gereformeerd leven in nederland

31 maart 2015

Strijd in het kader van Gods plan

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Strijd in de kerk: dat zou niet mogen voorkomen, zeggen buitenstaanders vaak. Ze kijken er dan een beetje ongemakkelijk bij. U en ik zien hen bijna denken: dat moest toch niet mogen!

Hebben die toeschouwers gelijk?
Persoonlijk denk ik van niet.

Misschien vindt u dat vreemd. Misschien meent u dat de kerk één groot bloemenperk moet wezen, waarin de rozen bloeien en waarboven de zon permanent uitbundig schijnt.
Die situatie is echter te rooskleurig. Niet voor niets staat in Lucas 13: “Strijdt om in te gaan door de enge poort, want velen, zeg Ik u, zullen trachten in te gaan, doch het niet kunnen”[1]. Er moet dus gestreden worden. Een beetje meelopen, met de handen in de zakken, dat is niet genoeg. Er moet gevochten worden. Niet morgen of overmorgen. Nu, op dit moment.

Maar bij dat alles moet altijd het doel van die strijd in beeld blijven.

Dat wordt, dunkt mij, duidelijk in Mattheüs 26.
Dat hoofdstuk brengt ons bij Jezus die door een legertje soldaten gevangen genomen wordt. Eén van Zijn discipelen grijpt hardhandig in. De slaaf van de hogepriester krijgt een daverende klap. Zijn oor wordt er helemaal afgeslagen.
En hoor dan wat Jezus zegt: “Breng uw zwaard weder op zijn plaats, want allen, die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen”[2].

Geachte lezers, is dit niet tamelijk merkwaardig?
Die discipel meent het toch zo goed! Hij komt voor Zijn Meester op. Nog wat principiëler gezegd: hij komt voor de Here God op.
Nou dan!
Daar is die discipel, op z’n zachtst gezegd, toch moreel toe verplicht? Daar zijn wij, als het erop aan komt, allemaal toch toe geroepen?

Het is, meen ik, nu belangrijk om nog wat verder te lezen in Mattheüs 26.
Ik citeer: “Of meent gij, dat Ik mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen terzijde stellen? Hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan, die zeggen, dat het aldus moet geschieden?”[3].
Dus:
* als het echt moet, kan Jezus in een oogwenk een mobilisatiebevel voor Zijn legers geven
* maar dat moet niet, want het plan van de hemelse God moet voltooid worden.

Het komt mij voor dat we niet moeten nalaten die verzen ook in ons eigen leven toe te passen.

Laat ik in dat verband wijzen op een zin uit Zondag 40 van de Heidelbergse Catechismus. Het is deze: God eist in het zesde gebod dat “ik mijn naaste niet van zijn eer beroof, niet haat, kwets of dood. Dit mag ik niet doen met gedachten, woorden of gebaren en nog veel minder met de daad, ook niet door middel van anderen, maar ik moet juist alle wraakzucht afleggen”[4].
Als het over die wraakzucht gaat, wordt Mattheüs 26 als Schriftbewijs gebruikt. De Catechismus herinnert ons aan die woorden: “Breng uw zwaard weder op zijn plaats, want allen, die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen”.

Strijd in de kerk?
Nee, dat is niet verboden. Sterker nog, we hebben er allemaal mee te maken.
Vechten is moeilijk. En spannend. Wie wint er? Hoe gewond of gedeukt ben ik straks? Zegt u nou zelf, die laatste twee vragen zijn best belangrijk.
Maar de eerste vraag is toch deze: past onze strijd in het kader van het plan dat de God van hemel en aarde aan het volbrengen is?
En de tweede vraag, die daaraan gekoppeld hoort te wezen, is – naar het mij voorkomt – deze: passen de gebruikte strijdmiddelen en onze methodiek bij het doel dat de Here met al Zijn kinderen, en met heel deze wereld heeft?

De verleiding is natuurlijk groot om in heel veel gevallen te roepen dat we onze wapens op een geoorloofde wijze gebruiken.
De verleiding is groot om standaard te zeggen dat onze methodes volkomen legaal zijn. ‘Ik doe het voor de Here’, zeggen we dan zomaar. En daarmee is de zaak wettig gemaakt.
Maar laten we elkaar geen mietje noemen. Want wij weten allemaal hoe tijdens ruzies en onenigheden mensen kunnen worden stuk gemaakt. Wij weten hoeveel jarenlange vetes kunnen vernielen.
En daarom vraag ik nadrukkelijk: waar zijn wij nou eigenlijk mee bezig? Oftewel: vechten we onze meningsverschillen op persoonlijke titel uit of dienen we onze God er werkelijk mee?

De bovenstaande vragen moeten wij ons allen stellen: gemeenteleden, ouderlingen en diakenen, predikanten.
En als wij dan eerlijk naar onszelf kijken en luisteren, realiseren we ons alras hoe gauw we ons aangetast voelen in onze persoonlijke eer.
Daarom moeten wij het maar weer repeteren: altijd moeten we weer bedenken Wie in de kerk onze Opdrachtgever is!

Maar is daarmee alles gezegd?
Neen.
Driewerf neen.
Want wij mogen allen eerbiedig opzien naar onze Here Jezus Christus. Hij is het “die onze zonden op nam, wiens bloed ons heeft geheiligd”[5].
Uiteindelijk bleef Hij alleen over. Totaal solistisch, volstrekt individueel betaalde Hij voor onze zonden. Negen woorden zijn het maar. Maar het is zo’n ontluisterend en ontnuchterend zinnetje, daar in Mattheüs 26: “Toen lieten al de discipelen Hem alleen en vluchtten”[6]. Zo staat het er.
Zondag 40 leert ons niemand te haten, te doden of te kwetsen. God vraagt ons om in de voetsporen te gaan van onze Heiland.
En als wij – in een moment van onbedachtzaamheid – op een zijpaadje gaan lopen, moeten we Zijn roepstem niet negeren: kom terug, Mijn kind; hier ben Ik!

Daarom moeten wij ons zwaard maar in de schede houden.
En dan?…
Dan kunnen wij rustig gaan zingen:
“Gij hebt gehoord, geantwoord op uw tijd.
Geprezen zij uw naam, die ik belijd.
Te midden van uw volk roep ik verblijd:
Groot is de HERE!
U die God vreest, wilt hem eerbiedig eren.
Laat zang en spel, o Jakobs zaad, Hem prijzen,
Het kroost van Israël Hem dank bewijzen:
God deed ons wel”[7].

Noten:
[1] Lucas 13:24.
[2] Mattheüs 26:52.
[3] Mattheüs 26:53 en 54.
[4] Heidelbergse Catechismus – Zondag 40, antwoord 105.
[5] Deze woorden komen uit Gezang 19:1 (Gereformeerd Kerkboek).
[6] Mattheüs 26:56.
[7] Psalm 22:10 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

30 maart 2015

De denker en het Woord

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Gereformeerden kunnen zich soms geïsoleerd voelen[1]. Het lijkt soms alsof een klein clubje mensen anno Domini 2015 nog Gods Woord leest. Er zijn momenten dat we denken dat we slechts met weinigen zijn.
Maar niets is minder waar.
Ontelbaar velen zijn er.
In Openbaring 7 horen we van een schare “die niemand tellen kon”[2].
Er is geen sterveling die in Openbaring 7 het idee van een volkstelling koestert. Want zo’n telling zou op niets uitlopen. Bovendien: de Here God weet wie Hij heeft uitgekozen. Hij weet wie de uitverkorenen zijn. Het is onze Here genoegzaam bekend wie er speciale bescherming genieten. Het staat precies vast wie de oordelen die over de wereld komen, zullen overleven.
We hebben te maken met God die een vastomlijnd plan uitvoert. Wat wij daarvan moeten weten heeft hij geopenbaard in Zijn Woord. Daar staat alles in wat we nodig hebben. Het is volstrekt onnut om daar een hedendaagse bewerking van te maken. De centrale kwestie van de eenentwintigste eeuw is dezelfde als die van alle tijden: mens, wandel met God; dat is uw redding!

Ongetwijfeld zullen er lezers zijn, die denken: het schrijverke heeft heden weinig te melden; als dat alles is vandaag…
Toch zet ik dat oude nieuws hier neer. En er is alle reden om dat eeuwenoude bericht even weer op tafel te leggen. Open en bloot. Dan weten we weer hoe het zit. En dat is hard nodig.
Hieronder zult u wel zien waarom ik die mening ben toegedaan.

Op vrijdag 13 maart jongstleden overleed de filosoof René Gude[3]. Hij was, tot vlak voor zijn dood, Denker des Vaderlands.
Denker des Vaderlands: dat is een eretitel die het Filosofie Magazine en de Stichting Maand van de Filosofie in samenwerking met het dagblad Trouw toekennen aan een wijsgeer die het dagelijks nieuws in een groter kader kan zetten.
René Gude werd in maart 1957 geboren. Hij werd Nederlands Hervormd opgevoed. René werd echter, naar hij zelf zei, niet geraakt door het geloof. Hij ging uit van een bekend motto van de Griekse filosoof Epicurus ‘Als jij er bent, is de dood er niet en als de dood er is, ben jij er niet’.
Zijn eigen filosofie typeerde hij als humeurmanagement. In de praktijk van het leven betekent dat: andermans inzichten en zelfstandig nuchter nadenken helpen bij de concrete invulling van het leven.
Toegegeven, de laatste tijd nam zijn belangstelling voor religie weer wat toe: “Bij geboorte, ontwaken van seksueel bewustzijn, trouwen en sterven bieden religies rituelen die kunst en wetenschap niet kunnen bieden”, sprak hij.
De zin van het leven moet, zo meende Gude ook, ontleend worden aan de bijdrage die wij allen leveren aan de mensheid als geheel[4].
Het is duidelijk: met dat oude Woord van God kón Rene Gude niet zoveel. Koel wetenschappelijk redeneren, dat lag hem beter…

Het sterven van deze goedgemutste filosoof zette me aan het denken.
Uiteindelijk kwam ik uit bij de kern van het christelijk geloof. Bij oude waarheden die, ook in onze tijd, uiterst actueel blijken te wezen.
In het nu volgende zal daar iets van blijken.

Vandaag de dag worden radio en televisie gedomineerd door mensen die op allerlei manieren tonen dat het leven pas de moeite waard is als je zelfstandig na kunt denken.
Luisteren naar anderen is een groot goed, jazeker. Alleen moeten christenen zich wel een beetje aanpassen aan de maatschappij. Want met wereldvreemdheid komt niemand verder.
En hoe gaat het verder na dit leven? Ach, daar maakt het goedwillende gepeupel zich nu nog niet druk om. En wie, zo vraagt men nonchalant, garandeert ons trouwens dat er een hiernamaals is?
In die wereld openen Gereformeerden het Woord van God. Zonder schroom of terughoudendheid. En zij bazuinen het uit: de oude en vertrouwde Waarheid heeft niet afgedaan!

Natuurlijk kan men zeggen: de Bijbel staat vol met oude, geijkte termen.
Is dat erg, eigenlijk?
Laten we wel wezen: met dat begrip ‘geijkt’ is wat aan de hand. In feite betekent het dat een woord algemeen gangbaar is. Het begrippenapparaat dat we in Schrift en belijdenis tegenkomen is echter helemaal niet zo gangbaar. Niet bij jongeren. En ook niet bij ouderen. En de inhoud van geijkte termen is weggesijpeld in de seculiere wereld.
Maar wat is, in de oorsprong des woords, nu eigenlijk ‘geijkt’?
Een geijkte weegschaal is gecontroleerd. Een bevoegde instantie heeft meegedeeld dat het apparaat voldoet aan de eisen die eraan gesteld worden. Zo’n toestel heeft een ijk gekregen.
Je kunt zeggen: geijkte termen zijn Schriftuurlijke waarheden die vaak gebruikt zijn. Door de jaren heen heeft men de inhoud getoetst. En men is tot de conclusie gekomen dat ze de bedoeling van de Verbondsgod op een juiste manier weergeven. Ze hebben zogezegd een ijk van de kerk gekregen.
Geijkte termen: daar kunnen we best door geraakt worden. Maar dan moeten we ons wel goed realiseren wat die oude termen precies betekenen. Dat wel.

Persoonlijk ben ik blij dat de Bijbel staat als een huis. Dat is wat populair samengevat. Maar u begrijpt vast al wel een beetje wat ik daarmee bedoel.
De Here heeft zich geopenbaard. Telkens blijkt dat we daar als Gereformeerden best mee voort kunnen. En natuurlijk is dat een pakket. De Here is één. En in de Schrift staat heel Zijn openbaringswoord. Dat zijn geen losse stukjes. Het is niet: hier wat, daar wat. We hoeven Gods Woord niet overal vandaan te plukken. Het is toch prachtig dat dat allemaal in één Boek staat?
We kunnen zonder bezwaar stellen dat de Bijbel een compact Boek is. Vele, vele theologen hebben zich er al over gebogen. Duizenden dominees hebben er al over gepreekt. En ze hebben de weg gewezen aan ontelbare schapen van de goede Herder. De predikanten hebben het gezegd: volhardt in het geloof. Gelukkig maar!
We mogen geweldig blij wezen met die speciale bescherming van God. En met zijn Woord. En ik weet het: de Bijbel verandert niet. De blijde Boodschap verandert nooit. Want Hij is onveranderlijk. Wederom noteer ik: gelukkig maar!

Rene Gude zei: ik ben niet door het geloof geraakt.

De vraag is: is schrijver dezes wel door het geloof geraakt?
Nee, zo mogen wij dat niet zeggen. Schrijver dezes is, samen met ontelbaar velen, door de Here uitgekozen om Zijn kind te zijn.
Dat geeft blijdschap in het leven.
De heer Gude gaf, schreef iemand, blijk van een “stoïcijnse opgewektheid”[5]. Dat moge waar wezen, maar die levensvreugde bleek uiteindelijk wel verwoestbaar. En dat is met geloofsblijdschap niet zo. Immers: in het hemelleven zullen Gods kinderen eeuwig geluk en eindeloze vrede kennen!

De heer René Gude deed, zoals hierboven reeds bleek, aan humeurmanagement.
Dat is een mooie vondst.
Alleen maar: als humeurmanagement het gereedschap des levens is, maakt men zich afhankelijk van mensen. En dat klinkt mooi, maar uiteindelijk loopt men vast in een niemandsland van menselijk gepraat, om niet te zeggen: laag-bij-de-gronds geblaat.
Gereformeerden moeten met blijde gezichten blijven wijzen op de grootheid van Gods genade.
De Here zorgt voor Zijn volk. Hij telt Zijn kinderen, één voor één. En op Gods tijd wordt het een schare die niemand tellen kan.
Tellen: dat hoeven wij niet te doen.
Want de Here kent al Zijn kinderen. En Hij vergeet niemand. Helemaal niemand.

René Gude – de man van het humeurmanagement – ging uit van het adagium: mensen kunnen en moeten elkaar verder helpen. Ondanks de grote problemen in de wereld, ondanks alle oorlog, terreur en andere geweld, ondanks alle politieke machtsspelletjes en alle corruptie zei hij blijmoedig: met onze bijdrage aan de mensheid kunnen wij de wereld vooruit helpen.
Laten Gods kinderen zich maar vasthouden aan dat evenzeer vermanende als troostende woord uit Numeri 23: “God is geen man, dat Hij liegen zou; of een mensenkind, dat Hij berouw zou hebben. Zou Hij zeggen en niet doen, of spreken en niet volbrengen?”[6].

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op vrijdag 31 maart 2006.
[2] Openbaring 7:9.
[3] Zie voor meer informatie over hem http://nl.wikipedia.org/wiki/René_Gude .
[4] Marc Janssens, “Gude haalde houvast uit filosofie” – in memoriam René Gude. In: Nederlands Dagblad (maandag 16 maart 2015), p. 2.
[5] Zie http://www.athenaeum.nl/recensies/brands-gude-sterven-doodeenvoudig (geraadpleegd op maandag 16 maart 2015).
[6] Numeri 23:19.

27 maart 2015

Niet cijfermatig

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Bekeren, dat is: van godsdienst, mening of partij laten veranderen. Zo staat dat in het gratis woordenboek van Van Dale, dat op het internet raadpleegbaar is[1].
Bekeren: dat wil niet zeggen dat er in ons leven sprake moet zijn van een op het gemoed vallend Schriftwoord. Het houdt wel in dat ons geloof geen automatisme moet zijn.

Dat kan trouwens ook helemaal niet.
Ons geloofsleven wordt namelijk in stand gehouden met hemelse energie. Die zorgt ervoor dat we blijven belijden dat de Verbondsgod ons krachtdadig en zonder dralen op niveau brengt.
Het gaat niet om onze afkomst. Ons voorgeslacht is niet het belangrijkste. Als het om bekering gaat is er niemand die, om het met Lucas 3 te zeggen, kan jubelen: ik heb Abraham als vader. Johannes zegt het niet voor niets: “Adderengebroed, wie heeft u een wenk gegeven om de komende toorn te ontgaan? Brengt dan vruchten voort, die aan de bekering beantwoorden”[2].
Het gaat om verandering van levenskoers.

Waaruit kunnen we zoal afleiden dat wij bekeerd zijn?
Uit onze barmhartigheid, bijvoorbeeld. Om weer met Lucas 3 te spreken: “Wie een dubbel stel klederen heeft, dele mede aan wie er geen heeft, en wie spijzen heeft, doe evenzo”[3].
We kunnen het, bijvoorbeeld, ook ontdekken in ons oprecht en rechtvaardig leven.
Eerlijkheid is in feite een christelijke deugd.
Leven volgens de wetten en regels in een land: dat is eigenlijk heel Gereformeerd.
Johannes zei in Lucas 3 tegen een tollenaar: “Vordert niet meer dan u voorgeschreven is”[4]. En tegen een stel soldaten zei hij: “Plundert niemand uit en perst niets af en weest tevreden met uw soldij”[5].
Barmhartigheid en rechtvaardigheid: die moeten we in Nederland vandaag de dag soms met een lantaarntje zoeken. Hoe hard is soms het oordeel over asielzoekers! Wat is er een hoop gedoe over de zorg! In zo’n samenleving moeten Gereformeerde mensen zich er in trainen om het muurtje om hun hart – als dat er al is – zo laag mogelijk te houden. Gods kinderen moeten niet vergeten dat juist barmhartigheid en rechtvaardigheid graadmeters zijn voor de werkelijke kwaliteit van hun leven, en voor de levensstandaard in hun land.

Het gereformeerde leven dat we vandaag – vrijdag 27 maart 2015 – vormgeven, heeft alles te maken met Gods oordeel. Dat zuig ik niet uit een van mijn duimen. In Lucas 3 staan bekering en gericht heel dicht bij elkaar. “Ook ligt reeds de bijl aan de wortel der bomen. Iedere boom dan, die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen”[6].
Voor kinderen van God is dat oordeel niet iets om bang van te worden. Integendeel: ze worden er blij van. Want immers, op het moment van het oordeel is hun strijd afgelopen.

Het is – kortom – belangrijk dat wij, bij al ons doen en laten, tenminste één vraag beantwoorden: wat vindt de Here ervan?
Wij leven voor Hem.
Wij leven tot Zijn eer.

Laatst was er een vrouw die mij een veel gestelde vraag voorlegde. ‘Hoe groot is jullie kerk?’, vroeg zij. ‘Ruim 150 leden’, zei ik.
En ieder begrijpt: dat is een gering aantal. Het maken van een vuist gaat in Groningen – die provincie aan het noordoostelijk uiteinde van Nederland – niet lukken.

Intussen is het, op de keper beschouwd, toch wel erg vreemd dat de Evangelieverkondiging in ons land nog niet definitief beëindigd is.
Hoe komt het eigenlijk dat Gods Woord in ons land nog altijd open gaat? Hoe is het mogelijk dat er in onze wereld nog altijd aandacht voor de Bijbel is? Waarom is Gods Woord nog niet weggeborgen in de afdeling Belangwekkende Documentatie Uit Voorbije Eeuwen?

Antwoord: omdat de Here God een verbond met Zijn kinderen gesloten heeft.
In dat verbond wordt weinig gegoocheld met cijfers. Het maakt – puur getalsmatig bezien – niet uit of er 15, 150, 1500 of 15000 kerkleden zijn.
De Here zegt niet: als u er voor zorgt dat u zo en zoveel goede werken doet, dan zet ik er een aantal Goddelijke beloften tegenover; en als we dan samen goed ons best doen, dan blijft de weegschaal in de hemel keurig in evenwicht. Nee! Zo werkt de Here niet. Het Verbond is geen rekensom – kom nou! Binnen het Verbond staat de liefde centraal. Dat is het centrale punt waar alles om draait.
Gods liefde is zo groot, dat Zijn Heilige Geest hoogstpersoonlijk werkt maakt van onze bekering. Zijn Geest woont niet voor niets in ons hart; Hij heeft er, om zo te zeggen, dagwerk aan.

Bekering is daarom niet uit te drukken in cijfers, statistieken en staafdiagrammen.
Bekering is geen woord voor de AEX. Of voor de Nikkei-index.
Bekering: dat past niet in een hamburgercultuur, waarin we vandaag kiezen voor een patatje oorlog, morgen voor bapao en overmorgen voor een berenhap. Of voor een gehaktbal (je weet maar nooit).
Bekering: voor echte gelovigen is dat dagelijkse actualiteit.
Bekering past bij een leven dat begint bij God. Wie daarvoor uitgekozen is, heeft ook perspectief op de lange termijn. Die uitverkorene heeft uitzicht op de eeuwigheid.

Daar horen geen cijfers bij. Want daar kunnen we in die eeuwigheid niet meer mee aankomen.
Hoewel…
“En ik hoorde het getal van hen, die verzegeld waren: honderdvierenveertigduizend waren verzegeld uit alle stammen der kinderen Israëls”. Zo staat dat in Openbaring 7[7].
Dat is 12 x 12 x 10 x 10 x 10: symbool van het grote getal der uitverkorenen van God. En hoeveel uitverkorenen er precies zijn: dat weet God alleen.
Toch geen cijfers dus.

Honderdvijftig kerkleden in Groningen.
Wat stelt dat nou voor?

Laten we ons maar bekeren.
Laten we maar met het gezicht naar de Here toe gaan staan.
In het geloof geeft de Here ons dan zicht op een onvoorstelbaar grote menigte.
Leest u – tenslotte – nog maar even verder in Openbaring 7: “Daarna zag ik, en zie, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle volk en stammen en natiën en talen stonden voor de troon en voor het Lam, bekleed met witte gewaden en met palmtakken in hun handen”[8].

Honderdvijftig kerkleden?
Vergis u niet!
Er zijn nog meer kinderen van God. Nog veel meer[9].

Noten:
[1] Zie http://www.vandale.nl/ (geraadpleegd op vrijdag 13 maart 2015).
[2] Lucas 3:8.
[3] Lucas 3:11.
[4] Lucas 3:13.
[5] Lucas 3:14.
[6] Lucas 3:9.
[7] Openbaring 7:4.
[8] Openbaring 7:9.
[9] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op donderdag 30 maart 2006.

26 maart 2015

Bekering noodzakelijk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

In de Gereformeerde gezindte zijn we goed in discussiëren[1]. Dat is altijd al zo geweest, en het is helemaal niet verontrustend. We moeten elkaar op de goede weg houden. Als we zwijgend naast elkaar lopen ontstaat er een probleem. Als allerlei mensen zonder vooroverleg opeens diverse zijpaden gaan bewandelen, is de kerk binnen de kortst mogelijke tijd pluraal geworden.

Het schijnt dat er een middel is om dergelijke pluraliteit te bestrijden. Er is een manier om te voorkomen dat een kerk via meerdere routes optrekt. Het toverwoord voor die preventie is: nieuwkomers.
Dat gelooft u misschien niet.
Maar volgens sommige mensen is dat echt zo.

Jaren geleden al zei de toenmalige evangelisatieconsulent van de Christelijke Gereformeerde Kerken, de heer Stefan Paas: de gelijkenis van de verloren zoon “…is het indrukwekkende verhaal van twee verloren zonen. De manier waarop de oudste zoon, de doorgewinterde kerkmens, zich verhoudt tot de vader, komt pas aan het licht als de jongste zoon in huis ontvangen wordt. Kerken en kerkmensen zullen pas gaan ontdekken wie ze zijn, wanneer ze de ervaring toelaten van nieuwkomers”[2][3].

Leer uzelf kennen via de observatie van nieuwelingen.
Zeg nu zelf: dat klinkt sympathiek. Nieuwkomers hartelijk ontvangen: dat klinkt geweldig. Van nieuwkomers leren: dat houdt een mens fris. Ervaringen uitwisselen: dat zorgt er voor dat we in beweging blijven. Dat is mooi. Aan houterigheid hebben wij immers allen een broertje dood.
Aldus wordt de eenheid bevorderd. Gezamenlijk gaan wij naar de kerk.
“De stammen, naar Gods naam genoemd,
gaan daarheen op, naar zijn bevel”[4].
Lijkt het.

Toch bevredigt dat oude verhaal over die nieuwkomers mij niet.
Sterker nog: ergens vind ik die opmerkingen van hierboven een tikkeltje merkwaardig.

Want als ik het goed begrijp wordt de jongste zoon uit de gelijkenis in dat verhaal van de heer Paas vergeleken met een nieuwkomer. Maar dat was hij helemaal niet. Die jongste zoon behoorde niet tot de categorie nieuwkomers. Nee, hij was een terugkomer. Hij hoorde al bij de kerk, en hij kwam er weer terug.
En het bijzondere van die verloren zoon was dat hij zich bekeerd heeft.
Die verloren zoon laat ons ook vandaag helder zien wat ons te doen staat.
Om even in de termen van die evangelisatieconsulent te blijven: om te zien wie u echt bent, moet u niet naar nieuwkomers kijken. Wat mij betreft hoeft dat heus niet zo nodig. Om te zien wie u worden moet, moet u zich bekeren.

Stefan Paas zei indertijd: kijkt u vooral goed naar de ervaringen van nieuwkomers in de kerk; dan voorkomt u dat de kerkdiensten huishoudelijke vergaderingen worden.
“We moeten de vraag onder ogen zien of onze erediensten niet geworden zijn tot besloten huishoudelijke vergaderingen, die in de praktijk niet toegankelijk zijn voor hen die niet van de hoed en de rand weten”.

Huishoudelijke vergaderingen nog wel. Toe maar!
Kerkdiensten zijn, voordat je ’t weet, bijeenkomsten waar we de zaken netjes regelen.
Tja.

Als wij een echte kerkdienst ervaren als een huishoudelijke vergadering, is het dat dan ook?
Dat zou ik maar niet te hard zeggen.
In een kerkdienst spreekt God tot Zijn volk. En het volk eert haar God. In een kerkdienst werkt de Heilige Geest. En de Geest heeft veel werk met al die harde harten. Wie zegt dat een kerkdienst met zekere regelmaat het predicaat ‘huishoudelijke vergadering’ verdient, zegt geloof ik ook dat er regelmatig voornamelijk hypocrieten in de kerk zitten. Dat is, denk ik, een forse beschuldiging.

En daarbij ben ik naarstig op zoek naar antwoorden op de volgende vragen.
Sinds wanneer moeten we in de kerk onze ervaring als uitgangspunt nemen?
en:
Sinds wanneer geven nieuwkomers aan wat er zoal zou kunnen veranderen in de kerk?

Laten wij het maar zuiver stellen.
Een kerkdienst is, om zo te zeggen, gecentreerd om Gods Woord. Het gaat niet om de laagdrempeligheid voor het gemak der nieuwkomers.
Daarmee is uiteraard niet gezegd dat de kerk en de kerkdienst bol moeten staan van de geheimtaal. Maar het lijkt me dat het in het huidige tijdsgewricht tijdens de kerkdienst nogal meevalt met toverspreuken en onbegrijpelijke formuleringen waar een buitenstaander geen touw aan vast kan knopen. Integendeel: er zijn nog steeds predikanten die er bijna iedere zondag weer in slagen net te doen alsof ongeveer 99,9 procent der heilbegerigen voor het eerst een eredienst bijwoont.
Zullen we nu eens beginnen om de nieuwkomers niet te onderschatten? Velen van hen hebben vroeger nog wel eens een kerkklokje horen luiden!

Wij moeten, zo zei de begeesterde evangelisatieconsulent van hierboven indertijd, Bijbelse thema’s “weer laten spreken tot het hart van onze cultuur”.
En toen kwam de gelijkenis van de verloren zoon op tafel.
Daar heb ik hierboven al iets van gezegd. Nu nog dit.
Het beeld van de vader en de verloren zoon is niet bedoeld om ons ontroerd te maken, of zoiets. Of vertederd. En het is ook geen kwestie van: ‘kom er in, dan kunnen wij een feestje bouwen’. Nee, de Vader is blij omdat de zoon zich bekeert. Daar gaat het om.
In Lucas 15 staan drie gelijkenissen: die van het verloren schaap, de verloren penning en de verloren zoon. Steeds weer is ‘bekering’ een centraal woord. Bekering: dat is het verschil tussen dood en leven. Een hemelsbreed verschil.
“Ik zeg u, dat er alzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar, die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebben”[5].
En:
“Alzo is er, zeg Ik u, blijdschap bij de engelen Gods over één zondaar, die zich bekeert”[6].
En:
“…mijn zoon hier was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is gevonden”[7].

De noodzaak van bekering: die is er voor mensen die van de hoed en de rand weten, en voor nieuwkomers. Dat is uiteindelijk ook de enige manier om werkelijk kerk te zijn. Dan – ja alleen dan – zullen waarheid en dwaling in de kerk nooit dezelfde rechten krijgen.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op woensdag 29 maart 2006.
[2] Zie: “Kerk en samenleving zitten in hetzelfde schuitje”. In: Reformatorisch Dagblad (maandag 27 maart 2006), p. 2. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[3] Stefan Paas is momenteel hoogleraar missiologie aan de Gereformeerd-vrijgemaakte Theologische Universiteit te Kampen en bijzonder hoogleraar kerkplanting en –vernieuwing aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.
[4] Psalm 122:2 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[5] Lucas 15:7.
[6] Lucas 15:10.
[7] Lucas 15:24.

25 maart 2015

Meer dan een band

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

De kerk moet de Schrift uitleggen. Zij moet de Waarheid uitbazuinen. Want de gemeente van de levende God is “een pijler en fundament der waarheid”[1][2].
De gemeente is dus een aanplakzuil. Het Evangelie wordt eraan geplakt. En niet met een plakbandje dat na verloop van tijd weer los gaat. Het Evangelie moet met klem gebracht worden. We kunnen er niet omheen. Paulus schrijft het met grote gedrevenheid op: “En buiten twijfel, groot is het geheimenis der godsvrucht: Die Zich geopenbaard heeft in het vlees, is gerechtvaardigd door de Geest, is verschenen aan de engelen, is verkondigd onder de heidenen, geloofd in de wereld, opgenomen in heerlijkheid”. Dat is óók 1 Timotheüs 3[3].
Buiten twijfel. Buiten álle twijfel, staat er in de Statenvertaling.
De blijde Boodschap zit onlosmakelijk vast op de aanplakzuil. Opzichtig. Haast onweerstaanbaar.

Die aanplakzuil heeft bekijks.
Mensen lopen er langs. Zij denken er het hunne van. Zij praten erover. Zij raken erover in discussie. Het Evangelie is in bespreking.

En dat is de bedoeling ook.
Het Evangelie moet opvallen. Als Gods Boodschap van redding bekijks heeft, geeft Hij zijn zegen. Als we die blijde Boodschap verdonkeremanen, dan komt er vloek. En dat ga je op een gegeven moment merken.
In Maleachi 2 horen we de Here tegen de priesters in de tempel zeggen: “Indien gij niet hoort, en indien gij het niet ter harte neemt mijn naam eer te geven, zegt de HERE der heerscharen, dan zal Ik onder u een vloek zenden en uw zegeningen in vloek verkeren; ja, Ik heb ze reeds in vloek verkeerd, omdat gij het niet ter harte genomen hebt. Zie, Ik zal uw nakroost bedreigen en vuil op uw gelaat werpen, het vuil uwer feesten, ja, men zal u daarheen slepen. Dan zult gij inzien, dat Ik u deze aanzegging gezonden heb, opdat mijn verbond met Levi besta, zegt de HERE der heerscharen. Mijn verbond met hem was: leven en vrede; Ik heb ze hem gegeven tot godsvrucht, opdat hij Mij zou vrezen en voor mijn naam beven”[4].
God is liefde.
Jazeker.
Maar dan moeten wij wel in het verbond blijven leven – het verbond dat Hij met ons gesloten heeft!

Dat verbond is heden ten dage uit beeld. Men spreekt er weinig meer over.
De mensen hebben een beetje met het woord ‘verbond’ geknutseld. Men peuterde er één letter uit, en frutselde er een andere letter in. Het ging van verbond naar verband.

En zo hebben we tegenwoordig een band met God. Net zoals je dat met mensen kunt hebben. Van een band met God wordt het allemaal een stuk makkelijker.
Want die band onderhoudt u. Die band maak jij. Die band voelen wij.
Misschien hadden mensen in ons voorgeslacht ook een band met God. Wellicht zullen onze kinderen ook een band met Hem hebben.
Maar dat kunnen we niet overzien.
Dat is lastig.

Want wij willen het wel overzien.

Dat is trouwens niets nieuws.

Laat ik, in dat kader, iets citeren uit het verleden.
“Men roept vandaag, in het kader van een oecumenische samengang: Laat ons teruggaan op de twaalf artikelen en de latere, meer concretiserende belijdenissen loslaten!”.
De mensen zeggen dus:
* wat de mensen allemaal in de kerk zeiden
* wat zij op schrift hebben gesteld in belijdenissen en boeken
dat hebben wij allemaal niet meer zo nodig. Althans, het grootste deel van al die spullen kunnen we met een gerust hart bij het oud papier doen.
Wellicht zegt iemand: dit is zo modern als het maar zijn kan. Dit roepen de mensen vandaag toch ook? Dit is helemaal geen verleden tijd. Wel, ik kan u vertellen dat het woorden zijn uit een referaat dat gehouden werd in 1958.

Toen riepen de mensen dus ook al: kan het allemaal niet wat minder met die kerkelijke papieren?

Het springende punt is: wij moeten niet uitgaan van een band. Maar we moeten uitgaan van het verbond. En de kenmerkende en alles overheersende eigenschap van dat verbond is: we hebben te maken met een initiatief van God.
Dat woord ‘verbond’ komt, als ik het goed weet, zo’n 280 keer in de Bijbel voor.
In Genesis 6 komen we dat woord voor de eerste keer tegen. Daar zegt God tegen Noach: “Maar met u zal Ik mijn verbond oprichten, en gij zult in de ark gaan, gij en uw zonen en uw vrouw en de vrouwen uwer zonen met u”[5].

Even tussendoor: het is opvallend dat wij juist het woord ‘genade’, dat zo vaak in de Bijbel staat, óók voor de eerste keer in Genesis 6 lezen – “Maar Noach vond genade in de ogen des Heren”[6]. Dat men in de kerk vroeger vaak over een genadeverbond sprak is in dat verband wel logisch…

God zegt: het is Mijn verbond; het is het verbond dat Ik opgericht heb.
Wij zeggen: dat houdt Hij al sinds mensenheugenis vast. Maar eigenlijk schieten menselijke geheugens hier absoluut tekort. Paulus schrijft in Efeziërs 1: “Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht”[7].
En dan te weten dat heel het mensdom zondig is. Want we hebben te maken met de erfzonde: de ongehoorzaamheid van Adam is het grootste erfelijkheidsprobleem dat er in de wereld bestaat.
En toch zet God het plan dat Hij heeft, werkelijk door!
Daar kunnen wij, met al onze intelligentie en al onze handigheid, helemaal niet meer bij.

Daarom: het verbond dat God met ons sloot is meer dan een band. Want:
1. het is een initiatief van God.
2. het is een demonstratief initiatief van God. En de kerk manifesteert Zijn Masterplan.
3. Zijn plan dateert al van vóór de grondlegging van de wereld.
4. Hij zet Zijn plan door ondanks onze zonden.

Daarom kán het in de kerk niet om onze eigen mening gaan. Het cirkelt allemaal niet om het overzicht dat wij wel of niet hebben. Wie het allemaal werkelijk snappen wil moet eeuwen overzien. Dat kunnen wij niet. Daartoe is alleen God in staat.

K. Schilder zei ooit: “Kan de bruid na 50 jaren samenleven met haar man op de gouden bruiloft doen, alsof die 50 jaren er nooit geweest waren?”.
Nee natuurlijk niet, roept iedereen direct.
In 1958 haalde de hierboven geciteerde spreker dat woord aan. En hij ging verder:
“Kan zij zeggen op zulk een feestdag: Ik wil vandaag niet meer van hem zeggen dan ik na de eerste ontmoeting van hem zeggen kon? Maar in al die jaren is toch de liefde gegroeid en het kennen verdiept? Dat laat zich niet verzwijgen! En wanneer iemand zou zeggen: Ik wil wel op de bruiloft komen, maar ik wens geen enkel woord aan te horen, waarin je al te zeer in bijzonderheden treedt, blijf maar bij de eerste vage formule!, dan zouden we antwoorden: je bent onbekwaam voor het feest.

Daarom moeten wij blijven belijden al wat de Geest de eeuwen door aan Zijn kerk te belijden gaf. Wij willen niet doen, alsof we de HERE pas van vandaag of gister kennen, want Hij heeft ons geleid eeuwen lang, ook door allerlei reformaties heen”[8].

Ook in de eenentwintigste eeuw is dat te zien.
Maar dan moeten wij wel goed kijken.
Dat wel.

Dan zult u ontdekken hoe mooi het is om met de God van het verbond te leven.
Leven met de Verbondsgod: dat is te zien.
In heel ons leven.
Elke minuut van de dag[9].

Noten:
[1] Volgende week woensdag, 1 april 2015, vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Op die bijeenkomst zal het onderwerp ‘Het verbond in de Bijbel’ centraal staan. Het schrijven van dit artikel is een deel van mijn voorbereiding op die vergadering.
[2] 1 Timotheüs 3:15.
[3] 1 Timotheüs 3:16.
[4] Maleachi 2:2-5.
[5] Genesis 6:18.
[6] Genesis 6:8.
[7] Efeziërs 1:4.
[8] Ds. M.J.C. Blok, “Het gezag der belijdenis”. Referaat op de Bondsdag 1958 van de Bond van Mannenverenigingen op Gereformeerde Grondslag. Opgenomen in: “Er staat geschreven… er is geschied – jubileumbundel van de Bond van Mannenverenigingen op Gereformeerde Grondslag, uitgegeven ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van de Bond”, © 1986. – Citaten van p. 90.
Dominee M.J.C. Blok sr. leefde van 1914 tot 1976.
[9] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op maandag 24 april 2006.

24 maart 2015

Doorslaggevende drieslag

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

In dit artikel gaat het over gezag. En over gezaghebbenden. En over mensen die onderdanig moeten wezen. Daarbij is Zondag 39 uit de Heidelbergse Catechismus het uitgangspunt.
De Here wil dat “ik aan mijn vader en moeder en aan allen die gezag over mij ontvangen hebben, alle eer, liefde en trouw bewijs, mij aan hun goede onderwijzing en tucht met gepaste gehoorzaamheid onderwerp en ook met hun zwakheid en gebreken geduld heb, omdat God ons door hun hand wil regeren”[1].

Dat is geen gemakkelijke Verbondseis. In onze wereld schuurt dat. Dat wringt. Dat knarst.
Maar ach, daar weet de Bijbel ook al van. Kijkt u maar in 1 Petrus 2: “Gij, huisslaven, weest in alle vreze uw meesters onderdanig, niet alleen de goede en vriendelijke, maar ook de verkeerde. Want dit is genade, indien iemand, omdat hij met God rekening houdt, leed verdraagt, dat hij ten onrechte lijdt”[2].

Ziet u dat? Wij moeten met God rekening houden.
Dat is wat de Here van alle mensen op de wereld vraagt. Van de mensen die, op een bepaald gebied, gezaghebbend zijn. Van de mensen die geen leidinggevende functie hebben. Iedere wereldburger wordt geacht de geboden van de Here te eerbiedigen.

Wie met God rekening houdt, moet vervolgens weten dat hij in zijn leven niet onbeschadigd door de wereld zal kunnen blijven wandelen. Een godvrezend mens moet leed verdragen. Hij wordt gedeukt. Zwaar geslagen soms. Zo gaat dat met gelovigen.

Maar daarin bewijst de Here Zijn genade.
Dat staat in 1 Petrus 2 nadrukkelijk vermeld: “Want dit is genade, indien iemand (…) ten onrechte lijdt”. En nog een keer: “Maar als gij goed doet en dan lijden moet verduren, dát is genade bij God. Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden”[3].
Gezag en genade: als we die begrippen aan elkaar vast blijven knopen, lopen we in de voetsporen van onze Heiland. Daartoe zijn wij, christenen van de eenentwintigste eeuw, in deze wereld.
Als wij het gezag en Gods genade als tweeling-termen blijven zien, kunnen wij ook zonder al te veel moeite ontdekken waar Christus heden ten dage aan het werk is. Gezag en genade: dat zijn, als u het mij vraagt, twee richtingwijzers naar een eeuwige toekomst met God. Gezag en genade brengen ons op de looproute naar de hemel.

Voor ‘genade’ staat er, daar in 1 Petrus 2, in het Grieks het woord charis.
Dat is een begrip met een heel brede betekenis. Het heeft iets in zich van rijkdom, blijdschap, dankbaarheid, waardigheid en eer[4].
Met andere woorden: eigenlijk zijn we rijk in ons lijden. Het leven ziet er soms armetierig uit, en toch valt het honderd procent mee!
We zijn verwaardigd om te lijden, om Christus’ wil!
Daarom hebben we alle reden om blij en dankbaar te wezen.
Dat woord charis komt u ook tegen in 1 Corinthiërs 15: “Maar Gode zij dank – charis – , die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus”[5].

Gezag: dat is anno 2015 een ingewikkeld woord geworden.
Voor je ’t weet ben je als gezagsdrager je macht kwijt. Onlangs bleek dat weer toen minister Opstelten en staatssecretaris Teeven onverwacht moesten opstappen vanwege een deal die Teeven indertijd als officier van justitie met een drugsbaron sloot[6].
Wat is ten diepste de oorzaak van die moeite met gezag? Antwoord: Woordverlating. Als een gezagsdrager zich niets aan Gods Woord gelegen laat liggen, wordt gezag zomaar een onsmakelijke soloactie die ontaardt in machtsmisbruik. Als een onderdaan de prediking van Jezus Christus negeert, transformeert zijn manier van doen in een oogwenk in opstand en anarchisme. Als de Redder der wereld uit beeld verdwijnt, is de samenleving binnen de kortste keren redeloos en radeloos.
Daarom moeten wij in de kerk de betekenis van het gezag toch maar steeds weer blijven repeteren. Want menselijk gezag is onlosmakelijk met Gods genade verbonden.

In de Bijbel en de belijdenisgeschriften duidt gezag dus ook nooit op blinde macht.
In de hierboven genoemde Zondag 39 gaat het over goede onderwijzing en tucht.
Zulk onderwijs loopt parallel met Spreuken 3:
“Mijn zoon, vergeet mijn onderwijzing niet
en uw hart beware mijn geboden”[7].
In Zondag 39 gaat het ook over gepaste gehoorzaamheid. Dat is gezeglijkheid die er voor zorgt dat wij – om met 2 Corinthiërs 5 te spreken – “elk bedenksel als krijgsgevangene brengen onder de gehoorzaamheid aan Christus”[8].

Gehoorzaamheid: dat is een hoofdthema in die eerste brief van Petrus. Leest u maar mee in het begin van 1 Petrus 1: “Petrus, een apostel van Jezus Christus, aan de vreemdelingen, die in de verstrooiing zijn in Pontus, Galatië, Cappadocië, Asia en Bitynië, de uitverkorenen naar de voorkennis van God, de Vader, in heiliging door de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging met het bloed van Jezus Christus: genade en vrede worde u vermenigvuldigd”.

Gezag, gehoorzaamheid en genade: blijkbaar hebben die volgens Petrus alles met elkaar te maken. Het is van het allerhoogste belang dat kerkmensen het verband tussen die termen blijven zien.
Gezag, gehoorzaamheid en genade: wie die drieslag in zijn hoofd houdt blijft in het door God gegeven gareel.

Noten:
[1]
Heidelbergse Catechismus – Zondag 39, antwoord 104.
[2] 1 Petrus 2:18 en 19.
[3] 1 Petrus 2:20 en 21.
[4] Zie hiervoor http://www.12accede.nl/2009-08-30_Vol-van-genade-en-waarheid_Mijdrecht_Andre-H-Roosma.pdf (geraadpleegd op woensdag 11 maart 2015).
[5] 1 Corinthiërs 15:57.
[6] “Minister Ivo Opstelten en staatssecretaris Fred Teeven van Veiligheid en Justitie zijn afgetreden. Dat maakten ze maandagavond bekend op hun ministerie. Maandag bleek dat er toch 4,7 miljoen gulden gemoeid was met de deal die Teeven als officier van justitie sloot met een drugscrimineel, veel meer dan de bijna 2 miljoen die Opstelten aan de Tweede Kamer had gemeld. Het verkeerd informeren van de Tweede Kamer geldt als een politieke doodzonde”. Zie verder http://www.nd.nl/artikelen/2015/maart/09/opstelten-en-teeven-bieden-ontslag-aan (geraadpleegd op woensdag 11 maart 2015).
[7] Spreuken 3:1.
[8] 1 Corinthiërs 10:5.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.