gereformeerd leven in nederland

19 februari 2015

Werkers der wetteloosheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Wetteloosheid: dat is een woord dat, voor ons gevoel althans, niet bij vrome mensen past[1]. Het begrip ‘wetteloosheid’ is niet verbonden met de kerk. Denken wij.
Toch wordt dat in Mattheüs 7 ook gebruikt als het over profeten, over belijders gaat. Ik citeer: “Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd en in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid”[2].

Dat wordt dus tegen gelovigen gezegd!
Meer precies: tegen mensen die op het kerkplein heel heilig lijken, maar het niet zijn. De Here spreekt tegen nep-kerkmensen. Tegen schijnheiligen.

Daar valt een zwaar woord: schijnheiligen.
Kan de Here Jezus dat nu zomaar zeggen? In termen van 2015 vragen wij dan: kan de Here een stelling als deze vandaag nog wel overeind houden? En: die mensen gaan toch niet voor de grap naar de kerk? Sterker nog, ze werken in de kerk vol heiligen soms vol overtuiging mee aan allerlei activiteiten; in commissies, bijvoorbeeld. Dan gaat het heel ver om hen schijnheilig te noemen.
Dat kun je niet maken, zeggen wij vandaag.

Naar het mij voorkomt is het kernpunt hier het volgende. Ware gelovigen doen alleen maar wat Vader wil. Dus niet datgene wat mensen keurig vinden. Of wenselijk. Of beschaafd.
Ze doen alleen datgene wat Vader wil. En wat er dan gebeurt, dat kunnen we allemaal zien.
Gaat u maar na:
* een goede boom brengt alleen maar goede vruchten voort. Men ziet er nooit slechte vruchten aan hangen.
* een slechte boom gaat op de brandstapel. De Here zegt niet: dat gaat misschien gebeuren.
“Aan hun vruchten zult gij hen kennen: men leest toch geen druiven van dorens of vijgen van distels? Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de slechte boom brengt slechte vruchten voort. Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, of een slechte boom goede vruchten dragen. Iedere boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Zo zult gij hen dan aan hun vruchten kennen”[3].
Dus: mensen waaraan u door de week niet kunt zien dat ze Gereformeerd zijn, zijn schijnheilig.
Het is heel erg simpel. En pijnlijk duidelijk.

Daarom maken we ons zo druk over het heilig leven in de kerk.
Daarom worden u en ik soms horendol van de discussies op het kerkplein.
Want we horen erbij. Of niet. En daar zit niks tussen.

Maar menen die schijnheiligen dat nu zo verkeerd? Nou nee. Ze profeteren namelijk wel. Op het kerkplein staan ze blijkbaar niet achteraan.
Toch moeten wij goed lezen. Want die mensen zeggen volgens Jezus nog meer. Ze zeggen namelijk:
* wij hebben in Gods naam geprofeteerd.
* wij hebben boze geesten uitgedreven.
* wij hebben vele krachten gedaan.
En met dat al zetten die mensen dus zichzelf in het middelpunt.
Misschien zegt iemand: dat doen ze onbewust; dat bedoelen zulke mensen niet zo. Dat wil ik graag geloven. Maar laten we het zuiver stellen. De Zoon van God laat in Mattheüs 7 een waarschuwing horen. Die waarschuwing staat in alle Bijbels.
Heiligen hebben een Bijbeltje op zak. Maar schijnheiligen ook. Mattheüs 7 staat niet voor niets in de Schrift. Egocentrisme is een zware zonde!

In het dankgebed van het formulier voor de viering van het Heilig Avondmaal, zoals dat opgenomen is in het Gereformeerd Kerkboek, staat de volgende zin: “Wij bidden U, trouwe God en Vader, dat door de werking van de Heilige Geest de vrucht van deze avondmaalsviering mag zijn, dat wij dagelijks toenemen in het ware geloof…”[4].
Dat is een belangwekkende constatering.
We moeten niet simpelweg toenemen in geloof. Nee, ons ware geloof moet toenemen. Het echte geloof moet groter worden.

Werkers der wetteloosheid: dat is, op de keper beschouwd, een opmerkelijke typering. Wij zouden kunnen zeggen: wie Gods wetten niet eerbiedigt, respecteert zijn eigen wetten. Maar dat staat hier niet.
Wie Gods wet negeert, leeft ten diepste zonder wet. Waarom? Omdat mensen zondig, en dientengevolge onbestendig en volkomen inconsequent zijn. En omdat mensen altijd naar zichzelf toe redeneren. Maar al te graag bevestigen zij hun eigen gelijk.

Terecht schreef een scribent in het Nederlands Dagblad onlangs: “…pas las ik een interview met een christelijke spreker waarin hij christenen vroeg: ‘Geloof je dat God aan jouw kant staat?’ Op het eerste gezicht is het idee dat God aan jouw kant staat best troostvol en bemoedigend, maar bij nader inzien is zo’n uitspraak even inhoudsvol als een chocolade paashaas. In de eerste plaats liggen christenen over van alles met elkaar overhoop. Aan wiens kant staat God? Dat wordt een lastige. Bovendien schep je met zo’n uitspraak de illusie dat het in het leven gaat om jouw sores en verlangens en dat God er dan is om jou te verdedigen en je zelfvertrouwen te geven. En hoewel God zeker onze helper in nood is, draait het in de Bijbel niet voornamelijk om onze dagelijkse behoefte aan bevestiging”[5].
God voor ons eigen karretje spannen: dat is, als u het mij vraagt, een tamelijk schandalige vorm van wetteloosheid!

Zijn Gereformeerden volmaakte mensen?
Welnee.
Allesbehalve dat!

Maar Gereformeerden doen elke dag iets opvallends. Ze openen de Heilige Schrift. En ze lezen gewoon wat er staat. Niet meer en niet minder.
En wat er staat is soms zo radicaal dat het bijna ongelooflijk is. Neem nu 1 Johannes 3: “Een ieder, die in Hem blijft, zondigt niet; een ieder, die zondigt, heeft Hem niet gezien en heeft Hem niet gekend”[6].
Nou nou, kan dat niet wat minder? Moet dat wel zo? Klaarblijkelijk wel!
Daarom blijft het staan: wie vóór de zonde kiest, kiest tegen God.
En dat betekent dat er voor ons niets anders op zit, dan ons te bekeren. En de hemelse God heeft Zijn Geest gegeven om ons in die ommekeer te leiden. En waaraan merken we dan dat die Geest aanwezig is? Dat blijkt als we ons niet meer door de zonde laten beheersen. We doen nog wel zonden. Maar we leven er niet meer in.

Nee, Gereformeerden zullen nooit perfectionisten worden. Dat niet. Maar Johannes schreef nog meer.
“Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige”[7].
Met andere woorden: door het werk van Jezus Christus worden wij vrijgesproken!

Wederom ga ik naar Mattheüs 7.
Daar lezen wij namelijk nog meer.
Jezus Christus stelt onomwonden dat daadkrachtige Gereformeerden, op de keper beschouwd, heel verstandige mensen zijn.
Leest u maar mee.
“Een ieder nu, die deze mijn woorden hoort en ze doet, zal gelijken op een verstandig man, die zijn huis bouwde op de rots. En de regen viel neer en de stromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis, en het viel niet in, want het was op de rots gegrondvest”[8].
Jezus Christus is die rots.
Dat blijkt ook in 1 Corinthiërs 10: “zij (dat zijn de Israëlieten) dronken uit een geestelijke rots, welke met hen medeging, en die rots was de Christus”[9].
En in 1 Petrus 2: “Zie, Ik leg in Sion een uitverkoren en kostbare hoeksteen, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. U dan, die gelooft, geldt dit kostbare, maar voor de ongelovigen geldt: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is geworden tot een hoeksteen en een steen des aanstoots en een rots der ergernis, voor hen, die zich daaraan, in hun ongehoorzaamheid aan het woord, stoten, waartoe zij ook bestemd zijn. Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen”[10].
Wie volhardend op de rots blijft bouwen wordt voor wetteloosheid behoed!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op vrijdag 17 februari 2006.
[2] Mattheüs 7:21-23.
[3] Mattheüs 7:16-20.
[4] Formulier voor de viering van het Heilig Avondmaal, Gereformeerd Kerkboek, p. 528.
[5] Francisca van Dalen, “Onze ingewikkelde identiteit”. In: Nederlands Dagblad (woensdag 4 februari 2015), p. 8.
[6] 1 Johannes 3:6.
[7] 1 Johannes 2:1.
[8] Mattheüs 7:24 en 25.
[9] 1 Corinthiërs 10:4.
[10] 1 Petrus 2:6-10.

18 februari 2015

Zo zegt de Here

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

“Zo zegt de Here der heerscharen”. In Zacharia 8 is dat een refrein[1]. Het is, om het zo uit te drukken, het keervers van het Goddelijk spreken.

En wat zegt de Here?
* Ik ben woedend geweest op Jeruzalem, en op haar inwoners!
* Maar Ik keer naar Jeruzalem terug, en Ik weet het zeker: Mijn volk zal nu trouw aan Mij zijn.
* Er komt een lange tijd van diepe vrede. Zelfs senioren en hoogbejaarden kunnen rustig op straat lopen. Ze worden niet beroofd. Ze hoeven geen aanvallen te verwachten. Kinderen zijn veilig op straat. Er zal hen heus niets overkomen.
* Natuurlijk, dit klinkt voor u bijna ongelooflijk. Maar onderschat Mijn kracht niet. Mijn almacht garandeert dat die rust er inderdaad zijn zal.
* Ik zal u, vanuit de ballingschap, terugbrengen naar het beloofde land.
* Mensen, ga maar weer gewoon aan het werk. Niet alleen met de tempel, maar ook met uw dagelijkse bezigheden.
* Ik zal u Mijn zegen geven. Uw voorgeslacht heeft Mij getergd. Maar het is nu de tijd van Mijn zegen en van door Mij gegeven voorspoed.
* U doet op dit moment heel veel aan vasten. Maar er zal een totale ommekeer komen. Er komt vrolijkheid. En er zullen feesten worden gevierd.
* Naast Mijn eigen volk zullen ook andere naties Mij gaan zoeken. Zij zullen naar Mij toe komen.
* Massa’s mensen zullen zich aan mensen van Gods volk vastklampen: ook zij willen bij de Here horen[2]!

Wat moeten wij doen met de dingen die Zacharia in Zijn profetie te berde brengt?

Het moet duidelijk zijn dat wij met ons gedrag Gods besluiten kunnen beïnvloeden.
Sterker: God kan tot het uiterste gedreven worden als wij Hem negeren. Hij brandt van liefde. Hij heeft, om het maar eens modern te zeggen, een geweldige passie voor Zijn kinderen. Een passie die volkomen onaards, ja uniek en hemels is.
Dan is het dus geen wonder dat de Here ronduit getergd is als wij Hem voor het gemak maar links laten liggen. Hoe dat kan gaan wordt bijvoorbeeld in Deuteronomium 32 bezongen:
“Toen werd Jeschurun vet, en sloeg achteruit
– vet werd gij, dik en vet gemest –
en hij verwierp God, die hem gemaakt had,
hij minachtte de Rots van zijn heil.
Zij verwekten Hem tot naijver door vreemde goden,
met gruwelen krenkten zij Hem”.
En:
“Zij verwekten Mij tot naijver door wat geen god is,
zij krenkten Mij met hun ijdelheden”[3].
U moet een duidelijke keuze maken, schrijft Paulus in 1 Corinthiërs 10: “Of willen wij de Here tot naijver wekken? Zijn wij soms sterker dan Hij?”[4]. Tot zulk een keuze worden ook wij geroepen!
Bij dit alles moeten wij echter ook bedenken dat de hemelse Heer het doel wat Hij zich stelde nimmer uit het oog verliest.
Als wij door ons zondige gedrag veel ruimte aan Gods tegenstander geven, zullen diverse deuren gesloten worden. Maar de Here zal vervolgens weer allerlei andere deuren openen. Zijn liefdevolle gedrevenheid is groot!

Een Gereformeerd-vrijgemaakte predikant verkondigde eens het Woord van God naar aanleiding van enkele verzen uit Zacharia 8. In zijn predicatie zei hij behartigenswaardige dingen over Gods grote liefde voor ons. Ik citeer het volgende.
“Vurige ijver. Brandende hartstocht. Dat is liefde die niet wachten wil. Die alle verhindering opruimt. Naijver, in oud Nederlands. Daar zit de positieve kracht van jaloezie in. Positieve kracht waarmee liefde uniek wil zijn. Kracht, die alles uit de weg wil ruimen wat de geliefde bedreigt. Vijanden mogen geen scheiding meer brengen. Dit brandend hart wil de geliefde winnen. Met zijn liefde overwinnen. Hij wil haar voor zichzelf.
De God die van mensen houdt doet meer dan liefdevol afwachten. Hij komt in actie. God is meer dan liefde zijn, Hij is liefde doen. Hij leeft liefde en geeft en stort uit. Daaruit is de Zoon van God geboren. Uit de liefde van Vader en Zoon is de Geest uitgestort. Uit diezelfde liefde worden mensen als nieuw herboren. God komt naar ons toe, nog voor we naar hem vragen. Maar door zijn liefde bewogen gaan wij naar God vragen”[5].
Waarvan akte!

Naar aanleiding van Zacharia 8 schreef ik al eens op deze pagina:
“Welwillende lezers begrijpen het wellicht al wel:
* wie zich aan Gods Woord houdt, hoeft niet te vasten
* als Gods kinderen zich aan Gods Woord houden, trekt dat vólk aan. Er komen meer mensen die van Gods zegen willen profiteren.
Als Gods Woord werkelijk geëerbiedigd wordt, floreren de kerkmensen. Als ware gelovigen naar de Bijbel luisteren, staan ze stevig in de woelige wereld. Mensen in hun omgeving vragen zich af hoe dat toch kan. En ze voelen de onweerstaanbare neiging om ook eens in de kerk te gaan kijken”[6].
Met andere woorden: de profeet Zacharia wijst ons op de hemelse energie die aan de kerk op aarde de wervingskracht geeft. Ik wil maar zeggen: als onze God iets zegt, dan gebeurt er wat!
Zullen wij onze Here vragen om, ook anno Domini 2015, die hemelse energie te mogen benutten?

De Here God vergadert Zijn kerk. Hij roept Zijn kinderen bijeen, uit alle hoeken en gaten van de wereld. Zo zegt de Here, en zo werkt Hij!
Zacharia ziet hier al gebeuren wat Paulus later in Efeziërs 2 beschrijft: “Maar thans in Christus Jezus zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbij gekomen door het bloed van Christus. Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft”[7].
Een Christelijk-Gereformeerde dominee schreef naar aanleiding van Zacharia 8: “Machtig wonder te mogen behoren tot het volk van God en te weten: de God van Israël, de Vader van Christus, is ook mijn God. In en door Christus heeft Hij mij verlost uit de machten van zonde en dood en gezet in het licht van Zijn heerlijk Koninkrijk. En straks mag ik Hem eeuwig dienen op de nieuwe aarde, waar waarheid en recht hand in hand gaan”[8].
Het leven krijgt een prachtige extra dimensie, als wij dat wonder gaan zien.
Wie de profetie van Zacharia leest, moet oppassen voor een verkokerde blik. Want daar openen zich weidse vergezichten. De pracht van dat panorama gaat het menselijk voorstellingsvermogen ver te boven!

Noten:
[1] Vanavond vergadert de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Daar zal Zacharia 7:1-8:23 centraal staan. Het schrijven van dit artikel is een deel van mijn voorbereiding op die vergadering.
[2] Zie voor een uitwerking van deze punten http://home.kpn.nl/~turen029/Zacharia,%20Jahweh%20gedenkt.pdf .
[3] Deuteronomium 32:15, 16 en 21.
[4] 1 Corinthiërs 10:22.
[5] De betreffende predikant is P.H. van der Laan. Zie http://www.meppel.gkv.nl/Preken/051127_laan.htm . Overigens is Van der Laan momenteel geen dominee meer.
[6] Zie mijn artikel “Het optimisme van de kerk”, hier gepubliceerd op vrijdag 15 februari 2013. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2013/02/15/het-optimisme-van-de-kerk/ .
[7] Efeziërs 2:13 en 14.
[8] Zie:Ds. G. van de Groep, “Zacharia 8:1-13”- Bijbelstudie.In: De Wekker (24 augustus 2007), p. 13.Ook te vinden op www.digibron.nl .

17 februari 2015

Kernpunt van ons leven

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

“Wat gebiedt God in het eerste gebod?”
Die vraag roept in Zondag 34 van de Heidelbergse Catechismus om een antwoord. De eerste zin van dat antwoord luidt: “Ten eerste dat ik, als mijn heil mij lief is, alle afgoderij, tovenarij, waarzeggerij, bijgeloof, aanroeping van de heiligen of van andere schepselen vermijd en ontvlucht”[1].

Bij dat aanroepen van heiligen of andere schepselen verwijst de Catechismus ons onder meer naar Openbaring 19. Namelijk naar deze tekst: “En ik wierp mij neder voor zijn voeten om hem te aanbidden, maar hij zeide tot mij: Doe dit niet! Ik ben een mededienstknecht van u en uw broederen, die het getuigenis van Jezus hebben; aanbid God! Want het getuigenis van Jezus is de geest der profetie”[2].

Dat lijkt een wat merkwaardige verwijzing. Het boek Openbaring geeft ons toch een blik in de toekomst? Wat is dan het verband met afgoderij, tovenarij en wat daar verder volgt?

Als we Openbaring 19 bekijken, zien we dat dat een hoofdstuk is waarin een grote en zeer overtuigende overwinning wordt gevierd[3].
De overwinning op Babylon namelijk.
Babylon: die naam verwijst in de Openbaring naar de stad Rome en de goddeloosheid in de eindtijd[4]. De tegenstanders van God zijn dus overwonnen!
Reden voor een feestzang in de hemel!
Iedereen doet mee:
* Een grote menigte: een geweldig koor zingt de lof op God
* Vierentwintig oudsten. Die oudsten komen we in Openbaring 4 ook tegen. Wie het zijn is niet helemaal duidelijk. Zijn het engelen, misschien? Dat zou kunnen – maar gewone engelen zijn het niet. Weerspiegelen ze de vierentwintig priesterklassen uit 1 Kronieken 24? Of de vierentwintig groepen Levieten die in 1 Kronieken 25 de Here in de tempel loven? Zij bekleden in ieder geval een leidinggevende positie. Feit is bovendien dat zij namens alle gelovigen handelen.
Het zou kunnen gaan om verheerlijkte gelovigen, zeg maar: de leidinggevenden in de hemelse gemeente.
Andere uitleggers menen dat we hier de twaalf stammen van Israël en de twaalf apostelen zien. De kerk van het oude en nieuwe verbond, dus.
* Vier dieren. Dat zijn vertegenwoordigers van de schepping: roofdieren, tamme dieren, mensen, vogels.
Kortom, alles en iedereen participeert in het feest!

Hoor!
Er klinkt een luide proclamatie. ‘Onze God heeft het koningschap aanvaard’.
En de kerk blijkt er klaar voor om haar Bruidegom te ontmoeten. “……en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt; en haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen”[5].

Johannes moet iets opschrijven.
Dit: “Zalig zij, die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal des Lams”[6].
Geweldig is dat. Dat is het mooiste staatsbanket dat maar denkbaar is!

Johannes krijgt zijn instructies van een engel.
Waarschijnlijk is het nog dezelfde engel die in Openbaring 17 de uitleg omtrent de grote hoer gegeven heeft.
Maar Johannes is verbijsterd. Zeer onder de indruk. Dit grootse uitzicht maakt hem sprakeloos. Werkelijk totaal sprakeloos. En dat is warempel geen wonder. Als je zulke grote dingen ziet, dan ga je met open mond staan kijken. Dan schieten woorden tekort.
En daarom gaat Johannes aanbidden. Hij beseft het: hier kan ik niet tegenop. Hij realiseert zich: dit kunnen mensen niet maken. Hij begrijpt: dit grootse perspectief kunnen mensen niet construeren. Dit is typisch werk van God.
En daarom zegt de engel: Doe dit niet! Aanbid God!

De reden dat de engel ingrijpt staat er bij: “Want het getuigenis van Jezus is de geest der profetie”.
Die zin zou, als u het mij vraagt, tenminste twee dingen kunnen betekenen:
* het is kenmerkend voor de Heilige Geest dat hij getuigt van Jezus Christus
* de profetie van de Openbaring is tot stand gekomen door het getuigenis van Jezus Christus.
Het getuigenis van Jezus Christus, zeg maar: het Evangelie omtrent het reddingswerk dat Hij voor ons voltooid heeft, leidt tot een prachtig nieuw begin.
Paradijselijke verhoudingen keren terug.
Er komt een heerlijke harmonie die nooit meer ophoudt.
De zonde is voor altijd de wereld uit; op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde kan de sfeer door niets of niemand meer bedorven worden.

Kortom:
* Jezus Christus staat centraal
* in alles en iedereen is Zijn schitterende werk te zien.

Daarom is het aanroepen van allerlei heiligen verkeerd.
Het aanbidden van Maria Magdalena, of Petrus, of wie dan ook: dat is geen goede zaak.
Mediteren als boeddhist: dat heeft werkelijk geen enkele zin.
Bezinning voor een privéaltaartje in een eigen kapelletje: ach, laat het maar.
Het moet voor iedereen duidelijk wezen: Christus zal alles in allen zijn!

Zondag 34 van de Heidelbergse Catechismus verwijst ons naar het kernpunt van ons leven: Jezus Christus, de Redder der wereld.
Zondag 34 van de Heidelbergse Catechismus verwijst ons ook naar het hoogtepunt van ons leven: het hemels paradijs.

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 34, antwoord 94.
[2] Openbaring 19:10.
[3] In het onderstaande gebruik ik onder meer de webversie van de Studiebijbel.
[4] Zie http://christipedia.nl/Artikelen/B/Babylon .
[5] Openbaring 19:7 en 8.
[6] Openbaring 19:9.

16 februari 2015

In gesprek

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Het leven is een strijd[1]. Zo zeggen wij dat wel eens tegen elkaar. Soms doen we dat met een grinnik. Maar diep in ons hart weten we het: als slapjanus kom je er niet.

Ten diepste zit daar, geloof ik, de oorzaak van allerlei gekrakeel in de kerk. Het gaat daar soms fel te keer. U weet er, denk ik, allemaal wel iets van. Wij allen kennen de ruzietoon van sommige sprekers. Wij kennen allen de felle bewoordingen in brieven en e-mails. Wij allen hebben wel eens te maken met harde confrontaties in gesprekken.
Bij deze noteer ik gaarne dat wij ons niet moeten laten afschrikken.
Als het om principiële kwesties gaat, mogen we laten zien dat er emoties meespelen. Als het om principes draait mogen we tonen dat we er energie in willen stoppen!

Maar bij al dat kabaal blijven er nog wel een paar vragen over. Bijvoorbeeld:
* is er eigenlijk nog wel te werken met die vechters?
en:
* is er nog wel een redelijk gesprek te voeren met die strijders?

Jawel.
Dat kan als u in eerste instantie aan mensen voorbij kijkt.
Dat klinkt gek. U en ik kijken mensen toch aan als we een gesprek met hen voeren? Wie met iemand in dialoog is, kijkt toch niet een andere kant op?
Toch is het zo. Dat maakt Paulus duidelijk in 2 Corinthiërs 10.

Wat voor soort gezag heeft Paulus? Zijn gezag zit, om zo te zeggen, met gouden kettingen vast aan de zachtmoedigheid en de vriendelijkheid van Christus. Het gaat niet om wat Paulus belangrijk vindt. Nee, Gods Woord staat centraal. Kijkt u maar:
“Maar ik, Paulus, doe een beroep op u bij de zachtmoedigheid en de vriendelijkheid van Christus, ik, die in persoonlijk verkeer schuchter ben, maar op een afstand een groot woord heb tegen u”[2].
En:
“Want al leven wij in het vlees, wij trekken niet ten strijde naar het vlees, want de wapenen van onze veldtocht zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God tot het slechten van bolwerken”[3].

Nogmaals stel ik die vraag: is er met christenen wel een gesprek te voeren?
Kan men wel fatsoenlijk met Gereformeerden praten?
Die vragen stel ik nu ook in verband met ons getuigenis naar buiten.

Als wij die vragen willen beantwoorden moeten we goed bedenken wat de taak van Gereformeerden in deze wereld is.
Moeten we ons laten overtuigen door de islam? Nee.
Moeten we, om nog maar eens wat te noemen, de nuttige dingen uit het hindoeïsme overnemen? Geenszins.
Moeten we zeggen: alles is relatief, en de Bijbel wellicht ook? Zeker niet.
In Gods Woord lezen we helemaal nergens dat dat moet.
Wij moeten Gods blijde Boodschap uitdragen. Wij moeten aan de wereld laten zien wie Hij is. Dat kan via de woorden die we zeggen, of de artikelen die wij schrijven. En u kunt het Evangelie ook zichtbaar maken in de dingen die u doet. Of nalaat.

Het probleem is dat zondige mensen op allerlei manieren muurtjes om zich heen bouwen. En van achter die muur ‘beschieten’ ze Gods kinderen met verkeerde gedachten. Al zulke onchristelijke ideeën moeten, wat Paulus betreft, achter slot en grendel. Achter de gevangenispoort ermee. Werk ze zo snel mogelijk de kerk uit! We moeten ze uitschakelen. Die gedachten moeten bij ons geen enkele rol meer spelen.
In de woorden van Paulus klinkt dat als volgt. “…Want de wapenen van onze veldtocht zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God tot het slechten van bolwerken, zodat wij de redeneringen en elke schans, die opgeworpen wordt tegen de kennis van God, slechten, elk bedenksel als krijgsgevangene brengen onder de gehoorzaamheid aan Christus”[4].
Al die denkbeelden worden dus onze krijgsgevangenen. En we smijten ze successievelijk in het gevang.
Die strijd is warempel geen spelletje!

In Corinthe waren blijkbaar mensen die zeiden: kijk eens aan, per brief durft die Paulus wel; maar als spreker is die man geen knip voor de neus waard.
Wel, zegt Paulus, daar gaat het helemaal niet om.
Als u kijkt wat ik doe als ik in uw buurt ben, dan zult u zien dat mijn daden naadloos aansluiten bij datgene wat ik schrijf.
Paulus formuleert het als volgt.
“Laat, wie zo iets zegt, bedenken, dat wij van dichtbij, als het op daden aankomt, zó zijn, als wij uit de verte door onze brieven spreken”[5].

Met echte Gereformeerden kan men best praten.
En er is met hen best te werken.
Als men maar niet denkt dat talrijke zaken vanuit allerlei godsdiensten geïncorporeerd worden in diverse christelijke levens. Al die dingen hoeft men geen plek in Gereformeerde harten te geven. Wij moeten niets binnen laten dragen.
Integendeel – wij moeten, in woord en daad, iets uitdragen. Het Evangelie namelijk.

Dat besef is belangrijk als we in de kerk aan het werk zijn.
Maar we moeten het ons ook realiseren als wij met buitenstaanders spreken.

Het is, vrees ik, niet onmogelijk dat onze gesprekspartners een permanente in gesprek-toon horen als zij met ons praten. Dat komt doordat we zo overtuigd zijn van de juistheid van onze stellingnames dat we voor onze gesprekspartners onbereikbaar zijn. Als het zo werkt, is er iets helemaal niet goed!

Wat vraagt God op dit moment van mij?
Het antwoord op die vraag moet ons leven voortdurend overkoepelen.
Dan wordt de gesprekstoon een stuk rustiger.
Dan wordt de sfeer in brieven en e-mails een stuk vriendelijker.
Laten wij het slot van 2 Corinthiërs 10 maar in praktijk brengen: “Maar wie roemt, roeme in de Here; want niet wie zichzelf aanbeveelt, doch wie van de Here een aanbeveling ontvangt, heeft de proef doorstaan”[6].

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op woensdag 1 februari 2006.
[2] 2 Corinthiërs 10:1.
[3] 2 Corinthiërs 10:3 en 4.
[4] 2 Corinthiërs 10:4 en 5.
[5] 2 Corinthiërs 10:11.
[6] 2 Corinthiërs 10:17 en 18.

13 februari 2015

Storm

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Bijna tien jaar is het nu geleden[1].
Het gebeurde te Rouveen, op donderdagavond 9 februari 2006.
De Gereformeerd-vrijgemaakte hoogleraar M. te Velde sprak aldaar: “De boot schommelt nogal”.
De verdeeldheid is groot, maakte hij duidelijk. En de koersvastheid verdwijnt, zei hij. “Het wordt echt tijd om in onze kerken te zeggen: Kom op, wat is gereformeerd-zijn?”[2].

De boot schommelt nogal.
Laten we eerlijk zijn: dat is er in de Gereformeerde wereld laatste tien jaar niet veel beter op geworden.
Maar het helpt niet om het bij een dergelijke constatering te houden.

Professor Te Velde zei indertijd: “Omgaan met verschillen kunnen wij niet zo goed. We zijn heel sterk gericht op de waarheidsvraag. Wat is waar en wat is niet waar? We gaan zo snel op zoek naar het lek in het schip”.
Dat klopt.
En op de keper beschouwd is dat laatste maar goed ook. Het gaat namelijk om Gods Woord. Het gaat om een goede overdracht van heel Zijn boodschap. Het gaat, kortom, om de verkondiging van het Evangelie.
Omgaan met verschillen, dat kunnen Gereformeerden niet goed. Dat willen wij ook liever niet.
En als het dan toch moet, dan bewaken we de grenzen. Die grenzen worden door God Zelf aangegeven. In Zijn Woord. Maar dan moeten we wel nauwkeurig lezen en goed luisteren.
Er is grensbewaking. Als het goed is staan de bewakers op scherp. Als het om Gods blijde Boodschap gaat is dat niet meer dan logisch.

Intussen stormt het anno Domini 2015 nog altijd. De golven op de kerkzee zijn hoog.
Het is reuze gevaarlijk weer.
Veel kinderen van God hebben inmiddels een goed heenkomen gezocht in De Gereformeerde Kerken (hersteld). Anderen zochten een schuilplaats bij de Gereformeerde Kerken Nederland.
Maar het waait nog altijd. De deuren van allerlei kerken aan de wal klapperen. Er staat nog een zeer straffe wind.
Het is moeilijk om, varend op zee, op koers te blijven.
Wat dat betreft lijkt het wel wat op de situatie in Mattheüs 8.

Op de omstandigheden in de storm op het meer, om precies te zijn.
Die geschiedenis kent u wel.

De zee is onstuimig. De discipelen verkeren in nood.
En Jezus? Hij slaapt.
Uiteindelijk maken de discipelen hun Meester wakker.
Het slot van de perikoop meldt: “En Hij zeide tot hen: Waarom zijt gij bevreesd, kleingelovigen? Toen stond Hij op en bestrafte de winden en de zee, en het werd volkomen stil. En de mensen verwonderden zich en zeiden: Wat voor iemand is deze, dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn?”[3].
Het gaat dus om gehoorzaamheid. En om geloof. Gereformeerden maken daar voor het gemak vaak één woord van: geloofsgehoorzaamheid.
Die storm op het meer wordt vermeld nadat Jezus tegen één van zijn volgelingen heeft gezegd: ‘volg Mij!’. Er staat: “Een ander echter, een van zijn discipelen, zeide tot Hem: Here, sta mij toe eerst heen te gaan en mijn vader te begraven. Maar Jezus zeide tot hem: Volg Mij en laat de doden hun doden begraven”[4].
Dat woord van Jezus gaat niet over overledenen.
Het gaat over springlevende mensen die Jezus Christus niet volgen. Geestelijk gezien zijn die mensen namelijk al dood.
Zo belangrijk is dat volgen.
Zo belangrijk is die geloofsgehoorzaamheid.

In een storm wordt vaak het werk van de Here zichtbaar.
Denkt u maar aan 2 Koningen 2: “Het geschiedde, toen de Here Elia in een storm ten hemel zou opnemen, dat Elia met Elisa uit Gilgal ging”[5]. En: “Alzo voer Elia in een storm ten hemel”[6].
We ontdekken in de storm soms ook iets van de strijd tussen God en Satan. Daar kunt u iets van zien in Job 1. Een boodschapper brengt daar het gruwelijke bericht van de dood van Jobs kinderen: “Uw zonen en uw dochters waren aan het eten en wijndrinken in het huis van hun broeder, de eerstgeborene, en zie, daar stak een zware storm op van over de woestijn, greep het huis bij de vier hoeken aan, en het viel op de jonge mensen, zodat zij stierven; ik alleen maar ben ontkomen om het u aan te zeggen”[7].
Maar we mogen weten dat God machtiger is dan wie of wat dan ook. Kijkt u bijvoorbeeld maar mee in Jesaja 29. Daar wordt het beleg van Jeruzalem door de Assyriërs aangekondigd. Als de nood het hoogst is zal de Here echter uitredding geven: “Maar de menigte uwer vijanden zal worden als fijn stof en de menigte der geweldenaars als wegstuivend kaf; onverwachts, plotseling zal het geschieden. Gij zult door de Here der heerscharen bezocht worden met donder, aardbeving en geweldig gedreun, wind, storm en verterende vuurvlam”[8].
In verband met de storm noem ik tenslotte ook Nahum 1: “Een naijverig God en een wreker is de Here, een wreker is de Here en vol van grimmigheid; een wreker is de Here voor zijn tegenstanders, en toornen blijft Hij tegen zijn vijanden. De Here is lankmoedig, doch groot van kracht, en de Here laat geenszins ongestraft. In wervelwind en storm is zijn weg, wolken zijn het stof zijner voeten”[9].

In de storm zien wij de strijd die in de hemelse gewesten gaande is.
In de storm zien wij Gods almacht.
Maar juist daarom is het belangrijk om in geloof onze Here Jezus Christus te volgen, in Zijn gang door de historie van kerk en wereld.

‘Volg Mij’, zegt de Here. Zijn stem klinkt boven de storm uit.
Hij geeft een dienstbevel.
Een dienstbevel met glorieuze gevolgen!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op maandag 13 februari 2006.
[2] Zie: “’De boot schommelt’ – Zorgen om koers GKV”. In: Reformatorisch Dagblad (vrijdag 10 februari 2006), p. 2. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[3] Mattheüs 8:26 en 27.
[4] Mattheüs 8:21 en 22.
[5] 2 Koningen 2:1.
[6] 2 Koningen 2:11.
[7] Job 1:18 en 19.
[8] Jesaja 29:5 en 6.
[9] Nahum 1:2 en 3.

12 februari 2015

Psalm 9: kortzichtigheid afgeleerd

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

In Psalm 9 zet David en zijn zangers aan tot lof op God[1].
Want er zijn wonderen gebeurd. De vijanden zijn teruggedeinsd.

Hoe kwam dat?
De Here God heeft in een rechtszaak een uitspraak gedaan. De volken die om de dichter heen wonen keken bevreesd toe. Ze zagen de bui al hangen. En inderdaad, de goddelozen werden te gronde gericht. Van hun bezittingen bleven slechts een paar puinhopen over. Eigenlijk komt het er, kort samenvattend, op neer dat niemand meer weet wie die goddelozen waren. Wie de Here is, ja dat kan iedereen nog weten. Want zijn troon, van waar Hij recht spreekt, blijft voor eeuwig staan. Zijn rechterlijke uitspraken zijn altijd eerlijk en rechtmatig. Mensen die verdrukt worden, kunnen altijd bij de God van hemel en aarde terecht.

David bevindt zich in een situatie van verdrukking en ellende. En daarom bidt Hij: Here God, wees mij genadig en redt mij! David doet de Here een duidelijke belofte: als U mij redt, zal ik iedereen over Uw grootheid en Uw schitterende werk vertellen.
David wijst nog maar eens op de eerlijke rechtspraak van de Here. Wie van de Goddelijke uitspraken kennis neemt kan weten hoe het afloopt: mensen die zonder God leven, eindigen onherroepelijk in de eeuwige dood. Mensen die bij de Here hun kracht zoeken, die worden gered.
Want de kracht van de Here heeft ongekende dimensies. En David bidt weer: laat alle mensen Uw kracht maar zien. Als zij goed kijken, zullen ze beseffen dat zij maar bescheiden mensen zijn die nooit tegen Hem op kunnen!

Anno Domini 2015 is onze God nog steeds Dezelfde.
Goddelozen moeten voor hun leven vrezen. Sterker nog: goed beschouwd weten zij zeker dat hun leven volkomen roemloos eindigt.
Gods kinderen mogen in hun nood nog altijd vrijmoedig naar de Here toe gaan.
Ook vandaag is de Here volstrekt eerlijk in Zijn rechtspraak.
Ook in onze tijd moeten wij beseffen dat wij, mensen van deze aarde, nooit tegen Hem op kunnen.

Ten diepste is dat de reden dat wij Psalm 9 mee kunnen zingen:
“Ik zal met heel mijn hart o HEER,
In psalmgezang, uw naam ter eer,
blij al uw wonderen verhalen,
U, Allerhoogste, dank betalen”[2].

Psalm 9 is, om het zo maar te zeggen, een psalm vol wisselende stemmingen.
Uitingen van geloof en lof voor Gods daden in het verleden worden afgewisseld met smeekbedes; pleidooien dus[3].
De lof op Gods daden in het verleden houdt bij het onberijmde vers 13 plots op. In de verzen 14, 15 en 16 volgt dan een pleidooi in nood. In vers 16 en 17 wordt weer teruggekeken op het verleden. Daarna wordt opnieuw gewezen op de nood waarin de dichter zich bevindt.

Daarin zit, als u het mij vraagt, een leermoment voor ons.
Immers – als wij bidden, blijven wij zomaar stilstaan bij de nood in onze eeuw. Bij de drama’s van onze tijd. Bij de problemen van ons land in 2015. Bij de terreur, en het geweld waarover actualiteitenprogramma’s ons bij de voortduur informeren.
Wij mogen en moeten echter ook terugkijken. Naar de grote daden van God, zoals de Bijbel die beschrijft. Naar de geschiedenis van de kerk, inclusief de reformaties vanaf de zestiende eeuw tot op dit moment. Als wij dat doen, merken we dat de kerk toen ook door de moeilijkheden heen geholpen is. En dan realiseren we ons dat dat in 2015 heus niet anders is. Geen wonder ook! Onze God is toch onveranderlijk?
Bij dat alles kómt nog dat de Here klaarblijkelijk de wisselende emoties van Zijn kind David genadig en zorgzaam accepteert.
Ook wij mogen beseffen dat als ons leven een achtbaan vol bochten is, wij toch naar de Here toe mogen gaan. Zonder enige reserve. Wij hoeven niet bang te zijn – de troonzaal is open!

De hemelse God is de Machthebber bij uitstek. Hij voert de regie over deze wereld.
Bij Hem vergeleken is de mens slechts een heel klein wezen.
De laatste regel van Psalm 9 luidt in de Statenvertaling: “O HEERE! jaag hun vreze aan; laat de heidenen weten, dat zij mensen zijn”[4]. Geringe mensen, dus. Mensen die, vergeleken bij Jezus Christus, heel weinig voorstellen.
Maar het was uitgerekend Jezus Christus die naar de aarde kwam om voor onze zonden te boeten. Zo te zien bleef van Hem bitter weinig over. Leest u maar mee in Johannes 19: “En de soldaten vlochten een kroon van doornen, zetten die op zijn hoofd en deden Hem een purperen kleed om, en zij traden op Hem toe en zeiden: Gegroet, Koning der Joden! En zij gaven Hem slagen in het gelaat. En Pilatus kwam wederom naar buiten en zeide tot hen: Zie, ik breng Hem voor u naar buiten, opdat gij weet, dat ik geen schuld in Hem vind. Jezus dan kwam naar buiten met de doornenkroon en het purperen kleed. En Pilatus zeide tot hen: Zie, de mens!”[5].
Zie, de mens – de Messias was daar, in Johannes 19, maar een heel geringe mens. Iemand die weinig voorstelde. Iemand die tot helemaal niets meer in staat was. Maar: zo betaalde Hij voor onze zonden. Verzoening door voldoening. Dat is het grootste wonder dat wij kunnen verhalen. Dat is het grootste wonder dat kerkmensen aan elkaar door kunnen vertellen!
Ziet u dat Psalm 9 op deze manier een Christocentrische lading krijgt?

In Psalm 9 gebeurt heel veel.
De emoties zijn diep. De uitzichten zijn wijds. We krijgen zelfs de Redder der wereld te zien!
Psalm 9? Die leert ons de kortzichtigheid af!

Noten:
[1] Deze onderwerpskeuze is ingegeven door het feit dat ik Psalm 9:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek) in De Bazuin hoop toe te lichten. Die korte uitleg verschijnt, zo de Here wil, binnenkort in dat Gereformeerd kerkblad. En wel in de rubriek ‘Psalm van de Week’. De toelichting werk ik in dit artikel uit.
[2] Psalm 9:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[3] Zie hierover ook de uitleg van Psalm 9 in de webversie van de Studiebijbel.
[4] Psalm 9:21 b.
[5] Johannes 19:2-5.

« Vorige paginaVolgende pagina »

Blog op WordPress.com.