gereformeerd leven in nederland

27 februari 2015

De Here komt spoedig terug

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

“Hij, die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen, kom, Here Jezus!”.
Dat zijn, zoals u weet, de voorlaatste zinnen van Gods Woord[1].
De Man die daar spreekt is Jezus. Een paar verzen eerder wordt dat in Openbaring 22 al duidelijk: “Ik, Jezus, heb mijn engel gezonden…”[2]. Jezus heeft Zelf beloofd dat Hij terug komt. En Johannes zegt daar ‘amen’ op. We mogen Hem dus terug verwachten.
En daar moeten wij voor kiezen. Dat moet de eerste prioriteit in ons leven zijn. Heel vaak zijn er dingen waar u en ik in het leven niet aan toe komen. Meestal zeggen we dan: nou, dat komt later wel; morgen, of zo. Maar met die toekomstverwachting moet dat niet zo gaan. Die behoort ook vandaag levend te blijven.

Jaren geleden al zeiden woordvoerders van Kerkinactie – een organisatie van de Protestantse Kerk die missionair en diaconaal werk doet – dat kerkleden in de veertigdagentijd “bewust moeten kiezen voor hun naaste, de aarde en voor God”.
De veertigdagentijd: dat is, zoals bekend, de periode voor Pasen. Dit jaar is die op woensdag 18 februari begonnen.
Weet u wat ik in het bovenstaande citaat het meest opvallend vindt? De volgorde. Achtereenvolgens worden genoemd:
* de naaste
* de aarde
* God.
God staat onderaan.
En dat terwijl het lijstje met Hem moet beginnen. Als Hij op de wolken terugkomt wordt alles nieuw, inclusief de aarde. Als Hij terugkeert, doen verhoudingen met onze naasten er niet zoveel meer toe. We moeten het van Jezus Christus verwachten. En we moeten Hem terug verwachten. Die toekomstvisie is, als het goed is, altijd herkenbaar in ons leven. Ons gelovig optimisme over de toekomst kan op ongedachte momenten naar buiten komen!

Graag wil ik attent zijn op mijn naaste. Omgaan met mensen vind ik mooi.
Natuur is prachtig. Natuurfilms, ik krijg er niet snel genoeg van.
Maar daar begint het allemaal niet.
Het startpunt ligt bij God.
Als u het mij vraagt kunnen wij pas echt wat voor onze naasten betekenen als onze toekomstverwachting op orde is.

Vooral in Amerika verschijnen nogal ês boeken met thema’s rond christelijke toekomstverwachting. Maar er wordt heel wat afgefantaseerd. Niet zelden schrijft men vanuit een visie betreffende een duizendjarig rijk. Men begint bij het idee dat Jezus terugkeert op aarde, dat hij zal afrekenen met de antichrist en met valse profeten, en dat hij vervolgens duizend jaar in vrede zal regeren. ‘Chiliasme’ heet die theorie. Chilias is Grieks. En het betekent: duizend.

Nu is de Bijbel geen almanak. En ook geen tijdschema. Als het in Openbaring 20 over het duizendjarig rijk gaat, zien we een röntgenfoto van de toekomst, en geen kalender[3]. In een vorig jaar verschenen themabrochure van de Gereformeerde Bond werd terecht opgemerkt: “We hoeven ons niet blind te staren op de buitenkant van de geschiedenis, maar mogen de röntgenfoto vanuit het Woord van God ernaast leggen. De gemeente mag te midden van de signalen van de eindtijd – ze worden ons gegeven in Jezus’ rede over de laatste dingen (…) – de voetstappen van de naderende Christus horen”[4].
Wij moeten, met andere woorden, gewoon op God vertrouwen.
En we hoeven niet op de klok te kijken om vervolgens te zeggen: het is nu half negen, en om negen uur is het zover. Het is een kwestie van gelovend en vertrouwend verwachten.

De Here komt spoedig terug, zeggen wij.
Dat is geen reden om alleen maar boven te kijken. Daarin ligt ook geen motivatie om de wereld om ons heen meewarig aan te kijken, en er verder maar het zwijgen toe te doen.
Echter: goede aandacht geven aan onze naasten begint niet bij de vraag ‘kan ik iets voor u doen?’ Het startpunt ligt bij de vraag: ‘verwachten we leiding en hulp van God?’.
U ziet het.
Er is niet alleen aandacht voor de hulpvrager.
Ook de aanbieder van die hulp komt in beeld.
Want die vraag van hierboven komt voort uit de constatering dat zowel de hulpvrager als de hulpaanbieder het van Zijn reddingsplan moeten hebben.
Als de hulpaanbieder een gedienstig mens is, is dat prachtig. De wereld wordt er gedurende korte tijd wat leuker, prettiger en/of leefbaarder van. Maar met een dosis hulpvaardigheid kan een mens geen plaatsje in de hemel verdienen. Dat niet.
Als de hulpvrager zich niet afhankelijk weet van God, willen Gereformeerden hem best helpen. Maar het is korte-termijn hulp. Structureel helpen, dat doet het niet.

De Here komt spoedig terug, zeggen wij.
En men vraagt ons: hoezo, spoedig? Want dit roepen christenen reeds sedert vele, vele jaren.
Op die vraag moeten we antwoorden dat Gods tijdrekening hemelsbreed verschilt van de onze. In 2 Petrus 3 staat niet voor niets: “Doch dit ene mag u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Here is als duizend jaar en duizend jaar als één dag. De Here talmt niet met de belofte, al zijn er, die aan talmen denken, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen. Maar de dag des Heren zal komen als een dief”[5].
Er zijn mensen die vinden dat de mededeling dat Christus spoedig komt, sterk overdreven is. Wel, laten ze maar blij zijn dat Christus nog niet teruggekomen is. Nu hebben ze nog tijd om zich te bekeren!

De Here komt spoedig terug, zeggen wij.
Er wordt wel eens gezegd dat Gereformeerden zich daar te weinig bewust van zijn. Misschien komt dat wel omdat er voor echte kinderen van God weinig verandert. Relatief bezien, althans.
“En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld”, zegt Jezus in Mattheüs 28[6]. Dat is dus nu al zo.
“En op de vraag der Farizeeën, wanneer het Koninkrijk Gods komen zou, antwoordde Hij hun en zeide: Het Koninkrijk Gods komt niet zó, dat het te berekenen is; ook zal men niet zeggen: zie, hier is het of daar! Want zie, het Koninkrijk Gods is bij u”. Zo staat het in Lucas 17[7]. Het Koninkrijk Gods is bij ons – dat is dus nu al zo.
Kinderen van God wandelen nu al met God door de wereld. In de hemel wandelen wij met Hem verder; maar dan in volmaaktheid.

De Here komt spoedig terug, schrijf ik voor de laatste keer in dit artikel.
En daar moeten we ons voor gereed houden. En zoveel mogelijk mensen met ons. Daarom moeten we onze naaste aandacht geven. Niet omdat we – bijvoorbeeld – zo nodig op zoek moeten naar vormen van economie waarin de aarde en de mens centraal staan.
Duurzaamheid? Nee, ik zeg er geen kwaad van. Het is een goede zaak om de aarde zorgvuldig te beheren. Maar dat is niet het belangrijkste.

Op een website van Kerkinactie las ik onlangs: “Duurzaam leven is de beste overlevingsstrategie voor ons allemaal”[8]. Welnu, gelooft u dat maar niet.
Het startpunt van onze toekomstverwachting ligt namelijk niet bij mensen.
De naam van God moet worden geëerd. Dat is eerste prioriteit. Overal op de wereld.
Daar begint en eindigt alles mee[9].

Noten:
[1] Ze staan in Openbaring 22:20.
[2] Openbaring 22:16.
[3] Dit beeld gebruikte de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant H. Drost eens in een preek over Openbaring 20:1-3. Het is onder predikanten en andere theologen overigens een bekend beeld. Zie ook noot 4.
[4] Zie http://gereformeerdebond.nl/boeken-brochures/brochures-downloads  . Het citaat komt uit de themabrochure 11, Eindtijdsignalen. Uitgave van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk; bijlage bij De Waarheidsvriend, donderdag 16 januari 2014.
[5] 2 Petrus 3:8, 9 en 10.
[6] Mattheüs 28:20.
[7] Lucas 17:20 en 21.
[8] Zie http://www.kerkinactie.nl/over-kerk-in-actie/onze-themas (geraadpleegd op donderdag 12 februari 2015).
[9] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op donderdag 2 maart 2006.

26 februari 2015

Gelieve niet op te schuiven

Gereformeerd-zijn: dat is de moeite waard[1]. Want echte afhankelijkheid van God geeft in het leven rust en evenwicht. Met lege handen bij God komen, dat betekent: ik kan het niet zelf doen, ik wil het niet zelf doen en ik hoef het ook niet zelf te doen. Dat scheelt een stuk.
Er zijn heel wat mensen die Gereformeerd heten. Die mensen lezen de Bijbel. Hun handen zijn net zo leeg als die van mij. Het is mooi dat zij God ook willen dienen. Samen in dienst zijn van God: dat is prachtig. En het is ook ontspannend.
Maar sommige Gereformeerden schuiven op. Ze lezen de Bijbel en dan verandert hun overtuiging.

Hun overtuiging over de hel bijvoorbeeld. Het kan, zeggen zij, toch niet de bedoeling van God wezen dat mijn geliefde dochter in de hel komt?
Hun overtuiging met betrekking tot de omgang met belijdenisgeschriften, bijvoorbeeld. Het is, stelt men, helemaal niet zo raar om over bepaalde onderdelen van die belijdenis anders te denken. Ach, daar doe je toch niemand kwaad mee?
Hun overtuiging ten aanzien van homoseksualiteit, bijvoorbeeld. Daar moeten we, zeggen veel mensen, genuanceerd over praten. En vervolgens wordt de hand gelicht met het Schriftuurlijk verbod op homoseksuele relaties.

Nu is er niets tegen om met een zekere mildheid naar onszelf te kijken.
Ik mag hopen dat uit de artikelen die hier verschijnen, vaak welwillendheid naar voren komt. Het lukt niet altijd om zachtaardig te schrijven. Ik geloof trouwens niet dat dat ook altijd moet. Maar de liefde van God komt hopelijk wél naar voren. En de liefde voor mensen ook. Graag wil ik op deze internetpagina positief Gereformeerd redeneren en schrijven.

Hierover is nog wel wat meer te zeggen.
Hieronder maak ik een zestal notities ter zake.

1.
De hel wil ik nooit wegdrukken. De hel komt in Gods Woord wel degelijk ter sprake. Het woord ‘hel’ komt, bij mijn weten, acht keer in de Bijbel voor. Het zou dus onjuist zijn om de hel weg te praten.
In dit verband wijs ik op Lucas 12.
Daar waarschuwt Jezus tegen de buitenkant-godsdienst van de Farizeeën. En dan zegt Hij onder meer: “Ik zeg u, mijn vrienden, vreest hen niet, die het lichaam doden en daarna niets meer kunnen doen. Ik zal u tonen, wie gij vrezen moet. Vreest Hem, die, nadat Hij gedood heeft, macht heeft om in de hel te werpen. Voorwaar, Ik zeg u, vreest Hem”[2]. Zo staat dat in de Bijbel. Het zijn niet de meest opgewekte teksten. Maar juist omdat dat ook in de Bijbel staat, is het geloof zo’n ernstige zaak.

2.
Juist omdat het eeuwig onheil voor zovelen aan de orde zal komen, is het belangrijk om echt Gereformeerd te zijn.
Het is van eminent belang om voor familie en vrienden duidelijk te maken: ik leef van de geef; ik kom met lege handen bij God omdat Hij echt de Enige is die mij redden kan.
En wat meer is: Hij heeft mij daadwerkelijk gered!

3.
Natuurlijk wil ik best naar mensen met een homoseksuele geaardheid luisteren. Ja, ik wil begrip opbrengen voor de problemen die zij hebben. Want die zijn vast en zeker niet gering.
Maar dat betekent werkelijk niet homoseksuele relaties moeten kunnen. Daar wil ik nooit in mee gaan. Gemeenschap tussen mannen wordt in Gods Woord duidelijk afgekeurd.
In Genesis 19 is sprake van gemeenschap tussen mannen. Want Lot krijgt de vraag: “Waar zijn de mannen, die vannacht bij u gekomen zijn? Breng hen bij ons buiten, opdat wij met hen gemeenschap hebben”[3]. Het is één van de vele zonden die in Sodom stelselmatig plaatsvinden. We weten het: Sodom wordt verwoest. Er blijft niets van die stad over. Dat staat er met nadruk bij: “Toen Abraham zich vroeg in de morgen begaf naar de plaats, waar hij voor de HERE gestaan had, en uitzag in de richting van Sodom en Gomorra en het gehele land van de Streek, zag hij, en zie, de rook van de aarde steeg op als de rook van een smeltoven”[4]. Het smeult nog een beetje. Dat is alles.
De Here veroordeelt homoseksuele relaties. Daar mogen we nooit omheen praten!

4.
De binding aan de Bijbel en belijdenis is van groot belang. Sterker nog: bij de voortduur leg ik er hier de nadruk op dat ik bij Schrift en belijdenis wens te leven.
Dat klinkt streng. En strak begrensd. Dat is het ook. Weet u waarom? Vanuit onszelf hebben we maar al te vaak de neiging om een beetje met mensen mee te praten. Want och – wij moeten een beetje plooibaar blijven, nietwaar? Wij willen graag bekend staan als mensen die op aangename wijze met hun naasten omgaan. Belijnd leven past daar naar ons gevoel niet altijd bij. Maar mét dat al wijken we dan al snel van de belijdenis af. Voor wij ’t weten zijn menselijke ideeën ongeveer net zo belangrijk als Gods Woord.
Dat, geachte lezers, moeten wij zien te voorkomen. Daarom let ik scherp op. Daarom ben ik nogal consequent en tamelijk stellig.
Misschien wordt het sommige lezers soms wat al te dol.
Maar de kerk is nu eenmaal niet bestemd voor fuifnummers en libertijnen.

5.
In dit aardse leven is het belangrijk om enig relativeringsvermogen te behouden. De betrekkelijkheid van het leven inzien, dat is meestal wel gezond.
Maar er is één Boek dat ik nooit hoop te relativeren: de Bijbel.
Waarschijnlijk hoor ik nu bij de categorie ‘felle Gereformeerden’. Het zij zo.
Bij heel wat bejaarde broeders en zusters bemerk ik hartstocht als het begrip ‘Gereformeerd’ ter sprake komt. Die passie begrijp ik hoe langer hoe beter.
Ouderen relativeren veel.
Maar heel wat oudere Gereformeerden zijn bang om te veel te relativeren. Want Gods Woord relativeren, dat willen zij nooit. Zal ik het eens zeggen? Ze hebben gelijk. Groot gelijk.

6.
Laten we met z’n allen maar gewoon trouw blijven.
Daarbij breng ik graag een bekend woord uit Openbaring 22 in rekening: “Ik betuig aan een ieder, die de woorden der profetie van dit boek hoort: Indien iemand hieraan toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen, die in dit boek beschreven zijn; en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn”[5].
Daar eindigt Gods Woord trouwens niet.
Er komen nog drie zinnen achteraan.
“Hij, die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen, kom, Here Jezus! De genade van de Here Jezus zij met allen”[6].
Die genade is er voor al Gods kinderen. Ja, ook voor de scherpslijpers.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op woensdag 1 maart 2006.
[2] Lucas 12:4 en 5.
[3] Genesis 19:5.
[4] Genesis 19:27 en 28.
[5] Openbaring 22:18 en 19.
[6] Openbaring 22:20 en 21.

25 februari 2015

Goddelijke zegetocht

Het koninkrijk van God wordt definitief gevestigd!
Dat is de troostvolle boodschap van Zacharia 9[1].

Dat Schriftgedeelte is opmerkelijk. Want de macht van God gaat de wereld over.
Damascus: ja, de Here kijkt verder dan Israël. Ook Syrië komt in Zijn blikveld.
Tyrus, Sidon: daar wonen de handelaars. De sluwe kooplieden die grote zaken doen. Maar rijkdom en financiële handigheid blijken niet meer te helpen. De door mensen gecreëerde hoogconjunctuur wordt totaal overvleugeld door hemelse pracht en praal.
Askelon, Gaza, Ekron: die schrikken op. Want als Tyrus en Sidon vallen, dan ziet het er voor hen ook niet best uit. De Filistijnen snappen het heel goed: wij komen ook aan de beurt.
Kortom – werkelijk overal neemt de Here de macht over. De hemelse God is bezig met een zegetocht!

Een uitlegger wijst op de veroveringen van Alexander de Grote – 336/332-323 voor Christus -. Hij kreeg grote stukken van bovengenoemde gebieden in handen. Sommige steden gaven zich vrijwillig over. Andere werden, soms na een lang beleg, veroverd.
De stad Jeruzalem werd beschermd. Deze gaf zich meteen aan Alexander de Grote over, en werd verder met rust gelaten.
Die exegeet schrijft ook: “Door de ongehoorzaamheid van de Joden kon de stad Jeruzalem niet altijd een veilige stad zijn. De Egyptische koning Ptolemeüs I (323-285) heeft de stad met bedrog veroverd, en veel inwoners naar Egypte gedeporteerd. De Syrische koning Antiochus IV (175-163) heeft de stad en haar tempel ontwijd. Door de Romeinen zijn de tempel en de stad Jeruzalem helemaal verwoest. De Joden mochten zelfs niet meer in hun hoofdstad komen”[2].

De vraag komt op: moet pessimisme ons thans vervullen? Kan Gods Koninkrijk er eigenlijk nog wel komen?
Jazeker wel.
Want de God van hemel en aarde blijkt de touwtjes strak in handen te houden.

Als Gods Koninkrijk eenmaal is opgericht, wordt het aan Jezus Christus gegeven. De Messias krijgt regeringsmacht aangereikt.
Nee, dat lijkt niet zo. Een Koning op een ezel – wat is dat nou?
“Jubel luide, gij dochter van Sion; juich, gij dochter van Jeruzalem! Zie, uw koning komt tot u, hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig, en rijdende op een ezel, op een ezelshengst, een ezelinnejong”[3].
Zo staat het er. Misschien werpt iemand een verbaasde blik op die ezelrijder – wat stelt dat tafereel nu eigenlijk voor?
Voor ons moet één ding duidelijk zijn: Jezus Christus vraagt geloof.
Immers – wie naar die Man op die ezel kijkt, kan zomaar denken dat het niks meer worden zal. In de tijd van koning David rijden prinsen op muildieren. Denkt u maar aan 2 Samuël 18: “De knechten van David troffen Absalom aan, terwijl deze op een muildier reed”[4]. Tijdens de regering van koning Salomo worden paarden geïmporteerd. In Jeremia 22 lezen we dan ook: “Want indien gij dit nauwgezet doet, dan zullen door de poorten van dit huis koningen binnengaan, die gezeten zijn op de troon van David, rijdende in wagens en op paarden, hij zelf met zijn dienaren en zijn volk”[5]. Maar ach, een Man op een ezel: dat is een ietwat merkwaardige figuur. Die willekeurige toeschouwer kan zomaar denken: met deze Man kun je de oorlog niet winnen. Echter, op de keper beschouwd is dat een ongelovige gedachte. De Redder der wereld roept alle mensen ertoe op om in Hem te geloven. De proclamatie gaat rond in de wereld, of men het nu wil of niet.
Hoe gering het er ook uitziet, deze Man zal de liefdevolle Heerser der wereld worden. Alle andere machten in de wereld zal Hij weg doen. Ze gaan verdwijnen. Ze raken in de vergetelheid. Ze doen er niet meer toe.
Heel de wereld krijgt te maken met die ene goede Machthebber, die zijn regeringskracht nooit meer zal afstaan.

Voor de ballingen in Babel is dat met recht een ongelooflijke boodschap. Want hoe zal dat geschieden? Die verandering is zo ongeveer de grootste die men zich kan voorstellen!
Het zal echter bewaarheid worden.
De gevangenen worden uit de grote waterput gehaald. U weet het misschien: in die tijd stopte men mensen die men liever maar kwijt was wel eens in een droge waterput. Denkt u maar Genesis 37: “Zodra Jozef bij zijn broeders gekomen was, trokken zij Jozef zijn kleed uit, het pronkgewaad, dat hij droeg. En zij namen hem en wierpen hem in de put; de put nu was leeg, er stond geen water in”[6]. Jazeker, in Zacharia 9 wordt Gods volk uit de put gehaald. “Ook laat Ik ter wille van uw eigen verbondsbloed de gevangenen onder u vrij uit de put, waarin geen water is”[7]. Om kort te gaan: kinderen van de hemelse Vader worden weer op niveau gebracht!
Let er op – Efraïm en Juda worden hier in één adem genoemd. “Want Ik span Mij Juda, op de boog leg Ik Efraïm…”[8]. Met andere woorden: het tienstammenrijk en het tweestammenrijk worden weer één. Het volk van Gods verbond wordt klaarblijkelijk weer één natie!
Israël staat onder speciale bescherming van de God van hemel en aarde. Onder Zijn leiding wordt de samenleving één groot stuk geluk!

Zacharia wijst naar Gods Zoon. Naar de Man op de ezel.
Jezus Christus is eigenlijk een heel speciaal soort koning.
Hij is een Koning vol goedheid.
Hij is een Koning van genade.
Hij is een Koning van vrede.
Hij is een Machthebber die – om zo te zeggen – een en al zuiverheid is.
Hij is een Regent die volmaakte rechtvaardigheid voorstaat.
Hij ruimt de rommel op die de wereldburgers van Zijn schepping gemaakt hebben.
Hij is – dat eerst en vooral! – genadig voor Zijn volk.

Wat hebben wij daar in 2015 aan?

U zegt misschien: dat klinkt allemaal heel mooi.
Maar wat moeten we ondertussen met de Russische inmenging in de Oekraïne?
En met de afschuwelijke terreur van Boko Haram, in Nigeria en omliggende landen?
En met de massa’s vluchtelingen die er overal op de wereld zijn?

Jazeker, daar moet wat aan gedaan worden.
Door diplomatiek overleg. Door het gebruik van economische sancties. Door het zorgvuldige gebruik van aanvalswapens.
En het kleinere onrecht? Dat kan – bijvoorbeeld – in de sociale media bestreden worden. Via Twitter en zo; u weet dat wel.

We moeten met elkaar de wereld een beetje beter maken, zeggen de mensen.
Maar ze verkijken zich op de gebeurtenissen op de aarde. Zij taxeren de wereldgeschiedenis totaal verkeerd.
Zij hebben niet door dat Jezus Christus het heerlijkste plan aller tijden uitvoert.

In Mattheüs 21 rijdt Jezus op een ezel Jeruzalem binnen. Maar voordat die gebeurtenis beschreven wordt, staat er genoteerd : “Dit is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken is door de profeet, toen hij zeide: Zegt der dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en rijdend op een ezel, en op een veulen, het jong van een lastdier”[9].
Mattheüs laat zien dat Zacharia door toedoen van God in de toekomst kon kijken.
Mattheüs toont aan dat de woorden die God vroeger via Zijn woordvoerder Zacharia heeft gesproken, werkelijkheid geworden zijn.
Dat zo zijnde mogen we erop vertrouwen dat de God van hemel en aarde Zijn reddingsplan voor deze wereld helemaal uitvoert.

Onze Heer heeft grote legermachten tot Zijn beschikking. Al die legers worden op ongedachte wijze en onverwachte momenten ingezet.
Want Hij heet, ook in Zacharia 9, niet voor niets ‘Here der heerscharen’[10]!

Noten:
[1] Aanstaande woensdag, 4 maart 2015, vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Op die bijeenkomst zal Zacharia 9:1-11:17 centraal staan. Het schrijven van dit artikel is een deel van mijn voorbereiding op die vergadering.
[2] Ik citeer van http://home.kpn.nl/~turen029/Zacharia,%20Jahweh%20gedenkt.pdf . Ook elders in dit artikel maak ik van die internetpagina gebruik.
[3] Zacharia 9:9.
[4] 2 Samuël 18:9.
[5] Jeremia 22:4.
[6] Genesis 37:23 en 24.
[7] Zacharia 9:11.
[8] Zacharia 9:13 a.
[9] Mattheüs 21:4 en 5.
[10] De term staat in Zacharia 9:15.

24 februari 2015

Godsvertrouwen volgens Zondag 35

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

In de kerk mogen wij geen beelden van God maken. Wij mogen die ook niet aanbidden. De Heidelbergse Catechismus is daar in Zondag 35 heel duidelijk over. God eist in het tweede gebod “dat wij God op geen enkele manier afbeelden en Hem op geen andere wijze vereren dan Hij in zijn Woord bevolen heeft”. En: “God kan en mag op geen enkele manier afgebeeld worden. De schepselen mogen wel afgebeeld worden, maar God verbiedt dat wij een afbeelding van hen maken of hebben om die te vereren of God daardoor te dienen” [1].

Dat woord is al vanouds geldig.
Daniël weet er al van.
Mede namens zijn vrienden zegt hij tegen koning Nebukadnezar: “Indien onze God, die wij vereren, in staat is ons te bevrijden, dan zal Hij ons uit de brandende vuuroven, en uit uw macht, o koning, bevrijden; maar zelfs indien niet – het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet vereren, en het gouden beeld dat gij hebt opgericht, niet aanbidden”[2].

De vrienden in Daniël 3 zijn heel radicaal. Buigen voor het beeld van de koning? Nee, dat gaan zij niet doen.
Radicaliteit: dat is, als ik mij niet vergis, een levenshouding waar wij een beetje beducht voor geworden zijn. Want wij hebben terroristen aan het werk gezien. We weten waar hun radicaliteit toe leiden kan. Binnen een paar seconden kan een bepaalde omgeving van dood en verderf bezwangerd zijn. Dat is toch erg? Dat kan toch niet zo?
Nee. Natuurlijk niet.
Maar wij zullen goed moeten bedenken dat er een groot verschil is tussen terroristen en Gereformeerden. Terroristen zijn uit op haatzaaiing; hun activiteit brengt de burgers naar een angstsamenleving. Gereformeerden bevorderen – als het goed is – in de maatschappij de liefde voor God; hun activiteit leidt tot een vertrouwenssamenleving.
Kijk, dat is het – de radicaliteit van Gereformeerde mensen is gebaseerd op het vertrouwen dat zij in hun God hebben.
Daarom zingen zij met Psalm 146:
“Wil toch niet op mensen bouwen,
hoe voornaam ook en geacht.
Want beschaamd wordt uw vertrouwen,
als u heil van hen verwacht”[3].

De drie vrienden in Daniël 3 zitten niet verslagen bijeen.
Het is niet zo dat zij met droevige ogen naar een pakket wetten zitten te kijken dat hen vanaf een grote tafel aangrijnst. Nee, ze zeggen eenvoudig: wij buigen alleen voor onze God.
Ach, de koning is best een welwillende man. Denk er nog eens over na, zegt hij[4]. Maar de drie jongemannen zijn in Daniël 3 heel beslist: wij hoeven niet na te denken, want wij vereren God; en verder helemaal niemand[5].
Gereformeerden leren van jongsaf alleen op God te vertrouwen.
In Daniël 3 leren we hoe dat moet.
Dat wil niet zeggen dat we ons van allerlei overheden niets moeten aantrekken. Maar het betekent zeker ook niet dat we ons vertrouwen volledig op de regering stellen. Als wij Iemand vertrouwen, dan is het de Here God.

Radicaal, dat willen Gereformeerden in heel hun leven wezen. Van jongsaf aan. Want zij weten hoe een mensenleven zomaar in een spiraal naar beneden terecht kan komen. Op die spiraal kunt u, bijvoorbeeld, het navolgende tegenkomen:
* spijbelen
* drugs
* de kleine criminaliteit
* de grote misdaad
* geweld en terreur.
Mensen die door de Heilige Geest worden aangestuurd begrijpen dat het met hun leven een heel andere kant op moet. Zulk een leven kunnen we samenvatten in het volgende lijstje:
* catechisatie
* kerkgang
* levenslange Bijbelstudie
* altijd de waarheid spreken
* woede niet langdurend en tomeloos laten zijn
* hard werken, om regelmatig giften aan goede doelen te kunnen geven
* opbouwend werken in de kerk
* vriendelijk, barmhartig en vergevingsgezind zijn.
Dat alles heb ik niet zelf bedacht. U kunt die dingen terug vinden in Efeziërs 4[6].

Beelden maken, dat mag niet.
Het beste beeld dat wij voor ogen kunnen houden is dat van Jezus Christus[7]. En laten we dus dat bekende gezang uit het Gereformeerd Kerkboek maar meezingen:
“Dat elk als kind aan U gelijk’
en in zijn doen Uw beelt’nis blijk’”[8].

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 35, antwoorden 96 en 97.
[2] Daniël 3:17 en 18.
[3] Psalm 146:2 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[4] Daniël 3:14 b en 15: “Is het met opzet, Sadrach, Mesach en Abednego, dat gij mijn goden niet vereert en het gouden beeld dat ik heb opgericht, niet wilt aanbidden? Nu dan, indien gij bereid zijt, zodra gij het geluid van hoorn, fluit, citer, luit, harp, doedelzak en allerlei soort van muziekinstrumenten hoort, u ter aarde te werpen en het beeld te aanbidden, dat ik gemaakt heb . . . maar indien gij niet aanbidt, zult gij ogenblikkelijk in de brandende vuuroven geworpen worden; en wie is de god, die u uit mijn hand zou kunnen bevrijden?”.
[5] Zie hierover ook: “Overeind blijven vraagt om radicale keuzes”. In: Reformatorisch Dagblad (maandag 17 november 2014), p. 3. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[6] Efeziërs 4:25-32: “Legt daarom de leugen af en spreekt waarheid, ieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkander. Geraakt gij in toorn, zondigt dan niet: de zon mag niet over een opwelling van uw toorn ondergaan; en geeft de duivel geen voet. Wie een dief was, stele niet meer, maar spanne zich liever in om met zijn handen goed werk te verrichten, opdat hij iets kan mededelen aan de behoeftige. Geen liederlijk woord kome uit uw mond, maar als gij een goed woord hebt, tot opbouw, waar dit nuttig is, opdat zij, die het horen, genade ontvangen. En bedroeft de heilige Geest Gods niet, door wie gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing. Alle bitterheid, gramschap, toorn, getier en gevloek worde uit uw midden gebannen, evenals alle kwaadaardigheid. Maar weest jegens elkander vriendelijk, barmhartig, elkander vergevend, zoals God in Christus u vergeving geschonken heeft”.
[7] Deze gedachte leen ik van http://www.heidelbergsecatechismus.nl/idee_lijst.php (bij Zondag 35) .
[8] Dit zijn de laatste regels van Gezang 5:2 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

23 februari 2015

Is God wel in ons midden?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

In deze wereld hebben we te maken met Gods almacht[1]. Alles begint bij Hem. Zijn Thuiszorg faalt nooit.
Maar de Here tovert niet. Hij is er niet opeens: plof!
Wie goed kijkt, kan zien wat God doet. Wie geconcentreerd kijkt, kan zien waar Hij aan het werk is. De Here werkt in een bepaalde richting.
De Bijbel staat daar vol mee.

Kijkt u bijvoorbeeld maar in Ezechiël 1: “En ik zag en zie, een stormwind kwam uit het noorden, een zware wolk met flikkerend vuur en omgeven door een glans; daarbinnen, midden in het vuur, was wat er uitzag als blinkend metaal”[2].
In het visioen komt de Here dus uit het noorden.
Een dominee legt uit: “Israël ligt ten westen van Babel. De storm is een noorderstorm. Een verband is niet direct duidelijk. En toch is de mededeling over de hoek waaruit de wind waait, een aanwijzing dat de Here uit Kanaän komt. Dat de Here niet uit het westen komt, heeft te maken met de routes waarlangs men in die dagen reisde. Je kon maar niet even dwars oversteken, pal naar het westen. Dan verzandde je tocht in de woestijn. De route die men volgde, die ook de ballingen hadden gevolgd toen ze naar Babel waren weggevoerd, liep via het noorden”[3].
Met andere woorden: de Here kiest echt een route. Zijn actie is zeer doordacht.
Daarbij noteer ik dat de Here aansluit bij de belevingswereld van mensen.
In dat visioen komt de Here namelijk niet uit de hemel. Hij komt niet van boven naar beneden. Zeker – Hij komt naar Zijn kinderen toe. Zelfs als ze in ballingschap zijn. Maar de Here laat in Ezechiël 1 zien waar en hoe Hij werkt. Hij laat de mensen zien dat Hij er aan komt.

En er is nog iets opmerkelijks in de profetie Ezechiël. Want de Here toont dat Hij reuze dynamisch is.
Ik citeer maar even: “En ik zag naar de wezens en zie, op de grond naast de wezens, aan de voorzijde van alle vier, was een rad. De aanblik en het maaksel van de raderen was als de schittering van een turkoois; zij hadden alle vier een zelfde vorm; hun aanblik en maaksel was, alsof er een rad was midden in een rad. Als zij gingen, konden zij naar alle vier zijden gaan; zij keerden zich niet om als zij gingen. Hun velgen waren hoog en ontzagwekkend; en bij alle vier waren deze velgen rondom vol ogen. Als de wezens gingen, gingen de raderen naast hen; en als de wezens zich van de grond verhieven, verhieven zich ook de raderen”[4].
De Here is in Ezechiël 1 dus al reuze beweeglijk.
Zijn troon wordt in het Bijbelboek Ezechiël ook nogal eens verplaatst.
In Ezechiël 8 zijn we in Jeruzalem. En dan staat daar: “En zie, daar was de heerlijkheid van de God van Israël, gelijk aan de verschijning die ik in het dal gezien had”[5].
In Ezechiël 9 kunnen we lezen: “De heerlijkheid van de God van Israël nu had zich opgeheven van de cherub waarop zij rustte, en zich begeven naar de dorpel van de tempel…”[6].
Ik citeer ook Ezechiël 10: “Toen ging de heerlijkheid des HEREN weg van de dorpel van de tempel en ging staan boven de cherubs. De cherubs hieven hun vleugels op, onder het heengaan verhieven zij zich voor mijn ogen van de grond, en de raderen met hen”[7].
En dan is er nog Ezechiël 11: “Toen verhieven de cherubs hun vleugels met de raderen naast zich, terwijl de heerlijkheid van de God van Israël boven over hen was; de heerlijkheid des HEREN steeg op uit het midden der stad en plaatste zich op de berg die ten oosten van de stad ligt”[8].

Dat laatste citaat is reuze alarmerend. Want de Here verlaat Jeruzalem. Hij gaat uit de kerkstad weg!

Vandaag de dag horen wij het nog wel eens zeggen: de Here is hier! Met name in evangelische kring hoort men wel eens vol elan roepen: God is hier bezig!
Als men dat zegt, kan dat best waar zijn. Niettemin pleit ik op dit punt voor veel voorzichtigheid.
De Here is hier – dat dachten die mensen in Jeruzalem ook. Maar toen ging de Here uit de stad vandaan. Hij maakte duidelijk: Ik zit helemaal niet aan Jeruzalem vast. Ik zit ook niet aan u vast.
De Here kiest niet alleen Jeruzalemmers uit.
Hij kijkt en kiest; en dat doet Hij wereldwijd. Vanuit alle windstreken vergadert Hij Zijn kinderen. Hij brengt ze bij elkaar. En dat kan Hij ook. Want Hij kijkt niet naar de buitenkant, maar naar ons hart.

Het is trouwens niet voor niets dat we in Ezechiël 43 de Here terug zien keren naar de tempel. Maar daar gaat het over het nieuwe Jeruzalem. Kijkt u maar: “Mensenkind, dit is de plaats van mijn troon en de plaats mijner voetzolen, waar Ik wonen zal onder de Israëlieten tot in eeuwigheid; het huis Israëls zal mijn heilige naam niet meer verontreinigen…”[9].

Gereformeerd: dat is een prachtige aanduiding.
Maar die aanduiding betekent eerst en vooral dat mensen die zichzelf zo presenteren, zich dagelijks moeten bekeren. Gereformeerd, dat is geen statisch begrip.
Bij God horen, dat is geen automatisme.

Het Bijbelboek Ezechiël is niet de enige plek in de Schrift waar dat duidelijk wordt.
U kunt denken aan Exodus 17: “Hij (dat is Mozes) noemde die plaats Massa en Meriba, wegens de twist der Israëlieten en omdat zij de HERE op de proef gesteld hadden door te zeggen: Is de HERE in ons midden of niet?”[10].
Of bijvoorbeeld aan de profetie tegen de leiders van Israël in Micha 3: “De hoofden spreken er recht voor geschenken, en de priesters geven er onderricht om loon, en de profeten plegen er waarzeggerij voor geld, en daarbij steunen zij op de HERE en zeggen: Is de HERE niet in ons midden? Ons zal geen kwaad overkomen! Daarom zal om uwentwil Sion als een akker worden omgeploegd, en Jeruzalem zal worden tot steenhopen, ja de tempelberg tot woudhoogten”[11].

Daarom past in de kerk geen nonchalance.
Het is helemaal niet zo verbazend dat het in de Nederlandse Geloofsbelijdenis over het onderhoud van de kerk gaat. Daar staat: “De kenmerken waaraan men de ware kerk kan kennen, zijn deze: dat de kerk de zuivere prediking van het evangelie onderhoudt; dat zij de zuivere bediening van de sacramenten onderhoudt, zoals Christus die heeft ingesteld; dat de kerkelijke tucht geoefend wordt om de zonden te bestraffen”[12].

Zulke bestraffing is niet nodig omdat wij er allemaal eens flink van langs moeten hebben. Als de Here straf uitdeelt, dan doet Hij dat op basis van Zijn liefde.

Een mooi voorbeeld daarvan vinden we in de brief aan Laodicea, zoals die in Openbaring 3 te lezen is. U weet het wel: Laodicea was een gemeente die niet heet was, en ook niet koud. Het was er gewoon een beetje lauw. In die brief staat onder meer: “Allen, die Ik liefheb, bestraf Ik en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u”[13].
Een dominee vatte de situatie in een preek als volgt samen:  “In Kolosse vond je koud water, lekker verfrissend. En in Hiërapolis was het water altijd heet. Allebei is handig op z’n tijd. Maar wat moet je in vredesnaam met lauw water? Dat vond je in Laodicea. Het hete water werd van elders aangevoerd, maar tegen de tijd dat het in Laodicea was was het lauw. Bah, geef me dan maar lekker koud water. Maar dit is helemaal niks”.
Ach, ze konden zich in Laodicea zelf wel redden.
Het was een bankierscentrum. De stad was beroemd om het aldaar gemaakte textiel. En er was een medisch centrum voor oogheelkunde.
In het jaar 60 na Christus vond er een grote aardbeving plaats. Maar men had geen behoefte aan hulpacties en zo. Men bouwde de stad, die in puin lag, helemaal met eigen geld weer op.
Ja, ze konden zich in Laodicea zelf wel redden.
De Here deelt straf uit.
En Hij vermaant.
Maar Hij doet ook beloften.
“Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij”[14].
Maar dan moeten we wel luisteren, natuurlijk.
En als we dat doen, dan is het loon hoog. Hoger nog dan dat van de bankier. Hoger nog dan dat van de textielbaron. Het loon van de oogarts is er een schijntje bij.
Kijkt u maar.
“Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon”[15].

Opnieuw komt daar een troon in zicht. Maar op die troon zijn in Openbaring 3 nog plekken open. Die plaatsen zijn gereserveerd. Ze worden speciaal voor ons opengehouden.
Op één voorwaarde.
“Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt”[16]!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op donderdag 9 februari 2006.
[2] Ezechiël 1:4.
[3] Ds. Adrian Verbree, “Ezechiël – Bijbelstudie”. – Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, © 2004. – tweede  dr. – p. 45.
In dit artikel maak ik van dit boek dankbaar gebruik. Met name de pagina’s 44 tot en met 54 waren mij van nut.
[4] Ezechiël 1:15-19.
[5] Ezechiël 8:4.
[6] Ezechiël 9:3.
[7] Ezechiël 10:18 en 19.
[8] Ezechiël 11:22 en 23.
[9] Ezechiël 43:7.
[10] Exodus 17:7.
[11] Micha 3:11 en 12.
[12] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 29.
[13] Openbaring 3:19.
[14] Openbaring 3:20.
[15] Openbaring 3:21.
[16] Openbaring 3:22.

20 februari 2015

De handen vol

Zo nu en dan kunnen wij mensen om ons heen horen zeggen dat de kerk te open geworden is[1]. Te open naar de wereld, bedoelt men dan.
Op de keper beschouwd is dat een interessante gedachte. Maar de vragen stapelen zich op.
Want:
* Moeten we ietsje minder open worden?
* Een tikje geslotener, misschien?
* Half open?
* Half dicht?
* Op een kiertje wellicht, met een schildwacht voor de deur?
Ach, ik wens gewoon Gereformeerd te blijven.

Wat mij betreft is de kern van de kwestie: wij moeten onze wapens leren gebruiken.
Nu ik dat noteer heb ik het oog op 2 Corinthiërs 6.

Uit voornoemd hoofdstuk citeer ik: “… wij doen onszelf in alles kennen als dienaren Gods: in veel dulden, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden…”[2].
Paulus noemt nog meer situaties op. In alle situaties blijft hij een dienaar van de Heer.
Bijvoorbeeld ook “in de prediking van de waarheid, in de kracht Gods; met de wapenen der gerechtigheid in de rechterhand en in de linkerhand”[3].
Dus:
* Paulus heeft de handen vol met die wapens
* Hij heeft geen hand meer over om wat anders te doen.

Vandaag de dag zien we het nog wel eens gebeuren: met de ene hand telefoneren, en met de andere hand een auto besturen. Dat is trouwens verboden. Bellen behoort handsfree te gebeuren.
Hoe dat zij: in 2 Corinthiërs 6 is er in het geheel geen sprake van dat Paulus en de zijnen meer dingen tegelijk kunnen doen.

En nu, geachte lezer, komen wij bij één van de grootste problemen in kerkelijk Nederland. Het punt is: wij willen teveel dingen tegelijk doen.
Waar hebben wij de handen vol aan?
* In de rechterhand volmondig belijden en links een beetje ervaring
* In de rechterhand Gods verbondstrouw en links een aansprekende liturgie
* In de rechterhand aandacht voor God en links attentie voor persoonlijke problemen.
U begrijpt: het rijtje is zonder al te veel moeite te verlengen.
Wie zorgvuldig toekijkt, moet toegeven dat de linkerhand op het ogenblik niet zelden meer aandacht krijgt dan de rechterhand. En als dan de vijand ter rechterzijde aanvalt ontstaat er alras een probleem.

Men moet mij goed begrijpen.
Ik zeg niet dat ervaring verkeerd is.
En ook niet dat liturgie een ondergeschoven kindje moet wezen.
Verder ook niet dat men persoonlijke problemen maar een beetje moet negeren in de kerk.
Bij dezen verklaar ik met graagte dat ik de laatste zal zijn die dat zegt.
Maar al die dingen die hierboven staan moeten wapens der gerechtigheid zijn.

Wapens van de gerechtigheid.
Dat zijn wapens waarmee we onder leiding van God strijden. Het zijn de strijdmiddelen waarmee we voor Hem vechten.
Het is bitter nodig dat we die wapens bij de hand hebben.
Het is hard nodig dat wij die wapens in de hand hebben.
Het zijn namelijk stuk voor strijdmiddelen die we gebruiken terwijl we in het volle licht staan. Gereformeerden vechten niet in het donker. Want zij horen niet bij de Satan. Zij worden door hemelse verlichting beschenen. Kijkt u maar in Romeinen 13: “De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij. Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts!”[4].

Wapens van de gerechtigheid.
Dat zijn wapens die we gebruiken, terwijl we weten dat de beslissende slag eigenlijk al plaatsgevonden heeft.
En de Here staat nu als overwinnaar op dat slagveld.

De profeten van het Oude Testament hebben Gods volk altijd al voorbereid: de Verbondsgod komt eraan.
U ziet het bijvoorbeeld in Jesaja 35: “Sterkt de slappe handen en verstevigt de knikkende knieën. Zegt tot de versaagden van hart: Weest sterk, vreest niet; zie, uw God zal komen met wraak, met de vergelding Gods; Hij zal komen en Hij zal u verlossen”[5].

Wapens van de gerechtigheid.
Dat zijn wapens die we gebruiken, terwijl we weten dat de strijd geen lolletje is. Het is ernst. En we vechten toch. Nee, we worden niet vrolijk van die militaire dienst. Maar we gaan er toch in.
De stimulans daarvoor kunnen we lezen in Hebreeën 12: “Want alle tucht schijnt op het ogenblik zelf geen vreugde, maar smart te brengen, doch later brengt zij hun, die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht, die bestaat in gerechtigheid. Heft dan de slappe handen op en strekt de knikkende knieën, en maakt een recht spoor met uw voeten, opdat hetgeen kreupel is niet uit het lid gerake, doch veeleer geneze”[6].
Wapens van de gerechtigheid.
Dat zijn wapens die we gebruiken, omdat we weten dat we niet de enige zijn die dat materiaal benutten. Hierin zijn Gods kinderen in het Oude Testament en in het Nieuwe Testament echt één leger. Niet voor niets horen we in Hebreeën 12 de echo van Jesaja 35!

Wapens van de ongerechtigheid zijn er natuurlijk ook.
Denkt u maar aan Romeinen 6: “Laat dan de zonde niet langer als koning heersen in uw sterfelijk lichaam, zodat gij aan zijn begeerten zoudt gehoorzamen, en stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde”[7].

Graag geef ik het bovenstaande nog een actuele toespitsing.

Een paar weken geleden kwam professor dr. F. van Lieburg aan het woord in Protestants Nederland[8]. Van Lieburg is hoogleraar Geschiedenis van het protestantisme aan de Amsterdamse Vrije Universiteit[9].
Van Lieburg zei: “Er is een gebrek aan echte, diepgaande bezinning in de gereformeerde gezindte, terwijl die wel hard nodig is. Als deze bezinning niet op gang komt, missen we kansen in een goede voorbereiding op de toekomst. Het wordt hoog tijd dat jongeren en hun leiders toegerust worden over hoe ze met hun traditie kunnen omgaan in deze tijd”.
En:
“Er bestaat binnen de gereformeerde gezindte een herinneringscultuur die gevoed wordt door historische teksten, zoals de Drie Formulieren van Enigheid, de oude schrijvers van de Nadere Reformatie en levensbeschrijvingen van predikanten en bekeerde vromen.
De gezindte heeft zich die teksten toegeëigend en gebruikt ze om haar leer en levensstijl te legitimeren. Maar bij die omgang met oude teksten spelen altijd eigentijdse omstandigheden mee en voegen zich elementen uit andere bronnen en tradities. Je referentiekader is nooit een kopie van het verleden. Ook spelen allerlei mondelinge overleveringen, kerkelijke gewoonten en gelovige praktijken een rol”[10].
Wat mij betreft is het, in verband met ons onderwerp, raadzaam om even naar professor Van Lieburg te luisteren. Want voordat u en ik het weten, worden
* menselijke wensen
* menselijke vormen
* menselijke vindingrijkheid en
* menselijke behoeftes belangrijker dan de hierboven bedoelde wapens der gerechtigheid.
Soms wordt afgang in kerkelijk Nederland gecamoufleerd met vroomheid. Maar ook in dezen moeten we wakker en nuchter zijn!

In crisistijd moeten we zorgen dat we de wapens in de hand hebben.
We moeten er de handen mee vol hebben, rechts zowel als links.
We moeten er de handen aan vol hebben.
Dat helpt. Het is het enige dat helpt.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op donderdag 2 februari 2006.
[2] 2 Corinthiërs 6:4.
[3] 2 Corinthiërs 6:7.
[4] Romeinen 13:12.
[5] Jesaja 35:3 en 4.
[6] Hebreeën 12:11, 12 en 13.
[7] Romeinen 6:13.
[8] Zie over het betreffende blad http://www.protestantsnederland.nl/maandblad .
[9] Zie over professor Van Lieburg http://nl.wikipedia.org/wiki/Fred_van_Lieburg .
[10] Geciteerd via: rubriek ‘Kerkelijke Pers’. In:Reformatorisch Dagblad (zaterdag 24 januari 2015), p. 2.Ook te vinden op www.digibron.nl .

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.