gereformeerd leven in nederland

21 augustus 2014

Spiritualiteit in soorten

De spiritualiteit kent, zo leerde ik eens, negen talen[1]. Men kan, als ik het goed begrijp, God zoeken in:
* spontaniteit en vreugde
* het geven van hulp aan anderen
* de buitenlucht
* beleving en ervaring
* rituelen en symbolen
* toewijding en ascese
* activisme
* stilte en contemplatie
* het vergaren van kennis.
De Amerikaanse schrijver Gary L. Thomas heeft deze talen, met een ijver die – als u het mij vraagt – een betere zaak waardig is, indertijd op een rij gezet[2].

Wie is die Gary Thomas eigenlijk?
Gary Thomas is een Amerikaanse auteur van goed verkopende boeken; ook als spreker is hij veel gevraagd. Op zijn internetpagina deelt hij mee dat Schriftstudie, bestudering van de kerkhistorie en lezing van teksten uit de vroege kerk veel geloofsgroei bij hem bewerken.
Zijn boeken hebben als doel dat zijn lezers levendig contact met God krijgen.
Daarnaast spreekt Thomas de hoop uit dat hij via zijn teksten kan bijdragen aan Geestelijke groei binnen huwelijksrelaties. Familiebanden zullen, naar hij verwacht, hechter worden omdat God zijn zegen geeft.
Aldus kan het leven een nieuwe betekenis krijgen. In een dergelijk leven zijn ‘heiliging’, ‘vrijheid’ en ‘christelijk enthousiasme’ kernbegrippen.
Dichter bij Christus en dichter bij elkaar: dat is het adagium van Gary Thomas. Dat klinkt goed. Maar de eerlijkheid gebiedt me op te merken dat zijn internetpagina, wat mij betreft, een stempeltje van menselijke maakbaarheid draagt. Enig Amerikaans optimisme is Gary niet vreemd.
Wie zijn website bekijkt denkt al gauw: dit is wat al te gepolijst. En: het gaat hier en daar wel erg snel.

Welnu, spiritualiteitsgoeroe Gary L. Thomas zegt: “God wil jou kennen zoals je echt bent, geen karikatuur van wat iemand anders van je wil maken. Hij schiep jou met een bepaalde persoonlijkheid en een bepaald spiritueel temperament. God wil dat je Hem aanbidt volgens de manier waarop Hij je maakte”.

Dit zo zijnde voel ik de vraag opborrelen waarom mensen zo nodig spiritueel ingedeeld moeten worden.
Persoonlijk ben ik, geloof ik, een man die veel waarde hecht aan kennis en verstand. Maar ik ben ook een man die van beleving en ervaring houdt. Voorts mag ik wel zeggen dat ik een doener ben. Boeken lezen, artikelen bestuderen en kranten tot mij nemen…, dat doe ik graag. Maar daarmee en daarna moet ook iets gedaan worden. En ja – ergens ben ik ook een man van toewijding en vroomheid. Van bezieling en devotie. Van overgave en trouw.
Moet ik mij, het vorenstaande constaterende, verzoenen met de gedachte dat ik – spiritueel gezien – totaal en absoluut onindeelbaar ben?
Op gevaar af dat u mij pedant vindt, deel ik u mee dat dat denkbeeld mij tamelijk ongerijmd lijkt.

Als ik mij niet vergis, is het trouwens de Here Jezus Zelf geweest die Zijn kerk impliciet heeft gewaarschuwd voor zulke indelingen.
Hieronder wil ik die stellingname wat nader toelichten.

Eerst sla ik de Bijbel open bij Marcus 13.
Daar spreekt Jezus Zijn discipelen aan. Hij zegt: “En wanneer zij u wegvoeren om u over te leveren, weest dan niet van tevoren bezorgd wat gij zeggen moet, maar zegt wat u in die ure gegeven wordt; want gij zijt het niet, die spreekt, maar de heilige Geest”[3]. De Heilige Geest stelt mensen in de kerk in staat tot dingen die zij nooit achter zichzelf gezocht hadden. Er gebeuren dingen die mensen niet in zich hebben. Soms staan kerkmensen verbaasd over zichzelf.

Nu ga ik naar Handelingen 1 en 2.
De discipelen hebben, om zo te zeggen, een onmenselijk grote prestatie geleverd. Zij hebben het fundament voor een wereldwijde kerk gelegd. Maar dat hebben Jezus’ leerlingen heus niet aan zichzelf te danken.
Vlak voor Zijn vertrek naar de hemel geeft de Messias instructies aan Zijn volgelingen. En dan zegt zei Hij er in Handelingen 1 bij: “…gij zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde”[4]. De discipelen moeten het blijkbaar niet hebben van persoonlijk charisma. Zij ontvangen de kracht van de Heilige Geest.
En wat gebeurt er op de Pinksterdag? Lucas is er in zijn Handelingen heel duidelijk over. Ik citeer uit Handelingen 2: “…en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken[5]. Van zichzelf zijn Jezus’ discipelen geen barmhartige gelovigen, of begeesterde prekers, of Godgeleerde gelovigen. Hun kennis, inzicht en verbale gaven krijgen zij, hoofd voor hoofd, van bovenaf aangeleverd.

Ik kom bij 1 Corinthiërs 12.
Daar blijkt ook duidelijk dat het maken van indelingen in de kerk meestentijds niet zo erg nuttig is.
Want, zo schrijft de apostel Paulus in 1 Corinthiërs 12, “niemand kan zeggen: Jezus is Here, dan door de heilige Geest[6]. Als het op de mens aankomt, kent hij geen geloofsvreugde. Als het van de mens afhangt, komt er geen Godservaring. Als mensen mogen kiezen, komt er van barmhartigheid, toewijding of kerkelijke activiteit weinig terecht.

Graag citeer ik nu ook een paar woorden uit 2 Timotheüs 1.
Paulus schrijft daar: “Bewaar door de heilige Geest, die in ons woont, het goede, dat u is toevertrouwd”[7].
Wie de Heilige Geest niet heeft, mag blijkbaar niet in staat worden geacht om dat goede nieuws – het Evangelie dus – op de juiste wijze te lezen en toe te passen.

Veel lezers zullen de term ‘gemeenschap van de Heilige Geest’ wel kennen.
Daarmee bedoelt men de wisselwerking van de Heilige Geest met de menselijke geest. Er is Schriftlezing, en er is gebed. Dat zijn de instrumenten die de Here gebruikt om ons uiteindelijk om te vormen tot hemelingen die in Gods heilige woonplaats kunnen domiciliëren. Wij moeten – om het met een oude term te zeggen – beeld van Christus worden.
De Here heeft ons uitverkoren om een verbondsrelatie met Hem te hebben.
Dat wil ook zeggen dat wij onze positie – zondige mensen tegenover de heilige God – goed kennen.
Het is de Heilige Geest die van ons volmaakte, zuivere en reine mensen maken zal.

Tot slot citeer ik met instemming dominee A.W. Davidse, momenteel predikant van een ABC-gemeente[8].
Over spiritualiteit merkte hij eens op: “Er is een gevaarlijke tendens om spiritua­liteit naar ons toe te halen. Het moet dan onze behoeften bevredigen, onze nood lenigen. Het moet ons aanspreken, ons inspireren en ons geestelijk versterken. Steeds – zo lijkt wel – staat de mens centraal. Maar bij de gemeenschap die de Heilige Geest in ons hart legt, gaat het niet om de mens, maar om de exclusieve eer van God”[9].
Waarvan akte!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik in februari 2010 schreef.
[2] In dit artikel maak ik gebruik van de Engelstalige website http://www.garythomas.com/ . En ook van: “De negen talen van de spiritualiteit”. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 12 februari 2010, p. 2.
[3] Marcus 13:11.
[4] Handelingen 1:8.
[5] Handelingen 2:4.
[6] 1 Corinthiërs 12:3.
[7] 2 Timotheüs 1:14.
[8] Zie voor meer informatie over deze predikant http://www.ariedavidse.nl/arie-davidse . Meer informatie over de Alliantie van Baptisten- en CAMA-gemeenten is te vinden op http://www.abcgemeenten.nl/abc .
[9] Zie http://www.whitefield.nl/literatuur/artikelen/158-pneumatologie-en-spiritualiteit-ds-a-w-davidse .

20 augustus 2014

Egocentrisme afgeremd

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: ,

Veel mensen hebben een welhaast onbedwingbare neiging om over zichzelf te praten[1].
Dat geldt in niet mindere mate voor gelovigen. Zij willen, zo zeggen zij zelf voortdurend, God dienen. En ja, daar kunnen zij niet zelden ook een verhaal over vertellen. In die geschiedenis blijken die vertellers vervolgens zelf veelal de hoofdpersonen.
Ik-gerichtheid is een kenmerk van onze tijd. Kinderen van God moeten niet denken dat zij helemaal buiten die sfeer van egocentrisme kunnen blijven. Egoïsme zit overal in. Zelfzucht komt overal bij.
Hoe dan ook: ware gelovigen moeten oppassen dat zij niet te vaak persoonlijke verhalen vertellen.

Laat ik, hierover schrijvende, op de gelijkenis van de verontschuldigingen mogen wijzen.
Het verhaal uit Lucas 14 kent u wel.
“En hij zond zijn slaaf uit tegen het uur van de maaltijd om tot de genodigden te zeggen: Komt, want het is nu gereed. En zij begonnen zich allen opeens te verontschuldigen. De eerste zeide tot hem: Ik heb een akker gekocht en ik moet die noodzakelijk gaan bezien; ik verzoek u, houd mij voor verontschuldigd. En een ander zeide: Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga die keuren; ik verzoek u, houd mij voor verontschuldigd. Weer een ander zeide: Ik heb een vrouw getrouwd en daarom kan ik niet komen”[2].
Spreker Eén had het, zogezegd, druk met aardse dingen. God kwam op zijn prioriteitenlijstje in de verdrukking.
Spreker Twee deed als ambitieuze wereldburger simpelweg wat hij zelf wilde. Aan een hemelse maaltijd dacht hij niet. Een typisch geval van ongeloof, dus.
Spreker Drie kwam met een plausibel klinkend verhaal. Echter: ook hier gingen aardse boven hemelse dingen.

Het ging hier om genodigden.
De zaak draaide hier om mensen die een uitnodiging hadden ontvangen. De genodigden kenden de gastheer. Zij wisten wie hij was. Ze wisten misschien wat hij serveren zou.
Juist die mensen maakten duidelijk dat ze de uitnodiging afsloegen.
De kerkmensen zeiden: nee, dank u.

In Lucas 14 vinden we de definitieve uitnodiging van Jezus aan het adres van Israël.
Aldaar was het gewoonte om gasten twee keer te nodigen. Geruime tijd van tevoren kwam de eerste invitatie. Kort voor het feest begon kwam dan de tweede uitnodiging. De knecht die erop uit gestuurd was hoefde dan alleen maar te zeggen dat alles gereed stond.
Juist die tweede uitnodiging werd geweigerd[3].
Voelt u hoe pijnlijk dat was? Het was schrijnend. Jazeker.

Wat is nu de moraal van dit verhaal?
De Here Jezus Christus wilde duidelijk maken dat Hij Hoogstpersoonlijk bezig is met de voorbereidingen voor een gelukkige toekomst van al Zijn kinderen. Een toekomst met Hem. Een toekomst waarin Hij alles zal zijn in allen.
Die toekomstverwachting is, als ik het goed zie, ook voor vandaag sfeerbepalend.

Nu wil ik een ogenblik naar onze tijd kijken.

Is het wel juist om ijverige gelovigen in 2014 te vergelijken met die genodigden uit Lucas 14?
Daar moet je voorzichtig mee wezen. Geen mens kan in andermans hart kijken.
Niettemin zijn er momenten waarop ik aan Lucas 14 denken moet.

Jaren geleden voerde ik eens een gesprek met iemand die mij uitlegde dat hij niet zo lang geleden in Armoedeland was geweest om daar, met Gods hulp, veel goeds te doen. Heel veel goeds.
Tot verbazing van de spreker luisterden velen naar hem. Sterker nog: plots gingen vele deuren open. Dorpshoofden tot wie hij zich richtte, waren een en al oor.
Tot vreugde van de spreker kwam zijn boodschap over. Op de plaatsen waar hij kwam gingen velen de ogen open. Het feit dat de spreker bereid was om geld in allerlei projecten te steken, hielp waarschijnlijk ook een beetje. Maar toch.
Geachte lezer, graag geef ik toe dat ik slechts over een middelgroot denkraam beschik.
Het moet derhalve niet worden uitgesloten dat ik sommige dingen geheel verkeerd begrepen heb.
En het zal, neem ik aan, niet de bedoeling van de spreker geweest zijn om zichzelf op de voorgrond te stellen. Intussen kreeg ik echter wel het gevoel dat het verhaal van de spreker onder meer verteld werd ter meerdere eer en glorie van de woordvoerder zelf.
Voor mijn idee waren de persoonlijke belevenissen van de spreker nogal sfeerbepalend. Zijn eigen wederwaardigheden waren erg belangrijk.

Nogmaals: ik kan het allemaal verkeerd begrepen hebben. En wellicht heb ik – geheel ten onrechte – aan goede intenties voorbijgezien.
Vooralsnog deed het verhaal mij echter aan Lucas 14 denken.
Als ik mij niet vergis gaat het in Lucas 14 over door God bij elkaar geroepen mensen. Ze hebben best wel aandacht voor het Koninkrijk Gods.
Ja heus – daar gaan zij serieus mee om.
Die kerkmensen zeggen niet: ‘scheer je weg’. Zij houden de deur niet gesloten.
Integendeel: ze excuseren zich uitgebreid. Met een verhaal over bouwland dat geïnspecteerd moet worden. Met een verhaal over vee dat gekeurd moet worden. En met een verhaal over wittebroodsweken in een huwelijk.
Inmiddels gaat het bij de voortduur over henzelf. Het gaat over eigen belevenissen die reuze interessant zijn.
Voelt u hoe die lange persoonlijke verhalen een beetje wringen met het werk dat in Gods Koninkrijk gebeurt? Voelt u hoe die lange persoonlijke verhalen wringen met Gods eer?

Hoe moet dat nu met die spreker van hierboven?
Hij deed in Armoedeland natuurlijk geen slechte dingen. Hij wilde, als ik het goed begrepen heb, mensen werkelijk vooruit helpen. Door natuurherstel, bijvoorbeeld.
Die spreker van hierboven deed, naar ik veronderstel, goede dingen.
Maar deed hij dat echt alleen ter ere van God?

Naar het mij voorkomt leert Lucas 14 ons dat verhalen over onszelf al heel gauw afbreuk doen aan het Evangelie.
Dat is heus niet de bedoeling van volijverige kinderen van God.
Het probleem is echter dat het zomaar gebeurt. Soms zonder dat wij het in de gaten hebben. Opgepast dus.

Het is opvallend dat voor de maaltijd van Lucas 14 uiteindelijk misdeelden in aanmerking komen: “Ga aanstonds de straten en stegen der stad in en breng de bedelaars en misvormden en blinden en lammen hier”[4].
De Here zoekt de mensen op die niet tot de geestelijke elite behoren.
Mijn conclusie: u hoeft geen geweldig persoonlijk verhaal te kunnen debiteren om de Heiland te mogen volgen.

Wat zal ik nog meer van deze dingen zeggen?

In dit verhaal kwam een man voor die maar wat graag in Armoedeland de helpende hand wilde bieden. Het verhaal dat hij deed ging, naar mijn smaak althans, vooral over hemzelf.
In alle bescheidenheid vraag ik mij, in het licht van Lucas 14, af of dat wel juist is.
Of draaf ik nu door?

Laten we eerlijk zijn: wij allemaal hebben soms de neiging om veel over onszelf te praten.
Over onze kerkelijke belevenissen.
Over onze kerkelijke ergernissen.
Over ons gevoel.
Over de manier waarop de preek in onze ziel landde.
Met een schuin oog op Lucas 14 roep ik op tot terughoudendheid met betrekking tot de verbreiding van persoonlijke verhalen.

Laten wij maar gewoon aan het werk gaan.
Dan hebben wij het druk genoeg.
Laten wij ons realiseren dat de Here Jezus Christus ons uitnodigingen blijft sturen voor het feestmaal dat Hij aanricht. Hij vraagt niet of onze levenservaringen wel indrukwekkend genoeg zijn. Hij onderzoekt niet of onze vertelkunst wel voldoende ontwikkeld is.
Wij mogen bij Hem komen eten. Er zijn plaatsen aan de dis gereserveerd.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik in februari 2010 schreef.
[2] Lucas 14:17-20.
[3] Zie hierover ook de webversie van de Studiebijbel.
[4] Lucas 14:21.

19 augustus 2014

De heerlijkheid genaakt

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

In Zondag 11 van de Heidelbergse Catechismus gaat het om ons behoud en om onze welvaart.
Jezus verlost ons “van al onze zonden”. Hij wordt Verlosser genoemd “omdat er bij niemand anders enig behoud te zoeken en te vinden is”[1].
De kwestie ligt scherp: “één van beide: òf Jezus is geen volkomen Verlosser, òf zij die deze Verlosser met waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben wat voor hun behoud nodig is”[2].
In Zondag 11 wordt duidelijk waarom de zaak zo scherp gesteld wordt.

Wij mogen en moeten alles van Jezus Christus verwachten.
Vrijwel meteen komt echter de vraag op: maar we moeten toch zelf ook aan de arbeid?
Bedrijven moeten winst maken, anders kunnen ze niet bestaan.
Als er ergens brand uitbreekt, moeten we de zaak wel blussen.
Als het dodelijke ebola-virus slachtoffers in Afrikaanse landen maakt, moet dat virus wel bestreden worden.
Natuurlijk is dat waar.

Maar er is een verborgen splitsing tussen die mensen in de bedrijven. Er zijn brandweerlieden in twee soorten. De virologen en de artsen zijn – onzichtbaar, maar toch – verdeeld in twee kampen.
Sommigen van hen zijn door de God van hemel en aarde uitverkoren om Zijn kind te zijn. Anderen horen niet bij Hem.

In 1 Corinthiërs 1 staat het zó: “wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren, dat, wat niets is, om aan hetgeen wèl iets is, zijn kracht te ontnemen”[3].
Voor de wereld heeft de kerk weinig betekenis. Zeker, de kerk heeft wel bestaansrecht. Maar de kerk maakt geen wereldomvattend beleid. Ach, de kerk heeft in de politiek weinig te vertellen.
En toch zijn alle kerkmensen even zoveel instrumenten in Gods hand: alle profane kracht, alle mondiale macht, alle wereldse wijsheid wordt – van bovenaf – door de Heer van hemel en aarde buiten werking gesteld.
Waarom?
Omdat Hij bezig is met de uitvoering van een heerlijk heilsplan. Een plan dat uitloopt op eeuwig geluk en permanente vrede voor al Zijn kinderen.
Niet alleen voor managers en zelfstandigen zonder personeel. Niet alleen voor brandweerlui. Niet alleen voor artsen en anderen die in de gezondheidszorg werkzaam zijn. Maar voor allen die God uitverkoren heeft.

Als wij ons dit realiseren, beseffen we dat haat en nijd in de kerk iets heel merkwaardigs zijn. Mensen die van hogerhand uitgekozen werden, en aan elkaar gegeven zijn maken toch geen ruzie? Want de Here weet toch wel wie Hij bij elkaar zet, en waarom?

Het initiatief om ons bij elkaar te zetten, is van Hem uit gegaan[4].
En nu zijn ware gelovigen in Christus. We leven in sterke verbondenheid met Hem. Want Hij heeft ons in Zijn verbond opgenomen. Daarom zullen wij elkaar ook moeten oproepen om in die stijl te leven.
Ware gelovigen zijn in Christus.
Dat wil – schrijft Paulus in Romeinen 8 – zeggen dat wij onze krachten niet meer alleen in dienst stellen van deze wereld; want de aarde houdt in deze vorm op te bestaan. Er komt oneindige hemelse vrijheid aan! Het staat er zo: “de schepping [zal] zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid (…) bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods”[5].
Dat wil – schrijft Paulus in Galaten 4 – zeggen dat onze positie ingrijpend verandert. We zijn nu geen knechten en slaven meer. We worden kinderen van God: zonen en dochters, compleet met alle rechten die daarbij horen. Het staat er zo: “Gij zijt dus niet meer slaaf, doch zoon; indien gij zoon zijt, dan zijt gij ook erfgenaam door God”[6].
Dat wil – schrijft Paulus in Philippenzen 3 – zeggen dat ons lichamelijk bestaan een fenomenale renovatie ondergaat. Ons lichaam wordt, op een manier die zelfs de knapste kop op aarde niet bedenken kan, geschikt gemaakt voor een hemels bestaan. Dat klinkt bij Paulus zo: “Want wíj zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten, die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen”[7].
Dat wil – schrijft Paulus in 2 Thessalonicenzen 2 – zeggen dat wij worden opgetild. We komen uiteindelijk terecht op het heerlijkheidsniveau waarop Jezus Christus zich nu al bevindt. In 2 Thessalonicenzen 2 formuleert de apostel dat zo: “Maar wij behoren God te allen tijde om u te danken, door de Here geliefde broeders, dat God u als eerstelingen Zich verkoren heeft tot behoudenis, in heiliging door de Geest en geloof in de waarheid. Daartoe heeft Hij u ook door ons evangelie geroepen tot het verkrijgen van de heerlijkheid van onze Here Jezus Christus”[8].

In Zondag 11 van de Heidelbergse Catechismus gaat het om ons behoud en om onze welvaart.
Maar dat gaat verder dan ons werk in de fabriek.
Dat gaat verder dan commercieel inzicht en zakelijke slimmigheid.
Dat gaat verder dan het blussen van branden.
Dat gaat verder dan onze virusbestrijding.
Zondag 11 geeft een nieuwe dimensie aan onze beroepsarbeid. Ons vrijwilligerswerk blijkt nu een nieuw formaat, een andere omvang te krijgen. Ja, al onze bezigheden komen in het licht te staan van de magnifieke verandering van de levens van Gods kinderen.

Ach – laten we ’t maar toegeven: in ons particuliere leven lijkt veel te gebeuren in de sfeer van het grote aanrommelen. Ons dagelijkse doen lijkt meestal niet meer dan het betere fröbelwerk.
Keuzes die wij maken blijken achteraf vaak niet zo goed als wij dachten.
Net als u de boel netjes voor elkaar lijkt te hebben, gebeurt er iets waardoor alle plannen door elkaar worden gegooid.
Het leven is maar al te vaak kommer en kwel. Ons denkraam lijkt te klein. En soms voelen wij ons weinig meer dan een stelletje minkukels. Maar laat het helder wezen: er valt over ons bestaan meer te zeggen als ‘Hoe vreselijk is dit alles’[9].
Onze levens krijgen nieuwe proporties. Onze levens ontvangen een nieuw richtpunt: de hemel, de woonplaats van God.
Het aardse bestaan krijgt zo een grandioze, grootse weidsheid.
De heerlijkheid genaakt. Wij naderen de hemel. Iedere dag komt die, om zo te zeggen, een stukje dichterbij!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 11, antwoord 29.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 11, antwoord 30.
[3] 1 Corinthiërs 1:28.
[4] In dit artikel gebruik ik onder meer de webversie van de Studiebijbel.
[5] Romeinen 8:21.
[6] Galaten 4:7. Zie hierover ook mijn artikel ‘Onze God en Vader’, dat hier op 5 augustus 2014 gepubliceerd werd. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2014/08/05/onze-god-en-vader/ .
[7] Philippenzen 3:20 en 21.
[8] 2 Thessalonicenzen 2:13 en 14.
[9] De termen ‘kommer en kwel’, ‘denkraam’, ‘minkukel’ en de zin ‘Hoe vreselijk is dit alles’ zijn afkomstig uit de verhalen over de stripfiguur Ollie B. Bommel. Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Olivier_B._Bommel . De stripfiguur werd bedacht door Marten Toonder (1912-2005).

18 augustus 2014

Antisemitisme en Romeinen 10

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: ,

Het woord ruist door bos en beemd.
Men leest of hoort het in de media.
Te pas en te onpas neemt het Neêrlands gepeupel het woord in de mond.
Antisemitisme. Dat is: Jodenhaat.

De term ‘antisemitisme’ komt uit de negentiende eeuw. Men zegt dat de Duitser Wilhelm Marr – een werkloze journalist die vond dat hij door toedoen van Joden zijn baan was kwijtgeraakt – ergens tussen 1870 en 1880 de term voor het eerst gebruikte[1].
Maar het verschijnsel zelf is al veel ouder.
De internetencyclopedie Wikipedia leert ons: “Vanaf het jaar 1096, aan het begin van de Eerste Kruistocht, de zogenaamde Duitse Kruistocht, toen in Duitsland in verschillende steden Joodse gemeenschappen werden uitgemoord door de boerenbevolking, is het een herhaaldelijk terugkerend verschijnsel in de geschiedenis. Eeuwenlang droegen de reacties op Joden een overwegend religieus karakter. Later viel de meeste nadruk op de economische trekken – een voorbeeld van economische antisemitische maatregelen is het feit dat Joden in Nederland geen lid mochten zijn van de gilden, waardoor zij niet werden toegelaten in veel beroepen behorende tot de middenstand”.
Men zegt dat in West-Europa een percentage van 24% van de bevolking momenteel antisemitische opvattingen heeft[2].

Zijn Gereformeerden ook antisemitisch? Joden en de eerste christenen waren toch al water en vuur?
Nee, men kan Gereformeerden zeker niet van antisemitisme betichten.

Laat ik, nu het hier om gaat, wijzen op de inzet van Romeinen 10: “Broeders, de begeerte mijns harten en mijn gebed over hun behoud gaan tot God uit. Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God bezitten, maar zonder verstand. Want onbekend met Gods gerechtigheid en trachtende hun eigen gerechtigheid te doen gelden, hebben zij zich aan de gerechtigheid Gods niet onderworpen. Want Christus is het einde der wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft”[3].

Dat betekent in de eerste plaats dat wij Joden het beste wensen. Het allerbeste. Namelijk de band met Christus.
Gereformeerde mensen kennen, als alles goed is, bewogenheid met Joden.
Wij gunnen de Joden zo graag ontspanning.
Die ontspanning verkrijgen zij als ze van de genade weten.
Niemand kan de zaligheid verdienen. Niemand komt de hemel binnen, als hij keurig op de weg van de wet blijft lopen. Joden niet. Grieken niet. En Nederlanders ook niet.
Christus’ gerechtigheid wordt ons, als wij in Hem geloven, toegerekend. Die geloofskennis geeft rust. Die Schriftuurlijke kalmte willen we Joden gaarne geven.

IJver voor de Here is een heel goede zaak.
Denkt u bijvoorbeeld maar aan Numeri 25: “Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft mijn toorn van de Israëlieten afgewend, doordat hij met een ijver voor Mij in hun midden heeft geijverd, zodat Ik de Israëlieten in mijn ijver niet heb verdelgd”[4].
Of aan 1 Koningen 19: Elia is met grote ijver voor de Here aan het werk geweest[5].
Nee, die grote godsdienstige activiteit is het probleem niet.
Maar, zegt Jezus tegen de Farizeeën, u bent reuze ambitieus; maar als u de gerechtigheid en de liefde voor de naaste uit het oog verliest is al die nijvere arbeid weinig waard. In de woorden van Mattheüs 23 klinkt het heel radicaal: “Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij geeft tienden van de munt, de dille en de komijn en gij hebt het gewichtigste van de wet verwaarloosd: het oordeel en de barmhartigheid en de trouw. Dit moest men doen en het andere niet nalaten. Gij blinde wegwijzers, die de mug uitzift, maar de kameel doorzwelgt”[6]. Zeg maar even: het moet niet gaan om regeltjes van kerkleiders, maar om de lessen die Christus ons leert. Te weten:
* rechtvaardigheid
* liefde
* barmhartigheid, medelijden.
Die lessen kunnen we nooit helemaal in de praktijk brengen. Natuurlijk niet. Zelfs de meest gewetensvolle christenen komen niet verder dan een klein begin van de gehoorzaamheid[7]. We mogen echter op zoek gaan naar “de vergeving van de zonden en de gerechtigheid in Christus”. Wij mogen bidden “om de genade van de Heilige Geest”. Zo staat dat in de Heidelbergse Catechismus[8].
Dat alles geeft evenwicht in het leven. De verbondenheid aan Christus en Zijn Geest verlost ons van de vraag: kom ik de hemel binnen, of toch niet? Dat geeft gemoedsrust. Die gerustheid gunnen wij Joden ook.

Intussen staat in Romeinen 10 wel: “Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God bezitten, maar zonder verstand”.
Zonder verstand nog wel!
Zijn Joden toch dwaze mensen?
Zijn zij gestoord en getikt?
Welnee. Dat is de bedoeling van Romeinen 10 helemaal niet. De bedoeling is: de Joden hebben geen kennis van Gods plan. Ze hebben, om het zo maar uit te drukken, geen verstand van Christus en de voortgang van de heilshistorie.
Zij begrijpen, met andere woorden, de impact van Hosea 6 niet: “Want in liefde heb Ik behagen en niet in slachtoffer, in kennis van God en niet in brandoffers”[9].
Als het over liefde gaat, draait alles ten diepste om liefde voor de Heiland. En om geloof in het reddingswerk dat Hij voor de wereld deed!

Christus is, schrijft Paulus, het einde der wet.
Telos staat er: einde. Telos heeft echter een dubbele betekenis:
* slot, uitkomst, vervulling
* doel
Christus zorgt er voor dat de wet zijn oorspronkelijke betekenis kwijt raakt.
En Christus is Zelf het nieuwe doel in het leven van Zijn volgelingen.
Hoe moeilijk of zwaar het leven ook is, altijd is er het heerlijke uitzicht op de plaats waar Hij woont, en op Hemzelf.
Dat uitzicht zou ik ook de Joden gaarne willen laten zien.

Gereformeerden en het antisemitisme: die staan werkelijk mijlenver bij elkaar vandaan!

Noten:
[1] Zie over Wilhelm Marr http://nl.wikipedia.org/wiki/Wilhelm_Marr .
[2] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Antisemitisme .
[3] Romeinen 10:1-4.
[4] Numeri 25:11.
[5] Zie bijvoorbeeld 1 Koningen 19:10. In antwoord op een vraag van de Here zegt Elia: “Ik heb zeer geijverd voor de HERE, de God der heerscharen, want de Israëlieten hebben uw verbond verlaten, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood, zodat ik alleen ben overgebleven, en zij trachten mij het leven te benemen”.
[6] Mattheüs 23:23 en 24.
[7] Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 44, antwoord 114: “…zelfs de allerheiligsten hebben in dit leven niet meer dan een klein begin van deze gehoorzaamheid, maar wel zo, dat zij met een ernstig voornemen niet slechts naar sommige, maar naar alle geboden van God beginnen te leven”.
[8] Heidelbergse Catechismus – Zondag 44, antwoord 115: “Ten eerste wil God, dat wij ons leven lang onze zondige aard steeds meer leren kennen en daardoor nog meer begeren de vergeving van de zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Ten tweede dat wij zonder ophouden ons inspannen en God bidden om de genade van de Heilige Geest, om steeds meer naar het beeld van God vernieuwd te worden, totdat wij na dit leven het doel, namelijk de volmaaktheid, bereiken”.
[9] Hosea 6:6.

15 augustus 2014

Waakt dan!

Onlangs kreeg ik een mailtje van een lezeres.
Zij berichtte me dat mijn artikel over Openbaring 6 haar aan het denken had gezet[1].

Zij dacht aan verzen uit Romeinen 8. Het dagboek dat zij momenteel leest – ‘Gedenkt en gelooft’ van de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant Van den Born – ging op de dag van dat e-mailtje over de volgende woorden: “Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard? Gelijk geschreven staat: om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen”[2].
Zij dacht aan Openbaring 6, en aan dat artikel dat ik schreef.
Zij dacht aan “die menigte vluchtelingen op die berg”.
Zij dacht aan woorden uit Mattheüs 24: “Leert dan van de vijgeboom deze les: Wanneer zijn hout reeds week wordt en de bladeren doet uitspruiten, weet gij daaraan, dat de zomer nabij is”[3].

Het e-mailtje zelf telde slechts vierendertig woorden.
Wat kan zo’n berichtje toch veelzeggend zijn!
Maar de vraag is: wat bedoelde die lezeres eigenlijk allemaal? In dit artikel wil ik proberen haar gedachtegang te volgen.

In voornoemd dagboek vraagt de schrijvende dominee zich af: is het mogelijk dat verdrukking of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard ons scheiden van Gods liefde? Komen we daardoor verder af te staan van de liefde die ons in Christus betoond wordt? Paulus leert ons dat dat niet het geval is.
Integendeel, ons geloof wordt versterkt. Tussen twee aandachtsstreepjes wijst Ds. Van den Born op Romeinen 5. U kent dat hoofdstuk wel. Ik citeer er twee verzen uit: “God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is. Veel meer zullen wij derhalve, thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van de toorn”[4].
De satan, de tegenstander van God, probeert te bewerkstelligen dat wij het geloof de deur uit doen. Hij verlangt – om met Lucas 22 te spreken – “ulieden te ziften als de tarwe”[5].
De Here en de satan: zij trekken allebei aan ons.
Maar het is belangrijk om te weten dat de satan bij dit alles geen initiatiefnemer is. De Here laat de verdrukkingen komen. De Here geeft macht aan de satan om mensen te verzoeken. Job is daar een sprekend voorbeeld van. Maar met dat al zorgt God dat Zijn lof nog groter wordt. Want Hij zorgt er Hoogstpersoonlijk voor dat wij gelovig dóórzetten. Wij volharden in het geloof. De Here schrijft “Zelf de muziek van de volharding der heiligen”.
We zijn meer dan overwinnaars. Dat betekent: onze triomf gaat boven aardse overwinningen uit. De dag van het grote gloriëren komt. Die garantie hebben wij omdat het begin en het einde van onze verlossing bij de Here liggen[6].

In deze wereld wordt mensen achternagezeten en vermoord. Vanwege hun geloof.

We horen van jezidi’s.
Die mensen hangen een geloofsovertuiging aan waarin, om zo te zeggen, allerlei stukjes van diverse godsdiensten terug te vinden zijn: het christendom, de islam, het zoroastrisme – een levensovertuiging waarin de mens in een eeuwige strijd tussen het goede en het kwade voortdurend de juiste keuzes moet maken – en het heidendom[7].
In Sinjar, een plaats in het noordwesten van Irak, bevindt zich een jezidische gemeenschap.
Die jezidi’s zijn naar de berg bij Sinjar gevlucht, omdat ze bedreigd werden door terroristen van IS – voorheen ISIS: de voorvechters van een islamitische staat.
Duizenden jezidi’s hebben op die berg vastgezeten. En een aantal zit er nog. Berooid. Zonder eten of drinken. De dood waarde er rond. Er zijn – onder meer vanuit Amerika – voedseldroppings uitgevoerd, om mensenlevens te redden.
Veel van die jezidi’s zijn inmiddels in veiligheid gebracht. Gelukkig maar. Want de toestanden op die berg waren mensonterend.
De beelden van die mensen op de berg en de frontlinies in Noord-Irak blijven in onze hoofden hangen. En de vragen stapelen zich op. Wat heeft dit voor zin? Waarom doen mensen dit elkaar aan? Waar eindigt dergelijk religieus fanatisme? Wie gaat hier wat aan doen? Enzovoort.
Dat alles komt, om zo te zeggen, voorbij in het korte e-mailtje van die lezeres.

En toch mogen we geloven dat de satan geen victorie kraaien kan.
Schijn bedriegt.
De God van hemel en aarde is al heel lang zeker van de eindoverwinning. Gereformeerde mensen geloven dat. Met heel hun hart!

Bij dat alles mogen we de les van de vijgenboom uit Mattheüs 24 niet vergeten.
U moet weten: bijna alle bomen in Palestina behouden in de winter hun loof. Maar zo niet de vijgenboom. Die wordt helemaal kaal; je zou zeggen dat die dood is. Maar nee, als de zomer op handen is wordt die toch weer groen. Alsof er een wonder gebeurt[8]!
Dat wonder wordt niet door mensen verricht. Heus niet. Hosea profeteert in hoofdstuk 9: “Als druiven in de woestijn vond Ik Israël; als vroege vijgen, als eerste opbrengst aan de vijgeboom, zag Ik uw vaderen. Zij echter gingen naar Baäl-Peor en wijdden zich aan de schandgod; daardoor werden zij even gruwelijk als het voorwerp van hun liefde”[9]. Daar kunnen kinderen van God – zondig als zij zijn – zomaar terecht komen. We zijn, met andere woorden, volstrekt afhankelijk van het genadige ingrijpen van God.

De gereformeerd-synodale theoloog Okke Jager (1928-1992) heeft eens gezegd: “De nieuwe kalender komt uit de hemel”[10].
Het is belangrijk om op de introductie van die nieuwe kalender voorbereid te zijn.
Wij plegen wel eens te vragen: in welke tijd leven we eigenlijk? En met de Prediker zeggen wij: “Alles heeft zijn uur en ieder ding onder de hemel zijn tijd”[11].
Het moet ons echter opvallen dat de Here Jezus het in Mattheüs 24 niet vaak over tijd heeft. Hij zegt slechts: “De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan. Doch van die dag en van die ure weet niemand, ook de engelen der hemelen niet, ook de Zoon niet, maar de Vader alleen”[12].
Als het erop aan komt, hoeven kinderen van God maar één ding te doen: “Waakt dan, want gij weet niet, op welke dag uw Here komt”[13].
Nee, wij kunnen de wereldgeschiedenis niet doorgronden. Niettemin gaan wij de toekomst vol vertrouwen tegemoet. Want de Here God gaat met ons mee. En de woorden van Psalm 102 zijn ons genoegzaam bekend:
“Gij, dezelfde, gistren, heden,
zult de toekomst tegentreden,
zult dezelfde zijn altijd,
eindeloos in majesteit.
Zo zult Gij uw trouw betonen,
ja, uw volk zal veilig wonen.
En de komende geslachten
zal altoos uw vrede wachten”[14].

Noten:
[1] Het bedoelde artikel – ‘Verdrukking en verwachting’ – is op deze site te vinden. Kijk op https://bderoos.wordpress.com/2014/08/13/verdrukking-en-verwachting/ .
[2] Romeinen 8:35 en 36.
[3] Mattheüs 24:32.
[4] Romeinen 5:8 en 9.
[5] Lucas 22:31.
[6] E.Th. van den Born, “Gedenkt en gelooft”; Bijbels dagboek. – 13 augustus. – Groningen, 1967. Dominee Van den Born leefde van 1900 tot 1982.
[7] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Jezidi%27s , http://nl.wikipedia.org/wiki/Zoroastrisme , http://nl.wikipedia.org/wiki/Maniche%C3%AFsme .
[8] Zie hiervoor de webversie van de Studiebijbel.
[9] Hosea 9:10.
[10] Zie over dr. Okke Jager http://www.dbnl.org/tekst/bork001schr01_01/bork001schr01_01_0536.php .
[11] Prediker 3:1.
[12] Mattheüs 24:35 en 36.
[13] Mattheüs 24:42.
[14] Psalm 102:13 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

14 augustus 2014

Blik op de vroege kerk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , , , ,

“Verlies identiteit ondermijnt gezindte”, kopte het Reformatorisch Dagblad enkele jaren geleden al[1].
Dat klinkt niet best.
Is het echt zo erg?
Wat is er aan de hand?
Zijn wij slapjanussen geworden? Laten wij in dat geval de wapens snel weer opnemen!

Dr. K. van der Zwaag, journalist bij het Reformatorisch Dagblad, sprak eens: ”Met het verdwijnen van kennis van onze oorspronkelijke traditie zijn we de vastheid van beginselen kwijtgeraakt die in het verleden met alle vuur en overtuigingskracht gepropageerd werden”.
Indertijd werd ook gezegd: “Eerlijke toetsing van woorden van mensen aan het Woord van God is dan de remedie. Ook is het belangrijk om te kunnen communiceren met de wereld. ‘Van het slagen hiervan hangt, menselijk gesproken, de toekomst van de zuil en van de reformatorische kerken af’”[2].

Van der Zwaag pleit dus onder meer voor “vastheid van beginselen”. Die vastheid wordt, zo meent hij, bevorderd door de “kennis van onze oorspronkelijke traditie”.

En inderdaad, het is nuttig om terug te kijken.
Als wij dat doen, merken we dat velen, zeer velen, pogingen hebben gedaan om die vastheid van beginselen aan te tasten.

In het Nieuwe Testament is dat al wel te zien. Ik geef twee voorbeelden.
Voorbeeld 1:
De apostelen werden bij het sanhedrin op het matje geroepen. Wij lezen dat in Handelingen 4: “En toen zij (dat zijn de schriftgeleerden) hen (dat zijn de apostelen) binnengeroepen hadden, bevalen zij hun in het geheel niet meer te spreken over of te leren op gezag van de naam van Jezus. Maar Petrus en Johannes antwoordden en zeiden tot hen: Beslist zelf, of het recht is voor God, meer aan u dan aan God gehoor te geven; want wij kunnen niet nalaten te spreken van wat wij gezien en gehoord hebben. Maar zij dreigden nog meer, doch lieten hen vrij, daar zij geen vorm konden vinden om hen te straffen – en wel om het volk”[3].
Voorbeeld 2:
Stefanus zei in Handelingen 7 tegen de hogepriester en de zijnen: “Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij verzet u altijd tegen de heilige Geest; gelijk uw vaderen, zo ook gij”. De reactie van de kerkelijke leiders laat aan duidelijkheid niets te wensen over: “Toen zij dit hoorden, sneed het hun door het hart en zij knersten de tanden tegen hem”[4].
Uit beide voorbeelden blijkt zonneklaar: vastheid van beginselen leidt maar al te vaak tot problemen. Of, met andere woorden: als christenen duidelijk zeggen waar het op staat ontmoeten zij tegenstand.

Die standvastigheid is van het allergrootste belang.
Als menselijke factoren een te nadrukkelijke rol gaan spelen verwatert het Evangelie.
Als onnauwkeurigheid en nonchalance aan de orde zijn, wordt Gods blijde Boodschap snel verminkt. Soms onbewust, wellicht. Maar toch.

Het kost weinig moeite om dat in de geschiedenis van de vroege kerk te ontdekken[5].
Marcion (ca. 110-160 na Christus) zei dat de God van het Oude Testament niet dezelfde is als God de Vader van Jezus Christus in het Nieuwe Testament.
Arius (256-ongeveer 336) meende dat Jezus Christus geen God is. Nee, suggereerde hij, Jezus is het eerst geschapen schepsel.
Sabellius, een theoloog uit de derde eeuw, leerde dat God slechts uit één Persoon bestaat.
Er is, kortom, in de eerste eeuwen van de kerk heel wat afgestreden.
Sommige zaken uit die eerste eeuwen vertonen wel wat overeenkomsten met de actualiteit.
Ik noem de soms nogal gekunstelde scheiding tussen de Oudtestamentische Tien Geboden en de nieuwtestamentische wet- en regelgeving.
En er is meer. Veel mensen menen dat Jezus, als het puntje bij ’t paaltje komt, een gewoon mens was. Men wil nog wel toegeven dat Hij bijzonder voorbeeldig heeft geleefd. Maar de gedachte dat Hij God is wordt door velen afgewezen.
De geleerden van onze tijd zijn soms minder origineel dan ze zelf denken!

Sommige vraagstukken zijn problemen van alle tijden.
Ik wijs u op de zaken die Origenes benoemde. Origenes leefde van circa 185-254.
Waarom, zo vroeg Origenes zich onder meer af, krijgt de ene mens in zijn leven meer kansen dan de andere? Iemand schreef daarover: “Origenes tracht Gods handelen met mensen te rechtvaardigen. Hij suggereerde daarom dat de menselijke ziel het vorige bestaan weerspiegelt, de ziel is pre-existent. Hij spreekt daarbij over psychè [ziel] en psychros [kil, verkilling]. Het aardse bestaan is de verkilling van de ziel. Deze ‘val’ is niet voor ieder mens gelijk. Hierin weerspiegelen zich de verschillende ‘kansen’ van de mensen”. De ene zielenkilte is de andere niet, vond Origenes dus. Ik weet natuurlijk niet hoe het u vergaat, maar dat verhaal over zielenkilte vind ik enigermate merkwaardig. Maar het is, denk ik, wel helder dat dat verschil in ontplooiingsmogelijkheden voor mensen al vele eeuwen actueel is.
Nee, het probleem van Origenes was niet zo origineel. Het doet een beetje denken aan de denkwereld van Asaf. Asaf wilde eigenlijk ook wel weten hoe het zit met dat verschil in kansen voor mensen. In Psalm 73 zei hij:
“Zie, zo zijn de goddelozen,
altijd onbezorgd vermeerderen zij het bezit.
Maar tevergeefs heb ik mijn hart rein gehouden,
mijn handen in onschuld gewassen.
De ganse dag word ik geplaagd,
mijn bestraffing is er elke morgen”[6].
En: “Ik tobde erover om dit te begrijpen,
een kwelling was het in mijn ogen,
totdat ik in Gods heiligdommen inging,
en op hun einde lette.
Waarlijk, Gij stelt hen op glibberige plaatsen,
Gij doet hen instorten tot puin”[7].

Is er eigenlijk nog wel iemand op wie je in deze wereld altijd rekenen kunt?
Zeker wel.

Wie met een gelovig hart op deze aarde rondkijkt zal alras ontdekken dat de liefde van God de constante factor is in heel de geschiedenis van wereld en kerk.
Augustinus (354-430) ontdekte dat ook.
Eens, terwijl hij in een tuin in Milaan zat, hoorde hij een kind ‘Neem en lees’ zingen. Heel even had Augustinus het idee dat God rechtstreeks tegen hem praatte. Hij nam zijn Bijbel ter hand en sloeg die open in Romeinen 13. Het lezen van dat Schriftgedeelte was voor Augustinus een ware bevrijding. Zijn zwakke wil werd tot een sterke wilskracht.
Later zou de kerkvader verklaren dat deze plotselinge ommekeer volledig voor rekening van God kwam.
Augustinus had begrepen hoe groot de liefde van God is.
Laten wij die liefde vooral nooit uit het oog verliezen!

Wat zal ik verder nog schrijven?

De Here heeft apostelen en profeten opgedragen Zijn geopenbaarde Woord op schrift te stellen[8].
Zo komt het dat wij Romeinen 13 vandaag de dag ook kunnen lezen.
Ter stimulering van ons allen wil ik vandaag besluiten met een citaat uit dat Bijbelgedeelte.
“Zijt niemand iets schuldig dan elkander lief te hebben; want wie de ander liefheeft, heeft de wet vervuld. Want de geboden: gij zult niet echtbreken, gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, gij zult niet begeren en welk ander gebod er ook zij, worden samengevat in dit woord: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. De liefde doet de naaste geen kwaad; daarom is de liefde de vervulling der wet.
Gij verstaat immers de tijd wel, dat het thans voor u de ure is om uit de slaap te ontwaken. Want het heil is ons nu meer nabij, dan toen wij tot het geloof kwamen. De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij. Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts!”[9].
Die wapens waren in de eerste eeuwen na Christus volop beschikbaar.
Anno Domini 2014 is dat niet anders.
Laten we ons maar met die wapens kleden. Dan kunnen we alle aanvallen weerstaan!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik in februari 2010 schreef.
[2] “Verlies identiteit ondermijnt gezindte”. In: Reformatorisch Dagblad (18 februari 2010), p. 2. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[3] Handelingen 4:18-21.
[4] Handelingen 7:51 en 54.
[5] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van http://www.vroegekerk.nl/content.php?id=117 , http://www.vroegekerk.nl/content.php?id=7#_0204 en http://www.vroegekerk.nl/content.php?id=13 .
[6] Psalm 73:12, 13 en 14 (onberijmd).
[7] Psalm 73:16, 17 en 18.
[8] Zie Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 3: “Wij belijden dat dit Woord van God niet is voortgekomen uit de wil van een mens, maar dat mensen, door de Heilige Geest gedreven, van Godswege gesproken hebben, zoals de apostel Petrus zegt (…). Daarna heeft God in zijn bijzondere zorg voor ons en ons behoud zijn knechten, de profeten en apostelen, geboden zijn geopenbaarde Woord op Schrift te stellen, en zelf heeft Hij met zijn vinger de twee tafelen van de wet geschreven. Hierom noemen wij zulke geschriften heilige en goddelijke Schriften”.
[9] Romeinen 13:8-12.

« Vorige paginaVolgende pagina »

Blog op WordPress.com.