gereformeerd leven in nederland

22 september 2014

Verbondstrouw in Jozua 10

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

“Zon, sta stil te Gibeon en gij, maan, in het dal van Ajalon!”[1].
Dat zegt Jozua in hoofdstuk 10 van het Bijbelboek dat zijn naam draagt.
En zo gebeurt het ook. “En de zon stond stil en de maan bleef staan, totdat het volk zich op zijn vijand gewroken had. Is dit niet geschreven in het Boek des Oprechten? De zon nu bleef staan midden aan de hemel en haastte zich niet onder te gaan omstreeks een volle dag”[2].
Dat is onvoorstelbaar. Ongelooflijk, bijna!

Vandaag vertrouwen veel mensen op hun persoonlijke ervaring. Traditie is bijna per definitie verdacht. Goddelijke openbaring bestaat niet, zegt men; want die openbaring ziet men niet. De Bijbel is best interessant. In de Bijbel kloppen veel dingen niet, zo stelt men onomwonden.
Moderne mensen hebben, kortom, reeds lang en breed afgerekend met de God van de Bijbel. Maar diezelfde moderne mensen hebben inmiddels echter ook ontdekt dat je met verstand en wetenschap niet alles op een rijtje kunt krijgen.
En hoe moet het nu verder? Wel, de mensen gaan op zoek. En wat zoeken zij? Antwoord: zinvolle ervaringen als antwoord op ingrijpende gebeurtenissen in hun leven. Een sterfgeval, bijvoorbeeld. Of een verhuizing. Of een huwelijk. Of de geboorte van een kind. Of een echtscheiding. Dat zijn markante momenten in het bestaan[3]. Die moet je intens beleven. En daarbij moet je vooral in jezelf geloven.
Wat moet men, in zo’n wereld, met Jozua 10 aanvangen?

Het Bijbelboek Jozua stelt Bijbellezers, wetenschappers en alle andere geïnteresseerden voor problemen.
En eerlijk is eerlijk: die vraagstukken zijn heus niet van vandaag of gisteren.
Over dat probleem van die stilstaande zon, en de maan die stopt in de baan, wordt al jaren gediscussieerd.
Een geleerde zei eens: “Het probleem van het zonnewonder is dat het een beleving van de hemellichamen veronderstelt die wij niet meer kennen. In het wereldbeeld van de Israëlieten horen zon en maan bij de hemelse hofhouding van de HEER. Jozua bidt dat die gaan meevechten tegen de Amorieten”. En: “God paste zich destijds aan die mensen aan, in hun tijd en taal. De boodschap is door dit cultuur- en tijdsverschil niet veranderd”[4].
Kun je daar als Gereformeerd mens nog wel over denken en schrijven?
Kan een Gereformeerde dominee daar nog wel een goede en werkelijk christelijke preek over houden?

Ik denk het wel.

Wat is de situatie in Jozua 10?
De koning van Jeruzalem vormt een coalitie tegen de Gibeonieten. Die Gibeonieten roepen vervolgens Jozua te hulp.
In een snelle nachtmars komt Jozua naar hen toe; hij neemt een legertje dappere helden mee.
Toch hebben die onverschrokken strijders hier niet de hoofdrol. Want die hoofdrol wordt door de Here opgeëist. Door de God van het Verbond!

Laat dat het uitgangspunt zijn: de verbondstrouw die de Here laat zien.
In Jozua 10 zijn mensen in zekere zin slechts figuranten.
Kijkt u maar even mee:
* vers 8: de Here zegt: “Vrees niet voor hen, want Ik geef hen in uw macht, niemand van hen zal voor u standhouden”.
* vers 11: “Terwijl zij nu voor Israël vluchtten en zij juist op de helling van Beth-Horon waren, wierp de HERE uit de hemel grote stenen op hen, tot Azeka toe, zodat zij stierven; die door de hagelstenen stierven, waren talrijker dan die, welke de Israëlieten met het zwaard doodden”.
*
Zon en maan stonden stil. In vers 14 lees ik: “Een dag als deze is er noch vroeger, noch later ooit geweest, waarop de HERE zó iemands stem verhoorde, want de HERE streed voor Israël“. 
*
Vers 19: “Maar gij, blijft niet staan, jaagt uw vijanden na en slaat op hun achterhoede los; laat hun niet toe binnen hun steden te komen, want de HERE, uw God, geeft hen in uw macht“.
* Vers 32: “en de HERE gaf Lachis in de macht van Israël”.
Het gaat, meen ik, om het goede concentratiepunt. De focus is niet: schokkende belevenissen van mensen, maar de strijdkracht van de Verbondsgod.

Belangrijk is dus het brandpunt van het Bijbelboek Jozua.

Er is niemand bij geweest, daar in Gibeon. Wij kunnen in 2014 geen live verslag meer krijgen van de gebeurtenissen in Ajalon.
Strikt genomen kunnen zon en maan gewoon stil hebben gestaan. Wetenschappers van vandaag snappen niet – of: nog niet! – hoe dat kan. Maar zou voor de Here zoiets te wonderlijk wezen? Nee toch?

De verbondsactiviteit van God: daar ligt de kern van Jozua.

Jozua 10 doet denken aan Gods gericht over de aarde.
De gebeurtenissen in dit hoofdstuk zijn, om zo te zeggen, een illustratie bij Psalm 2:
“Die in de hemel zetelt, lacht;
de Here spot met hen”[5].
En: “Kust de zoon, opdat hij niet toorne
en gij onderweg niet te gronde gaat,
want zeer licht ontbrandt zijn toorn.
Welzalig allen die bij Hem schuilen!”[6].
Jozua 10 heeft al een paar trekken van Openbaring 11: “…de volkeren waren toornig geworden, maar uw toorn is gekomen en de tijd voor de doden om geoordeeld te worden en om het loon te geven aan uw knechten, profeten, en aan de heiligen en aan hen, die uw naam vrezen, aan de kleinen en de groten en om te verderven wie de aarde verderven. En de tempel Gods, die in de hemel is, ging open en de ark van zijn verbond werd zichtbaar in zijn tempel…”[7].
De Here toont duidelijk aan dat de belangen van Zijn volk bij Hem veilig zijn. Hij demonstreert overduidelijk dat Hij een rechtvaardige Rechter is[8]!

In nieuwtestamentisch perspectief mogen we zeggen dat christenen de gehele aarde zullen beërven. Bij Jozua zien we daar al een begin van.
Voor de oorspronkelijke bewoners van Kanaän was het verhaal al vroeg uit. Het einde van hun leven was er al, eeuwen voordat Christus op aarde kwam.
Maar Jezus Christus wilde nog heel veel mensen bij Zich hebben. Daarom liet Hij de geschiedenis nog eeuwen lang door gaan.
En de wereld bestaat nog altijd. Dr. W.G. de Vries (1926-2006) schreef eens: “Zoals Jozua hier bedreigd werd door een sterke coalitie, zo bestaan er vandaag veel coalities, samenspanningen tegen God en zijn gezalfde – Christus. Maar God zegt ook nu: vrees niet, Ik zal ze overwinnen. Hij heeft zijn Koning gezalfd over de hele wereld. Christus zit niet voor niets aan Gods rechterhand. God biedt bijstand vanwege zijn verbond”[9].

Wij moeten, denk ik, ons niet laten afleiden van de hoofdzaak.
Het centrum van de Boodschap is en blijft: de God van hemel en aarde laat Zijn bondgenoten nooit in de steek.

Dat laatste geldt ook vandaag.
Nog altijd is de Here uit op het behoud van Zijn kinderen.
Dat lijkt onmogelijk. Al was het alleen maar omdat christenen een minderheid in onze wereld zijn.
Maar de wonderen zijn de wereld nog niet uit.
Dat gold in Jozua 10.
En vandaag, maandag 22 september 2014, is dat niet veranderd[10].

Noten:
[1] Jozua 10:12.
[2] Jozua 10:13.
[3] Zie hierover ook: L.W. van der Meij, “Tasten naar de juiste toonhoogte” – recensie van: van W. Dekker en P. J. Visser (red.), “Om de verstaanbaarheid. Over bijbel, geloof en kerk in een postmoderne samenleving”, Zoetermeer: Uitgeverij Boekencentrum, 2002. – 272 pagina’s. In: Reformatorisch Dagblad (22 oktober 2003), p. 21 (katern Boeken). Ook te vinden op www.digibron.nl .
[4] De woorden zijn van dr. K. van Bekkum, momenteel universitair docent aan de Gereformeerd-vrijgemaakte Theologische Universiteit te Kampen.
[5] Psalm 2:4 (onberijmd).
[6] Psalm 2:12.
[7] Openbaring 11:18 en 19.
[8] Zie hierover ook: K. ten Klooster, “Want de Heere streed voor Israël (2)”. In: Gereformeerd Weekblad (23 januari 2004), p. 10, 11 en 12. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[9] Dr. W.G. de Vries, “Jozua: Gods belofte inzake het erfland wordt heerlijk vervuld”. – Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1997. – (RB-serie; nr 2). – p. 98-102. Citaat van p. 101.
[10] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik in maart 2010 schreef.

19 september 2014

Na Prinsjesdag

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Afgelopen dinsdag, 16 september, was het Prinsjesdag. In de dagen daarna gingen de dames en heren parlementariërs kijken naar de staat van het land. Zij hielden, zoals dat officieel heet, de Algemene Beschouwingen.
ChristenUnie-voorman Slob sprak in de Tweede Kamer: “‘Meer dan ooit worden we gedwongen na te denken en te spreken over de waarden die ten grondslag liggen aan ons handelen. Waar staan we voor? Hoe kijken we naar dit land en de wereld waarin we leven?’”[1].

Ik zal u eerlijk zeggen dat ik daar een flinke zak zout naast zet. Want aan een korreltje heb ik lang niet genoeg.
Meer dan ooit? Is er in, laten we zeggen, tweeduizend jaar nog nooit een periode geweest waarin men net zo intensief moest nadenken over normen en waarden in de maatschappij? Kom nou…
Worden we ergens toe gedwongen? Dat gaat meevallen. Ik zie nog nergens een lakei in livrei, die voortdurend roept: ‘Thans zult gij beleid maken’. Ik bedoel maar: overdrijven is in de politiek een gewaardeerde tak van sport.

Even zo goed ligt daar die vraag: welke waarden behoren ten grondslag te liggen aan ons handelen in de maatschappij?

Mijn antwoord haal ik uit Mattheüs 7: “Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus: want dit is de wet en de profeten”[2].
De Joodse rabbi Hillel sprak eens: “Alles wat u schadelijk acht, doe dat uw naaste niet aan. Dit is de ganse wet en al het andere is commentaar”[3]. In het apocriefe boek Tobit lezen we: “Doe een ander niets aan dat je zelf verafschuwt”[4].
Maar in Mattheüs 7 staat het dus heel positief.

In de afgelopen dagen is vaak gezegd dat de zittende regering te weinig ambitie toont.
Maar hierboven staat een formulering waaruit een ambitie spreekt die alle wereldburgers zouden moeten hebben.
En volgelingen van Christus moeten die in ieder geval hebben.

Nee, die ambitie is er – als u het mij vraagt – bij de Nederlandse regering niet. En ook niet bij het Nederlandse volk.
Dat zeg ik als ik kijk naar de ontwikkelingen met betrekking tot de zorg in Nederland. Wij weten allemaal dat er, als het over de zorg gaat, fors bezuinigd moet worden. Er komt nieuwe wet- en regelgeving, bijvoorbeeld met betrekking tot de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. Heel veel mensen roepen dat de invoering van de nieuwe regels een chaos wordt. Of dat echt zo zal zijn moeten we natuurlijk afwachten.
Maar waar het me in deze alinea vooral om gaat, is dat de regering zich nu al indekt tegen kritiek op problemen bij de invoering van nieuwe regels en methodieken. In de Troonrede klonk het: “In het besef dat bij een operatie van deze omvang niet alles foutloos kan verlopen, zet de regering zich intensief in om invoeringsproblemen tot een minimum te beperken, samen met de gemeenten en samen met de mensen en organisaties die voorzieningen verzorgen en ontvangen. Daarvoor is in 2015 400 miljoen euro extra beschikbaar”[5]. Met andere woorden: om de grootste brandhaarden te bestrijden gooien we er 400 miljoen tegenaan. Vierhonderd miljoen: dat is voorwaar geen klein beetje! Klaarblijkelijk is de reden: we denken bij voorbaat al dat er van alles fout gaat…
Is dat de stijl van Mattheüs 7?
Mij dunkt van niet. Als de wetgever nu reeds bevroedt dat veel burgers in de problemen gaan komen, kan hij beter met de invoering van deze nieuwe regels wachten. De wetgever zelf opteert toch ook niet voor een enorm problematisch bestaan?

Die regel van Mattheüs 7 – behandel andere mensen net zo als u zelf bejegend zou willen worden – staat in een perikoop waarin alles draait om de gaven van God.
Om die gaven moeten wij bidden. Het is al een oude term in de kerk: de Here wil gebeden zijn. Daarmee wordt bedoeld dat God in het verbond eist dat wij Hem gelovig vragen om Zijn bijstand, om Zijn verzorging.
Wie in geloof bidt, weet zeker: er wordt prima voor mij gezorgd. Er staat namelijk: “Want een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden. Of welk mens onder u zal, als zijn zoon hem om brood vraagt, hem een steen geven? Of als hij een vis vraagt, zal hij hem toch geen slang geven? Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader in de hemelen het goede geven aan hen, die Hem daarom bidden”[6].
Daarmee is niet gezegd dat ware gelovigen alles krijgen wat zij wensen.
Maar daarmee wordt wel gesteld dat die gelovigen van de Here ontvangen wat Hij voor hen nodig vindt.
Dat is de waarde die aan het handelen van Gods kinderen ten grondslag ligt.
Maar er is meer. Want als dat niet het fundament der politiek is, wordt het beleid visieloos. Als dat niet het fundament der politiek is zwalken beleidsmakers op de golven van de menselijke wilskracht en voortdurend wisselende emoties.

Naastenliefde begint bij God, en wordt gepraktiseerd in de kerk.
Naastenliefde moet altijd hoog in het vaandel van de kerk blijven staan.
Niet omdat wij zelf zulke brave mensen zijn.
Maar omdat de Here geeft wat Zijn kinderen nodig hebben.
Dat deed Hij gisteren. Dat doet Hij vandaag. Morgen zal Hij het ongetwijfeld ook doen.

ChristenUnie-voorman Slob vroeg in de Tweede Kamer: hoe kijken we naar dit land en de wereld waarin we leven?
Wat mij aangaat: ik lees eerst in Gods Woord, en dan kijk ik pas rond. Dat, geachte lezer, is reuze rustgevend. Heus waar.

Noten:
[1] Gerard Beverdam, “Coalitie en C3 vormen front”. In: Nederlands Dagblad (18 september 2014), p. 1.
[2] Mattheüs 7:12.
[3] Zie hiervoor de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Mattheüs 7:12.
[4] Tobit 4:15 a. Dit is de vertaling uit de Nieuwe Bijbelvertaling-2004.
[5] Zie “Bescherming bieden en werken aan weerbaarheid”. In: Nederlands Dagblad (17 september 2014), p. 6 en 7.
[6] Mattheüs 7:8-11.

18 september 2014

Een leerzaam gebed

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Niet lang geleden zette ik Ezra 9 op mijn computerscherm.
Boven dat hoofdstuk staat in onze Bijbels: “Ezra’s maatregelen tegen gemengde huwelijken”.
Die maatregelen komen er uiteindelijk ook. Alle vreemde vrouwen worden met hun kinderen weggestuurd[1].
Maar hoofdstuk 9 wordt vrijwel helemaal gevuld met schuldbelijdenis. Vijftien verzen lang wordt tegenover de Here uiteengezet hoe deplorabel de toestand is. Ootmoed, deemoed, schaamte, schuld: daar worden heel veel woorden aan gewijd.
Ezra put zich uit om woorden te geven aan het verval in Israël. Het wordt duidelijk hoe diep Gods natie gevallen is.

Ik geef een paar citaten:
“Het volk Israël, de priesters en de Levieten hebben zich niet afgezonderd gehouden van de volken der landen, wat hun gruwelen betreft: van de Kanaänieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Jebusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaren en de Amorieten. Want zij hebben uit hun dochters vrouwen genomen voor zich en hun zonen, waardoor het heilige zaad zich vermengd heeft met de volken der landen; ja, de oversten en de leiders zijn in deze trouwbreuk voorgegaan”[2].
“Tijdens het avondoffer echter stond ik op uit mijn verootmoediging, en met gescheurd kleed en gescheurde mantel knielde ik, breidde mijn handen uit tot de HERE, mijn God, en zeide: Mijn God, Ik schaam mij en durf mijn ogen niet tot U opslaan, o mijn God, want onze ongerechtigheden zijn ons boven het hoofd gewassen en onze schuld is gestegen tot de hemel”[3].
“Zouden wij dan – na alles wat ons overkomen is vanwege onze boze daden en onze grote schuld, terwijl Gij, onze God, ons minder hebt toegerekend dan onze ongerechtigheden verdienden, en ons nog zovelen geschonken hebt die ontkomen zijn – wederom uw geboden schenden en ons verzwageren met deze gruwelijke volken? Zoudt Gij dan niet tegen ons toornen tot verdelgens toe, zodat er geen overblijfsel of ontkomene meer zou zijn? O HERE, God van Israël, Gij zijt rechtvaardig, daarin, dat wij als een schare ontkomenen zijn overgebleven, gelijk heden het geval is. Zie, wij staan voor uw aangezicht in onze schuld. Waarlijk, niemand kan deswege voor uw aangezicht standhouden”[4].

Wie Ezra 9 leest, heeft wellicht de neiging om te zeggen dat dat gebed ook wel wat korter kan.
Maar het zou, denk ik, onjuist zijn om zo te spreken.

Wij mogen niet uit het oog verliezen dat in het begin van het Bijbelboek Ezra de eerste terugkeer van de ballingen wordt beschreven. Er wordt een nieuwe start gemaakt. De tempel wordt gebouwd.
En daarna komt Ezra met nog méér ballingen terug.
Gods volk heeft dus juist de straf van de ballingschap ondergaan.
En juist dan komt de zonde van de gemengde huwelijken naar buiten.

De inhoud van het gebed van Ezra staat in extenso in Gods Woord. Er staat niet iets als: ‘Ezra bad tot de Here om Hem tot vergeving te vragen’. Nee, Ezra’s gebed staat woordelijk in de Bijbel.
Het is dus nodig dat wij dat gebed kennen.
Het is nodig dat wij, om zo te zeggen, Ezra’s gebedsmethodiek kennen.
Het is van belang dat wij beseffen dat het gebed niet het karakter heeft van een zakelijke verontschuldiging. Zo van: excuus!; ik zal mijn werk over doen. Zo zit een Verbondsrelatie niet in elkaar.

Gereformeerde mensen uit 2014 leren van Ezra hoe dichtbij de zonde is. Zelfs vlak na een reformatie – zoals die van 2003 – ligt de zonde als een belager aan de deur[5]. Juist daarom is het belangrijk om aan de schuldbelijdenis telkens goede aandacht te besteden.
Natuurlijk mogen we vandaag die aandacht voor onze schuld met nauw verholen vreugde verbinden aan het verlossingswerk dat Jezus Christus voor ons heeft gedaan. Maar het moet wel tot ons doordringen dat de kracht van de zonde gaat ook in onze wereld nog buitengewoon groot is.

“Onze ongerechtigheden zijn ons boven het hoofd gewassen en onze schuld is gestegen tot de hemel”, zegt Ezra.
Met andere woorden: de zonden stapelen zich op, en we kunnen er niet meer overheen kijken.
Toch zit in deze woorden ook troost. Want die schuld bereikt de hemel wel. En het gebed bereikt de hemel eveneens. Net als in 2 Kronieken 30: “Toen stonden de levitische priesters op en zegenden het volk, en hun stem werd gehoord; hun gebed kwam tot in zijn heilige woning, tot in de hemel[6].
Als wij schuldbewust een gebed tot God richten is de hemel niet van koper. Wij bidden niet in het luchtledige. Wij voeren geen goedbedoeld ritueeltje op. De Here luistert. Hij zet zowel de hemel als Zijn hart open voor Zijn kinderen.
Is dat geen geruststellende gedachte voor de kerk?

Ezra formuleert ook: “Wij zijn wel slaven, maar in onze slavernij heeft onze God ons niet verlaten”[7].
Midden in die schuldbelijdenis schittert opeens Gods genade. Want het is duidelijk geworden dat de Here erbij was, en erbij blijft. Hij heeft de koningen van Perzië aangestuurd.
Ook in 2014 mogen we altijd op de genade van God vertrouwen. Te midden van de kerkelijke puinhopen en de ongelovige rommel mogen we weten dat de Here present is.
Nee, dat wil niet zeggen dat de scherven van ons ongeluk keurig aan de kant geveegd zijn. Die liggen nog midden op straat. Het lijkt er, om zo te zeggen, voortdurend op dat wij op korte termijn onze banden lek rijden.
Maar ondanks alles is de garantie: de Here staat niet op een afstandje te kijken. Hij is actief aanwezig. Hij grijpt in op Zijn tijd.

“Hij heeft ons gunst doen vinden bij de koningen van Perzië, dat zij ons verademing gaven om het huis van onze God te doen herrijzen en zijn puinhopen te herstellen, en ons een omtuining gaven in Juda en in Jeruzalem”[8].
In die woorden bemerken we Gods almacht. Hij is niet alleen het Hoofd van het Verbondsvolk. Zijn macht strekt zich over heel de wereld uit.
Is dat geen prachtige troost voor de kleine Gereformeerde kerkjes in Nederland?
Wij voelen ons vaak hulpeloos. Zeker als er (nog) geen predikant in ‘onze’ gemeente is.
En misschien denken onze predikanten ook wel eens: is mijn inspanning de moeite eigenlijk nog wel waard? In die omstandigheden mogen we ons realiseren dat wij, te midden van verwaarloosde kerkelijke ruïnes en ernstige klerikale ongelukken, mogen rekenen op de Here God. Hij geeft ons de gelegenheid om voor Hem te leven en Hem te dienen. Die gelegenheid creëert Hij door ongelovige mensen bepaalde beslissingen te laten nemen, en situaties voortdurend te beïnvloeden.

Ezra roept het vertwijfeld uit: “Maar nu, wat zullen wij hierna zeggen, onze God? Wij hebben immers uw geboden verlaten, die Gij ons door de dienst uwer knechten, de profeten, gegeven hadt met deze woorden: het land, waar gij komt om het in bezit te nemen, is een bezoedeld land wegens de bezoedeling door de volken der landen, vanwege de gruwelen, waarmede zij het in hun onreinheid hebben gevuld van het ene einde tot het andere”[9].
We kunnen er niet omheen: de hemelse Heer had Zijn volk nog wel zo gewaarschuwd.
Die waarschuwing heeft de Here laten optekenen. Ja, ook voor ons. Voor de Gereformeerden van de eenentwintigste eeuw geldt daarom: een gewaarschuwde kerk geldt voor twee.
De Here heeft ons, hier op aarde, nooit een kalme reis beloofd. Het zal, om het zo maar uit te drukken, regelmatig stormen en hagelen.
Maar juist omdat wij dat zo goed weten moeten wij niet blijven steken in onrust of wanhoop.
Want de Verbondsgod is present.
En daarom is het honderd procent waar: alles komt goed.

Noten:
[1] Ezra 10:3 en 4: “Laat ons dan nu een verbond sluiten met onze God, dat wij alle vrouwen met de uit haar geboren kinderen zullen wegzenden, volgens de raad van mijn heer en van hen die beven voor het gebod van onze God; en laat er gehandeld worden volgens de wet. Sta op, want op u rust de taak; wij zullen met u zijn; wees sterk en handel!”.
[2] Ezra 9:1 en 2.
[3] Ezra 9:5 en 6.
[4] Ezra 9:13, 14 en 15.
[5] Die term kennen we uit Genesis 4:7: “Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen”.
[6] 2 Kronieken 30:27.
[7] Ezra 9:9 a.
[8] Ezra 9:9 b.
[9] Ezra 9:10 en 11.

17 september 2014

Zefanja in onze praktijk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

De profeet Zefanja heeft een boodschap waar wij niet omheen kunnen. Nog onlangs heb ik daar op deze internetpagina iets van laten zien[1].
Maar wat heeft Zefanja ons te zeggen in de praktijk van 2014? Vandaag maak ik daar vijf opmerkingen over[2].

Troost aangeboden
Wij kunnen in het eerste hoofdstuk van Zefanja’s profetie lezen: “Zwijg voor het aangezicht van de Here HERE, want nabij is de dag des HEREN; want de HERE heeft een offermaal bereid; Hij heeft zijn genodigden geheiligd”[3].
In de eerste plaats wil ik daarover dit zeggen: Christenen, Gereformeerden incluis, spreken en schrijven heel veel over Gods Woord. En dat is goed. Zijn Woord moet in heel het leven centraal staan. Maar we moeten daarbij de eerbied niet vergeten. We hebben te maken met de machtige God. Als hij oordeelt behoren wij in stille bewondering te zwijgen. Laten we er daarbij op letten dat Gods kinderen niet buiten het oordeel blijven. De Here zegt in dit Schriftgedeelte ook: “Ik zal mijn hand uitstrekken tegen Juda en tegen alle inwoners van Jeruzalem…”[4].
Die bewondering – dat is het tweede – past bij Gods werk. Zijn geheiligden heeft hij apart gezet. Dat is voor ons een grote troost. Gods uitverkiezing is voor die geheiligden geen zwaard dat boven hun hoofden hangt. Met betrekking tot het oordeel van God staat in de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Terecht is daarom de gedachte aan dit oordeel schrikwekkend en angstaanjagend voor de slechte en goddeloze mensen, maar de rechtvaardigen en uitverkorenen verlangen er vurig naar en putten er rijke troost uit. Hun verlossing zal dan immers helemaal voltooid worden en zij zullen dan de vruchten van hun moeitevolle arbeid ontvangen”[5].

Ootmoed gevraagd
In Zefanja 2 staat een niet mis te verstane oproep: “Zoekt de HERE, alle ootmoedigen des lands, gij die zijn verordening volbrengt; zoekt gerechtigheid, zoekt ootmoed; misschien zult gij geborgen worden op de dag van de toorn des HEREN”[6].
Dat is ook vandaag nog een actueel woord.
Laten wij overigens niet denken dat dit betekent dat wij ons volkomen gedachteloos aan de Here moeten overgeven. In Daniël 12 kunnen we zelfs lezen: “En de verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel, en die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altoos”[7]. Verstandig: dat betekent vooral dat we – door Gods Geest gedreven – ons leven toevertrouwen aan Jezus Christus, die eens op Golgotha gekruisigd is. Zacharia profeteerde als volgt over Hem: “Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden; zij zullen hem aanschouwen, die zij doorstoken hebben, en over hem een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht over een enig kind, ja, zij zullen over hem bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene”[8].
De Redder der wereld verruimt ons blikveld. Dat zien we ook heel duidelijk in Mattheüs 5: “Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven”[9]. Ik wil maar zeggen: wie ootmoedig blijven wil, komt tot grote dingen!

Kleine kerk
In Zefanja 3 zegt de God van het Verbond: “En Ik zal in uw midden overlaten een ellendig en gering volk, en wie schuilen bij de naam des HEREN. Het overblijfsel van Israël zal geen onrecht doen noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedrieglijke tong gevonden worden, want zij zullen weiden en nederliggen, zonder dat iemand hen verschrikt”[10].
Een rest wordt behouden. Jesaja sprak daar ook al over. Ik herinner u aan Jesaja 11: “En het zal te dien dage geschieden, dat de Here wederom zijn hand opheffen zal om los te kopen de rest van zijn volk, die overblijft in Assur, Egypte, Patros, Ethiopië, Elam, Sinear, Hamath en in de kustlanden der zee. En Hij zal een banier opheffen voor de volken, en de verdrevenen van Israël verzamelen en de verstrooide dochters van Juda vergaderen van de vier einden der aarde”[11].
De kerk is zogezegd een restje.
De kerk is relatief klein.
Dat toont Zefanja duidelijk aan. En hij schaamt zich er blijkbaar niet voor.
Ook De Gereformeerde Kerken in Nederland (DGK) zijn klein. Datzelfde geldt bijvoorbeeld voor de Gereformeerde Kerken Nederland (GKN). Maar dat is geen schande.
Goed beschouwd kunnen we wellicht zeggen: klein, maar fijn. Met andere woorden: zolang de kerk klein blijft gaat het goed met de kerk.

Rust voor gelovigen
Wie bij de Here schuilt, krijgt rust.
Dat betekent niet dat alle stress eensklaps verdwenen is. Dat betekent niet dat we in het leven nooit meer spannende dagen beleven.
Het houdt zeker ook niet in dat de kerk altijd een vredige verzameling van mensen is. Integendeel. Zondige mensen die de eer van God willen bevorderen, zijn – om zo te zeggen – regelmatig met elkaar aan het ‘touwtrekken’. Steeds weer is de vraag: hoe maken wij de eer van God het grootst?
Met Hebreeën 4 mogen we samen zeggen: “Want wij gaan tot de rust in, wij, die tot geloof gekomen zijn”[12].

Eindeloze glorie
Zefanja is een boek dat ons met Gods oordeel confronteert[13].
Maar dat wil beslist niet zeggen dat we dit Bijbelboek huilend moeten uitlezen.
Het laatste vers van Zefanja’s profetie wrijft het ons nog eens in: de Here moet aan het werk, wij niet. En als Hij iets tot stand brengt, worden de omstandigheden ronduit glorieus en magnifiek: “Te dien tijde zal Ik u doen komen, namelijk ten tijde dat Ik u verzamelen zal. Want Ik zal u stellen tot een naam en tot een lof onder alle volken der aarde, wanneer Ik voor uw ogen een keer zal gebracht hebben in uw lot, zegt de HERE”[14].

Noten:
[1] Zie mijn artikel ‘Oordeel en genade’, dat hier op woensdag 10 september 2014 gepubliceerd werd. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2014/09/10/oordeel-en-genade/ .
[2] Tijdens de vergadering van de Mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen die vanavond wordt gehouden, zal het gaan over het Bijbelboek Zefanja. Over dat Bijbelboek hoop ik een inleiding te verzorgen. Een bewerking van dit artikel zal een deel van die inleiding zijn.
[3] Zefanja 1:7.
[4] Zefanja 1:4.
[5] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 37.
[6] Zefanja 2:3.
[7] Daniël 12:3.
[8] Zacharia 12:10.
[9] Mattheüs 5:5.
[10] Zefanja 3:12 en 13.
[11] Jesaja 11:11 en 12.
[12] Hebreeën 4:3.
[13] Op deze internetpagina is het Bijbelboek Zefanja reeds verschillende keren in beeld geweest. De betreffende artikelen zijn te lezen als u klikt op https://bderoos.wordpress.com/tag/zefanja/ .
[14] Zefanja 3:20.

16 september 2014

Het zoenoffer is gebracht

Christus is, zo leren wij in Zondag 15 van de Heidelbergse Catechismus, het enige zoenoffer.
In Zondag 15 staat: “Christus heeft heel de tijd van zijn leven op aarde, maar vooral aan het einde daarvan, de toorn van God tegen de zonde van het hele menselijke geslacht aan lichaam en ziel gedragen.Hij deed dit om door zijn lijden, als het enige zoenoffer, ons lichaam en onze ziel van het eeuwige oordeel te verlossen en Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven voor ons te verwerven”[1].
Wat houdt dat in voor onze praktijk van vandaag? Dit. In ons leven gaat een nieuwe langetermijnvisie gelden: wij mogen rekenen op genade van God, vrijspraak en eeuwig leven. De toekomst gaat open. Wij zijn op weg naar permanent geluk, naar een toestand van heerlijke vrede waar nooit een eind aan komt.

Laat ik dit vergezicht vandaag belichten vanuit Hebreeën 9.
Een vers uit dit Schriftgedeelte maakt trouwens ook deel uit van het Schriftbewijs onder Zondag 15.

Toen onze Heiland, de Here Jezus Christus, Zijn reddende arbeid op aarde voltooid had ging hij triomferend de hemel binnen.
Maar het bloed dat gevloeid heeft, blijkt nog altijd reinigende kracht te hebben. Wij lezen: “…hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest Zichzelf als een smetteloos offer aan God gebracht heeft, ons bewustzijn reinigen van dode werken, om de levende God te dienen?”[2]. Er vindt, kort gezegd, een grootse interne schoonmaakactie plaats. Wij worden van binnen brandschoon. Geen vlekje meer te zien[3].
In ons leven gaat dat niet ongemerkt voorbij. We ontdekken dat er aan ons gewerkt wordt.
Onze kijk op de wereld wordt anders. En ja, voor ons gevoel komen we gaandeweg verder van de wereld af te staan. Dat levert, in zekere zin, eenzaamheid op. Er zijn steeds meer gesprekken waarin we ons een vreemde voelen. Onze opinie past op geen enkele manier meer bij de meningsvorming in de wereld.

Christus is Middelaar van een nieuw verbond. De mensen die door de Heer van hemel en aarde geroepen zijn, zullen “de eeuwige erfenis” ontvangen. Zondag 15 ademt de sfeer van Hebreeën 11. Nu verlangen wij naar een beter, dat is een hemels vaderland[4].
Die kant gaat het met ons op. Daar bereiden wij ons voor.

Het slot van Hebreeën 9 luidt als volgt: “En zoals het de mensen beschikt is, eenmaal te sterven en daarna het oordeel, zo zal ook Christus, nadat Hij Zich eenmaal geofferd heeft om veler zonden op Zich te nemen, ten tweeden male zonder zonde aanschouwd worden door hen, die Hem tot hun heil verwachten”[5].
Mensen die sterven, moeten het Goddelijk oordeel verwachten.
Christus stierf, nu mogen Gods kinderen heerlijk voordeel verwachten!

Christus heeft voor ons geleden.
Dat woord ‘geleden’ is in de brief aan de Hebreeën een centraal woord.
U vindt het terug in Hebreeën 2: “Want doordat Hij zelf in verzoekingen geleden heeft, kan Hij hun, die verzocht worden, te hulp komen”[6]. Christus weet wat wij door maken; daarom kan Hij ons helpen.
U vindt het terug in Hebreeën 5: Hij heeft “hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden”[7]. Hij heeft ons het voorbeeld van gehoorzaamheid gegeven. Nu weten wij hoe het moet
U vindt het terug in Hebreeën 13: “Daarom heeft ook Jezus, ten einde zijn volk door zijn eigen bloed te heiligen, buiten de poort geleden. Laten wij derhalve tot Hem uitgaan buiten de legerplaats en zijn smaad dragen”[8]. Wij worden meewarig aangekeken. Er wordt al of niet besmuikt om ons gelachen. Elders in de wereld worden volgelingen van Christus vervolgd. Maar al die psychische druk en andere ellende is maar tijdelijk.

Wij zijn op weg naar permanent geluk, naar een toestand van heerlijke vrede waar nooit een eind aan komt!

Wij leven in een tijd waarin veel mensen op zichzelf gericht zijn. De koffietafelgesprekken gaan over moeilijkheden op het werk. Over problemen met kinderen of andere familieleden. Over de verhuizing die op stapel staat. Over vervelende bezoeken aan het ziekenhuis. Er is, kortom, allerlei particuliere rampspoed waarover u en ik urenlang kunnen palaveren. En u weet hoe dat gaat: het ene gesprek is nog somberder dan het andere. Het ene praatje is nog pessimistischer van toon dan het andere.
Welnu, Zondag 15 geeft ons een training in geloofsblijdschap. Laten we ’t maar vasthouden: wij mogen rekenen op genade van God, vrijspraak en eeuwig leven. Want het zoenoffer is gebracht!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 15, antwoord 37.
[2] Hebreeën 9:14.
[3] Zie hierover ook de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Hebreeën 9.
[4] Hebreeën 11:13-16: “In dat geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde. Want wie zulke dingen zeggen, geven te kennen, dat zij een vaderland zoeken. En als zij gedachtig geweest waren aan het vaderland, dat zij verlaten hadden, zouden zij gelegenheid gehad hebben terug te keren; maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels, vaderland. Daarom schaamt God Zich voor hen niet hun God te heten, want Hij had hun een stad bereid”.
[5] Hebreeën 9:27 en 28.
[6] Hebreeën 2:18.
[7] Hebreeën 5:8.
[8] Hebreeën 13:12 en 13.

15 september 2014

Schoonheden

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Ons bewustzijn wordt gereinigd, las ik onlangs in Hebreeën 9[1].
Onze opvattingen en denkbeelden worden schoongemaakt.
Het staat er zo: “Want als reeds het bloed van bokken en stieren en de besprenging met de as der vaars hen, die verontreinigd zijn, heiligt, zodat zij naar het vlees gereinigd worden, hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest Zichzelf als een smetteloos offer aan God gebracht heeft, ons bewustzijn reinigen van dode werken, om de levende God te dienen?”[2].

De Here God houdt grote schoonmaak in ons leven.
Daardoor krijgen wij meer ruimte.
Wij ontvangen zicht op het werk van de levende God.

Wij leven in een tijd waarin via allerlei media allerlei bloederige taferelen tot ons komen. Oorlogsbeelden komen op televisie langs. Oekraïne, Irak, Syrië, Israël en de Gazastrook: u en ik kunnen daar vandaag niet meer omheen.
Dat is soms onwezenlijk. Het is ronduit afschuwelijk.
En we denken bij onszelf: wat een verdorven wereld is dit toch! Wat een verrotte samenleving is dit!

Natuurlijk wennen zulke gebeurtenissen nooit.
Maar we houden wel rekening met gruwelijkheden. Want ach, we lezen al vele, vele jaren de kranten. De televisie staat al vele jaren met grote regelmaat aan.
Wellicht is dat de reden dat een tekst als die uit Hebreeën 9 soms een beetje aan ons voorbij lijkt te gaan.

Trouwens: ook het offeren van een jonge koe komt uit een heel andere wereld.
De as van die jonge koe – de vaars – die buiten de legerplaats van Israël bewaard was, werd vermengd met stromend water. Zo werd het reinigingswater gemaakt. Met dat water werd iemand gereinigd die een dode aangeraakt had. Met datzelfde water werd ook de tent gereinigd, en verder alle voorwerpen in de tent waarin de dode gelegen had. Dat begrijp ik als ik Numeri 19 doorkijk.
Dat reinigingswater was, lijkt mij zo, niet al te schoon. Waarom werden Israëlieten rein verklaard, uitgerekend na een ritueel met dergelijk water? Antwoord: omdat de Here hen rein en zuiver verklaarde. Dat is de inzet van Numeri 19: “De HERE nu sprak tot Mozes en Aäron: dit is het wetsvoorschrift, dat de HERE gebiedt… “[3].
Het was een kwestie van geloof.

De Hebreeënschrijver zegt eigenlijk:
* in Numeri 19 moest het volk in de reiniging door de Here geloven
* aan de gebeurtenis in Hebreeën 9 moet u nog meer geloof hechten.

Waarom?
Omdat het in Hebreeën 9 over het bloed van Christus gaat. God en mens in Eén. De hemelse Heer werd mens. En Hij bleef God.
Welbeschouwd is dat nog onbegrijpelijker dan dat merkwaardige water uit Numeri 19. Maar het gaat hier ook niet over uw bevattingsvermogen. Geloof het nou!

In Hebreeën 9 gaat het over dode werken.
Dode arbeid: wat is dat?
Dat is arbeid die niet overeenkomstig Openbaring 14 is. Ik heb het oog op die hemelse proclamatie: “Schrijf, zalig de doden, die in de Here sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, dat zij rusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na”[4].
Nu weet ik wel dat geen enkel werk van ons goed is. Overal kleven zonden aan. Maar het gaat er om dat we ons werk in de Here doen. Dan wordt onze arbeid door Christus’ bloed gereinigd.
Er zijn veel activiteiten die niet bij de Here passen. Er zijn gedachten die niet in het leven van ware gelovigen thuis horen. Dat betreft – om met de kanttekeningen bij de Statenvertaling te spreken – “zondige of vleselijke werken, waarvan het einde de dood is”[5]. Het gaat om bezigheden waarmee u, als u het ês goed bekijkt, een voorschot op de dood neemt.
Zulke gedachten verdwijnen steeds meer uit het leven van Gods kinderen. Dergelijke dingen gebeuren steeds minder vaak in het leven van kerkmensen.

U merkt het: ik ben daar heel stellig in.
In Hebreeën 9 staat namelijk niet dat wij nu eindelijk eens ijverig aan het werk moeten gaan.
Er wordt gevraagd: als dat reinigingswater, vanwege de macht van God, reinigende kracht had – en dat was zo! -, zou dan Christus’ bloed niet nog veel meer schoonmaakkracht hebben? Het antwoord is helder: natuurlijk heeft het bloed van de Heiland enorme kracht. Nou dan!
Daarom verdwijnt die dooie arbeid uit het leven. Dat gebeurt niet omdat wij zulke nette mensen zijn. Dat is een zaak die voortvloeit uit het stromen van Christus’ bloed.

Er zijn een heleboel mensen die dat niet geloven.
Zij kijken naar hun eigen ellende, of de drama’s in levens van mensen om hen heen. En dan zeggen zij: waarom gebeurt dat toch allemaal?
Op dat punt houden veel mensen op met redeneren. Zij blijven steken in hun eigen lijden.
Wilt u een voorbeeld?
Laatst zag ik op de televisie het EO-programma ‘Geloven op 2’. Het programma kwam uit Doesburg. En de vraag aan mensen op straat was: komt u in uw omgeving veel onrecht tegen? Een man vertelde over zijn zieke buurjongen. De jongen van een jaar of 11 heeft leukemie. ‘Dat vind ik onrecht’[6]. U ziet het: mensen bepalen wat hun vrienden en kennissen verdiend hebben. Die mensen weten wat hun vrienden toekomt. Ten diepste menen die mensen blijkbaar dat God de zaken nogal oneerlijk aanpakt… Het is duidelijk dat die leukemie droevig stemt. Die ziekte levert veel verdriet op – bij de patiënt zelf, en bij allen die om hem heen staan.

De kwestie is: Gereformeerden leren af om in hun eigen treurnis te blijven rondcirkelen.
Hoe leren zij dat af?

God de Vader ontwierp een plan.
Hij stuurde Zijn Zoon naar de aarde. Om te lijden en te sterven, notabene!
Waarom gebeurde dat toch?
Daar kunnen wij wel een antwoord op geven. De Here heeft het ons in Zijn Woord geopenbaard.
Maar dan moeten u en ik niet in ons eigen lijden blijven steken. Toegegeven: er zijn tijden waarin ons persoonlijke lijden veel aandacht vraagt. Maar daarmee houdt het niet op.
De dood is overwonnen.
Wij mogen geloven dat Christus voor ons gestorven is.

En zo wordt iedere ware gelovige een schoonheid.
Het moet gezegd: ware gelovigen blijven kleine mensen.
Maar binnenin hun leven zien zij, na veel hemels schoonmaakwerk, steeds vaker iets van de glans van God.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik in maart 2010 schreef.
[2] Hebreeën 9:13 en 14.
[3] Numeri 19:1 en 2a.
[4] Openbaring 14:13.
[5] Zie http://www.statenvertaling.net/kanttekeningen/Hb6.htm .
[6] Het betreft een uitzending op dinsdag 12 augustus 2014, vanaf 18.00 uur op Nederland 2.

« Vorige paginaVolgende pagina »

Blog op WordPress.com.