gereformeerd leven in nederland

30 november 2015

Jeremia en onze liturgie

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Stelt u zich voor dat een vrouw van haar man gaat scheiden[1].
Natuurlijk is dat iets dat God streng verboden heeft. Maar stel dat een vrouw in 2016 tegen haar man zegt: ik ga bij je weg. In 2017 komt zij bij haar ex-man terug. En weet u wat zij zegt? ‘Ik wil dat je nu weer mijn man wordt. Hoe het in 2018 gaat weet ik nog niet. Maar dat zien we dan wel weer’. Dat zegt zij.

Wat vindt u van zulke praatjes? Ongehoord natuurlijk! Zo werkt dat toch niet?
Ja, dat denkt u.
Maar in Israël werkte het blijkbaar wel zo. Israël had zich met allerlei goden bemoeid. Zeker, de Here was er ook nog. En wees gerust: de Israëlieten kwamen steeds weer bij Hem terug. Daar ging het niet om. Maar in de periodes dat ze bij God weg waren gebeurden er allerlei onoorbare dingen. Iedere keer als de Israëlieten terugkwamen hadden ze een tijd lang een heel innige relatie met God. Tenminste, zo leek het. Ze zeiden ‘Vader’ tegen Hem. Ze kenden Hem nog van vroeger, moet u weten. Vroeger waren ze nog jong en jeugdig. Maar ja, Israëlieten waren hele gewone mensen. En dus werden ze langzaam aan wat ouder. Wat volwassener. Wat zelfstandiger. Ze kenden Vader nog wel. Maar de wereld bleek heel groot. En heel interessant. Daarom maakte het Verbondsvolk graag nog wat uitstapjes.

Een verhaal als het bovenstaande staat ook in Gods Woord.
U komt het tegen in Jeremia 3. Ik citeer: “Het woord des HEREN kwam tot mij: Indien een man zijn vrouw verstoot en zij gaat van hem weg en wordt de vrouw van een andere man, zal hij dan nog tot haar terugkeren? Zal niet dat land ten zeerste ontwijd worden? Doch gij hebt ontucht gepleegd met vele minnaars – en dan tot Mij terugkeren? luidt het woord des HEREN. Hef uw ogen op naar de kale heuvels en zie, waar hebt gij u niet laten misbruiken? Aan de wegen hebt gij op hen zitten wachten als een Arabier in de woestijn, en gij hebt het land ontwijd door uw ontuchtigheden en uw boosheid. Zo zijn dan de regenstromen ingehouden en is de late regen niet gekomen; maar gij hebt een hoerenvoorhoofd, gij verkiest u niet te schamen. Noemt gij Mij niet van nu af: mijn Vader, de vertrouwde mijner jeugd zijt Gij! Zal Hij immer toornen, of voor altoos de wrok behouden? Zie, zo spreekt gij, maar gij doet het kwade en maakt u daarin sterk”[2].

De vergelijking van de Verbondsrelatie tussen God en Zijn volk met een huwelijk, die vinden we vaker in de Bijbel.
Ik wijs u op Jeremia 31: “Weder opbouwen zal Ik u, zodat gij gebouwd wordt, jonkvrouw Israëls[3]. En ook op Ezechiël 16, waar Israël gekarakteriseerd wordt: “Zo’n overspelige vrouw, die vreemden aanhaalt, terwijl zij gehuwd is!”[4].
Maar in Jeremia 2 en 3 is de zaak nogal wat ernstiger: daar is echt een echtscheidingsproces gaande. Het lijkt uit te lopen op verstoting van de trouweloze echtgenote. Emoties genoeg: tere gevoelens, maar ook cynisme. Spot, sarcasme en liefde: ze wisselen elkaar af.

In feite gaat het in Jeremia 3 over liturgie.
Alles draait om de dienst aan Hem. De omgang met de God van het verbond staat centraal. Het volk Israël is in volcontinudienst van de hemelse God. U zou het ‘volks-dienst’ kunnen noemen. En dat woord ‘volksdienst’ is ook de vertaling van het Griekse woord leitourgia. U herkent zonder moeite ons woord ‘liturgie’. Daarom: Jeremia spreekt in feite over liturgische zaken: dienst aan God in de meest brede zin van het woord.

Hoe ging het met de liturgie in Israël?
Wel, die Israëlieten hadden een brede blik. Ze hadden de deuren open gezet. Ze keken hier eens. En ze keken daar eens. Her en der pikten ze wat graantjes op. En het mag gezegd: ze voelden zich er uitstekend bij. Eigenlijk deden die Israëlieten hetzelfde als heel wat mensen in onze tijd: kerkelijk shoppen.

Een protestantse dominee bestudeerde de achtergrond van het Bijbelboek Jeremia.
Hij schreef ondermeer dit: “Jeremia wijst zijn volk erop dat verkiezing ook verplicht tot gehoorzaamheid aan Gods geboden, zowel de godsdienstige (geen afgoden dienen) als de zedelijke en maatschappelijke. Ongehoorzaamheid valt niet te compenseren met liturgie”[5].
Het lijkt me dat ik hier niet uitgebreid hoef te expliceren hoe actueel Jeremia’s profetie op dit punt is. Shoppen is reuze modern. Als u het hier niet kunt vinden gaat u gewoon daar eens kijken. Massa’s mensen willen graag een grotere inbreng in de liturgie. Het kerkbezoek neemt af, ook in de Gereformeerde gezindte; met name in de middagdienst hebben we daarmee van doen.
Kortom: laten we ons Jeremia’s waarschuwing maar aantrekken. En ik stem met die protestantse dominee in: ongehoorzaamheid valt niet te compenseren met liturgie!

We leven in een tijd waarin er heel veel valse schijn is.
Duizenden mensen merken op dat zij best wel godsdienstig zijn. En solidair ook. En sociaal. Maar echt geloof in de God van hemel en aarde, dat is er niet bij. Leven met de verwachting van Gods beloften: dat is terminologie van vroeger. Daar kun je vandaag niet meer mee aankomen, zo heet het.
Het moet ons opvallen dat Gods Woord ook voor die mensen relevant is.
Het Woord is zelfs belangrijk voor mensen die al dat gedoe rond kerk en geloof maar onzin vinden.
Want Jeremia spreekt het volk Israël aan, jazeker. Maar ook andere volken komen aan de beurt: Egyptenaren, Filistijnen, Moabieten, Ammonieten, Edomieten, Syriërs, Arabieren…: al die naties worden opgeroepen om te luisteren naar de God van Israël. Dat zien we in de hoofdstukken 46 tot en met 51 van dit Bijbelboek gebeuren.
De macht van God strekt zich uit tot aan de uitersten van de aarde!

In het begin van dit artikel schreef ik dat in Jeremia 3 een echtscheidingsproces gaande is. Het moet uitlopen op een definitieve scheuring. Dat kan haast niet anders.
En toch loopt het allemaal anders af.
Want opeens is daar een kentering: “Ga heen en roep deze woorden uit naar het Noorden en zeg: Keer weder, Afkerigheid, Israël, luidt het woord des HEREN, Ik zal u niet donker aanzien, want Ik ben genadig, luidt het woord des HEREN, Ik zal niet altoos blijven toornen”[6].

Hoe kan dat nou?
Dat is toch helemaal niet logisch?
Dat is alleen maar te verklaren als wij bedenken dat de Here de Verbondsgod is.
Daar hoort trouw bij.
En genade.
Op verdiensten van onszelf kunnen wij ons dus niet beroemen.
Laat ik nog eens de protestantse dominee citeren die hierboven ook al voorbij kwam: “God heeft Israël verkoren tot Zijn volk. Deze verkiezing heeft Hij bezegeld met een verbond: Ik ben uw God – gij zijt Mijn volk. In dit verbond zijn belofte (Ik ben uw God) en eis (gij zijt Mijn volk) dus onverbrekelijk verbonden”.

Binnen die eis heeft dan ook de erkenning van zonden een plek. De Here zegt het zelf: “Alleen, erken uw ongerechtigheid, dat gij van de HERE, uw God, zijt afgevallen en uw gangen gericht hebt naar de vreemden onder elke groene boom, en naar mijn stem niet hebt gehoord, luidt het woord des HEREN”[7].
Ook wij moeten elke dag weer bekennen dat wij ten principale geen haar beter zijn dan die Israëlieten uit Jeremia 3.
Maar we mogen, nu we op dit punt aangekomen zijn, ook wijzen op het werk van onze “trouwe Heiland Jezus Christus. Want Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald en mij uit alle macht van de duivel verlost”. Zo belijden we dat in de Heidelbergse Catechismus[8].
Die verbinding van Jeremia met onze Here Jezus Christus is niet gekunsteld. Op het eerste gezicht lijkt dat wellicht wel zo. Ik herinner u echter graag aan Mattheüs 16: “Toen Jezus in de omgeving van Caesarea Filippi gekomen was, vroeg Hij zijn discipelen en zeide: Wie zeggen de mensen, dat de Zoon des mensen is? En zij zeiden: Sommigen: Johannes de Doper; anderen: Elia; weer anderen: Jeremia, of één der profeten”[9]. Jeremia verwees in zijn tijd echt door naar Christus. En op diezelfde wijze moet ook de kerk op Christus wijzen. Zonder omwegen. Zonder lange verhalen.

In die liturgie – de liturgie van echte Godsdienst in heel het brede leven – geldt dat Woord dat Jezus Christus, het Hoofd van de kerk, tegen Petrus zei: “En Ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen. Ik zal u de sleutels geven van het Koninkrijk der hemelen, en wat gij op aarde binden zult, zal gebonden zijn in de hemelen, en wat gij op aarde ontbinden zult, zal ontbonden zijn in de hemelen”[10].

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op maandag 27 november 2006.
[2] Jeremia 3:1-5.
[3] Jeremia 31:4 a.
[4] Jeremia 16:32.
[5] Zie http://home.kpn.nl/a.kamermans/jeremia.htm . Geraadpleegd op maandag 9 november 2015.
[6] Jeremia 3:12.
[7] Jeremia 3:13.
[8] Heidelbergse Catechismus – Zondag 1, antwoord 1.
[9] Mattheüs 16:13 en 14.
[10] Mattheüs 16:18 en 19.

27 november 2015

Francis A. Schaeffer over het christendom

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Vandaag vraag ik gaarne uw aandacht voor Francis A. Schaeffer.
Deze Amerikaanse theoloog, filosoof en predikant leeft van 1912 tot 1984.
Het meest bekend wordt hij, naar het mij voorkomt, door de oprichting van de L’Abri-gemeenschap in Zwitserland; dat was in 1955. Het Franse woord l’abri betekent: schuilplaats. Het is inmiddels een grote organisatie die actief is in verschillende werelddelen: Europa, Azië en de Verenigde Staten. L’Abri beheert studiecentra, waar geïnteresseerden enige tijd kunnen verblijven om antwoorden te zoeken op vragen over God en Bijbel, en de betekenis van het menselijk leven. Men organiseert themaweekenden, lezingen en filmavonden. De Nederlandse afdeling van l’Abri heeft zetels in het Gelderse dorp Eck en Wiel en in Utrecht[1].
Dr. Schaeffer schrijft tweeëntwintig boeken[2].
Eén van die boeken staat vandaag in de belangstelling. Het is het boek ‘De God die leeft: Bijbels christendom in de twintigste eeuw’[3].

In het Nederlands Dagblad van vrijdag 20 november 1970 staat een bespreking van deze publicatie[4].
Die recensent heeft als initialen ‘J.J.A.’. Zeer waarschijnlijk is dat de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant J.J. Arnold[5].

De recensent heeft veel goede woorden voor de publicatie over.
Hij schrijft:
“Het boeiende en bewogen werk is geschreven ‘om de belangrijkheid van het bijbelse christendom in deze tijd aan te tonen. Het is bedoeld als een uiteenzetting van het faillissement van de moderne theologie en het wereldse existentiële denken, maar geeft tevens een redelijke en gefundeerde hoop op iets dat de mens weer tot mens zal maken’”.
En verder:
“Aan de ene kant heeft dit werk van dr. Schaeffer iets indrukwekkends. Het is vol van diepe ernst. Hij wil laten zien ‘de lijn van de wanhoop’, de verschrikking van het existentialisme en ’t modernisme. Hij legt daarbij verbanden bloot, welke velen helaas niet (willen) zien. Het verband tussen de hedendaagse on- en anti-schriftuurlijke filosofieën en de kunst, de muziek, de algemene cultuur en de theologie. Hij laat daarbij zien de verwoestende en in onzekerheid jagende rol van de kunst, de destructieve rol van de algemene cultuur (…, muziek, literatuur, toneel, film, enz.) en de invloed van film en dusgenaamde goede televisieprogramma’s ook op de massa die nooit in een museum komt en van de verschuivingen binnen het moderne denken niets begrijpt”.
De recensent merkt terecht op:
“Dr. Schaeffer heeft in ieder geval de dienst bewezen anderen wakker te schudden, al is het zo, dat zijn werk geen lichte kost en in het bijzonder voor (jonge) intellectuelen bestemd is, gelijk eveneens veel jonge intellectuelen onder de bekoring zijn gekomen van schrijven, spreken en leven van de auteur. Hier is immers een auteur aan het woord, die maar niet wat schrijft, maar die wat dóet als hij schrijft en die doet ook overeenkomstig hetgeen hij schrijft”.

Dat klinkt heel goed.
Hier is een scribent aan het werk die wat te vertellen heeft.
Schaeffer pakt de zaak degelijk aan.

Maar er is meer.

“Is dit echter de ene kant van de zaak. Er is ook een andere kant. De schrijver wil vooral ‘rationeel’ het christendom en ‘de christelijke visie’ (…) aannemelijk maken voor de niet-christen, alsook de twijfelaar ‘rationeel’ van dit ‘christendom’ (soms afgewisseld met ‘bijbels christendom’ of ‘historisch christendom’) en deze ‘visie’ overtuigen. Juist door dit christendom en deze dusgenaamde visie tegenover allerlei ideologieën en andere visies te stellen is hij bijzonder zwak. Wat is immers het ‘christendom’ of ‘de christelijke idee van de ziel’ (…)? En is visie tegenover visie te stellen?”.

Graag accentueer ik die term christelijke visie.
Daar spreekt men ook vandaag de dag nogal eens over.
Men denkt na over het antwoord op de vraag hoe in de christelijke visie geloof en wetenschap zich tot elkaar verhouden.
Men ontwikkelt een christelijke visie op het menselijk lijden.
Er moet, zeggen sommigen, een christelijke visie op duurzaamheid komen.
Ja, men heeft het geweldig druk met die christelijke visie.

Maar ontwikkelen we in de kerk visies?
Goed, we kunnen zeggen dat we een weloverwogen mening hebben, op basis van Gods Woord.
We kunnen zeggen dat we, door het lezen van Gods Woord, een bepaalde kijk op het leven krijgen.
Maar nee, in de kerk wordt ons – naar ik meen – geen visie opgedrongen.
In de kerk wordt ons verkondigd hoe het leven totaal vernieuwd wordt door het verlossingswerk van Jezus Christus.
In de kerk veranderen we niet van mening.
In de kerk krijgen we op zondag niet een paar lesjes maatschappijleer, of onderwijs over goed Nederlands burgerschap.
Nee, in de kerk horen we geen logisch verhaal.
In de kerk horen we van ellende, verlossing en dankbaarheid. In de kerk horen we van Gods genade en barmhartigheid. Die zijn, op de keper beschouwd, nooit helemaal verstandelijk te verklaren.

Francis Schaeffer wil alles logisch uitleggen.
Hij zet visie tegenover visie.
Maar zo werkt dat niet, in de vergadering van ware gelovigen.
Ook vandaag niet, ook al willen sommigen ons dat wel doen geloven.

De recensent legt daar gelukkig de vinger bij.

“En hoewel de schrijver het rationele wil afgrenzen tegen het rationalisme (…) en zich ermee tegen het irrationalisme en ‘de sprong in het geloof’ (…) wil stellen, komt hij er toch toe meer op de wijze van de vroegere apologeten dan naar de schriften tewerk te gaan: ‘De christelijke apologiek moet in staat zijn op intellectueel niveau aan te tonen (!) dat het christendom van de werkelijke waarheid spreekt’ (…). Hij komt in deze weg zelfs tot een bepaalde soort van bewijzen, ‘dat de God die leeft bestaat’ al gebeurt dat niet alleen op een intellectuele manier (…) en dat ‘er ’n God is die persoonlijk is en Drieënig, die al het andere schiep’, en komt concluderend uit Gods persoonlijkheid tot de persoonlijkheid van de mens (…); welke conclusies z.i. volgen uit de schepping van de mens naar Gods beeld”.

U begrijpt het nu wel: Francis Schaeffer heeft de zaak rationeel op een rijtje, maar vliegt vervolgens toch uit de bocht.

Wie geloof en kerk rationeel verklaren wil, weet zeker dat hij zich binnen de kortste keren buiten de kaders van Schrift en belijdenis bevindt.
Dat zien we dus ook bij Francis Schaeffer gebeuren.
De recensent noteert: “Hij [Schaeffer dus, BdR] spreekt over de kerk niet overeenkomstig de Schriften (Johannes 10, 1 Timotheüs 3, e.a.) en de belijdenis (artikel 29), maar vervalt in subjectivisme (…); noemt alles kerk; heeft het over de (!) Westerse kerk en stelt dat zij, die in l’Abri werkzaam zijn de beginselen van de kerk in praktijk hebben gebracht, waarbij l’Abri feitelijk plaatsvervangend kerk is geworden (…). Wat de kerk is; dat deformatie, verlating van de reformatie, Evangelieverduistering, confessieverachting, tuchteloosheid zulk een katastrófale invloed hebben gehad valt (…) buiten het gezichtsveld van de schrijver. De toorn van God over Zijn volk komt niet ter sprake. Hangt dit samen met de titel van het boek, welke titel antithetisch wel verklaarbaar maar niet recht schriftuurlijk is? De Bondsgod wordt niet genoemd. Het verbond evenmin”.

De recensent wijst op de manier waarop Francis Schaeffer het woord ‘antithese’ gebruikt.
“De schrijver hanteert daarbij wel een filosofisch antithesebegrip (als iets waar is, is het tegendeel niet waar), maar de door God gestelde antithese komt niet aan bod, ja verdwijnt uit het gezicht. Het hangt eveneens samen met het feit, dat hij de geestelijke strijd niet recht tekent; dat hij (…) niet weet te spreken van de wereldomvattende strategie van de vorst der duisternis en de geestelijke boosheden in de hemelse gewesten”.

Francis Schaeffer is een begaafd theoloog geweest, die veel goeds heeft gedaan.
Hij bezat ook een gedrevenheid die in de Gereformeerde wereld soms node wordt gemist.
De ND-scribent formuleert dan ook: “Het is onaangenaam tegen een dergelijk boek van zulk een auteur doorslaggevende bezwaren te moeten inbrengen. Het zou trouweloos zijn dit niet te doen. Overigens is ons wel geboden na het lezen van ‘De God Die Leeft’ ons af te vragen: wordt bij ons soms niet gemist wat dr. Francis A. Schaeffer in zijn spreken en handelen wèl heeft?”.

Nu ga ik graag nog even naar 2015.
We hebben in de afgelopen jaren gezien hoe de Gereformeerde wereld overspoeld werd met Amerikaanse godsdienstige lectuur.
In al die boeken zat vaak wel wat goeds. Maar op beslissende punten werd in die lectuur gezwegen. Bijvoorbeeld
* als het over de door de God van hemel en aarde gestelde antithese moest gaan
* als over de kerk moest worden geschreven
* als het verbond in beeld moest komen.
Als ik mij niet vergis heeft die overvloed van Amerikaanse lectuur de Gereformeerden in Nederland niet echt vooruit geholpen.
En dat, geachte lezer, is ten diepste een droevige constatering.

Hier geldt dat bekende woord uit Mattheüs 26: “Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak”[6].

Het is echter een groot geluk dat in ons leven altijd het lichtpunt van Gods trouwe zorg zichtbaar kan blijven!
Het is enkel en alleen aan die zorg te danken dat we in de kerk – ja, met lidwoord – kunnen blijven zingen:
“Mijn voeten bleven in uw spoor
en nimmer wankelden mijn schreden.
Ik roep U aan in mijn gebeden,
want Gij, o God, geeft mij gehoor.
Maak wonderbaar uw gunstbewijzen,
hoor hen die Gij voor tegenstand
doet schuilen bij uw rechterhand
en U als hun verlosser prijzen”[7].

Noten:
[1] Zie http://www.labri.org/ en http://www.labri.nl/wp/ . Geraadpleegd op vrijdag 6 november 2015.
[2] Zie voor meer informatie over Schaeffer https://nl.wikipedia.org/wiki/Francis_Schaeffer . Geraadpleegd op donderdag 5 november 2015.
[3] De gegevens van dit boek zijn: Francis A. Schaeffer, “De God die leeft: Bijbels christendom in de twintigste eeuw”. – Amsterdam: Buyten & Schipperheyn, 1970. – 199 p.
[4] “De God, die leeft” – boekbespreking. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 20 november 1970, p. 5. Ook te vinden op www.delpher.nl .
[5] Dominee Arnold leefde van 1916 tot 2008.
[6] Mattheüs 26:41.
[7] Psalm 17:3 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

26 november 2015

Passend bij de herfst?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Men zou kunnen opmerken dat het Bijbelboek Jeremia goed past bij het jaargetijde waarin dit artikel geschreven wordt[1].
We lezen over een kind dat voorbestemd is om priester te worden. Ik las ergens dat Jeremia waarschijnlijk een jaar of 13 is geweest toen hij door de Here geroepen werd. Uitgerekend die puber wordt door de Here uitgekozen om Zijn profeet te worden.
Wij vragen ons misschien wel af: kon de Here niet een meer ervaren figuur uitkiezen? Zo’n vraag blijft echter onbeantwoord. Wat we wel weten is dat Jeremia profeteerde in de periode vóór de ballingschap. Dat was een donkere periode.
Namens de Here uitte Jeremia felle kritiek op de politiek-religieuze verhoudingen in zijn tijd. Zijn luisteraars waren er allerminst blij mee.
Ook Jeremia zelf was niet blij. Hoofdstukken lang horen we over zijn worstelingen met God. We lezen over zijn vragen en zijn persoonlijke problemen.
Wij lijken er niet omheen te kunnen: als het al niet herfstig is, dan wordt het dat wel.

Toch lijkt het me goed om de persoon van Jeremia eens naar voren te halen.

Er wordt opvallend weinig over het Bijbelboek Jeremia gepreekt.
En dat terwijl we het dus over iemand hebben die al als kind door God geroepen is. Wij hebben het druk met onze jeugd, maar niet met Jeremia. We zijn heel erg bezig met het antwoord op de vraag hoe we zelf in elkaar zitten, maar niet met Jeremia; terwijl juist in dát Bijbelboek uitgebreid aandacht is voor mentale aangelegenheden. We hebben het druk met onze eigen keuzes, maar niet met Jeremia.

Jeremia leefde van circa 645 tot 587 voor Christus. Dat is dus zo’n 2600 jaar geleden. Ouder dan een jaar of 60 is Jeremia niet geworden[2].
Maar ook toen reeds voerde de Here Zijn werkplan uit. Als er in Jeremia 1 iets duidelijk wordt, dan is het dat wel.
“Het woord des HEREN nu kwam tot mij: Eer Ik u vormde in de moederschoot, heb Ik u gekend, en eer gij voortkwaamt uit de baarmoeder, heb Ik u geheiligd; tot een profeet voor de volkeren heb Ik u gesteld. Doch ik zeide: Ach, Here HERE, zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong. De HERE echter zeide tot mij: Zeg niet, ik ben jong, want tot een ieder, tot wie Ik u zend, zult gij gaan, en alles wat Ik u gebied, zult gij spreken. Vrees niet voor hen, want Ik ben met u om u te bevrijden, luidt het woord des HEREN”[3].
We hebben hier dus te maken met Gods keuze.
En onze Here doet niet aan leeftijdsdiscriminatie. De jeugd telt helemaal mee. We kunnen het ons allemaal realiseren: we moeten het niet te druk hebben met onze persoonsstructuur. Of met onze keuzes. Of met onze ergernisjes. Of met onze wanhoop. Want alles draait om Gods werkplan!

Dat moest Jeremia in latere jaren goed voor ogen houden.
Want zijn boodschap was niet populair. Priesters, profeten en ook heel veel anderen riepen: weg met die onheilsprofeet!
En Jeremia zelf wist heel best hoe er over hem gepraat werd: “Want ik heb gehoord het gemompel van velen – schrik van rondom! –: Brengt iets aan, opdat wij hem aanbrengen. Alle lieden met wie ik bevriend ben, loeren op mijn val: wellicht zal hij zich laten verlokken, zodat wij hem overmogen en wraak op hem kunnen nemen”[4]. Tegenwoordig zouden wij zeggen: met al zijn gelamenteer en geklaag is Jeremia’s boodschap niet al te best voor het moreel van het land. En we zouden de zaak waarschijnlijk psychologisch duiden. We zouden zoiets zeggen als: ‘Met zulke harde woorden stoot je de mensen af. Breng het eens wat positiever. Dan landt je boodschap ook veel beter!’.
In Jeremia 26 dacht het volk zelfs aan rigoureuze maatregelen: “Sterven moet gij; waarom hebt gij in de naam des HEREN geprofeteerd: Gelijk Silo zal dit huis worden, en deze stad zal verwoest worden, zodat er niemand woont!”[5].

Het lijkt mij dat het ook ons goed voor ogen moet staan: de Here psychologiseert niet. De Here zegt niet: ik zou u allen vriendelijk willen verzoeken om de zaken eens wat anders aan te pakken. De Verbondsgod is geen supervisor. En ook geen senior-adviseur. De Here zegt ons helder en duidelijk wat ons te doen staat.

Graag blader ik nu weer terug naar Jeremia 1.
Zo rond zijn dertiende wordt Jeremia een profeet voor de volken. “Zie, Ik leg mijn woorden in uw mond; merk op, Ik stel u heden over de volken en de koninkrijken om uit te rukken en af te breken, om te verdelgen en te verwoesten, om te bouwen en te planten”[6]. In een dergelijk geval moet je wel een beetje verstand hebben van volkenrecht, zeggen wij dan. En van staatsrecht.
Maar het is niet waar.
Want wat lees ik in Mattheüs 28? “Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld”[7]. Dat zegt Jezus Christus tegen Zijn discipelen. Hij zegt het dus tegen de kerk. Hij zegt het onder anderen tegen ons. Eigenlijk worden we allemaal geroepen. We zijn allemaal profeten voor de volken!

Jeremia hoeft niet zelf te bedenken wat hij zeggen moet.
God raakt Zijn mond aan. Het Woord van God wordt in Jeremia’s mond gelegd. Er staat immers: “Zie, Ik leg mijn woorden in uw mond”.
Dat zegt de Here vandaag ook nog tegen Zijn kinderen.

Het omslagpunt ligt in Joël 2 en Handelingen 2.
Na de uitstorting van Gods Geest zegt Petrus in zijn preek onder meer: “…dit is het, waarvan gesproken is door de profeet Joël: En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouderen zullen dromen dromen: ja, zelfs op mijn dienstknechten en mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren”[8].
Trouwens, in Romeinen 10 lezen we ook: “Zeg niet in uw hart: Wie zal ten hemel opklimmen? namelijk om Christus te doen afdalen; of: Wie zal in de afgrond nederdalen? namelijk om Christus uit de doden te doen opkomen. Maar wat zegt zij? Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het woord des geloofs, dat wij prediken. Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden”[9].

Zó staan de zaken. Ook in 2015.

Volgens mij is het Bijbelboek Jeremia reuze actueel.
Wij krijgen weer scherp in beeld dat God Zijn werkplan uitvoert. Dat doet hij met jongeren en met ouderen. Wij zoeken tegenwoordig graag naar inzicht en overzicht. We willen zelf graag evenwichtig leven. We zijn, om zo te zeggen, driftig op zoek naar de juiste balans.
In een tijd dat er, ook in de kerk, veel gepsychologiseerd wordt kan Jeremia ons wakker houden.

Jeremia heeft het heel moeilijk gehad.
Hij vervloekte zelfs zijn geboortedag.
En de God van het verbond heeft dat dieptepunt niet verdonkeremaand. “Vervloekt zij de dag waarop ik geboren ben; de dag waarop mijn moeder mij baarde, zij niet gezegend”. Wij kunnen het allemaal in Jeremia 20 lezen[10].

Onze Heiland heeft het in de hof van Gethsemané ook erg moeilijk gehad. “Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe”[11]. Ja, dat zei Hij.
Maar Hij vervloekte Zijn geboortedag niet.
Hij zei iets heel anders. En Hij deed ook iets anders.
En de God van het verbond heeft dat dieptepunt niet verdonkeremaand. Hij toonde hoe het dieptepunt een hoogtepunt werd.
Wij kunnen het allemaal in Mattheüs 26 lezen. “Wederom, ten tweeden male, ging Hij heen en bad, zeggende: Mijn Vader, indien deze beker niet kan voorbijgaan, tenzij dan dat Ik die drinke, uw wil geschiede! En toen Hij terugkwam, vond Hij hen slapende, want hun ogen waren bezwaard. En Hij liet hen daar en ging wederom heen en bad ten derden male, opnieuw dezelfde woorden sprekende. Toen kwam Hij bij de discipelen en zeide tot hen: Slaapt nu maar en rust. Zie, de ure is nabijgekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van zondaren. Staat op, laten wij gaan. Zie, die Mij overlevert, is nabij”[12].

Laten we, bij nader inzien, Jeremia maar niet beschouwen als een profeet die past bij de herfst. Hij wandelde op Gods weg. Het was een kwestie van vallen en opstaan, maar hij deed het wel.
En nu weten wij ook weer wat ons te doen staat.
Wij moeten Christus volgen. Dat is alles.
Dan kunnen wij met Jeremia 31 blijven belijden: “Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de HERE: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord des HEREN, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken”[13]!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op dinsdag 14 november 2006.
[2] Hier, en in het voorgaande, maak ik onder meer gebruik van http://www.statenvertaling.net/bijbel/jeremia.html .
[3] Jeremia 1:4-8.
[4] Jeremia 20:10.
[5] Jeremia 26:9.
[6] Jeremia 1:9 en 10.
[7] Mattheüs 28:19 en 20.
[8] Handelingen 2:16, 17 en 18.
[9] Romeinen 10:6-9.
[10] Jeremia 20:14.
[11] Mattheüs 26:38.
[12] Mattheüs 26:42-46.
[13] Jeremia 31:33 en 34.

25 november 2015

Ongrijpbaar en verheven

Jezus is ongrijpbaar. Hij trekt Zijn eigen plan. Hij maakt uit wat wanneer gebeurt. Uit Johannes 7 blijkt dat wel heel duidelijk[1].

De menigte heeft geen greep op Hem. De Jeruzalemmers ook niet. De Joodse leiders kunnen Hem niet pakken. En hun dienaren vissen ook achter het net.
Is het, menselijk bekeken, niet heel begrijpelijk dat de Joodse leiders het allemaal reuze irritant vinden? “De dienaars dan gingen naar de overpriesters en Farizeeën en die zeiden tot hen: Waarom hebt gij Hem niet medegebracht?”[2].

Het antwoord van het kerkpersoneel klinkt wat onbeholpen.
“De dienaars nu antwoordden hun: nooit heeft een mens zó gesproken, als deze mens spreekt!”[3].
Deze Man straalt autoriteit uit! Stel je voor dat koning Willem-Alexander gearresteerd zou worden! Dat doe je toch niet? Zo voelt dit ook. Een arrestatie zou een volkomen misplaatste actie wezen.

De kerkleiders van Johannes 7 worden cynisch. Is het complete kerkpersoneel plotseling bekeerd?
“Zijt gij soms ook verleid? Heeft soms één van de oversten in Hem geloofd, of van de Farizeeën? Maar die schare, die de wet niet kent, vervloekt zijn zij!”[4].
Het kerkpersoneel is opeens waardeloos.
En het kerkvolk deugt ook nergens meer voor.

Nicodemus verschuilt zich achter kerkelijke wetten. En impliciet zet hij zijn collega’s op hun nummer: “Veroordeelt onze wet dan een mens, tenzij men zich eerst van hem op de hoogte gesteld heeft en kennis genomen van wat hij doet?”[5].
De Farizeeën worden narrig: ”Zijt gij soms ook uit Galilea? Ga maar na en zie, dat uit Galilea geen profeet opstaat”[6].
Ach, Galilea is een beetje achtergebleven gebied.

Jezus is ongrijpbaar.
Vandaag geldt dat in zekere zin nog.
Heel wat mensen noemen Zijn naam. Ze kennen Hem uit de Bijbel. Hij is – om het zo maar te zeggen – een buitengewoon intrigerend cultuurverschijnsel, en op z’n best een goed voorbeeld voor velen.
Maar ook voor gelovige mensen is Jezus Christus in zekere zin ongrijpbaar. Niet te vatten en onaantastbaar.
Kent u nog dat verhaal over Jezus die aan het meer van Tiberias verschijnt? Een paar discipelen hebben de hele nacht gevist en niets gevangen. Opeens staat Jezus aan de oever van het meer. Als ze een ‘dienstorder’ van Hem uitvoeren, zit het net binnen de kortste keren echter vol met – welgeteld – honderddrieënvijftig vissen. Op het strand gebruiken de vissers en Jezus samen een ontbijt met vis. En daar staat dan bij: “Niemand van de discipelen durfde Hem de vraag stellen: Wie zijt Gij? Want zij wisten, dat het de Here was”[7]. De discipelen herkennen Hem niet, maar ergens weten ze: dit moet de Here wezen.
Jezus staat boven de partijen. Hij is ver boven mensen verheven!

Niemand heeft echt greep op Hem.
De scharen in Johannes’ tijd niet.
De kerkbestuurders van die tijd niet.
De literair geschoolden van 2015 niet.
En ook moderne Gereformeerden niet.
Dat is lastig. Want als je Jezus lichamelijk niet ziet, is er niets om je aan vast te houden. U en ik kunnen Jezus niet vastpakken, en zeggen: ‘loop met me mee’.
Het komt aan op geloof.

Dat geloof moet ook vandaag aan de orde van de dag wezen.
En let u er maar eens op: als dat geloof verdwijnt, gaan ouderlingen, predikanten en andere werkers in de kerk niet zelden reuze neerbuigend doen.
Men gaat – zoals dat dan mooi heet – de verschillen een goede plek geven. Ach – de mensen zijn nog niet zover, zegt men dan.

Wilt u daar een voorbeeld van? Hier komt er één.
In de zomer van 2015 werd veel geschreven over het feit dat de Free Reformed Churches of Australia besloten hebben de zusterkerkrelatie met de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) een andere, aanzienlijk minder hartelijke, vorm te geven. De zusterkerkrelatie wordt, kort samenvattend, schier onhoudbaar als de GKv op de Generale Synode van 2017 geen duidelijke bewijzen van bekering levert.
Een scribent noteerde in verband daarmee: “Als men de geboden van Gods Woord vooral bindt aan de tijd en cultuur van de bijbelschrijvers en als men de Belijdenis vooral bindt aan de tijd en cultuur van de Middeleeuwen, dan is het niet onlogisch als de GKv ook de normen en waarden van haar buitenlandse zusterkerken bindt aan de tijd en cultuur waarin zij leven. Zo zullen zij de verschillen een plaats geven, er verdrietig over zijn dat de buitenlandse kerken de Nederlandse situatie niet (kunnen) begrijpen en er vervolgens in berusten. Men zal denken dat de buitenlandse kerken over een x aantal jaren dezelfde ontwikkelingen zullen meemaken. Maar omdat de buitenlandse kerken zich dat niet kunnen indenken, heeft het weinig zin om dit ook zo uit te spreken en kan het arrogant overkomen.
De kans dat de GKv zich metterdaad zullen bekeren is uitermate klein”[8].
Voelt u de sfeer?
De schare die de wet niet kent moet wellicht wat bijscholing hebben…
Ooit komt er een moment dat de mensen het wel zullen snappen…
Er komt een tijd dat al die orthodoxe gelovigen weer bij zinnen zullen komen…
Je moet het goedwillend gepeupel wat tijd geven…
Herkent u de denklijn?

De kerk?
Dat is voor massa’s mensen achtergebleven gebied.
Het is, zo menen velen diep in hun hart, het terrein van mensen die er een merkwaardig ideaalbeeld van de wereld in heden en toekomst op na houden.
En inderdaad, wat Jezus in Johannes 7 proclameert is, voor de oppervlakkige luisteraar, ongelooflijk: “Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke! Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien”[9].
Ware gelovigen zullen een overvloed van Geestelijke zegen ontvangen. Zulke gelovigen worden even zovele fonteinen waarmee vele andere mensen gezegend kunnen worden[10].

Laat dan de kerk zogenaamd achtergebleven gebied zijn, er gebeuren wel wonderen!

Noten:
[1] Vandaag, woensdag 25 november 2015, vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Op die bijeenkomst zal Johannes 7 centraal staan. Het schrijven van dit artikel is een deel van mijn voorbereiding op die vergadering.
[2] Johannes 7:45.
[3] Johannes 7:46.
[4] Johannes 7:47, 48, 49.
[5] Johannes 7:51.
[6] Johannes 7:52.
[7] Johannes 21:12.
[8] De scribent is Johan Trip. Zie http://werkenaaneenheid.nl/index.php?option=com_content&view=article&id=1337:wat-heeft-de-australische-synode-precies-besloten-over-schorsing-van-zusterkerkrelatie-met-gkv&catid=94:uit-de-media&Itemid=690 .Geraadpleegd op woensdag 4 november 2015.
[9] Johannes 7:37 en 38.
[10] Zie hierover ook de internetversie van de Studiebijbel; commentaar bij Johannes 7:38.

24 november 2015

Juist Hij

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

U kent ongetwijfeld de tekst van Zondag 19 van de Heidelbergse Catechismus.
“Christus is opgevaren naar de hemel om Zich daar te bewijzen als het Hoofd van zijn christelijke kerk, door wie de Vader alle dingen regeert”[1].
En:
Hij “beschermt en bewaart ons met zijn macht tegen alle vijanden”[2].
En:
Ik verwacht “juist Hem als Rechter uit de hemel (…), die Zich eerst om mij voor Gods rechterstoel gesteld en heel de vloek van mij weggenomen heeft”.
En:
Hij zal “mij met alle uitverkorenen tot Zich nemen in de hemelse blijdschap en heerlijkheid”[3].
Wij verwachten juist Hem.

Het is opvallend dat er niet gewoon staat: wij verwachten Hem als Rechter.
Nee, wij lezen: wij verwachten juist Hem.

Heel wat mensen maken van de sterrenkunde hun hobby. Wat valt er aan de hemel veel te zien!
Sommige van die mensen hopen wellicht dat ze iets van buitenaards leven ontwaren. Dat zou pas een sensatie wezen!
Welnu, Gereformeerde mensen wachten altijd op Jezus Christus.
We wachten, bijvoorbeeld, niet op engelen. Zeker, engelen zijn allen lid van het Goddelijk paleispersoneel. Het zou misschien heerlijk wezen om eens een paar van die Goddelijke dienstknechten te zien. Maar nee, uiteindelijk gaat het ons niet om hen.
We wachten, bijvoorbeeld, niet op onze geliefden. Ach, wat zouden we hen nog graag eens zien! We zouden zo graag weten hoe het hen nu vergaat! Maar nee, dat is toch niet het belangrijkste.
Nee – wij wachten op onze Heiland.
Als Hij komt, zien we de Man die ons gered heeft.
Als Hij komt, zien we de Man die vergeving voor ons bewerkt heeft.
Als Hij komt, zien we de Man die ons verlost heeft.
Als Hij komt, zien we de Man die het leven structureel verandert.
Als Hij komt, zien we de Man die ons een eeuwige toekomst geeft.
We wachten op Hem!

Kent u Timotheüs?
Hij wordt door Paulus naar de christenen in Corinthe gestuurd.
Paulus meent dat hij ten opzichte van de mensen in Corinthe een vaderlijke verantwoordelijkheid heeft: “Want al hadt gij duizenden opvoeders in Christus, gij hebt niet vele vaders. Immers, ik heb u in Christus Jezus door het evangelie verwekt”[4].
Paidagogous staat er. Paulus stelt vast: ook al hebt u duizenden pedagogen – slaven die belast zijn met de opvoeding en soms met het onderwijs van de kinderen uit de rijkere families –, toch hebt u maar heel weinig vaders.
Het is de taak van die pedagogen om de kinderen te wekken, naar school te brengen of zelf te onderwijzen, hun goede manieren te leren en hen ’s avonds weer naar bed te brengen; maar de begeleiding van de pedagoog voelt toch heel anders dan de liefde van een vader[5].
Welnu – juist vanwege die vaderlijke verantwoordelijkheid heeft Paulus Timotheüs naar Corinthe gestuurd. Paulus noteert: “Juist hierom heb ik Timotheüs tot u gezonden, die mij een geliefd en trouw kind is in de Here. Hij zal u mijn wegen in Christus Jezus indachtig maken, zoals ik die overal in elke gemeente leer”[6].
Juist omdat Paulus de geestelijke vader van de Corinthiërs is, komt Timotheüs naar hen toe.

Een min of meer parallelle redenering zien we terug in Zondag 19 van de Heidelbergse Catechismus.

Jezus Christus heeft verantwoordelijkheid genomen voor Zijn kinderen.
Hij is niet zo maar een slaaf of een knecht. Nee, Hij heeft op aarde de opdracht van Zijn Vader uitgevoerd. Om met de Dordtse Leerregels te spreken: “De kruisdood van Gods Zoon is het enige offer en de volledige betaling voor de zonde. De kracht en de waarde ervan zijn oneindig en daarom is deze dood meer dan genoeg om de zonden van de hele wereld te verzoenen.
Deze dood is zo krachtig en waardevol, omdat de Persoon die hem ondergaan heeft, niet alleen een echt en volkomen heilig mens is, maar ook de eniggeboren Zoon van God, die met de Vader en de Heilige Geest eeuwig en oneindig God is”[7].
De Heiland toont op aarde de Vaderlijke verantwoordelijkheid. Hij voert een heerlijk plan van God de Vader uit. En daarom worden wij gered. Ik zeg het opnieuw met woorden uit Dordt: “Want dit is het soevereine raadsplan, de genadige wil en het voornemen van God de Vader geweest, dat de levendmakende en reddende kracht van de kostbare dood van zijn Zoon ten goede zou komen aan alle uitverkorenen, om alleen hun het rechtvaardigend geloof te schenken en hen daardoor met vaste hand tot het volle heil te brengen”[8].

Jezus Christus doet boete voor alle zonden die er in de wereld zijn. En daarom komt juist Hij te Zijner tijd terug op de wolken.
Jezus Christus is onze Advocaat in de hemel. Daarom komt juist Hij. Nu weten we zeker: alle misstanden in de wereld zullen een einde hebben.
Jezus Christus komt de door Hem uitgekozen mensen – Zijn aangenomen kinderen – Hoogstpersoonlijk halen. En daarom komt juist Hij.
Jezus Christus verzamelt al Zijn kinderen om Zich heen. Dat doet Hijzelf. Hij stuurt geen ambassadeur of andere hoge vertegenwoordiger. Nee, hij reist Zelf naar de aarde om de door hem uitgekozen wereldburgers op te halen. En daarom komt juist Hij.

Juist: dat betekent onder meer: in het bijzonder, vooral. In een woordenboek van Van Dale staat bij deze betekenis als voorbeeld: ‘juist in deze omstandigheden’[9].
En dat is precies de bedoeling van Zondag 19: juist in deze omstandigheden, in onze situatie, verwachten we Jezus Christus.
Laat ik het zo zeggen: Hij maakt Zijn heerlijk karwei helemaal af.
Daarom wij weten het zeker: Hij komt eraan!
Maranatha!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 19, antwoord 50.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 19, antwoord 51.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 19, antwoord 52.
[4] 1 Timotheüs 4:15.
[5] Zie hierover ook de internetversie van de Studiebijbel; commentaar bij 1 Corinthiërs 4:15.
[6] 1 Timotheüs 4:16.
[7] Dordtse Leerregels, hoofdstuk II, artikel 3 en het eerste eerste deel van artikel 4.
[8] Dordtse Leerregels, hoofdstuk II, artikel 8.
[9] Zie www.vandale.nl (trefwoord: juist).

23 november 2015

Woordverkondiging

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Het begrip dat u in de titel van dit artikel aantreft kan Anno Domini 2015 van alles betekenen[1].
Vroeger was de preek het centrale punt in een kerkdienst. Gods blijde Boodschap: daar ging het om. En dat was ook voldoende. Veel meer hadden de kerkgangers niet nodig. Daar moest alles voor wijken.
Vroeger was Woordverkondiging een eerbiedige term voor de preek.
Maar zo simpel ligt dat lang niet overal meer.
Vandaag de dag eisen heel wat mensen inbreng in de kerk. En terwijl allerlei kerkelijke dames en heren daarover druk aan het praten zijn, wordt Gods Woord soms aan de kant geschoven.
En dat gebeurt heus niet alleen in kerkdiensten die uitgaan van zich Gereformeerd noemende kerken.

Het is al jaren geleden dat in een krant stond dat bij evangelischen de Woordverkondiging op z’n retour is. Een voorganger der baptisten waarschuwde daar toen ernstig voor. En hij zei erbij: “Het zou goed zijn om meer tijd vrij te maken voor het dienen van God en minder voor het bezig zijn met leiderschap en gemeenteopbouw”. En: “Veel mensen kunnen zich niet twintig minuten concentreren en willen leuke anekdotes en mooie verhalen”[2].

Wat is Woordverkondiging eigenlijk?
Dat is het uitdragen van Gods Woord.
Daarover wil ik vandaag eens uitweiden.

De verkondiging van Gods Woord is – vanuit ons perspectief gezien – meer dan prediken of proclameren. Echte Gereformeerden bedoelen dan ook het vergelijken van allerlei Schriftpassages.
Want wij zijn beducht voor een te beperkt beeld van wat God zegt. Wij zijn bevreesd voor een verkokerd Bijbelbeeld. Zulk een Bijbelbeeld willen wij niet hebben of krijgen. Wij willen zo goed mogelijk zien wat de Verbondsgod in 2015 van Zijn kinderen vraagt. Wij doen er dus alles aan om niets van Zijn Woord te missen. Steeds vragen wij ons af: zit er nog meer in? Of: zie ik iets over het hoofd?

Als ik het goed weet is dat vergelijken altijd een kenmerk van Gereformeerde Woordverkondiging geweest. Schrift met Schrift vergelijken, heette dat vroeger. En dat betekende volgens mij: we kijken niet alleen naar die ene tekst; we betrekken er zo mogelijk andere teksten bij.
En daarbij is zeker ook het verband waarin de Bijbeltekst staat van belang.

Tegenwoordig duidt die term Woordverkondiging niet alleen meer op de preek.
Er wordt wel gesproken over zingende Woordverkondiging. En inderdaad, men kan zingend het Evangelie verkondigen. Maar van Schrift met vergelijken is dan meestal geen sprake meer.
Ooit kwam ik de term ‘creatieve Woordverkondiging’ tegen. En inderdaad, men kan in schilderijen en andere creaties het Woord verbreiden. Maar alweer komt er van dat vergelijkingswerk weinig terecht.
Een protestantse predikant besteedde eens een studieverlof aan het fenomeen ‘rituelen’. Daarover schreef hij een verslag. En daarin stond onder meer dit: “Uit het bestudeerde materiaal heb ik geconcludeerd dat rituelen niet zonder woordverkondiging kunnen, en tegelijk dat rituelen zelf ook iets verkondigen en zo de woordverkondiging versterken en zelfs aanvullen”. In het voorgaande staat in ieder geval dit: de Woordverkondiging zelf is niet meer genoeg. Er moeten rituelen bij komen. Anders raken de kerkgangers geestelijk ondervoed.

Laten wij nu onze eigen positie nog wat preciezer markeren.
Daarbij moeten we goed kijken wat er gebeurt.
Het is de Here Zelf die in de omgang met zijn volk het gesproken Woord voorop zet. Daarover hieronder iets meer.

Natuurlijk lezen we van alles over offers. Met een beetje goede wil kunnen we soms zelfs over rituelen spreken.
Als Mozes in Deuteronomium 4 het volk Israël stimuleert om Gods wet te onderhouden herinnert hij ook aan de Goddelijke manier van presenteren van die wet. En daar staat dan bij: “Toen sprak de Here tot u uit het midden van het vuur; een geluid van woorden hoordet gij, maar een gestalte naamt gij niet waar, er was alleen een stem”[3].
Er was in Deuteronomium 4 dus vuur en Woord. Maar er was zeker geen afbeelding van God.

Wij moeten niet bij die tekst blijven staan. Er zijn heel wat Schriftplaatsen waar duidelijk wordt dat de levende Here echt spreekt. Laat ik wat teksten op een rij zetten.
* Genesis 1 – bij de schepping – : “En God zeide …”. Dat is daar welhaast een refrein[4].
* Genesis 12: “De Here nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap…”[5].
* Johannes 1: Jezus Christus wordt daar heel nadrukkelijk het Woord genoemd[6].
* In Openbaring 2 worden mensen aangesproken die “de leer der Nicolaïeten” aanhangen. “Bekeer u dan, maar zo niet, dan kom Ik spoedig tot u en Ik zal strijd tegen hen voeren met het zwaard van mijn mond”[7].
* Openbaring 19 meldt ons: “En uit zijn mond komt een scherp zwaard, om daarmede de heidenen te slaan”. Dat vers staat in een perikoop waar in de N.B.G.-vertaling uit 1951 boven staat: ‘Het Woord Gods’[8].

Uit het bovenstaande blijkt wel: onze God is de levende God. Hij is het levende Woord. Hij was en is actief. Hij geeft nog altijd orders. Want Zijn werkplan wordt uitgevoerd. Laat ik het eens zo mogen zeggen: onder ons, rondom ons, in ons en boven ons wordt druk gewerkt!

Laat ik het even voor u samenvatten.
Woordverkondiging proclameert:
* dat God spreekt
* op welke plek Hij spreekt
* welke woorden Hij spreekt
* met welk doel Hij spreekt.

Woordverkondiging betekent vandaag de dag van alles en nog wat. Met die vaststelling begon ik dit artikel.
Echter: lang niet alles wat Woordverkondiging wordt genoemd is het ook werkelijk.
Echte Woordverkondiging heeft altijd de levende en actieve God in het vizier. En Hij is ook de Enige waar in die verkondiging op gelet moet worden.
Echte Woordverkondiging laat lijnen zien die in Gods Woord werden getekend. Prekend en proclamerend wordt aangetoond dat een Bijbeltekst geen punt in de tijd is. Het is heilshistorie. En die heilsgeschiedenis is heel doelmatig. Al dat preken, al dat verkondigen dient, op de keper beschouwd, slechts één hemels doel: God alles in allen!

Met een zekere regelmaat bekruipt mij de vrees dat we te nonchalant en te onheilig met die wetenschap omgaan.
Ja, ook op sommige plekken in de Gereformeerde gezindte.

Woordverkondiging was er in de tijd van Israël ook al. Als u het mij vraagt is het niet toevallig dat de beeldendienst toen al zeer streng verboden was!
In dit verband citeer ik graag een reeds overleden hoogleraar homiletiek. Hij schreef ooit: “Wij komen de aard van de prediking niet op het spoor wanneer wij blijven binnen de grenzen van de geschiedenis van de informatie-overdracht”[9].
Nee, als we slechts praten over communicatietechnologie, dan lopen we vast.
We hebben te maken met de levende God.
En het is die Verbondsgod die ons onderwijst.
Met het oog op de toekomst!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op dinsdag 21 november 2006.
[2] “Woordverkondiging op haar retour”. In: Reformatorisch Dagblad, maandag 20 november 2006, p. 2.Ook te vinden op www.digibron.nl .
[3] Deuteronomium 4:12.
[4] Genesis 1:3, 6 enzovoort.
[5] Genesis 12:1.
[6] Johannes 1:1, 2 en 3: “In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is. In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen”.
[7] Openbaring 2:16.
[8] Openbaring 19:15.
[9] Zie: Dr. C. Trimp, “Klank en weerklank; door prediking tot geloofservaring”. – Barneveld: De Vuurbaak, 1989. – p. 35.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.