gereformeerd leven in nederland

29 augustus 2014

Niet voor krachtpatsers

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

“Mijn genade is u genoeg”.
Dat zijn bekende woorden uit 2 Corinthiërs 12[1].

Wij citeren ze graag als iemand in zijn leven tegenslagen te verduren heeft.
En op zijn tijd hebben we daar allemaal mee te maken. Lichamelijke gebreken kent bijna iedereen. Met mentale zwakheid en ziekte hebben we ook wel eens iets van doen.

In het schrijven van Paulus dat wij kennen als de tweede brief aan de Corinthiërs, heeft de Godsgezant het met name over het apostolisch gezag.
Wij trekken, zo zegt Paulus, niet ten strijde tegen mensen.
Waar ageert de apostel dan wel tegen?
Het probleem is dat mensen muren optrekken. Achter die muur verbergen zij zich, om maar niet naar de Here te hoeven luisteren. Heel veel mensen wensen de Here God niet te kennen.
Bovendien zeggen de mensen: die Paulus is een spreker van niks. Als je z’n brieven leest, dan denk je: daar schrijft een belezen man die van wanten weet. Maar als je ‘m ziet, blijft er maar één vraag over: is dat nou alles?
Welaan, zegt Paulus, God wijst ons de gebieden waar ons werk ligt. Hij laat ons bovendien weten wat onze aanpak wezen moet. En Hij wijst ons de grenzen aan.

Paulus verkondigt Christus, en niemand anders.
De Corinthiërs staan echter open voor allerlei andere boodschappen en evangeliën. In de woorden van 2 Corinthiërs 11 gaat dat zó: “Want indien de eerste de beste een andere Jezus predikt, die wij niet hebben gepredikt, of gij een andere geest ontvangt, die gij niet hebt ontvangen, of een ander evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, dan verdraagt gij dat zeer wel”[2].
Met die boodschappers, zo stelt Paulus, kan ik prima concurreren. Misschien ben ik niet zo’n begenadigd spreker. Maar kennis heb ik genoeg. Nooit heb ik om geld gevraagd, of betalingen geëist. Ik ga gewoon door met mijn preekwerk. Dan blijkt vanzelf dat het evangelie van Christus, dat ik breng, de luisteraars écht op een ander niveau brengt. Dan is het uit met de gewichtigdoenerij van allerlei andere predikers.
Als Paulus zou willen, dan zou hij ook wel mooie verhalen op kunnen hangen. Over het leven in gevangenissen. Over lijfstraffen. Over doodsgevaren. Over een geseling, eventueel. Over honger en dorst. Over de wegvoering van een man naar het hemels paradijs. En er is nog veel meer.
Maar uiteindelijk gaat het niet om al die belevenissen.
Het gaat om de kracht van God, die in het menselijk leven zichtbaar worden moet.
Alleen zó, aldus betoogt Paulus, doe ik niet onder voor al die geweldige predikers die in Corinthe het woord voeren[3].

Het verhaal van Paulus is in ieder geval niet de historie van een geestelijke geweldenaar. Integendeel. Hij keert zich tegen mentale krachtpatsers.

Wij moeten dus uitkijken met het vertellen van uitgebreide verhalen over wonderen die in ons leven gebeuren. Natuurlijk, ik ontken niet dat er nog wonderwerken in deze wereld te bewonderen zijn. Maar voordat wij het weten dichten mensen ons geestelijke kracht toe. En dat terwijl die energie feitelijk van God afkomstig is.
Om eenzelfde reden moeten we voorzichtig zijn met het doen van allerlei mededelingen over onze goede omgang met huisartsen, chirurgen, therapeuten en andere genezers. Zonder het te weten krijgen we bij heel wat medemensen het aureool van de volhouders die blijven glimlachen, de doorzetters die ’t dan toch maar weer flikken.
De kwestie ligt, als het er op aan komt, betrekkelijk eenvoudig. Wij behoren, ieder op onze eigen plaats, God te dienen; in genegenheid tot Hem, in liefde voor elkaar. Daar krijgen wij van onze hemelse Heer de mogelijkheden voor. Dat is alles.

Het is trouwens belangrijk te beseffen waar die bekende tekst ‘Mijn genade is u genoeg’ in staat.
Als ik het goed zie, hebben wij nogal eens de neiging om die zin op één persoon te betrekken. Liefst op iemand die, op welke manier dan ook, tobt met zijn gezondheid.
Maar die tekst staat in een brief aan een christelijke gemeente.
En dat zullen we weten ook. Want Paulus vraagt in 2 Corinthiërs 12: “Want waarin zijt gij achtergesteld bij de overige gemeenten?”[4]. En in 2 Corinthiërs 13 kunnen wij lezen: “Groet elkander met de heilige kus. U groeten al de heiligen. De genade des Heren Jezus Christus, en de liefde Gods, en de gemeenschap des heiligen Geestes zij met u allen”[5].
Als het gaat over Gods genade, dan is dat blijkbaar niet alleen een kwestie van persoonlijke beleving. Het is ook een zaak van de gemeente.
Als ik de tweede brief aan de Corinthiërs lees, wil Paulus ons – geloof ik – leren: mensen, trek je niet al te veel aan van die woordvoerders die, hoofd voor hoofd, pretenderen de waarheid over een gedeelte van Gods Woord te verkondigen. De ene exegese is nog miraculeuzer dan de ander. Het ene ervaringsverhaal is nog mooier dan het ander. Laat het duidelijk zijn: met groter, mooier en beter komen we er niet. Het gaat er om dat we als kerk het Woord proclameren. We mogen het verkondigen aan ieder die het horen wil: er is genade voor Gods kinderen.
Niet meer, en niet minder!

Ik heb 2 Corinthiërs 12 gelezen. Het was een nuttige bezigheid.
Persoonlijk hoop ik twee dingen te onthouden:
* het is een boodschap over de kracht van God
* het is een boodschap voor de kerk van God.

Noten:
[1] 2 Corinthiërs 12:9.
Overigens is dit artikel een bewerking van een stuk dat ik in februari 2011 geschreven heb.
[2] 2 Corinthiërs 11:4.
[3] In twee alinea’s parafraseer ik 2 Corinthiërs 10, 11 en 12.
[4] 2 Corinthiërs 12:13.
[5] 2 Corinthiërs 13:12 en 13.

28 augustus 2014

Het verleden voorbij

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Ware gelovigen zijn gericht op de toekomst[1].
Maar juist omdat zij zo toekomstgericht zijn, kijken ze ook vaak naar het verleden. Dan kunnen zij zien welk werk God zoal heeft verricht.
Gelovige mensen ontdekken tijdens die observaties iets van de werkwijze van hun God.
Als kinderen van God die ontdekking gedaan hebben, beseffen ze alras dat God eeuwig en onveranderlijk is.

De hemelse Here heeft alle macht in hemel en op aarde.
Jazeker, Hij kan het ook aan om iets heel nieuws te beginnen. Hij kan ook iets doen dat nog nooit eerder vertoond is.
Daarom geldt voor alle Bijbellezers: sluit God niet op in het verleden. Ja, ook godvrezenden van 2014 moeten dat bedenken.

Die les trek ik uit Jesaja 43: “Zo zegt de Here, die door de zee een weg baant en een pad door machtige wateren; die wagen en paard doet uittrekken, krijgsmacht en helden; tezamen liggen zij neder, zij staan niet weer op, zij zijn uitgeblust, als een vlaspit uitgedoofd: denkt niet aan hetgeen vroeger gebeurde en let niet op wat oudtijds is geschied; zie, Ik maak iets nieuws, nu zal het uitspruiten; zult gij er geen acht op slaan? Ja, Ik zal een weg in de woestijn maken, rivieren in de wildernis. Het gedierte des velds zal Mij eren, jakhalzen en struisen, want Ik geef water in de woestijn, rivieren in de wildernis om mijn uitverkoren volk te drenken. Het volk dat Ik Mij geformeerd heb, zal mijn lof verkondigen”[2].

Bovenstaande woorden sprak Jesaja toen het volk Israël zo’n zeventig jaar in ballingschap had gezeten.
In de Klaagliederen wordt de sfeer van die tijd treffend getekend.
Neem Klaagliederen 2:
“Mijn ogen zijn verteerd door tranen,
mijn binnenste is vol onrust,
mijn hartebloed is ter aarde uitgestort”[3].
En Klaagliederen 3:
“Ik dacht: vergaan is mijn kracht,
vervlogen mijn hoop op de HERE”[4].
Men kon wel spreken van een deplorabele toestand. En dat, geachte lezer, was nog heel zachtjes uitgedrukt.

In die omstandigheden vroeg Jesaja aan zijn volksgenoten: beste mensen, herinnert u zich de gebeurtenissen aan de Schelfzee nog?
Wij kennen die historie ook wel: ooit baande de Here voor Zijn volk een weg die dwars door de zee ging; de Israëlieten werden gered, maar hun achtervolgers – de Egyptenaren – verdronken jammerlijk.
Welnu, zei Jesaja, denkt u daar maar niet meer aan.
Dat is, op het eerste gezicht althans, merkwaardig. Hoogst merkwaardig.
In Deuteronomium 8 zei Mozes tegen de mensen om hem heen: “Gedenk dan heel de weg, waarop de HERE, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn heeft geleid, om u te verootmoedigen en u op de proef te stellen ten einde te weten, wat er in uw hart was: of gij al dan niet zijn geboden zoudt onderhouden”[5].
Toen moesten de Israëlieten dus wel in het verleden duiken.
En in Psalm 77 zong Asaf:
“Ik zal de daden des HEREN gedenken,
ja, ik wil gedenken uw wonderen van ouds,
van al uw werken gewagen
en uw daden overdenken”[6].
Toen moesten de Israëlieten hun herinneringen dus wel levend houden.
Waarom moest dat in Jesaja 43 plotsklaps weer niet? Antwoord: omdat de Israëlieten in Jesaja’s tijd bij het verleden bleven staan. Zij verheerlijkten het verleden. Zo van: vroeger was alles beter; toen was alles goed.
Maar ze beseften niet dat de Here ook in Babel aan het werk was. Ze realiseerden zich niet dat de God van het verbond ook in Babel een grootse bevrijding tot stand kon brengen.
Jesaja leerde zijn landgenoten: mensen, uw Godsvertrouwen moet terugkomen; en snel ook.

In Jesaja 43 lees ik: “…zie, Ik maak iets nieuws, nu zal het uitspruiten”[7].
Het aldaar gebruikte werkwoord betekent dat een plant plotseling uitloopt. Daarbij moeten wij klaarblijkelijk denken aan de snelle groei van planten na een regenbui in de woestijn. “Zult gij er geen acht op slaan?”[8]. Jesaja wil maar zeggen: heeft u het nog niet gemerkt? Of ook: weet u dat nog niet?
De Groot Nieuws Bijbel uit 1996 zegt: “Het krijgt al vorm, je kunt het al zien…”. Er is, met andere woorden, al van alles aan de gang.
Er is alle reden om het vertrouwen in God snel terug te laten komen.

Die les is, denk ik, ook belangrijk voor ons.
In Psalm 78 zingt Asaf:
“Hetgeen wij gehoord hebben en weten,
en onze vaderen ons hebben verteld,
dat willen wij voor hun kinderen niet verhelen;
wij willen vertellen aan het volgende geslacht”[9].
Die psalm zingen wij vrolijk mee. En terecht. Maar laten wij niet vergeten dat de Here ook vandaag nog grote dingen doet. Laten we beseffen dat de Here bezig met de realisatie van het allergrootste en allermooiste plan dat ooit ontworpen is: de redding van al Gods kinderen!
Er komt een nieuwe wereld aan.
Het is God Zelf die de weg naar die nieuwe wereld legt.
Hij zorgt er Zelf voor dat Hij de eer krijgt die Hem toe komt.
Hij zorgt er Zelf voor dat de schepping Hem gaat prijzen.

Ook de dieren gaan de Here loven.
Zelfs jakhalzen en struisvogels doen mee. Dat is opmerkelijk.
U moet weten dat in de tijd van Israël jakhalzen zo ongeveer de meest onreine dieren waren die er bestonden. Ze leefden in de woestijn. Meer precies: in het randgebied rond de woestijn. Ooit hadden daar mensen gewoond en gewerkt. Het land was er bewerkt. Maar inmiddels was er van al dat werk weinig méér over dan woekerende en natuur en troosteloze ruïnes.
Jakhalzen zijn veelvreters. Ze struinen een heel gebied af, op zoek naar dierlijke resten. Als ze die niet kunnen vinden, eten ze ook de planten van het veld, de rogge vreten ze op, en ook alle andere eetbare zaken. Iemand zei eens: ‘Het zijn echt van die restjes-verteerders in een wereld zonder genade’.
Uitgerekend beesten die ongeveer alles doen wat God verboden heeft, gaan Hem eren.
De Here kan ervoor zorgen dat zelfs Zijn grootste vijanden zich naar Hem toekeren!

De Here kiest de schepselen uit die Hem eer gaan bewijzen.
Hij zoekt de dieren op die Hem moeten gaan loven.
Hij kiest mannen, vrouwen, jongens en meisjes uit die moeten vertellen hoe groot hun Vader is.
Zo deed Hij dat vroeger.
Zo doet Hij dat nu.
Zo zal Hij dat doen tot de Here Jezus Christus terugkomt op de wolken.
Zijn lof zal in eeuwigheid worden verkondigd.

We leven in een tijd waarin de kerkelijke verdeeldheid – ook onder Gereformeerden – buitengewoon groot is. De problemen in de kerken zijn soms bijna niet meer te overzien. Communicatiestoornissen zijn aan de orde van de dag. Onwil en onmacht wisselen elkaar voortdurend af. Soms vragen wij ons af: waar gaat het heen? En stilletjes denken we: dit kan niets meer worden…
Dat is teleurstellend. Buitengewoon droevig, zelfs.
Maar laten wij de moed niet verliezen.
Want onze God kan wonderen doen. Ook vandaag.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik schreef in maart 2010.
[2] Jesaja 43:16-21.
[3] Klaagliederen 2:11.
[4] Klaagliederen 3:18.
[5] Deuteronomium 8:2.
[6] Psalm 77:12 en 13.
[7] Jesaja 43:19 a.
[8] Jesaja 43:19 b.
[9] Psalm 78:3 en 4 (onberijmd).

27 augustus 2014

De vraag om Gods oordeel

Psalm 137 is een treurige psalm[1]. Wij lezen over mensen uit Israël die huilend aan Babylonische rivieren zitten. Wij horen over een diep verlangen naar de tempel van Jeruzalem.
Wat moeten wij vandaag aan met dat kerklied[2]?

Om te beginnen kunnen we zeggen dat de ballingen van Israël – zeg maar even: de kerkmensen van die tijd – het oordeel van de Here eerbiedigen. Ze zeggen niet: ach, het valt allemaal wel een beetje mee. Of: laten we de straf van God maar gewoon negeren, en zoveel mogelijk doorgaan.
Nee, zij begrijpen best dat de Here hen straft.
Zij hebben ook wel door waarom Hij dat doet.

En de mensen in Babel? Die zeggen: we willen best eens een lied van Israël horen; zing maar eens wat prettig klinkende deuntjes. In Babel zijn ze wel vertrouwd met allerlei vreemde godsdiensten. Babel is immers een wereldmacht? Van al die andere culturen en al die nieuwe religies krijg je als vanzelf een oecumenische instelling. En daarom zeggen de Babyloniërs: die liederen van jullie willen we ook best horen.
Daar ligt de kern van de zaak. In Babel wil men graag dat Israël een beetje mee gaat doen. En waarom? Antwoord: dan worden die Israëlieten een beetje minder afwijkend, minder gelovig, minder antithetisch.
Deze manier van doen van Israël vinden de Babyloniërs onjuist. Zij ervaren die instelling als uiterst onaangenaam.
Maar de Israëlieten willen de herinnering aan Jeruzalem levend houden. Ze verlangen naar een vernieuwde, hechte band met hun God. De Israëlieten willen zich niet aanpassen. Ze wensen antithetisch te blijven: tegengesteld aan dat goddeloze Babel. Onaangepast. Echt godsdienstig! Zeker, dat is wel eens anders geweest. Maar het volk van God heeft zijn les geleerd. En de Israëlieten beseffen het terdege: als we bij onze God weglopen straft Hij ons weer.
Deze psalm leert ons bescheidenheid – we kennen onze positie tegenover de Heer van hemel en aarde.
Deze psalm leert ons ook liefde voor de Here en voor de kerk – die moeten wij levend houden!

Babel keert in Openbaring 17 en 18 terug.
Ik citeer een stukje uit Openbaring 17: “Het beest, dat gij zaagt, was en is niet, en het zal opkomen uit de afgrond en het vaart ten verderve; en zij, die op de aarde wonen, wier naam niet geschreven is in het boek des levens van de grondlegging der wereld af, zullen zich verbazen, als zij zien, dat het beest was en niet is en er toch zal zijn. Hier is het verstand, dat wijsheid heeft: de zeven koppen zijn zeven bergen, waarop de vrouw gezeten is. Ook zijn het zeven koningen: vijf ervan zijn gevallen, een is er nog en de andere is nog niet gekomen, en wanneer hij komt, moet hij korte tijd blijven. En het beest, dat was en niet is, is zelf ook de achtste, maar het is uit de zeven en het vaart ten verderve. En de tien horens, die gij zaagt, zijn tien koningen, die nog geen koningschap hebben ontvangen, maar één uur ontvangen zij macht als koningen, met het beest. Dezen zijn één van zin en geven hun kracht en macht aan het beest. Dezen zullen oorlog voeren tegen het Lam, maar het Lam zal hen overwinnen – want Hij is de Here der heren en de Koning der koningen – en zij, die met Hem zijn, de geroepenen en uitverkorenen en gelovigen”[3].
Waar het om gaat is dit: in Psalm 137 zien we enkele voortekenen van de strijd uit Openbaring 17. Het is van belang dat de kerk ziet waar zij staat. Dat geldt ook in 2014. Ook vandaag behoren ware gelovigen zich antithetisch op te stellen.

Kerkmensen die zich zo opstellen, kunnen ook vrijmoedig om Gods oordeel vragen.

Laten we daarbij niet vergeten dat het volk van God, dat daar in Babel is, de profetieën van Jesaja kent.
Die uit hoofdstuk 13 bijvoorbeeld: “En Babel, het sieraad der koninkrijken, de trotse luister der Chaldeeën, zal worden als Sodom en Gomorra, toen God ze onderstboven keerde; het zal in eeuwigheid niet meer bewoond worden, noch bevolkt zijn van geslacht tot geslacht”[4].
En die uit hoofdstuk 21 bijvoorbeeld: “Gevallen, gevallen is Babel, en alle gesneden beelden van zijn goden heeft Hij ter aarde verbrijzeld”[5].
En daarom begrijpen de kerkmensen dat zij om Gods oordeel over Zijn tegenstanders mogen vragen. Jesaja heeft er immers al over gesproken? Nou dan!

Als wij bidden, zeggen we graag: Here, u hebt dit of dat beloofd.
Maar ware gelovigen mogen ook zeggen: u hebt gedreigd met het oordeel over Uw vijanden; laat het dan maar komen. Daar hebben wij alle recht toe!

In Jesaja 13 staat het: “En hun kinderen zullen voor hun ogen verpletterd worden”[6].
De kerk mag het beseffen: als de Here een oordeel velt doet Hij dat altijd rechtvaardig.

In de Openbaring van Johannes wordt er in hoofdstuk 22 niet omheen gedraaid: “En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En wie het hoort, zegge: Kom! En wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet”[7]. Maar daar staat dan bij: “Hij, die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen, kom, Here Jezus!”[8].
Dat alles betekent in ieder geval dat de kerk van 2014 in feite nog altijd gelovig om het oordeel vraagt. En de kerk weet ook dat dat oordeel echt komt.

In dat licht bezien is onze belijdenis – Hij zal komen “om te oordelen, de levenden en de doden” – enorm actueel[9]!

Noten:
[1] Deze onderwerpskeuze is ingegeven door het feit dat ik Psalm 137:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek) in De Bazuin toelicht. Die korte uitleg verschijnt vandaag, woensdag 27 augustus, in dat Gereformeerd kerkblad. En wel in de rubriek ‘Psalm van de Week’. De toelichting werk ik in dit artikel uit.
[2] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van een preek van ds. G. Zomer sr. (1925-1982) over Psalm 137. Deze preek is ook opgenomen in “Uit liefde tot Sion”, een bundel met 15 preken van ds. Zomer. – (Groningen: Uitgeverij De Vuurbaak B.V., © 1983). – De preek staat op p. 9-17.
[3] Openbaring 17:8-14.
[4] Jesaja 13:19 en 20.
[5] Jesaja 21:9 b.
[6] Jesaja 13:16.
[7] Openbaring 22:17.
[8] Openbaring 22:20.
[9] Dit citaat komt uit de Apostolische Geloofsbelijdenis.

26 augustus 2014

Leden van Christus

De tekst van Zondag 12 van de Heidelbergse Catechismus is ons welbekend[1].
[Vraag] “…waarom wordt u een christen genoemd?
[Antwoord] Omdat ik door het geloof een lid van Christus ben en zo deel heb aan zijn zalving, om:
als profeet zijn naam te belijden,
als priester mijzelf als een levend dankoffer aan Hem te offeren,
en als koning in dit leven met een vrij en goed geweten tegen de zonde en de duivel te strijden en na dit leven in eeuwigheid met Hem over alle schepselen te regeren”[2].

Goed beschouwd gaat het hier, om zo te zeggen, over de identiteit van ware gelovigen.

In onze maatschappij leggen wij niet zelden nadruk op onze eigenheid.
Wij zijn Groninger, Fries, Brabander of Zeeuw.
Wij zijn Nederlander of migrant; medelander, zo u wilt.
Wij zijn christen. Of moslim. Jood of hindoe.
Kortom: in deze tijd doet onze identiteit er echt toe.

Bij dat alles is de centrale vraag: wat doen we heden ten dage met die verschillen?
Of ook: hoe brengen wij de mensen samen? En op basis waarvan komen die mensen bijeen?
Als er een ramp gebeurt – ja, dan weten we opeens weer wat een saamhorigheidsgevoel is.
In normale omstandigheden blijkt Nederland echter een versplinterd land. We doen er, zo lijkt het, wijs aan om onze mening zo omzichtig mogelijk naar voren te brengen. Want voor wij het weten krijgen we een enorme bak kritiek over ons heen.
Met die Neêrlandse solidariteit valt het, bij nader inzien, eigenlijk best een beetje tegen.

Bij dat alles is er echter nog één belangrijk ding waarop wij gaarne de nadruk leggen: onze democratische instelling.
Ons land wordt democratisch geregeerd. Op allerlei werkvloeren wordt druk overlegd. In de jaren ’90 van de vorige eeuw vond men zelfs het poldermodel uit: het streven naar consensus in de politiek en in de maatschappij[3].

Welnu, hoe zit dat in de kerk?
Waarom worden wij christenen genoemd?
Om die vraag te beantwoorden neem ik vandaag mijn uitgangspunt in Numeri 1.

In Numeri 1 staat de opdracht voor een volkstelling. Die order geeft de Here aan Mozes. Iedere Israëliet telt mee. Iedereen hoort er bij.
Maar de Here proclameert wel dat Hij het hoofd van Zijn volk is. Zijn kinderen horen bij Hem. De Israëlieten zijn niet zelf de baas.

Waarom wordt die dienstorder voor de telling gegeven?
Antwoord: om de kracht van Gods volk te kunnen meten. Dat staat erbij: “Neemt het aantal op van de gehele vergadering der Israëlieten naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen, allen die van het mannelijk geslacht zijn, hoofd voor hoofd, van twintig jaar oud en daarboven, allen die in het leger uitrukken in Israël; gij zult hen tellen naar hun legerscharen, gij en Aäron”[4].
Overigens is het niet alleen een kwestie van tellen. Het is ook een kwestie van inspectie, van keuring. Hoe staat het volk er, daar in de woestijn Sinaï, voor? Het Hebreeuwse woord voor ‘tellen’ betekent ook: monsteren, inspecteren[5]. Dus: de Here bekijkt de toestand van Zijn volk. En het volk krijgt ook alle gelegenheid om naar zichzelf te kijken: de Israëlieten moeten hun afkomst kennen, en weten waar zij thuis zijn. En vooral: bij Wie zij thuis zijn[6].

Intussen wordt er in Numeri 1, als ik het oneerbiedig zeggen mag, gegoocheld met getallen. Neem nu bijvoorbeeld de volgende tekst: “Dus waren al de getelden der Israëlieten, naar hun families, van twintig jaar oud en daarboven, allen die in het leger uitrukten in Israël, al de getelden waren zeshonderddrieduizend vijfhonderd vijftig”[7].
Dat zijn onwaarschijnlijk grote getallen. Wat moeten we daarmee?
Het was in de tijd van het Oude Testament, zo zeggen erudiete theologen, tamelijk gebruikelijk om dergelijke cijfers te gebruiken als een vorm van propaganda.
Er zijn ook verschillende geleerde mensen geweest die zeiden dat al die getallen symbolisch bedoeld zijn.
Daarnaast zijn er exegeten die zeggen dat we het begrip ‘duizend’ anders moeten vertalen. Daar ligt een vrij ingewikkelde argumentatie onder, die ik u in dit artikel maar bespaar.
De echte oplossing doe ik u vandaag niet aan de hand. Trouwens, ook de Bijbeluitleggers zijn er – bij mijn weten – nog niet uit[8].
Vooralsnog houd ik het er maar op dat deze getallen in de Bijbel staan om een groot verschil aan te geven. Toen de Here met zijn volk begon was het maar een klein volkje. Maar door Gods zegen groeit Zijn kinderschaar in Israël gestadig.

Wij kunnen zonder omwegen tot de conclusie komen dat de verhuizing van Gods volk naar Kanaän goed georganiseerd is.
En de Here is de grote Organisator. Hij benoemt Hoogstpersoonlijk de leden van het comité voor de volkstelling.
Het staat er zo: “Daarbij zal u uit elke stam één man behulpzaam zijn, de man, die het hoofd is van zijn families. En dit zijn de namen der mannen die u ter zijde zullen staan…”[9]. En dan volgen al de namen van Mozes’ helpers.

Midden in dat grote volk zetelt de Here.
En de bewakers van Gods domicilie worden vrijgesteld van militaire dienst. Ik citeer weer uit Numeri 1: “Maar de Levieten naar de stam hunner vaderen werden niet samen met hen geteld. De HERE had namelijk tot Mozes gesproken: slechts de stam Levi zult gij niet tellen, noch hun aantal onder de Israëlieten opnemen, maar stel gij de Levieten over de tabernakel der getuigenis en over al zijn gerei en over al zijn toebehoren; zij zullen de tabernakel en al zijn gerei dragen; zij zullen daarbij dienst doen en zich rondom de tabernakel legeren”[10].
De woonplaats van God wordt optimaal beschermd. Dankzij de door God Zelf gestructureerde organisatie. Er is nimmer een Leviet afwezig wegens militaire verplichtingen.

Wat wil het bovenstaande zeggen voor onze hedendaagse praktijk?

In ieder geval wel dit.
In Nederland doen we met z’n allen ons uiterste best om samen één te zijn. Ondanks de verschillen in Nederland wil men samen optrekken.
Gods kinderen moeten zich echter niet vergissen. Ze moeten, in een woelige samenleving waarin solidariteit slechts mondjesmaat te vinden is, de kern van de zaak goed in de gaten blijven houden.
Wat is het springende punt? Dat is dit: de Here vergadert Zijn volk. Ook vandaag. In de kerk namelijk. Hij is, om zo te zeggen, bezig met de organisatie van de heilige vergadering van de door Hem uitgekozen mensen. Want, zegt de Heidelbergse Catechismus, “wij zijn om Christus’ wil uit genade tot Gods kinderen aangenomen”[11]. En: “Omdat Hij ons met lichaam en ziel, niet met goud of zilver, maar met zijn kostbaar bloed van al onze zonden vrijgekocht en uit alle macht van de duivel verlost heeft. Zo heeft Hij ons tot zijn eigendom gemaakt”. Ja, ook die formulering staat in de Catechismus[12].
Gods kinderen zijn allen in Zijn dienst. De Here verzamelt hen om zich heen. En ze komen uit alle windrichtingen.
Al die mensen groeperen zich rondom Gods Woord.
Zij bewaken en bewaren dat Woord.
Al die mensen zijn zeer verschillend. Maar in Hem zijn zij één.

Daarom gaat het in de kerk niet democratisch toe.
Nee, het gaat in de kerk theocratisch toe. In de kerk is er theocratie. Dat betekent: Godsregering.
Daar zijn profeten, priesters en koningen – daar hebt u die termen uit Zondag 12 van de Heidelbergse Catechismus! – in dienst van de hemelse Here druk doende. Tezamen laten zij iets zien van de welvaart en het welzijn onder de Goddelijke heerschappij.

Het staat zo duidelijk in Zondag 12: wij zijn allen leden van Christus; daarom worden we christenen genoemd.
Wij komen er voor uit dat wij bij Hem horen.
Wij tonen dat wij, gedurende heel ons leven, in Zijn dienst staan.
In al ons doen en laten tonen wij een welhaast koninklijke strijdbaarheid.

En hoe houden wij dat alles vol?
Wij zouden kunnen praten over onze christelijke eigenheid. Maar dat doen we niet.
Wij zouden kunnen praten over onze saamhorigheid. Maar dat doen we niet.
Wij zouden kunnen praten over onze hechte overlegstructuren. Maar dat doen we niet.
Wij zeggen gewoon: wij horen bij Christus.
Wij vergaderen rondom Gods Woord. En daar gaan wij naar luisteren.
Wij verdedigen het ware geloof. Daar willen wij desgewenst best over praten.
De Here brengt ons bij elkaar. De Here is de Beschermer van Zijn bevolking.
Tot in eeuwigheid.
In heel ons leven zijn wij verbonden aan de machtige God, heerser van de hemel en de aarde. Als het daar om gaat blijkt er, vergeleken met Numeri 1, ten principale weinig veranderd!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik in oktober 2007 schreef.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 12, antwoord 32.
[3] Zie http://www.encyclo.nl/begrip/poldermodel .
[4] Numeri 1:2 en 3.
[5] Zie http://www.statenvertaling.net/kanttekeningen/Nm1.htm , kanttekening 6: “Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen tellen, maar ook op de getelden acht en toezicht nemen, hetwelk wij bij ons noemen monsteren”.
[6] Zie http://www.oudesporen.nl/Download/OS1007.pdf , p. 25.
[7] Numeri 1:45 en 46.
[8] Zie hierover ook: Ds. T. Jacobs, “Grote getallen”. In: De Waarheidsvriend (22 januari 2009), p. 15. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[9] Numeri 1:4 en 5 a.
[10] Numeri 1:47-50.
[11] Heidelbergse Catechismus – Zondag 13, antwoord 33.
[12] Heidelbergse Catechismus – Zondag 13, antwoord 34.

25 augustus 2014

Met dankzegging

Vorige week hoorde ik een preek over een tekst uit Philippenzen 4. De bedoelde tekst luidt: “Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God. En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus”[1].
Over die tekst schreef ik zelf al eens: “Gebed is een christelijke manier om bezorgdheid een goede plaats te geven. Niet voor niets schrijft Paulus aan de Philippenzen dat zij niet bezorgd moeten zijn, maar eventuele wensen in het gebed de troonzaal van God mogen binnendragen. Wie allerlei zaken van kerk en wereld aan zijn ogen voorbij ziet trekken, hoeft niet te wanhopen. Paulus’ dringende advies is duidelijk: leg al die dingen maar op een hóger niveau neer”[2].
Welnu – in die preek, die tijdens een trouwdienst gehouden werd, kwam van alles langs[3]. Een befaamde tekst uit Genesis 2: “Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen tot één vlees zijn”[4]. En een tekst uit Efeziërs 5: “Vrouwen, weest aan uw man onderdanig…”[5]. En het feit dat de predikant zelf reeds 36 jaar getrouwd is. En nog veel meer.

Nu wordt die tekst uit Philippenzen 4 in een bepaald verband gebruikt.
In die preek hoorde ik daar niet zoveel van.
Alleen daarom al wil ik daarover op deze plaats iets schrijven. Immers, een Bijbeltekst zegt veel meer als wij het tekstverband kennen.

Philippenzen 4 begint met het woord ‘daarom’.
Daarmee wordt teruggegrepen op Philippenzen 3. Paulus betoogt daar dat zijn afkomst in het geloofsleven niet zo van belang is. Waar het om gaat is, schrijft hij, de “kennis van Christus”. Ik citeer: “Om zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen, en in Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het geloof”[6]. Christus heeft voor onze zonden betaald. Wie een geloofsrelatie met Hem heeft, een Verbondsrelatie, is vrijgesproken van schuld door de zonden.
Die vrijspraak verandert de levensinstelling van Gods uitverkorenen radicaal. Wie een Verbondsrelatie met de God van hemel en aarde heeft, gaat leven naar de Verbondseis. Hij gaat leven als een door God geroepene.
Om weer met Philippenzen 3 te spreken: “…één ding doe ik: vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus”[7]. Wat is de precieze bedoeling van die woorden? Wordt Paulus door de scheidsrechter de tribune op geroepen om de erekrans in ontvangst te nemen? Is de prijs het eeuwige leven zelf? Helemaal duidelijk is dat niet. Intussen kan niemand er omheen: Paulus wil Christus steeds beter leren kennen. Paulus wil niets liever dan Christus’ verheerlijkte leven ontvangen[8].
Die wens, zo noteert de apostel met grote nadruk, moet bij ons allen leven. Wij moeten met z’n allen verder komen, op weg naar de hemelse toekomst.

Daarom, zo gaat de Godsgezant in Philippenzen 4 voort, is standvastigheid in het geloof een groot goed. Eendracht en eenstemmigheid zijn in de kerk reuze belangrijk. Want voordat je ’t weet, raak je elkaar kwijt[9].

Wie het betoog in Philippenzen 3 tot zich door heeft laten dringen beseft ook dat er in het aardse leven van ware gelovigen altijd reden is om blij te zijn. Niet omdat het in het leven altijd zo goed gaat, welnee. Maar omdat we altijd weten: onze hemelse situatie wordt, vergeleken met onze aardse omstandigheden, honderdduizend keer beter[10]!

“Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend. De Here is nabij”[11].
Denk om uw reputatie!, zo lijkt de apostel te betogen. Dat woord ‘vriendelijkheid’ heeft hier echter vooral de kleur van: niet op je strepen staan. Die vriendelijkheid heeft dus alles te maken met verdraagzaamheid en lankmoedigheid.
De terugkomst van Christus is namelijk al heel dichtbij.
En bovendien: de Heilige Geest woont nu al in de harten van Zijn kinderen. Denkt u in dit verband maar even aan Romeinen 8: “En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont”[12].

Kijk, en dan schrijft Paulus over bezorgdheid.
Bezorgd zijn – dat is niet goed, schrijft Paulus.
Maar hij kent zijn lezers.
En wat meer is: hij wordt gedreven, geïnspireerd, door de Heilige Geest van God.
Jazeker, Paulus weet het wel: soms zijn wij heel bezorgd. Over
* onze toekomst
* onze gezondheid
* onze echtgenoten, onze kinderen en onze overige familieleden
* de economie in ons land
* de kerk.
U kunt dat rijtje waarschijnlijk zelf zonder enige moeite aanvullen.
Hoe kan men die bezorgdheid het hoofd bieden? Door dank te zeggen, noteert Paulus.
Is dat geen dooddoener? Moet u zich voorstellen: u maakt zich druk over van alles en nog wat. De problemen worden steeds groter. De vragen stapelen zich op. Er zijn momenten dat u en ik geen kant meer op lijken te kunnen. En waar komt Paulus mee aan? Met dankzegging, notabene. Wat helpt dat nou? Wat schiet je daar nou mee op?… Toegegeven: die redenering is heel passend als we Philippenzen 4:6 als een losse tekst bezien. “Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God” – voor we ’t weten wordt dat een totaal nietszeggend argument. Een basis van niks, zeg maar.
Echter: als wij de bovenstaande tekst in haar verband bezien, dan breekt het licht door.
Immers, Philippenzen 3 gaat over de Verbondsrelatie met Christus. Over onze schuld, die betaald is. Over ons verheerlijkt leven en onze hemelse toekomst. Als we naar het verleden kijken is er alle reden om God te danken. En als we naar de toekomst kijken, wordt het allemaal nog mooier. De dankzegging krijgt een nog hogere toon.
Zo ontdekken wij weer wat ons nu te doen staat!

En zo ervaren wij ook de vrede van God.
Die vrede kunnen we niet precies uitleggen; die gaat ons boven de pet.
Die vrede is echter meer waard dan alle menselijke kennis, al onze intelligente redeneringen en al onze goed bedoelde spitsvondigheden.
Met die vrede kunnen wij het aardse leven aan!

Noten:
[1] Philippenzen 4:6 en 7.
[2] Dit citaat komt uit mijn artikel “Romeinen 12 ontstijgt buurthuisfilosofie”; hier gepubliceerd op woensdag 8 februari 2012. Ook te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2012/02/08/romeinen-12/ .
[3] De dienst werd te Winsum Gn. gehouden op vrijdag 22 augustus 2014. Het betrof de kerkelijke bevestiging van het huwelijk van Wouter Gombert en mijn nicht Jenny de Roos.
[4] Genesis 2:24.
[5] Efeziërs 5:22 a.
[6] Philippenzen 3:8 b en 9.
[7] Philippenzen 3:14.
[8] Zie hierover ook de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Philippenzen 3. In het onderstaande gebruik ik overigens ook het commentaar bij Philippenzen 4.
[9] Paulus schrijft in Philippenzen 4:2 en 3: “Euodia vermaan ik en Syntyche vermaan ik, eensgezind te zijn in de Here. Ja, ik vraag ook u, mijn trouwe metgezel: wees haar behulpzaam. Want zij hebben tezamen met mij in de prediking van het evangelie gestreden, naast Clemens en mijn overige medearbeiders, wier namen staan in het boek des levens”.
[10] Philippenzen 4:4: “Verblijdt u in de Here te allen tijde! Wederom zal ik zeggen: Verblijdt u!”.
[11] Philippenzen 4:5.
[12] Romeinen 8:11.

22 augustus 2014

Erfzonde, maar ook genade

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

De eertijds bekende NRC-columnist J.L. Heldring (1917-2013) zei eens in het Nederlands Dagblad: “Ik erken de functie van de erfzonde als politiek buitengewoon nuttig, hoewel ik niet gelovig ben. Dat is een wat tragische positie”.
In het betreffende artikel was Heldring in gesprek met de literatuurwetenschapper en filosoof E. van den Hemel.
Van den Hemel concludeerde indertijd: “Wij zijn het erover eens dat de idee van de erfzonde een vruchtbaar politiek concept is, waarvan we de waarde kunnen inzien zonder per se een Godsbewijs nodig te hebben of in God te geloven”.
De één zei dus: ‘De erfzonde is nuttig bij het werk in de politiek’.
De ander zei: ‘Dat is waar. Maar om die waarheid te erkennen heb je geen geloof nodig’[1].

Is het waar dat wij de erfzonde kunnen erkennen als wij geen geloof hebben?
Klaarblijkelijk wel.

Daar noteer ik echter wat bij.
Sinds Adam is alles en iedereen doortrokken van de zonde. De zonde is een doorgaande lijn. Wij zijn in zonde met Adam verbonden. Zelfs het beste werk is bevlekt.

Hoe leerzaam de columns van Heldring ook waren, ze schoten altijd tekort. Dat komt omdat hij een mens was.
Heldring bevond zich in een tragische positie, zei hijzelf. Dat klopte. Zijn tragiek zat ‘m er in dat hij niet geloofde dat de Here God door Hem uitgekozen mensen wil reinigen van de zonde.

Erfzonde is, als ik het zo zeggen mag, in de Heilige Schrift niet los verkrijgbaar.
Er hoort reiniging bij. En bewaring.
Ik citeer een paar zinnen uit de Dordtse Leerregels: “God heeft eveneens gewild dat Hij hen (= alle uitverkorenen) door zijn bloed zou reinigen van al hun zonden, zowel van hun erfzonde als van de zonden die zij voor of na het ontvangen van het geloof zouden bedrijven. En ook was het Gods wil dat Hij hen tot het einde toe trouw zou bewaren en hen tenslotte stralend zonder vlek of rimpel voor Zich zou plaatsen”[2].
Het was natuurlijk mooi dat de heer Heldring in dat gesprek erkende dat de erfzonde een reëel gegeven is. Het was goed dat hij zei dat men, bijvoorbeeld in de politiek, met erfzonde rekening heeft te houden.
Maar er hoort wat bij.
Men moet de erfzonde erkennen. Maar vervolgens mensen moeten ook zeggen: perfectie bereiken wij niet zelf; wij zijn afhankelijk van de hemelse Here.
Daar zit ‘m de kneep.

Graag wijs ik u, in verband met die erfzonde, op Efeziërs 2.
Daar staat dat wij, van nature althans, kinderen van de toorn zijn. God is woedend op ons.
Dat wilde de heer Heldring misschien nog wel geloven.
Maar als we Gods Woord recht willen doen, moeten we doorlezen in Efeziërs 2. Het begint met de toorn. Maar daarna gaat het over Gods erbarming. En over Zijn liefde. En over genade, die behoudt.
Leest u maar even mee: “…wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns –, God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, – door genade zijt gij behouden”[3].
Ziet u?
We moeten niet bij de toorn stoppen!
De heer Heldring zei: partijen op christelijke grondslag zijn in tijden van maatschappelijke woelingen stabieler dan seculiere partijen. “Een mogelijke verklaring is dat seculiere partijen worden afgerekend op wat ze hier, op aarde, presteren, terwijl christelijke partijen menen dat het koninkrijk des hemels niet van deze aarde is. In deze gedachte zit een zekere berusting en geduld. Zij geeft tolerantie ten aanzien van het menselijk falen, ook van anderen”[4].
Mensen uit de wereld kunnen koeltjes concluderen:
* die christenen hebben gelijk
* het is een janboel in de wereld
* als we in de politiek rekening houden met de erfzonde, begrijpen we beter dat mensen soms falen.
Gereformeerde mensen zetten daar tegenover:
* God leert ons de ellende kennen
* God leert uitverkoren mensen Zijn liefde kennen.

Ergens, diep in zijn hart, kende de heer Heldring een diep verdriet.
Dat Evangelie? Dat geloofde hij niet.
Dat was diep tragisch.

De ellende van erfzonde is dat het erfelijk blijkt te zijn. Paulus schreef het in Romeinen 5 zo op: “Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben”[5].
En wie – hoe geleerd hij ook is – in het ongeloof blijft hangen, moet het leren beseffen: ik ga mijn dood tegemoet. Dat lees ik in Romeinen 6: “…het loon, dat de zonde geeft, is de dood”[6].

De heer Heldring erkende de functie van de erfzonde.
Maar hij accepteerde Gods genade niet.
En ziedaar, aldus wordt het probleem van massa’s ongelovigen zichtbaar. Complete volksstammen wensen niet van genade te leven. Anno Domini 2014 is er, wat dat betreft, nog geen steek veranderd.
Ik bedoel de genade van Romeinen 6: “Maar thans, vrijgemaakt van de zonde en in de dienst van God gekomen, hebt gij tot vrucht uw heiliging en als einde het eeuwige leven. Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood, maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here”.

Dat perspectief gun ik aan velen om mij heen.
Dat uitzicht gun ik, op de keper beschouwd, aan heel de wereld.

De zonde zien wij, als we goed kijken, overal in de wereld terug.
Wie aan die waarneming woorden geeft maar vervolgens de blijde Boodschap van het Evangelie niet met blijdschap aanneemt, is een tragische figuur. De heer Heldring heeft dat indertijd heel goed begrepen.

De zonde zien Gods kinderen overal in de wereld terug.
Jazeker.
Maar wij mogen verder kijken dan de hulpeloosheid en tragiek van ons eigen leven.
Laten wij het Paulus maar nazeggen: “Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!”[7].

Wie dat belijden kan heeft, midden in een chaotische wereld, een schitterend uitzicht[8].

Noten:
[1] In dit artikel gebruik ik onder meer: “Hoe machtig is het christendom tegen het populisme?”. In: ZoZ, bijlage van het Nederlands Dagblad, zaterdag 30 januari 2010, p. 18.
[2] Dordtse Leerregels, hoofdstuk II, artikel 8.
[3] Efeziërs 2:3, 4 en 5.
[4] Zie http://www.uitgeverijwvandenoever.com/blog/blog/2013/03/erfzonde-nuttig-voor-niet-gelovige/ .
[5] Romeinen 5:12.
[6] Romeinen 6:23 a.
[7] Romeinen 7:24 en 25.
[8] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik in februari 2010 schreef.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.