gereformeerd leven in nederland

21 mei 2014

Het leven is één

Bij al onze dagelijkse bezigheden staan wij rechtstreeks in verbinding met God[1]. Wij hebben contact met de Maker van de schepping.
Wij moeten ons door Hem laten leiden. Dat is dus wat anders dan Hem toelaten in ons leven. Het is wat anders dan Hem binnen laten, teneinde een aantal zaken met Hem te bespreken. Het initiatief gaat van God uit. Hij maakt uit waar wij terecht komen. Hij bepaalt wat er van ons terecht komt.

De oude uitdrukking ‘Het leven is één’ is uit de praktijk van het leven verdwenen.
“We hebben het leven in vakjes verdeeld. Een vakje voor ons werk, voor onze hobby’s, en zo is er ook een vakje voor ons geloof”, zei een Gereformeerd-vrijgemaakte dominee jaren geleden al. Eén van z’n collega’s constateerde indertijd dat er maar al te vaak sprake is van een ‘twee-werelden-geloof’[2].

Laat ik, nu het om deze dingen gaat, een tekst uit Jeremia 17 voor het voetlicht halen: “Ik, de HERE, doorgrond het hart en toets de nieren, en dat, om aan een ieder te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner daden”[3].

In Jeremia 17 gaat het over Juda’s zonde: de afgoderij[4]. De zonde is in het hart gegrift. De zonde is, met andere woorden, volkomen in het leven geïntegreerd. Het bestaan is een monument van de zonde geworden .
De zonde zit zelfs op de horens van de altaren. Een hoorn spreekt van kracht. De zonde is echt een energie in het leven geworden: men wordt er door voortgedreven. De zonde is de motor van het dagelijkse doen.

De Here zet Godvrezenden en goddelozen tegenover elkaar.
Kennen goddelozen de Here niet? Ach, misschien wel. Het springende punt is echter: menselijke verwachtingspatronen prevaleren boven de godsdienst. Oftewel: onze ideeën met betrekking tot de nabije toekomst zijn van veel meer belang dan de raad en wil van de hemelse Heer.

Maar waarom kiest een mens voor de zonde?
Een exegeet schreef eens: “De bron van alle moeilijkheden die een mens over zich afroept, is zijn hart”.
Op de bodem van onze harten ligt de zonde. En dat, geachte lezer, is niets meer of minder dan een vuilnisbelt. Iedere vorm van transparantie is daar ver te zoeken.
Daarom begrijpen we ook niet hoe verdorven mensen zijn. Daarom vragen wij ons regelmatig af: hoe komen mensen er toch toe om dit of dat te doen? En ook: hoe komt het toch dat zelfs in de kerk soms een keten van verkeerde beslissingen te zien is?
Mensen weten niet hoe zij de bron van al die vuiligheden kunnen droogleggen. Mensen kunnen niet door de rommel heen kijken. Mensen hebben uit zichzelf niet eens de behoefte om de fontein van viezigheid te laten stoppen met spuiten.

Welnu, de Heiland kan wel dwars door alles heen kijken.
“Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten; en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen”. Zo staat dat in Hebreeën 4[5].
Voor de Here God zijn onze levens transparant.
Het is Hem volkomen duidelijk wat daar gebeurt.
En Hij doet er wat aan.

Wie Jeremia 17 leest moet eigenlijk ook even terug bladeren naar hoofdstuk 16.
Jeremia 16 is een Bijbelgedeelte dat vol staat met rampspoed en oordeel.
Vaders, moeders en kinderen zullen sterven. Een rouwsamenkomst? Die is er niet bij. Leest u maar mee: “Ook kwam het woord des HEREN tot mij: Gij zult u geen vrouw nemen en gij zult geen zonen of dochters hebben te dezer plaatse; want zo zegt de HERE van de zonen en de dochters, die te dezer plaatse geboren worden, en van hun moeders die hen baren, en van hun vaders die hen verwekken, in dit land: aan dodelijke ziekten zullen zij sterven, zij zullen niet beklaagd noch begraven worden, tot mest op de akker zullen zij zijn; of door het zwaard en de honger zullen zij aan hun eind komen, en hun lijken zullen tot voedsel zijn voor het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde. Want zo zegt de HERE: Gij moogt geen klaaghuis binnentreden, gij moogt niet gaan om rouwbeklag te doen en hun geen deelneming betonen, want Ik neem van dit volk mijn vrede weg, luidt het woord des HEREN, de genade en het erbarmen!”[6].
Rouwen en begraven: daar is geen ruimte meer voor .
Een leuk feestje vieren dan? Daarvoor wordt ook geen gelegenheid meer geboden. Kijkt u maar: “Gij moogt ook geen huis van feestgelag binnentreden om bij hen te zitten en te eten en te drinken; want zo zegt de HERE der heerscharen, de God van Israël: Zie, Ik doe in deze plaats voor uw ogen en in uw dagen verstommen de stem der vreugde en de stem der vrolijkheid, de stem van de bruidegom en de stem der bruid!”[7].
Alles ademt: het is afgelopen.
Uit alles blijkt: het is te laat.
De lijn van het verhaal is volstrekt duidelijk: de Here ruimt de rommel op.
Het is, kortom, zonneklaar: de Here maakt een nieuw begin.

Als een notaris zich zelfstandig vestigt komt er een bericht in de krant: ‘gevestigd per die en die datum: notaris Huppelepup’. Denk erom: bij die notaris kunt u vanaf die datum terecht.
Welnu, nog degelijker gaat God Zijn naam vestigen. Zijn naam zal nimmer worden vergeten!

Hoe doet Hij dat?
Hij geeft ons een hecht fundament onder het leven. Hij maakt een nieuwe ondergrond, waarop wij stevig kunnen staan.
In 1 Petrus 5 wordt er niet omheen gedraaid.
Want daar kunnen wij lezen: “Doch de God van alle genade, die u in Christus geroepen heeft tot zijn eeuwige heerlijkheid, Hij zal u, na een korte tijd van lijden, volmaken, bevestigen, sterken en grondvesten. Hem zij de kracht in alle eeuwigheid! Amen”[8].
De God van hemel en aarde fundeert ons leven.
Hij geeft ons vaste grond onder de voeten.

Als we ons dat realiseren, beseffen we ook dat die uitspraak ‘het leven is één’ ook in 2014 nog uiterst actueel is.
Want zegt u nu zelf: het is, op z’n zachtst gezegd, uitermate onhandig om het ene stukje van het leven op het ene fundament te zetten, en het andere stukje van ons bestaan op een andere ondergrond.
Een ieder begrijpt: dat werkt niet.
Een klein kind snapt: dat gaat fout.
Jan en alleman ziet het aankomen: de hele zaak stort op de lange duur in elkaar.
En dat is een implosie die niemand beleven wil.

Laten wij ons erin trainen om te blijven staan op de vaste grond van het Woord van God.
Dat is een grondslag waarmee ons bestaan de eeuwigheid in kan!

Noten:
[1] Dit artikel is een uitwerking van een ‘weeknotitie’ die ik op 22 juni 1996 schreef. Die notitie heeft het volgnummer 478.
[2] De eerste uitspraak is van Ds. C. van der Leest, de tweede van ds. A.M. de Hullu. Ze staan in het artikel “’We zijn God-lozer geworden dan we denken”. In: ZoZ, bijlage bij het Nederlands Dagblad (15 juni 1996), p. 2.
[3] Jeremia 17:10.
[4] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.oudesporen.nl/Download/OS2016.pdf .
[5] Hebreeën 4:12 en 13.
[6] Jeremia 16:1-5.
[7] Jeremia 16:8 en 9.
[8] 1 Petrus 5:10 en 11.

20 mei 2014

Nieuwe werkelijkheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Zondag 52 van de Heidelbergse Catechismus zet, zo lijkt het, ietwat deprimerend in.
De bede ‘En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze’ wil onder meer zeggen: “Wij zijn van onszelf zó zwak, dat wij zelfs geen ogenblik kunnen standhouden”[1].
De Catechismus is een troostboek. Maar in het bovenstaande zit, zou je zo zeggen, weinig reden tot verheugenis.

Toch mag dit geen oorzaak zijn tot diepe droefenis. Het is niet de bedoeling dat wij thans geschrokken en half huilend in een hoekje kruipen, wachtend op de genadeklap.
In het Schriftbewijs onder dit deel van de oude Heidelberger wordt onder meer verwezen naar Johannes 15. En met name naar deze woorden: “Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen”[2].
De kwestie is dus: wij moeten in Jezus Christus blijven!

De Groot Nieuws Bijbel-1996 heeft een vertaling die wellicht wat duidelijker is: “los van Mij zijn jullie tot niets in staat”.
Wij moeten zorgen dat wij in Christus blijven.
Zondag 52 heeft niet de intentie om kerkgangers uiteindelijk depressief te maken en richting de geestelijke gezondheidszorg te praten. Welnee. Hier staat een oproep. Een oproep om een rank van de wijnstok te blijven.

In het begin van Johannes 15 lezen we: “Elke rank in Mij die geen vrucht draagt, neemt Hij weg”[3]. Daar staat het Griekse woord airoo – wegdoen. Het gaat er klaarblijkelijk om dat sommige ranken geen echte verbinding met de wijnstok hebben.
Er staat nog meer: “…elke die wel vrucht draagt, snoeit Hij, opdat zij meer vrucht drage. Gij zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb; blijft in Mij, gelijk Ik in u”[4].
Er is dus sprake van een nogal fundamentele tegenstelling:
* mensen die geen echte band met Christus hebben dragen geen vrucht
* mensen die leven uit God ontvangen hebben, en zo rein zijn door het Woord, dragen wel vrucht.
Dat is even schrikken: in de kerk kunnen blijkbaar mensen zitten die niet echt bij Jezus Christus horen.
Maar er is meer.
Er zitten gelukkig ook heel veel mensen die onlosmakelijk aan de Heiland verbonden zijn!

Welnu, die laatste groep mensen wordt gesnoeid.
Dat betekent niet dat een massa kerkleden dociel gaat zitten wachten op de dingen die komen gaan.
Dat houdt wel in:
* de Landman is er iedere dag om Zijn werk te doen
* de mensen krijgen een plaats in de leefgemeenschap met Christus; de verbinding wordt steeds beter en sterker.

Vrucht dragen: steeds weer laten zien wie Jezus Christus is[5].

Blijf in Mij, zei Jezus tegen de discipelen[6].
Dat zei Hij vlak voordat het voor Hem hemelvaartsdag worden zou.
Het geloof zou de discipelen in verbinding houden met hun Meester. Ook als Hij naar Zijn woonplaats, de hemel, vertrokken was.
Voor heel de kerk geldt: “wíj zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten, die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen”[7].

En nu begrijpen wij allen: dat zinsdeel uit Zondag 52 is verre van deprimerend.
Als wij belijden ‘Wij zijn van onszelf zó zwak, dat wij zelfs geen ogenblik kunnen standhouden’ zeggen we daarmee dat we het verwachten van Jezus Christus. En we zeggen daarmee dat het helemaal geen straf is om van Hem afhankelijk te zijn. En we zeggen daarmee: vol verwachting klopt ons hart, het hele jaar door. Want de Here Jezus komt terug!

Wij bidden ook: ‘wil ons toch staande houden en sterken door de kracht van uw Heilige Geest’.
En als we die woorden in de mond nemen, dan weten we meteen ook: dankzij de Heiland blijven we overeind in de wereld.
Oftewel: de ware Wijnstok geeft ons de nodige levenssappen!

Wij moeten in Jezus Christus blijven.
Wat is dat?
Iemand omschreef dat eens zó: “het ‘in Christus-zijn’ is niet alleen maar het fundament of de diepste wortel van het christen-zijn, maar het is een nieuwe werkelijkheid, een nieuwe realiteit binnen het dagelijkse leven zelf”[8].
Iedere dag weer hebben we, als gewone wereldburgers, te maken met de werkelijkheid van de dinsdag, de woensdag enzovoort. En het lijkt erop dat er geen verschil tussen onze realiteit, en die van de buurman. Maar schijn bedriegt. Want aan onze horizon zien we, om zo te zeggen, de contouren van de hemel. In de verte zien wij het silhouet van Gods troon.
Nieuwe levenssappen stromen snel binnen in ons bestaan.

En daarom zeggen we: het leven is de moeite waard.
Middenin de drukte van de dag ontvouwt zich een nieuw perspectief op de toekomst.
Om dat nader te bekijken hebben wij geen verrekijker nodig.
Wij hebben een boek nodig.
Eén boek slechts.
Gods Woord, namelijk.

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 52, antwoord 127.
[2] Johannes 15:5.
[3] Johannes 15:2 a.
[4] Johannes 15:2 b en 3.
[5] In het bovenstaande gebruik ik onder meer http://www.oudesporen.nl/Download/HB029.pdf .
[6] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.oudesporen.nl/Download/V02a.pdf .
[7] Philippenzen 3:20 en 21.
[8] Zie http://www.bijbelseplaatsen.nl/onderwerpen/I/In%20Christus%20zijn/512/ .

19 mei 2014

Instrumentarium van God

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Gereformeerde mensen beseffen dat ze bij alles wat in hun al of niet dynamische leven doen, in Gods hand zijn[1]. Gods kinderen zijn, om het met een Schriftuurlijke term te zeggen, instrumenten tot lof van de Here[2]. De hemelse Heer houdt ze voortdurend bij de hand. Hij maakt van hun complete levens Goddelijk gereedschap. Alle activiteiten die Zijn kinderen ontplooien hebben daarom zin.

Dat behoren we ons regelmatig te realiseren. Want in de haastige spoed van het leven komt dat besef snel op de achtergrond te staan.
Het kan zomaar gebeuren dat de zondag gereserveerd wordt voor Godsdienstige zaken, terwijl het dienen van de Here op doordeweekse dagen uit het zicht raakt.
In de jaren ’90 van de vorige eeuw zei de godsdienstsocioloog dr. G. Dekker reeds: “Nu het zwaartepunt in de geloofsbeleving voor veel mensen uitsluitend valt in de eredienst en niet in de praktijk van alledag, is er een zware claim komen te liggen op de liturgie. Dààr moet ‘het’ dan tenslotte gebeuren. Dat geeft een enorme kramp”[3].
Liturgie moet geen compensatie worden voor het gebrek aan eerbewijzen voor God op gewone werkdagen!

God loven: dat gebeurt – op de keper beschouwd – op heel veel plaatsen in de wereld. Psalm 148 zingt zelfs:
“Looft Hem, zon en maan,
looft Hem, al gij lichtende sterren”[4].
Echter: vanuit de kerk behoort de hoogste lof te klinken.
Daar wordt God geëerd, in stille bewondering soms. “U komt stilheid toe, een lofzang, o God in Sion”, zegt de dichter van Psalm 65[5].
En in Psalm 100 klinkt de uitnodiging:
“Gaat met een loflied zijn poorten binnen,
zijn voorhoven met lofgezang,
looft Hem, prijst zijn naam”[6].
Gods lof begint in de kerk. De kerk is het startpunt van alle eerbewijzen aan God. Wie God eren wil kan niet stilletjes in huis blijven zitten. Hij zal ’s zondags, als het even kan, blij van zin naar de kerk gaan.
In de vergadering van Gods verzamelde kinderen wordt het leven op het juiste niveau gebracht. De lofzang op de daden van de Here galmt, als het goed is, de hele week nog na. En tegen de tijd dat de nagalm verdwenen is bezoeken we opnieuw een kerkdienst.
Met andere woorden: de zondagse eredienst is de katalysator van Gods lof!

Nu het hierom gaat wijs ik gaarne op woorden uit Openbaring 22: “Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden, naardat zijn werk is”[7].
Dat klinkt vermanend, waarschuwend, bijna dreigend: vergelden! De vraag is dan ook aan welke kant wij staan. Neemt u de lof op God de hele week serieus?
In de Bijbelverzen die aan het citaat uit Openbaring 22 vooraf gaan lezen we: “Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd”[8]. Er vindt een scheiding plaats tussen kaf en koren, tussen Godvrezenden en goddelozen.

Het Bijbelboek Openbaring wordt vaak moeilijk gevonden. Al die ingewikkelde metaforen, al die weidse vergezichten – wat moet men ermee?
We zullen echter nooit mogen vergeten dat dat boek gaat over Gods werk in de geschiedenis van onze wereld.
Het gaat in het laatste Bijbelboek dan ook vaak over het werk dat wij in Gods dienst verrichten. Ik attendeer u op Openbaring 14: “En ik hoorde een stem uit de hemel zeggen: Schrijf, zalig de doden, die in de Here sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, dat zij rusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na”[9]. En op Openbaring 20: “En ik zag de doden, de groten en de kleinen, staande voor de troon, en er werden boeken geopend. En nog een ander boek werd geopend, het boek des levens; en de doden werden geoordeeld op grond van hetgeen in de boeken geschreven stond, naar hun werken. En de zee gaf de doden, die in haar waren, en de dood en het dodenrijk gaven de doden, die in hen waren, en zij werden geoordeeld, een ieder naar zijn werken”[10]. Het goede werk van schepselen heeft een plaats in de heerlijke arbeid van God.

Hoe gebruikt God ons precies als Zijn instrumenten? Welke plaats nemen wij in de geschiedenis van kerk en wereld in? Er is niemand die dat tot in de details uit kan leggen.
Maar zeker is wel dat God Zijn kinderen van te voren al gereed gemaakt heeft om volledig voor Hem te leven.
Denkt u, wat dat betreft, maar aan 2 Corinthiërs 5: “Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis”. En: “God is het, die ons juist dáártoe bereid heeft en die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft”[11].

Laten we ons maar beijveren Gods waardevol instrumentarium te zijn!

Noten:
[1] Dit artikel is een uitwerking van een ‘weeknotitie’ die gedateerd is op 15 juni 1996. Die notitie heeft het volgnummer 477.
[2] De term ontleen ik aan 2 Kronieken 30:21: “Zeven dagen lang vierden de Israëlieten die zich te Jeruzalem bevonden, het feest der ongezuurde broden met grote vreugde. De Levieten en de priesters loofden de HERE dag op dag onder begeleiding van instrumenten tot lof van de HERE”.
[3] De opmerking werd gemaakt op het symposium ‘Veelvormig vieren’, ter gelegenheid van het afscheid van J.P. Boendermaker als bijzonder hoogleraar liturgiewetenschap aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Ik citeer via het Nederlands Dagblad, 12 juni 1996, p. 2.
[4] Psalm 148:3 (onberijmd).
[5] Psalm 65:2 (onberijmd).
[6] Psalm 100:4 (onberijmd).
[7] Openbaring 22:12.
[8] Openbaring 22:11.
[9] Openbaring 14:13.
[10] Openbaring 20:12 en 13.
[11] Uit 2 Corinthiërs 5 citeer ik achtereenvolgens de verzen 1 en 5.

16 mei 2014

Modern Avondmaal?

Komende zondagmiddag vieren we in onze kerk het Heilig Avondmaal.
Vier maal per jaar gebeurt dat, in een regelmatig ritme. We zijn eraan gewend. En het is goed zo.

Over dat Heilig Avondmaal, en over de zin ervan, wordt veel nagedacht.

Laatst nog schreef Dick Schinkelshoek, redacteur bij het Nederlands Dagblad en predikant in de Protestantse Kerk, er een artikel over in het ND.
Hij vindt het Avondmaal soms een leeg ritueel.
Er zou wat minder bij gepraat moeten worden, vindt hij. Dat lange formulier en die preek zijn niet zo nodig. “Stilte is het mooiste geschenk dat je bij de viering van Christus’ gebroken lichaam kunt krijgen”.
Hij noteerde ook: “Logistiek is avondmaal vieren aan tafels een hele opgave. Bij een avondmaalsdienst met vier of vijf ‘tafels’ zit je een groot deel van de tijd te wachten en naar een zichzelf herhalend ritueel te kijken. Dat gaat ten koste van de heiligheid”.
Het Heilig Avondmaal spreekt meer aan als we het minder mensen tegelijk vieren, meent hij.
Wij zouden vaker Avondmaal moeten vieren, zegt Schinkelshoek. Dan raken we er meer aan gewend, en hoeven we niet steeds na te denken wat de volgende stap in de viering is.
Het Avondmaal moet niet te zwaar worden geladen, vindt de ND-journalist tenslotte ook. “God schenkt wat Hij vraagt”. En daar word je een stuk vrolijker van[1].

Samengevat:
* Het Heilig Avondmaal wordt te zwaar geladen.
* Het Heilig Avondmaal is te massaal.
* Daar moet wat aan gedaan worden.

Dit alles tot mij genomen hebbende, dacht ik aan 1 Corinthiërs 10. Aan dat Schriftwoord: “Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood”[2].
“Hoe velen ook”!
Die term duidt op gemeenschap. En op het feit dat wij allen bij elkaar horen. En vooral ook op het Evangelie dat Christus Zijn kinderen om zich heen verzamelt. Juist het gegeven dat de Heiland zoveel mensen tot Zijn eigendom heeft gemaakt, is Evangelie. Al die mensen worden gered. Wij horen bij elkaar. Wij staan allemaal voorgesorteerd in het wegvak dat in de richting van de hemel wijst.

Samen laten ware gelovigen zien: wij maken front tegenover de wereld.
Paulus schrijft in 1 Corinthiërs 10 ook: “Gij kunt niet de beker des Heren drinken èn de beker der boze geesten, gij kunt niet aan de tafel des Heren deel hebben èn aan de tafel der boze geesten. Of willen wij de Here tot naijver wekken? Zijn wij soms sterker dan Hij?”[3].
Het moet volkomen helder worden: wij horen bij de Here Jezus Christus, en niet bij de wereld.

Moeten wij het Heilig Avondmaal niet te zwaar laden?
Ik zou denken dat dat helemaal niet erg is.
Dat sacrament is een beeld van het borgtochtelijk lijden van de Heiland. Hij heeft betaald voor al onze zonden.
Om met de Nederlandse Geloofsbelijdenis te spreken: “Want er staat geschreven, dat de straf die ons de vrede aanbrengt, op de Zoon van God was en dat wij door zijn striemen genezen zijn; dat Hij als een lam ter slachting is geleid en onder de overtreders is geteld (…); dat Hij als een misdadiger veroordeeld is door Pontius Pilatus, hoewel deze Hem onschuldig verklaard had. Zo heeft Hij teruggegeven wat Hij niet geroofd had (…), en heeft Hij als rechtvaardige voor onrechtvaardigen geleden (…), zowel naar lichaam als naar ziel, zodat Hij de verschrikkelijke straf voelde die wij door onze zonden verdiend hadden, en zijn zweet als bloeddruppels werd, die op de aarde vielen (…). Hij heeft geroepen: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (…), en Hij heeft dit alles geleden ter wille van de vergeving van onze zonden. Daarom zeggen wij terecht met Paulus, dat wij niets anders weten dan Jezus Christus en die gekruisigd”[5].
De Heiland is buitengewoon zwaar gestraft, vanwege onze zonden.
Daarom is het Heilig Avondmaal zwaar geladen. Daar hoeven wij niets van af doen. Het Heilig Avondmaal is een ernstige zaak.

Bij het Heilig Avondmaal hoort veelal een voorbereidingspreek. En een formulier. En een nabetrachtingspreek.
Er zit dus heel wat onderwijs aan vast.
Is dat overdreven?
Persoonlijk denk ik van niet. Paulus geeft zelf ook lange lessen. In 1 Corinthiërs 10. En hij gaat verder in hoofdstuk 11. Zijn lessen over het ‘één lichaam zijn’ werkt hij in hoofdstuk 12 uit. En daarna, in het slothoofdstuk van Paulus’ eerste brief aan de Corinthiërs, gaat het over de liefde tot God en tot elkaar.
Paulus maakt duidelijk dat het, als het hierover gaat, nogal nauw steekt. Er is onderwijs nodig.
En ook in 2014 moet het aan zondige mensen duidelijk worden gemaakt: het lijden en sterven van onze Here Jezus Christus is onze redding!

Om ons heen is veel in verandering.
Op het kerkplein zoekt men nieuwe paden.
En nu is het Heilig Avondmaal blijkbaar aan de beurt om eens flink gemoderniseerd te worden.
Ik zou willen uitroepen: mensen, láát dat! Oftewel: blijf eraf!

Komende zondagmiddag vieren we in onze kerk het Heilig Avondmaal.
Persoonlijk zal ik er graag aan deelnemen.
Het is een ernstige gebeurtenis. Maar niettemin een gebeurtenis die blij maakt.

Noten:
[1] Dick Schinkelshoek, “Heilig Avondmaal kan beter”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 14 mei 2014, p. 8.
[2] 1 Corinthiërs 10:17.
[3] 1 Corinthiërs 10:21 en 22.
[4] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 21.

15 mei 2014

Aan Gods Woord gebonden

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Op het kerkplein is eenheid ver te zoeken.
In het vraagstuk van de kerkelijke eenheid doet men, in het algemeen genomen, wat goed is in eigen ogen.
Op een internetpagina van de Evangelische Omroep werd het sentiment op het kerkplein als volgt samengevat: “De trend lijkt (…) overal hetzelfde: evangelische, gereformeerde en reformatorische kerken zien dat de kerkdiensten minder gevuld zijn. Sommige kerken voegen diensten samen, andere schrappen de middagdienst, weer andere krijgen de kerkenraad niet gevuld. Predikanten horen dat gemeenteleden de diensten niet meer inspirerend vinden en steeds vaker lopen die gemeenteleden warm voor allerlei interessante christelijke activiteiten buiten de eigen gemeente”[1].

Dominees, ouderlingen, diakenen en andere actieve kerkleden kunnen soms worden geplaagd door het hinderlijke gevoel dat men tegen de bierkaai vecht.
Heeft al dat kerkelijk gedoe nog wel zin, eigenlijk?

Sommigen suggereren dat men de ongeïnteresseerdheid op het kerkplein in passie kan laten veranderen als men kleine huisgemeentes sticht. Dan komt er meer inzet. Dan ontstaat er meer betrokkenheid.

Bij al dat gekrakeel klinken de vragen:
* Waar moeten gelovigen zich aansluiten?
* Hoe kunnen gelovigen hun godsdienst in de praktijk vorm geven?
* Hoe kunnen gelovigen elkaar weer vinden?
* Hoe kunnen gelovigen solidair zijn met de wereld?
In al die vragen draait het om gelovigen. Om mensen dus. Dat lijkt logisch. Maar dat is het niet. Want in de kerk moet het om het Woord van God draaien.

Deze zaak overpeinzende kom ik bij Mattheüs 15.
In dat hoofdstuk voert de Here een twistgesprek met de Farizeeën. Bij de kerkleiders gaan tradities boven Gods Woord. Gewoontes en overleveringen winnen het van wat God zelf zegt.
Jezus parafraseert een woord uit Jesaja 29 als Hij, in reactie daarop, zegt: “Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij. Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn”[2].
Met andere woorden: als we mensen een te belangrijke plek in de kerk geven is onze godsdienst tevergeefs.

Het draait niet om wensen van mensen.
Dat blijkt ook uit Mattheüs 28, waar Jezus tegen Zijn discipelen zegt: “Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb”[3].
De discipelen, en in hen ook alle kerkleden, leren dat in de kerk dienstorders worden uitgevoerd. In de kerk voeren wij bevelen uit. Heilzame bevelen.

Broeders en zusters in de kerk kunnen wel een voorbeeld voor ons zijn. Zeker wel. Maar dat zijn ze dan niet omdat ze zo braaf zijn. Of zo keurig. Ze laten, als het goed is, enkel en alleen maar zien wat God in Zijn Woord gebiedt en wat dat in de praktijk betekent.
Daarom schrijft Paulus in 1 Corinthiërs 4: “Hij, die mij beoordeelt is de Here. Daarom, velt geen oordeel vóór de tijd, dat de Here komt, die ook hetgeen in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de raadslagen der harten openbaar maken. En dan zal aan elk zijn lof geworden van God. Dit, broeders, heb ik op mijzelf en Apollos overgebracht om uwentwil, opdat gij uit ons voorbeeld zoudt leren niet te gaan boven hetgeen geschreven staat, opdat niet iemand uwer zich vóór de een en tegen de ander opblaze”[4].
Paulus leert de kerkmensen om bescheiden te zijn, en niet onmiddellijk overal een afgerond oordeel over te hebben. Nederigheid is in de kerk een groot goed!

Waarom zijn we lid van de kerk?
Omdat we stellig weten dat Christus ons, door Zijn lijden en sterven, van de zonde heeft vrijgekocht. In de kerk gaat het niet om de druk van allerlei door mensen bedachte regels, maar om het ‘juk van Christus’.
Paulus schrijft in Galaten 5 dan ook: “Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weder een slavenjuk opleggen”[5].

Eenheid: dat is een woord dat in de kerk altijd in verband staat met het werk van Jezus Christus.
Daarom kan de apostel Paulus in Philippenzen 3 ook schrijven: “…één ding doe ik: vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus. Laten wij dan allen, die volmaakt zijn, aldus gezind zijn. En indien gij op enig punt anders gezind zijt, God zal u ook dat openbaren; maar hetgeen wij bereikt hebben, in dat spoor dan ook verder!”[6].

Graag wijs ik nu ook op Jacobus 4.
De schrijver van dat briefje dringt er op aan om met kwaadsprekerij te stoppen. Het moet afgelopen zijn met geruzie en belastering in de kerk, en op het kerkplein.
Jacobus schrijft: “Eén is wetgever en rechter, Hij, die de macht heeft om te behouden en te verderven”[7].
In de kerk houden we ons aan wetten en regels die God geeft. Wat onze broeders en zusters in de kerk zoal over ons zeggen, is niet zo belangrijk. Opmerkingen over onze levensstijl snijden alleen hout als ze rechtstreeks terug zijn te voeren op het Woord van God.

Dat is de basis van alle arbeid in de kerk.
Dat is ook het fundament van kerkenraadswerk.
In de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijden we daarom: “Wij geloven dat, hoewel het nuttig en goed is dat de regeerders van de kerk onderling een vaste orde instellen en handhaven om het lichaam van de kerk in stand te houden, zij zich er toch voor moeten wachten af te wijken van wat Christus, onze enige Meester, ons geboden heeft. Daarom verwerpen wij alle menselijke bedenksels en alle wetten die men zou willen invoeren om God te dienen en daardoor het geweten te binden en te dwingen, op welke wijze dan ook. Wij aanvaarden dus alleen wat kan dienen om eendracht en eenheid te bevorderen en te bewaren, en allen te doen blijven bij de gehoorzaamheid aan God. Hiervoor is vereist de uitsluiting uit de gemeenschap van de kerk overeenkomstig Gods Woord, en wat daarmee verbonden is”[8].

Jazeker, al dat kerkelijk gedoe heeft wel degelijk zin.
Als wij ons maar aan de Here God en aan Zijn Woord willen binden.

Noten:
[1] Zie http://www.eo.nl/radio5/eo-radio-symposium .
[2] Mattheüs 15:8 en 9.
[3] Mattheüs 28:19.
[4] 1 Corinthiërs 4:4 b, 5 en 6.
[5] Galaten 5:1.
[6] Philippenzen 3:14, 15 en 16.
[7] Jacobus 4:12a.
[8] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 32.

14 mei 2014

Eenheid

De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) hebben een probleem. Dat vraagstuk draait om kerkelijke eenheid.
In het Nederlands Dagblad van zaterdag 10 mei staat te lezen: “Op dit moment gaan de ontwikkelingen zo snel, zei deputatenvoorzitter ds. Henk Messelink, ‘dat we voortdurend achter de feiten aan hollen’. Een concreet voorbeeld vormt de situatie in Stadskanaal, waar een vrijgemaakt-gereformeerde kerk verdergaande samenwerking zoekt met een plaatselijke hervormde gemeente, onderdeel van de Protestantse Kerk. Verder zijn er allerlei vormen van samenwerking: op diaconaal en evangelisatievlak, bij de theologische opleidingen en tijdens gebedsweken. Ook landelijk zijn er ontwikkelingen: er zijn inmiddels twee gesprekken gevoerd met het bestuur van de Protestantse Kerk, waar ‘meer openheid voor gesprek is op te merken’. De snelle veranderingen geven spanning met de landelijk geboden ruimte. Die richt zich nog sterk op kerkelijk-institutionele gesprekken met de Nederlands- en christelijk-gereformeerden en de hersteld-hervormden. ‘We hebben het gevoel dat we als deputaten Kerkelijke Eenheid vooral leiding zouden moeten geven aan de processen richting meer kerkelijke eenheid, terwijl we intussen links en rechts ingehaald worden door alles wat er om ons heen gebeurt, vooral in plaatselijke ontwikkelingen.’ Daarom vroegen de deputaten ruimte ‘om in verbondenheid aan onze eigen identiteit creatief bezig te zijn en gelovig het gesprek met anderen aan te gaan’”[1].

Volgens mij komt dit ongeveer neer op het volgende.
Iedereen doet, als het over kerkelijke eenheid gaat, wat goed is in eigen ogen. Dit zo zijnde moeten we ons maar aanpassen aan de situatie, en praten met ieder die langs komt.

Het vorenstaande brengt mij bij woorden uit Romeinen 15: “De God nu der volharding en der vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar het voorbeeld van Christus Jezus, opdat gij eendrachtig uit één mond de God en Vader van onze Here Jezus Christus moogt verheerlijken”[2].
Over die Bijbelpassage schreef ik een paar jaar geleden: die woorden betekenen “dat wij het werk van de Heilige Geest van harte welkom heten in ons leven. Het is die Geest die er – om het met Romeinen 8 te zeggen – een voltijdbaan aan heeft om ons ervan te overtuigen dat wij kinderen van God zijn. Kinderen van God zijn Zijn erfgenamen. Na Christus’ dood hebben de kinderen recht op Zijn bezit. En dat bezit is: verheerlijking in de hemel. Dat bezit is dus: een plaats in het domicilie van God”[3].

In de GKv zijn de geachte gelovigen niet eensgezind. Zij zijn niet eendrachtig. De Heilige Geest geeft die eenstemmigheid niet.
De conclusie lijkt onontkoombaar: de Heilige Geest trekt zich uit de GKv terug.
Als ik Romeinen 15 goed begrijp, kan dat verregaande gevolgen hebben. Gevolgen die onder meer van alles te maken hebben met een hemelse toekomst.

Betekent dat woord ‘eensgezindheid’ dat alle GKv-ers nu op dezelfde manier moeten gaan denken?
Nee. Dat betekent het niet.
Een exegeet schrijft over Romeinen 15: “Eensgezindheid (…) wordt niet bereikt doordat allen op dezelfde manier gaan denken, maar doordat men naar het voorbeeld van Jezus Christus afstand doet van zijn eigen rechten en vrijheden en rekening houdt met het geweten van zijn medegelovigen”[4].

Daarbij kunnen we denken aan Romeinen 12: “Weest onderling eensgezind, niet zinnende op hoge dingen, maar voegt u in het eenvoudige. Weest niet eigenwijs”[5]. Als vooraanstaande en erudiete gelovigen zich distantiëren van hun eenvoudige broeders en zusters ontstaat er een geweldige scheefgroei in de kerk. Wetenschappers moeten, om zo te zeggen, de kleine luyden ‘meenemen’.
Wij kunnen ook denken aan 1 Corinthiërs 10: “Doch ik vermaan u, broeders, bij de naam van onze Here Jezus Christus: weest allen eenstemmig en laten er geen scheuringen onder u zijn; weest vast aaneengesloten, één van zin en één van gevoelen”[6]. Koste wat het kost moet een kloof tussen gelovigen worden voorkomen. Er moet front worden gemaakt!
In dit verband kan ook de instructie van 2 Corinthiërs 13 dienstig zijn: “Overigens, broeders, weest blijde, laat u terecht brengen, laat u vermanen, weest eensgezind, houdt vrede, en de God der liefde en des vredes zal met u zijn”[7]. Mensen die vermaand worden moeten niet meteen in opstand komen. Mensen die terechtgewezen worden, moeten zich niet ogenblikkelijk van de kerk afkeren. Integendeel! Terechtgewezen kerkleden behoren met de Bijbel open te onderzoeken of het aan hen gerichte vermaan terecht is.
Graag wijs ik ook nog op 1 Petrus 3: “Ten slotte, weest allen eensgezind, medelijdend, hebt de broeders lief, weest barmhartig en ootmoedig”[8]. Dat betekent in ieder geval wel dit: op het kerkplein is geen plaats voor keiharde mensen. Er moet een barmhartige sfeer heersen. Bescheidenheid behoort een kenmerk van de kerk en haar leden te wezen!

De situatie in de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) geeft ons enig zicht op de wijze waarop wij hebben te leven en wat wij moeten doen. Hieronder zet ik tenslotte acht leerpunten op een rij.
1.
De Here God moet aan ware gelovigen eensgezindheid geven. Dat wenst Paulus de christenen in Rome toe. Wij moeten daarom, bij het zoeken naar eendracht, uitgaan van wat God wil. Gods Woord moet het startpunt zijn. Zoekt u kerkelijke eenheid? Begin nooit bij mensen!
2.
Eendracht wordt niet gecreëerd door zondige mensen, maar door de Heilige Geest.
3.
Als wij spreken over kerkelijke eenheid, of eendracht in de kerk, praten we – als het goed is – niet met iedereen die langs komt. De Schrift moet open gaan. Gods Woord moet geëerbiedigd worden.
4.
Geleerde theologen moeten niet ver voor de troepen uitlopen, en gewone mensen aan laten modderen. Eruditie moet in dienst staan van eensgezindheid en echte godsdienst.
5.
Het is van belang om ons aan kerkelijke afspraken te houden. Vrijheid lijkt leuk, maar leidt op de lange duur tot onderlinge verwijdering.
6.
Als kerkleden worden vermaand, moeten zij niet meteen boos worden of afkerig doen. Mensen zijn zondig, en stappen van nature zomaar buiten de door God aangegeven kaders. Het gaat er om dat ieder kerklid weer in het rechte spoor komt. De vraag is: hoe geven wij de Here God in gezamenlijkheid de eer die Hem toekomt?
7.
In de kerk en op het kerkplein lopen, als het goed is, geen keiharde mensen rond. Medelijden en barmhartigheid bepalen de sfeer. Hakketakken en hikhakken past niet in de kerk.
8.
Eenstemmigheid in de kerk heeft alles te maken met onze toekomstige woonplaats: de hemel.

Noten:
[1] Gerard ter Horst, “Vrijgemaakt eenheidsstreven over andere boeg”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 10 mei 2014, p. 7.
[2] Romeinen 15:5 en 6.
[3] Zie mijn artikel “Romeinen 15: de wereld zingt Gods lof”, hier gepubliceerd op woensdag 4 april 2012. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2012/04/04/rom-15-wereld-zingt-gods-lof/ .
[4] Zie de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Romeinen 15:5.
[5] Romeinen 12:16.
[6] 1 Corinthiërs 1:10.
[7] 2 Corinthiërs 13:11.
[8] 1 Petrus 3:8.

« Vorige paginaVolgende pagina »

Blog op WordPress.com.