gereformeerd leven in nederland

31 maart 2014

De bloeiende staf

Het wordt tijd dat ’t zomer wordt.
Dat zei de moeder van schrijver dezes vroeger nogal eens als haar kinderen ziek waren.
Van duisternis, stromende regen en kille wind wordt niemand vrolijker. Er moet zon komen. De stemming wordt alras beter als de bloemen bloeien gaan.

In Gods Woord gaat het ook een paar keer over bloemen.
In Hooglied 2 bijvoorbeeld: “De bloemen vertonen zich op het veld, de zangtijd is aangebroken, en ’t gekir van de tortel wordt gehoord in ons land”[1]. Prettig sfeertje, vindt u niet?

Ook in Numeri 17 komen bloemen voor.
Om die tekst uit Numeri 17 gaat het mij vandaag.
Ik citeer: “Toen Mozes de volgende dag de tent der getuigenis binnenging, zie, de staf van Aäron, voor het huis van Levi, bloeide; hij had bloesem voortgebracht, bloemen gedragen en amandelen doen rijpen”[2].

In Numeri 17 laat de Here onomwonden weten dat het priesterschap alleen aan Aäron en de zijnen voorbehouden zal zijn.
De staf van Aäron gaat bloeien. Dat is een teken van God. Hij zegt daarmee: het moet afgelopen zijn met dat gemor van Mijn volk over het leiderschap der natie. En Hij zegt ook: Ik kies de mensen uit die Mijn volk leiden zullen.

Dat teken is eigenlijk het tweede in een rijtje.
Het eerste teken is dat Dathan, Korach en Abiram met al hun families levend begraven worden.
Ik citeer weer: “Maar, indien de HERE iets nieuws zal scheppen, zodat de grond zijn mond zal opensperren en hen verzwelgen met alles wat hun toebehoort, zodat zij levend in het dodenrijk zullen dalen, dan zult gij weten, dat deze mannen de HERE gesmaad hebben. Nauwelijks had hij al deze woorden uitgesproken, of de grond spleet onder hen, en de aarde opende haar mond en verzwolg hen met hun huisgezinnen en met alle mensen die bij Korach behoorden en met alle have. Zo daalden zij, met al de hunnen, levend in het dodenrijk; en de aarde overdekte hen, zodat zij uit het midden der gemeente omkwamen. En alle Israëlieten die om hen heen stonden, vluchtten weg op hun geroep, want zij dachten: de aarde moest ook ons eens verzwelgen!”[3].

U merkt het – dat tweede teken, het bloem-teken dus, is nogal wat vreedzamer als dat eerste.
Dood en leven staan hier vlak bij elkaar. Meer precies: menselijke revolutie en Goddelijke zegen staan pal tegenover elkaar. En de Here laat blijken dat door Hem in dienst genomen mensen Zijn zegen krijgen.

Aäron laat iedere stamvorst zijn staf zien. Daarna legt hij hem weer terug op de plaats waar hij hem gevonden heeft.
Daar blijft die staf liggen.
Iedereen die opstand tegen de Here in de zin heeft, wordt eraan herinnerd: de Here kiest Zelf Zijn instrumentarium!

Mij dunkt dat het voorgaande tot troost van de kerk kan dienen.
Mensen zijn heel vaak ontrouw. Ze hebben het gevoel dat de Here hen in de steek laat. Daarom zijn ze ontrouw: op allerlei manieren, op allerlei tijdstippen.
Daar tegenover toont de hemelse God: mensen, Ik blijf trouw. Hij laat het zien: Ik maak Mijn werk af.

In Numeri 16 doet Aäron verzoeningswerk.
Op instructie van Mozes pakt hij een vuurpan, doet er reukwerk op en steekt dat aan. Zo doet hij verzoening voor het volk.
Zeker, er zijn vele doden te betreuren.
Maar er zijn echter ook heel wat Israëlieten die blijven leven.
Wij moeten het blijkbaar blijven beseffen: in Numeri 17 bloeit Aärons staf. God gaat met Zijn uitverkorenen verder.

Het verhaal van de bloeiende staf van Aäron toont onomstotelijk aan: God werkt verder.
De bloemen van Numeri 17 vertellen ons dat de Here niet stilletjes zit te kijken hoe wij het er op aarde van af brengen. Integendeel. Hij zet het leven in bloei!

De bloeiende staf in Numeri 17 is een prachtig teken in een wereld van anarchie, opstand tegen de overheid en tegen het Woord van God.

Laat ik, nu ik dit zo stel, u herinneren aan de NSS-top.
Daarmee bedoel ik de Nuclear Security Summit – zeg maar: de nucleaire veiligheidstop – die vorige week maandag en dinsdag te Den Haag werd gehouden[4].
Vele wereldleiders kwamen bij elkaar om te bekijken hoe zij kunnen voorkomen dat nucleair materiaal in handen van terroristen komt. De veiligheid in de wereld is immers buitengewoon belangrijk. Daar geven we met z’n allen vele miljoenen aan uit. Veiligheid voor alles, is de leus. En op zichzelf genomen is het natuurlijk heel goed om adequate maatregelen te nemen om terrorisme tegen te gaan.
Kerkmensen moeten echter onderkennen dat de noodzaak van dit soort vergaderingen gelegen is in de zonde. Mensen zijn van nature geneigd tot heel verkeerde dingen. En op de keper beschouwd geven afspraken over veiligheid en beveiliging geen garantie dat er nooit meer een ramp gebeuren zal.
Als wij daar eens goed bij nadenken, kan dat best beangstigend wezen.
Welnu, als wij dergelijke vrees bij onszelf voelen opkomen mogen we bedenken dat Aärons staf heeft gebloeid. De Here zet Zijn werk door. Hij brengt Zijn uitverkorenen in de kerk bijeen, om hen te Zijner tijd in de hemel een volmaakt leven te geven.

In Numeri 17 bloeit de staf van Aäron.
Die indrukwekkende gebeurtenis brengt ons vandaag als vanzelf bij Jesaja 11: “En er zal een rijsje voortkomen uit de tronk van Isaï en een scheut uit zijn wortelen zal vrucht dragen. En op hem zal de Geest des HEREN rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en vreze des HEREN; ja, zijn lust zal zijn in de vreze des HEREN”[5].
De wereld komt, om zo te zeggen, weer in bloei te staan. Want de Heiland komt eraan. Hij leert de wereld om, in alle vezels van het bestaan, blij te worden over het Woord van God. Hij geeft de uitverkorenen Gods Zijn Geest om hen klaar te maken voor een volmaakt hemelleven.

In Numeri 17 bloeit de staf van Aäron.
In Jesaja 35 bloeit de steppe. Dat klinkt daar zo: “De woestijn en het dorre land zullen zich verblijden, de steppe zal juichen en bloeien als een narcis; zij zal welig bloeien en juichen, ja, juichen en jubelen”[6].
Een uitlegger noteerde daar eens bij: “Mensen en volken kunnen plannen maken wat ze willen, maar uiteindelijk wordt de ware vreugde pas bereikt als men zich keert tot de HERE, die in Sion wordt aanbeden”[7].
De hemelse God wil en zal aanbeden worden. Al die gebeden komen als reukwerk voor zijn troon. Zo krijgt de Heer van hemel en aarde alle eer die Hem toekomt.

Die bloeiende staf in Numeri 17 is veelzeggend.
De Here Jezus Christus laat zien dat Hij de touwtjes in handen heeft.
Weet u wat de Hebreeënschrijver noteerde? “De Here heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt priester in eeuwigheid[8]. Daar gaat het over de Here Jezus Christus, onze Heiland. Zijn leven en Zijn werk gaan ver boven dat van Aäron uit.
Laten we ons maar aan Hem toevertrouwen. Dan zijn wij voor altijd veilig!

Noten:
[1] Hooglied 2:2.
[2] Numeri 17:8.
[3] Numeri 16:30-34.
[4] Zie voor informatie hierover https://www.nss2014.com/nl .
[5] Jesaja 11:1-3a.
[6] Jesaja 35:1 en 2.
[7] Zie de webversie van de Studiebijbel.
[8] Hebreeën 7:21.

28 maart 2014

Het wijde uitzicht

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: ,

De troon van David staat altijd stevig. Altijd zullen nazaten van David op de troon zitten.
Die machthebber zien we vandaag niet. En de troon ook niet. Maar die zijn er wel degelijk!
Dat is een belangrijke boodschap van Psalm 132[1].

Over dit kerklied schreef ik al eens:
“Dat is een psalm waarin David in een eed aan de Here belooft om Hem een woonplaats te geven. En wat méér is: in diezelfde psalm blijkt dat de Here een eed aan David heeft gezworen: de dynastie van David zal in eeuwigheid voortbestaan; de tempeldienst zal dus niet vergeefs wezen!
U kent die psalm vast wel:
“O HEER, gedenk aan Davids leed,
aan al de moeite die hij deed.
Houd in gedachtenis de eed,
gezworen bij uw grote naam
.
U, Jakobs Sterke, riep hij aan:

Ik keer niet in mijn woning weer,
geen slaap gun ik mijn ogen meer,
tot ik een plaats vind voor de HEER,
een woning, door mij toegedacht
aan Jakobs Sterke, groot in macht”.
En:
“Als U, o HERE, voor U ziet
uw knecht, die U eens zalven liet,
verwerp hem dan om David niet.
U hebt gezworen Davids zoon
te zetten op de koningstroon[2].
Het gebruik van de eed in deze psalm brengt ware gelovigen op het gebied waar zij thuis horen. Zij leven in een Verbondskader. Het leven van kerkmensen staat in het teken van een eeuwig verbond!”[3].

Deze Psalm gaat dus over David.
En ook over Sion[4].

Het is een pelgrimslied. Pelgrims zongen dit lied als ze onderweg waren.

Wat is de inhoud van dat door God gegeven lied?

David is een instrument van de Here. Hij moet Israëls uittocht uit Egypte voltooien. Dat wil zeggen: Israël moet bij de plaats van de rust gebracht worden. Denkt u in dit verband maar aan Exodus 15:
“Gij leiddet in uw goedertierenheid het volk dat Gij verlost hebt;
Gij leiddet het door uw kracht naar uw heilige woonstede”[5].
Tussen de uittocht uit Egypte en de periode van Davids regering zit nog een heel stuk geschiedenis. Want het hele verhaal van Jozua en de richters kunnen wij natuurlijk niet achteloos terzijde leggen. Echter: juist in die richterentijd lijkt Gods verlossingsinitiatief op niets uit te lopen. Psalm 78 laat ons zien hoe Gods volk zich steeds weer van zijn Verlosser afkeert, en eigen wegen gaat. De ark komt uiteindelijk bij de Filistijnen terecht.
Bij David zien we een ommekeer. Hij wil een goede plaats voor de ark vinden. In Psalm 69 zegt David niet voor niets: “…de ijver voor uw huis heeft mij verteerd”[6]. Handelingen 7 typeert het zo: David “heeft genade gevonden bij God en gevraagd een woonstede te mogen vinden voor het huis van Jakob”[7].
David vraagt in Psalm 132 dan ook:
Sta op, HERE, naar uw rustplaats,
Gij en de ark uwer sterkte”[8].

In Psalm 132 is David aan het woord.
Maar eerst en vooral moeten we begrijpen: de Here zorgt voor een revolutionaire omwenteling.
Aan het einde van de Psalm kunnen wij lezen:
“Daar zal Ik voor David een hoorn doen uitspruiten,
Ik zal voor mijn gezalfde een lamp bereiden”[9].
In die woorden gaat het over Iemand die kracht en licht in Zich verenigt. Die zijn nodig om volledig aan Gods verbondseis te kunnen voldoen.
David heeft het zicht op de Koning waarover het ook in Psalm 2 gaat:
“Ik heb immers mijn koning gesteld
over Sion, mijn heilige berg”[10].
Dat is dezelfde Machthebber als die in Psalm 110:
“De HERE strekt van Sion uw machtige scepter uit”[11].
Sion is de bodem waarop die Koning staat.

David is een gedreven man.
Hij wordt door de Here aangedreven om Gods volk bij een unieke Koning te brengen. De Koning geeft namelijk eeuwige rust!

Anno Domini 2014 wordt Gods volk in de kerk verzameld.
Vanuit het aardse Sion gaan Gods kinderen op weg naar het hemelse Sion. En David leert het ons:
“Haar voedsel zal Ik rijkelijk zegenen,
haar armen zal Ik met brood verzadigen”[12].
Met andere woorden: de overlevingskans in de kerk is honderd procent.
Ware gelovigen hebben in de kerk ook een aantal taken.
* Zij mogen hun Heer herinneren aan de grote daden die Hij in het verleden heeft gedaan
* Zij mogen voortdurend tonen hoe zij hun machtige God vol toewijding dienen.
* Zij mogen elkaar stimuleren om niet in aardse problemen en puinhopen te blijven steken.
* Zij mogen elkaar in de kerk voortdurend wijzen op het uitzicht op de hemelse woonplaats.

Psalm 132 is een lied dat ons er op wijst dat Gods verbond nog voluit geldig is!

Noten:
[1]
Deze onderwerpskeuze is ingegeven door het feit dat ik over ruim een maand Psalm 132:10 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek) in De Bazuin hoop toe te lichten. Die korte uitleg verschijnt Deo Volente op 30 april 2014 in dat Gereformeerd kerkblad, in de rubriek ‘Psalm van de Week’. De toelichting werk ik in dit artikel uit.
[2] Psalm 132:1, 2 en 5 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[3] Ik citeer uit mijn artikel ‘Doel en nut van de eed’; hier gepubliceerd op 18 december 2012. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2012/12/18/doel-en-nut-van-de-eed/ .
[4] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://ngp.ngk.nl/Studiemat-DeJong/K10%20HdJong-Psalm132%20David%20en%20Sion.pdf .
[5] Exodus 15:13.
[6] Psalm 69:10 (onberijmd).
[7] Handelingen 7:46.
[8] Psalm 132:8 (onberijmd).
[9] Psalm 132:17.
[10] Psalm 2:6.
[11] Psalm 110:2a.
[12] Psalm 132:15.

27 maart 2014

De rustplaats aangewezen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

De 131e Psalm is kort[1]. Het is een lied van een bescheiden man. De dichter – dat is David – is niet trots op eigen prestaties.

Niet dat David een bijzonder rustige man is. Hij heeft zijn ziel tot stilte gebracht, staat er. Hij heeft er moeite voor moeten doen om weer een beetje kalm te worden.
Wie dat leest, zal er weinig moeite mee hebben om dat te herkennen. In onze hectische maatschappij worden massa’s mensen door zoveel bezigheden en gebeurtenissen in beslag genomen, dat zij er overspannen van worden.

David is inmiddels rustig geworden.
Is er een medicijn dat hem rustig maakt? Nee. Er is Iemand die hem kalmeert: de Here.
Naar God toe gaan: dat geeft rust. Schuilen bij Hem: dat brengt het evenwicht terug in het leven. Om met David te spreken:
“Israël hope op de HERE
van nu aan en voor immer”[2].

Een exegeet schreef over dit lied: “De mens past bescheidenheid en er blijven veel raadsels. Maar het is mogelijk om in die omstandigheden de toevlucht tot God te nemen, zoals een peuter naar zijn moeder gaat. Het kind vertrouwt zijn moeder geheel. In dit persoonlijke vertrouwen op God ligt een belangrijk verschil tussen de gebeden in het Oude Testament en die van de andere volken in het Midden-Oosten. Vanuit de relatie met God mag op grond van zijn beloften ook een zegenrijke toekomst verwacht worden”[3].
Het is van belang om dat laatste tot ons door te laten dringen.
Een psalm is geen bezweringsformule. Het is geen mantra, waarvan je kunt zeggen: als je ‘m maar vaak genoeg uitspreekt, ga je ’t van zelf geloven.
Als televisiepresentatoren anno 2014 voortdurend een vertekend beeld van een bepaalde zaak geven, hebben talloze tv-kijkers uiteindelijk diezelfde karikatuur voor ogen.
Zo werkt het bij de Psalmen niet. De dichters schuiven – door de Heilige Geest gedreven – de Here God naar voren. En dan hebben ze het niet over een geheimzinnige kracht. Zij hebben het over een Persoon. Ze spreken en schrijven over een liefdevolle Man, die genadig bescherming geeft aan allen die het drukke gedoe in de wereld willen ontvluchten. Wie naar de Here toe gaat, mag weten: het gevaar is geweken.

Werkt dat onmiddellijk? Worden u en ik ogenblikkelijk de kalmte zelve zodra we aan de Here of aan de kerk denken?
Zo simpel ligt dat niet.
In Psalm 22 zegt David:
“Mijn God, ik roep des daags, en Gij antwoordt niet,
en des nachts, en ik kom niet tot stilte”[4].
In Psalm 62 staat diezelfde David met beide voeten in de modder. Hij wordt vanuit de wereld heftig aangevallen. Leest u maar mee:
“Waarlijk, zij beraadslagen
om hem van zijn hoogte af te stoten,
zij scheppen behagen in leugen;
zij zegenen met hun mond,
maar in hun binnenste vloeken zij”[5].

De kerk is een schuilplaats, jazeker. Godsvertrouwen geeft rust, nou en of. Maar dat wil allerminst zeggen dat alle gelovigen een gegarandeerd stormvrij leven hebben[6].

Ware gelovigen zijn kinderen van God.
In Psalm 131 gaat het over een gespeend kind, een kind dat de borst van zijn moeder net is ontwend. De peuter wordt steeds zelfstandiger, maar komt heel vaak bij zijn moeder terug. Het kind vertrouwt zich zonder meer aan mama toe. Want daar is het veilig.
Die situatie zullen volwassen mensen bij het zingen van deze psalm steeds in gedachten moeten houden.
Het is wel eens gebeurd dat op een kerkelijke vergadering Psalm 131 werd gezongen. Dat was toen nog een oude berijming:
“Dat lsrel op den HEER’ vertrouw’;
Zijn hoop op Gods ontferming bouw’,
En stil berust’ in Zijn beleid,
Van nu tot in all’ eeuwigheid”[7].
Toen er een belangrijk besluit werd genomen – over de vestigingsplaats van de Theologische School van de Christelijk Afgescheidene Gereformeerde Kerk – werd over die beslissing nog lang allerlei gemurmureer gehoord.
Ik wil maar zeggen: Psalm 131 leert ons niet dat we in de kerk altijd besluiten worden genomen die ons blij maken; maar wel dat het goed is om sommige zaken los te laten, erin te berusten en alles in Gods handen te leggen[8].

Psalm 131 is een Psalm die we nog steeds mogen zingen.
Natuurlijk, het is een Oudtestamentisch lied. Maar daarom is het zeker nog niet een ouderwets gedicht. Als we dit lied zingen wijst Gods Heilige Geest ons op het werk van de Here Jezus Christus.
Ik denk aan een woord uit Mattheüs 11. Daar zegt Jezus: “… neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen”[9]. Bij onze Heiland vinden we de zo broodnodige rust!

Psalm 131 is ook vandaag reuze actueel.
Want dat kerklied staat model voor de manier waarop we het Koninkrijk van God binnenkomen.
Laat ik, wat dit betreft, wijzen op bekende verzen uit Mattheüs 18: “Op dat ogenblik kwamen de discipelen bij Jezus en vroegen: Wie is wel de grootste in het Koninkrijk der hemelen? En Hij riep een kind tot Zich, plaatste dat in hun midden, en zeide: Voorwaar, Ik zeg u, wanneer gij u niet bekeert en wordt als de kinderen, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan. Wie nu zichzelf gering zal achten als dit kind, die is de grootste in het Koninkrijk der hemelen. En een ieder, die zulk een kind ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij. Maar een ieder, die één dezer kleinen, die in Mij geloven, tot zonde verleidt, het zou beter voor hem zijn, dat een molensteen om zijn hals was gehangen en hij verzwolgen was in de diepte der zee”[10].

Psalm 131 leert ons om op alle dagen van ons aardse leven bij Vader te schuilen.
En dat is nog maar het begin.
Want er komt een hemelse toekomst aan!

Noten:
[1]
Deze onderwerpskeuze is ingegeven door het feit dat ik over niet al te lange tijd Psalm 131:3 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek) in De Bazuin hoop toe te lichten. Die korte uitleg verschijnt Deo Volente op 23 april 2014 in dat Gereformeerd kerkblad, en wel in de rubriek ‘Psalm van de Week’. De toelichting werk ik in dit artikel uit.
[2] Psalm 131:3 (onberijmd).
[3] Zie de webversie van de Studiebijbel.
[4] Psalm 22:3 (onberijmd).
[5] Psalm 62:5 (onberijmd).
[6] Zie hierover ook: A. Huijgen, “Stil tot God”. In: De Wekker (9 november 2012), p. 8 en 9 (rubriek ‘Woordwerk’) Ook te vinden op www.digibron.nl .
[7] Psalm 131:4 (berijmd; versie uit 1773).
[8] Zie hierover ook: Jasper J. Stam, “Kamper universiteiten negeren 19e-eeuwse waarschuwing”. In: katern PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad (24 mei 2012), p. 6. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[9] Mattheüs 11:29.
[10] Mattheüs 18:1-6.

26 maart 2014

Ondertekeningsformulier

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Er is veel te doen over het ondertekeningsformulier voor ambtsdragers.
Binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) wordt momenteel ook hard nagedacht over de vervanging ervan.
Er moet, zo zegt men, een bindingsformulier komen.
Generaal-synodale deputaten Herziening kerkorde van de GKv hebben daarvoor inmiddels een voorstel gedaan[1].

Voor de duidelijkheid laat ik hieronder de tekst van het ondertekeningsformulier volgen.

“Wij ondergetekenden, dienaren des Woords bij de Gereformeerde Kerk te …… (c.q. binnen de classis van ……), verklaren hierbij voor het aangezicht van de Here, oprecht en met een goed geweten dat wij er hartelijk van overtuigd zijn dat de leer van de drie formulieren van eenheid – de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels – in alle delen geheel met Gods Woord overeenstemt.
Wij beloven daarom dat wij deze leer met toewijding zullen onderwijzen en trouw verdedigen, zonder dat wij openlijk of anderszins, al of niet rechtstreeks, iets zullen leren of publiceren wat daarmee in strijd is. Verder beloven wij dat wij niet alleen elke dwaling, die in strijd is met deze leer zullen afwijzen, maar die ook zullen weerleggen, bestrijden en helpen weren.
Voor het geval wij ooit een bedenking tegen deze leer of een afwijkende mening zouden krijgen, beloven wij dat wij die niet openlijk noch anderszins zullen uiteenzetten, leren of verdedigen, hetzij mondeling of schriftelijk, maar dat wij ons gevoelen in de kerkelijke weg aan de kerkelijke vergaderingen voor onderzoek zullen voorleggen.
Wij beloven dat wij daarbij bereid zullen zijn altijd gewillig aan het oordeel van deze kerkelijke vergaderingen te onderwerpen. Indien wij in strijd hiermee handelen, zullen wij als gevolg daarvan terstond geschorst worden.
Voor het geval de kerkenraad, de classis of een synode om gegronde redenen, ter wille van de bewaring van de eenheid en zuiverheid in de leer, ooit een nadere verklaring zou eisen van ons gevoelen omtrent enig deel van deze leer, beloven wij dat wij daartoe altijd bereid zullen zijn.
Indien wij deze belofte niet nakomen, zullen wij eveneens worden geschorst, onverminderd het recht van appèl in geval van bezwaar,
Gedurende de tijd van appèl zullen wij ons gedragen naar de uitspraak van de mindere vergadering”.

Wat is er mis met bovenstaande tekst?

Men zegt: die tekst is te streng, te juridisch.
Men zegt: uit die tekst spreekt wantrouwen. In 2014 moeten we uitnodigend spreken. En wervend.
Men zegt: wij kunnen er niet van uitgaan dat alle ambtsdragers de drie Formulieren van Eenheid helemaal onderschrijven. En: er is bijna altijd wel iets waarmee men het niet eens kan zijn.
Men zegt: er is vrijheid van exegese; daarom moeten wij de binding aan de belijdenis niet al te stevig maken.

Er is nog wel meer.
Maar het bovenstaande maakt, denk ik, voldoende duidelijk wat de sfeer is waarin men denkt.

In het onderstaande wil ik graag iets over de kwestie te berde brengen.

Inderdaad, het ondertekeningsformulier is heel zorgvuldig geformuleerd. Voor die ‘juridische’ formulering is, meen ik, gekozen omdat het over de kerk van de Here gaat. Predikanten, ouderlingen en diakenen bewaken, om zo te zeggen, de gang van zaken in het aardse huis van de hemelse Koning. In de kerk dus. De kerk is geen bedrijf. En ook geen voetbalclub. In de kerk zitten de mensen die, reeds in een ver verleden, door hun almachtige Vader uitgekozen werden om Zijn kinderen te zijn. Die kinderen worden klaar gemaakt om te Zijner tijd in hemelse volmaaktheid te gaan leven.
Dat zo zijnde mag dat ondertekeningsformulier gerust hecht doortimmerd wezen!

Met het signeren van het ondertekeningsformulier wordt verklaard dat de drie Formulieren van Eenheid volledig met Gods Woord overeenstemmen.
Wat te doen als mensen daaraan twijfelen?
Wat te doen als mensen het daar niet mee eens zijn?
Dan mag en moet er onderwijs volgen. En een gedachtewisseling op basis van Gods Woord.
In een dergelijk geval moeten we, naar mijn inzicht, niet meteen vanuit achterdocht en wantrouwen gaan denken. Zo van: die man is op dat punt een beetje gek.
Veeleer moeten we rekening houden met de zonde. De zonde zit diep in ons leven verankerd. Daar zijn we al sinds Adam mee besmet. De duivel doet alle mogelijke moeite om die zonde in het menselijk bestaan te laten zegevieren.
Ambtsdragers die op bepaalde punten een afwijkende mening hebben zijn niet per definitie rare mensen.
We zullen er ernstig rekening mee hebben te houden dat Gods tegenstander juist ambtsdragers aanpakt. Want als hij de kerkregering in zijn klauwen heeft, krijgt hij de rest van de gelovigen ook wel mee.

Ambtsdragers moeten dwaalleringen helpen bestrijden.
Dat betekent dat zij kennis moeten hebben. Schriftkennis. En kennis van het kerkrecht.
Houdt dat in dat kerkenraadsleden altijd alles moeten weten? Of dat zij te allen tijde al hun kennis paraat moeten hebben? Nee. Het houdt niet in dat alle ambtsdragers, wanneer u hen ’s nachts om 3.00 uur wakker maakt, onmiddellijk de complete kerkorde moeten kunnen opzeggen.
Maar zij moeten wel kunnen en durven studeren. Op enigerlei wijze moeten zij toegang hebben tot een aantal naslagwerken. Zij moeten elkaar verder helpen in het kerkelijk leven.
Zij behoren de kudde van de goede Herder te leiden. Met vaste hand. En met vurige liefde.

Afwijkende meningen moeten in de kerkelijke weg aan de orde gesteld worden.
Waarom moet dat eigenlijk?
Omdat de kans groot is dat zich op die kerkelijke weg wijze ambtsdragers bevinden die kunnen aanwijzen en uitleggen wat de Here in Zijn Woord leert, en wat de belijdenisgeschriften precies bedoelen.
Stelt u zich eens voor dat ambtsdragers de gemeente zonder meer kunnen ‘beschieten’ met verkeerde leringen! Als dat zou kunnen, was het in de kerk heel vaak een chaos.

Ambtsdragers onderwerpen zich aan uitspraken van kerkelijke vergaderingen.
Dat klinkt streng. En misschien ook wel vervelend.
Waarom is dat zo bepaald?
Omdat kerkmensen beschermd moeten worden. Mensen zijn zondig. Dat geldt voor ambtsdragers niet minder. Kerkelijke vergaderingen moeten er voor zorgen dat gelovigen niet door allerlei wind van leer worden meegesleept.

Er wordt wel gezegd: het ondertekeningsformulier voor ambtsdragers gaat te veel uit van wantrouwen.
Is dat waar? Dat denk ik niet.
Ieder mens moet zichzelf een beetje wantrouwen als het over de dienst aan de Here gaat.
Wilt u daar een Schriftuurlijk fundament onder?
In Exodus 23 staat het volgende voorschrift: “Van een bedrieglijke zaak moet gij u ver houden. De onschuldige en de rechtvaardige moogt gij niet doden, want Ik verklaar de schuldige niet rechtvaardig. Een geschenk zult gij niet aannemen, want een geschenk maakt zienden blind en verdraait de zaak der onschuldigen”[2]. Dat is een voorschrift voor Israël, voor de kerk. In die verzen gaat het over het aannemen van steekpenningen. Dergelijke zonden kunnen blijkbaar ook onder Gods volk voorkomen!
De Spreukendichter leert ons in hoofdstuk 15 ook:
“Wie hunkert naar onrechtmatige winst, vernielt zijn eigen huis;
maar wie geschenken haat, zal leven”[3].
Trouwens – de Prediker leert ons in hoofdstuk 7: “niemand op aarde is zo rechtvaardig, dat hij goed doet zonder te zondigen”[4].
In de kerk moeten wij, kortom, ernstig rekening houden met de zonde. Met die constatering op de achtergrond zeg ik:
* Christelijke oplettendheid is daar een groot goed
* Wantrouw uzelf; de zonde is nog altijd een macht die serieus genomen moet worden.

Noten:
[1] In dit artikel maak ik ondermeer gebruik van http://werkenaaneenheid.nl/index.php?option=com_content&view=article&id=893:kleur-bekennen-woordsjoemel-met-een-onthechtend-ondertekeningsformulier&catid=57:opinie&Itemid=339 .
[2] Exodus 23:7 en 8.
[3] Spreuken 15:27.
[4] Prediker 7:20.

25 maart 2014

Antwoord aan meneer Wilders

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Meneer Wilders heeft, zo menen heel veel mensen, een grens overschreden. In het Nederlands Dagblad van maandag 24 maart viel te lezen: “Wilders belegde zaterdag een persconferentie over de problemen binnen zijn partij. Een dag eerder stapten twee PVV’ers uit de Tweede Kamerfractie. Ook leden van diverse Statenfracties van de PVV en van de fractie in het Europarlement stapten op, evenals een gekozen raadslid in Den Haag. Raadsleden in Almere hebben afstand genomen van de PVV-leider.
‘Ik weet niet waar het eindigt’, zegt Wilders over de exodus uit zijn partij. Hij stelt niet te weten of er meer PVV-politici rondlopen met het plan te vertrekken, en kan dat niet uitsluiten. ‘Ik ben inmiddels voorzichtig. Ik stond hier al een paar keer met een antwoord, waarna ik het niet bij het rechte eind bleek te hebben’.
De PVV-leider hoopt dat zij blijven, maar heeft geen garanties gevraagd. Hij benadrukt niet te stoppen met de partij, ook niet als er meer partijgenoten opstappen. ‘Ik ga door, of ik nu dertien, tien of vijf zetels overhoud’”.

Excuses maken wil hij niet.
“Ik heb niet gezegd dat alle Marokkanen het land uit moeten, of dat ze allemaal niet deugen. En ik maak geen excuses voor iets dat ik niet heb gezegd”[1].

Wilders is, in strikte zin, geen racist. Hij maakt geen onderscheid op grond van ras of afkomst.
Maar hij suggereert wel nadrukkelijk dat hij op z’n minst wantrouwend kijkt naar mensen die voorgeslacht hebben in bepaalde landen, zoals Marokko.

Een echte fascist is meneer Wilders misschien ook niet.
Maar het is ontegenzeglijk waar dat hijzelf, en zijn Partij voor de Vrijheid, wel aan het fascisme doen denken.
Het fascisme is de tegenstander van politieke partijen, zowel ter linker- als ter rechterzijde van het spectrum.
In het fascisme houdt men van veel machtsvertoon.
In het fascisme ziet men vaak autoritaire structuren: er staat één man aan het hoofd.
In het fascisme is nationalisme een groot goed.
Fascisten verrichten grote inspanningen om het eigen volk te midden van andere staten te doen overleven[2].

Wat kunnen Gereformeerden van deze dingen zeggen?
Bijvoorbeeld het volgende.

De Here Jezus heeft de zonen van Zebedeüs erop gewezen dat zij niet moeten heersen, maar dienen.
In Mattheüs 20 kunnen we lezen: “Gij weet, dat de regeerders der volken heerschappij over hen voeren en de rijksgroten oefenen macht over hen. Zo is het onder u niet. Maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienaar zijn, en wie onder u de eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn; gelijk de Zoon des mensen niet gekomen is om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen”[3].
In de kerk dienen we elkaar. Als wij daar gezag hebben, is dat gegeven autoriteit. Het is invloed die alleen maar kan bestaan omdat de Zoon des mensen Zijn lijden volbracht heeft. Het is macht die zich voortdurend spiegelt aan de manier waarop de Heiland werkt.

In de in Mattheüs 23 opgenomen rede tegen de schriftgeleerden en Farizeeën zegt Jezus: de kerkelijke leidslieden doen van alles “om in het oog te lopen bij de mensen, want zij maken hun gebedsriemen breed en hun kwasten groot, zij houden van de eerste plaats bij de maaltijden en van de erezetels in de synagogen, en van de begroetingen op de markten en om door de mensen rabbi genoemd te worden. Gij zult u niet rabbi laten noemen; want één is uw Meester en gij zijt allen broeders. En gij zult op aarde niemand uw vader noemen, want één is uw Vader, Hij, die in de hemelen is. Laat u ook geen leidslieden noemen, want één is uw Leidsman, de Christus”[4].
In de kerk vereren we mensen niet. We vergapen ons niet aan dominees, en volgen hen niet.
In de kerk schrijven we elkaar niet af. En we mogen zeker niet suggereren dat we sommige kerkleden in de hoek zetten waar de klappen vallen.
Want Eén is onze Meester. En dat is niet meneer Wilders. Zeker niet.

Graag wijs ik u er op dat het heil van de Here vanaf het begin van de Bijbel voor alle volken bedoeld is.
Denkt u bijvoorbeeld maar aan Genesis 18: “En de HERE dacht: zou Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen? Abraham immers zal voorzeker tot een groot en machtig volk worden en met hem zullen alle volken der aarde gezegend worden”[5].
In Lucas 24 zegt Jezus Christus tegen Zijn discipelen: “Aldus staat er geschreven, dat de Christus moest lijden en ten derden dage opstaan uit de doden, en dat in zijn naam moest gepredikt worden bekering tot vergeving der zonden aan alle volken, te beginnen bij Jeruzalem”[6].

Meneer Wilders probeert met een grote woordenvloed indruk te maken op de wereld om hem heen.
Heel wat mensen adoreren hem. Sprakeloos zijn ze bijna. En ze zijn verheugd, omdat iemand de boosheid over het onrecht in de wereld omzet in woorden.

De kerk moet zich echter niet vergissen.
Mensen als meneer Wilders staan, als het er op aan komt, diametraal tegenover de Here en Zijn kerk.
En ja, de kerk heeft een antwoord. Een antwoord dat altijd geldig blijft. In leven, en in sterven.
Dat antwoord is: Jezus Christus, en die gekruisigd[7].

Noten:
[1]
Zie: Sjoerd Mouissie, “Ook Wilders weet niet hoe het afloopt met de PVV”. In: Nederlands Dagblad, maandag 24 maart 2014, p. 3.
[2] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Fascisme .
[3] Mattheüs 20:25-28.
[4] Mattheüs 23:5-10.
[5] Genesis 18:17 en 18.
[6] Lucas 24:46 en 47.
[7] Zie 1 Corinthiërs 2:2: “Want ik had niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en die gekruisigd”.

24 maart 2014

Verwilderd

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

De heer G. Wilders, leider van de Partij voor de Vrijheid, is er vorige week – bij gelegenheid van de gemeenteraadsverkiezingen – weer in geslaagd om zichzelf in de kijker te spelen.
Het was groot nieuws.
De hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad schreef: “Het heftigste beeld is dat van Geert Wilders, die zijn volgelingen de retorische vraag toeroept of ze meer of minder Marokkanen willen. De zaal scandeert ‘Minder!’, en Wilders zegt: ‘Dat gaan we regelen’. Het is een scène die walging oproept, en die uitlokt tot historische parallellen”[1].

De politici weten niet wat ze ermee aan moeten.
De één is kwaad. Nummer twee zegt dat iedereen die zich beledigd voelt aangifte moet doen. Je moet die man negeren, zegt nummer drie. We lopen in het buitenland imagoschade op, mompelt nummer vier.

Wilders zelf glimlacht.
Ach, het was slechts een oneliner. Hij bedoelde te zeggen dat criminele Marokkanen aangepakt moeten worden.
Maar dat snapt niemand.
De heer Wilders voelt zich, als ik het goed zie, ernstig miskend. Onbegrepen. Het volk begrijpt er niets van.
De heer Wilders heeft, naar het schijnt, een veel groter brein. Hij doorziet dat allemaal wel. De heer Wilders heeft, zo suggereert hij tamelijk nadrukkelijk, iets meer niveau. Zo gaat dat met heel wat doorgewinterde politici. Zij staan boven het volk. Zij hebben overzicht.

Wat moet de kerk hier van leren?
Ik zou willen uitroepen: pas op voor oneliners!

Ik noem enkele voorbeelden.
* God is liefde
* Wie met God leeft kan altijd blij zijn
* Gelovigen mogen niet klagen.
Zulke oneliners doen geen recht aan de boodschap die de Bijbel geeft.
Want God toornt over menselijke zonden.
Kerkmensen hebben soms veel verdriet, of zijn zeer teleurgesteld.
De psalmisten leren waar wij klagen moeten: bij de Here.

Oneliners blijven hangen. Vooral in de politiek.
Als het een beetje wil, bekken ze ook nog uitstekend. Bijvoorbeeld omdat ze allitereren – “minder Marokkanen”.
Maar ze zijn meestal zeer ongenuanceerd.
En vooral: ze zijn meestal recht op het hart van de mensen gericht.

Ongewild laat de heer Wilders ons zien wat er gebeurt als seculiere mensen de deuren van hun hart wijd open zetten. Zo ver open dat voorbijgangers zonder moeite de catacomben van die harten kunnen zien.
“Het voortbrengsel van des mensen hart is boos van zijn jeugd aan”. Zo staat dat in Genesis 8[2].
Wie daar alle ruimte voor geeft, vervalt in populisme.
Wie dat praktiseert, krijgt de massa mee: het gepeupel dat alleen maar rechtlijnig denken wil.
De kerk moet zich maar houden aan de wijsheid van de Spreukendichter:
“Het hart des mensen overdenkt zijn weg,
maar de HERE bestiert zijn gang”
en zij moet rekening houden met de bekende raadgeving:
“Des mensen eigen dwaasheid verderft zijn weg,
en dan is zijn hart gramstorig op de HERE“[3].

Een samenleving die die wijsheden negeert en zich aan God niet stoort zal in hoog tempo verwilderen.
Een maatschappij die totaal verwilderd is, is uiteindelijk tot de ondergang gedoemd.

Wat staat kerkmensen te doen?
Wij moeten op de Here blijven vertrouwen. Wij moeten blijven wandelen op de wegen die Hij wijst.
Laten wij het woord uit 2 Petrus 3 maar repeteren: “Dit vooral moet gij weten, dat er in de laatste dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen, en zeggen: Waar blijft de belofte van zijn komst? Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zó, als het van het begin der schepping af geweest is. Want willens en wetens ontgaat hun, dat door het woord van God de hemelen er sedert lang geweest zijn en de aarde, die uit en door het water bestaat, waardoor de toenmalige wereld is vergaan, verzwolgen door het water. Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, ten vure bewaard tegen de dag van het oordeel en van de ondergang der goddeloze mensen. Doch dit ene mag u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Here is als duizend jaar en duizend jaar als één dag. De Here talmt niet met de belofte, al zijn er, die aan talmen denken, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen”[4].

Die toekomstverwachting maakt een einde aan de botte barbaarsheid van de woeste Wilders.
Die belofte brengt populistisch gepraat tot zwijgen.
Zelfs dat gewauwel van de warmbloedige Wilders.

Noten:
[1]
Sjirk Kuijper, “Historische momenten”. Hoofdredactioneel commentaar in: Nederlands Dagblad, 21 maart 2014, p. 3.
[2] Genesis 8:21.
[3] Spreuken 16:9 en 19:3.
[4] 2 Petrus 3:3-9.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.