gereformeerd leven in nederland

30 april 2015

Met naam en toenaam bekend

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Gereformeerden zijn er in soorten[1].
Er zijn DGK-ers. En GKN-ers. En PKN-ers die zich soms ook nog Hervormd-Gereformeerd noemen. En NGK-ers. En GKv-ers. En gelovigen uit de Gereformeerde Gemeenten. En godsdienstigen uit de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Enzovoort.
Geen wonder eigenlijk dat we soms mensen tegenkomen die zich afvragen: waar moet ik heen als ik echt Gereformeerd wil blijven?

Op vrijdag 17 april jongstleden stond er een opmerkelijk Ingezonden in het Nederlands Dagblad. Het luidde zo:
“De vrijgemaakt-gereformeerde emeritus hoogleraar Kees de Ruijter (65) pleit ervoor de preek niet meer zo centraal te stellen als nu gebeurt, maar die in te bedden in de liturgie van de kerkdienst’. Toen ik dit las in het ND van 11 april, schrok ik. Al langere tijd is de uitholling en fragmentarisering van onze erediensten aan de gang. Een kort preekje, gezang en gebed, en daaromheen een veelheid van allerlei bijverschijnselen, sommige zinloos, andere lang niet altijd slecht, maar door hun overheersend aanwezig zijn brengt het de hoofdzaak van de eredienst in het gedrang. Want wat is de eredienst en wat is de hoofdzaak?
De Here roept door middel van de kerkenraad zijn volk op om ’s zondags te verschijnen voor zijn aangezicht, om daar te luisteren naar de boodschap van hun Heer, die de dienaar van de Heer heeft over te brengen aan het volk van de Heer. Wie daaraan tornt – zoals professor De Ruijter kennelijk doet – is verkeerd, ja funest bezig.
Nu begrijp ik ook hoe sommige predikanten daartoe gekomen zijn. Het is hun in Kampen op de universiteit waarschijnlijk zo geleerd. Ik hoop dat ik mij daarin vergis”[2].
De ogen van de briefschrijver lijken zich te hebben geopend. En hij lijkt zich af te vragen hoe het toch verder moet met de kerk.

Wij mogen ons allen troosten met de woorden uit Jesaja 43: “Vrees niet, want Ik ben met u; Ik doe uw nakroost van het oosten komen en vergader u van het westen. Ik zeg tot het noorden: Geef, en tot het zuiden: Houd niet terug, breng mijn zonen van verre en mijn dochters van het einde der aarde, ieder die naar mijn naam genoemd is, en die Ik geschapen heb tot mijn eer, die Ik geformeerd heb, die Ik ook gemaakt heb”[3].
De Here weet hoe het er voor staat met de kerk in Nederland.
De Here weet hoe het verder zal gaan.
En daarbij komt – dat vooral –: de Here zal onze namen niet vergeten. Hij weet wie wij zijn. Hij weet waar we ons bevinden. Hij kent onze onhebbelijkheden. Hij weet precies welke onzekerheden wij in ons leven meedragen.
Hij zegt: Mijn schepselen blijven het eigendom van Mij. Ik heb ze gemaakt, opdat Mijn eer vergroot zou worden!

Die woorden uit Jesaja 43 staan overigens in een perikoop waaruit ook blijkt dat de Verbondsgod Zijn volk harde verwijten maakt. Ze luisteren helemaal niet naar God. Ze laten Hem maar praten. De Here is geweldig boos op hen. En notabene: ze merken het niet eens! Zeker, de Israëlieten snappen wel dat ze in de ballingschap zitten. En ze hebben best door dat dat niet de bedoeling is. Maar dat dat een maatregel van de Here is… – daar zijn blijkbaar nog maar weinigen op gekomen.
Treurig, nietwaar?
Maar wanneer we dit bedenken, beseffen we ook dat het de Here is waar de levensreddende activiteit vandaan moet komen. Als het aan Gods kinderen ligt, dan wordt het niets meer in de wereld.

Jesaja 43 wordt, als ik mij niet vergis, vaak beschouwd als een troosthoofdstuk. Een stimulans. Een oppepper.
Maar dat is maar één kant van de zaak.
Want in datzelfde Jesaja 43 lees ik ook: “Gij hebt Mij de schapen uwer brandoffers niet gebracht en met uw slachtoffers hebt gij Mij niet geëerd; Ik heb u niet lastig gevallen om spijsoffers en Ik heb u geen moeite aangedaan om wierook. Gij hebt Mij voor zilver geen kalmoes gekocht en met het vet uwer slachtoffers hebt gij Mij niet gelaafd. Neen, gij zijt Mij lastig gevallen met uw zonden, hebt Mij moeite aangedaan met uw ongerechtigheden”[4].
Nee, van Gods liefde doe ik niets af. Natuurlijk niet.
Maar laten wij de toorn van God over de zonden van Zijn volk vooral niet wegmasseren.
Jazeker, God heeft Zijn kinderen lief.
Maar juist omdat Hij ze liefheeft pakt Hij Zijn kinderen flink aan. Hij tuchtigt hen. En Hij spreekt hen toe: luister naar Mij, negeer Mij niet; denk er om!
Dus:
* de Here zal Zijn kinderen beschermen. Hij zal ze bijeen brengen.
* maar dan moeten die kinderen ook luisteren. En zij moeten doen wat hij zegt. Passief met de armen over elkaar zitten, dat is er niet bij.
Zodoende biedt Jesaja 43 niet alleen troost. Maar het is ook een opwekking. En het is een waarschuwing: als het om Gods eer gaat, dan komt er een moment dat Hij ingrijpt!

Dit opgeschreven hebbende, zien u en ik de kerkelijke situatie van 2015 voor ons. En het wordt weer duidelijk: de Here moet het doen!

Zeg niet: komaan, dit zijn slechts Oudtestamentische klanken.
In het Nieuwe Testament kunt u de echo van deze woorden horen. Ik wijs u op 1 Petrus 2: “Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen. Geliefden, ik vermaan u als bijwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerten, die strijd voeren tegen uw ziel”[5].
Alweer: troost en vermaning vlak bij elkaar!

Laten we maar weer terugkeren naar Jesaja 43.
Daar lezen we over mensen die naar mijn naam genoemd zijn”. En: de Here is de Schepper van die mensen. Dat wordt met nadruk gezegd, maar liefst drie keer achter elkaar:
* “die Ik geschapen heb tot mijn eer”
* “die Ik geformeerd heb”
* “die Ik ook gemaakt heb”.
Onze Here heeft, om zo te zeggen, helemaal niets uitbesteed.
Hij heeft ons helemaal Zelf gemaakt.
Wij staan, om zo te zeggen, op Zijn naam. En er is niemand anders die auteursrechten op de mensheid kan laten gelden. Er is niemand anders die rechten op Gods kinderen kan laten gelden.

Gereformeerden zijn er in soorten.
En heel wat mensen lopen, om zo te zeggen, met hun ziel onder de arm. Zij kijken vertwijfeld op het kerkplein rond.
Zij vragen zich af: waar moet ik naar toe?

De Here laat ons weten: laat het Woord centraal staan, en eer Mij!
Doe dat in heel uw leven; maar zeker op zondag, als u en Ik elkaar in de eredienst ontmoeten. Ga niet aan de gang met allerlei bijverschijnselen, die Mijn Woord langzaam, bijna onmerkbaar, aan de kant schuiven. Stop met het geven van voorrang aan allerlei gevoelskwesties.
Luister naar Mijn Woord. Bedien de sacramenten op een zuivere wijze. Hanteer de tucht, als dat nodig is. Ga naar de kerk die Ik staande houd.
En realiseert u het zich maar: Gods kinderen Zijn bij de Here bekend, met naam en toenaam.

Dus rest ons niets meer dan te zingen:
“U bent mijn schild, o HEER.
U wilt mijn hoofd verheffen.
Van Sion klinkt zijn stem,
wanneer ik roep tot Hem.
Geen onheil zal mij treffen”[6].

Noten:
[1]
Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat artikel is gedateerd op vrijdag 28 april 2006.
[2] Ingezonden van Joop Alberts uit Utrecht. In: Nederlands Dagblad (vrijdag 17 april 2015), p. 8.
[3] Jesaja 43:5, 6 en 7.
[4] Jesaja 43:23 en 24.
[5] 1 Petrus 2:9, 10 en 11.
[6] Dit is het laatste deel van Psalm 3:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

29 april 2015

Op weg naar de glorie

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

‘Een rest wordt behouden’[1]. Dat is een bekend Schriftuurlijk thema.
De Here zal Zijn uitverkorenen bijeen brengen. Iedereen die bij Hem hoort, zal bij Zijn kudde gebracht worden.

Denkt u in dit verband maar aan Micha 2: “Voorzeker zal Ik u, o Jakob, in uw geheel bijeenbrengen, voorzeker vergaderen het overblijfsel van Israël. Ik zal hen bijeenbrengen als schapen in een kooi, als een kudde in het midden der weide. Het zal er gonzen van mensen”[2].
Over Micha 2 schreef ik al eens: “In dat Schriftgedeelte keert de profeet zich tegen de grootgrondbezitters. Niet omdat rijkdom op zichzélf een probleem is. De Here God toornt door de mond van Micha echter tegen onrechtmatig verkregen bezit. Tegen verdrukking. Tegen verrijking, ten koste van anderen.
De manieren waarop die grootgrondbezitters dat doen, zijn reuze vernuftig. Een rechttoe-rechtaan denkend mens kan er, om zo te zeggen, geen vinger achter krijgen.
Welnu, kondigt de Here aan, op de keper beschouwd ben ik nog veel slimmer. En wat ik bedenk is van grote betekenis voor al die goochemerds die net iets gewiekster denken te zijn dan de rest van de wereld!”.
En:
“Aan het einde van Micha 2 wordt opeens gesproken over een genadige God die Zijn volk weer in het gareel brengt.
De schapen komen samen in de kooi. De kudde groept bijeen.
En het wordt een drukte van belang!
Midden in de duisternis straalt opeens licht. Er is redding! En waarom? Omdat de Here deze zaak aanpakt. En als Hij niet ingrijpt, is het een verlopen zaak”.
En:
“Dat betekent: Gods volk keert terug uit de ballingschap. Gods kinderen worden terug geleid uit de ballingschap. Want de Here gaat voorop.
De Here gaat aan hun spits”[3].

De Here is dus actief.
Wij worden er, als kerkmensen, bij bepaald dat wij Zijn instrumenten moeten wezen.
Dat is niet makkelijk.
Onlangs zei een hervormde dominee: “Het gebrek aan eenheid in de kerken is sowieso een sta-in-de-weg voor elke evangelisatiepoging, maar de verdeeldheid onder christenen is op het platteland een extra hinderpaal, omdat men daar alles van elkaar weet. Eenheid is wervend, maar verdeeldheid is afstotend, vooral in de dorpsgemeenschap. Dat wordt tijdens evangelisatiegesprekken vaak merkbaar. Het werken aan eenheid in de christelijke gelederen is de eerste stap op weg naar de evangelisatiecampagne”[4].
Verdeeldheid in de kerk en op het kerkplein: de menselijke zonde komt wel heel duidelijk naar voren! En de vragen zijn:
* Waar leggen wij onze prioriteit?
* Zetten wij onszelf steeds vaker opzij zodat onze Here in het middelpunt van ons leven blijft staan?
In het verlengde daarvan concludeer ik dat wij moeten leren eerst te zwijgen, tot tien te tellen en pas daarna een goede Schriftuurlijke reactie te geven op de gebeurtenissen in onze omgeving.

Als we de bekende term ‘Een rest wordt behouden’ gebruiken, kan het zomaar gebeuren dat de werkelijkheid daarvan een beetje buiten ons eigen leven blijft staan. Daar zullen we alert op moeten wezen.
Het helpt misschien als we het Evangelie in één zin proberen samen te vatten. Iemand deed dat niet zo lang geleden als volgt: “Bijbelse waarheid: God schiep, Jezus’ doel is satan verslaan door lijden; dus Hij wil jou!”. Waarop iemand opmerkte: “het woordje ‘dus’ kan weg”[5].
Het is volstrekt duidelijk dat we moeten oppassen voor een al te zeer ingekorte Schriftuurlijke Boodschap. Dat staat buiten kijf. Maar we moeten ons ook goed realiseren dat wijzelf bij die rest behoren. Het Evangelie is aan ons geadresseerd. We gaan het eeuwige leven tegemoet!

In ons ‘gewone’ kerkelijke leven gaan wij, om het zo uit te drukken, van vergadering tot vergadering steeds voort[6]. Meeleven in de kerk, heet dat.
En nee, u ziet mij daar niets kwaads over noteren.
Maar bij al die ontmoetingen zullen we nimmer mogen vergeten dat wij actief zijn in de kerk, omdat wij – ten diepste – zeer verheugd zijn over de redding die Jezus Christus voor ons heeft bewerkt. In de Nederlandse Geloofsbelijdenis lezen we: “Hij is ontvangen in de schoot van de gezegende maagd Maria door de kracht van de Heilige Geest, zonder toedoen van een man. Hij heeft niet alleen de menselijke natuur aangenomen wat het lichaam betreft, maar ook een echt menselijke ziel om werkelijk mens te zijn. Want omdat de ziel evenzeer verloren was als het lichaam, moest Hij ze beide aannemen om beide te redden”[7]. Ziet u wat daar staat? Wij zijn gered. Dat mogen we uitstralen in heel ons doen en laten. Ook in ons kerkelijke vergaderingen, en de ontmoetingen op het kerkplein!

De term ‘een rest wordt behouden’ wijst op onze hemelse toekomst.
Daarover zei Philip Ryken, president van een christelijke universiteit in Wheaton (Illinois, USA) onlangs: “Er zal geen enkele vervloeking meer zijn. Maar er is meer dan alleen zondeloosheid. Er zal ook volkomen voldoening zijn. In dit leven gaan zelfs de prachtigste dingen gepaard met een vleugje teleurstelling. Dat komt omdat onze gevallen wereld uiteindelijk niemand voldoening kan geven. David begreep dat, toen hij zei: ‘Mijn ziel verlangt naar U, als in een droog en dorstig land zonder water’”[8].
Dat is voor ons onvoorstelbaar. Het is echt een kwestie van geloof. Het is dat geloof dat wij dagelijks moeten voeden. Het is dat stellig weten, dat vast vertrouwen dat ons in het leven op koers houdt. Laten wij, biddend en werkend, laten zien dat we de Here Jezus Christus willen volgen. Wij gaan achter Hem aan, naar een eeuwige toekomst waarin Hij alles zal zijn in allen!

Die term ‘een rest wordt behouden’ stemt ons wellicht enigermate droevig. Het is immers nooit prettig om bij een restje, een gering overblijfsel te horen.
Liever sluiten we ons bij de grote groep aan. Bij de massa. Bij de menigte die plezier heeft en z’n eigen gang gaat.
Getuigen in de wereld, daar kunnen we zo hopeloos van worden. En het zal, ten langen leste, ook heel uitzichtloos lijken. Maar laat ik in dit verband enkele woorden uit Openbaring 11 citeren: “En hun lijk zal liggen op de straat der grote stad, die geestelijk genaamd wordt Sodom en Egypte, alwaar ook hun Here gekruisigd werd. En uit de volken en stammen en talen en natiën zijn er, die hun lijk zien, drie en een halve dag, en zij laten niet toe, dat hun lijken in een graf worden bijgezet. En zij, die op de aarde wonen, zijn blijde en verheugd over hen en zullen elkander geschenken zenden, omdat deze twee profeten hen, die op de aarde wonen, gepijnigd hadden. En na die drie en een halve dag voer een levensgeest uit God in hen, en zij gingen op hun voeten staan en grote vrees viel op allen, die hen aanschouwden. En zij hoorden een luide stem uit de hemel tot hen zeggen: Klimt hierheen op! En zij klommen naar de hemel op in de wolk, en hun vijanden aanschouwden hen”[9].
Het Woord overwint. En wel op een zodanige wijze dat vele wereldburgers er bang van worden.
Het Woord overwint. En daarom worden wij behouden. Tot in eeuwigheid. In de hemel kunnen we ons geluk niet op. In de hemel heerst ongekende vrede en heerlijke rust. Wij zijn op weg naar een glorieus bestaan zonder einde. Wat heerlijk zal dat wezen!

Noten:
[1]
Tijdens een vanavond te houden vergadering van de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen zal het vrije onderwerp ‘Een rest wordt behouden’ aan de orde komen. De bespreking zal door mij worden ingeleid. Het betreffende thema is geïnspireerd op een lezing die kandidaat M. Dijkstra hield tijdens een op vrijdag 31 oktober 2014 gehouden gemeentevergadering van De Gereformeerde Kerk Groningen; die lezing was een presentatie/samenvatting van diens afstudeerscriptie.
In de afgelopen tijd heb ik hier al vaker over dit thema gepubliceerd. U kunt de betreffende artikelen terugvinden via de link https://bderoos.wordpress.com/tag/een-rest-wordt-behouden/ .
[2] Micha 2:12.
[3] Zie https://bderoos.wordpress.com/2014/01/22/micha-2-slipgevaar/ .
[4] Zie http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/gb_overleg_noord_nederland_evangelisatie_in_stad_of_dorp_verschilt_1_905434 (geraadpleegd op donderdag 16 april 2015).
[5] Zie http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/spelen_met_woorden_tijdens_zendingsdagen_fontanus_1_905313 (geraadpleegd op donderdag 16 april 2015).
[6] Deze formulering gaat terug op de berijming van Psalm 84:4 in de berijming uit 1773: “Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort; / Elk hunner zal, in ’t zalig oord / Van Sion, haast voor God verschijnen”.
[7] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 18.
[8] Zie http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/wandelen_in_nieuwe_hemel_en_op_nieuwe_aarde_1_905472 (geraadpleegd op donderdag 16 april 2015). Meer informatie over Philip Ryken staat op http://en.wikipedia.org/wiki/Philip_Ryken ; die internetpagina is Engelstalig.
[9] Openbaring 11:8-12.

28 april 2015

Tegen het wandelgangengewauwel

Afgelopen zondag, 26 april, hebben wij in onze kerk het Heilig Avondmaal gevierd. Het daarbij behorende formulier is weer eens gelezen.

En dus hoorden wij dat de drie-enige God ons in ware broederlijke liefde verbindt. De apostel Paulus schrijft in 1 Corinthiërs 10: “Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood”[1].
Er is sprake van één brood. Zo is ook de gemeente één.
Het brood valt in onze hand, of in onze mond, niet onmiddellijk uiteen in alle grondstoffen waaruit het gemaakt is. Nee, de bakker heeft er brood van gemaakt. Hij heeft het brood gebakken, zodat het prima smaakt.
De kerk is in Christus één. In het formulier wordt uitgesproken: Christus heeft ons uitnemend liefgehad. Zijn liefde was en is van uitzonderlijk hoge kwaliteit. Zeg maar gerust: volmaakt.
En vanwege die heerlijke liefde moeten wij elkaar ook liefhebben. Met woorden, en met daden.
Dat is de plicht van de kerkmens.

Nu komt meteen de vraag op: wie nemen we daarvoor mee?
Want we weten allemaal wel dat er geen enkele kerk is waar vrede alles doortrekt. Altijd is er wel gedoe. Onenigheid. Geruzie. Wandelgangengewauwel met een uiterst negatieve ondertoon. Groepsvorming. En alles wat daar verder volgt.
Hoe komen wij daar af?
Het formulier voor de viering van het Heilig Avondmaal geeft het antwoord.
“Hiertoe helpe ons de almachtige, barmhartige God en Vader van onze Here Jezus Christus, door zijn Heilige Geest. Amen”[2].

Wie van de onmin in de kerk af wil, mag zich tot God wenden. Hij moet gaan bidden. Hij zal, met andere woorden, de troonzaal van God binnen moeten gaan. Zo komt er vrede in de kerk.

Wij spreken de almachtige God aan.
Jezus zegt daar in Mattheüs 19 zelf over: “Bij de mensen is dit onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk”[3]. In artikel 1 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt, als het over de almacht van God gaat, dan ook naar deze woorden verwezen.

Wij spreken de barmhartige God aan.
De Dordtse Leerregels leren ons wat het tóppunt van die barmhartigheid is. “Maar omdat wij zelf niet in staat zijn die voldoening te geven en ons van Gods toorn te bevrijden, heeft God uit onmetelijke barmhartigheid ons zijn eniggeboren Zoon als Borg gegeven. Deze is voor ons en in onze plaats aan het kruis tot zonde gemaakt en een vloek geworden om voor ons te voldoen”[4].

Wij spreken God de Vader aan.
“De Vader is”, zo leren we in de Nederlandse Geloofsbelijdenis, “de oorzaak, de oorsprong en het begin van alle zichtbare en onzichtbare dingen”[5]. Hij is “onze Schepper, door Zijn kracht”[6].

Wij spreken onze Here aan.
God heeft het over ons te zeggen. Maar dat wil niet zeggen dat Hij een afstandelijke Man is, waarmee men nimmer binding krijgen kan. Nee, in die aanduiding laten wij iets blijken van de onmetelijke en permanente waarde die de hemelse God voor ons heeft.
Wát wij op deze aarde ook verliezen, welke teleurstellingen wij ook te verwerken krijgen…, wij weten dat wij onlosmakelijk aan de God van hemel en aarde verbonden zijn.

Wij spreken Jezus aan.
Hij is onze Verlosser. Hij maakt de knellende band van de zonden los. Door Zijn verdienste worden wij tot kinderen van God aangenomen.

Wij spreken Christus aan.
Hij proclameert wat Gods wil is ten aanzien van onze verlossing. Hij spreekt pleitredes uit, teneinde voor de hemelse rechtbank vrijspraak voor ons te bewerkstelligen. Hij geeft ons, gedurende heel ons leven, bescherming; onze Lijfwacht is paraat[7]!

Wij spreken de Heilige Geest aan.
In de Dordtse Leerregels is sprake van “de genade van de Heilige Geest, die opnieuw geboren doet worden”[8]. Door diezelfde Geest gaat ons een licht op. Sterker nog: in ons leven gaat het licht op. Maar de Geest gaat nog veel verder: “Wanneer God dit welbehagen in de uitverkorenen uitvoert en in hen de ware bekering tot stand brengt, laat Hij hun niet alleen het evangelie door middel van de prediking horen en hun verstand door de Heilige Geest zo sterk verlichten, dat zij goed begrijpen en onderscheiden wat Gods Geest hun wil leren. Maar Hij dringt ook door tot in het diepst van de mens met de krachtige werking van diezelfde Geest, die wedergeboorte werkt; Hij opent het gesloten hart, Hij maakt het harde zacht, Hij besnijdt het onbesnedene, Hij vernieuwt de wil: van dood maakt Hij hem levend, van slecht goed, van onwillig gewillig, van weerbarstig gehoorzaam. Hij brengt de wil zover en geeft deze zoveel kracht, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen”[9].

En als wij dat allemaal uitgesproken hebben, dan weten wij: het is waar, gegarandeerd waar. Amen!

Wie in de kerk aan het werk is, zegt vaak dat hij dat ter ere van de Here doet. Wie het bovenstaande overziet, weet dat voor zo’n stellingname alle reden is.
In de omgang met elkaar mogen en moeten we echter uiterst voorzichtig zijn.
Daarover denkend kom ik uit bij Zondag 43 uit de Heidelbergse Catechismus. Ik citeer: God eist in het negende gebod “dat ik tegen niemand een vals getuigenis afleg, niemands woorden verdraai en geen kwaadspreker of lasteraar ben. Dat ik ook niemand lichtvaardig en onverhoord veroordeel of help veroordelen. Maar dat ik alle liegen en bedriegen als echt duivelswerk vermijd, als ik tenminste de zware toorn van God niet op mij laden wil. Verder dat ik in rechtszaken en in alle handelingen de waarheid liefheb, oprecht spreek en belijd en ook de eer en goede naam van mijn naaste zoveel ik kan verdedig en bevorder”[10].
Liegen en bedriegen, dat is duivelswerk.
Zo zegt de Catechismus dat.
Dat betekent dus dat de zaak op scherp staat. De antithese wordt hier gesteld.

In onderlinge discussies spreken Gereformeerden vaak grote woorden.
Gemeenteleden lopen soms rond met pijn over zaken die al vele jaren geleden gespeeld hebben. Soms is het allemaal nog veel lánger geleden.
Kerkenraden willen niets liever dan dergelijke mensen recht doen. Maar feit is dat de kerkenraadsleden van, zeg 2005, niet de ambtsdragers van 2015 zijn. De nieuwe ambtsdragers zitten er vaak wat onbeholpen bij. Wat zullen zij voor wijze woorden zeggen?
Niet zelden is het moeilijk om het principe van hoor en wederhoor toe te passen. Herinneringen zorgen nogal eens voor vertekende beelden.
Sommige betrokkenen zijn misschien in de tussentijd overleden.
Wat moet je er dan als kerkenraad mee?
Kijkend naar het formulier voor de viering van het Heilig Avondmaal noteer ik:
* wie naar de Here gaat, weet dat kapotte relaties geheeld kunnen worden
* wie met de Here leeft, weet dat zijn zonden vergeven zijn; hij kan ook eigen schuldenaren vergeven
* wie naar de Here gaat, weet dat de scheppingskracht van Vader nog steeds bestaat
* wie naar de Here gaat, mag beseffen dat God onverbrekelijk met Hem verbonden is
* wie naar de Here gaat, mag zich realiseren dat Christus Zelf zijn Lijfwacht is
* wie naar de Here gaat, mag weten dat Gods Heilige Geest het leven nieuw maakt.

Nee, schuldbelijdenis en gebed: dat zijn veelal geen zichtbare evenementen. Het zijn, in verreweg de meeste gevallen, zaken voor de huiskamer. Voor de intieme gesprekken; met God, en met elkaar.

In de kerk moeten we elkaar liefhebben.
Toegegeven: soms lijkt daar geen beginnen aan.
En de vraag komt op: wie nemen we daarvoor mee?

Zal ik het u eens zeggen? Dat is een verkeerde vraag. Helemaal verkeerd.
Want wij nemen niemand mee.
De Here Jezus Christus neemt ons mee. Naar zijn toekomst namelijk!

Noten:
[1]
1 Corinthiërs 10:17.
[2] Formulier voor de viering van het Heilig Avondmaal. – Gereformeerd Kerkboek, p. 525.
[3] Mattheüs 19:26.
[4] Dordtse Leerregels, hoofdstuk 2, artikel 2.
[5] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 8.
[6] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 9.
[7] Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 12, antwoord 31: Hij is “door God de Vader aangesteld en met de Heilige Geest gezalfd tot onze hoogste Profeet en Leraar, tot onze enige Hogepriester en tot onze eeuwige Koning. Als Profeet en Leraar heeft Hij ons de verborgen raad en wil van God over onze verlossing volkomen geopenbaard. Als Hogepriester heeft Hij ons met het enige offer van zijn lichaam verlost en blijft Hij met zijn voorbede steeds bij de Vader voor ons pleiten. Als Koning regeert Hij ons met zijn Woord en Geest, en beschermt en bewaart Hij ons bij de verworven verlossing”.
[8] Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 3.
[9] Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 11.
[10] Heidelbergse Catechismus – Zondag 43, antwoord 112.

27 april 2015

Uw barmhartigheid kome over mij

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

De heer A.A.M. van Agt – minister-president van Nederland van 1977 tot 1982 – merkte tijdens het op zaterdag 11 april jongstleden gehouden congres van het Christen Democratisch Appel op dat hij van mening is “dat in Nederland een ‘geest van repressie, hardheid en terugslaan’ rondwaart, die ‘veel te sterk is geworden’”[1].
Een sfeer van verdringing en onderdrukking, van hardheid en agressie – dat klinkt niet best!
Wat staat de kerk in zo’n maatschappij te doen[2]?

Nu het hierom gaat wijs ik u graag op een woord uit Spreuken 22:
“Beroof de geringe niet, omdat hij arm is,
en vertreed de ellendige niet in de poort;
want de HERE zal hun rechtsgeding voeren
en hun berovers van het leven beroven”[3].

Vandaag wil ik iets schrijven naar aanleiding van die Schriftwoorden.

Het komt mij voor dat het voor de kerk in deze tijd van belang is om de barmhartigheid in het oog te houden.
En dan mogen ouden, zieken, zwakken en andere nooddruftigen het zich in de kerk herinneren: de Here zal ons rechtsgeding voeren. De barmhartigheid die wij betonen, hebben wij geleerd uit Zijn Woord. Want de Here heeft ons laten zien dat we leven van Zijn vergevingsgezindheid. Onze barmhartigheid heeft daarom geen intermenselijk karakter. Het heeft te maken met ons leven in het verbond met God.

Dat zien we, om een voorbeeld te noemen, ook in Deuteronomium 24. Ik citeer:
“Gij zult de arme, behoeftige dagloner niet hard behandelen, hetzij hij behoort tot uw broeders, hetzij tot de vreemdelingen, die zich in uw land, in uw steden zullen bevinden. Op de dag zelf zult gij zijn loon uitbetalen, de zon mag daarover niet ondergaan, omdat hij behoeftig is en er dus naar uitziet – opdat hij niet over u tot de HERE roepe en gij u bezondigt”[4].
Het staat allemaal in het kader van ons leven met de Here.

Ik keer terug naar Spreuken 22.
Eigenlijk, zo leren we daar, komt barmhartigheid vanzelf. Als we maar op de juiste manier tegen mensen aan kijken. Het gaat, zeg maar, om onze visie op de mens. We moeten steeds onthouden dat we schepsel zijn. Daar begint Spreuken 22 dan ook mee:
“Rijken en armen ontmoeten elkander;
hun aller Maker is de HERE”[5].
Barmhartig zijn: dat gaat min of meer vanzelf als we echt rekening houden met onszelf en anderen.
Dat blijkt ook uit Spreuken 28. Ik citeer:
“Een betrouwbaar man heeft veel zegen,
maar wie naar rijkdom jaagt, blijft niet ongestraft”[6].
Tachtig uur of meer werken om veel geld te verdienen? Of om jezelf te ontwikkelen in allerlei vrijwilligerswerk? Daar draait niet alles om. De vraag is: zijn wij betrouwbaar, of niet? Want een betrouwbaar man ontvangt veel zegen. En de jakkeraars krijgen straf. Straf, notabene!

Ons aller Maker is de Here.
We horen het nog wel eens vragen: die vreemde verdeling tussen rijk en arm in de wereld, had God dat nu niet een beetje anders kunnen doen? En eerlijk is eerlijk: als op ons televisiescherm beelden uit Afrika voorbij schuiven, dan zijn er heel wat momenten dat ons dat wat doet. Als we de verhalen en de foto’s in de krant zien, dan worden we daar niet vrolijk van.
Maar daar moeten we de Here geen verwijten over maken. We moeten elkaar maar eens helder vertellen hoe de zaken werkelijk staan.
Vandaag doe ik dat eens met woorden uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
“Wij geloven dat door de ongehoorzaamheid van Adam de erfzonde zich over heel het menselijk geslacht heeft verbreid. Zij is een verdorvenheid van de hele natuur en een erfelijk kwaad, waarmee zelfs de kleine kinderen in de moederschoot besmet zijn. Zij is namelijk de wortel waaruit allerlei zonden in de mens voortkomen. Daarom is ze zo gruwelijk en afzichtelijk voor God, dat zij reden genoeg is om het menselijk geslacht te veroordelen.
Zelfs door de doop is zij niet geheel vernietigd of uitgeroeid, omdat de zonde altijd uit deze verdorvenheid ontspringt als opwellend water uit een giftige bron. Zij wordt evenwel de kinderen van God niet toegerekend om hen te veroordelen, maar door zijn genade en barmhartigheid vergeven, niet om de gelovigen zorgeloos in de zonde te laten voortleven, maar om hen door het besef van deze verdorvenheid dikwijls te doen zuchten van verlangen, uit het lichaam, dat in de macht van de dood is, verlost te worden”[7].
Ons aller Maker is de Here.
Als het goed is brengt die wetenschap:
* ons tot het besef dat ook wij met erfzonde behept zijn;
* ons terug bij Gods genade en barmhartigheid.

In Spreuken 22 is niet alles lieflijk en zacht.
“… de HERE zal hun rechtsgeding voeren
en hun berovers van het leven beroven”.
Hier is geen sprake van een roze wolk.
Nee, er is sprake van een uitverkoren volk!
En dat uitverkoren volk wil gewoonweg niets liever dan weg uit de baaierd van zonden en tekortkomingen, van teleurstellingen en van lijden.

Maar we weten het: de God van het verbond komt voor Zijn uitverkorenen op. En zo kan het in Psalm 68 gebeuren dat we horen over een glorieuze zegetocht:
– “God staat op, zijn vijanden worden verstrooid,
zijn haters vluchten voor zijn aangezicht.
Gelijk rook verdreven wordt, verdrijft Gij hen” –
en meteen daarna bemerken dat de Here wel degelijk oog heeft voor de minder draagkrachtigen in de samenleving:
“Hij is de vader der wezen en de rechter der weduwen,
God in zijn heilige woning;
God, die eenzamen in een huisgezin doet wonen”[8].
Er zijn nog wel meer plaatsen in de Bijbel waar we éénzelfde tegenstelling zien. Denkt u alleen maar aan Psalm 146: de verdrukten krijgen recht; hongerigen ontvangen brood[9].

Laten we nog even bij dat CDA-congres gaan luisteren.
Ook oud-premier R.F.M. Lubbers verhief daar zijn stem. U weet het misschien nog wel: de heer Lubbers was tussen 1982 en 1994 eerste minister van ons land. Hij sprak: een adequate samenvatting van het begrip ‘christendemocratie’ is “dat mensen boodschap aan elkaar hebben”[10]. En de heer J.P. Balkenende, die tussen 2002 en 2010 vier kabinetten leidde, zei: “het gaat ten diepste niet om geld, maar om wat je bijdraagt aan de samenleving”, en: “het gaat niet om ‘ik en het hier en nu’, maar om ‘wij en later’”[11].
Dat klinkt prachtig.
Maar het klopt niet helemaal.
Want in ons leven moet het eerst en vooral om de Here gaan. De dienst aan Hem maakt ons barmhartig. De liefde voor Hem maakt ons betrouwbaar. Nee, de perfectie zullen wij in dit leven niet bereiken. Maar als wij een beroep blijven doen op Gods genade, mogen we er zeker van wezen dat de Here ons eens van alle aardse zonden en tekortkomingen verlossen zal.

In de kerk hebben we een boodschap aan elkaar. Nou en of.
Maar het begint ergens anders. Het begint bij Iemand anders. De Here God heeft een Boodschap aan ons.
Die Boodschap zal culmineren in eeuwige heerlijkheid. Dat is een magnifiek perspectief!
Zing het daarom maar: wij hebben een plaats “te midden van de vromen.
God kent de weg van wie rechtvaardig is,
maar bozen komen om in duisternis”[12][13].

Noten:
[1] Zie: “Het gaat niet om wat je krijgt, maar om wat je bijdraagt”. In: Nederlands Dagblad (maandag 13 april 2015), p. 3.
[2] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat artikel is gedateerd op donderdag 27 april 2006.
[3] Spreuken 22:22 en 23.
[4] Deuteronomium 24:14 en 15.
[5] Spreuken 22:2.
[6] Spreuken 28:20.
[7] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 15.
[8] Achtereenvolgens citeer ik Psalm 68:2, 3 a, 6 en 7 a (onberijmd).
[9] Zie Psalm 146:7, 8 en 9 (onberijmd).
[10] Zie voor meer informatie over hem http://nl.wikipedia.org/wiki/Ruud_Lubbers .
[11] Meer informatie over hem is te vinden op http://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Peter_Balkenende en http://www.parlement.com/id/vg09lljrp5z5/j_p_jan_peter_balkenende  .
[12] Psalm 1:3 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).
[13] De titel van dit artikel ontleen ik aan Psalm 119:77:
“Uw barmhartigheid kome over mij, opdat ik leve,
want uw wet is mijn verlustiging”.

24 april 2015

Gaven uitvouwen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Met enige overdrijving zou men 1 Corinthiërs 12 een populair Schriftgedeelte kunnen noemen[1].
Het wordt vaak geciteerd als scribenten en sprekers willen onderbouwen dat de kerk een samenleving is, waar ieder zijn gaven kan inzetten.
Men zegt soms: u moet die gaven zoeken; dan gaat u ze vast ook ontdekken.

Die uitdrukking – ‘gaven ontdekken’ – is heel begrijpelijk.
Het is ook wel duidelijk wat men ermee bedoelt.

Maar laten wij bij het begin beginnen. Het woord ‘ontdekken’ wil zeggen: iets waarnemen dat bestaat, maar nog niet bekend was[2].
Laten wij bij dat alles echter blijven beseffen: de Heilige Geest wist er allang van. Hij wist al welke gaven wij zouden hebben. Hij zorgt er voor dat wij bij Christus blijven, en van Christus zijn. Hij is mij “gegeven (…) om mij door waar geloof aan Christus en al zijn weldaden deel te geven”. Zo staat dat in de Heidelbergse Catechismus[3]. De Heilige Geest legt gaven in ons leven. Als wij gaven ontdekken, dan zijn wij niet de eersten aan wie die gaven bekend worden. Onze God heeft die gaven zelf gemaakt, en Zelf uitgedeeld.
Een gave is voor ons soms als nieuw. Maar onze gaven hebben reeds lang een plaats in Gods plan.
Wij hoeven Zijn geschenken eigenlijk alleen nog maar te ontplooien. En dat doen we dan graag. Werken met Gods gaven: dat spreekt toch vanzelf?
Wij kunnen die de woorden ook in een gebed tegenkomen : “…Kom Heilige Geest, geef ons, dat wij onze gaven ontdekken, dat we ze inzetten volgens uw plan…”. Dat gebed staat op een website van een Rooms-Katholieke beweging voor tieners van 12-16 jaar[4]. Geef ons dat we onze gaven ontdekken: dat klinkt prachtig. Maar laat het helder zijn: ons leven ligt in Zijn hand; inclusief gaven.
Het zit al in het woord zelf: gaven zijn gegeven. Als dat niet zo is, zijn het onmiddellijk geen gaven meer.

We moeten dus gaven ontvouwen. Onze eigen gaven, en ook andermans gaven. Die moeten we uitvouwen, zogezegd. En dat is helemaal niet zo moeilijk.

Want Geestesgaven komen meestal vanzelf naar buiten.
Bij tijd en wijle doen sommigen het voorkomen alsof u een speurtocht in uw eigen leven moet gaan houden. U moet op onderzoek uit. U moet de catacomben van uw eigen hart noodzakelijk gaan bezien.
En natuurlijk: wij moeten allemaal leren om ons in de samenleving te handhaven. Daar zijn bepaalde vaardigheden voor nodig. Die moeten aangeleerd worden.
Maar juist als het gaat over religie en spiritualiteit bestaat Anno Domini 2015 het gevaar dat wij onszelf best een beetje interessant gaan vinden. Wij, christenen, wij Gereformeerde mensen – wij hebben een bepaalde meerwaarde in het leven. Zo zeggen de mensen dat zo nu en dan. Immers: spiritualiteit is in de eenentwintigste eeuw weer modern. Welnu, bij Gereformeerden zit die spiritualiteit bijna in de genen. Kijk maar eens hoe spiritueel ze zijn. Kijk maar eens hoe zij zich uitsloven in de kerk! Goed hé?
Hier is grote voorzichtigheid geboden!
Wij dienen te bedenken dat we Gods gaven eigenlijk alleen maar uitvouwen.
Wij dienen te bedenken dat wijzelf niets in een mensenhart kunnen deponeren. Wij dragen in het geheel niets bij. Wij zijn, naar wij mogen hopen, instrumenten waardoor andere mensen de aan hen gegeven gaven kunnen ontplooien. Niet meer en niet minder.

Maar, zal iemand zeggen, we moeten voor sommige mensen toch iets extra’s doen? Je ontkomt er toch niet aan om langdurig zieke broeders en zusters, en – bijvoorbeeld – mensen met een verstandelijke beperking in de kerk wat meer aandacht te geven?
Dat klopt.
Maar laten we in ons achterhoofd houden dat het de Verbondsgod Zelf is geweest die ons leerde wat het doel van die extra aandacht is. Ik citeer uit 1 Corinthiërs 12: “God heeft evenwel het lichaam zó samengesteld, dat Hij meer eer gaf aan hetgeen misdeeld was opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden gelijkelijk voor elkander zouden zorgen. Als één lid lijdt, lijden alle leden mede, als één lid eer ontvangt, delen alle leden in de vreugde. Gij nu zijt het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden”[5].
De Here zorgt dus Zelf voor evenwicht in de kerk.
En dat betekent dat we gerust wat extra’s mogen doen voor zieke mensen, en voor mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking. Maar we hoeven ons echt niet uit te sloven.
Zieke en gehandicapte mensen zitten gewoon middenin de kerk.
Niet per se voorin.
En ook niet noodzakelijkerwijs achterin.
Gelovigen zitten niet in de kerk om daar nu eens opgelegd spiritueel te wezen. Of zoiets. Het staat al in het citaat hierboven: de kerk is het lichaam van Christus. We zitten in de kerk om Hem te eren.

Samen is meer.
Dat, geachte lezer, is een waarheid als een koe. Maar dat vinden wereldlingen ook.
Laten wij Gods Woord daarom nog maar eens open doen. Het Schriftgedeelte waar dit artikel mee begint, 1 Corinthiërs 12, eindigt als volgt: “En ik wijs u een weg, die nog veel verder omhoog voert”[6]. Paulus wijst op de God van hemel en aarde.
Aan Hem is het te danken dat de kerk goed functioneert.

Als de Here God gaven geeft, gebeuren er grote dingen in de kerk!
Dan kunnen angsthazen zomaar Evangeliepredikers worden. Ja, ook als zij geen stoomcursus predikkunde hebben gehad[7].

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik al eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op dinsdag 25 april 2006.
[2] Zie http://www.encyclo.nl/begrip/ontdekken .
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 20, antwoord 53.
[4] Zie http://www.teenertime.nl/archief/komheiligegeest.php .
[5] 1 Corinthiërs 12:24-27.
[6] 1 Corinthiërs 12:31.
[7] Deze gedachte ontleen ik aan: Ds. G.P.M. van der Linden, “Geest en geloof”. In: De Wekker (vrijdag 21 mei 1999), p. 5 en 6. Ook te vinden op www.digibron.nl .

23 april 2015

Betuigen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: ,

Kent u dat verhaal over de rijke jongeling[1]? Het staat in Mattheüs 19, Marcus 10 en Lucas 18[2].
De rijkdom is een obstakel in zijn leven met God. Geld en goed zijn hier op aarde mooi. Maar met al dat geld kan de rijke jongeman geen plek in de hemel kopen.
De Christelijke Gereformeerde hoogleraar H.J. Selderhuis zei eens: “Jezus zegt tegen de rijke jongeling: je moet alles verkopen en achter mij aangaan. Is dat leuk? Is dat gezellig? Nee, maar het is wel duidelijk”[3].

De jongeman gaat een gesprek aan met de Here Jezus. Maar er ontstaat geen dialoog waarbij beide partijen elk een stukje inleveren.
De Heiland geeft onderwijs. Om niet te zeggen dat hij een aantal duidelijke dienstorders geeft.
Het komt mij voor dat we dit goed voor ogen moeten houden als wij gesprekken over geloofszaken voeren. Als ik mij niet vergis zegt men tegenwoordig vaak dat je voor bepaalde zaken open moet staan; en dat geldt driedubbel als het over kwesties rond religie en levensovertuiging gaat.
Zeker – een gesprek is in de letterlijke zin van het woord: uitwisseling van informatie. Maar een gesprek over Bijbel en geloof is eigenlijk nimmer vrijblijvend. Het heeft – als het goed is – altijd als doel om mensen bij het Woord van God te houden, of daar terug te brengen.
Gods Woord lezen: daar gaat het om, in de kerk.

Vandaag de dag spreken we met elkaar over het Woord van God. We gaan met elkaar in gesprek. Wij voeren een discussie over de betekenis van Bijbelwoorden. Wij doen kennis op door erudiete mensen aan een forum deel te laten nemen.
Zo doen wij dat tegenwoordig.

Als ik het goed heb, hanteerden onze gelovige voorvaderen eertijds in dit kader nogal eens een ander woord.
Men had het met een zekere regelmaat over betuigen. Dat betekent: met nadruk verklaren. Men geeft te kennen wat er in Gods Woord staat.
Maar dat betuigen zijn we verleerd. De innerlijke kracht van dat betuigen zijn we veelal kwijt geraakt. De energie van de plechtige afkondiging is niet meer voelbaar.
Het lijkt mij dat we elkaar moeten blijven overtuigen van de waarde van het betuigen.

Dat woord betuigen klinkt wat ouderwets.
Maar wie nog wat verder denkt, komt er alras achter dat het met die ouderdom nog wel ietsje mee valt. Als iemand in het openbaar laat blijken dat hij een bepaald initiatief toejuicht, zeggen wij wel eens dat hij steun betuigt.
Wie die manier van zeggen meerekent, mag het – wat mij betreft – merkwaardig vinden dat juist in de kerk het betuigen zo ongeveer achter de horizon verdwenen is.

Het woord ‘betuigen’ komt een keer of zeven in de Bijbel voor.
Denkt u bijvoorbeeld maar aan Deuteronomium 8, waar Mozes zegt: “Maar het zal geschieden, indien gij de HERE, uw God, te enen male vergeet en andere goden achterna loopt, hen dient en u voor hen nederbuigt – ik betuig heden tegen u, dat gij voorzeker zult omkomen”[4].
En denkt u ook maar aan het slot van de Bijbel: “Ik betuig aan een ieder, die de woorden der profetie van dit boek hoort: Indien iemand hieraan toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen, die in dit boek beschreven zijn”[5].
Betuigen: dat heeft de kracht van proclamatie.
Betuigen: dat heeft de kracht van Evangelie!

Vandaag wordt er gesproken. Voor ons gevoel is er bijna niemand meer die plechtig een boodschap naar buiten brengt. We wisselen nu slechts inzichten uit. Een gesprek is bij voorkeur constructief. En als het een beetje wil, verloopt het gesprek in een open sfeer. Als het enigszins mogelijk is wil men een dialoog gaande houden.
Ik wil maar zeggen: Gods Woord is gedevalueerd van een eenzijdige proclamatie naar een tweezijdige interpretatie. Even kort door de bocht: vroeger was er de strenge afkondiging; nu is er de vriendelijke rondetafelconferentie.

Daarbij moeten we niet doorschieten. Ook Jezus was wel eens in gesprek.
Ik wijs u bijvoorbeeld op de verheerlijking op de berg: “En hun verscheen Elia met Mozes en zij waren in gesprek met Jezus”. Aldus valt te lezen in Marcus 9[6].
Maar dat laat onverlet dat we op ons gespreksniveau moeten letten. En daarmee bedoel ik nu vooral: vrijblijvendheid is in de kerk uit den boze. Daar op die hoge berg was geen sprake van een onderonsje, of zoiets. Even later klonk het immers: “Deze is mijn Zoon, de geliefde, hoort naar Hem”[7].
Ook in Johannes 4 – de geschiedenis rond de Samaritaanse vrouw – wordt vermeld dat Jezus “met een vrouw in gesprek was”. En dat was een gesprek waarin Hij Zichzelf bekend maakte als een Verlosser wiens heil verder reikte dan Jeruzalem[8]!
Het is dus opletten, als het in de kerk over ons gespreksniveau gaat. Want in de kerk hebben we beslist geen vrijheid van handelen. Met elkaar spreken in de kerk, dat schept verplichtingen.

En nu dat open en bloot hierboven staat, ontkomen we er niet aan te constateren dat de sfeer in kerkelijk Nederland in 2015 toch behoorlijk anders is.
Kerkelijke gesprekken in onze tijd: ik héb er anno Domini 2015 niet zoveel mee. Het heeft mij heden ten dage nogal eens te veel van het poneren van meningen. Theologische gesprekken moeten weer vaker betuigingen worden. Schriftuurlijke betuigingen. Aan al te veel vrijblijvend heen en weer gepraat heeft niemand iets.

In de kerk is het niet zozeer gezellig.
Maar de blijde Boodschap klinkt er hopelijk duidelijk.
Permanent.
Blijvend.

Net zoals in Psalm 47:
“Juicht, o volken juicht, handklapt en betuigt
onze God uw vreugd, weest in Hem verheugd!”[9].

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op vrijdag 21 april 2006.
[2] Zie Mattheüs 19:16-26; Marcus 10:17-27; Lucas 18:18-27.
[3] Zie http://www.kerkbladvoorhetnoorden.nl/presto/artikelen/20060804_presto1.htm .
[4] Deuteronomium 8:19.
[5] Openbaring 22:18.
[6] Marcus 9:4.
[7] Marcus 9:7.
[8] Johannes 4:27.
[9] Psalm 47:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.