niet zelden last van allerlei ergernisjes. We kijken elkaar scheef aan. En wij bedenken dat het in liefde met elkaar omgaan soms heel moeilijk is.

Daarom is het goed om in de kerk rechttoe rechtaan te zeggen: God is liefde.

Maar daarmee is niet alles gezegd.
Dat wil ik aanwijzen nu ik de vinger leg bij Deuteronomium 10.
Ik bedoel deze woorden: “Want de HERE, uw God, is de God der goden en de Here der heren, de grote, sterke en vreselijke God, die geen partijdigheid kent noch een geschenk aanneemt; die wees en weduwe recht doet en de vreemdeling liefde bewijst door hem brood en kleding te geven”[1].

Het bovenstaande citaat begint met het woord ‘want’.
Deze tekst maakt deel uit van een perikoop waarin Gods volk wordt opgeroepen tot gehoorzaamheid. Niet maar op een paar levensterreinen, maar overal en altijd. Gods kinderen moeten zich aan de wet van hun Heer houden. Dan zal het goed met hen gaan.
De Here is eigenaar van alles wat op de aarde en in de lucht is. Overal in hemel en op aarde zien wij, om zo te zeggen, etiketten. Stickers met de tekst: eigendom van God. Maar Hij heeft een speciale keuze gemaakt. Hij heeft Zich aan het volk Israël verbonden. Hij heeft hen – daar is dat woord! – liefgehad.
De Here wil dat de door Hem uitverkorenen in het Verbondskader blijven. Zij moeten zich nu ook aan hun God verbinden. Weg met alle tegendraadsheid en weerspannigheid, zegt de Here[2].
Want de Here is de God der goden!

Je zou zeggen: de Here is partijdig. Bevooroordeeld. Vooringenomen. Hij doet vanaf nu op allerlei manieren moeite om Zijn volk een plezier te doen.
Maar dat is niet zo.
In het verbond blijft de Here eisen stellen. We kunnen zelfs zeggen: het volk krijgt een grotere verantwoordelijkheid dan andere naties. Ik wijs u, wat dat betreft, op Amos 3: “U alleen heb Ik gekend uit alle geslachten van het aardrijk; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden aan u bezoeken”[3].
Het is duidelijk dat de Here niet aan steekpenningen doet. Zijn kinderen hoeven Hem niet mild te stemmen, met cadeautjes en zo. In de godsdienst kennen we geen omkoperij.

Voor Gods kinderen in Israël is Gods verkiezende liefde geen reden om zonden te bagatelliseren. In de kerk zeggen wij niet: nou ja, het valt wel mee. Zonden hoeven we niet af te zwakken of weg te wuiven.
Als wij dat wel doen, is de grootheid van de Here bedreigend.

En dan pas komt in Deuteronomium 10 Gods barmhartigheid expliciet aan de orde.
De Here beschermt de zwakken in de samenleving. De Here zorgt ervoor dat Zijn kinderen recht gedaan wordt.

God is liefde.
Nou en of.
Maar als dat de enige boodschap is gaan wij te kort door de bocht.
De Here heeft een volk uitgekozen. Nu mag Hij wederkerige liefde vragen; en dat doet Hij ook.
De Here wil gediend worden. Met de gaven die wij ontvangen, moeten wij God eren. In heel het leven.
Wat gebeurt er als wij dat niet doen? Dan worden wij uiteindelijk weggevaagd.
Een beschrijving van zulk een uitroeiingsoperatie vinden we in Deuteronomium 9. Daar zegt de Here tegen Zijn volk: “Weet dan heden, dat de HERE, uw God, zelf voor u uit gaat als een verterend vuur; Hij zal hen verdelgen en voor uw ogen onderwerpen; zo zult gij in korte tijd hun gebied in bezit nemen en hen vernietigen, zoals de HERE tot u gesproken heeft. Zeg niet bij uzelf, wanneer de HERE, uw God, hen voor u uit gejaagd heeft: wegens mijn gerechtigheid heeft de HERE mij dit land in bezit doen nemen; want wegens hun goddeloosheid drijft de HERE deze volken voor u weg”[4]. Dus: als de maat vol is, maakt de Here er een einde aan. Als de beker tot aan de rand toe met ongerechtigheden gevuld is, wijzigt de Here de koers van de wereldgeschiedenis.

God is liefde.
Zo zeggen de mensen dat.
Maar daarbij vergeten zij dat die boodschap vooral een blij bericht voor de kerk is.

God is liefde.
Dat is het blijde Evangelie voor mensen die de Here uitverkoren heeft. Dat is het Evangelie voor mensen die Hem van harte dienen.
Op elke plaats.
In elke tijd.

Noten:
[1]
Deuteronomium 10:17 en 18.
[2] Deuteronomium 10:12-15.
[3] Amos 3:2.
[4] Deuteronomium 9:3 en 4.

30 januari 2014

Rondom de homiletiek

Homiletiek: dat is een moeilijk woord voor preekkunde.
Vandaag publiceer ik enkele gedachten die rond die predikkunst cirkelen.

1.
Niet zo lang geleden schreef dr. H.J.C.C.J. Wilschut op zijn website: “De leegheid en banaliteit van kerkdiensten die mijn vrouw en ik in onze vakanties bezochten, deden ons uitwijken o.a. naar gemeenten van gereformeerde bondssignatuur. Wij ervoeren er geestelijke herkenning. In dit klimaat voelden we vaak ons meer thuis dan in eigen kerkhuis”[1]. De dominee kreeg op die uitlating nogal wat kritiek. Maar het is duidelijk: nogal wat kerkdiensten in de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) zijn leeg. En smakeloos. En plat.
Die constatering brengt mij bij Mattheüs 5: “Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout zijn kracht verliest, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden”[2].
Als het goed is geeft de homiletiek het leven smaak. Een voorsmaak, een voorproefje van het eeuwig heil dat de Here aan Zijn kinderen aanbiedt. De homiletiek zorgt er, ten diepste, bovendien voor dat het dagelijks leven van ware gelovigen naar meer smaakt.

2.
In Marcus 13 staat de rede over de laatste dingen. Daar zegt Jezus tegen zijn discipelen: “Doch gij, ziet toe op uzelf. Zij zullen u overleveren aan gerechtshoven, en in synagogen zult gij gegeseld worden en voor stadhouders en koningen zult gij gesteld worden om Mijnentwil, tot een getuigenis voor hen. En aan alle volken moet eerst het evangelie gepredikt worden. En wanneer zij u wegvoeren om u over te leveren, weest dan niet van tevoren bezorgd wat gij zeggen moet, maar zegt wat u in die ure gegeven wordt; want gij zijt het niet, die spreekt, maar de heilige Geest”[3].
Dat zegt Jezus tegen de mensen die later het fundament van de kerk zouden gaan vormen. Wij kunnen daarom zeggen dat Jezus ook tegen de kerk zegt dat de Heilige Geest aan het werk is. In de preek is niet simpelweg een theoloog aan het woord. Op de kansel staat iemand die een ambt heeft: hij is door de Here geroepen. Die geroepene staat er dus niet alleen voor. De Here schenkt Zijn Heilige Geest.
De Gereformeerde dominee die op de kansel staat wordt, met andere woorden, door Gods Geest geleid. De kandidaat en de student mogen zich bij hun formuleringen laten leiden door datgene dat de Heilige Geest in hun gedachten brengt.

3.
U heeft vast wel eens iets over preekwedstrijden gehoord.
En u weet wellicht ook: in de nieuwe homiletiek moet een preek spannend zijn. Er moet een plot in zitten. Het wordt allemaal nog mooier als er een echte ontknoping is. Een preek moet, kortom, ervaringen oproepen.
Maar een Gereformeerde kerkdienst hoeft geen belevenis te zijn. Het is prachtig als een preek u en mij werkelijk raakt. Het gaat er echter om de autoriteit van Gods Woord te tonen. We moeten er elke week van overtuigd raken dat we God dienen omdat Hij het over ons te zéggen heeft. En we mogen heel blij zijn dat de Here de Leider van ons leven is. Want onze God is een en al liefde en genade.
De betekenis van de preek wordt, zo heeft de psychologe en theologe Hanneke Schaap-Jonker een jaar of zes geleden geconcludeerd, vooral bepaald door de psyche van de luisteraars. Met andere woorden: de interpretatie van een preek hangt af van de (ere)plaats die wij God in ons leven geven, onze eigen persoonlijkheid en ons humeur. Die geleerde mevrouw zei: “…een dominee moet zich ervan bewust zijn dat een preek niet zondermeer eenduidig overkomt. Je kunt moeilijk iedereen behagen, maar je zou kunnen beginnen met de kwetsbaarsten”[4].
Dat is een mooi verhaal. Maar de kernvraag luidt: zijn wij bereid om onszelf te laten corrigeren?
Wij moeten luisteren met een open hart.
We moeten bereid zijn om al onze gaven in te zetten in het kader van ons gezamenlijk wandelen met God. Somtijds zijn dat capaciteiten op het terrein van barmhartigheid en mededogen. En soms betreft het intellectuele begaafdheid.
Zó mogen we elkaar op de goede weg leiden, achter Christus aan[5].

4.
Ds. Jac. van Dijk hield in 1960 een radiotoespraak over de vraag ‘hoe vindt u dat er gepreekt moet worden?’. Hij liet de luisteraar als het ware antwoorden: kort, vooral kort! Van Dijk reageerde: “En als men naar een ‘one man show’ gaat, dan moet het lang duren. Vooral lang”.
Bernardus van Clairvaux – u weet wel: die Franse abt die een vooraanstaande rol speelde in de kloosterorde der cisterciënzers – trok er meestal een uur voor uit[6].
De preken van Johannes Calvijn waren meestal niet langer dan vijftig minuten. In 1522 schreef hij aan zijn vriend Guillaume Farel: “Ik hoor dat jouw buitengewoon lange preken aan veel mensen reden geven om te morren (…) maak het liever met geweld korter dan dat je de satan gelegenheid geeft, die hij zoekt. Je weet om te beginnen dat wij ook bij de onwijzen in de schuld staan (Romeinen 1:14); niet dat we door al te grote toegeeflijkheid hun dwaasheid moeten aanmoedigen, maar we moeten ze proberen te trekken doordat we hun wat geven.
(…) Maar omdat de Heere ons roept om de kansel te bestijgen niet om tot ons maar om tot de gemeente te preken, daarom moeten we zo een manier van preken hebben dat niet uit verveling verachting voor het Woord groeit”.
De synode van Dordrecht bepaalde in 1574: “De kercken-dienaren zullen vermaent wesen hare toehoorders met al te lange Predicatien niet te beswaren, en deselve, so veel mogelijck is, over een uur niet vertrecken”.
En dan is er nog John Newton (1725-1807). Die Engelse slavenhandelaar en pastoor is met name bekend door een lied dat hij schreef: ‘Amazing grace’[7]. Hij merkte eens op: “Laat uw prediking nooit langer duren dan een uur, tenzij ge ten stelligste verzekerd zijt dat uw gehoor uit engelen bestaat en dat ge zelf een engel zijt”.
De martelaar Johannes Hus sprak eens het wijze woord ‘Brevis praedicatio, longa ruminiatio, actio perpetua’. In gewoon Nederlands: korte preek, lang herkauwen en eindeloze actie. Kan het nog duidelijker, eigenlijk[8]?

5.
Kent u professor C. Trimp nog? Hij leefde van 1926-2012. Van 1970 tot 1993 was hij hoogleraar homiletiek aan de Gereformeerd-vrijgemaakte Theologische Universiteit[9]. Welnu, hij schreef eens: “Wij komen de aard van de prediking niet op het spoor wanneer wij blijven binnen de grenzen van de geschiedenis van de informatie-overdracht”[10].
In de preek hebben wij niet te maken met een veredeld soort communicatietechnologie.
In de preek horen wij het Woord van de levende God. De Verbondsgod onderwijst ons, met het oog op de toekomst[11]!

Noten:
[1]
Zie http://www.hjccjwilschut.nl/verantwoording/ .
[2] Mattheüs 5:13.
[3] Marcus 13:9-11.
[4] Zie http://www.trouw.nl/tr/nl/4324/nieuws/article/detail/1296204/2008/04/18/Psyche-bepaalt-begrip-preek.dhtml .
[5] Deze opmerking maakte ik al eens eerder. Dat deed ik in een stuk dat ik in oktober 2008 schreef.
[6] Zie over Bernardus van Clairvaux http://nl.wikipedia.org/wiki/Bernardus_van_Clairvaux .
[7] Zie over John Newton http://nl.wikipedia.org/wiki/John_Newton .
[8] In dit punt gebruik ik: Ds. M. van Kooten, “Kort preken!?”. In: Terdege (20 juni 2012), p. 31 (rubriek ‘Ogenblik’). Ook te vinden op www.digibron.nl .
[9] Zie over hem http://www.nd.nl/artikelen/2012/maart/10/prof.-c.-trimp-overleden .
[10] Dr. C. Trimp, “Klank en weerklank; door prediking tot geloofservaring”. – Barneveld: De Vuurbaak, 1989. – p. 32-35. Citaat van p. 35.
[11] Deze gedachte leen ik van een artikel dat ik in november 2006 schreef.

29 januari 2014

Micha 3: aanmoediging voor de kerk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Vandaag wil ik alle gelovigen aanmoedigen om te wandelen met God.
Gaarne wil ik u aansporen om regelmatig in het gebed naar de troon van God te gaan.
Ook wil ik u er op wijzen dat de God van hemel en aarde ons voor een beslissende keuze stelt.

Misschien zegt u wel: ach, dat is een beetje overbodig; dat weet ik allemaal al.
Misschien zegt u wel: ik ben een blijmoedig Bijbellezer en een fervent kerkganger.
Dat kan best zo wezen; ik geloof het graag.
Toch is er alle reden om bovenbedoelde aanmoedigingen te publiceren.
Dat blijkt – bijvoorbeeld – uit Micha 3[1].

In dat hoofdstuk treft de Here rigoureuze maatregelen. “Daarom zal om uwentwil Sion als een akker worden omgeploegd, en Jeruzalem zal worden tot steenhopen, ja de tempelberg tot woudhoogten”[2].
Waarom pakt de Here Zijn volk zo hard aan? Dit is toch pure destructie?
Zulke vragen worden ook in de wereld gesteld. De mensen zeggen er soms bij: die christenen hebben te maken met een God die veel geweld gebruikt; wat een vreselijke Man is dat! Intussen vergeet men dat de aanleiding voor die Goddelijke woede ligt in het feit dat Gods prachtige werk door de zonde wordt bedorven.

Dat zien wij ook in de tijd van de profeet Micha.
In welke tijd werkt Micha eigenlijk? En hoe kunnen wij die periode karakteriseren?
Een uitlegger schreef: “Zijn dagen zijn de dagen van Jotham, Achaz en Hizkia (…). We zitten dan in de tweede helft van de achtste eeuw voor Christus. Het is de tijd van de ondergang van Samaria. Ook Jeruzalem krijgt te maken met de oppermacht van de Assyriërs. Hizkia probeert hen rustig te houden door het doen van betalingen en het afstaan van grondgebied. Als de koning echter op een gegeven moment weigert te betalen, verschijnt binnen de kortste keren het Assyrische leger voor Jeruzalems poorten. In dat gespannen klimaat lopen profeten rond, die verkondigen dat Jeruzalem niets zal gebeuren. Zij hebben de mond vol van vrede”[3].
De samenleving ziet er geordend en vredig uit. Maar de kijker die de zaak eens nauwkeurig beschouwt, ziet al snel dat er ten principale iets helemaal mis is!

Hoe staan de zaken in Micha 3?

De regering van het volk is, als het erop aan komt, een stelletje criminelen. Gods volk wordt geplukt en uitgekleed. Welnu – de Here zet daar een stop op. Hij neemt wraak! Als die corrupte regeerders uiteindelijk zelf de hulp van de Here nodig hebben, zullen zij geen gehoor vinden.

Hoe zal het gaan met de profeten? Ook met hen zal het slecht aflopen. Waarom? Omdat ze het Woord van God niet brengen. Als ze goed te eten krijgen, voorspellen ze geluk. Als hun persoonlijke welvaart verdwenen is, is de oorlog aanstaande. Brood etende profeten, noemen we dat. Zo lang ze de maag maar vol hebben, is alles oké.
Welnu – er komt een tijd dat die profeten helemaal niks meer te profeteren zullen hebben. Zij zullen enorme teleurstellingen moeten verwerken. Want van hun geluksaankondigingen komt niets terecht. Helemaal niets.
Die profeten zullen de bovenlip omwinden. Dat wil zeggen: ze bedekken hun baard. Ze gaan in de rouw[4]. Ze zijn werkloos geworden, en daarom wordt armoede hun deel.

Micha maakt zichzelf bekend als profeet van de Here.
Heel de eredienst van Juda gaat ondersteboven. De tempeldienst komt tot een einde.
De Here gaat, om zo te zeggen, terug naar nul.
Een dominee typeerde Micha 3 eens zo: “Als ménsen gaan heersen, berg je dan. Heerschappij en macht is bij ons in zeer slechte handen, tot op deze dag”[5].

Dit alles is, als u het mij vraagt, het beste teken dat de Here Zelf ingrijpen moet. Mensen zijn soms knappe koppen. Ze zijn slim en oplossingsgericht. Maar bij dat alles spreekt de zonde altijd heel wat woordjes mee. De zelfredzaamheid der mensen leidt maar al te gemakkelijk tot goddeloosheid. En uiteindelijk blijken die waanwijze wereldburgers zich zonder hulp uit de hemel helemaal niet te kunnen redden!

Micha 3 is een oproep aan de kerk.
Daarbij noteer ik eerst dat de profeet Micha zijn woorden adresseert aan de “hoofden van Jakob en leidslieden van het huis Israëls”[6]. Hij praat, om zo te zeggen, tegen de kerk van zijn tijd. Micha’s spreken is ook een waarschuwing voor de kerk van de eenentwintigste eeuw.
Ware gelovigen worden aangespoord om tot de Here te roepen. In Micha’s spreken zit een element van eindigheid. Er komt, met andere woorden, een moment dat het aanroepen van de Here niet meer mogelijk is. Op dat ogenblik komt het oordeel van God. Tot die tijd heeft de kerk nog alle kans om zich tot de Here te richten.
Die aanmoediging komen wij vaker in Gods Woord tegen. Ik wijs u op Psalm 18:
“Gij deedt mijn vijanden mij de rug toekeren,
en mijn haters verdelgde ik.
Zij riepen om hulp, maar niemand redde,
tot de HERE, maar Hij antwoordde hun niet”[7].
In Spreuken 1 vermaant de Wijsheid ons:
“Wanneer uw verschrikking zal komen als een storm
en uw verderf zal aansnellen als een wervelwind,
wanneer benauwdheid en angst over u zullen komen,
dan zullen zij tot mij roepen, maar ik zal niet antwoorden,
zij zullen mij zoeken, maar mij niet vinden”[8].
De kerk dient, ook vandaag, de gelegenheid te nemen om met de Here te leven.
De Duitse filosoof en theoloog Philipp Melanchthon (1497-1560) schreef eens: “Maar zij die berouw hebben en geloven dat God hen om Christus’ wil vergeeft, moeten zich niet laten afschrikken vanwege de begane zonden en huichelarij. Want God wil geen vertwijfeling, maar Hij wil dat wij geloven dat Hij ons verhoort en ons zal helpen”[9]. Waarvan akte!

Micha 3 stelt ons op een indringende manier voor de keus:
* je eigen ding doen; en uiteindelijk in duisternis en donkere nacht eindigen
* steeds vragen naar de wil van de Here; en op weg gaan naar eeuwige vrede!

Noten:
[1]
Tijdens de vergadering van de Mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen die op woensdag 5 februari zal worden gehouden, zal het gaan over Micha 3, 4 en 5. In dit artikel maak ik enkele aantekeningen bij Micha 3.
[2] Micha 3:12.
[3] Zie: B.M. van de Bosch, “Opkomen voor Gods recht”. In: De Waarheidsvriend, 7 juli 2011, p. 21. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[4] Zie “Bijbel met kanttekeningen”. – Baarn: Bosch & Keuning n.v., deel 6, p. 251. Kanttekening 19 bij Micha 3:7.
[5] Dat was Ds. A.J. Mensink. Hij schreef dat in zijn artikel “Rechtvaardig, wijs en zacht”. In: De Waarheidsvriend, 23 december 2010, p. 4 en 5. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[6] Micha 3:1.
[7] Psalm 18:41 en 42.
[8] Spreuken 1:27 en 28.
[9] In: ”Onderricht” aan de parochiegeestelijken, augustus 1527/maart 1528. Vertaling dr. H.A. Speelman. Geciteerd via: A. de Heer, “Evangelie én Wet”. In: PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, 22 juli 2013, p. 8 en 9. Ook te vinden op www.digibron.nl . Voor informatie over Ph. Melanchthon zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Melanchthon .

28 januari 2014

De instructie van Exodus 35

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Over de zondagsrust is veel te doen. Er wordt heftig over gediscussieerd tijdens al of niet deftige vergaderingen, en aan keurige koffietafels.
Gereformeerde mensen zeggen vol overtuiging: het vierde gebod moet overeind blijven; men mag op zondag niet werken. Dat is zo, zegt een ander grif. Maar een derde vraagt: is het in onze tijd nog wel mogelijk om alle fabrieken op zondag stil te leggen? Nee, antwoordt een vierde op die vraag, dat kan tegenwoordig niet meer.

Op die laatste vraag geef ik vandaag geen antwoord. Alleen al niet omdat ik niet weet wat de kosten daarvan zijn.
Het bovenstaande maakt echter al duidelijk dat het Schriftuurlijk studeren op de zondagsrust heden ten dage nog altijd heel nuttig is.

In dit artikel wil ik enkele aantekeningen maken bij woorden uit Exodus 35: “Toen liet Mozes de gehele vergadering der Israëlieten samenkomen en zeide tot hen: Dit zijn de geboden, die de HERE bevolen heeft te doen. Zes dagen zal werk verricht worden, maar op de zevende dag zal het voor u een heilige tijd zijn, een volledige sabbat voor de HERE; ieder, die daarop werk verricht, zal ter dood gebracht worden. Gij zult in geen van uw woningen vuur ontsteken op de sabbatdag”[1].

Dat sabbatsgebod is bij de Israëlieten niet onbekend. Zij hebben het – bijvoorbeeld – in Exodus 31 ook al gehoord. Toen stond het in verband met de bouw van de tabernakel. Klaarblijkelijk wilde de Here er de nadruk op leggen dat er op de sabbatdag niet aan de tabernakel gebouwd mocht worden.

In Exodus 35 klinkt dat sabbatsgebod dus opnieuw.
Wat gebeurt er in de tussenliggende hoofdstukken?
In Exodus 32 staat de historie rond het gouden kalf.
In hoofdstuk 33 besluit de Here niet langer met het volk Israël op te trekken. Daarop volgt er een intiem gesprek tussen Mozes en de Here. Mozes vraagt de Here dringend om toch verder mee te gaan. Daarop herziet de hemelse God Zijn besluit. Vervolgens voldoet God aan Mozes’ verzoek om de heerlijkheid van de Here te mogen zien.
In hoofdstuk 34 komen er twee nieuwe stenen tabletten met de wet van God erop. Dat hoofdstuk kunnen wij kunnen beschouwen als verbondsvernieuwing.
En daarna is er de herhaling van dat sabbatsgebod. Dat is de inleiding op allerlei instructies met betrekking tot de bouw van de tabernakel.
De sabbatsgeboden in Exodus 31 en 35 hebben, zo concludeer ik, alles te maken met de presentie van de Here.

Laten wij nog even naar de opbouw van Exodus 31 tot en met 35 kijken.
In hoofdstuk 32 geloven de mensen niet meer in Gods aanwezigheid. Daarom laten zij een gouden kalf maken. Dan hebben ze tenminste nog wat.
Mozes fungeert als (be)middelaar. De Here besluit present te blijven. Er komt zelfs verbondsvernieuwing; de relatie tussen God en Zijn volk wordt weer geoptimaliseerd.
Het sabbatsgebod gaat fungeren als preambule bij de instructies voor de bouw van de tabernakel. De tabernakel: dat is het centrum van Israëls eredienst in de woestijn[2].
Als de presentie van de Here erkend en herkend wordt, kan de eredienst beginnen. Dan zal de lof aan God centraal staan.
Dat is een kernpunt als wij anno 2014 over de zondagsrust praten. Als wij, bijvoorbeeld, nadenken over Zondag 38 van de Heidelbergse Catechismus moeten Gods eer en de eredienst het middelpunt wezen. De hulde aan Hem moet zoveel mogelijk worden gewaarborgd.
Zondagswerk moeten wij zoveel mogelijk mijden. En als het toch moet, is een kernvraag: is dit tot eer van God, en toon ik hier liefde tot de naaste?
Ik ga nog een stap verder: zijn wij bereid om broeders en zusters die – vanwege hun weigering om op zondag te werken – in financiële problemen komen daadwerkelijk te ondersteunen, ook voor langere tijd? Het zou best eens kunnen zijn dat die vraag in de komende jaren met zekere regelmaat een concreet antwoord behoeft.

Wat moeten wij in onze tijd met dat verbod om een vuur te ontsteken? Ook in onze Bijbels staat: “Gij zult in geen van uw woningen vuur ontsteken op de sabbatdag”. Het is wel bekend dat de Joden dat nog steeds niet doen[3]. Wat moeten wij er mee?

Dat vuurverbod komt, als ik het goed weet, uit Exodus 16. Op de zevende dag is er geen manna te vinden. Ik citeer uit dat hoofdstuk: “En op de zesde dag verzamelden zij tweemaal zoveel brood, twee gomer voor ieder; en al de vorsten der vergadering kwamen het Mozes berichten. Toen zeide hij tot hen: Dit is wat de HERE gezegd heeft: een rustdag, een heilige sabbat is het morgen voor de HERE; bakt wat gij bakken wilt en kookt wat gij koken wilt; laat al wat overblijft liggen om het tot de volgende morgen te bewaren”[4].
Wat wil de Here aan Zijn volk leren? In ieder geval dit: de Here schenkt Zijn gaven op de tijd die Hij bepaalt. Hij geeft Zijn gaven op de manier die Hij de beste vindt.
En ook dit: wij moeten en kunnen niet alles verklaren vanuit of via allerlei verschijnselen in de natuur. Onze God heeft er de hand in. Onze God heeft alles in Zijn hand!

Als in Exodus 35 dat vuurverbod nog eens wordt herhaald, wil de Here daar blijkbaar mee zeggen: ‘Mijn Verbondspresentie garandeert dat Ik u gaven en mogelijkheden zal blijven geven om Mij te dienen. Welke mogelijkheden dat zijn? Rustig maar – u zult ze gaandeweg ontdekken. U zult bemerken dat Ik in vol ornaat present ben; ja, Ik ben volop actief’.
Vandaag de dag zijn onze huizen warm. Ook op zondag. En daar is heus niets tegen. Als we dan maar wel bedenken, en blijven belijden, dat God alles in Zijn handen houdt!

U begrijpt wel dat hier ook Gods voorzienigheid in beeld komt.
Dat is een grote troost voor allen die geen zondagswerk willen doen, maar daar in hun beroepsmatige werk wel toe gedwongen worden.
Er zijn – ook in onze tijd! – ware christenen die met deze zaak te maken hebben. Ook zij mogen bedenken: de Here God heeft alles in Zijn hand; op Zijn tijd en wijze zal Hij oplossingen geven. Misschien zijn dat geen oplossingen waar zij alleszins blij en geheel tevreden van worden. Maar het zijn wel de regelingen die de Here de beste vindt. Zo zet Hij Zijn werk voort.

Nu citeer ik nog Zondag 38 van de Heidelbergse Catechismus:
“Wat gebiedt God in het vierde gebod?
Antwoord: Ten eerste dat gezorgd wordt voor het in stand houden van de dienst des Woords en van de scholen, en dat ik vooral op de sabbat, dat is op de rustdag, trouw tot Gods gemeente zal komen om Gods Woord te horen, de sacramenten te gebruiken, God de Here publiek aan te roepen en de armen christelijke barmhartigheid te bewijzen. Ten tweede dat ik al de dagen van mijn leven mijn slechte werken nalaat, de Here door zijn Geest in mij laat werken, en zo de eeuwige sabbat in dit leven begin”[5].
En sommigen van u hoor ik al zeggen: ‘ik kan niet altijd naar de kerk’. En: ‘ik kan kiezen: soms op zondag werken, of werkloos worden; zegt u maar wat ik behoor te kiezen, nu ik een vrouw en drie schoolgaande kinderen onderhouden moet’.
Deze moeilijke zaken mogen we, in alle ootmoed, in het gebed bij de troon van de Here brengen. Kinderen van God zullen dan een uitweg vinden. Op de tijd die Hij bepaalt. Op de manier die Hij de beste vindt.
Echt waar.
Leest u Exodus 35 maar.

Noten:
[1]
Exodus 35:1, 2 en 3.
In dit artikel maak ik ondermeer gebruik van de webversie van de Studiebijbel. Te vinden via https://www.studiebijbel.nl/home.html .
[2] Zie over de tabernakel onder meer http://nl.wikipedia.org/wiki/Tabernakel_(tent) .
[3] Zie hierover bijvoorbeeld: Alfred Muller, “Sabbat, zondag én vrijdag in Israël”. In: Reformatorisch Dagblad (1 augustus 2013), p. 10 en 11. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[4] Exodus 16:22 en 23.
[5] Heidelbergse Catechismus – Zondag 38, vraag en antwoord 103.

27 januari 2014

Nabetrachting op de Week van gebed

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Van 19 tot 26 januari jongstleden vond de Week van gebed plaats. De Raad van Kerken en de Evangelische Alliantie stelden het thema vast: ‘Is Christus dan verdeeld?’[1].
De basis voor dat thema vond men in 1 Corinthiërs 1: “Is Christus gedeeld?”[2].

In het Nederlands Dagblad van zaterdag 18 januari stond een verhaal onder de kop ‘Gebed mag ook gewoon leuk zijn’.
Er werden verschillende vormen van gebed genoemd.
“Bij een dankalfabet bedenk je bij iedere letter van het alfabet iets waar je God dankbaar voor bent.
Voor handpalmgebeden heb je je hand en een kopieerapparaat nodig. Je kopieert je hand en schrijft vervolgens op het kopietje de namen van plaatsen en personen in de handpalm. Dit naar aanleiding van de Bijbeltekst: ‘Ik heb je in mijn handpalm gegrift’.
En tijdens een gebedswandeling bid je met je ogen open. Van Deutekom: ‘Wat ik zelf heel mooi vind, is de gebedsmuur. Je geeft mensen verf, kwasten en stiften en laat ze hun gebedspunten schilderen. Gebed mag ook gewoon leuk zijn’”[3].
Het is prachtig als mensen met God leven.
Het is mooi als ze Hem in alle omstandigheden van het leven willen kennen. De Here heeft het in heel ons leven te zeggen.
Toch staat het bovenstaande mij tegen.

Bidden betekent: naar Gods troon toe gaan. Daar loven u en ik Hem. Daar leggen wij onze klachten neer.
Dat doen wij in alle bescheidenheid. Kleine mensen gaan naar de grote God. Uit alle menselijke woorden spreekt – als het goed is – eerbied. Uit heel de houding der mensen blijkt ootmoed.
Maar wat zie ik in al die leuke vormen van gebed? Ik zie menselijke creativiteit op de voorgrond staan.
Er vindt een demonstratie plaats: kijk eens hoe vindingrijk wij zijn als het over ons gebed gaat!
Oftewel: kijk eens hoe stevig mijn band met God is!
Naar mijn idee gaat op die manier de ootmoed teloor. De bescheidenheid vervliegt. Waarschijnlijk ongewild verschuift het majesteitelijke van de Here God naar de tweede plaats. Dat kan de bedoeling toch niet wezen?

Bij het hierboven geciteerde artikel uit het Nederlands Dagblad stonden ook een paar korte interviews.

Een jonge vrouw, Liza Botter, zei: “Als je samen bidt, krijg je cadeautjes van de Heilige Geest. Er kunnen hele mooie dingen uit voortkomen. Als je samen bidt, ben je niet verdeeld”. Misschien heeft die vrouw nog wel méér tegen de ND-journalist gezegd. Hoe dan ook: de vorenstaande uitspraak roept bij mij tegenspraak op. Er wordt een sfeer geschapen van: als wij samen gaan bidden, heffen wij per onmiddellijk de verdeeldheid op. In roerende gezamenlijkheid. Zonder uitstel.
Maar daar geloof ik weinig van.
Wie met mensen bidden gaat, moet zich ervan vergewissen dat alle biddende mensen de vergeving van hun zonden en al hun heil volledig van God verwachten. Biddende mensen kunnen niets anders meenemen dan lege briefjes.
Vandaag moeten we dat laatste accentueren. Er zijn immers veel mensen die iets zeggen als: ik heb voor God gekozen, toen begon mijn nieuwe leven. Men suggereert vaak: ik begin en win.
Laten wij ons goed realiseren hoe de zaken staan. Biddende mensen moeten in totale afhankelijkheid naar God toe gaan. Als mensen die – vanuit zichzelf bezien – hulpeloos zijn. Als mensen die weten dat de hemelse Helper duurzaam heil aanbiedt!

Een jongeman uit Elburg, Sebastiaan van der Hoeven, zei in het ND: “We gaan in groepjes uiteen voor gebedsworkshops. Een workshop gaat over ‘luisterend bidden’: wees stil en luister naar wat God terugzegt. Verder is er ook nog ruimte voor persoonlijk bidden met elkaar”.
Eerlijk gezegd word ik daar een beetje cynisch van.
Stel: de bidders zijn stil, maar God zegt niks terug. Wat gaat men dan doen?
Als u het mij vraagt, geeft de Here God vooral antwoorden in het gewone leven. In het leven van alledag, dus. Hij leidt onze levens, en zet ons op de plaatsen die Hij uitkiest.
Stille bidders horen, als u het mij vraagt, lang niet altijd een stem in hun hart.
En dan is er nog de kwestie van dat persoonlijk bidden met elkaar. Ik vraag me af: is het nu persoonlijk, of met elkaar? Betreft het individuele of gezamenlijke gebeden?
Ach – waarschijnlijk ben ik te kritisch. Laat maar…

“Is Christus gedeeld?”.
Dat woord uit 1 Corinthiërs 1 was dit jaar het thema van de Week van gebed. Die zin komt uit een bekende perikoop. Die gaat over partijschappen. U weet wel: “Ik bedoel dit, dat ieder uwer zijn leus heeft: Ik ben van Paulus! En ík van Apollos! En ík van Céphas! En ík van Christus!”[4].
Die vraag van Paulus kunnen we ook lezen als een bevestigende uitroep: “Christus is gedeeld!”. Het is alsof Paulus ons grijnzend vraagt: ziet u wel hoe absurd dit is? U bent toch niet in Paulus’ naam gedoopt, wel?
Wij begrijpen allen dat Paulus hier het oog heeft op het offer van Christus aan het kruis. Paulus schrijft daarover in Efeziërs 2: “Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen, en de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft”[5][6].
Eenheid vinden wij, als ik het goed begrijp, bij het offer van het kruis van Christus. Met andere woorden: wij horen bij Christus als wij ons hele leven in Zijn handen leggen. Oftewel: we zijn pas echte kinderen van God als wij – wat onze redding en ons eeuwig heil betreft – helemaal niets van onszelf verwachten. Anders gezegd: we zijn pas christenen als wij doorzien dat geloven niet bij onze keuze begint, maar bij Gods uitverkiezing.
Ik vrees dat heel veel bidders in de Week van gebed dat niet gesnapt hebben.

Noten:
[1]
Zie http://www.oecumene.nl/kalender/week-van-gebed/643-2014-is-christus-dan-verdeeld .
[2] 1 Corinthiërs 1:13.
[3] “’Gebed mag ook gewoon leuk zijn’”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 18 januari 2014, p. 9.
[4] 1 Corinthiërs 1:12.
[5] Efeziërs 2:14-16.
[6] Zie hierover ook de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij 1 Corinthiërs 1. Te vinden via https://www.studiebijbel.nl/home.html

24 januari 2014

De bijzondere bruidegom

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Te midden van alle lawaai op het kerkplein mogen we nooit vergeten om blij te blijven over het geloof. De blijdschap over het feit dat de Here ons gered heeft, mag nooit worden overwoekerd door luid gepraat en geruzie in de kerk.

Om mijzelf, en u als lezer, daarin te oefenen vraag ik vandaag kort uw aandacht voor een tekst uit Jesaja 61. Het is deze: “Ik verblijd mij zeer in de HERE, mijn ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, met de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omhuld, gelijk een bruidegom, die zich als een priester het hoofdsieraad ombindt, en gelijk een bruid, die zich met haar versierselen tooit”[1].

Wie is hier eigenlijk aan het woord?
Jesaja misschien. Of wellicht de Gezalfde uit het begin van Jesaja 61, Jezus Christus.
Mogelijk zijn het de bewoners van de kerkstad Sion. Maar dat laatste is niet waarschijnlijk. In het onderstaande zal dat wel blijken.

Als Jesaja zelf aan het woord is, treedt hij op als een type van Christus. In Lucas 4 spreekt Jezus in de synagoge over ditzelfde hoofdstuk, Jesaja 61. En het eerste wat hij dan zegt, is: “Heden is dit schriftwoord voor uw oren vervuld”[2].
Jesaja verwijst klaarblijkelijk naar Christus.

De kleding die Jezus Christus aan heeft wijzen op een trouwdag. Christus ziet er uit als een bruidegom[3].

Maar het is wel een bijzondere bruidegom.
Er wordt namelijk gesproken over het hoofdsieraad van de priester. Er zijn wel exegeten die spreken over een bruidegom die een mooie hoofdband opzet. Die doet denken aan de sierlijke hoofddoeken van fijn linnen uit de beschrijving van de priesterkleding in Exodus 39[4]. En ook aan de linnen hoofddoeken die de levitische priesters uit Ezechiël 44 moeten dragen[5].
Jezus Christus presenteert zich dus als bruidegom en nadrukkelijk ook als priester. Dat is, zo concludeer ik, de priester van Hebreeën 10: “…deze echter is, na één offer voor de zonden te hebben gebracht, voor altijd gezeten aan de rechterhand van God, voorts afwachtende, totdat zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank voor zijn voeten. Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt, die geheiligd worden”[6].

Jezus Christus lijkt op een bruidegom. En op een priester.
Maar vreemd genoeg heeft hij ook wel iets van een bruid, die klaar staat voor haar trouwdag.
Nu kom ik bij Openbaring 21. Ik citeer: “En ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is”[7]. De woonplaats van verloste mensen komt daar naar beneden. En eigenlijk is die stad, die langzaam doch gestadig naar beneden komt, één grote feestzaal. Alles wijst er op dat daar een heerlijk huwelijk gevierd gaat worden.
Welnu – aan die stad en aan die bruid doet Jesaja 61 denken.
Jezus Christus heeft het voorkomen van een bruidegom, een priester en een bruid. Hij is, om zo te zeggen, alles tegelijk.

Nu wordt, wat mij betreft, ook wat duidelijker waarom in Jesaja 61 staat: “Ik verblijd mij zeer in de HERE, mijn ziel juicht in mijn God”. Het gaat niet over de Here. Die ziel is niet blij over God. Er staat: in de Here, in mijn God.
Daarmee wordt, zo begrijp ik, gedoeld op het feit dat de Here alles in allen zal worden. De kerk is Zijn lichaam. Alle gelovigen hebben een plaats in dat lichaam. Die gelovigen worden een met Hem.

De hele wereld zal dat gaan zien.
De hele aarde wordt één grote akker. Op die akker staat golvend koren.
Waar u ook kijkt, ieder moment ziet u Gods gerechtigheid en lof voorbijkomen. In Jesaja 61 kunnen wij namelijk lezen: “Want zoals de aarde haar gewas voortbrengt en een hof zijn zaaisel doet uitspruiten, zo zal de Here HERE gerechtigheid en lof doen uitspruiten voor het oog van alle volken”[8].
Dat is, om zo te zeggen, de uitwerking van Psalm 85:
“Waar Hij ook gaat, de vrede gaat Hem voor,
liefde en trouw ontspruiten in zijn spoor.
Gerechtigheid is voor zijn aangezicht,
zij bloeit alom waar Hij zijn voetstap richt”[9].

Aanstaande zondagmiddag, 26 januari, wordt bij ons in de kerk het Heilig Avondmaal gevierd.
Als ik aan tafel zit, zal ik er misschien nog wel eens aan denken: de oogst is bijna rijp.

Daarom, geachte lezers, is er alle reden om blij te wezen met het geloof.
Er is een hoop te doen in de kerk. Men praat heen en weer over allerlei kwesties. Soms gaat het over heel principiële zaken, waarbij we ons met recht afvragen: wat wil de Here van ons? Soms ruziet men over onbelangrijke dingen, waarbij u als passant wellicht denkt: broeders en zusters, waar gaat dit nou toch over?
Beste mensen, laat u niet misleiden. De kerk is geen nutteloze instelling. In de kerk zien we het grootse panorama van een eeuwig leven met onze Here!

Noten:
[1]
Jesaja 61:10.
[2] Lucas 4:21.
[3] In dit artikel maak ik dankbaar gebruik van de webversie van de Studiebijbel.
[4] Exodus 39:27, 28 en 29: “En zij maakten de onderklederen van fijn linnen, weefwerk, voor Aäron en zijn zonen, de tulband van fijn linnen, de sierlijke hoofddoeken van fijn linnen, de linnen broeken van getweernd fijn linnen, en de gordel van getweernd fijn linnen, blauwpurper, roodpurper en scharlaken: veelkleurig weefwerk – zoals de HERE Mozes geboden had”.
[5] Ezechiël 44:18: “Linnen hoofddoeken zullen op hun hoofd zijn en linnen broeken aan hun heupen, zij zullen zich niet omgorden met iets dat doet zweten”.
[6] Hebreeën 10:12, 13 en 14.
[7] Openbaring 21:2.
[8] Jesaja 61:11.
[9] Psalm 85:4 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.