gereformeerd leven in nederland

31 augustus 2015

Rust en waakzaamheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Aan het begin dit artikel gaan we terug naar het begin van deze maand.
Wij schrijven zaterdag 1 augustus 2015. In het Nederlands Dagblad wordt een meisje van 16 geportretteerd.

Tabitha Moes heet ze.
En zij houdt niet van kerkelijke onrust en onzorgvuldigheid.
“Mijn ouders en zus gaan naar een evangelische gemeente, maar zelf ga ik naar een Gereformeerde Bondsgemeente. De diensten in de kerk van mijn ouders vond ik rommelig, druk en te energiek. Ik miste rust. Als er gevlagd werd of in tongen gesproken, voelde ik me daar ongemakkelijk bij. Op een gegeven moment ben ik andere kerken gaan bezoeken. Ik ben terechtgekomen bij een Protestantse Kerk. Het grootste verschil is denk ik dat daar het Woord het fundament is, en in de kerk van mijn ouders is dat de Geest. De diensten in de Protestantse Kerk zijn rustig en gestructureerd. Niks gebeurt zomaar, alles heeft een reden. Toen ik zeker wist dat ik niet meer naar de evangelische gemeente zou gaan, heb ik de oudsten een mail gestuurd en toen ben ik uitgeschreven”[1].

Het standpunt van deze 16-jarige gymnasiaste is opvallend.
Behoefte aan rust en nauwkeurigheid in de kerk blijkt geen kwestie van leeftijd. Dat verlangen hebben wij allemaal. Een kerkdienst moet geen dynamische gebeurtenis wezen, waarvan het hoofd ons – na afloop van de dienst – nog duizelt.

Wil dat dan zeggen dat de kerk een onbeweeglijke eenheid is? Is de kerk een stijlvol gebouw aan een stilstaand water? Vormen kerkmensen een stil en bedeesd groepje dat wars is van elke verandering?
Zeker niet.
Alleen maar, de kwestie is dat we mensen altijd zo snel mogelijk moeten indelen. Indelen, jazeker. Namelijk in voor- en tegenstanders van de Here.

Nu het hierom gaat wijs ik graag op Jozua 5.
In dat Schriftgedeelte komen we Jozua tegen op een bijzonder moment. De Israëlieten zijn net besneden. Het Pascha is zojuist gevierd. De aanval op Jericho is op handen.
En dan?
Jozua is blijkbaar op verkenningstocht. Hij komt een man tegen. En Jozua vraagt: bent u een vriend of vijand?
Iedere beleefdheidsvorm is verdwenen. Jozua zegt niet: wat prettig dat ik u hier tegenkom; zullen we kennismaken en daarna een stukje samen op lopen? Welnee. Dat laat hij wel uit zijn hoofd. In Jozua 5 staat de zaak op scherp. De kernvraag is meteen: bent u voor of tegen God?
Welnu, in Jozua 5 ontmoet Jozua God zelf!
Ik citeer: “Het gebeurde nu, terwijl Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen opsloeg – zie, daar stond een man tegenover hem met een uitgetrokken zwaard in de hand. Jozua trad op hem toe en vroeg hem: Behoort gij tot ons of tot onze tegenstanders? Doch hij antwoordde: Neen, maar ik ben de vorst van het heer des Heren. Nu ben ik gekomen. Toen wierp Jozua zich op zijn aangezicht ter aarde, boog zich neer en zeide tot hem: Wat heeft mijn heer tot zijn knecht te zeggen? En de vorst van het heer des Heren zeide tot Jozua: Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop gij staat, is heilig. En Jozua deed dit”[2].
Jozua moet snel weten of de man die hij ontmoet een vriend is, of niet. Hij moet ‘m, om zo te zeggen, zo snel  mogelijk indelen.

Het is belangrijk om in de kerk overzicht te houden. Het is van belang om rust en ordelijkheid te creëren. Waarom?
Om snel en helder een antwoord te kunnen geven op de vraag: wie hoort er bij de Here, en wie niet?
En wie die vraag stelt en naar een eerlijke beantwoording ervan zoekt, mag vervolgens ook met overtuiging zeggen dat de hemelse Heer present is. Hij is er echt bij!

Het loont om op dit punt even naar het verleden te kijken.

Het is A. Zijlstra, een bekend onderwijzer, journalist en politicus uit Groningen, die in mei 1964 – een kleine maand voor zijn overlijden op 90-jarige leeftijd! – in het Gereformeerd Gezinsblad ook over rust in de kerk schrijft. Hij tekent scherp de antithese, zoals die zich in zijn tijd voordoet[3].
Hij doet dat als volgt.
“De bedoeling is nu het gewone kerkvolk langzamerhand op die weg van de afval voor te bereiden. Voorzichtig aan, dan breekt het lijntje niet…
De voorzitter van de synodaal gereformeerde predikantenvereeniging, dominee P.S. Kuiper wees daartoe op de bekende weg, ook in vrijgemaakte kring reeds wel gevolgd. Dominee Kuiper waarschuwt toch tegen de groepsvorming. Een probaat middel om het pad voor eigen actie volkomen vrij te maken, en alle andere te keren. Voor zichzelf dus de weg der groepsvorming. Een eisen van het volle recht in de ondermijning van het vast fundament, de Schrift en de op haar gebouwde belijdenis. Maar geen tegenspraak, geen weerlegging mag volgen van de zijde, waar de verleiding wordt doorzien. Vooral het beroep op de liefde doet dan de deur dicht.
Dominee Kuiper waarschuwde ook tegen de persdiscussie, dat wil zeggen tegen de opwerping van een dam tegen hetgeen hij en anderen nastreven. Alle tegenspraak heet immers overbodig. Want, zo zei hij: het gaat immers niet om dingen, waarmee de Kerk staat of valt. Hoezeer dit wel degelijk het geval is. Deze zoet fluitende vogelaar durft zelfs te wijzen op wat wij lezen in Jozua 5. Het is de Heer der Heeren, die Jozua voor Zijn aangezicht stelt. En als deze dan vraagt: behoort gij tot onze tegenstanders, dan is het antwoord: nee. maar Ik ben de vorst van het heirleger des Heeren. En dan concludeert dominee Kuiper, dat het niet nodig is de mensen altijd meteen in voor- en tegenstanders te verdelen.
Tenslotte is het zo: weg met de rem voor hem en de zijnen. Zo wil men dan de rust in de kerk, maar die rust roest. Want de Heer van het heir des Heeren eist van Zijn volk grote waakzaamheid tegen alle afval, al lijkt het begin nog zo onschuldig. Waakzaamheid en getrouwe strijd tegen alles en een ieder, die in hoe schoonschijnende vorm ook, Zijn heilig Woord weerspreekt en het waarachtig geloof ondermijnt”[4].
De kerk mag geen onoverzichtelijk instituut van groepjes en clubjes worden.
In de kerk moeten we weten waar we aan toe zijn. Wie volgt Christus? Wie keert zich tegen hem? Een tussenweg is er niet!

Zeker, anno Domini 2015 leven wij in een andere tijd.
Maar het principe van oplettendheid op het kerkplein is allesbehalve ouderwets.
De waarschuwing van A. Zijlstra moeten we vandaag de dag maar niet in de wind slaan: laat u niet verleiden tot groepsvorming, maar marcheer mee in het leger van de Here!

Rust in de kerk is nodig om geconcentreerd te kunnen zijn op de dingen die de Here van Zijn kinderen vraagt.
Rust in de kerk is noodzakelijk om optimale waakzaamheid te kunnen garanderen!

Noten:
[1] Jongerenportret van Tabitha Moes. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 1 augustus 2015, p. 18.
[2] Jozua 5:13, 14 en 15.
[3] Zie over hem bijvoorbeeld https://nl.wikipedia.org/wiki/Albertus_Zijlstra . Zijlstra leefde van zaterdag 21 februari 1874 tot maandag 1 juni 1964.
[4] A. Zijlstra, “Van Binnenlands Gebeuren”, onder de tussenkop ‘Groepsvorming’. In Gereformeerd Gezinsblad, maandag 4 mei 1964, p. 3. Ook te vinden op www.delpher.nl .

28 augustus 2015

Aandacht voor afspraken

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

In de kerk houden we ons aan afspraken. Als we dat niet doen, wordt het binnen de kortste keren een janboel.

Maar wat doen we dan als wij wat willen veranderen?
In de eerste plaats gaan we zorgvuldig na of de door ons zo vurig gewenste verandering Schriftuurlijk is. Is de wijziging naar de Geest, en naar de geest van het Woord?
We overleggen vervolgens in verschillende kerkelijke vergaderingen over onze voorstellen en voornemens.
Vaak geeft dat een zekere stroperigheid. En laten we er maar niet omheen draaien: dat is niet zelden tamelijk ergerniswekkend.
Maar het is wel de manier om kerkelijk individualisme en solisme tegen te gaan.

Er zijn, als u het mij vraagt, aardig wat kerkleiders die veranderingen doorzetten onder het motto: de geachte gelovigen zullen er wel aan wennen.

Maar denk niet dat dat een probleem van de eenentwintigste eeuw is.

In een oud nummer van het Nederlands Dagblad – het is gedateerd in maart 1970 – wordt in de rubriek ‘Persschouw’ een artikel overgenomen uit ‘Pro Ecclesia’, het kerkblad van de Gereformeerde Kerk op Urk. Het stuk is geschreven door dominee J. Slotman[1].
De dominee pakt flink uit. Leest u maar even mee: “Onze Gereformeerde kerken leven in Christelijke vrijheid naar de Dordtse K.O., al een paar honderd jaar. Daar hebben die kerken zich vrijwillig aan gebonden. Nu, als men van mening is, dat die K.O. niet goed is, dat zij gewijzigd moet worden of dat zij afgeschaft moet worden, dan moet men dat zeggen en in de kerkelijke weg aan de orde stellen. Maar dan moet men niet zeggen: (…) ‘Wij blijven gewoon gereformeerd. Wij blijven ons houden aan de drie formulieren en aan de D.K.O.’, doch ondertussen zonder het hardop te zeggen, die K.O. aan de kant schuiven. Door zo te doen strooit men het kerkvolk (als ik die term nog eens gebruiken mag) zand in de ogen. De meeste broeders en zusters denken werkelijk, dat zij nog gewoon lid zijn van een gereformeerde kerk, die zich houdt aan de Drie formulieren en aan de D.K.O., maar weten zij wel, dat dit beslist niet meer het geval is?”.

Eenzelfde mechanisme zien we vandaag de dag nogal eens terug. Met name in kringen van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt).
Kerkleiders en andere invloedrijke kerkleden drukken wijzigingen door die soms zeer fundamenteel zijn.
Gewone kerkleden hebben vaak geen idee op welke gronden zulke veranderingen worden doorgevoerd. En als zij daar wel een idee over hebben zijn zij of onverschillig of machteloos.

Wij zullen er van doordrongen moeten zijn dat er in deze wereld een geestelijke oorlog wordt gevoerd. De satan is druk doende, maar Gods Geest ook.
Leest u maar mee in Exodus 28: “Gij zult zeggen tot allen die kunstvaardig zijn, welke Ik met een geest van wijsheid vervuld heb, dat zij de klederen van Aäron maken, om hem te heiligen, om voor Mij het priesterambt te bekleden”[2].
Graag attendeer ik u ook op Romeinen 8: “En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont”[3].
En:
“Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader. Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn”[4].
Ik wijs u ook op 1 Johannes 4: “Geliefden, vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn in de wereld uitgegaan. Hieraan onderkent gij de Geest Gods: iedere geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God; en iedere geest, die Jezus niet belijdt, is niet uit God. En dit is de geest van de antichrist, waarvan gij gehoord hebt, dat hij komen zal, en hij is nu reeds in de wereld”[5].

De vraag is: welke geest stuurt ons aan?
De Geest van God heeft Jezus uit de doden opgewekt. Dat gebeurt met Gods kinderen ook; dat kan niet anders!
De Heilige Geest wil Gods kinderen ervan overtuigen dat zij bij Hem horen.

Zeker, er wordt aan ons getrokken.
Soms hebben we het idee dat ons leven flink heen en weer wordt geschud. En nee, dat is geen verbeelding!

Wij gaan nog even terug naar maart 1970.
Dominee Slotman is hard van toon.
“Misschien zal men zeggen: ds. Slotman zweert bij de belijdenis en bij de K.O. en bij het kerkverband. Hij moest het meer hebben over de vraag: wat zegt de Schrift? Wie dit zegt, die heeft van wat ik schreef niets begrepen. Wat ik zeggen wilde in dit artikel, is simpel dit: de gereformeerde kerken in Nederland hebben de drie formulieren aangenomen en zij hebben ook afgesproken, in Christelijke vrijheid zich te zullen houden aan de D.K.O. Nu, als iemand meent, dat het anders moet, dan moet hij dit aan de orde stellen in de kerkelijke weg maar dan moet hij niet op eigen houtje andere normen gaan invoeren. Dan moet men niet zeggen: wij blijven gewoon gereformeerde kerken, terwijl men ondertussen op het spoor van de vrije kerken is overgestapt”.

In augustus 2015 formuleren we de zaken meestal wat omzichtiger. De kerkgeschiedenis is verder gegaan. De accenten liggen heden ten dage wat anders.
Persoonlijk herken ik echter veel van wat dominee Slotman te berde brengt. En dat terwijl zijn hartenkreet reeds vijfenveertig jaar geleden geklonken heeft!
Het dringt weer tot mij door hoe belangrijk afspraken zijn in de kerk. Aan die afspraken houden we ons natuurlijk omdat we nette mensen zijn. Maar ten diepste hebben die afspraken hun grond in Gods Woord.

Betrouwbaarheid, dat is in de kerk een groot goed.
Daarom besluit ik vandaag met woorden uit 1 Corinthiërs 4: “Zo moet men ons beschouwen: als dienaren van Christus, aan wie het beheer van de geheimenissen Gods is toevertrouwd. Voor zulke beheerders is dit tenslotte het vereiste: betrouwbaar te blijken”[6].

Noten:
[1] “Oproep tot wederkeer”. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 27 maart 1970, p. 4 (rubriek Persschouw). Ook te vinden op www.delpher.nl . Geraadpleegd op donderdag 6 augustus 2015.
Dominee Slotman was van december 1965 tot januari 1971 verbonden aan de kerk op Urk.
[2] Exodus 28:3.
[3] Romeinen 8:11.
[4] Romeinen 8:15 en 16.
[5] 1 Johannes 4:1, 2 en 3.
[6] 1 Corinthiërs 4:1 en 2.

27 augustus 2015

Bede bij een sluitingsrede

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Zittingen van de Generale Synode zijn vaak spannende vergaderingen. Want in dergelijke bijeenkomsten worden niet zelden principiële verschillen zichtbaar. Elders kan men dat alles nog wel verdoezelen. Maar op de G.S. kan men er niet omheen.

De Generale Synode van de Gereformeerd-vrijgemaakte kerken te Hoogeveen in 1969/1970 is ook reuze spannend.
Laat ik een paar ingewikkelde zaken noemen.
1.
Het is de tijd van de buitenverband-kwestie. De credentiebrief van de particuliere synode van Wormer wordt door de Generale Synode niet aanvaard. De preses, ds. J. Kok, drukt het in de sluitingsrede van de synode zo uit: “Wij konden om Gods wil, om der wille van de belijdenis der waarheid, de vier broeders, die deze credentiebrief overlegden, niet ontvangen”.
2.
De schorsing van drs. D.J. Buwalda en dr. H.M. Mulder – lectoren aan de Theologische Hogeschool – wordt na uitgebreide gedachtewisselingen door de Generale Synode goedgekeurd.
3.
Er wordt op die synode ook heftig gediscussieerd over de doop van adoptiekinderen.

Kortom: het gaat er op verschillende synodezittingen te Hoogeveen hard aan toe!

Er raken daar mensen gewond.
Bezeerd.
Gehavend.
“We gaan niet zonder littekens naar huis”, zegt de synodepreses.

Wij schrijven woensdag 5 augustus 2015.
In een oude krant lees ik de sluitingsrede van de Generale Synode van Hoogeveen 1969/1970[1]. En ja, ik kan de pijn van de spreker bijna voelen.

Dominee Kok formuleert: “Dwars door al die spanningen en verdrietelijkheden heen heeft de Here ons allen in het leven gespaard – is het geen aanbiddelijk wonder? – waren de absenten beperkt en werd het ons vergund de eindstreep te halen”.
Als we die volzin overzien, ontdekken we weer hoe belangrijk het is dat het tot ons doordringt dat wij van Gods genade leven.
In onze belijdenis zeggen we dat onze zonden en ellende groot zijn. Wie naar de acta van Gereformeerde synodes kijkt, realiseert zich al snel dat die ellende er ook is bij mensen die hun Heer uiterst serieus willen dienen. Sterker nog: juist daar waar die ernst het grootst is, ziet de satan – Gods grootste tegenstander – met de regelmaat van de klok zijn kans schoon!

“En de kerken zijn in nood. Zij zijn in de ure der verzoeking gekomen en worden gezift als de tarwe. Zij worden verleid om de vrijheid, door God haar in de weg der vrijmaking geschonken, te misbruiken als een aanleiding voor het vlees. Velen komen in de ban van het doperse vrijheidsideaal. Zij willen vrij zijn van de knellende band van een kerkelijke organisatie, vrij van de geschreven confessies, vrij van elke dodende letter, om te leven uit de Geest”.
Aldus spreekt dominee Kok[2].
Het spreken van de predikant brengt ons in de eerste plaats bij Lucas 22: “Simon, Simon, zie, de satan heeft verlangd ulieden te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken. En gij, als gij eenmaal tot bekering gekomen zijt, versterk dan uw broederen”[3]. Ziften betekent: scheiden met behulp van een zeef. Geen wonder eigenlijk dat kinderen van God nogal eens het gevoel hebben dat hun leven door elkaar geschud wordt!
Jezus maakt duidelijk dat Hij voor Simon gebeden heeft. Die mededeling brengt ons, als het goed is, eens te meer tot het besef dat wij, hier op aarde, leiding en hulp van de Here nodig hebben. Zullen we daar steeds om blijven vragen?
Des predikants woorden bepalen ons in de tweede plaats ook bij Galaten 5: “Want gij zijt geroepen, broeders, om vrij te zijn; gebruikt echter die vrijheid niet als een aanleiding voor het vlees, maar dient elkander door de liefde”[4]. Een exegeet noteert bij dit Schriftgedeelte: “Die vrijheid kan een legitimering worden voor pure zelfzucht. Dan wordt precies het tegendeel bereikt van dat, wat het doel was van de heerschappij van het vlees. ‘Het vlees’ is de korte typering van het leven dat in zelfhandhaving zijn eigen weg wil bepalen. Daartegenover stelt Paulus, dat we alleen zicht krijgen op de ware vrijheid, als we het doel van Christus’ vrijkoping voor ogen houden: dat wij elkaar ‘in liefde’ dienen”[5].
Zelfhandhaving!
Eigenwilligheid!
Daar zijn ook goedwillende volgelingen van Christus heel snel aan toe!

De besluiten van de Generale Synode “hebben een vervolg nodig, een effect dat geen mens eraan verlenen kan: de zegen Gods. En dat wil zeggen, dat wij wel naar huis gaan, maar nog niet klaar zijn. Wij zullen samen met al de heiligen de Naam des Heren aanroepen. Wij zullen van Hem afsmeken als vrucht op onze moeizame arbeid, dat Hij ons lot wende als beken in het Zuiderland. Wij vragen een geweldig ding. De beken in het onherbergzame Zuiderland droogden in de hete zomermaanden uit. En het gevolg was, dat alles verschroeide door de zonnegloed. Voedsel werd niet meer gevonden en alle leven kwijnde weg. Maar wat een ommekeer als in de herfst de regen viel. Dan werden de beken vol. Ze kolkten van de waterweelde, en in een ommezien was het kale landschap omgetoverd als in een bloeiende tuin. Wat dood scheen werd vol van een nieuw en krachtig leven. Die ommekeer zullen we afbidden voor de kerken in nood, de kerken, die al de ellende doorleven van een bedreigd en kwijnend reformatorisch leven. En biddend om dit wonder van een nieuwe bloei zullen wij aanhaken bij de wonderen van ouds, bij de vele blijken van Gods verlossende genade”.
Zo sprak dominee Kok.
In de bovenstaande formuleringen herkent u wellicht Psalm 126:
“Here, wend ons lot
als beken in het Zuiderland”[6].
Onze levenskoers veranderen? Nee, daartoe zijn wij niet in staat. Daarom moet er worden gebeden: Here, wend ons lot.

Nee, wij leven niet meer in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw.
Maar het is wel eens goed om zo’n oude rede weer te lezen.
Dan realiseren wij ons bijvoorbeeld dat independentistische tendensen van alle tijden zijn. Altijd weer is er de zucht naar onafhankelijkheid. De zoektocht naar ongebondenheid. De zonde van de zelfhandhaving. De ijdelheid van de eigenwilligheid.

Het is, ook vandaag, een alleszins noodzakelijke bede: Here, houdt ons bij Uw Woord!

Noten:
[1] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van: “Synode van Hoogeveen gesloten”. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 27 februari 1970, p. 3. De sluitingsrede van de G.S. werd integraal in dat ND-artikel afgedrukt. Ook te vinden via www.delpher.nl .
[2] Dominee J. Kok leefde van 1920 tot 2005.
[3] Lucas 22:31 en 32.
[4] Galaten 5:13.
[5] Het citaat komt uit de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Galaten 5:13-15.
[6] Psalm 126:4.

26 augustus 2015

De liefde van De Liefde

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Kent u Jan de Liefde[1]? Hij leeft van 1814 tot 1869. Hij begint als doopsgezind predikant, maar wordt na een jaar of zes al ontslagen; dat is in 1845.
Hij sympathiseert een poosje met de baptisten.
In 1849 trekt hij naar Amsterdam.
Dominee De Liefde houdt er merkwaardige denkbeelden op na. Hij legt de nadruk op de doop met de Heilige Geest, en vindt de symbolische handeling van kinderdoop of volwassendoop niet zo van belang.
Dominee De Liefde heeft niets op met gezag. Of het nu zeggenschap van de staat is of het gezag van een kerkelijke organisatie, hij moet er niets van hebben. Gezag bouwt, zo vindt hij, het geloofsleven op geen enkele manier op. Het instituut van de hervormde kerk vermoordt meer zielen dan dat zij behoudt, oreert hij.
Als niet-kerkelijk gebonden evangelist werkt hij in de Amsterdamse Jordaan. Hij koopt er een paar huizen; die laat hij verbouwen tot een kerkzaal. In zijn eigen huis – ‘Bethanië’ genaamd – leidt hij evangelisten op. In 1855 richt De Liefde de vereniging ‘Tot heil des volks’ op. In de meest actieve jaren telt de vereniging veertien afdelingen. De organisatie ‘Tot heil des volks’ bestaat overigens nog steeds[2].
Dominee De Liefde krijgt grote geldzorgen. Zodoende moet De Liefde in 1862 noodgedwongen zijn kerkgebouw verkopen.
Uiteindelijk vertrekt hij naar Londen. Daar doet hij veel werk als publicist.
We kennen de predikant overigens ook van bekende liederen als ‘Daar gaat door alle landen’, ‘Van U zijn alle dingen’ en ‘Luid klokje klingelingeling’.

Vandaag haal ik deze man eens naar voren.
Jan de Liefde lijdt aan religieus individualisme.
Aan de kerk laat hij zich weinig gelegen liggen. Met de Heidelbergse Catechismus heeft hij niets: “Is het ons alleen om zaligheid, dat is om redding te doen: nu ja, dan kan reeds een enkele tekst den armen Jozef uit den dood in het leven overvoeren. Daartoe hebben wij, Gode zij dank! geen Catechismus met zijn 52 Zondagen en 129 antwoorden nodig”.
En:
“…neemt een pennemes, en snijdt den Catechismus van achter uwe Bijbels weg, en legt dat enkele Woord Gods in het midden, en heft dan uwe hand op naar den hemel en roept: Dit is het leerboek en geen ander voor ons en onze kinderen”[3].

Terecht noteert de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant dr. W.G. de Vries daar bij: “Dat de belijdenis onder Gods Woord staat en dat de belijdenis in bepaalde zinsneden of woordkeus niet volmaakt is, wordt door ieder gereformeerd mens erkend en beleden. Maar wie in een tijd van massale belijdenisaantasting steeds maar weer erop hamert dat de belijdenis toch ‘maar’ mensenwerk is en feilen vertoont, blijkt geen goed profeet te zijn en maakt de indruk aan deze tijdgeest toe te geven. Of wil men zich niet meer conformeren aan het unieke oordeel van àlle afgevaardigden ter Dordtse Synode 1619 — ook de buitenlandse — dat in de gereformeerde belijdenis niets gevonden wordt, wat met Gods Woord in strijd is”[4].

Men kan gerust zeggen dat dominee De Liefde zijn tijd ver vooruit is geweest.
Tegenwoordig zijn er massa’s mensen die wel in God geloven, maar de kerk het liefst laten voor wat die is.
Als het gaat over godsdienst en geloof, focust men enkel en alleen op zaken die in de buurt van de barmhartigheid liggen. Op goede hulpverlening bijvoorbeeld. Op zorgzaamheid en empathie. Met verklaringen, belijdenisgeschriften en dogma’s komt de kerk – naar men zegt – niet vooruit.

Een organisatie als ‘Tot heil des volks’ doet ongetwijfeld veel goed werk. Momenteel is de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant G.H. Hutten één der leden van de directie.

Maar de Amsterdamse organisatie gaat, voor zover ik weet, gemakshalve nog altijd voorbij aan het feit dat het Woord zegt dat de Verbondsgod zijn kinderen bijeen wil brengen.
Het is Jezus die in Mattheüs 23 zegt: “Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt niet gewild”[5].
Ook de hogepriester Kajafas wijst daar in Johannes 11 op. Ik citeer: “Maar één van hen, Kajafas, de hogepriester van dat jaar, zeide tot hen: Gij weet niets, en gij beseft niet, dat het in uw belang is, dat één mens sterft voor het volk en niet het gehele volk verloren gaat. Doch dit zeide hij niet uit zichzelf, maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij, dat Jezus zou sterven voor het volk, en niet alleen voor het volk, maar om ook de verstrooide kinderen Gods bijeen te vergaderen”[6]. Dat zegt Kajafas dus niet omdat hijzelf zo’n goed zicht op Gods werk heeft. Nee, de heilige God geeft hem Hoogstpersoonlijk een profetie in de mond!
Wij kunnen er niet omheen: de God van het verbond verzamelt Zijn kinderen. In de kerk!

Het hoeft geen betoog dat dominee De Liefde zijn luisteraars lief heeft gehad.
En ja, ook hedendaagse evangelisten doen hun verkondigend werk ongetwijfeld vol overtuiging.
En misschien komen daar goede dingen uit voort.
Ach, wellicht doen die verkondigers veel goed werk.
Maar zij lezen Gods Woord maar met een half oog.

De levensgeschiedenis van dominee De Liefde demonstreert waar religieus individualisme toe leiden kan.
Laten wij er, ook anno Domini 2015, onze lessen uit trekken!

Noten:
[1] In het onderstaande gebruik ik onder meer gegevens uit het Biografisch Lexicon voor de Geschiedenis van het Nederlands Protestantisme. Te vinden via http://www.biografischportaal.nl/ . Geraadpleegd op dinsdag 4 augustus 2015.
[2] Zie http://totheildesvolks.nl/ . Geraadpleegd op dinsdag 4 augustus 2015.
[3] Geciteerd via de rubriek ‘Persschouw’. In: Nederlands Dagblad, maandag 26 januari 1970, p. 2. Ook te vinden op www.delpher.nl .
[4] Aldus schreef W.G. de Vries in het blad Petah-Ja. Eertijds was dat het maandblad van de Bond van Mannenverenigingen op Gereformeerde grondslag. Het door dominee De Vries geschrevene werd overgenomen in het Nederlands Dagblad. Zie verder noot 3.
[5] Mattheüs 23:37.
[6] Johannes 11:49-52.

25 augustus 2015

Twee in Eén

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant Joh. Francke zei in een preek over Zondag 6 van de Heidelbergse Catechismus eens: “In beide antwoorden spreekt deze zondag van ‘moeten’. Hij moet echt mens zijn. En Hij moet tegelijk echt God zijn. Dat woordje ‘moeten’ heeft hier niets van doen met onze menselijke logica, met onze logische betoogtrant. Neen, het is genomen uit Gods Woord. God zelf heeft het zo gewild en zo beschikt, dat onze Middelaar is God en mens in één Persoon. Het woordje ‘moeten’ houdt dus verband met Gods heilsraad en met Zijn heilswonder tot onze verlossing. Naar Goddelijke orde kon onze verlossing niet tot stand komen dan door een middelaar, die echt mens en tegelijk echt God is.Voor die heilsraad en voor dat heilswonder vraagt Zondag 6 onze aandacht”[1].

In het bovenstaande citaat valt het woord ‘heilsraad’.
In dat begrip gaat het “om Jezus Christus als priesterkoning naar de orde van Melchizedek. Ook houdt de prediking in de boodschap van God, de schepper van hemel en aarde, waarop telkens teruggegrepen moet worden. Het evangelie leert de eenheid van de beide verbonden, de twee testamenten, aanvaarden. Deze prediking van het koninkrijk Gods spreekt niet over allerlei menselijke activiteiten en biedt geen program voor cultuur en ontwikkeling”[2].

Zondag 6 wijst ons op de Hogepriester. De Hogepriester van Hebreeën 7: “heilig, zonder schuld of smet, gescheiden van de zondaren en boven de hemelen verheven; die niet, gelijk de hogepriesters, van dag tot dag eerst offers voor zijn eigen zonden behoeft te brengen en daarna voor die van het volk, want dit laatste heeft Hij eens voor altijd gedaan, toen Hij Zichzelf ten offer bracht”[3].
Zondag 6 wijst ons impliciet op de Schepper: de Bedenker en Maker van hemel en aarde, en alles wat daar in is.
Zondag 6 wijst ons erop dat de uiteindelijke redding van de kosmos afhangt van de hemelse God.

Jezus voert de heilsraad van Zijn Vader uit.
Dat wil zeggen dat Hij de gelovigen in de kerk samenbrengt. Daarbij heeft Christus met Zijn tegenstander, de satan. Die satan doet er alles aan om dat kerkvergaderende werk tegen te houden en af te breken.
Maar één ding is zeker: dat satanische ijveren levert uiteindelijk niets op. Helemaal niets. Want Jezus Christus heeft de beslissende slag reeds gewonnen!

Jezus Christus: dat is God en mens in één Persoon.
Dat is feitelijk een ongelooflijk en volkomen onvoorstelbaar wonder!

In de Heilige Schrift lezen we over wonderlijke schepsels van God.
Er blijken allerlei combinaties mogelijk. De grenzen van het menselijk bestaan, het dierenrijk en het engelenlegioen worden door onze Here moeiteloos overschreden.
Graag wijs ik u eerst op Genesis 18: “En de Here verscheen aan hem bij de terebinten van Mamre, terwijl hij op het heetst van de dag in de ingang der tent zat. En hij sloeg zijn ogen op en zag, en zie, drie mannen stonden bij hem; toen hij hen zag, liep hij hun uit de ingang van zijn tent tegemoet, en boog zich ter aarde”[4].
In Ezechiël 1 wordt geschreven over over dieren die op mensen lijken. Het zijn, om zo te zeggen, beest-mensen. “En ik zag en zie, een stormwind kwam uit het noorden, een zware wolk met flikkerend vuur en omgeven door een glans; daarbinnen, midden in het vuur, was wat er uitzag als blinkend metaal. En in het midden daarvan was wat geleek op vier wezens; en dit was hun voorkomen: zij hadden de gedaante van een mens, ieder had vier aangezichten en ieder van hen vier vleugels..”[5].
In Ezechiël 3 lezen we weer over wezens. En ook over ratelende wielen. Ezechiël wordt door die wezens weggedragen. “Toen hief de Geest mij op, en ik hoorde achter mij het geluid van een geweldig gedruis – geprezen zij de heerlijkheid des Heren in zijn woonplaats –: het geruis van de vleugels der wezens, die elkander raakten, en het geratel der raderen daarnevens; het geluid van een geweldig gedruis. En de Geest hief mij op en nam mij weg, en ik ging heen, ontdaan door de beroering van mijn geest, met de hand des Heren zwaar op mij”[6].
In Openbaring 4 treffen wij dieren aan die het aanzicht van mensen en de vleugels van engelen hebben. “En voor de troon was als een glazen zee, kristal gelijk. En midden in de troon en rondom de troon waren vier dieren, vol ogen van voren en van achteren. En het eerste dier was een leeuw gelijk, en het tweede dier een rund gelijk, en het derde dier had een gelaat als van een mens, en het vierde dier was een vliegende arend gelijk. En de vier dieren hadden elk voor zich zes vleugels en waren rondom en van binnen vol ogen en zij hadden dag noch nacht rust…”[7].
In Openbaring 13 komen wij een beest tegen dat op een luipaard lijkt, maar vervolgens wel over de poten van een beer en de muil van een leeuw blijkt te beschikken. “En ik zag uit de zee een beest opkomen met tien horens en zeven koppen; en op zijn horens tien kronen en op zijn koppen namen van godslastering. En het beest, dat ik zag, was een luipaard gelijk, en zijn poten als van een beer en zijn muil als de muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn kracht en zijn troon en grote macht”[8].

Mensen blijven altijd binnen de grenzen die hun God in de schepping heeft gelegd. En als die grenzen door de Schepper van de hemel en de aarde overschreden worden zijn wij verbaasd. En we schrikken er ook een beetje van. Want waar gaat dat heen? En vooral: waar eindigt dat allemaal?

Maar in Zondag 6 gaat de God van het verbond nog een stap verder.
In die afdeling van de oude Heidelberger gaat het maar niet over een combinatie. En al helemaal niet over een fantasie-combinatie. Nee, het gaat werkelijk over twee in Eén: Christus is God en mens. Tegelijkertijd.
Mensen gaan logischerwijs zeggen: dit kan helemaal niet. Oftewel: dit is ten enenmale onmogelijk. En dus is het niet te geloven.
Maar hier is dat woord uit de eerste brief van Paulus aan de Corinthiërs van toepassing: “Toch spreken wij wijsheid bij hen, die daarvoor rijp zijn, een wijsheid echter niet van deze eeuw, noch van de beheersers dezer eeuw, wier macht teniet gaat, maar wat wij spreken, als een geheimenis, is de verborgen wijsheid Gods, die God reeds van eeuwigheid voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid. En geen van de beheersers dezer eeuw heeft van haar geweten, want indien zij van haar geweten hadden, zouden zij de Here der heerlijkheid niet gekruisigd hebben. Maar, gelijk geschreven staat: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben”[9].
Met andere woorden: in Zondag 6 worden wij vertrouwd gemaakt met een wijsheid die in onze wereld ongekend is.
Hier gaat het niet over de tijdelijke macht van een koning of van een president. Alles draait hier om Goddelijke wijsheid. Er is geen sprake van planning, maar van voorbeschikking: een plan dat ergens in de eeuwigheid van God ontworpen is. En vooral: hier zien wij Gods liefde, magistraal en schitterend!

Daar spreekt de hele Bijbel over. Om met Johannes 1 te spreken: “…de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen”[10].

Dominee Francke kwam in het begin van dit artikel aan het woord.
Hij sprak over de heilsraad.
In 2007 zei professor W. Balke, emeritushoogleraar Geschiedenis van het calvinisme, daar in een lezing voor studenten in Leiden het volgende over.
“Zaken als het pactum salutis, de Goddelijke heilsraad: het zijn vandaag voor vele theologen, predikanten en kerkgangers antiquiteiten geworden. Dat de liefde en genade van God rust in Zijn verkiezing, daar weet men niets mee te beginnen. Dat is ook niet verwonderlijk, want de predestinatie en het sola fide beide hebben geen aansluiting bij het humanisme, bij iets goeds dat in de mens te vinden zou zijn”[11][12].

Ik wil maar zeggen: wie Gods liefde en genade zien wil, kan in Zondag 6 terecht!

Noten:
[1] Dominee Joh. Francke leefde van 1908-1990.
Van de hier geciteerde preek maak ik ook in het onderstaande gebruik.
[2] Zie: “Zending drijven: opdracht in het kader van het herstel van Gods Koninkrijk”. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 18 oktober 1977, p. 2. Ook te vinden op www.delpher.nl .
[3] Hebreeën 7:26 en 27.
[4] Genesis 18:1 en 2.
[5] Ezechiël 1:4, 5 en 6.
[6] Ezechiel 3:12, 13 en 14.
[7] Openbaring 4:6, 7 en 8.
[8] Openbaring 13:1 en 2.
[9] 1 Corinthiërs 2:6-9.
[10] Johannes 1:17.
[11] Predestinatie betekent: voorbeschikking. Sola fide wil zeggen: door het geloof alleen.
[12] “Reformatie voluit actueel in deze tijd”. In: Reformatorisch Dagblad, woensdag 14 februari 2007, p. 2. Ook te vinden op www.digibron.nl .

24 augustus 2015

De mens is geen dier

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

“Wij zijn ook een dier. Maar wij zijn een dier wat geen winterslaap houdt”. Onlangs hoorde ik die uitspraak uit de mond van de emeritushoogleraar M. van Rossem, die een aandeel had in een televisiequiz[1].

Men kan natuurlijk zeggen dat heel wat mensen die mening zijn toegedaan. Geen wonder dus dat zulke mededelingen op de televisie worden verkondigd.

Maar het komt mij voor dat Gereformeerde mensen daar zonder terughoudendheid Gods Woord tegenover moeten stellen: “En God zeide: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen”[2].
In een wereld waarin over het ontstaan der aarde allerlei theorieën worden gedebiteerd, moet de kerk blijven belijden dat God de Schepper van hemel en aarde is!

Maar wie de Bijbel leest, kan zomaar denken dat de hoogleraar die hierboven aan het woord is, eigenlijk toch gelijk heeft.
Leest u maar even mee in Prediker 3: “Ik zeide bij mijzelf: Wat de mensenkinderen betreft, God wil hen schiften en laten zien, dat zij eigenlijk dieren zijn. Want het lot der mensenkinderen is gelijk het lot der dieren, ja, eenzelfde lot treft hen: gelijk dezen sterven, zo sterven genen, en allen hebben enerlei adem, waarbij de mens niets voor heeft boven de dieren; want alles is ijdelheid, alles gaat naar één plaats, alles is geworden uit stof, en alles keert weder tot stof. Wie bemerkt, dat de adem der mensenkinderen opstijgt naar boven en dat de adem der dieren neerdaalt naar beneden in de aarde?”[3].

Is de mens eigenlijk een dier?

Laten wij een ogenblik bezien waar Prediker in hoofdstuk 3 over spreekt[4].

In onze wereld hebben we te maken met repeterende processen en de eindigheid van de mens.
Voor elke gebeurtenis is een juiste tijd.
Maar in een eindeloos lijkende rij van voorvallen, wederwaardigheden en ontwikkelingen gebeurt er ten principale weinig nieuws.
Dat wil vervolgens echter niet zeggen dat de mens totaal willoos is. De mens is geen marionet van de Heer. Er wordt activiteit gevraagd. Bij het planten van bloemen en het uitrukken van onkruid, bij afbraak en bij opbouw, bij het scheuren en bij het dichtnaaien, bij de liefde, bij gevechten in de oorlog, en bij massa’s andere dingen.
Bij al die bezigheden vraagt de mens zich af wat de zin van al dat gedoe is. Waar doe ik ’t allemaal voor?
Altijd weer blijkt dat de mens een gebrek aan overzicht heeft. Dat irriteert die mens. Hij zou zo graag meer weten, meer zien, meer doen.
Wat is Gods bedoeling met het opleggen van die beperking? Hij wil de mens, dwars door de irritatie heen, laten zien dat God altijd overzicht houdt. De hemelse Heerser weet precies hoe de zaken gaan. De mens moet Zijn plaats kennen. Hij moet zich beslist niet inbeelden dat hij op enigerlei naast God kan komen te staan.
De mens moet ontzag hebben voor Zijn God!

Dat is des te meer van belang omdat op de aarde het onrecht heerst. Overal zit de zonde in. Altijd zie je als mens de knoeiboel terug.

Voor alles is een bestemde tijd. Overal is een goed moment voor bepaald.
Maar dat geldt ook voor het oordeel van God. Hij kent het precieze ogenblik waarop Hij recht gaat spreken.
In Prediker 3 staat het zo: “Voorts aanschouwde ik onder de zon de plaats des rechts: daar heerste het onrecht; en de plaats der gerechtigheid: daar heerste het onrecht. Ik zeide bij mijzelf: Over de rechtvaardige en de onrechtvaardige zal God gericht oefenen, want er is voor elke zaak en voor elk werk een bestemde tijd”[5].
In Prediker 3 komen wij dus de rechtszaal binnen.
Er vindt een schifting plaats. En de kernkwestie in die rechtszaal is: wie niet voor God is, is tegen Hem.

Op aarde gaat de mens dezelfde weg als het dier. Ze sterven allebei. En ze gaan allebei te Zijner tijd tot ontbinding over.
Het gaat gelijk op. Lijkt het. Het loopt op precies dezelfde wijze af. Lijkt het.
De uitspraak van de hoogleraar waarmee dit artikel begint is dus eigenlijk wel logisch.

Toch heeft de professor ongelijk.
Heel erg ongelijk.
Want er komt een moment dat er recht gesproken zal worden. In Openbaring 6 wordt er ook om gevraagd: “En toen Hij het vijfde zegel opende, zag ik onder het altaar de zielen van hen, die geslacht waren om het woord van God en om het getuigenis, dat zij hadden. En zij riepen met luider stem en zeiden: Tot hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet aan hen, die op de aarde wonen? En aan elk hunner werd een wit gewaad gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een korte tijd moesten rusten, totdat ook het getal vol zou zijn van hun mededienstknechten en hun broeders, die gedood zouden worden evenals zij”[6] .

En hoe loopt het in de rechtszaal af?
Dat kunnen wij in Openbaring 20 lezen. Ik citeer: “En ik zag een grote witte troon en Hem, die daarop gezeten was, voor wiens aangezicht de aarde en de hemel vluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden. En ik zag de doden, de groten en de kleinen, staande voor de troon, en er werden boeken geopend. En nog een ander boek werd geopend, het boek des levens; en de doden werden geoordeeld op grond van hetgeen in de boeken geschreven stond, naar hun werken. En de zee gaf de doden, die in haar waren, en de dood en het dodenrijk gaven de doden, die in hen waren, en zij werden geoordeeld, een ieder naar zijn werken. En de dood en het dodenrijk werden in de poel des vuurs geworpen. Dat is de tweede dood: de poel des vuurs. En wanneer iemand niet bevonden werd geschreven te zijn in het boek des levens, werd hij geworpen in de poel des vuurs”[7].

Professor Van Rossem is een nuchtere man.
Het is, menselijkerwijs gesproken, wel te begrijpen waarom hij zegt dat de mens een dier is. En ach, soms lijkt het gedrag van mensen sprekend op dat van een dier. De manier waarop mensen elkaar soms afslachten is – in de meest letterlijke zin! – mensonterend. Niet dan?
Trouwens, Asaf zegt in Psalm 73:
“…toen was ik een grote dwaas en zonder verstand,
ik was een redeloos dier bij U”[8].
Maar het zal te Zijner tijd voor iedere wereldburger volkomen helder worden: de mens is geen dier.

Professor Van Rossem heeft ongelijk.
Afschuwelijk ongelijk.

Noten:
[1] De uitspraak werd gedaan in het quizprogramma De slimste mens. De betreffende aflevering werd op donderdagavond 30 juli 2015 uitgezonden op NPO2. Meer informatie over hem is te vinden op https://nl.wikipedia.org/wiki/Maarten_van_Rossem .
[2] Genesis 1:26 en 27.
[3] Prediker 3:18-21.
[4] In het onderstaande gebruik ik de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Prediker 3.
[5] Prediker 3:16 en 17.
[6] Openbaring 6:9, 10 en 11.
[7] Openbaring 20:11-15.
[8] Psalm 73:22.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.