gereformeerd leven in nederland

28 februari 2014

Aaneengesloten

Wij leven in een tijd waarin Nederlandse gelovigen worden geteisterd door verwarring.
Zij vragen zich af of ze nog wel geloven – en zo ja, wat dan.
Zij vragen zich af of ze nog wel naar de kerk moeten gaan – en zo ja, waar dan.
Kerkgrenzen zijn open, alle douanehokjes zijn leeg. De gevolgen daarvan zijn zichtbaar[1].

Dit alles overpeinzend kom ik vandaag uit bij 1 Corinthiërs 1. En wel bij deze woorden: “Doch ik vermaan u, broeders, bij de naam van onze Here Jezus Christus: weest allen eenstemmig en laten er geen scheuringen onder u zijn; weest vast aaneengesloten, één van zin en één van gevoelen”[2].

Deze woorden voorafgegaan door een dankzegging aan God.
Paulus is blij, vanwege de genade die God de kerk te Corinthe bewees. De Corinthiërs zijn namelijk rijk geworden. Hun redeneringen worden door de Heilige Geest aangestuurd. Gods kinderen in Corinthe leren zichzelf echt kennen.
Paulus is blij. De Heilige Geest heeft aan de Corinthiërs laten weten: het getuigenis over Jezus Christus is waar.
Ja, Paulus is verheugd. Als het gaat om genadegaven zijn de christenen in Corinthe niet misdeeld. Zij hebben de Heilige Geest al ontvangen. Met Hem gaan zij op weg naar de heerlijkheid.
Paulus weet het zeker: de Corinthiërs zullen, onderweg naar de toekomst, steeds zekerder van hun geloof worden. Niet omdat die Corinthiërs zulke brave mensen zijn. Maar omdat de Here Zijn plan afmaakt.

Het vermaanwoord van Paulus – ‘wees eendrachtig’ – wordt gevolgd door een beschrijving van de verdeeldheid in christelijk Corinthe.
En het is duidelijk: die versplintering moet onmiddellijk stoppen.
Alles moet draaien om Christus, en het feit dat Hij Zijn lijden aan het kruis volbracht heeft.
Het verhaal over dat kruislijden is niet mooi. Het blinkt niet uit door intelligentie. “Maar voor ons, die behouden worden, is het een kracht Gods”[3].

Er moeten, schrijft Paulus, onder u geen schismata zijn[4]. Dat woord schisma gebruiken wij in het Nederlands ook wel. Het betekent onder meer: kerkscheuring.
Paulus zegt impliciet: mensen, als er een kerkscheuring dreigt moet u wel goed weten of die afsplitsing wel de moeite waard is. U moet zich echt tot het uiterste inspannen om bij elkaar te blijven.

Als het hierom gaat, moeten Gereformeerden zich aangesproken voelen.
Neem alleen al De Gereformeerde Kerken (hersteld) en de Gereformeerde Kerken Nederland.
Die zijn beide voortgekomen uit de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Mensen hebben met dezelfde frustraties, ergernissen en woede de GKv verlaten.
Maar na een jaar of wat was er alweer een splitsing. Daar is veel over geschreven. En nog meer over gepraat. Maar de situatie is nog altijd dat er één kerkverband is en een voorlopig kerkverband.
Ik vind dat, eerlijk gezegd, tamelijk onbestaanbaar.
Kan men – om met 1 Corinthiërs 1 te spreken – echt niet “vast aaneengesloten, één van zin en één van gevoelen” zijn?
Zowel vanuit de DGK als vanuit de GKN worden voorlichtingsavonden voor verontrusten georganiseerd. Persoonlijk vind ik dat nogal op een wantoestand lijken. En ik weet ook niet precies hoe ik dat voor de Here verantwoorden moet.
U begrijpt: ik vraag me al helemaal niet af wie z’n schuld het is. Ik stel alleen maar vast dat de Here om eenheid van Zijn kinderen vraagt.

Mensen vragen zich af of ze nog wel geloven – en zo ja, wat dan.
Mensen vragen zich af of ze nog wel naar de kerk moeten gaan – en zo ja, waar dan.
Op heel wat plekken is wel wat goeds te vinden.
Gelovigen pikken her en der wat op. En misschien doen ze dat wel in afwachting van tijdperken waarin de kerkelijke kwesties wat duidelijker worden.
Laat het duidelijk zijn dat de hemelse God eenheid van Zijn kinderen wil zien.

Wij moeten hoeven ons niet vertwijfeld af te vragen hoe we dat dan voor elkaar moeten krijgen.
Want in 1 Corinthiërs 1 staat ook: “Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen. Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze tijd? Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid gemaakt? Want daar de wereld in de wijsheid Gods door haar wijsheid God niet gekend heeft, heeft het Gode behaagd door de dwaasheid der prediking te redden hen, die geloven”[5].
De verstandigen gaan ten onder. Dat zijn de mensen die goed kunnen leren en snel van begrip zijn. Op eigen kracht konden zij eertijds veel doorzien. Welnu, die geleerde zelfdoeners moeten alles inleveren.
Impliciet zet Paulus zich in 1 Corinthiërs 1 ook af tegen de Griekse filosofen van zijn tijd. Allerlei menselijke redeneringen blijken – als het over deze dingen gaat – niets meer waard. Humane logica schiet hier ten enenmale tekort. Met allerlei discussies kom je er niet. Met spitsvondigheden kunnen mensen zichzelf niet redden.
De Here God heeft besloten om Zich aan de wereld te laten kennen. Dat is de kern van Zijn heilsplan!

Dat plan moet geproclameerd worden.
De consequenties van dat plan zullen het leven van Gods kinderen op alle mogelijke manieren beïnvloeden. Dat is honderd procent zeker.
Op alle terreinen van ons bestaan kunnen we de effecten van Gods heerlijke planning zien.

Waar moeten kerkmensen zich vervoegen?
Zij moeten naar de plek gaan waar heel Gods Woord zuiver wordt gepredikt. Naar de plek waar de sacramenten zuiver worden bediend. Naar de plek waar de kerkelijke tucht wordt gehandhaafd.

Gods kinderen moeten zich bijeen laten brengen.
Op één plek.
En ik weet het zeker: zo zal het uiteindelijk ook gaan.
Want Gods Heilige Geest is druk aan het werk!

Noten:
[1]
Zie hierover bijvoorbeeld mijn artikel ‘Opmerkelijke incidenten’, hier gepubliceerd op donderdag 27 februari 2014. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2014/02/27/opmerkelijke-incidenten/ .
[2] 1 Corinthiërs 1:10.
[3] 1 Corinthiërs 1:18.
[4] Ik gebruik hier onder meer de webversie van de Studiebijbel. Commentaar bij 1 Corinthiërs 1:10.
[5] 1 Corinthiërs 1:19-21.

27 februari 2014

Opmerkelijke incidenten

Het Reformatorisch Dagblad meldde op vrijdag 21 februari: “Twee hoogleraren die behoren tot de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) preken dit voorjaar in de gereformeerde kerk vrijgemaakt in GroningenNoord-West”.
En:
“De uitnodiging om te komen preken in de gkv vloeit voort uit een collegeserie over apologetiek. De predikant van de gemeente, ds. C.T. Basoski, legde naar aanleiding van het toen ontstane contact het idee om de hoogleraren te laten preken voor aan zijn kerkenraad. Ook werd toestemming gevraagd aan de classis Groningen. Beide stemden in, onder voorwaarde dat de diensten plaatshebben in het kader van de collegeserie”.
En:
“Van een structurele openstelling van GKV-kansels voor PKN-predikanten is volgens ds. Basoski geen sprake”[1].

Het Nederlands Dagblad meldde op dezelfde dag dat het gaat om de professoren Hoek en Van den Belt.

Dat zijn twee mannen die in orthodox christelijk Nederland een goede naam hebben. Ze hebben wat te melden. Als ik de namen van deze mannen in de krant tegenkom, kijk ik graag even wat zij het godvruchtig gepeupel wensen te leren.

Het moet daarom, meen ik, zeker niet worden uitgesloten dat de hoogleraren degelijke preken houden. Daarbij komt dat menig Gereformeerd mens zich in een Bondsgemeente best thuis voelt.
Het is heus niet zo gek dat de studenten zich door de heren hoogleraren aangesproken voelen. De studenten hebben wellicht gedacht: hier horen we bij!
Predikanten hebben dat gevoel ook wel eens. Denkt u maar aan dominee Wilschut[2].

Het gaat, zo lezen wij, om incidenten.
Er is een collegeserie geweest, en naar aanleiding daarvan krijgen Gereformeerde Bonders enkele keren toegang tot een GKv-preekstoel.
Verder gaat de samenwerking niet.
Zo simpel is dat.

Schrijver dezes voelt, in eerste instantie, de schier onbedwingbare neiging om lankmoedig en meegaand te zijn.
Ach, men moet niet op alle slakjes zout leggen.
En bovendien: in een verwarrende tijd als de onze moet men niet over punten en komma’s gaan zeuren.

Verder dóórdenkend word ik echter gaandeweg somberder.

Ik denk aan de kerkorde.
“De taak van de predikanten is trouw voor te gaan in de gebeden en in de bediening van het Woord en de sacramenten.
Zij behoren goed acht te geven op hun mede-ambtsdragers en op de gemeente, en samen met de ouderlingen de tucht te bedienen en te zorgen, dat alles op gepaste wijze en ordelijk gebeurt”[3].
We hebben het hier dus over de predikanten. En natuurlijk ook over de overige ouderlingen.
Kun je, de kerkorde lezende, twee willekeurige Godgeleerden ‘van buitenaf’ – hoe vroom ook! – op de kansel leiden? Ik zou denken dat dat niet zomaar kan. Zeker niet als eenmalige actie.

De predikant verkondigt het Woord.
De predikant is geroepen het Woord “recht te snijden en toe te passen”, zeiden onze voorvaderen in 1568.
Een goede toepassing
* in de omstandigheden van de gemeente…
* op een bepaald moment…
daar gaat het om.
In 1575 zeiden vrome mensen in Rotterdam onder meer: “Het ambt van de dienaren des woords is, Gods woord zuiver te prediken, de sacramenten te bedienen, zorg te dragen over alle lidmaten van de kerk, de slappen en onachtzamen in ’t bijzonder te bidden, te vermanen, te berispen en te straffen, de zieke en benauwde personen te bezoeken, met het goddelijk woord te vertroosten en door vurige gebeden tot God op te wekken”[4].
Plaatselijke predikanten kennen hun gemeente dus, als het goed is. Ze hebben er het oog op. Zij weten wat er speelt. Dominees zien wat er gebeurt, en daar reageren ze op.

Nu kan men zeggen:
* de hierboven bedoelde studenten zijn leden van een Gereformeerd-vrijgemaakte kerk; zij hebben veel geleerd in die collegeserie die ze op de Rijksuniversiteit volgden
* daarom is het goed dat de rest van de kerkleden ook eens met die hoogleraren kennis maakt.
Ik vind daar echter iets willekeurigs in zitten. Want wat gebeurt er in vrijgemaakt GroningenNoord-West? Enkele studenten ontmoeten op school een stel orthodox denkende theologen en die nodigen zij, via-via, uit om plaats te nemen op de preekstoel. Daar naar toe geleid zijnde mogen zij een kerkdienst leiden. Dat de betreffende hoogleraren lid zijn van de Protestantse Kerk lijkt er niet zoveel toe te doen…

Ik denk ook aan artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
Ware christenen mijden, zo leer ik uit dat belijdenisartikel, de zonde zoveel mogelijk. Dat betreft dus ook zonden in de kerk.
De betreffende hoogleraren zijn lid van de Gereformeerde Bond. Die Bond staat, bij mijn weten, heel bewust midden in de Protestantse Kerk. En niet voor niets spreekt men tegenwoordig vaak over de breedte van de PKN. Want daar kan men zowel vrijzinnigen als hervormd-gereformeerden tegenkomen.
De heren professoren die in GroningenNoord-West komen preken zijn, of zij dat nu willen of niet, met de zonde van een te grote klerikale tolerantie besmet.
Het is opmerkelijk dat die geleerden op GKv-kansels worden toegelaten!

Het vrome volk is zoekende.
En men vindt hier wat, daar wat.
De gelovigen pikken her en der dingen op, die in hun leven van nut kunnen wezen.
Van welk kerkelijk ‘merk en type’ die leerzame dingen zijn, dat is – anno Domini 2014 – niet zo van belang.
Het (eenmalig) toelaten van Bonders op GKv-preekstoelen lijkt mij daarvan een sprekend voorbeeld.
En ja, bij mij overheerst het vervelende gevoel dat hier iets behoorlijk scheef gaat. Er lijkt sprake van een ‘georganiseerd toeval’. Omdat er – bij geval – in Groningen twee orthodox-christelijke professoren doceren, komt er een moment dat die hoogleraren een GKv-kansel bestijgen. Als de geleerde heren elders hadden gewerkt, was dit – naar ik aanneem – niet gepland. Merkwaardig. Uiterst merkwaardig.
Laat ik maar rechttoe-rechtaan wezen: vooralsnog denk ik niet dat we hierin de leiding van de Heilige Geest moeten zien.
Het ruikt allemaal een beetje naar menselijke willekeur. Goed bedoeld, waarschijnlijk. Maar toch.

Tegelijk stel ik vast dat dit een uitwas is van algemene kerkelijke verlegenheid.
Het kerkelijk leven in Nederland is zwaar beschadigd.
Bekladderd.
Bekrast.
Gedeukt.
De wereld is een dorp geworden. Christenen zoeken elkaar op; en zij overschrijden net zo snel grenzen als de rest van de wereld. Daarbij wegen de rechten van God en/of het geldende kerkrecht blijkbaar niet zo zwaar. Die grenzen worden nauwelijks nog bewaakt.
De zorgvuldigheid is weg. U moet het groot zien. Zeggen ze.
Wat kan Gods uitverkoren volk in zo’n situatie nog doen?
Laten we ’t Psalm 123 maar nazeggen:
“Ik hef mijn ogen op tot U,
die in de hemel troont.
Zie, gelijk de ogen der knechten
zijn op de hand van hun heren,
gelijk de ogen der dienstmaagd
zijn op de hand van haar gebiedster,
zo zijn onze ogen op de HERE, onze God,
totdat Hij ons genadig zij.
Wees ons genadig, HERE, wees ons genadig,
want wij zijn meer dan verzadigd van verachting;
onze ziel is meer dan verzadigd
van de spot der overmoedigen, de verachting der hovaardigen”[5].

Noten:
[1]
“Bonders op preekstoel gkv in Groningen”. In: Reformatorisch Dagblad, vrijdag 21 februari 2014, p. 2.
[2] Zie https://bderoos.wordpress.com/2013/11/07/het-vertrek-van-ds-wilschut/ .
[3] Kerkorde van de Gereformeerde Kerken, artikel 16.
[4] Zie: F.L. Bos, “De orde der kerk”. – ’s-Gravenhage, 1950. Toelichting bij artikel 16. Ook te vinden op http://kerkrecht.nl/main.asp?pagetype=onderdeel&item=41&subitem=1323 .
[5] Psalm 123 (onberijmd).

26 februari 2014

Nahum 1: de Here is uniek

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Mensen van de eenentwintigste eeuw zoeken uitdagingen[1].
Zij willen zich ontwikkelen. Zij zijn ambitieus. Zij willen grenzen verleggen en kaders verbreden.
Ook in de religie wil men nogal eens innoveren. Dan begint men aan nieuwe vormen van geloofsvertrouwen: esoterisch geloven, bijvoorbeeld.

Men moet niet verbaasd staan als sprekers op het kerkelijk terrein tot uitspraken komen als: “Het begrip esoterie, afgeleid van het Griekse esoterikos (het innerlijke), is een begripsbepaling voor een grote verzameling van mystieke en religieus-filosofische stromingen. Reeds Jezus van Nazareth bestempelde zijn uitspraken die alleen voor zijn toehoorders bestemd waren, tot een geheimenis. We kunnen die ook duiden als esoterisch”[2].
Esoterie: dat staat in onze wereld voor het geheimzinnige.
Esoterie: dat betekent dat bepaalde kennis alleen voor ingewijden toegankelijk is; de informatie is niet verifieerbaar.
Enkele jaren geleden was er een docent aan een Utrechtse hogeschool die zei dat esoterische religiositeit zich richt op “onder- en onbelichte aspecten van het christendom en de postmoderne samenleving”.
U begrijpt het wellicht al: de hiervoor bedoelde spreker had een nieuwe geloofsuitdaging gevonden.
Die uitdaging is: het met elkaar verbinden van de esoterie en het christelijk geloof.

Is de Here geheimzinnig?
Nee.
Hij toont Zich in Zijn Woord. Hij laat voldoende van Zichzelf zien. De Here stelt alle mensen in de wereld in staat om Hem zo goed te leren kennen dat zij behouden kunnen worden.
Dat belijden we ook in de Nederlandse Geloofsbelijdenis[3].

De Here is dus niet geheimzinnig.
Hij is wel heilig.
Dat wil zeggen dat Hij de eer wenst te krijgen die Hem toekomt. Wie die eer niet geven wil, zal met de Here God te maken krijgen.
In de Bijbel komen we teksten tegen die dat volkomen helder maken. Neem bijvoorbeeld Nahum 1: “Een naijverig God en een wreker is de Here, een wreker is de Here en vol van grimmigheid; een wreker is de Here voor zijn tegenstanders, en toornen blijft Hij tegen zijn vijanden”[4].

‘De Here zal troosten’. Dat betekent de naam Nahum[5].
Nahum is een relatief onbekende profeet. Zijn profetie is kort: drie hoofdstukken maar.
Hij komt, zegt de Bijbel, uit Elkos. Waar die plaats precies heeft gelegen, weten we niet. Sommige geleerden denken dat het Al-kosj is, een Irakees stadje.
Zijn profetie gaat over Nineve, de hoofdstad van Assyrië.”De stad was”, zo las ik ergens, “gelegen aan de Tigris, ongeveer waar nu Mosul ligt en bij Tikrit, de geboorteplaats van de gewezen Irakese dictator Saddam Hussein”[6].
Nineve werd, als ik het goed weet, in 612 voor Christus verwoest. Dat is ongeveer vijftig jaar nadat Nahum zijn profetie uitsprak[7].

‘De Here zal troosten’ – in zijn naam draagt de profeet het Evangelie levenslang met zich mee.
Van die troost is in Nahum 1, bij oppervlakkige beschouwing althans, weinig te zien.
Wreken, grimmigheid, tegenstand, toornen: dat zijn geen woorden die passen bij een romantische sfeer. Nee, in Nahum 1 is het oorlog[8].

De Here pakt de Assyriërs aan.
In de achtste eeuw voor Christus is Assyrië uitgegroeid tot één van de sterkste wereldmachten. De Here heeft het gezien. En Hij acht de maat van hun ongerechtigheid vol.

De Assyriërs hebben de Israëlieten onderdrukt. Afgoderij en zonden zijn in Assyrië aan de orde van de dag. Iemand schrijft: “De Assyriërs waren een wreed volk. Zij martelden hun tegenstanders, onthoofden ze, staken ze in brand. In sommige, beschreven, gevallen gingen ze zelfs zo ver dat ze hun tegenstanders levend vilden”. Nou, dan weten wij wel genoeg.

De kern van de kwestie is dat de Here rechtvaardig is. Zondige praktijken kunnen niet altijd doorgaan. Jazeker, mensen hebben hun eigen verantwoordelijkheid. Maar als zij voortdurend tegen de Here en Zijn wetten in blijven gaan, breekt God die verantwoordelijkheid af. Zonde blijft niet ongestraft; daar moet er wat aan gedaan worden.
En als Hij er dan wat aan doet, beschermt Hij Zijn volk. Hij geeft beschutting aan de mensen die Hij uitgekozen heeft.
Voor de uitverkorenen is er dus wel degelijk troost. Want zij worden gered. Dat mogen zij zeker weten.

De bescherming die de Here biedt is uniek.
Er is niemand in de wereld die een dergelijke vrijwaring geven kan. Er is geen schepsel op de wereld die zo’n verzorging kan garanderen.
Wie werkelijk bewaart wil worden, moet zich tot de Here wenden. Hij is een unieke God. Om het met Nahum 1 te zeggen: “De Here is lankmoedig, doch groot van kracht, en de Here laat geenszins ongestraft. In wervelwind en storm is zijn weg, wolken zijn het stof zijner voeten”[9].
Wij kunnen het op onze klompen aanvoelen: nu moeten u en ik niet aankomen met een verzameling van mystieke en religieus-filosofische stromingen. Zo’n opeenhoping van ideeën verdraagt zich niet met de uniciteit van de hemelse Here.

Het lijkt mij duidelijk: u kunt de Here nimmer op één hoop gooien met afgoden.
Wij kunnen al helemaal niet zeggen dat gelovigen van ongeveer alle signaturen bij de Here God horen. De Here kiest Zijn volk Zelf uit. De Here werft Zijn bruid. En zijn wervingsmethóde is bekend: liefde en goedheid.

Die liefde van God verwordt bij velen tot een soort sullige goeiigheid. God vindt alles wel goed, lijkt men te denken.
Wat de mensen ook van Hem zeggen of denken: het is, zo meent het volk, allemaal prima. En als de massa vrede met God heeft, is de vrede met elkaar wellicht óók wat dichterbij.
Gemakshalve wordt Gods toorn een beetje weggemoffeld. En de reden van die hemelse woede, de zonde, wordt zorgvuldig uit beeld gehouden.
Er zijn heel wat mensen die, naar zij zeggen, van God niets merken. Dat het voortbestaan van deze wereld onder meer te maken heeft met Gods lankmoedigheid, met Zijn geduld dus, schijnt in weinig hoofden op te komen.

Dit brengt mij bij Zondag 4 van de Heidelbergse Catechismus.
Men moet er mee rekenen dat God “ongehoorzaamheid en afval” niet ongestraft wil laten.
In Zondag 4 lees ik: “God vertoornt Zich verschrikkelijk, zowel over de zonde die ons aangeboren is als over de zonden die wij doen. Hij wil die dan ook door een rechtvaardig oordeel in tijd en eeuwigheid straffen”[10].
Wij zien het: in de Heidelbergse Catechismus wordt er niet omheen gedraaid.
Wij zullen ons moeten realiseren: de kerk mag niet blijven steken in onnozele goedmoedigheid!

Nog eenmaal keer ik terug naar Nahum 1.

Mensen van de eenentwintigste eeuw zoeken uitdagingen.
Zij willen zich ontwikkelen. Zij zijn ambitieus. Zij willen grenzen verleggen en kaders verbreden.
Nahum leert ons dat wij daarmee in ons geloofsleven voorzichtig moeten zijn.
Want daar gaat het niet om onze vindingrijkheid.
Het gaat daar om de reddende activiteit van de heilige God.
Hij kiest mensen uit om ze af te zonderen voor Zichzelf. Die mensen worden apart gezet. Ze worden geheiligd.
In Nahum 1 wordt de antithese scherp gesteld. Ik citeer: “Wie kan standhouden voor zijn gramschap? wie staande blijven bij zijn brandende toorn? Zijn grimmigheid stort zich uit als vuur en de rotsen springen voor Hem aan stukken. De Here is goed, een sterkte ten dage der benauwdheid; Hij kent hen die bij Hem schuilen”[11].

Noten:
[1]
In dit artikel maak ik onder meer gebruik van stukken die ik respectievelijk schreef in mei 2009 en oktober 2009.
[2] In deze alinea gebruik ik onder meer http://www.nd.nl/artikelen/2009/oktober/01/vloeiende-grenzen-aan-de-kerkleer .
[3] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 2.
[4] Nahum 1:2.
[5] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Nahum_(boek) .
[6] Zie http://bijbelseplaatsen.nl/plaatsen/N/Nineve/600/ .
[7] Zie http://www.oudesporen.nl/Download/OS1314.pdf .
[8] Tijdens de vergadering van de Mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen die op woensdag 5 maart wordt gehouden, zal het gaan over de profetie van Nahum. In dit artikel maak ik een paar opmerkingen naar aanleiding van Nahum 1.
[9] Nahum 1:3.
[10] Heidelbergse Catechismus – Zondag 4, antwoord 10.
[11] Nahum 1:6 en 7.

25 februari 2014

Christelijk-autark

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

“Gij zult niet stelen”.
Die vier woorden hebben in deze tijd een nieuwe actualiteit gekregen.
De term ‘geld en goed’ is heden ten dage immers veelal met een rouwrand omlijst.
Het vertrouwen is weg.
Argwaan en aarzeling: voor velen is dat het randschrift van het leven geworden.

Ongeveer een jaar geleden schreef iemand daarover: “Alle pogingen om vertrouwen te herstellen ten spijt, lijkt het op het herschikken van de stoelen op het achterdek van de Titanic. Dolgedraaide inspanningen op het gebied van toezicht en controle ten spijt, lijkt het schip zinkende. Banken verliezen hun vermogen, ziekenhuizen zijn massafabricage-instituten geworden en scholen lijken op Febo-automaten.
En de kerken? Gaat het bij ons gelukkig nog goed? Als ik in de Randstad om me heen kijk, stemt het mij niet gerust. Onze kerken stromen gestaag leeg. De opkomst in middagdiensten is bedroevend laag. Het gezag van ambtsdragers en predikanten is tanende. Kerkenraden die de kerk als een business proberen te runnen, verliezen ondertussen hun predikant en elkaar”[1].

Het vertrouwen is weg, schreef ik hierboven.
In onze wereld kun je op weinig mensen meer rekenen. Het woord ‘wantrouwen’ schrijven we tegenwoordig met een hoofdletter W. U moet op uw tellen passen, anders wordt u zomaar bedrogen.
Dat is buitengewoon vervelend. Erg hinderlijk. Kostbaar, soms ook.
Maar dat het onderlinge vertrouwen in de kerk wegebt, dat is vele malen erger. Want daar – in de kerk – vinden we de gemeenschap van de Here. Daar leven de mensen die zeker weten dat de hemelse God hen verzorgt en beschermt.
Het kan toch niet zo zijn dat door God bij elkaar gezette mensen als los zand aan elkaar hangen?
Het is een ramp voor de kerk als het vertrouwen uit de kerk verdwijnt!

Vandaag staan we in de Westerse wereld op scherp.
Want voordat we ’t weten liggen allerlei privézaken op straat.
Dat geheime diensten massa’s telefoongesprekken afluisteren lijkt nog maar het topje van de ijsberg. Het openmaken van poststukken is heden ten dage niet leuk meer. Wie heeft er nu weer rare dingen bedacht? Moeten we de ons toegezonden rekeningen eigenlijk wel betalen?
Die kleine argwaantjes en grote achterdochten nemen we mee de kerk in.
Wordt er nog wel Gereformeerd geredeneerd? Wordt er nog wel Gereformeerd geleefd?
Als dat niet gebeurt moet je er als toeschouwer wat van zeggen.
Echter: met elkaar in gesprek gaan, dat valt niet mee. De vraag is steeds: komt men ons te na?
Als wij in de kerk op ons gedrag worden aangesproken, gaan onze haren omhoog staan. Wij reageren fel op allerlei aantijgingen. Het beeld dat men van ons heeft, moet ongekreukt blijven. Ons imago is, op de keper beschouwd, uiterst kostbaar.

In het bovenstaande ligt, als ik het goed begrijp, een belangrijke reden voor het feit dat men in heel veel kerken terugschrikt voor het toepassen van de tucht.
We leven in een tijd waarin leugen, bedrog, fraude en misleiding aan de orde van de dag zijn. In zo’n wereld moet men heel hard werken om overeind te blijven.
Het algemene gevoelen van 2014 is daarom: als de mensen op het kerkplein ook nog moeilijk gaan doen, wordt het helemaal niks meer; weg met de kerkelijke tucht!

Maar ook vandaag is de prediking van het achtste gebod belangrijk voor de kerk.
In de kerk spreken we de Bijbel na. We leven naar Gods Woord.
Ook als het, maatschappelijk bezien, wellicht niet zo goed uit komt.

Hoe moeten ware gelovigen het gebod “Gij zult niet stelen” in praktijk brengen?
Antwoord: door tevreden te zijn met datgene wat we hebben.
Jazeker, dan gebeurt het nog regelmatig dat we te maken krijgen met fouten van instanties die voor ons financieel nadeel met zich meebrengen. Niet alle ergernissen zijn met ingang van heden de wereld uit.
Echter: tevredenheid maakt ons leven wel een stuk evenwichtiger.
Wie tevreden is, is beter in staat om het welzijn van mensen te bevorderen.

In verband daarmee vraag ik vandaag graag een ogenblik aandacht voor enkele woorden uit Philippenzen 4.

De apostel Paulus schrijft in dat Schriftgedeelte: “…ik heb geleerd met de omstandigheden, waarin ik verkeer, genoegen te nemen”[2].
In de perikoop waarin die woorden staan, gaat het niet zozeer om de vrijgevigheid die de christenen in Philippi voor hem aan de dag leggen[3]. Paulus verheugt zich vooral over de liefde die de Philippenzen tonen. En over de verantwoordelijkheid die zij nemen.
Voor dat woord ‘ik’ staat er in het Grieks ego. Dat woord kennen wij ook wel.
De apostel wil maar zeggen: de zaak draait niet om mijn ego. Oftewel: het gaat niet om mij persoonlijk.
Het gaat veeleer om het geloof dat in Philippi te zien is.

Voor het Griekse woord dat wij met ‘genoegen’ vertalen staat er in het Grieks autarkes: tevreden. Het heeft de kleur van: bescheiden, matig, sober. Veel wijsgeren uit Paulus’ tijd menen dat dat de hoogste deugd is. Welnu, de apostel gebruikt dat woord hier om te laten zien dat hij niet afhankelijk is van aardse omstandigheden, maar van de Here Jezus Christus.
Wie zijn leven in Gods handen legt, is al gauw tevreden!
In onze hedendaagse taal betekent ‘autarkie’ zelfvoorzienend, of ook: economisch onafhankelijk[4]. Paulus is, om zo te zeggen, Christelijk-autark: hij is niet afhankelijk van de economische wetmatigheden van deze wereld, maar van de Gever van vele gaven.

Het achtste gebod houdt onder meer in dat we verkwisting van Gods gaven tegengaan.
In Zondag 42 van de Heidelbergse Catechismus staat het zo: “Ook verbiedt Hij alle hebzucht, evenals alle misbruik en verkwisting van zijn gaven”[5].
Ten diepste betekent dat: we moeten weer op God leren vertrouwen.
Van daaruit kunnen we elkaar ondersteunen en verder helpen in het leven. We leren weer leven in de kaders van het verbond met God. Hij geeft ons de kracht om samen op de door Hem aangewezen weg te blijven gaan.

In Philippenzen 4 noteert Paulus: “Ik weet wat armoede is en ik weet wat overvloed is. In elk opzicht en in alle dingen ben ik ingewijd, zowel in verzadigd worden als in honger lijden, zowel in overvloed als in gebrek. Ik vermag alle dingen in Hem, die mij kracht geeft”[6].
In zijn tijd verrichtte Paulus z’n taak. Daarvoor kreeg hij kracht van God.
In 2014 moeten wij ons werk verrichten. En het is zeker: God geeft ons de energie om onze taak op deze aarde te voltooien.
Als wij ons realiseren dat we christelijk-autark zijn, wordt de stemming op slag een stuk beter. En dan gaan wij het zonder terughoudendheid zingen:
“Open maar uw mond,
bid tot Mij vrijmoedig,
pleit op mijn verbond:
al wat u ontbreekt
schenk Ik, als u ’t smeekt,
mild en overvloedig”[7].

Noten:
[1]
Dick Alblas, “Zonder twijfel het Schip in”. In: PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad (21 februari 2013), p. 6. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[2] Philippenzen 4:11b.
[3] In dit artikel gebruik ik onder meer de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Philippenzen 4:11.
[4] Zie http://www.encyclo.nl/begrip/Autarkie .
[5] Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 42, antwoord 110.
[6] Philippenzen 4:12 en 13.
[7] Psalm 81:10 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

24 februari 2014

Bevrijdingspsalm

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Psalm 126 is een optimistische Psalm[1].
Er wordt teruggekeken op een historische gebeurtenis: gevangenen herkregen de vrijheid.
Daar werd een droom werkelijkheid. Er brak gejuich los! De mens lachten nog een beetje ongelovig: wat hier gebeurde was groots! Onvoorstelbaar!
Zelfs heidenen, die van een afstandje toekeken, waren verbijsterd: daar gebeurde iets geweldigs!
De dichter van dit lied kijkt er met groot genoegen op terug.

Welk hoogtepunt in Israëls geschiedenis wordt hier bedoeld? Welk blij moment in de kerkgeschiedenis is hier in beeld?
Kijkt de psalmist terug op de ballingschap? Dat zou heel goed kunnen. Maar het kan ook zijn dat het hier om een ander verlossingswerk van de Here gaat.
Sommige exegeten zien wel verbanden met het taalgebruik van Joël. Maar die veronderstelling is met allerlei onzekerheden omgeven.
Hoe dan ook: de situatie van het volk is vroeger enkele keren echt totaal veranderd. Opeens was er redding gekomen. Wonderlijk, maar waar!
Zodoende konden de mensen haast niet anders dan lachen en juichen.

Zo’n radicale verandering heeft de profeet Jeremia een paar keer beschreven.
Ik wijs u op Jeremia 30: “Zo zegt de HERE: Zie, Ik breng een keer in het lot van de tenten van Jakob en over zijn woningen zal Ik Mij ontfermen: de stad zal op haar puinheuvel herbouwd worden en de burcht op zijn rechte plaats tronen. Dan zal het loflied uit hun midden opstijgen, vreugdegedruis; Ik zal hen vermeerderen en zij zullen niet verminderen; Ik zal hen tot eer brengen en zij zullen niet veracht zijn”[2].
Even verder, in Jeremia 31, staat nog zo’n ommekeer: “Weder opbouwen zal Ik u, zodat gij gebouwd wordt, jonkvrouw Israëls. Opnieuw zult gij u tooien met tamboerijnen en uittrekken in vrolijke reidans; gij zult weer wijngaarden planten op de bergen van Samaria, en wie ze planten, zullen ook de vrucht genieten. Want de dag is daar, dat de wachters roepen op het gebergte van Efraïm: Komt, laat ons opgaan naar Sion, tot de HERE, onze God!”[3].

Het is zonneklaar: in Psalm 126 kijkt de Psalmschrijver terug op een heerlijke bevrijdingsdag.
Hij draait de film nog eens terug.
De beelden komen weer voorbij.
Prachtig was het.

Maar de vraag is: wat doe je met zo’n film?
Er komt een tijd waarin de euforie weer weg is. Het leven herneemt zijn loop.
Teleurstelling en droefheid zijn weer aan de orde van de dag.
Dat is ook de situatie van Psalm 126.
De dichter hoopt op een ongelooflijke wending in de geschiedenis. Hij vraagt om Gods hulp. Om Zijn genadig ingrijpen.
Hij weet dat dat zomaar kan gebeuren.
Het verleden heeft het immers bewezen?

De schrijver spreekt over “de beken in het Zuiderland”.
Een uitlegger schreef daaromtrent: “Het gebed beoogt in ieder geval een radicale verandering, die in een metafoor vergeleken wordt met wat er gebeurt met de beddingen in de Negev, het woestijngebied ten zuidwesten van Israël. De wadi’s in dat gebied waren in de zomer volledig uitgedroogd, maar tijdens de winterregens liepen ze vol met water”[4].
Het gevolg van die natuurlijke verfrissing laat zich raden. Als er – na een lange tijd van droogte – weer water in zo’n beek komt te staan, gaan de planten weer bloeien. Het hele gebied leeft weer op. De kleuren komen terug, alles wordt weer mooi!
Zo’n ommekeer wil de dichter ook zo graag bij de mensen zien. Er moet verlossing komen. En de Here is de Enige die daarvoor zorgen kan!

Psalm 126 is echt een bevrijdingspsalm.
Kerkmensen hebben dat, door de eeuwen heen, best begrepen.
Wilt u een voorbeeld?
Op dinsdag 30 november 1813 landde prins Willem Frederik op het strand van Scheveningen.
Over de gebeurtenissen in die tijd schreef iemand onder meer: “Op straat werd er massaal feestgevierd. Zelfs in het gereserveerde Amsterdam werd de prins twee dagen na zijn landing hartstochtelijk toegejuicht. Het raakte hem diep. Bier en brandewijn vloeiden rijkelijk. Maar ook de kerken zaten vol. Bijvoorbeeld in Den Haag, waar dominee Bernardus Verwey op 1 december in aanwezigheid van de prins preekte over Psalm 126:3: ‘De Heere heeft grote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd’”[5].
Reeds vele gelovigen zijn door deze Psalm getroost!

Betekent dit alles dat het gelovig kerkvolk netjes in een hoekje kan gaan zitten afwachten, om te kijken wat God zoal doet?
Nee, zeker niet.

Er moet gewerkt worden. De componist van de Psalm ziet mensen voor zich die zaadjes zaaien. En mensen die later koren maaien.
De dichter draait de film nog eens terug. De beelden komen weer voorbij. En in gedachten maakt hij een tweede film. Over een tweede bevrijdingsdag.

Wat zullen wij vandaag van deze dingen zeggen?
Antwoord: als Gods kinderen in deze tijd trouw hun werk doen, ontvangen ze ook zegen van de Here.
Nu het hierom gaat, wijs ik u graag op 1 Corinthiërs 15: “Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus. Daarom, mijn geliefde broeders, weest standvastig, onwankelbaar, te allen tijde overvloedig in het werk des Heren, wetende, dat uw arbeid niet vergeefs is in de Here”[6].
Wij ontvangen de overwinning. Er komt een nieuwe, een definitieve bevrijdingsdag.
Dat kan.
En dat gebeurt ook. Door het werk van Jezus Christus.
Nee, er komt geen derde film. Dat hoeft niet. Het is nergens voor nodig. Want het wordt eeuwige werkelijkheid.

Dat wil geenszins zeggen dat het leven van kerkmensen anno Domini 2014 heel makkelijk is.
Maar we mogen weten: de Here is bij ons.
Hij geeft ons energie.
Die krachten gebruikt de God van het verbond om Zijn werk af te maken!

Noten:
[1]
Deze onderwerpskeuze is ingegeven door het feit dat ik binnenkort Psalm 126:3 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek) in De Bazuin hoop toe te lichten. Die korte uitleg verschijnt op 5 maart 2014 in nummer 9 van jaargang 8 van dat Gereformeerd kerkblad, in de rubriek ‘Psalm van de Week’. De toelichting werk ik in dit artikel uit.
[2] Jeremia 30:18 en 19.
[3] Jeremia 31:4, 5 en 6.
[4] Zie de webversie van de Studiebijbel; uitleg bij Psalm 126.
[5] Kees de Groot, “Warm welkom voor Oranje”. In: themakatern PuntKomma ‘200 jaar Koninkrijk’, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad (18 oktober 2013), p. 2 en 3. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[6] 1 Corinthiërs 15:57 en 58.

21 februari 2014

Tegen de toegeeflijkheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

God is liefde.
Die liefde behoort het uitgangspunt te zijn voor de diepe genegenheid tussen mensen.
In die levenslange en alles omvattende liefde eren mensen, als het goed is, vervolgens weer hun liefdevolle en genadige God.

Maar zo gaat dat lang niet altijd.
Zelfs niet bij Salomo, de koning die – vanwege de gaven van de Here – gesierd is met grote wijsheid.
Leest u maar mee in 1 Koningen 11: “Koning Salomo nu had behalve de dochter van Farao vele vreemde vrouwen lief, Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonische en Hethitische, behorende tot die volken, van wie de HERE tot de Israëlieten had gezegd: Gij zult u met hen niet inlaten, en zij zullen zich met u niet inlaten, voorwaar, zij zouden uw hart meevoeren achter hun goden; haar hing Salomo met liefde aan”[1].
Salomo doet aan polygamie. Hij zoekt aantrekkelijke vrouwen bij allerlei buurvolken.

Wat voor boek is 1 Koningen eigenlijk[2]?
Net als 2 Koningen is het Bijbelboek 1 Koningen een geschiedenisboek waarin de historie wordt bekeken vanuit de verantwoordelijkheid van de mens.
In de Kronieken is de hemel het uitgangspunt.
Maar in 1 Koningen 11 bekijken we de geschiedenis van kerk en wereld dus vanaf de aarde.

Wat gebeurt er precies in 1 Koningen 11?
Wij zeggen wel eens: de wijsheid komt met de jaren. Maar bij Salomo lijkt het wel andersom. Naarmate zijn jaren op aarde vorderen wordt hij minder wijs.

Hoe komt dat?
Ouder worden heeft aardig wat gevaren in zich. Voordat u en ik het weten worden wij relativeringskampioenen. We worden toegeeflijk.
Die kant gaat het met Salomo blijkbaar ook op. Hij doet het, qua ge-re-formeerd gedrag, heel rustig aan.
Feitelijk zit er principieel iets heel erg fout. Want, zegt 1 Koningen 11, “Salomo deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, en hij volgde de HERE niet ten volle, zoals zijn vader David”[3].
Salomo volgt de Here nog wel. Ach, jawel. Hij volgt Hem nog best wel een beetje. De Here is niet volledig uit beeld. Maar Salomo’s hart is in hokjes verdeeld. Een hokje voor God. En kamertjes voor allerlei afgoden.

Misschien heeft Salomo wel gedacht: nou ja, ik doe zelf niet actief aan verkeerde dingen mee. Of: ik heb ze alleen maar toegelaten. Zo van: ik ben het niet met de gang van zaken eens, maar ik hoef er gelukkig zelf niks aan te doen.

Laat het duidelijk zijn: de Here wil een hart zien dat niet in hokjes verdeeld is.
Kinderen van Hem die hun leven niet geheel aan Hem wijden, straft Hij: “Omdat het zo met u gesteld is, dat gij mijn verbond en mijn inzettingen, die Ik u geboden had, niet in acht genomen hebt, zal Ik voorzeker het koninkrijk van u afscheuren en het uw knecht geven. Maar bij uw leven zal Ik dat niet doen, ter wille van uw vader David; uit de hand van uw zoon zal Ik het afscheuren. Evenwel zal Ik niet het gehele koninkrijk afscheuren, één stam zal Ik aan uw zoon geven ter wille van mijn knecht David en ter wille van Jeruzalem, dat Ik verkoren heb”[4].

Uit de laatst geciteerde woorden blijkt dat God Zijn verbond met David niet is vergeten. Het woord ‘genade’ wordt niet uit het hemels woordenboek geschrapt.
Gods werk gaat door!

Salomo is nog wel een beetje gehoorzaam aan de Here. Hij volgt Hem nog wel zo ongeveer.
Maar al die vreemde vrouwen nemen natuurlijk ook hun eigen religies en cultuurtjes mee. En dat terwijl de Here in Deuteronomium 7 had gezegd: “…hun altaren zult gij afbreken, hun gewijde stenen verbrijzelen, hun gewijde palen omhouwen en hun gesneden beelden met vuur verbranden. Want gij zijt een volk, dat de HERE, uw God, heilig is; ú heeft de HERE, uw God, uit alle volken op de aardbodem uitverkoren om zijn eigen volk te zijn”[5].
Laten we er maar niet omheen draaien: Salomo gaat op zoek naar mooie vrouwen, en krijgt de afgoden er gratis bij.

Wat mij betreft is het lezen van 1 Koningen 11 ook anno Domini 2014 een leermoment.

Gereformeerden moeten, gedurende heel hun leven, koersvast zijn.
Door menig passant worden ze versleten voor ouderwets, saai en sacherijnig.
Volgens mij zijn er heel wat passanten die die situatie verkeerd inschatten.
Zij begrijpen namelijk niet dat Gereformeerden volledig geconcentreerd zijn op de weg die zij lopen. Koste wat het kost willen ze de juiste route volgen. Omrijden en omlopen – nee, dat is er niet bij. Dat is, wat je noemt, verloren tijd.
De kerk van 2014 wil, als het er op aan komt, zo spoedig mogelijk naar haar bruidegom.
Dus is het zaak om, door de jaren heen, steeds wijzer te worden.
Dus is het zaak om steeds weer ge-re-formeerd te worden.
Dan pas kunnen we met recht zeggen: God is liefde. Voor ons, namelijk. Dan kunnen we welgemeend zeggen: wij oefenen ons in de liefde tot God en tot elkaar.

Er zijn wel mensen die zeggen: ik ben een echt christen. Ze zeggen: ik wil met heel mijn hart Jezus dienen.
Dat laatste wil ik best geloven.
Ik ga er van uit dat zulke sprekers zuivere intenties hebben.
Maar de vraag is: dienen die mensen Jezus ook echt? Oftewel: leven zij metterdaad naar Gods wil?

Dat steekt nauw.
Heel wat mensen willen, zoals dat heet, hun blik verbreden. Je kunt, zeggen ze, wel wat leren van de evangelischen. Gereformeerden hebben óók zo hun goede kanten. Met de Rooms-katholieken kun je, als het er op aan komt, best door één deur.
Kortom: overal pik je wel wat op.
Als het tegenzit zeggen die brede-bliktypes ook nog: God is liefde. En daar zien zij in alle kerken wel iets van terug.

Welnu, in 1 Koningen 11 zien we wat er gebeurt als wij Gods liefde een beetje nonchalant beantwoorden.
Naarmate Salomo ouder wordt ziet hij steeds meer de betrekkelijkheid der dingen in. En daarin gaat hij te ver. Veel te ver.
God is liefde.
Zijn liefde moet beantwoord worden.
Daar past relativeringsvermogen niet bij.

Noten:
[1]
1 Koningen 11:1 en 2.
[2] In het onderstaande gebruik ik onder meer: http://www.oudesporen.nl/Download/OS1346.pdf . En verder: R. van Kooten, “Het gevaar van het ouder worden”. In: De Waarheidsvriend (4 september 2003), p. 1 en 2. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[3] 1 Koningen 11:6.
[4] 1 Koningen 11:11-13.
[5] Deuteronomium 7:5 en 6.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.