gereformeerd leven in nederland

30 juni 2014

Les in dankbaarheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

In de kerk belijden wij met nauw verholen enthousiasme dat wij weet hebben van Gods plan met de wereld[1]. We kunnen spreken over de heilshistorie. Wij kunnen met dankbaarheid memoreren dat Jezus Christus voor ons gestorven is.
Maar in de kerk kunnen we niet aan allerlei negatieve kwesties voorbij zien. We kennen de vele fouten die we zelf hebben. We weten van de tekortkomingen van mensen die naast ons in de kerk zitten. We horen wel eens een roddel langskomen. Het is ons bekend hoe genadeloos er soms over elkaar wordt gesproken.
Welke plaats geven wij aan al die negatieve ‘input’? Wat doen wij daarmee?

In dat kader vraag ik vandaag aandacht voor enkele woorden uit Jeremia 51.
“Want Israël en Juda zijn niet in weduwschap gelaten door hun God, door de HERE der heerscharen, al was hun land vol van schuld tegenover de Heilige Israëls”[2].

Daar valt het woord ‘schuld’. Feitelijk heeft Gods volk straf verdiend. De kinderen van God die in Jeremia 51 in beeld komen verdienen kastijdingen. Zij moeten, om het zo maar uit te drukken, onder tucht komen te staan!

Het zojuist geciteerde Schriftgedeelte staat in een lange perikoop, die loopt van Jeremia 50:1 tot en met 51:64.
Het machtige Babel heeft de wereld overmeesterd. Babel is trots op zijn macht. Maar ook hier komt hoogmoed voor de val. De machtige wereldheerser krijgt een aanzegging van God: van die machthebber blijft niets over. Babel wordt te gronde gericht. Compleet kapot gemaakt.
Andere volken ontvangen de oproep: val Babel maar aan!
God zal Babel straffen. Jazeker, Babel is een krachtpatser. Een wereldmacht van formaat. Maar er zal niets van overblijven.
Israël en Juda horen beloften over terugkeer uit de ballingschap. Over vergeving van zonden. En over herstel van krachten.
En uiteindelijk wordt het duidelijk: de ondergang van Babel is onvermijdelijk. En dat terwijl Babel het Hart-mijner-tegenstanders wordt genoemd[3]. Oftewel: het centrum van de vijandschap tegen God.

Waarom is de Here zo pro-Israël?
Waarom besluit Hij om dat volk uit haar benarde situatie te verlossen? Wij lezen: de natie die God zich toe-eigende is niet in weduwschap gelaten. Het ‘huwelijk’ tussen God en Zijn volk bestaat nog steeds.
Die huwelijksbeeldspraak vinden we ook in Jesaja 54: “Want uw man is uw Maker, HERE der heerscharen is zijn naam; en uw losser is de Heilige Israëls, God der ganse aarde zal Hij genoemd worden. Want als een verlaten en diep bedroefde vrouw heeft u de HERE geroepen, als een vrouw uit de jeugdtijd, nadat zij versmaad werd – zegt uw God. Een kort ogenblik heb Ik u verlaten, maar met groot erbarmen zal Ik u tot Mij nemen”[4].
De vraag waarmee deze alinea begint, krijgt daarom als antwoord: de hemelse God is voor Zijn volk de meest trouwe Echtgenoot die men zich voor kan stellen. Oftewel: de trouw van de Here wordt door niemand, helemaal niemand, geëvenaard.

En dat terwijl de schuld van Israël groot is.
In de beschrijving van Jeremia 3 worden er geen doekjes om gewonden: “De HERE zeide tot mij ten tijde van koning Josia: Hebt gij gezien, wat Afkerigheid, Israël, gedaan heeft? Zij placht heen te gaan op elke hoge berg en onder elke groene boom om daar ontucht te plegen. En Ik zeide, nadat zij dit alles gedaan had: Keer weder tot Mij; maar zij keerde niet weder; en dit zag haar zuster, Trouweloze, Juda. Maar Ik zag, toen Ik Afkerigheid, Israël, ter oorzake van haar echtbreuk, verstoten en haar de scheidbrief gegeven had, dat haar zuster, Trouweloze, Juda, zich niet liet afschrikken, maar heenging en eveneens ontucht pleegde; en door haar lichtvaardig gepleegde ontucht ontwijdde zij het land; ja, zij bedreef overspel met steen en met hout. En boven dit alles bekeerde haar zuster, Trouweloze, Juda, zich niet tot Mij met haar gehele hart, maar alleen in schijn, luidt het woord des HEREN”[5].
Kortom: tegenover de trouweloosheid van Gods volk schittert oogverblindend Gods genade.
Zijn Goddelijke loyaliteit, die niet met humane liefde te vergelijken is.
Zijn trouwhartigheid heeft niks met menselijke wispelturigheid van doen.

Wat zegt ons dit alles op de dag van vandaag?

Het veel gebruikte ‘Vergeef ons onze schulden’ kan zomaar een standaardzin worden.
Wij zeggen het. En daarna is het weer goed tussen God en ons. Wij kunnen, menen wij, onze gang weer gaan.
Laat het duidelijk zijn: dat soort zorgeloosheid ligt absoluut niet in de bedoeling!

Wat staat ons te doen?
Laten we het eens concreet maken.

We zullen er voor moeten waken om te veel over mensen te praten. Het is – bijvoorbeeld – niet zo belangrijk om uitgebreid te bespreken hoe zij er uit zien. Het is niet zo belangrijk om te tellen hoeveel mannen op zondag een stropdas dragen. Het is niet echt nodig om te weten welke vrouwen op zondag een rok aan hebben.

Ons leven, en zeker ons kerkelijk leven moet getekend worden door dankbaarheid. Door blijheid, dus.
Het leven is niet op slag vrolijk en vriendelijk. Niemand wordt vrolijk van allerlei persoonlijke problemen, van moeilijke dingen in het gezin of van zwarigheden in de familie.
De krant staat niet vanaf morgen vol prettig nieuws. Om maar eens iets te noemen: aan de vijftig miljoen mensen die wereldwijd op de vlucht zijn, kunnen we niet voorbij kijken[6].
Maar het moet wel zo zijn dat de stemming in de kerk hoopvol is. Aangenaam en genoeglijk. Toekomstgericht en met een open oog voor de goede dingen die God geeft.

Als het hierom gaat, wijs ik graag op woorden van Paulus in 1 Corinthiërs 5: “Nu evenwel schrijf ik u, dat gij niet moet omgaan met iemand, die, al heet hij een broeder, een hoereerder, geldgierige, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard, of oplichter is; met zo iemand moet gij zelfs niet samen eten”[7].
Houdt u verre van dergelijke mensen!, zegt de Godsgezant.

U kent ongetwijfeld het beeld van de vrouw en de draak uit Openbaring 12.
De vrouw is daar het beeld van de kerk. Wij lezen: “En de draak werd toornig op de vrouw en ging heen om oorlog te voeren tegen de overigen van haar nageslacht, die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben”[8].
De kerk houdt zich aan Gods geboden. Rechttoe, rechtaan. Daarom mag de kerk ook nooit bang worden om zichzelf te corrigeren. Reformeren, noemen we dat in kerktaal[9].

Laten we altijd maar, met een goede dosis geloofsoptimisme, terugkeren bij het evangelie van Romeinen 7: “…in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is. Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!”[10].

Als wij het oog op Jezus Christus gericht houden, wordt de sfeer in de kerk al heel snel een stuk beter!

Noten:
[1] Bij het schrijven van dit stuk maak ik onder meer gebruik van een ‘weeknotitie’ die ik op 12 oktober 1996 schreef. Die notitie heeft het volgnummer 491.
[2] Jeremia 51:5.
[3] Jeremia 51:1
[4] Jesaja 54:5, 6 en 7.
[5] Jeremia 3:6-10.
[6] Zie hierover bijvoorbeeld http://nos.nl/op3/artikel/664016-512-miljoen-vluchtelingen-waar-gaan-ze-heen.html .
[7] 1 Corinthiërs 5:11.
[8] Openbaring 12:17.
[9] Zie over het bovenstaande ook: D. Verkuil, “Weg vluchten”. In: De Waarheidsvriend (4 augustus 2011), p. 3. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[10] Romeinen 7:23, 24 en 25.

27 juni 2014

In uw mond en in uw hart

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Een goede levenskoers is van levensbelang[1].
In ons bestaan moet Gods wet, als richtsnoer voor onze dankbaarheid, op de voorgrond staan.
Gods Heilige Geest leert ons om die wet steeds consequenter en beter toe te passen.

Als het daarom gaat, kan onder meer een woord uit Romeinen 10 in beeld komen.
“Maar de gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus: zeg niet in uw hart: Wie zal ten hemel opklimmen? namelijk om Christus te doen afdalen; of: Wie zal in de afgrond nederdalen? namelijk om Christus uit de doden te doen opkomen. Maar wat zegt zij? Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het woord des geloofs, dat wij prediken”[2].

Die woorden zijn oorspronkelijk afkomstig uit Deuteronomium 30. Daar bezigt Mozes ze. Hij wil er daar mee zeggen: het is voor u haalbaar om u aan de wet te houden. Het komt niet uit de hemel, in een taal die u niet begrijpt. U hoeft niet naar de andere kant van de zee reizen om de wet op te gaan halen. Nee, zegt Mozes, ik spreek die woorden zelf uit.
De geboden van God komen in de plaats van zelfgemaakte zaligheid[3].

In Romeinen 10 komt daar een heerlijke dimensie bij.
We moeten dat Schriftgedeelte nauwkeurig lezen.
Het lijkt misschien zo dat er iemand aan het woord is. Maar dat is niet waar.
Wij lezen: “De gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus…”. Daar gaat het over de gerechtigheid uit het geloof in Jezus Christus.

Wat betekent dat?
Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis heeft er de mond vol van.
“… Jezus Christus is onze gerechtigheid, doordat Hij ons toerekent al zijn verdiensten en al zijn heilige werken, die Hij voor ons en in onze plaats heeft gedaan”[4].
“Zalig is de mens aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken”.
Paulus zegt “dat wij om niet, anders gezegd, uit genade gerechtvaardigd zijn door de verlossing in Christus Jezus”[5].
De gerechtigheid van onze Heer Jezus Christus “is immers de onze door het geloof”[6].
De Nederlandse Geloofsbelijdenis raakt er, kortom, bijna niet over uitgepraat.

Bij de woorden van Romeinen 10 is Christus’ werk dus het uitgangspunt.
Alles begint daar.
Zijn verlossingswerk wordt prominent in beeld gebracht.
Als wij de hierboven geciteerde woorden naspreken wordt onze uitstraling – om zo te zeggen – bepaald door Zijn reddingswerk. Als het goed is, is Hij dagelijks beeldvullend in onze woorden, daden en gebaren te zien.

Wij hoeven Christus dus niet uit de hemel te halen.
Hij is trouwens uit eigener beweging al naar de aarde gekomen; op de Eerste Kerstdag.
Christus stond op uit de doden; het werd Pasen.
Toen Christus naar de hemel vertrokken was, zond Hij de Heilige Geest als Trooster; de Pinksterdag brak aan.
Sindsdien woont Christus’ Geest in de harten der gelovigen. Hij gaat dagelijks met ons mee. Gods Geest draagt ons door het leven heen.

Paulus schrijft over het Woord dat wordt gepredikt.
Het komt mij voor dat het van enige importantie is om dat goed tot ons te laten doordringen.
In heel veel kerken worden kerkdiensten liturgisch aangepast. Want, zegt men, het Evangelie moet landen. Het moet tot de mensen doordringen.
Maar de Bijbel leert ons dat het Evangelie gesproken Woord is. En Gods Woord leert ons bovendien dat God harten moet openen. Denkt u maar aan Lydia, de purperverkoopster in Handelingen 16: “En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster uit de stad Thyatíra, die God vereerde, hoorde toe, en de Here opende haar hart, zodat zij aandacht schonk aan hetgeen door Paulus gezegd werd”[7].
Men zegt dat het Evangelie mensen moet verbinden. Welnu, daar hoeven mensen niet zelf voor zorgen. Want de Here opent harten. Hij bindt mensen aan Zich, en daardoor aan elkaar[8] .

In Romeinen 10 schrijft Paulus zonder omwegen: “Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden”[9].
In de wereld van 2014 betekent dat in ieder geval dat we niks speciaals hoeven te doen om contact te krijgen met Christus.
Het betekent ook niet dat we eerst beter moeten bidden om verder te komen op de weg naar Christus.
Het betekent ook niet dat we ons nog veel vaker moeten overgeven aan God om in de hemel te kunnen komen.
Het betekent ook niet dat we nog veel meer werk van toewijding moeten maken om het de hemelse Heer naar de zin te maken.
Het betekent ook niet dat we eerst heel diep in onze verlorenheid moeten afdalen, onder het motto ‘dan wórdt het pas wat’.
Iemand schreef: “Hoe ver een mens ook weg is, hoe onverschillig, hoe verslaafd, hoe zelfgenoegzaam, hoe zorgeloos, hoe onbekwaam om te bidden ook: je wordt opgezocht. Christus is nabij. ‘Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop…’”[10].
Die laatste woorden kent u wel. Ze staan in Openbaring 3: “Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij. Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon. Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt”[11].

Wie een oor heeft, die hore – ziet u dat?
We hoeven geen rare toeren uit te halen om bij God te komen.
Wat een opluchting!

Noten:
[1] Dit artikel is een uitwerking van een ‘weeknotitie’ die ik op 28 september 1996 schreef. Die notitie heeft het volgnummer 490.
[2] Romeinen 10:6, 7 en 8.
[3] Dit motief wordt ook gebruikt in de webversie van de Studiebijbel.
[4] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 22.
[5] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 23.
[6] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 26.
[7] Handelingen 16:14.
[8] Zie over dit alles ook: “Predik het oordeel tegen gehoorcrisis”. In: Reformatorisch Dagblad (7 juli 2011), p. 2. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[9] Romeinen 10:9.
[10] Zie: Ds. W. Steenbergen, “Kunt u mij de weg naar Jezus vertellen?”. In: De Wekker (7 mei 2004), p. 10. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[11] Openbaring 3:20, 21 en 22.

26 juni 2014

Het levenseinde van Achitofel

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Onze persoonlijke geschiedenis maakt deel uit van de wereldgeschiedenis[1].
Soms hebben wij het in ons dagelijks leven over onze keuzes. Onze eigen keuzes, dus. Daarbij mogen wij, Gereformeerden van 2014, nooit vergeten dat wij door Gods Heilige Geest worden aangestuurd.

Maar wat moeten we, het bovenstaande overdenkend, aan met de zelfmoorden die in de Bijbel beschreven worden? U kent ze misschien wel:
Simson; Richteren 16
Saul; 1 Samuël 31
koning Zimri; 1 Koningen 16
Judas; Mattheüs 27.
En dan is er nog de zelfmoord van Achitofel in 2 Samuël 17.

Daar staat het zo beschreven.
“Toen Achitofel zag, dat zijn raad niet was opgevolgd, zadelde hij de ezel, begaf zich op weg en ging naar zijn huis, naar zijn stad; hij trof beschikkingen voor zijn huis en verhing zich. Zo stierf hij, en hij werd begraven in het graf van zijn vader”[2].
Wat doet een levenslustige Bijbellezer met zo’n keiharde mededeling?

De situatie in 2 Samuël 17 is, kort gezegd, deze.
Absalom volgt de raad van Husai op. Daarmee gaat hij zijn ondergang tegemoet. Om met Gods Woord te spreken: “Want de HERE had beschikt, dat de goede raad van Achitofel teniet gedaan zou worden, opdat de HERE onheil over Absalom zou brengen”[3].
Heeft Achitofel doorzien wat hij heeft gedaan? Heeft hij begrepen hoe doelloos en heilloos zijn adviezen aan Absalom waren?
De Gereformeerd-vrijgemaakte Ds. C. Stam (1913-2006) veronderstelt dat Achitofel – als grootvader van Bathseba – het niet kon verkroppen dat David na de zonde met Bathseba bleef leven en zelfs koning bleef[4].

Hoe dat zij: wat doet een levenslustige Bijbellezer met zelfmoorden in de Bijbel?
Wat doet een rechtgeaard Gereformeerd mens bijvoorbeeld met 2 Samuël 17?
Wat wil de Here ons daarmee leren?

Het moet helder zijn dat in Gods Woord de ene zelfmoord de andere niet is.
Neem nu Saul. Hij doodt zichzelf uit angst en eergevoel. Hij wil niet door een onbesnedene worden gedood.
Achitofel heeft de gave om goede adviezen te geven; maar met de crisis in zijn eigen politieke loopbaan kan hij niet omgaan.
Alleen daarom al moeten wij maar niet al te snel vergelijkingen maken tussen suïcide in de Bijbel en zelfmoord – en de neiging daartoe – bij gelovigen in de eenentwintigste eeuw.

Laat ik zeven gedachten omtrent deze moeilijke zaken op een rij zetten. Dat doe ik overigens met grote terughoudendheid. Het is immers een uiterst teer onderwerp.

1.
Het is duidelijk dat zich rond alle zelfmoorden die in de Bijbel vermeld worden, aangrijpende situaties aan de orde zijn.

2.
In geen van de ‘zelfmoordgeschiedenissen’ die we in de Bijbel aantreffen, horen we wat de eeuwige bestemming van de betrokkenen is. De Here licht ons daar niet over in. De Schrift zwijgt daarover. Het past ons daarom om op dit gebied geen bindende uitspraken te doen.

3.
Achitofel was, in eerste instantie althans, de raadsman van David. Eigenlijk had de adviseur een grote invloed in heel de familie. Zie 1 Samuël 16: “De raad nu, die Achitofel gaf, woog in die dagen even zwaar als wanneer men een woord Gods gevraagd had; zó zwaar woog elke raad van Achitofel zowel bij David als bij Absalom”[5].
Wie de geschiedenis van die familie overziet, ontdekt aardig wat donkere tijden:
* overspel met Bathseba – zie 2 Samuël 11
* een zoon van David, Amnon, verkracht Tamar – zie 2 Samuël 13.
* Achitofel, die dus meegaat in het kwaad
enzovoort.
Mensen zijn op zichzelf gericht. Ze geven, soms bijna willoos, toe aan allerlei begeerten. Ze zijn belust op rijkdom.
Toch is David een geloofsgetuige. Leest u maar mee in Hebreeën 11: “En wat moet ik nog verder aanvoeren? Immers, de tijd zou mij ontbreken, als ik ging verhalen van Gideon, Barak, Simson, Jefta, David en Samuël en de profeten, die door het geloof koninkrijken onderworpen, gerechtigheid geoefend, de vervulling der belofte verkregen hebben, muilen van leeuwen dichtgesnoerd, de kracht van het vuur gedoofd hebben (…) Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen, daar God iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen”[6].
Hier geldt, dunkt mij, dat bekende woord van Psalm 130:
“Maar nee, daar is vergeving
bij U altijd geweest,
opdat U in ons leven
eerbiedig wordt gevreesd”[7].

4.
Mede gezien het bovenvermelde is het, denk ik, mogelijk dat suïcide geen onvergeeflijke zonde is. Het zou best zo kunnen zijn dat Gods kinderen die zelfmoord plegen, toch behouden worden[8].

5.
De geschiedenis van Achitofel maakt eens te meer duidelijk dat God ook het kwaad regeert[9]. In 2 Samuël 17 staat expliciet dat God het zo regelde dat Absalom en alle mannen van Israël de raad van Achitofel naast zich neerlegden.
Ook vandaag mogen we, in alle ernstige en levensbedreigende situaties in het leven, blijven belijden: de Here heeft alle macht, in de hemel en op de aarde. Hij is present. Hij leidt de geschiedenis naar haar eindpunt. En inderdaad – die leiding gaat dwars door onze dieptepunten heen.
Daarbij mogen we ons – hier op aarde – altijd optrekken aan de Nederlandse Geloofsbelijdenis, waarin we belijden: “Wij geloven dat deze goede God, nadat Hij alle dingen geschapen had, ze niet aan zichzelf heeft overgelaten, of aan het toeval of het lot heeft prijsgegeven, maar ze overeenkomstig zijn heilige wil zo leidt en regeert, dat in deze wereld niets gebeurt zonder zijn beschikking. Toch is God niet de bewerker van de zonde die gedaan wordt, en evenmin draagt Hij er de schuld van. Want zijn macht en goedheid zijn zó groot en gaan ons begrip zó te boven, dat Hij zijn werk zeer goed en rechtvaardig beschikt en doet, ook al handelen de duivelen en goddelozen onrechtvaardig”[10].

6.
Onze persoonlijke geschiedenis maakt deel uit van de wereldgeschiedenis.
Dat was de inzet van dit artikel.
Wij mogen dat, naar mijn inzicht, nimmer vergeten.
Soms besluipt ons wellicht een legioen vraagtekens. Wat doet mijn leven er hier op aarde nog toe? Kan ik niet gemist worden? Wat is mijn taak hier op aarde nog? Hoe moet het verder met mij?
Eén ding is zeker: een goede levenskoers is van levensbelang!
En daarmee bedoel ik: in ons bestaan moet het leven volgens Gods wet op de voorgrond staan. Het Evangelie vertelt ons dat dat ook mogelijk is. Wij zijn daartoe in staat door het werk van de Heilige Geest. Aan Gods hand mogen wij door de wereld gaan.
Dan komen wij goed terecht.
Ook al is het donker om ons heen.
Ook al zien wij er geen gat meer in.

7.
De naam Achitofel betekent waarschijnlijk: broeder der dwaasheid, smakeloosheid, goddeloosheid[11].
Maar anno Domini 2014 mag de kerk Christus prediken “de kracht Gods en de wijsheid Gods. Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen”[12]!

Noten:
[1] Dit artikel is een uitwerking van een ‘weeknotitie’ die ik op 20 september 1996 schreef. Die notitie heeft het volgnummer 489.
[2] 2 Samuël 17:23.
[3] 2 Samuël 17:14.
[4] C. Stam, Schets IX op 2 Samuël (oktober 1982), pagina d.
[5] 1 Samuël 16:23.
[6] Hebreeën 11:32, 33, 34, 39 en 40.
[7] Psalm 130:2 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[8] Zie hierover ook: Michiel Bakker, “De afscheidsbrief lag klaar”. In: katern PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad (16 februari 2013), p. 2. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[9] Zie hierover ook: G.R. van Leeuwen, “Guido de Brès – De Nederlandse Geloofsbelijdenis – 9 (artikel 13-1)”. In: De Wachter Sions (3 november 2011), p. 5. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[10] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 13.
[11] Zie: Dr. H. Mulder, “Klein lexicon van bijbelse namen”. – Kampen: Uitgeverij Kok, 1982. – 132 p. Achitofel is te vinden op p. 18. En http://nl.wikipedia.org/wiki/Achitofel .
[12] 1 Corinthiërs 1:24 en 25.

25 juni 2014

Onze God maakt geschiedenis

Gereformeerden zijn mensen die van heel dichtbij bestuurd worden[1].
De Heilige Geest woont in onze harten; zo dichtbij is Hij.

De Heilige Geest is onze Trainer, onze Oefenmeester: Hij oefent ons in het luisteren naar Gods Woord. Door Zijn besturing blijven we ons toeleggen op het leven vanuit datgene wat ons geleerd is.
Men zou dat micro-activiteit kunnen noemen: op het individu gerichte besturing.

Maar er is ook macro-activiteit: de drie-enige God bestuurt de wereld.
Gereformeerden geloven dat God wereldwijd actief is. Maar het valt niet altijd mee om daar ook iets van te zien. Wanneer kunnen wij met zekerheid zeggen: hier ontwaren wij Gods hand?
Op de vierkante meter van ons persoonlijke leven vinden wij dat soms misschien wat moeilijk.
Maar laten wij het heerlijke werk van onze glorieuze God vooral niet onderschatten!

Nu het hier om gaat wijs ik u op woorden van de politicoloog en historicus Siep Stuurman. Hij schreef eens: “Tenslotte was er de christelijke kerk. Zij was de enige overkoepelende organisatie in het middeleeuwse Europa, dankzij haar was er zoiets als een gemeenschappelijke cultuur”[2].
Er was eens een docent geschiedenis en staatsinrichting die mij vertelde dat op een openbare school een ‘Bijbelproject’ had plaatsgevonden; een week lang hadden de leerlingen in de Bijbel gestudeerd. Dat was noodzakelijk. Men heeft bij het belichten van historische feiten beslist enige Bijbelkennis van node[3].
Waarmee eens te meer bewezen is dat onze God niet uit de wereld weg te denken of weg te drukken is.

Of men wil of niet, God is in de geschiedenis aanwezig.
Hij bepaalt de gang van de historie; start- en eindpunt, en de markeringspunten. De geschiedenis rond Pinksteren –vastgelegd in Handelingen 2 – is een wel zeer bekend voorbeeld van zo’n markeringspunt.
De Schepper van hemel en aarde regeert de geschiedenis!

Vandaag vraag ik graag een ogenblik uw aandacht voor het moment dat die geschiedenis een aanvang genomen heeft. In Genesis 2 lezen we: “Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde, toen zij geschapen werden”[4].

Let u er op dat er staat ‘geschapen werden’? Dat werk voltooide God! In de wereldhistorie staat God centraal.
In Genesis 2 vinden we het startpunt van de wereldhistorie. De Gereformeerd-vrijgemaakte dominee I. de Wolff (1901-1976) formuleerde het eens zo: “De geschiedenis is de doelgerichte gang, waarin God zijn wereldplan uitvoert met inschakeling van het handelend optreden van mensen”. Hier “begint het boek van Gods voorzienigheid”[5].
De Statenvertaling heeft hier: “Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, toen zij geschapen werden; ten dage, als de HEERE God de aarde en de hemel maakte”. Daar staat het woord toledoth – geboorten. “Het gaat” – zei iemand eens – “om de lijn der geslachten, het begin van de heilshistorische lijn die door het hele Oude Testament loopt. Die lijn loopt via David naar de Messias en komt tot ontplooiing in het Nieuwe Testament”[6].

Men kan het Bijbelboek Genesis beschouwen als het fundament voor heel het Oude Testament.
Dominee H.J. de Bie, predikant in de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk, legde eens uit: Het Bijbelboek Genesis “kan, na een inleiding, in elf gedeelten worden ingedeeld. Elk gedeelte heeft als opschrift “Dit zijn de verwekkingen (de geschiedenis) van…” Het eerste gedeelte gaat over de ‘verwekkingen van de hemel en de aarde’ en loopt van Genesis 2:4 tot 4:26. In het tweede gedeelte (Genesis 5:1-6:8) gaat het over de ‘verwekkingen van Adam’. Daarna volgen de ‘verwekkingen’ van Noach, Noachs zonen, Sem, Thera, Ismaël, Isaäk, Eau en Jakob. Deze opschriften verdelen het boek in twaalf stukken, evenveel als de twaalf zonen van Jacob. Dat is niet toevallig”[7].
De conclusie is onontkoombaar: onze God werkt uiterst systematisch. Er gaat niets boven Zijn planmatigheid uit!

Vanaf Genesis 2 komt de naam Here geregeld in de Bijbel voor: de genadige Machthebber van de wereld gaat zich manifesteren. Hij doet dat mede door het werk van Zijn schepselen. Het belang daarvan mogen we niet onderschatten. Dat lijkt benadrukt te worden doordat hier de aarde eerst wordt genoemd: “…ten tijde, dat de HERE God aarde en hemel maakte…”.
Wat hier op aarde gebeurt is uiterst belangrijk!

In de preek die dominee N.M.A. ter Linden in 1998 hield bij het huwelijk van prins Maurits en Marilène van den Broek zei hij: “God kuste de mens in de hof, schonk hem de levensadem, hopend en biddend dat zijn geest de man en de vrouw zou bezielen. Met eenzelfde tederheid wekt Jezus Maria Magdalena in de hof ten leven en zijn discipelen blaast hij de heilige adem Gods in, als de prins die zijn bruid wakker kust en haar noodt tot de dans van het leven”[8].
Moest God bidden?
Moest Hij hopen?
Moest Hij de muziek van de wals voor de dans van het leven componeren?
Wij weten wel beter. Veel beter.

Wat mij betreft – ik houd het graag bij de helderheid van de Nederlandse Geloofsbelijdenis die ik, tot slot van dit artikel, vol overtuiging citeer.
“Wij geloven dat de Vader door zijn Woord — dat is door zijn Zoon — de hemel, de aarde en alle schepselen uit niets heeft geschapen, toen het Hem goed dacht. Ook heeft Hij aan elk schepsel zijn wezen en gedaante gegeven en zijn eigen taak om zijn Schepper te dienen. Ook nu nog houdt Hij ze alle in stand en regeert ze overeenkomstig zijn eeuwige voorzienigheid en door zijn oneindige kracht, opdat zij de mens dienen, zodat de mens zijn God kan dienen”[9].

Noten:
[1] Dit artikel is een uitwerking van een ‘weeknotitie’ die ik op 14 september 1996 schreef. Die notitie heeft het volgnummer 488.
[2] Zie over Siep Stuurman http://nl.wikipedia.org/wiki/Siep_Stuurman . Deze woorden staan in: Siep Stuurman, “Staatsvorming en politieke theorie. Drie essays over Europa”. – Uitgeverij Bert Bakker, 1995. – 266 p. – Citaat van p. 47. Geciteerd via: Nederlands Dagblad, 29 augustus 1996, p. 7.
[3] De betreffende docent is drs. E.Y. Hooijmaaijers.
[4] Genesis 2:4 a.
[5] Zie: Ds. I. de Wolff, “Genesis”, schets 4. – Utrecht: Bond van Gereformeerde Meisjesverenigingen in Nederland. – tweede druk, 1972. – p. 35.
[6] Dat zei dr. M.J. Paul. Zie: A. de Heer, “In een leemte voorzien”. In: katern PuntKomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad (7 februari 2013), p. 10. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[7] Zie: Jan van Reenen, “Graven in het Oude Testament”. In: Reformatorisch Dagblad (13 december 2011), p 2. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[8] Zie de extra editie van het Reformatorisch Dagblad die op 2 februari 2002 verscheen ter gelegenheid van het huwelijk van Willem Alexander en Màxima, onze huidige koning en koningin. Het citaat komt uit: J.C. Karels, “Oranjepreek werd lichter van toon”, p. 5. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[9] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 12.

24 juni 2014

Gods Geest grijpt in

Het lijkt zo’n donker stuk van onze belijdenis, Zondag 3 van de Heidelbergse Catechismus. De slechte en verkeerde mens, zijn verdorvenheid – somberheid lijkt troef.
Totdat de Heilige Geest in zicht komt. Hij moet er voor zorgen dat wij opnieuw geboren worden.

“Maar zijn wij zo verdorven, dat wij helemaal onbekwaam zijn tot iets goeds en uit op elk kwaad? Antwoord: Ja, behalve wanneer wij door de Geest van God opnieuw geboren worden”[1].
Ach, het leek zo donker in Zondag 3. Maar nu schijnt daar het licht. God grijpt in!

Maar juist dat zicht op het werk van de Heilige Geest toont ons de kracht van het Goddelijk ingrijpen. Hij brengt Zijn kinderen terug op niveau. Hij maakt hen geschikt om permanent in Zijn omgeving te verkeren.
De Here brengt de kroon op Zijn schepping – de mens – terug naar het doel.
Wat is dat doel?
“God heeft de mens goed en naar zijn beeld geschapen, dat wil zeggen: in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God, zijn Schepper, naar waarheid kennen, Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige heerlijkheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen”[2].
Kijk, daar moet het naar toe.
Een christenleven bestaat niet slechts uit keukentafeltjes en koffiepraat. Het is geen kwestie van sleur en tredmolen. Het is niet slechts een zaak van het aanrecht, het eten koken en de afwas.

Wij zullen, zegt Efeziërs 4, verjongd worden door de geest van ons denken. Wij zullen de nieuwe mens aandoen, die naar de wil van God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid[3].
In Zondag 3 van de Catechismus wordt naar Efeziërs 4 verwezen.
En daar staat niet dat dat misschien gaat gebeuren. Daar staat niet dat we zoetjes behoren af te wachten of er wellicht iets in ons leven gebeurt. Paulus schrijft: “Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen. Gij toch hebt van Hem gehoord en zijt in Hem onderwezen, gelijk dit de waarheid is in Jezus, dat gij, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens aflegt, die ten verderve gaat, naar zijn misleidende begeerten”[4]. Echte christenen maken een enorme verandering door!
Dat was vroeger zo in Efeze.
En nu is het nog zo. In Nederland, in Duitsland, in België, in Canada…

Ana-neousthai staat er. Daar zit het woordje neos in: vernieuwen van een al bestaande kwaliteit.
En: toi pneumati – in de geest. Door de werking van de Heilige Geest.

Gods Geest werkt.
Daar
gaat het om, in de kerk.
Dat moeten we, denk ik, goed voor ogen houden.

Er wordt veel geschreven over ons leven met God.
Hans Schaeffer, docent en onderzoeker aan de Gereformeerd-vrijgemaakte Theologische Universiteit, schreef daar niet zolang geleden over: “’Je geloof delen’ is (…) absoluut niet hetzelfde als ‘praten over het geloof’. Het is het samen deelnemen aan de praktijken van het kerkzijn waarin het geloven vorm krijgt. Denk aan gemeentemaaltijden waarbij jong en oud elkaar ontmoeten, of aan een toerustingsdag van de kerkenraad waarbij bewust geluisterd wordt naar jongeren. Denk aan ontmoetingsmomenten tussen jongeren en ouderen binnen de gemeente, of aan avonden waarop een kring of wijk van (jonge) ouders over geloofsopvoeding doorpraat. Sluit als kerk bij het vormgeven van dit soort momenten aan bij de behoeften van de kerkleden!”.
Het bovenstaande ziet er prachtig uit.
En nee, Schaeffer schrijft niet alleen maar monumentale onzin. Heus niet.
Maar het blijft, naar mijn smaak, allemaal zo oppervlakkig. Zo horizontaal. Zo buurthuis-achtig.
Ik kan mij namelijk maar moeizaam onttrekken aan de gedachte dat in het artikel van Schaeffer de mens centraal staat. Dat komt nog wat sterker naar voren als ik een paar woorden en uitdrukkingen uit het citaat op een rij zet: samen, jong en oud, jongeren, ouderen, ouders, vormgeven, behoeften van kerkleden.
Het gaat, kortom, over de mens en zijn wens.
We moeten leren “ons geloof te delen rondom de vraag: wat gebeurt er en hoe breng ik dat in verband met God? …”[5].
De laatste cursivering is van mij. Want uit Efeziërs 4 leer ik nu juist dat Gods Heilige Geest ons leven omturnt. Hijzelf brengt het leven van Zijn kinderen in verband met God. Niet andersom!

In Efeziërs 4 schrijft Paulus over het feit dat christenen geroepenen zijn.
Wij moeten ons beijveren om de eenheid van de Geest te bewaren.
De Godsgezant schrijft over “één Here, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen”[6].
En over door Christus geschonken genade.
De heiligen worden, noteert de apostel, toegerust tot dienstbetoon.
Wij groeien naar Christus toe.
Vanuit de liefde tot Christus ontstaat dan ook genegenheid voor elkaar.
Om kort te gaan: wie weet heeft van Christus’ werk, krijgt een heel ander leven.
Dat hoeven wij niet vorm te geven.
Dat hoeven wij niet te creëren.
Dat hoeven wij niet te construeren.
Dat zal de Heilige Geest wel doen. Hij geeft ons energie om dingen aan te pakken. Hij geeft ons het inzicht om ons te kunnen concentreren op Gods Woord. Hij geeft ons de veerkracht om aan menselijke onhebbelijkheden voorbij te zien. Gods Geest zorgt er voor dat de kerk geen buurthuis wordt.

Terug nu naar Zondag 3.
Daar leren wij waar de Here met ons naar toe wil.
Daar leren wij dat de erfzonde, en onze verdorvenheid, ons volledig beletten om Gods doel te bereiken.
Daar leren wij dat Gods Heilige Geest het stuur in ons leven overneemt.
Daar leren wij het nieuwe perspectief van ons leven te zien!

De kernvraag is: is de Here God de Initiatiefnemer voor de redding, of zijn wij dat?
We zullen ervoor moeten zorgen dat God alle eer krijgt!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 3, antwoord 8.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 3, antwoord 6.
[3] Zie Efeziërs 4:23 en 24.
[4] Efeziërs 4:20, 21 en 22.
[5] Zie: Hans Schaeffer, “Deel hoe je leeft met God”. In: De Reformatie, jg. 89 nr 13 (21 maart 2014), p. 268-270. Citaten van p. 269.
[6] Efeziërs 4:5.

23 juni 2014

Nimmer afwezig

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Gods woonstede, de hemel, is in feite een zorgcentrum dat met recht tevens volcontinubedrijf mag heten[1]. Immers, vanuit Zijn woning biedt God 24-uurszorg voor Zijn wereld.
Zulks in afhankelijkheid te aanvaarden en door de Geest gedreven – Geestdriftig dus! – te geloven, is vandaag uit de mode. Zelfs leidslieden kunnen zich, naar eigen zeggen, aardig redden.

Er is een interessant verhaal bekend over de econoom, bankier en ex-politicus Gerrit Zalm[2].
Ik geloof niet meer in God, zei de heer Zalm eens. Ja, toen hij in de jaren ’90 van de vorige eeuw een darmoperatie moest ondergaan, toen had hij wel graag willen bidden. Die gedachte verwierp de financieel deskundige echter snel en hartgrondig. De heer Zalm heeft een hekel aan ’kerstchristenen’, en derhalve ook aan ‘operatiechristenen’.
Meneer Zalm wil te zijner tijd wel graag eens met God discussiëren. Er steekt namelijk geen kwaad achter Zalms ongeloof. ‘t Is oprecht, hij kan niet anders. Moraal van Zalms verhaal: ‘Als ik God was, zou ik trouwens liever een oprechte atheïst hebben, dan zo’n gelegenheidsgelovige’[3].

We zouden kunnen zeggen: de heer Zalm is tenminste eerlijk. Hij gelooft niet in God. En daar gedraagt hij zich ook naar.
Maar dat is niet goed. Beslist niet!

Kent u deze zinnen uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis?
“Ja, de mensen zullen rekenschap moeten geven van elk ijdel woord dat zij gesproken hebben (Mattheüs 12:36), al vindt de wereld zulk spreken slechts spel en tijdverdrijf. Dan zal wat door de mensen in het verborgen bedreven is, ook hun huichelarij, openlijk voor allen aan het licht gebracht worden”[4].
Rekenschap: dat lijkt in genen dele op een discussie.
God rekent ons na. Hij bestudeert nauwkeurig wat wij op aarde doen, nalaten, zeggen en zwijgen. Hij dringt niet alleen aan op een keuze, Hij dwingt die ook af.

U hebt het al gezien: hierboven werd verwezen naar Mattheüs 12. Uit dat hoofdstuk citeer ik in eerste instantie een paar woorden: “Wie met Mij niet is, die is tegen Mij, en wie met Mij niet bijeenbrengt, die verstrooit”.
Alle eeuwen door zijn er mensen die kritisch neutraal staan tegenover de Bijbel staan. De Bijbel is, zo suggereert men nadrukkelijk, een boek als alle andere boeken. Die Bijbel is, vertelt men op gereserveerde toon, een boek dat u kritisch lezen moet; net als alle andere publicaties die er in de wereld verschijnen.

Ach, misschien worden alle Joden nog eens verzameld in het land Israël. Zo zegt men.
En daarbij wijst men dan wellicht op Schriftgedeelten als Ezechiël 28: “Zo zegt de Here HERE: Als Ik het huis Israëls bijeenverzamel uit de natiën, in wier land zij verstrooid zijn, dan zal Ik Mij ten aanschouwen van de volken aan hen de Heilige betonen, en zij zullen wonen in hun land, dat Ik aan mijn knecht Jakob gegeven heb”[5].
Maar er is meer.

Het verzamelen van Zijn volk is voor Jezus Christus een belangrijke taak.
Zie Mattheüs 23: “Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt niet gewild”[6].
Ziet u het? Jezus is – om zo te zeggen – vanwege de weerspannigheid der Israëlieten genoodzaakt om over Israëls grenzen heen te kijken. De ongehoorzaamheid van Israël wordt door de Here God ten goede gekeerd. Israëls goddeloosheid krijgt een positief effect. Het heil wordt aangeboden aan heel de wereld. Leest u maar mee in Mattheüs 24: “En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere”[7].

Ware gelovigen moeten de extra dimensie zien die in Mattheüs 12 zit.
Ik citeer weer: “Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden, maar de lastering van de Geest zal niet vergeven worden. Spreekt iemand een woord tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar spreekt iemand tegen de heilige Geest, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende”[8].
De Gereformeerd-vrijgemaakte ds. E.Th. van den Born (1900-1982) heeft die zonde eens als volgt omschreven: “De Geest is de Geest der waarheid. En Hij getuigt van Jezus Christus, gestorven tot verzoening onzer zonden. Wie hier de Heilige Geest tegenspreekt en loochent het werk der verzoening in Christus, het zal hem niet vergeven worden. Hij is geen onwetende meer. Hij durft de Heilige Geest tegen te spreken tegen beter weten in”[9].

Wat is de situatie in Mattheüs 12?
Kort vóór Jezus Zijn uitspraak doet geneest Hij een bezetene. De mensen die er naar staan te kijken, zien precies wat er gebeurt. De Farizeeën zien het ook. En ze kunnen er niet omheen: Jezus moet wel de Messias zijn!
Maar wat zeggen ze? “Deze drijft de boze geesten slechts uit door Beëlzebul, de overste der geesten”[10].
De Farizeeën weten best wat er aan de hand is. Maar ze spreken Jezus tegen. Het Evangelie? Nee, daar hebben ze geen zin in…

U kent allemaal wel voorbeelden van mensen die zich van het christelijk geloof hebben afgekeerd.
De schrijver Maarten ’t Hart, bijvoorbeeld[11].
Misschien hebt u, net als schrijver dezes, wel iemand in uw Gereformeerde familie die moslima werd.
Welnu, voor zulke mensen is de boodschap volkomen duidelijk!

Inmiddels begrijpen we ook wel wat het tegengestelde is van de zonde tegen de Heilige Geest: leven in het bewustzijn van Gods voortdurende aanwezigheid. Er is geen gebeurtenis waarvan u en ik kunnen zeggen: de Here was even weg.
En daarmee zijn we in feite weer terug bij dat zorgcentrum van hierboven.

Maar als u of jij nu zegt: ik kan dat Evangelie werkelijk niet geloven? Is dat geen reële vraag in een wereld die soms lijkt te worden bedolven onder ellende en problemen?
Toch niet.
Want, zeggen de Dordtse Leerregels, “Hij die zowel het willen als het werken in ons werkt, ja alles in allen tot stand brengt, Hij is het immers die zowel de wil om te geloven als het geloof zelf in de mens bewerkt”[12].
Dat heeft dus vooral te maken met het feit dat de Here Zijn kinderen uitkiest. Vervolgens moet de afhankelijkheid van God weer ‘in de mode’ raken. In die afhankelijkheid kunnen we ons oefenen.
Opnieuw citeer ik de Dordtse Leerregels: “Nu heeft het God behaagd zijn genadewerk in ons te beginnen door de prediking van het evangelie. Evenzo wil Hij het instandhouden, voortzetten en voltooien door het laten horen, lezen en overdenken van het evangelie, door aansporingen, dreigementen, beloften en ook door het gebruik van de heilige sacramenten”[13].
Als wij ons echt wat aantrekken van Zijn aansporingen, dreigementen en beloften, dan geldt ook voor ons dat familiaire slotwoord van Mattheüs 12: “…al wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is, die is mijn broeder en zuster en moeder”[14].

Noten:
[1] Dit artikel is een uitwerking van een ‘weeknotitie’ die ik op 31 augustus 1996 schreef. Die notitie heeft het volgnummer 487.
[2] Zie voor meer informatie over hem http://nl.wikipedia.org/wiki/Gerrit_Zalm .
[3] Deze alinea is gebaseerd op berichtgeving in het Nederlands Dagblad, 24 augustus 1996, p. 3.
[4] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 37.
[5] Ezechiël 28:25.
[6] Mattheüs 23:37.
[7] Mattheüs 24:31.
[8] Mattheüs 12:30 en 31.
[9] E.Th. van den Born, “Gedenkt en gelooft”; Bijbels dagboek. – 21 december. – Groningen, 1967.
[10] Mattheüs 12:25.
[11] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Maarten_%27t_Hart .
[12] Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 14.
[13] Dordtse Leerregels, hoofdstuk V, artikel 14.
[14] Mattheüs 12:50.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.