gereformeerd leven in nederland

22 december 2015

Het nut van Zondag 23

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

De opstanding van het vlees: dat staat, in zekere zin althans, ver bij ons vandaan. We kunnen ons er weinig bij voorstellen. We hebben er nauwelijks beeld bij.
Zeker, we weten dat onze Heiland is opgestaan. Hij heeft voor onze zonden betaald. Maar wat hebben we daar vandaag aan?

Dat lijkt een heel moderne vraag. Maar dat is het niet. Hij staat al in Zondag 23 van de Heidelbergse Catechismus.
Leest u maar mee.
“Wat hebt u er nu aan, dat u dit alles gelooft?
Antwoord:
Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam van het eeuwige leven”[1].

In de formulering van de Catechismus horen we de klanken van Habakuk 2: “de rechtvaardige zal door zijn geloof leven”.
Als we dat Schriftgedeelte even bekijken, wordt al snel duidelijk welke kant de Catechismus met ons op wil.

Habakuk wil bovenin een toren gaan staan. Want, zegt hij, misschien krijg ik – als ik daar sta – antwoord op al mijn vragen.
En inderdaad – God geeft antwoord.
Dat antwoord moet Habakuk opschrijven. Het mag niet vervliegen in de tijd. En daar zou best kans op zijn, als er niks opgeschreven wordt.
De maatregelen die God gaat nemen, dienen genoteerd te worden. Want het gaat nog lang duren voordat alle consequenties van die Goddelijke maatregelen in het leven merkbaar zullen wezen.
In Habakuk 2 staat: “Zie, opgeblazen, niet recht, is zijn ziel in hem, maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven”[2].
Het gaat hier over de Babyloniërs. Onderdrukkers en bedriegers zijn dat. Machtswellustelingen van de eerste orde. Trots kijken de mensen uit Babel rond: wij hebben wat te vertellen in de wereld. De Babyloniërs verwachten dat ze op termijn de macht in de wereld over kunnen nemen.
En dat, proclameert God, zal beslist niet gebeuren! Er komt een andere toekomst aan. Daarin zal de Here bewijzen dat Hij rechtvaardig is. Daar kun je op wachten. Daar moet de kerk op wachten[3].

Wat hebben we dus aan dat geloof in de opstanding?
Dat maakt van ons mensen die, om zo te zeggen, permanent in verwachting zijn.
Dat maakt van ons mensen die gericht zijn op een nieuwe toekomst die in alle opzichten heerlijk zal wezen!

In Romeinen 1 haalt de apostel Paulus Habakuk 2 aan: “Want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven”[4].
Een exegeet noteert daarbij: “Het hier bedoelde geloof is enerzijds een vertrouwen op het heilshandelen van God in het sterven en de opstanding van Jezus Christus (…) en anderzijds een liefdevolle, persoonlijke geloofsverbondenheid (…) met de Here Jezus, die door Paulus zo treffend wordt verwoord met de uitdrukking ‘in Christus’”[5].

In feite is Zondag 23 een echte Adventszondag.
Mensen die Zondag 23 naspreken vertrouwen erop dat de Here naar de toekomst toe werkt.
Mensen die Zondag 23 naspreken zijn ‘in Christus’: er is een nieuw perspectief dat gedomineerd wordt door Zijn reddingswerk.
Wachten op de nieuwe toekomst is rekenen op een veelbelovende tijd. Zodoende krijgt het leven een nieuwe glans.

Onlangs zag ik een televisie-interview met een vrouw die multiple sclerose heeft.
‘Hoe zie je de toekomst?’, werd haar gevraagd. Zij zei: “Er is mij ooit verteld, gezegd niet aan de toekomst te denken. Dat doe ik dus niet. Ik leef nu, in het heden”. De interviewer vroeg aan de MS-patiënte: “Maak je stiekem geen beelden bij de toekomst?”. De aangesprokene sprak: “Nee. Dat doe ik echt niet. Dan word ik alleen maar bang. En bang worden is fout. Dat is hetzelfde als verdrietig zijn. Het is verkeerd gebruik van je energie. Dus dat doe ik niet”[6].
Ik citeer deze vrouw, omdat ze zich zo nadrukkelijk afsluit voor angst.
Maar het is duidelijk: die angst zit wel ergens.
En laten wij eerlijk zijn: alle mensen hebben zo hun bekommernissen en benauwdheden. Zo gaat dat met mensen die zwak zijn tot in het diepst van hun bestaan.
Maar kerkleden blijven niet bij hun nervositeit staan.
Mensen die van harte geloven in Gods beloften kunnen over die angst heen kijken.
Gods kinderen kunnen treurige zaken verwerken.
Gelovigen zijn wellicht eenzaam, maar nooit helemaal alleen.

Habakuk moet notities maken. Wat hij ziet en hoort moet voor het nageslacht bewaard blijven.
Het antwoord dat Habakuk kreeg, moeten wij ook kennen.
Laten wij bovendien maar vaak repeteren dat wij in Christus voor God rechtvaardig zijn. Laten wij maar beseffen dat wij onszelf mogen typeren als erfgenamen van het eeuwige leven.

Mensen van buiten de kerk weten dat misschien niet.
Het staat niet op ons voorhoofd te lezen. Het staat al helemaal niet afgedrukt op shirts of overhemden.
Maar kinderen van God dragen Zijn beloften – voor nu en voor de toekomst – altijd met zich mee.
Daarom mogen wij met Psalm 19 zingen:
“Volkomen is Gods woord.
’t Verkwikt elk die het hoort
en deze wet begeert,
daar Gods getuigenis
hem die nog inzicht mist,
de ware wijsheid leert”[7].

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 23, antwoord 59.
[2] Habakuk 2:4.
[3] Zie over Habakuk 2 ook mijn artikel ‘Drie aantekeningen bij Habakuk 2’, hier gepubliceerd op woensdag 23 april 2014. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2014/04/23/habakuk-2/ .
[4] Romeinen 1:17.
[5] Commentaar bij Romeinen 1:17; te vinden op de internetversie van de Studiebijbel.
[6] Het televisie-interview is te vinden op http://www.npo.nl/de-reunie/29-11-2015/KN_1675241 . Geraadpleegd op maandag 30 november 2015. De televisie-uitzending vond plaats op zondag 29 november 2015, op NPO1 vanaf 20.25 uur.
[7] Dit zijn de eerste zes regels van Psalm 19:3 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

21 december 2015

Oriëntatie op de hemel

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Deze week wordt het Kerstfeest[1].
Voor velen heeft dat feest iets romantisch. De Kerstdagen worden niet zelden gevuld met familiebezoek en copieuze maaltijden.
Maar de Kerstsfeer wordt in onze tijd ruw verstoord door dreiging en chaos in de wereld.
Alleen al het noteren van de naam Islamitische Staat maakt ons treurig. En boos, waarschijnlijk. En bang, misschien.
Voeg daar de plaatsnaam Parijs bij, en dan lijkt de sfeer definitief bedorven.
Weet u ’t nog, de aanslag op personeelsleden van het satirisch weekblad Charlie Hebdo, in januari van dit jaar? Hebt u ze nog voor de geest, de beelden van die aanslagen in november jongstleden; met meer dan honderd doden, en meer dan driehonderd gewonden[2]?

Wij moeten ons echter vooral niet van de wijs laten brengen.
Daarom waag ik het vandaag toch een ogenblik uw aandacht te vragen voor bekende woorden uit Lucas 2: “Ere zij God in den hoge, en vrede op aarde bij mensen des welbehagens”[3].

Die woorden worden in Lucas 2 gezongen door een groot koor van hemelse militairen. Die zangers ondersteunen het evangelie van de nieuwe werkelijkheid, dat door de engel wordt gebracht[4].

Die nieuwe werkelijkheid is in het Oude Testament al te zien.
Job heeft in hoofdstuk 16 al iets van die nieuwe werkelijkheid ontdekt toen hij zei:
“Maar ook nu, zie mijn Getuige is in de hemel,
mijn Pleitbezorger in den hoge”[5].
De schrijver van Psalm 148 zegt ook niet voor niets:
“Halleluja. Looft de Here in de hemel,
looft Hem in den hoge”[6].
Bij de intocht in Jeruzalem, in Lucas 19, zullen de discipelen vol overgave zingen:
“Gezegend Hij, die komt,
de Koning, in de naam des Heren;
in de hemel vrede en ere in de hoogste hemelen”[7].

‘Ere zij God’, dat betekent: Hij heeft Zijn naam eer aan gedaan; Hij heeft Hoogstpersoonlijk Zijn naam hoog gehouden.
God is goed. God is trouw. God houdt Zich aan het verbond dat Hij met mensen sloot. Het doorslaggevende bewijs daarvan is dat God Zijn Zoon naar de aarde stuurt.

Er komt vrede op aarde.
Nee, daar zien we nu nog niet veel van. Integendeel – wij zien oorlog en terreur, vervolging en onderdrukking.
Intussen moeten wij er om denken dat die vrede uiteindelijk niet door mensen wordt bewerkt.
Leest u maar mee in Jesaja 9: “Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de Here der heerscharen zal dit doen”[8].
Micha ziet die vrede in hoofdstuk 5 trouwens ook al: “Dan zal Hij staan en hen weiden in de kracht des Heren, in de majesteit van de naam des Heren, zijns Gods; en zij zullen rustig wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde, en Hij zal vrede zijn”[9].
Ziet u dat?
De Here werkt niet alleen aan vrede.
Hij is die vrede feitelijk Zelf!
Zo komt het dat Paulus in Romeinen 5 op kan schrijven: “Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, door wie wij ook de toegang hebben verkregen in het geloof tot deze genade, waarin wij staan, en roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods”[10].

Mensen van het welbehagen worden gered.
Dat betekent: mensen in wie God een welbehagen heeft.
In de kerk is Gods genade zichtbaar.
Zijn oneindige energie.
Zijn geweldige werfkracht en werkkracht.

Als wij goed kijken, zien we daar nu al veel van.
En straks, als de Jongste Dag gekomen is, zullen we die Goddelijke kracht nog uitgebreider kunnen bewonderen!

Als u het mij vraagt moet dat het perspectief zijn dat zich voor ons geestesoog ontrolt als wij binnenkort Gezang 11 weer gaan zingen: Ere zij God.
En ja, dan krijgt ook Gezang 12 meer betekenis:
“Dit is de dag, die God ons schenkt,
waaraan thans ieder christen denkt;
hem viere, wat in ’t groot heelal
door Jezus is en wezen zal”[11].
We moeten de dag van Jezus’ komst op aarde altijd feestelijk herdenken.
Overal ter wereld moeten wij bewonderen wat Hij doet.
En: wij mogen veel verwachten van de toekomst die Hij voor ons gereed maakt.

“Dit is de dag, die God ons schenkt” – dat is een oud lied dat door Maarten Luther werd geschreven. Het staat al in de bundel ‘Geistliche Lieder’, die in 1539 te Leipzig verscheen[12]. Dat lied is dus al minstens 475 jaar oud!
Hoe kwam het dat Luther zo ijverig dichtte?
Een protestantse predikant vertelt: “Toen Luther predikant in Wittenberg was, zag hij de grote behoefte van het kerkvolk. Als God met ons spreekt in de kerkdienst, dan moeten de mensen antwoorden in gebed en lofgezang. Maar er waren nauwelijks zingbare liederen voorhanden in de toenmalige kerk. Want in de godsdienst van de Middeleeuwse Kerk zong de priester, de monniken, het koor. Maar niet de gemeente! Daarom vroeg hij zijn vrienden nieuwe liederen te dichten, die het Evangelie zouden verkondigen. Toen dat naar zijn zin niet goed lukte, is hij zelf aan de slag gegaan”[13].

Het kerkvolk moet, zei Luther, weer leren zingen.
Dat zingen mogen wij in 2015 niet verleren.
Zulk zingen leert ons, als het goed, aan onze eigen omstandigheden voorbij te zien. Wij ontvangen een nieuwe oriëntatie – op de hemel, namelijk!

Noten:
[1] Onlangs heb ik Gezang 11 en Gezang 12:1 in twee korte stukjes kort toegelicht voor kinderen. Dat deed ik in het Gereformeerd kerkblad De Bazuin; jaargang 9, nummer 25 (woensdag 16 december 2015). Op deze plaats geef ik vandaag een uitwerking van de betreffende artikeltjes.
Het was overigens voor de laatste keer dat ik een bijdrage leverde aan de Bazuinrubriek Psalm van de Week. Mijn functie als deputaat-curator van De Bazuin en het medewerkerschap aan dat kerkblad zijn onverenigbaar.
[2] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Aanslag_op_Charlie_Hebdo en  https://nl.wikipedia.org/wiki/Aanslagen_in_Parijs_van_november_2015 . Geraadpleegd op maandag 16 november 2015.
[3] Lucas 2:14.
[4] Hier, en ook elders in dit artikel, gebruik ik de internetversie van de Studiebijbel; commentaar bij Lucas 2:14.
[5] Job 16:19.
[6] Psalm 148:1.
[7] Lucas 19:38.
[8] Jesaja 9:5 en 6.
[9] Micha 5:3 en 4 a.
[10] Romeinen 5:1 en 2.
[11] Gezang 12:1.
[12] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Lutherliederen . Geraadpleegd op maandag 16 november 2015.
[13] Zie http://www.pastoralekroes.nl/lutherLutherXVIII-Prediker-dich/ . Geraadpleegd op maandag 16 november 2015. De predikant in kwestie is de inmiddels overleden Ph. Kroes.

18 december 2015

Verontrust door de jaren heen

Vandaag ga ik graag met u terug naar dinsdag 15 december 1970.
Op pagina 3 van het Nederlands Dagblad is veel aandacht voor verontrusten. Het is de tijd van de buitenverbandkwestie.
Vandaag kennen wij buitenverbanders als Nederlands Gereformeerden.
De tegenstellingen zijn in 1970 nog zeer scherp. En de stellingnames ook.

Dat laatste is niet erg.
Sterker nog: het is in de lijn van Gods Woord. Het is ja of nee. Voor of tegen. Daar zit niets tussen.

Het artikel ‘Verontrusten verontrust’ in het Nederlands Dagblad zouden we vandaag de dag een nieuwsanalyse noemen.
Die analyse blijkt ook voor ons reuze leerzaam.

Een redacteur schrijft:
“Wanneer men een vergadering van verontruste synodaal gereformeerden bezoekt, dan komt men altijd met gemengde gevoelens van verbazing en verdriet terug.
Wanneer men de schrijnende nood voelt, die daar doorklinkt, bij mensen die door hun synode compleet in de kou zijn gezet, wanneer men de klemmende machteloosheid signaleert, van mensen, die iets hopen te bereiken op een plaats, waar ze in een tergend langzaam proces toch worden meegesleurd dan wel aan de kant worden geschoven, dan vraagt men zich af of men de enige weg niet wil of niet kan zien”.

Vandaag zien we eenzelfde mechanisme bij heel veel andere gelovigen, bijvoorbeeld uit de Gereformeerd-vrijgemaakte kerken. Schrijvers en lezers van een internetpagina’s als gereformeerdekerkblijven.nl zien hoe de kloof zich verwijdt en onafwendbaar op hen af komt.
Sommigen zien nog niet precies wat er op af komt; zij doorgronden nog niet wat er ten principale gebeurt.
Anderen zien dat wel. Maar zij hebben uiteenlopende redenen om een kerkelijke overgang uit te stellen.
Maar de machteloosheid is voelbaar. De teleurstelling wordt steeds groter.
Ach, wat dat betreft is er weinig nieuws onder de zon.

De redacteur noteert ook:
“Men heeft begrip voor hen, die het in de synodale kerken niet meer kunnen vinden en een ander kerkgenootschap opzoeken.
Men beveelt een gastlidmaatschap aan bij andere reformatorische kerken, alwaar men ook de avondmaalsgemeenschap kan beoefenen, in die plaatsen waar de toestand in eigen kerken onhoudbaar is geworden.
Men beveelt de verontruste jeugd, die het niet meer kan vinden in de jeugdclubs – waar het dansen belangrijker is dan de zaken van het Koninkrijk Gods – aan zelf tot organisatie te komen, en, wanneer dit niet mogelijk blijkt, zich aan te sluiten bij jeugdorganisaties van andere reformatorische kerken”.

Ook in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw pleiten sommigen dus voor tussenoplossingen. Alles is, zo stellen zij, beter dan verbonden te zijn aan aan de ontwikkelingen binnen de synodale kerken.
Vandaag zien we mensen die, mutatis mutandis, dezelfde keuzes maken. Zij worden, bijvoorbeeld, gastleden bij een baptistische gemeente. Zij gaan, bijvoorbeeld, shoppen; men komt hen tegen in kerkdiensten van christelijke gereformeerden of bonders. Zulk gezwerf heeft als nadeel dat men nergens bij hoort en thuis is. Het voordeel is dat men geen kerkelijke verantwoordelijkheid nemen hoeft.
Men kan, zoals dat zo mooi heet, genuanceerd over allerlei zaken denken. En nu ja, je weet ook nooit van de ‘nieuwe’ kerkjes en kerkverbandjes terecht komt. Leert de Here ons ook niet geduld te hebben? Nou dan…

Het komt mij voor dat dat mooie verhaal van hierboven een beetje rammelt.
Want wat, o lezer, moet ik dan met Colossenzen 1? Daar staat: “Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God. Zo wordt gij met alle kracht bekrachtigd naar de macht zijner heerlijkheid tot alle volharding en geduld, en dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht”[1].
Paulus schrijft over de rechte kennis van zijn wil en over geduld. Die moeten wij blijkbaar niet tegenover elkaar zetten!
En wat, o lezer, moet ik bijvoorbeeld met Colossenzen 3 aanvangen? Daar lees ik: “Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld. Verdraagt elkander en vergeeft elkander, indien de een tegen de ander een grief heeft; gelijk ook de Here u vergeven heeft, doet ook gij evenzo. En doet bij dit alles de liefde aan, als de band der volmaaktheid. En de vrede van Christus, tot welke gij immers in één lichaam geroepen zijt, regere in uw harten; en weest dankbaar. Het woord van Christus wone rijkelijk in u, zodat gij in alle wijsheid elkander leert en terechtwijst en met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen zingende, Gode dank brengt in uw harten”[2]. Juist de door God uitverkoren mensen zijn heel geduldig. Maar juist die uitverkoren mensen moeten elkaar terechtwijzen. Dat betekent volgens mij toch echt niet dat we de boel blauwblauw kunnen laten.

Ik citeer verder.
“Wat het catechetisch onderwijs betreft doet men de suggestie om, indien nodig de jeugd in andere kerkverbanden dit onderwijs te laten volgen. Men koppelde dit aan het gastlidmaatschap, we kunnen ons voorstellen, dat men dit zo niet uitdrukkelijk bedoeld heeft”.

Ook deze gedachte komt men vandaag de dag nog tegen.
Maar die is, op de keper beschouwd, ongerijmd en onlogisch.
Want wie zijn kinderen naar een catechisatie of een Bijbelstudievereniging van een ander kerkverband stuurt, geeft impliciet aan dat zijn gezin en hijzelf eigenlijk een kerkelijke overgang zouden moeten maken.
Als dat zo is, klemt de kernvraag: waarom aarzelt u nog?
Wat mij betreft moet met ouders die zulke gedachten ventileren een hartig woordje worden gesproken. Zachtmoedig, doch niettemin helder. Liefdevol, maar toch beslist.

Opnieuw geef ik een citaat:
“…de verontrusten zullen ‘in de kerk blijven strijden’. Zij motiveren dit door te stellen, dat de kerkgeschiedenis leert, dat bij een kerkscheuring altijd de getrouwen zijn blijven vechten totdat hen de deur werd gewezen, totdat ze er uitgezet werden. Voorbeelden werden aangehaald van Luther, Calvijn, Kuyper, De Cock.
Schilder wordt echter in deze rij niet genoemd. Wel is opgemerkt, dat niemand de scheuring in 1944 gewild heeft. De synode van 1944 was overigens van oordeel dat prof. Schilder er terecht was uitgezet.
We willen nadrukkelijk stellen, dat in 1944 de Vrijgemaakten niet zijn weggelopen maar er ‘uitgezet’, een wijze, die naar de verontrusten stellen, de enig geldende is voor een kerkscheuring.
In 1944 bleef men zitten, nu blijft men zitten. Men wacht totdat men eruit gezet wordt, wetend dat al de komende synodes in humanitaire welwillendheid een dergelijke maatregel nooit zullen doorvoeren”.

Over bovenstaand citaat zou heel wat te schrijven zijn.
Laat ik echter volstaan met een schets van de situatie zoals die zich – naar het lijkt – momenteel in de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) voordoet: het is prima als u klassiek gereformeerd wilt wezen en aan oude leringen en gewoontes vast wenst te houden; wij luisteren echter niet naar u, want anders loopt driekwart van de leden de kerk uit.

Nog één citaat wil ik uit het artikel geven. Commentaar zet ik er niet meer onder. De woorden kunnen wel voor zichzelf spreken.
“Wanneer wij de geestelijke nood en onmacht van deze mensen zien dan kunnen wij hier niet langer vrijblijvend tegenover staan. Waar nood is om Christus wil nood voortvloeiende uit een dwaling daar dient ook het getuigenis te zijn om Christus wil.
We behoeven niet te wachten tot men om hulp komt vragen. Het komt ons voor dat dit trouwens niet eens zal gebeuren. Wie een vergadering van verontrusten bezoekt weet pas goed hoe hoog de nood is.
Het zou goed zijn deze vergaderingen eens bij te wonen. Dan zou men proeven dat daar christenen bijeen zijn die de handen op steken vanuit het moeras.
Niet naar ons maar dat doet niet ter zake. Ons ambt van getuigen en het ambt der gebeden doet terzake”.

Noten:
[1] Colossenzen 1:9-12.
[2] Colossenzen 3:12-16.

17 december 2015

Jeremia leert ons trouw te zijn

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

In Gods Woord wordt onder meer aandacht besteed aan geheelonthouders[1]. Wie daar vreemd tegenaan kijkt moet Jeremia 35 maar eens lezen.

Daar lezen wij over een enigermate merkwaardig geslacht: de Rechabieten.
Die Rechabieten nuttigden nimmer wijn omdat hun voorvader Jonadab dat verboden had. En daar hielden zij zich aan. Jeremia zette ze in opdracht van de Here in Gods huis wijn voor. Maar zelfs toen weigerden zij die heerlijke drank consequent.
De Rechabieten waren overigens zeer gedienstig. Ze wilden het best nog even aan Jeremia uitleggen. Jonadab had gezegd: “Nimmer zult gij of uw kinderen wijn drinken; ook zult gij geen huis bouwen, geen zaad zaaien en geen wijngaard aanleggen of in bezit hebben, maar gij zult uw leven lang in tenten wonen, opdat gij lang leeft in het land waar gij als vreemdeling vertoeft”[2]. En: “…wij wonen in tenten en houden ons gehoorzaam aan alles wat onze vader Jonadab ons geboden heeft. Maar toen Nebukadnezar, de koning van Babel, tegen het land optrok, hebben wij gezegd: Komt, laat ons naar Jeruzalem gaan, vanwege het leger van de Chaldeeën en dat van de Arameeërs. Zo wonen wij in Jeruzalem”[3].
Dus: de Rechabieten woonden in Jeruzalem omdat het niet anders kon: Nebukadnezar joeg hen op. Maar zij bleven bij hun beginsel: geen wijn, geen sterke drank.

Die onvoorwaardelijke trouw werd aan de Israëlieten ten voorbeeld gesteld. De Here zei: “Wilt gij hieruit geen lering trekken om aan mijn woorden gehoor te geven? luidt het woord des HEREN. Het gebod dat Jonadab, de zoon van Rechab, aan zijn zonen heeft opgelegd, om geen wijn te drinken, wordt gehouden; want tot op de huidige dag hebben zij geen wijn gedronken, omdat zij gehoor hebben gegeven aan het gebod van hun vader. En Ik heb tot u gesproken, vroeg en laat, maar gij hebt Mij geen gehoor gegeven”[4].
Met andere woorden: de Rechabieten hielden zich keurig aan een menselijke instelling. En wat doen Israëlieten met Goddelijke regels en wetten? Die lappen ze ijskoud aan hun laars!

De voorvader der Rechabieten, Jonadab, was eeuwen eerder betrokken bij de strijd tegen afgoderij. Preciezer: bij de strijd tegen de Baäl. Die afgodendienst was eigenlijk maar een woeste boel. Wijn en allerlei seksuele uitspattingen waren daar aan de orde van de dag. Jonadab komen wij tegen in 2 Koningen 10: daar roeit hij samen met Jehu de priesters van Baäl uit. Die uitroeiing geschiedde trouwens zeer grondig: “Toen sloegen zij hen neer met de scherpte des zwaards, en de garde en de hoofdlieden wierpen de lijken weg. Daarop gingen zij weer naar de stadswijk van de tempel van Baäl. En zij brachten de gewijde stenen van de tempel van Baäl naar buiten en verbrandden die. Voorts haalden zij de gewijde steen van Baäl omver en ook de tempel van Baäl haalden zij omver en maakten er beerputten van, tot op de huidige dag”[5].
Kortom: een slagveld van forse afmetingen!
Jonadab had genoeg gezien. Hij verordineerde dat zijn nageslacht zo ver mogelijk van de valse religie weg diende te blijven. Vandaar dat de Rechabieten als nomaden leefden, net als voorheen de Israëlieten tijdens de woestijnreis. Dat was klaarblijkelijk hun vorm van wereldmijding.

Jeremia zegt niet dat alle Israëlieten hun huizen onmiddellijk moeten afbreken. Hij zegt ook niet dat ze onverwijld in tenten moeten gaan wonen. Hij wijst Israël wel op de onvoorwaardelijke trouw van de Rechabieten.

In onze tijd kunnen we concluderen: uiterlijke godsdienst kan heel leerzaam zijn. Wat men ook van vrouwen in lange rokken en mannen in zwarte kledij zeggen wil, u en ik kunnen aan aldus geklede mensen in één oogopslag zien dat ze principes huldigen.
En dat moet ook ons attent maken.
Natuurlijk hechten wij veel waarde aan de godsdienst van het hart. En laat er geen misverstand over bestaan: dat acht ik zeer terecht. Maar wie rondkijkt op het kerkplein ziet nogal wat slapte. In de christelijke wereld is vaak een schrijnend gebrek aan meeleven. Men ziet lauwheid, onverschilligheid zelfs.
Natuurlijk zijn we christelijk. Uiteraard zeg! Maar ach, hoe gaat dat? We kijken hier eens. En we kijken daar eens. Aan Bijbellezen komen we amper meer toe. Maar verder gaat het wel.
Wat er precies in de Bijbel staat…, nou – dat is iets voor theologen. Voor dogmatici aan een universiteit. Voor dominees. En misschien voor hobbyisten die een eigen weblog hebben en zo. De grote lijn, die volgen we wel zo’n beetje. Of niet. We zien ’t wel…
Zou het teveel gezegd zijn als heel veel christenen vandaag de dag God eigenlijk maar een beetje laten praten? Ach nee – dat is, naar het mij voorkomt, niet overdreven. Maar dat betekent wel dat massa’s mensen, in het algemeen gesproken, teruggezakt zijn naar het niveau van Gods volk in Jeremia’s tijd!

Met dit alles bedoel ik uiteraard niet te zeggen dat uiterlijke godsdienst een goede zaak is. Maar dat is in Jeremia 35 niet het punt van vergelijking. Het gaat daar om de trouw aan voorvaderen. Zó trouw moeten wij ook aan onze God zijn.

In onze wereld is dat niet gemakkelijk.
Op de computer wisselen wij snel van programma. Op de televisie is zappen een koud kunstje geworden. Keuzes maken we zo’n beetje ieder moment van de dag. Wie daar moeite mee heeft komt psychisch in de problemen.
In die sfeer verdampt de trouw even snel als het smeltwater van een sneeuwpop bij warm weer. In een samenleving waar bijna iedereen en alles raast en rost, is trouw met de snelheid van een ademtocht achter de horizon verdwenen. Dat dient in de kerk anders te wezen. En daar moeten we ons in trainen!

Voor ons allen, hoofd voor hoofd, geldt – naar ik hoop – onverkort: ik vertrouw zo op Hem “dat ik er niet aan twijfel, of Hij zal mij voorzien van alles wat ik voor lichaam en ziel nodig heb, en ook elk kwaad, dat Hij mij in dit moeitevol leven toedeelt, voor mij doen meewerken ten goede. Want Hij kan dit doen als een almachtig God en wil het ook doen als een trouw Vader”[6]. Hij geeft ons alles wat wij nodig hebben. Elk kwaad laat Hij meewerken ten goede.

De Here God geeft ons Thuiszorg. Ons hele leven lang. Daarom hoeven wij niet als nomaden te leven. En wij hoeven de wereld om ons heen niet te mijden. Om met 1 Timotheüs 4 te spreken: “Want alles wat God geschapen heeft, is goed en niets daarvan is verwerpelijk, als het met dankzegging aanvaard wordt: want het wordt geheiligd door het woord Gods en door gebed”[7].
Laat ons dat gezegd zijn!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op donderdag 14 december 2006.
[2] Jeremia 35:7.
[3] Jeremia 35:10 en 11.
[4] Jeremia 35:13 en 14.
[5] 2 Koningen 10:25 b, 26 en 27.
[6] Heidelbergse Catechismus – Zondag 9, antwoord 26.
[7] 1 Timotheüs 4:4 en 5.

16 december 2015

Jezusdynastie?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Het is Adventstijd[1].
In deze periode van het jaar heeft de komst van onze Heiland in deze wereld onze aandacht.
En ja, ook de wereld kijkt mee.
Velen denken na over Jezus. Ze vinden Hem een indrukwekkende figuur. Voor massa’s mensen is hij een goed voorbeeld.
Ook wetenschappers filosoferen over Jezus.
Wat levert hun werk op?
Niet zelden zien wij weinig meer dan ongeloof.

Zo’n tien jaar geleden – het was in 2006 – verscheen het boek “The Jesus dynastee: the hidden history of Jesus, his royal family, and the birth of Christianity”. Er is ook een Nederlandse vertaling van. “De Jezusdynastie” heet die[2]. Het boek werd geschreven door James D. Tabor, hoogleraar godsdienstwetenschappen aan de Universiteit van North Carolina, in de Verenigde Staten[3].

James Tabor meent dat Gods Zoon een dynastie wilde vestigen. Een koningshuis dus.
Niet dat die professor geloof hecht aan Gods Woord. Integendeel.
Hij vraagt zich bijvoorbeeld ernstig af wie Jezus’ biologische vader was. Hij voelt wel wat voor het verhaal dat Jezus de zoon van een Romeinse soldaat zou zijn; later is die soldaat bij Maria weggegaan. Dat is trouwens al een eeuwenoude fabel. Die circuleert reeds sinds de tweede eeuw in de wereld.
Waarom is die beste man daar toch zo druk mee?
Antwoord: “Ik heb als historicus te maken met de bronnen en met het feit dat elk menselijk wezen een vader heeft, inclusief Jezus. Zo wordt het christendom ook acceptabel voor rationele mensen”[4].
Inmiddels zijn een heleboel zaken die die Amerikaanse meneer betoogt reuze speculatief te noemen. Maar, zo zegt de hoogleraar zelf, “mijn boek is het resultaat van veertig jaar onderzoek. Als onderzoeker van het vroege christendom sta ik in de traditie van de grote wetenschapper Albert Schweitzer, die Jezus voor het eerst zag als een Joodse apocalyptische profeet”.

Dat beroep op Albert Schweitzer maakt het voor u en mij nog wel wat duidelijker.
Als ik het goed weet zei de arts, theoloog, musicus en filosoof Schweitzer (1875-1965) dat Jezus zeer het navolgen waard was. Niet zozeer vanwege zijn leer, veel méér vanwege zijn wilskracht. Die morele vernieuwing van de mensheid, ja die zag Schweitzer wel zitten. Die wilskracht van Jezus, die was geweldig!
Men moet alle leven liefhebben, zei Schweitzer. Ik las zelfs ergens: “Hij bepleitte een soort spirituele verhouding tot het grote geheel, zag dat als een vorm van overgave aan het leven en aan de liefde tot al wat leeft”[5]. Schweitzer hoopte op een ‘renaissance’ van de mensheid. Wij moeten, zo concludeerde de wetenschapper, ons bewust worden van onze context. Dat geeft ons dan nieuwe wilskracht. De autonome mens dient na te denken over de waarheid. Dat levert dan weer innerlijke kracht op. En nobele, verheven daden ten gunste van de gehele mensheid.

Schweitzer is negentig jaar geworden. En dit is dus wat negentig jaar wetenschap kan opleveren.
Die Amerikaanse hoogleraar die dat boek over een Jezus-dynastie schreef werd geboren in 1946; hij is net over op de helft. Dan kunt u nagaan wat er zoal nog zou kunnen komen!

Wie het bovenstaande beziet, aanschouwt met eigen ogen het grondpatroon van de zonde. In Genesis 3 lees ik: “En de vrouw zag, dat de boom goed was om van te eten, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden…”[6].
Niet lang daarna concludeert de Here: “Zie, de mens is geworden als Onzer een door de kennis van goed en kwaad”[7]. Wat voltrekt zich hier precies? Dit: de mens wordt net als God, althans waar het de kennis van goed en kwaad betrof. Dat heeft de duivel, die de vrouw verleidt, goed begrepen. Een dominee schreef bij deze tekst: “De duivel sprak dus de waarheid. En toch loog hij. Hoe kan dat? Wel, satan bewoog de mensen praktisch levensinzicht te krijgen langs een door God verboden weg”[8].

De Here vindt het heel goed als de mens verstandig wordt. Het is geweldig mooi om kennis te vergaren. Maar de Here reikt het fundament voor die kennis aan. De Verbondsgod levert de kaders waarbinnen kennis en wetenschap kunnen worden verkregen.
Wie zich buiten die grenzen begeeft kan een hoop kennis op doen. Daar niet van. Hij of zij kan wellicht zelfs een goed wetenschappelijk verhaal houden. Maar het is dan wel kennis waar de duivel hoe langer hoe meer greep op heeft.

Geloof en wetenschap: over de relatie tussen die twee is al heel wat afgediscussieerd.
Er zijn mensen die zeggen: wetenschap en geloof komen steeds met elkaar in conflict; de religie verliest die strijd voortdurend.
Een tweede groep merkt op: wetenschap en religie vullen elkaar aan, en ze hebben elk een afgebakend terrein.
Nog weer anderen stellen vast: als wij ’t goed aanpakken kunnen wetenschap en geloof heel goed naast en met elkaar bestaan.

Daar kan men lang en breed over praten.
Maar de kernvraag is: ten dienste van wie gebruiken we onze gaven? Is het tot eer van God, of tot meerdere glorie van de duivel?

Temidden van dat alles voert de God van het verbond onverstoorbaar Zijn werkplan uit.
In Genesis 3 bepaalt God: “…nu dan, laat hij zijn hand niet uitstrekken en ook van de boom des levens nemen en eten, zodat hij in eeuwigheid zou leven”[9]. Want als dat altijd realiteit blijft, gaat de wereld kapot aan zonde en destructie.
Maar dat wil onze genadige Vader Zijn kinderen niet aan doen.
Daarom grijpt Hij in. De Zoon van God kwam naar de aarde om Zijn kinderen te redden. Hij heeft zich vernederd “en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader!”[10].
En zo kan het gebeuren dat in Openbaring 2 toch weer staat: “Wie overwint, hem zal Ik geven te eten van de boom des levens, die in het paradijs Gods is”[11].
De God van het genadeverbond keert de zaken toch weer om. Hij maakt van een verdorven wereld opnieuw een paradijs.

Dit artikel begint met een Amerikaanse professor die een boek schreef. Een boek met een nogal pretentieuze titel: “De Jezusdynastie: de verborgen geschiedenis van Jezus en het ontstaan van het christendom”. De introductie van het boek telt zestien pagina’s. En onder die introductie staan niet minder dan tweeëntwintig noten. Echt een wetenschappelijk boek dus.

Maar vergis u niet. Want er wordt een strijd uitgevochten tussen God en Satan. Soms zien we er eventjes iets van. En als ik het goed getaxeerd heb zien we hier een momentje van die strijd.
De oproep van Efeziërs 6 blijkt nog altijd niet overbodig:
“Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels; want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. Neemt daarom de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, uw taak geheel vervuld hebbende, stand te houden”[12]!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op donderdag 7 december 2006.
[2] James D. Tabor, “De Jezusdynastie: de verborgen geschiedenis van Jezus en het ontstaan van het christendom”. – Manteau, 2006. – 379 p.
[3] Zie voor meer informatie over James Tabor https://en.wikipedia.org/wiki/James_Tabor (Engelstalig).
[4] Hier, en elders in dit artikel, gebruik ik onder meer: K. van der Zwaag, “Eerherstel bepleit voor Jakobus – Tabor schrijft controversieel en speculatief boek over het leven van Jezus”. In: Reformatorisch Dagblad, woensdag 6 december 2006, p. 2. Ook te vinden op www.digibron.nl .
[5] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Albert_Schweitzer .
[6] Genesis 3:6.
[7] Genesis 3:22 a.
[8] Ds. P. Groenenberg, “Een Koninklijk Woord – Bijbels Dagboek”. – Kampen: Uitgeverij Voorhoeve, 1999. – 6 december.
[9] Genesis 3:22 b.
[10] Philippenzen 2:8-11.
[11] Openbaring 2:7.
[12] Efeziërs 6:11, 12 en 13.

15 december 2015

Voorproefjes

Na het sterven zal ik terstond in de hemel zijn.
Dat blijkt uit Zondag 22 van de Heidelbergse Catechismus. Het is zo dat “mijn ziel na dit leven terstond tot haar Hoofd Christus opgenomen zal worden”[1]. Na dit leven zal ik “na dit leven volkomen heerlijkheid bezitten, die geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en die in geen mensenhart is opgekomen, en wel om God daarin eeuwig te prijzen”[2].

Daar kunnen wij ons dus geen voorstelling van maken.
Dat hoeven we ook niet te proberen. Niemand heeft de hemel ooit gezien, gehoord of bedacht.
Wij weten niet hoe het voelt als autoriteit nooit druk oplevert.
Eén ding beseffen wij wel: de hemel maakt eindeloos gelukkig.

We realiseren ons ook dat de weg er naartoe eindeloos lang lijkt. Maar dat is gezichtsbedrog. Want op het moment van ons sterven gaan wij onmiddellijk de hemel in.
Daar is geen tunnel tussen. Er leidt geen snelweg heen.
Vanaf het eerste moment van ons hemelleven is de lucht bezwangerd van geluk en vrede.

Hoe kan dat?
Dat kan omdat God Zijn macht gebruikt om Zijn kinderen te beschermen. Voor eeuwig. Voor altijd.
Op de aarde geeft Hij daar voorproefjes van. Iedere dag. Dat dringt niet altijd tot ons door. We merken het vaak pas op als er iets bijzonders gebeurt. Voorbeeld: als we betrokken zijn bij een verkeersongeluk waarbij alleen maar materiële schade is. Gods beveiligingswerk faalt nooit!

In het Woord van God zijn ook wel voorbeelden van zulke voorproefjes te vinden.
Leest u maar eens mee in 2 Samuël 22.
“Toen het mij bang te moede was, riep ik de Here aan;
tot mijn God riep ik.
En Hij hoorde mijn stem uit zijn paleis,
mijn hulpgeroep klonk in zijn oren.
Toen dreunde en beefde de aarde,
de grondvesten van de hemel sidderden
en daverden, omdat Hij in toorn ontbrand was.
Rook steeg op uit zijn neus,
verterend vuur kwam voort uit zijn mond,
kolen raakten erdoor in brand.
Hij neigde de hemel en daalde neder,
donkerheid was onder zijn voeten,
Hij reed op een cherub en vloog,
Hij verscheen op de vleugels van de wind”[3].
Dat is een belangrijk gedicht. We kennen het ook als Psalm 18; daar zijn een paar details anders – maar toch. Deze poëzie staat dus twee keer in de Bijbel. Wat in 2 Samuël 22 staat, moet blijkbaar vóór in ons geheugen zitten.

Duisternis was onder Zijn voeten.
Dat doet denken aan Exodus 20, dat hoofdstuk waarin de Hemelheer Zijn goede wet geeft.
“En het gehele volk was getuige van de donderslagen, de bliksemstralen, het geluid van de bazuin en de rokende berg. Toen het volk het zag, beefde het en bleef van verre staan. En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, dan zullen wij horen; maar God spreke niet met ons, opdat wij niet sterven. Maar Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen om u op de proef te stellen, en opdat er vrees voor Hem over u kome, dat gij niet zondigt.
Het volk nu bleef van verre staan, maar Mozes naderde tot de donkerheid waarin God was”[4].
De ontzagwekkende God proclameert Zijn wet als leefregels voor de mensheid. En de verschijnselen rondom die proclamatie roepen ons ook in 2015 nog toe: sluit u van harte aan bij de Machthebber van de wereld; Hij reserveert graag een woonplaats voor u in de hemel!

David roept in 2 Samuël 22 om hulp.
En de Verbondsgod reageert. Met aardbevingen. Met vuur, rook en as.
De hemel gaat open. En de Here komt Zelf naar beneden – gedragen door de wind. De natuur is Zijn heraut.

Zulke dingen maken wij niet mee, zegt u misschien.
Niet?
Maar zelfs in Nederland, zijn er aardbevingen. In Groningen – dat weet u toch? Ach ja, mompelt u, dat komt van de gasboringen. Dat is een natuurverschijnsel. Er is een goede verklaring voor.
Natuurlijk.
We kunnen er een goed verhaal bij houden.
We kunnen er lange rapporten over schrijven.
Maar her en der voel je de onmacht.

De natuur is de heraut van de machtige God.
Mensen moeten Zijn ambassadeurs wezen. Evangeliepredikers. Woordverkondigers.
Dat zijn zij vaak niet.

Weet u nog dat vorige maand in Brussel de scholen een paar dagen dicht waren? Dat was zo vanwege de terreurdreiging.
Weet u nog hoe Turkije dat Russische gevechtsvliegtuig uit de lucht schoot, eind november? De NAVO zat meteen rechtop. De Amerikaanse president bemoeide zich er prompt mee. Bijdehante commentatoren riepen: deze kwestie moeten we de-escaleren. Dat betekent: we moeten zorgen dat de zaak niet uit de hand loopt.
Her en der voel je de onmacht. En de nervositeit.

In die wereld moeten en mogen wij belijden: wij horen bij God – de Man die alle macht heeft, in de hemel en op de aarde.
De natuur is Zijn heraut.
Daar zingen ook Debora en Barak over, in Richteren 5:
“Here, toen gij uittoogt uit Seïr,
toen Gij voortschreedt uit de velden van Edom,
beefde de aarde, ook dropen de hemelen,
ook dropen de wolken van water”[5].

Her en der voel je de onmacht op aarde.
Als er een terreuraanslag is, roepen allerlei leiders in koor: ‘we moeten gewoon doorgaan met leven’. Maar zo werkt dat meestal niet, en dat weet iedereen ook. In de onderste regionen van vele harten schuilt de angst.
Hoe zal het verder gaan?
Waar gaat het naar toe met de wereld?

Zondag 22 van de Heidelbergse Catechismus spreekt erover dat ik “het begin van de eeuwige vreugde in mijn hart voel”[6].
De Catechismus maakt geen voorbehoud. Er is geen sprake van voorwaardelijke vreugde.
Persoonlijk strekt mij dat troost.
Weet u – ik maak me eigenlijk niet eens zo druk om die aanslagen, om die terreur en al die ellende. Soms doe ik televisie of radio uit als ik alle oorlogsbeelden even zat ben. Maar dat doe ik dan niet uit wanhoop. Zeker niet.
Want ik weet: als mijn leven hier ten einde is, ga ik onmiddellijk naar de hemel.
Er is geen pauze.
Er is geen vagevuur, of wat voor andere tussentoestand dan ook. We gaan niet naar de groeve der vertering, zoals dominee Telder het Gereformeerde volk indertijd wilde doen geloven[7].

Nog één keer ga ik naar David in 2 Samuël 22. Hij gebruikt grote woorden:
“Die God, die mijn sterke veste is
en mijn weg effen maakt”[8].
Dat lijkt theatraal. Te zweverig. Los van de wereld.
Maar dat is gezichtsbedrog.
Want met de kerk gaat het goed. Wat er ook gebeurt. Wie goed kijkt en luistert, ziet in de kerk voorproefjes van het hemelleven!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 22, antwoord 57.
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 22, antwoord 58.
[3] 2 Samuël 22:7-11.
[4] Exodus 20:18-21.
[5] Richteren 5:4.
[6] Heidelbergse Catechismus – Zondag 22, antwoord 58.
[7] Zie: B. Telder, “Sterven… en dan? – Gaan de kinderen Gods, wanneer zij sterven, naar de hemel?”. – Uitgeverij Kok, 1960. – 204 p.
Mevrouw J. Wiskerke-van Dooren – de echtgenote van de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant J.R. Wiskerke – publiceerde een persoonlijke herinnering aan de tijd waarin voornoemd boek gepubliceerd werd. Zie http://www.wiskerkevandooren.nl/artikelen/persoonlijke-herinneringen/dominee-telder-en-de-zielenslaap/ . Geraadpleegd op woensdag 25 november 2015.
[8] 2 Samuël 22:33.

« Vorige paginaVolgende pagina »

Blog op WordPress.com.