gereformeerd leven in nederland

30 september 2014

De dood overwonnen

“Ten eerste heeft Hij door zijn opstanding de dood overwonnen, om ons te doen delen in de gerechtigheid, die Hij door zijn dood voor ons had verworven”[1].
Die volzin staat in de Heidelbergse Catechismus. U vindt ‘m in Zondag 17.
Daar wordt de kern van het Evangelie zichtbaar: de dood is overwonnen.

Die blijde Boodschap moeten we in deze wereld goed belichten.
In de familie hebben we soms met sterfgevallen te maken.
In de kerk wordt het voor de eredienst afgekondigd als een broeder of zuster overleden is. En wij denken misschien bij onszelf: weer één weg…
Wij zien de rouwadvertenties in de dagbladen.
De journaals op televisie en radio tonen moord en doodslag.
En toch, geachte lezers, is er voor ware gelovigen geen reden om moedeloos en lusteloos te worden. Want: de dood is overwonnen.

Dat is ook de boodschap van Openbaring 12: “En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad, tot in de dood”[2].
In dat vers lezen we over de gelovigen die vanwege hun belijdenissen gedood zijn. De satan is uitgeschakeld.

Voor ‘overwonnen’ staat daar het Griekse woord enikesan, een vorm van het woord nikao. Dat woord wordt gebruikt bij de winst in een oorlog, maar ook als een rechtszaak gewonnen wordt[3].
Wie dat tot zich door laat dringen begrijpt wat er in Openbaring 12 eigenlijk staat: satan heeft de oorlog verloren, maar een rechtszaak heeft geen zin meer – want die heeft Gods tegenstander in de gegeven omstandigheden bij voorbaat verloren.

Met nauw verholen vreugde wijs ik u op het perspectief in dit Schriftgedeelte: ‘Zij hebben Hem overwonnen’.
De strijd is al gestreden.
Het gevecht is ten einde.
De arena blijft vanaf heden ongebruikt, want iedere vorm van oorlog gaat de wereld uit.
Voor ons is dat ongelooflijk. Immers, voor ons gevoel zitten wij midden in het strijdgewoel.
En er wordt, menen wij, aan alle kanten aan ons getrokken. Dat laatste is overigens geen verbeelding. Denkt u maar aan datgene wat Jezus in Johannes 6 zegt: “Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen door God geleerd zijn. Een ieder, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij. Niet, dat iemand de Vader gezien heeft; alleen die van God komt, die heeft de Vader gezien. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie gelooft, heeft eeuwig leven”[4].
Jazeker, er wordt flink aan ons getrokken.
Maar we weten al Wie er heeft gewonnen.

Dat alles moeten wij in dit aardse leven vasthouden.
Maar hoe lukt ons dat?
De protestantse emerituspredikant dr. B. Wentsel zei daar onlangs over: bestrijding van afval kan alleen door “verbondstrouw, onderricht, wandel en zang”.
Hier staan dus centraal:
* het geloof in Gods beloften
* het leven naar de Verbondseis
* het blijven geven van kerkelijk onderwijs; de catechese en het pastorale onderwijs in de huizen
* de wandeling met God in de praktijk van het dagelijkse leven
* het blijven zingen van psalmen, gezangen en geestelijke liederen.
In dat alles mogen wij er vast op vertrouwen dat de hemelse God Zijn kinderen blijft vastpakken om hen de goede kant op te sturen.

Die verbondstrouw wordt al aan het begin van een mensenleven bezegeld: in de doop namelijk. Bij jonge ouders raakt de doop steeds vaker uit beeld. Men hecht aan andere rituelen: het opdragen en zo.
Dr. Wentsel zei daarover: “Pas de jongste lichting brak met deze gewoonte door ongeloof en individualisme. Maar waarom zouden we niet terugkeren tot een beproefde traditie? De uit God geboren ouders overwinnen met het wapen van het geloof de wereld, de satan en demonen. Zij verwekken en baren kinderen, vertrouwend dat deze Geest ook hun kinderen dit overwinnend geloof schenkt”[5].
Laten wij wel wezen: het vertrouwen op God kan feitelijk niet meer worden beschaamd. De dood is immers al overwonnen? Laten Gereformeerden daarom hun dooppraktijk maar gewoon handhaven!

In Nederland sluit het ene na het andere kerkgebouw.
En wat komt er voor in de plaats? Overal verrijzen moskeeën!
Zien en begrijpen wij nog wel dat dat de consequentie is van secularisatie en ongeloof in ons vaderland? Als u het mij vraagt is de antithese – de kloof tussen kerk en wereld – een kwestie die ook vandaag aan de orde van de dag is.

Laat ik nog even terugkeren naar Openbaring 12.
Stelt u zich eens voor dat de martelaren uit dat Schriftgedeelte hun mond hadden gehouden. In dat geval hadden zij waarschijnlijk een tamelijk vredig leven geleid. Maar dat gebeurde niet. Nee, zij deden hun mond open. En toen zij te lastig dreigden te worden, werden ze gedood. Monddood gemaakt, naar het scheen. Maar zo was het niet. Juist door hun sterven toonden zij de realiteit van de overwinning van Christus op de satan!

Daarom kunnen wij in Zondag 17 van de Heidelbergse Catechismus volmondig belijden: Christus heeft “door zijn opstanding de dood overwonnen, om ons te doen delen in de gerechtigheid, die Hij door zijn dood voor ons had verworven”[6].

En met een gerust hart kunnen wij Openbaring 12 blijven voorlezen: “Daarom, verheugt u, gij hemelen en wie daarin wonen. Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u nedergedaald in grote grimmigheid, wetende, dat hij weinig tijd heeft”[7].

Ja – de Openbaring van Johannes is, voor wie in Christus gelooft, een troostrijk boek.
En nee – de belijdenis van Zondag 17 uit de Heidelbergse Catechismus mogen wij ons nooit uit handen laten slaan.

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 17, antwoord 45.
[2] Openbaring 12:11.
[3] Zie hiervoor de webversie van de Studiebijbel; verklaring van Openbaring 12:11.
[4] Johannes 6:44-47.
[5] Klaas van der Zwaag, “Dr. B. Wentsel: een eenzaam strijder tegen de tijdgeest”. In: Reformatorisch Dagblad, zaterdag 13 september 2014, p. 2. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[6] Heidelbergse Catechismus – Zondag 17, antwoord 45.
[7] Openbaring 12:12.

29 september 2014

Zendingsdrang

Dit jaar bestaat de Protestantse Kerk in Nederland tien jaar. Dat is, zo wordt in PKN-kringen opgemerkt, “een missionair moment”. Op zondag 14 september jongstleden is er in dat kader een kerkdienst gehouden. Die dienst werd zelfs rechtstreeks op televisie uitgezonden.
Dr. A.J. Plaisier, scriba van de Protestantse Kerk, hoopt dat “broeders en zusters die behoren tot het ene lichaam van Christus elkaar weer zullen vinden. Dat het tot wederzijdse schuldbelijdenis komt en wederzijdse verzoening en dat we elkaar mogen vinden in het Evangelie van onze Heer en Heiland, zowel tussen kerken die al langer van elkaar gescheiden zijn, als tussen kerken die dat nog maar zo recent zijn”[1]. Plaisier doelt daarmee onder meer op het ontstaan van de Hersteld Hervormde Kerk.
Er is een PKN, jazeker. Maar in het proces daar naar toe zijn er heel veel pijnlijke dingen gebeurd. En die gebeuren nog; het ledenverlies is in de laatste jaren fors geweest.
In die zin is dit moment helemaal niet zo missionair.

Het bovenstaande roept vragen op.
Maar de situatie in de PKN is, wat mij betreft, vooral een uitnodiging om eens naar onszelf te kijken.
Waarom hebben ware christenen zendingsdrang?
En wanneer zijn we met Schriftuurlijk verantwoorde zending bezig?

Het enige echte antwoord op de eerste vraag is: omdat de Here de wereld bestuurt. En omdat Hij mensen aanstuurt.
Dat zien we op heel veel plaatsen in de Bijbel terug.

Ik wijs u op Genesis 45, waar Jozef tegen zijn broers zegt: “Maar weest nu niet verdrietig en ziet er niet zo ontsteld uit, omdat gij mij hierheen verkocht hebt, want om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uit gezonden. Want reeds twee jaren is er hongersnood geweest in dit land en er komen nog vijf jaren, waarin niet geploegd of geoogst zal worden. Daarom heeft God mij voor u uit gezonden om u een voortbestaan te verzekeren op aarde, en om voor u een groot aantal geredden in het leven te behouden. Dus zijt gij het niet, die mij hierheen gezonden hebt, maar God; Hij heeft mij gesteld tot Farao’s vader en tot heer over geheel zijn huis en tot heerser in het gehele land Egypte”[2]. De Here heeft mij gestuurd, belijdt Jozef.
Graag attendeer ik u ook op Exodus 3: “Toen zeide God tot Mozes: Ik ben, die Ik ben. En Hij zeide: Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: Ik ben heeft mij tot u gezonden”[3].
In het Nieuwe Testament wordt de Zoon van God naar de aarde gestuurd. Denkt u maar aan Lucas 4: “En Hem werd het boek van de profeet Jesaja ter hand gesteld en toen Hij het boek geopend had, vond Hij de plaats, waar geschreven is: De Geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen; en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren. Daarna sloot Hij het boek, gaf het aan de dienaar terug en ging zitten. En de ogen van allen in de synagoge waren op Hem gericht. En Hij begon tot hen te zeggen: Heden is dit schriftwoord voor uw oren vervuld”[4].
Denkt u ook maar aan 1 Petrus 1. Aan Oudtestamentische profeten “werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn bij monde van hen, die door de heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht, in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan”[5].
Of aan Openbaring 22: “En Hij zeide tot mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig, en de Here, de God van de geesten der profeten, heeft zijn engel gezonden om zijn knechten te tonen hetgeen weldra geschieden moet”[6].
De Here bestuurt de wereld.
Soms doet Hij dingen die op het eerste gezicht onbegrijpelijk lijken, maar later toch heel logisch blijken te wezen.

De bevrijding die de Here realiseert ziet er heel anders uit dan wij wenselijk vinden. Maar de Here vraagt geloof; dat is dus wat anders dan inzicht.
Als Jezus in Lucas 4 spreekt over de vervulling van een Schriftwoord, is dat ongelooflijk.
En trouwens: de Oudtestamentische profeten kregen bijzondere Geestesgaven om te kunnen troosten en te kunnen waarschuwen. Met menselijk denkwerk slagen wij er immers niet in om eeuwen vooruit te kijken.
Wie de Openbaring van Johannes leest, ziet de grote lijnen van de wereldgeschiedenis. Laten we eerlijk zijn: het is moeilijk om die lijnen met onze ogen te volgen.
Wat kunnen wij doen? Bewonderend toekijken, bijvoorbeeld. We kunnen ons ook gewillig laten gebruiken als Goddelijk instrumentarium; daar wordt het leven rijker van!

Hierboven noemde ik de Openbaring van Johannes. Nu we daar toch zijn, is het nuttig om daar nog even te blijven.
Dan kunnen we meteen die tweede vraag van hierboven beantwoorden: wanneer zijn we met Schriftuurlijk verantwoorde zending bezig?
In Openbaring 22 lezen we ook: “Ik betuig aan een ieder, die de woorden der profetie van dit boek hoort: Indien iemand hieraan toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen, die in dit boek beschreven zijn; en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn”[7].
Met andere woorden: het Evangelie van de Here Jezus Christus moet helemaal gepredikt worden. De blijde Boodschap mag niet op menselijke maat gesneden worden; men mag niet naar believen zaken weglaten of toevoegen. Met mag niet het ene accentueren en het andere wegmoffelen. In de boodschap die de kerk verkondigt, moet de Redder der wereld centraal staan; overheersende aandacht voor mensen is uit den boze.

Het hoeft geen betoog dat de Protestantse Kerk Gods Woord op heel veel punten tekort doet.

Even zo goed is dat missionaire moment van hierboven een leermoment voor ware gelovigen van 2014.
Wij behoren te beseffen dat wij met een missie de wereld in gezonden worden. Wij nemen onze plaats in, ieder zijn of haar eigen plaats.
En wij mogen het zeggen:
“Alleen Gods weg kan tot het doel geleiden,
zijn woord is waar en zuiver t’ allen tijde.
Hij is een schild, een schuilplaats in de strijd,
voor al wie bij hem zoekt naar veiligheid”[8].
Die boodschap klinkt simplistisch in een wereld die, op allerlei manieren, steeds ingewikkelder wordt.
Maar het is de waarheid.
Niets meer.
En niets minder.

Noten:
[1] Zie: “Tien jaar Protestantse Kerk is ‘missionair moment’”. In: Reformatorisch Dagblad (woensdag 3 september 2014), p. 2. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[2] Genesis 45:5-8.
[3] Exodus 3:15.
[4] Lucas 4:17-21.
[5] 1 Petrus 1:12.
[6] Openbaring 22:6.
[7] Openbaring 22:18 en 19.
[8] Psalm 18:9 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

26 september 2014

Doorgeleid of bekommerd?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

“Oma Melis was een doorgeleid mens, opa Melis leefde als een bekommerde man”. Aldus sprak onlangs dominee P. Melis, predikant in het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten[1]. De voorganger vierde zijn vijfentwintigjarig ambtsjubileum, en werd deswege door het Reformatorisch Dagblad in woord en beeld geportretteerd.
Ik heb even tegen zijn formulering aan zitten kijken.

Doorgeleid!
Dat is een term die ons aan de Psalmen doet denken. Bijvoorbeeld de drieënveertigste:
“Zend uw licht en uw waarheid;
mogen die mij geleiden,
mij brengen naar uw heilige berg
en naar uw woningen”[2].

Bekommerd!
Dat woord brengt ons bij Schriftgedeelten als Psalm 38:
“want ik belijd mijn ongerechtigheid,
ik ben bekommerd vanwege mijn zonde”[3].

Mensen uit de Gereformeerde Gemeenten lopen niet de gehele dag treurend rond. Zeker niet. Maar diep in hun hart knaagt blijkbaar die voortdurende onzekerheid: ben ik wel goed genoeg?

De Here moet, naar men zegt, mensen er door leiden.
Net als bijvoorbeeld Paulus. Een dominee typeerde het leven van deze apostel eens zo: “Paulus was geoefend in de genade en doorgeleid in de diepten en heilgeheimen van het zalig worden ‘om niet’. Hij had hier deel aan gekregen door het geloof. Dit waar zaligmakend geloof werkt de liefde. De liefde tot God en de liefde tot de medemens”[4].

Moet men ingewijd zijn in de geheimen Gods? Je zou het haast denken. Want Paulus schrijft in Philippenzen 4: “Ik weet wat armoede is en ik weet wat overvloed is. In elk opzicht en in alle dingen ben ik ingewijd, zowel in verzadigd worden als in honger lijden, zowel in overvloed als in gebrek”[5].
De Hebreeënschrijver heeft het in hoofdstuk 10 over “nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft”[6].

Het is – dunkt mij – belangrijk om dat doorleiden, dat inwijden, niet van de tekstverbanden los te zien.

In Psalm 43 zegt de dichter:
“Doe mij recht, o God, en voer mijn rechtsgeding
tegen een volk zonder godsvrucht;
doe mij ontkomen aan de man van bedrog en onrecht”[7].
Dus: de Here moet de rechtszaak voeren. Het is niet zo dat de Here moet letten op menselijke kwaliteiten. De redding hangt, blijkens deze Psalm, helemaal van de Verbondsgod af.
Daarom eindigt Psalm 43 ook veelbelovend:
“Wat buigt gij u neder, o mijn ziel,
en wat zijt gij onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem nog loven,
mijn Verlosser en mijn God!”[8].
De hoop van Psalm 43 geeft de dichter zekerheid. De lof voor de Here zal klinken!

De schrijver van Psalm 38 is nogal bekommerd. Bezwaard. Angstig. Beklemd. Dat bleek hierboven al.
Maar met dat al mogen we niet vergeten dat de psalmist in zijn lied reeds heeft gezegd:
“Want op U, HERE, hoop ik;
Gij immers zult antwoorden, Here, mijn God”[9].
Daar is die hoop weer.
Daar is die zekerheid weer. De Here zal antwoord geven.
Zou dat anno Domini 2014 geheel anders wezen? Ik zou niet weten waarom!

In Philippenzen 4 schrijft Paulus: “Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God. En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus”[10].
Wie gebedscontact met God heeft, weet zeker dat hij – vanuit de hemel – speciale bescherming geniet. Dat is geen kwestie van: ‘ik moet nog maar zien of het allemaal goed komt’. Het is een Goddelijke garantie die ons leven evenwichtig en rustig maakt.
Als ik citaten van mensen als dominee Melis lees, denk ik: vertrouwt u wel echt op God?

In Hebreeën 10 noteert de scribent dat wij “volle vrijmoedigheid” bezitten om de hemel binnen te treden. Parresian staat daar. Dat woord duidt er op
* dat wij recht van spreken hebben
* dat we bevoegd zijn om binnen te komen
* dat de toegang van Gods hemel voor ons gegarandeerd geopend is.
Hoe kan dat? Wel, Christus’ bloed heeft gevloeid. Nu is de hemelpoort voor altijd open[11].
In Hebreeën 10 zegt de schrijver zonder omwegen: “laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs”[12].

De Here Zelf zal ons naar Zijn toekomst leiden.
Daarom is iedere vorm van bekommernis onzerzijds misplaatst.
Laten wij nu maar gewoon op Gods weg blijven lopen.
Vrijmoedig.
En blijmoedig.

Noten:
[1] Zie: “Van weg- en waterbouw naar Woord en sacrament”. In: Reformatorisch Dagblad (18 september 2014), p. 9. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[2] Psalm 43:3 (onberijmd).
[3] Psalm 38:19.
[4] Zie: W.J. van Pelt, “Verslag afscheidsdienst ds. G.M. de Leeuw van Ridderkerk”. In: De Saambinder (13 december 2012), p. 12 en 13. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[5] Philippenzen 4:12.
[6] Hebreeën 10:20.
[7] Psalm 43:1 (onberijmd).
[8] Psalm 43:5 (onberijmd).
[9] Psalm 38:16.
[10] Philippenzen 4:6 en 7.
[11] Zie de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Hebreeën 10:19-25.
[12] Hebreeën 10:22 a.

25 september 2014

Daniël 6 en het meervoud in de kerk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Soms is Gods Woord hard[1].
Keihard.
Zo spijkerhard dat een argeloze lezer denkt: is dit nu wel eerlijk?

Als voorbeeld neem ik Daniël 6. Dat voorbeeld is trouwens niet geheel willekeurig gekozen. Dat zal nog wel blijken.

In Daniël 6 staat de geschiedenis betreffende Daniël in de leeuwenkuil. Die historie is wel bekend. Wij weten wel dat Daniël geheel ongeschonden uit de leeuwenkuil te voorschijn kwam.
Maar nu die tegenstanders.
Wat gebeurde er met hen?
Ik citeer: “En de koning gaf bevel, en men haalde die mannen die de aanklacht tegen Daniël ingebracht hadden en wierp hen in de leeuwenkuil, hen, hun kinderen en hun vrouwen, en zij hadden de bodem van de kuil nog niet bereikt, of de leeuwen maakten zich van hen meester; zelfs al hun beenderen vermorzelden zij”[2].
Ja, het staat er echt: “…hen, hun kinderen en hun vrouwen”.
Is dat nu wel eerlijk?

Jaren geleden zat een huisvriendin bij ons aan tafel. Er was een tijd dat zij onze bovenbuurvrouw was. Daarna bleef zij een huisvriendin. Zij is niet Gereformeerd. Maar ze luistert graag naar de lezing van Gods Woord. Liefst met een verklaring erbij.
Indertijd lazen wij Daniël 6.
Het oordeel over Daniëls tegenstanders verbijsterde onze vriendin. ‘Is dat nou wel eerlijk?’, vroeg ze. ‘Die vrouwen en die kinderen konden er toch niets aan doen?’.

Die reactie vonden wij wel begrijpelijk.
Wat hebben wij geantwoord? Wij hebben ongeveer het volgende gezegd.
‘Geloven is belangrijk. Het is onze redding. Het is de enige manier om te overleven. Maar geloven is niet alleen van belang voor ons persoonlijke leven. Het heeft ook alles te maken met onze kinderen. En ook met de mensen om ons heen. En dat laat Gods Woord ons ook zien’.
Dat hebben wij gezegd.

Meestentijds concentreren predikers zich op de levende God die zich in Daniël 6 manifesteert. En natuurlijk is dat helemaal terecht. We zien de macht van God. En de reikwijdte daarvan wordt door koning Arius geproclameerd.
Maar de scherpte van dat Woord wordt gaarne een beetje weggeslepen.
Tegenstanders worden door God gedood. Hun hele hebben en houden gaat eraan.
Die kant laten we maar liever zitten.
Dat is vreemd.
Want voor de kerk is Daniël 6 een stimulans om met Hem te blijven wandelen. Juist omdat we weten hoe het met Zijn tegenstanders kan aflopen, realiseren we ons des te meer dat ons hele leven een getuigenis zal moeten zijn!

Nu is het vandaag de dag in de mode om te zeggen: het doel van de kerk ligt vooral in de samenleving. Er was eens een kerkhistoricus in Tilburg die sprak: “Kijk hier. Ruim de helft van de studenten noemt zich religieus, dus de vraag ligt er. Maar het aanbod van de grote kerken sluit niet meer aan op de individuele vraag naar religie. Daar worstelt de katholieke kerk, maar ook protestantse kerk in Nederland mee. De kerk moet iets doen om duidelijk te maken dat je de religie bij de kerk vindt. En het is dan te simpel om te antwoorden: ’U vraagt in de verkeerde richting, dus bent U ons aanbod niet waard’”. En: “Je hebt mensen die voor de eucharistieviering komen, maar ook mensen die alleen in het koor zingen en alleen in de kerk zijn als ze moeten zingen. Er zijn zeer trouwe vrijwilligers en mensen die alleen in de kerk komen bij een begrafenis. Al die mensen moet de kerk serieus nemen. Ook de kritische gelovigen”[3].

Die samenleving is belangrijk.
Maar is die samenleving het doel van de kerk?
Nee.
De maatschappij is voor de kerk niet meer dan een pleisterplaats. Een tussendoel, plegen wij heden ten dage te zeggen. Want het uiteindelijke doel van de kerk is: God de eer die Hem toekomt. Bij die lof op God moeten zoveel mogelijk mensen betrokken worden.
Wij maken daarbij dan gebruik van de gaven die mensen hebben. Jazeker.
Maar die gaven gebruiken we vervolgens gezamenlijk ter ere van Hem.

En wij geven elkaar het goede voorbeeld.
Dat voorbeeld geven we aan onze kinderen.
En als wij kinderloos zijn, is daarmee niet alles gezegd.
Want we mogen het ook aan de mensen in onze omgeving laten zien: wij vertrouwen op God. Nee, zelf zijn wij geen ijzersterke mensen. Maar wij geven ons leven aan Hem over. En wij geloven het: nu komt het goed. Want Zijn beloften worden waar.
De kinderen moeten dat goede voorbeeld weer aan hun kinderen geven. En zo komt dat door de generaties heen. Zo wordt de Here door alle geslachten geëerd.

Dat geloven wij. Zo werkt het in de kerk. In de kerk spreken wij daarom meestal niet in het enkelvoud. Het meervoud staat bovenaan. In de kerk is het niet simpelweg ‘ik’. Meestal is het ‘wij’. Want God neemt ons mee naar Zijn toekomst. Met andere woorden: ik wandel niet op mijn eentje met Hem door deze wereld.

Daniël zei: “O, koning, leef in eeuwigheid! Mijn God heeft zijn engel gezonden en de muil der leeuwen toegesloten, en zij hebben mij geen kwaad gedaan, omdat ik voor Hem onschuldig ben bevonden; maar ook tegen u, o koning, heb ik geen misdaad begaan”[4].
Daarmee beleed hij dat God daar in actie was geweest. En dat was maar goed ook, want Hij want de Enige die in deze omstandigheden het leven van Daniël kon redden.
Vervolgens staat het er voor ons allemaal expliciet bij: “Toen werd de koning ten zeerste verheugd en hij gaf bevel, dat men Daniël uit de kuil zou optrekken; Daniël werd uit de kuil opgetrokken, en generlei letsel werd aan hem gevonden, omdat hij op zijn God had vertrouwd[5].
Die ene dienaar van de Here, daar aan het Babylonische hof, werd niet over het hoofd gezien. Die ene gelovige rijksbestuurder, daar in Babel, werd echt nog wel door de Verbondsgod gesignaleerd.
Sterker nog: de Here zorgde er voor dat Daniël een curriculum vitae had dat klonk als een klok. Kijkt u maar: “Het behaagde Darius over het koninkrijk honderd en twintig stadhouders aan te stellen, die over het gehele koninkrijk verdeeld zouden zijn; en over hen drie rijksbestuurders, van welke Daniël er een was; aan hen moesten die stadhouders rekenschap geven, opdat de koning geen schade zou lijden. Toen overtrof deze Daniël de rijksbestuurders en de stadhouders, doordat een uitnemende geest in hem was; en de koning was van zins hem over het gehele koninkrijk te stellen”[6].
Die ene eminente rijksbestuurder zag God heus wel.

Zou Hij dan die paar Gereformeerden in Nederland niet zien? Natuurlijk ziet Hij ze wel. Hij leidt hen door de tijd heen. En in 2014 zegt Hij: laat de kerk maar vertrouwen op Mijn borgtochtelijk lijden. Ja, vertrouw er maar op. Want Mijn beloften worden waar.

En laat u daarbij nooit wijsmaken dat u in de kerk eigenlijk een beetje individueel bezig bent.
Zo van: ‘heb jij al bij Zijn kruis gestaan? Of: ‘hebt u al naar Jezus aan ’t kruis gekeken?’.
Daar hoeft u namelijk niet naar te kijken.
We moeten vertrouwen op Zijn beloften. En dat doen wij in gezamenlijkheid. Uw geloof heeft gevolgen voor uw omgeving. Niet alleen wij zelf, maar ook onze familieleden worden tot een keuze gedwongen. En onze vrienden en kennissen. En onze collega’s.

Ook vandaag staat het nog in onze Bijbels: “En de koning gaf bevel, en men haalde die mannen die de aanklacht tegen Daniël ingebracht hadden en wierp hen in de leeuwenkuil, hen, hun kinderen en hun vrouwen”[7].
Daniël wees er ons dus al op: onze geloofskeuzes hebben niet alleen gevolgen voor ons zelf. Onze echtgenoten, onze kinderen en alle mensen om ons heen hebben ermee te maken.
In Daniël 6 blijkt sprake van het meervoud. Gods Woord is niet voor solisten en individualisten. Zijn Woord heeft consequenties in vele mensenlevens!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik in april 2007 schreef.
[2] Daniël 6:25.
[3] Zie http://kerknieuws.nl/nieuws.asp?oId=10713 .
[4] Daniël 6:22.
[5] Daniël 6:24.
[6] Daniël 6:2, 3 en 4.
[7] Daniël 6:25 a.

24 september 2014

Bewaar het evenwicht

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Een artikel schrijven over Psalm 145: dat is mooi werk. Het lezen van een stuk over diezelfde Psalm is dat hopelijk ook[1].

Het woord ‘prijzen’ komt in dit blijde lied vijf keer voor.
En de dichter – dat is David – houdt niet op om Zijn Heer te eren. Roemen, verkondigen, gewagen, spreken, vertellen: die woorden komen we allemaal tegen als wij deze psalm gaan lezen. De psalmist heeft dus voortdurend de mond open.
David leert zijn hoorders en lezers een uitbundig lied. Een feestlied.

Als dat tot ons doordringt, stijgt het schaamrood ons misschien naar de kaken. En daar is warempel wel reden voor.
Immers, kerklid zijn is voor ons lang niet altijd een feest. Wat zijn er veel verhalen over broeders en zusters die zich onheus bejegend voelen! Ondergronds zijn er soms ‘veenbrandjes’. Sommige kerkleden komen met keiharde uitspraken; niet zelden zit daar overigens diep doorvoelde emotie onder. Ruzie en onmin in de kerk: wie weet er niet van?
Welnu, Psalm 145 brengt ons in de sfeer die de kerk moet kenmerken. In deze Psalm prijzen we de Here om Zijn daden. Wat Hij doet is groots! Impliciet zegt de psalmschrijver: broeders en zusters, kijk niet in de eerste plaats naar mensen; want niet daarom heeft de Here u naar de kerk gebracht.

David maakt werk van zijn feestlied. Het is een acrostichon: elke zin of alinea begint met de opeenvolgende letters van het alfabet.
De dichter laat het zien: wanneer het gaat om een lofprijzing van de God van hemel en aarde, doen ook de vormgeving en de inhoud er toe.
Dat lijkt me iets om te benadrukken.
Er worden vandaag heel wat godsdienstige liederen geschreven. De vraag is: schrijft men die om eigen gevoelens vooraan te zetten, of om de Here te eren? Massa’s evangelische liederen zijn er waarin het bijna voortdurend klinkt: ik…ik…ik. Ik zet mijn hart open. Ik houd meer van Jezus dan voorheen. Enzovoort. Ziet u hoe snel je daarmee een verkeerde kant op kunt gaan?

Welnu, welke redenen hebben wij om God te loven?

De eerste reden is dat God voor ons ondoorgrondelijk is[2]. Dat klinkt gek. Als je iets of iemand niet snapt, dan is er toch weinig reden om een lofzang aan te heffen?
De zaak is deze.
Wij voelen wel aan dat als wij Gods doen en laten geheel zouden doorzien, wij bijkans sprakeloos van bewondering zouden wezen. Wij zouden met open mond staan kijken. Onze woordenstroom zou eensklaps opdrogen. Wij zouden slechts verbijsterd zwijgen.
U weet het: de stand van zaken in 2014 is anders. Ware gelovigen doorzien in dit tijdsgewricht nog maar maar een klein stukje van Gods plan. Zeker – nu al concluderen zij zonder terughoudendheid: wat de Here God doet is bijzonder indrukwekkend. Wat zij vandaag van Gods daden zien is soms al magnifiek. Wat zij erop dit moment van begrijpen is al heerlijk… Maar ach, de praktijk van de eenentwintigste eeuw blijkt buitengewoon weerbarstig. Tegenstrijdige gevoelens strijden dagelijks om de voorrang. Klachten wisselen we vaak af met woorden van dank. Vreugde en verdriet liggen dicht bij elkaar. Het ene moment hebben wij een feestelijk gevoel; het volgende ogenblik zijn we in een rouwstemming.
Wat kunnen wij in zo’n instabiele wereld doen? Antwoord: wij kunnen zingen. En dat moeten wij ook doen.
De woorden worden ons door Hemzelf in de mond gelegd:
“Mijn God en Koning, aller vorsten Heer,
ik zing verheugd uw heilge naam ter eer.
Uw naam zo groot en vol van majesteit
zal ik verheffen tot in eeuwigheid”[3].
Psalm 145 is een oefening. Een oefening om in een voortsnellende maatschappij, waarbij allerlei mensen om permanente topprestaties vragen, het evenwicht te bewaren. Wij moeten rechtop blijven staan. Recht voor God.

De tweede reden is dat wij Gods geduld bewonderen. Wij ontdekken dat God een en al goedheid, zorgzaamheid en genade is. Niet alleen voor Zijn kinderen, maar voor alle wereldburgers[4].
Nee, lang niet iedereen erkent Gods macht.
En wie het nieuws volgt weet wel dat mensen beslist niet goed zijn. Heel vaak zijn mensen niet zorgzaam. Integendeel. En nu ja – genadig zijn mensen maar heel zelden.
Wat een wonder dat onze God in de hemel zoveel ontferming ten toon spreidt!

De derde reden is dat Gods koningsmacht nooit taant. Hij is, alle eeuwen door, even krachtig en even invloedrijk[5].
Voor sterfelijke aardbewoners is dat onvoorstelbaar. De feiten van Psalm 145 zijn voor ons vele maten te groot.
Maar daarmee komen we wel bij het ultieme doel van dit door God geschonken lied: ons geloof moet worden verdiept!
De term ‘al uw werken’ komt twee keer in deze psalm voor. De hele wereld wordt door God beheerst; of zij dat nu wil of niet. Nee, dat kunnen wij ons niet voorstellen. Maar dat hoeft ook niet. Geloven in God en zijn macht eerbiedigen: dat is genoeg.

Het komt mij voor dat we Psalm 145 in Nieuwtestamentisch licht dienen te bezien. Hieronder leg ik uit waarom.
Wij moeten, leert David ons, God aanbidden met een oprecht hart. Ons bidden moet eerlijk zijn. Het moet niet zo wezen dat we, bijvoorbeeld uit schaamte, sommige dingen maar niet hardop in het gebed zeggen. In Psalm 145 klinkt dat zo:
“De HERE is nabij allen die Hem aanroepen,
allen die Hem aanroepen in waarheid”[6].
Jezus Christus gebruikt die woorden ook in Zijn gesprek met de Samaritaanse vrouw, in Johannes 4: “God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid”[7]. Jezus wil maar zeggen: God is Geest, Hij onderscheidt zich wezenlijk van het menselijke. En wie God aanbidden gaat, moet een geestelijk mens zijn. Die bidder moet – om zo te zeggen – opnieuw door de Here geschapen worden. Hij moet een nieuwe schepping worden. Ziet u hoe Christus die psalm uit het Oude Testament een nieuwe dimensie geeft?
De woorden van de Heiland brengen ons bij 2 Corinthiërs 5: “Zo kennen wij dan van nu aan niemand naar het vlees. Indien wij al Christus naar het vlees gekend hebben, thans niet meer. Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen”[8]. Nu herhaal ik het nog maar eens: kijk niet in de eerste plaats naar mensen; want niet daarom heeft de Here u naar de kerk gebracht.
Nee, dat is niet makkelijk. Want de zonde speelt ons altijd parten. Miscommunicatie, ergernis, ruzie: dat alles is in de kerk soms aan de orde van de dag. Maar we moeten ons erin oefenen om regelmatig te denken dat de kerkleden om ons heen even zovele werkplaatsen van God zijn. Vanuit de hemel wordt druk gewerkt aan een complete herschepping, een re-creatie, van heel veel mensen!

David schenkt ons een feestlied.
En de Here God vindt dat lied zeer de moeite waard. Hij geeft het, via Zijn Woord, door aan Zijn kinderen van alle tijden en plaatsen.
Daarom mogen we dat lied vandaag ook zingen. Laten we er samen wat moois van maken!

Noten:
[1] Deze onderwerpskeuze is ingegeven door het feit dat ik binnenkort Psalm 145:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek) in De Bazuin hoop toe te lichten. Die korte uitleg verschijnt op 22 oktober in dat Gereformeerd kerkblad. En wel in de rubriek ‘Psalm van de Week’. De toelichting werk ik in dit artikel uit.
[2] Psalm 145:3: “De HERE is groot en zeer te prijzen, / zijn grootheid is ondoorgrondelijk”.
[3] Dit zijn de eerste regels van Psalm 145:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[4] Psalm 145:8 en 9: “Genadig en barmhartig is de HERE, / lankmoedig en groot van goedertierenheid. / De HERE is voor allen goed, / en zijn barmhartigheid is over al zijn werken”.
[5] Psalm 145:13: “Uw koningschap is een koningschap voor alle eeuwen, uw heerschappij is over alle geslachten”.
[6] Psalm 145:18.
[7] Johannes 4:24.
[8] 2 Corinthiërs 5:16 en 17.

23 september 2014

Neergedaald in de hel

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

De Apostolische Geloofsbelijdenis is onder ons zeer bekend[1].
Iedere zondag komt die confessie in de liturgie voorbij.
Vandaag wil ik aandacht besteden aan een paar woorden uit die belijdenis. We zeggen openlijk dat Jezus Christus is “neergedaald in de hel”.
Er was eens een zoon die aan zijn moeder vroeg: waar staat eigenlijk in de Bijbel dat Jezus is neergedaald in de hel? Dat was een heldere vraag. De moeder had indertijd niet meteen een pasklaar antwoord…
Waarop baseren we ons eigenlijk als we belijden dat Gods eniggeboren Zoon neergedaald is in de hel?

Wie in de Heidelbergse Catechismus kijkt, ontdekt dat in Zondag 16 bij de verklaring van die woorden onder meer de motivatie voor onze belijdenis van belang is. Die motivatie is: zelfs als het heel slecht met ons gaat, mogen we weten dat de Here Jezus Christus ons verlost heeft.
Het is, dunkt mij, belangrijk om dat te noteren. Blijkbaar is het niet zo belangrijk om lengte, breedte, hoogte en diepte van Christus’ lijden te peilen. Dat kunnen mensen trouwens ook niet precies. Het draait allemaal om troost. Christus is in de hel geweest. Nu hoeven wij daar niet meer heen. Nooit meer.

Wanneer is Jezus Christus in de hel geweest?
Feit is dat heel Zijn hele leven op aarde een kwelling was. Hij moest de hemel verlaten. Hij ging naar een bevuilde aarde toe. Hij kwam naar de aarde en Hij volbracht Zijn lijden.
Je hoort het sommige mensen wel eens zeggen: mijn leven is een hel. Daar geloof ik niet zoveel van. Natuurlijk, het leven kan vreselijk moeilijk zijn. Ik doe daar geen centimeter van af. Ook op deze internetpagina wordt op allerlei manieren aandacht besteed aan ons lijden. Maar dat ons aardse leven een hel is, dat geloof ik niet.
Het aardse leven van Jezus Christus was ten diepste de weg naar de hel. En onze Heiland wist dat.
In de hof van Gethsemané zei Hij: “Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt met Mij”[2]. Het lijden van Jezus was zo erg dat hij er bijna aan bezweek. Daarom zocht Hij steun bij zijn discipelen, en bij Zijn vader in de hemel.

Het kenmerk van de hel is dat God er niet aanwezig is. En Hij komt er ook niet.
In de Bijbel lees ik dat Jezus aan het kruis zei: “Eli, Eli, lama sabachtani? Dat is: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?”[3]. We mogen, denk ik, zeggen dat dat bij uitstek een hels ogenblik was. De Here God had Zich teruggetrokken. De Vader was er even niet. Gods Zoon was alleen, helemaal alleen. Het was Zijn taak om het lijden zelfstandig te volbrengen.
Jezus Christus riep in dat helse ogenblik om God. Hij wist dat aan de verschrikking en helse kwelling een einde zou komen. Hij vertrouwde er op dat Vader daarvoor zorgen zou.
Dat noteer ik met enige nadruk. Gewone mensen van 2014 zouden het in deze omstandigheden reeds lang hebben opgegeven. Maar de Messias bleef bouwen op het werk dat in de hemel gebeurt. Daar waar wij te kort schieten, ging de Here Jezus door. Hij volbracht Zijn lijden volledig.
Juist als wij met ziekte te kampen hebben, mogen we dat bedenken. Als wij in ons leven voor een enorme berg problemen zitten, mogen we weten dat de Here Jezus Christus voor onze zonden heeft betaald. Zodoende kan er altijd een lichtpunt in onze duisternis zijn.

De Zoon van God leerde gehoorzaamheid.
Hij daalde af naar de hel: een enorm dieptepunt in Zijn lijden.
Hij leerde dat Gods plan volvoerd moest worden. En Hij maakte dat moeilijke karwei helemaal af.
De Hebreeënschrijver heeft daarvan gezegd: “Tijdens zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood kon redden, en Hij is verhoord uit zijn angst, en zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden, en toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden”[4].
Het woord dat in onze Bijbels is weergegeven met ‘toen Hij het einde had bereikt’ betekent eigenlijk: volmaakt geworden[5]. Na Jezus’ dood is God in de hemel aan het werk gegaan. En nu is het eeuwig heil gegarandeerd voor alle gehoorzame kinderen van God.

De hel is de plaats waar God ongehoorzame mensen voorgoed buiten sluit.
Als de Here Zelf niet ingegrepen had, waren we daar allemaal terecht gekomen.
Maar dat is niet gebeurd. Want Jezus Christus heeft voor ons betaald. Hij is in de hel geweest, en heeft daar onze straf gedragen. Jezus heeft helse verschrikkingen gekend. Een dominee zei daarover eens in een preek het volgende. Iemand zei eens: iets van die helse kwellingen “horen we als de evangeliën vertellen over Christus’ worsteling in de tuin van Gethsemané, en vooral over de drie uur durende duisternis toen Jezus aan het kruis hing. Toen kwam echt de hel over Jezus heen. Niet pas na zijn dood, maar tijdens zijn leven. Bij zijn volle bewustzijn en met al zijn geestkracht moest Hij die helse stormen doorstaan. Die stormen kregen Hem niet omver: Hij bleef staan”.
En daarom worden wij nooit meer buiten gesloten.

Jezus Christus is neergedaald in de hel.
Dat baseren we onder andere op Mattheüs 26 en 27. En verder ook op Hebreeën 5. Hierboven is dat al gebleken.
Als we Gods Woord lezen, kan het ons opvallen dat niet precies wordt gezegd hoe de hel er uit ziet en waar die zich bevindt.
Voor Gereformeerde mensen is het bestaan van de hel een waarschuwing.
Maar, hoe gek het ook klinkt, de hel staat bij ons vooral in het kader van de troost. Want Jezus Christus is daar geweest om onze straf te boeten. En nu is voor ons de weg naar de hemel open.
Ik mag “er in mijn felste aanvechtingen zeker van zijn en er rijke troost uit putten, dat mijn Here Jezus Christus mij van de angst en pijn van de hel verlost heeft”[6].
Zo gaan wij vol geloofsvreugde op weg naar de hemel!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik in maart 2008 schreef.
[2] Mattheüs 26:38.
[3] Mattheüs 27:46.
[4] Hebreeën 5:7, 8 en 9.
[5] Zie de webversie van de Studiebijbel.
[6] Heidelbergse Catechismus – Zondag 16, antwoord 44.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.