gereformeerd leven in nederland

29 februari 2016

Bijbelvertalingen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: ,

U hebt het gezien: dit artikel gaat over Bijbelvertalingen[1].
En misschien hebt u wel de neiging om meteen met lezen te stoppen. Want over dat onderwerp wordt, tot op de dag van vandaag, eindeloos veel geschreven en gezegd.
Toch waag ik het erop om vandaag een artikel over deze materie te publiceren.
Want een betrouwbare Bijbelvertaling is van groot nut!

Bijbelvertalingen zijn er heel veel. Van de Statenvertaling van 1637 tot de Biebel in ’t Grunnegers: men kan te kust en te keur gaan.

Wanneer kunnen wij een Bijbelvertaling goed noemen[2]? Dat kan als Gods Woord zo wordt weergegeven, dat de inhoud betrouwbaar en waarheidsgetrouw is.
De Bijbelvertaling moet dicht bij de grondtekst blijven. We moeten, met andere woorden, precies weten wat de Here wel en niet van ons vraagt. Dat kunnen we in de Bijbel trouwens ook wel zien. Kijkt u bijvoorbeeld maar in Deuteronomium 12: “Al wat ik u gebied, zult gij naarstig onderhouden; gij zult daaraan niet toedoen, noch daarvan afdoen”[3].
Waarom moeten wij, als het hierom gaat, zo nauwkeurig wezen? Omdat we leven met de God van het verbond die Zijn plan op volmaakte wijze uitvoert. Om het met Prediker 3 te zeggen: “Ik heb ingezien, dat al wat God doet, voor eeuwig is; daaraan kan men niet toedoen en daarvan kan men niet afdoen; en God doet het, opdat men voor zijn aangezicht vreze”[4].

Een goede Bijbelvertaling is belangrijk. Bijvoorbeeld omdat taal verandert. In de wereld van 2016 betekent het begrip ‘zonde’ heel vaak: jammer. In de kerk betekent zonde: tegen Gods geboden ingaan.
Wanneer we naar een Bijbelvertaling kijken, is het van belang dat de betekenis van woorden als zonde, schuld, genade en gerechtigheid helder wordt weergegeven. Dat moet zo gebeuren dat er geen misverstanden kunnen ontstaan over de beloften die God aan ons doet, en de dingen die Hij van ons vraagt.

De Bijbel is Gods Woord. Het is geen boodschap van mensen. Maar juist omdat de Bijbel Gods Woord is, moet iedereen dat kunnen begrijpen. Ook de mensen die ‘dure’ woorden eigenlijk heel ingewikkeld vinden. Niet iedereen heeft voortgezet wetenschappelijk onderwijs gevolgd.
Terecht heeft iemand eens opgemerkt dat Bijbellezen geloofsplezier kan opleveren. Dan wordt het bestuderen van de Bijbel een stukje makkelijker.

De Bijbelvertaling moet niet te oud zijn.
Niet alleen vanwege de taal, die steeds moeilijker te begrijpen is.
Maar ook omdat de kennis over Gods Woord steeds verder toeneemt. Opgravingen, bestudering van oude boekrollen en dergelijke leveren vaak nieuwe inzichten op. Geleerde mensen weten, mede door zulk onderzoek – vandaag veel meer van het oude Hebreeuws en het oude Grieks dan bijvoorbeeld vierhonderd jaar geleden.

Het gebruik van een Bijbelvertaling moet er uiteindelijk toe leiden dat wij de eer van God nog groter kunnen. Wij gaan steeds beter begrijpen wat Hij doet. Wij doorzien Zijn plannen met deze wereld steeds beter. Uiteindelijk moet het ons daarom gaan.

In De Gereformeerde Kerk Groningen gebruiken we de Bijbelvertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap uit 1951. Binnenkort zal daarvoor wellicht de Herziene Statenvertaling uit 2010 in de plaats komen.
Betekent dit dat we nooit eens een andere Bijbelvertaling mogen raadplegen? Dat betekent het niet. Zeker niet. Er is niets tegen om eens in een andere Bijbelvertaling te lezen. In de Bijbel in Gewone Taal uit 2014, bijvoorbeeld. Of in de Groot Nieuws Bijbel uit 1996. Dat kan soms heel verhelderend zijn. Maar het is wel opletten geblazen! Want in sommige vertalingen worden woordbetekenissen afgevlakt.
Kijkt u maar eens naar 2 Timotheüs 3:16 en 17.
In de Herziene Statenvertaling staat:
“Heel de Schrift is door God ingegeven en is nuttig om daarmee te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid, opdat de mens die God toebehoort, volmaakt zou zijn, tot elk goed werk volkomen toegerust”.
De Bijbel in Gewone Taal maakt daarvan:
“Alles wat in de heilige boeken staat, komt van God. Daarom kun je alles wat erin staat, gebruiken om uitleg te geven over het geloof. Je kunt het ook gebruiken als mensen verkeerde ideeën hebben of verkeerde dingen doen. En je kunt het gebruiken om mensen te leren hoe ze goed kunnen leven. Dankzij de heilige boeken kan een leider van de kerk zijn taak uitvoeren en veel goede dingen doen”.
Wie goed leest, ziet wel wat verschillen!

Vandaag de dag doen uitgevers ook veel aan zogeheten doelgroepbijbels.
Op 11 februari jongstleden vond bij Royal Jongbloed in Heerenveen de perspresentatie van de Vrouwenbijbel plaats. In een krantenbericht stond: “Naast de complete tekst van de Herziene Statenvertaling (HSV) bevat de Vrouwenbijbel bijdragen van meer dan zeventig vrouwen ‘die de Bijbel verder openleggen’”. Volgens de hoofdredacteur van de Vrouwenbijbel “moeten vrouwen vaak ‘veel ballen in de lucht zien te houden’, zoals werk, gezin, studie, vriendinnen en kerk. De Vrouwenbijbel is bedoeld ‘als stimulans om elke dag met God te leven’”[5].
Op zichzelf is zo’n stimulans, wat mij betreft, niet per se verkeerd.
Maar die Bijbels voor verschillende categorieën mensen hebben beslist mijn voorkeur zeker niet. De Bijbel is voor iedereen bedoeld. Onze God heeft voor alle mensen dezelfde boodschap. Natuurlijk mogen we het Evangelie in ons eigen leven toepassen. Maar niet voor niets staat in Johannes 3: “Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft”[6]. Dat prachtige principe geldt voor ieder die gelooft!

In december 2015 schreef Mr. Van Dijk – lid van de Eerste Kamer voor de Staatkundig Gereformeerde Partij – iets over de kracht van Gods Woord in onze tijd. Hij schreef in verband daarmee ook over Kim Jong Un. Die man wordt – zoals u waarschijnlijk wel weet – ‘de opperste leider’ van Noord-Korea genoemd. Maar Noord-Korea staat bovenaan een bekende ranglijst van landen waar christenvervolging voorkomt[7].
Mr. Van Dijk schreef: “Hoe dan ook, laten we onze zegeningen tellen. In 2015 is de Evangelieverkondiging op talloze plekken in ons land doorgegaan. Het jaar 2015 is ook het jaar van de Bijbelvertalingen en de studiebijbels. Ze zijn verkocht in allerlei varianten en in enorme oplagen. In nogal wat landen is de Bijbel verboden vanwege zijn explosieve kracht. Dat belooft wat. Het zal toch niet zo zijn dat Kim Jong Un een scherper zicht heeft op de uitwerking van Gods Woord dan wij?”[8].
Laten we de Bijbel, het Woord van God, maar gebruiken.
En laten we de Bijbelvertalingen maar gebruiken.
Niet om in onze eigen behoeften te voorzien. Maar om steeds dichter bij God te leven!

Noten:
[1] Op donderdagavond 10 maart 2016 zal mijn echtgenote, tijdens een vergadering van de vrouwenvereniging ‘Bouwen en Bewaren’ van De Gereformeerde Kerk Groningen, een inleiding houden over Bijbelvertalingen. Dat doet zij op basis van schets 14 (‘Synodebesluiten – Bijbelvertaling’) uit: T.L. Bruinius, “Terug naar het Woord – Over de Vrijmaking van 2003 en volgende jaren; schetsen kerkgeschiedenis”. – Bijbelstudiebond van De Gereformeerde Kerken, 2014.
Het spreekt voor zichzelf dat ik haar daar graag bij behulpzaam ben! Het schrijven van dit artikel maakt van die hulp deel uit.
[2] In het onderstaande gebruik ik onder meer: T.L. Bruinius, “Andere Bijbelvertaling?” In: De Bazuin, jg. 5, nr 21. Ook te vinden op http://www.gereformeerdkerkbladdebazuin.nl/artikel/850 .  Geraadpleegd op maandag 22 februari 2016.
[3] Deuteronomium 12:32.
[4] Prediker 3:14.
[5] “Verbinding tussen Bijbel en dagelijks leven vrouw”. In: Reformatorisch Dagblad, vrijdag 12 februari 2016, p. 9.
[6] Johannes 3:16, geciteerd uit de Herziene Statenvertaling.
[7] Zie https://www.opendoors.nl/vervolgdechristenen/ranglijst-kaart/ . Geraadpleegd op maandag 22 februari 2016.
[8] Mr. D.J.H. van Dijk, “Hoop voor 2016”. In: Puntkomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, woensdag 2 december 2015, p. 7.

26 februari 2016

Sport en afgoderij

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Godenzonen: dat is een bekende aanduiding voor voetballers die wereldfaam verworven hebben.
De sport kent afgoden. Sommigen willen dat ontkennen. Maar waarom heten stadions in de volksmond dan voetbaltempels?

Op dit gebied, geachte lezers, is er weinig nieuws onder de zon.
In 1971 schrijft de Gereformeerd-vrijgemaakte dominee K.J. Kapteyn in het kerkblad ‘Inverdân’ van de kerken te Bunschoten-Spakenburg en Eemdijk een artikel over sportvergoding[1].
In het Nederlands Dagblad van maandag 1 maart 1971 wordt het overgenomen[2].
Het onderstaande citaat is ter wille van de leesbaarheid door mij van enige interpunctie voorzien, en in alinea’s verdeeld.

“Minachting voor ons lichaam is uit den boze. Want we weten dat wij naar ziel én lichaam geschapen zijn door God onze Hemelse Vader. We weten óók dat wij naar ziel en lichaam zijn gekocht en betaald door God de Zoon. En tevens dat wij naar ziel én lichaam zijn uitgekozen als heilige woning door God de Heilige Geest. Wie daarom zijn lichaam verslonst, staat het werk van de drie-enige God tegen. Dat kan onder vrome woorden, maar die doen niets van dat feit af.

Verzorging van ons lichaam is onze dure plicht. En lichaamsoefening ook in diverse takken van sport, verdient onze waardering. Alleen het is hier wel oppassen. Iemand schreef eens: ‘Goede en goed geleide sport kweekt een gezond en sterk geslacht, hardt het lichaam en maakt lenig’. Het is echter de grote vraag: Waarvóór verzorgen wij ons lichaam en doen wij eventueel aan sport?
En daarin is een groot verschil tussen de kerk en de wereld. Ook daarin komt de antithese tussen gelovigen en ongelovigen aan de dag; en die tegenstelling moet ook aan de dag treden.
De scheidingslijn ligt niet hier: dat de christen het lichaam veronachtzaamt, terwijl de wereld er de uiterste zorg aan besteedt. Maar hier ligt de antithese, dat het lichaam bij de wereld als doel gezien wordt, terwijl het volgens Gods Woord alleen maar middel mag en moet zijn. Lichaamsverachting is onschriftuurlijk, maar lichaamsverheerlijking niet minder. Sportverguizing gaat rechtstreeks in tegen Gods Woord, maar sportvergoding valt evenzeer onder Gods oordeel. Het is altijd zaak dat wij ons wachten voor het gevaar dat we van het ene uiterste in het ander overslaan. Ik zeg geen woord te veel, wanneer ik stel dat lichaamsverheerlijking en sportvergoding de ziekte is van onze tijd. Een buitengewoon besmettelijke ziekte. En een afgoderij waarvan onze God gruwt.

Want naast de enige God, ja in Zijn plaats wordt het lichaam gesteld, de stof (waarin overigens niets verachtelijks ligt), de lichaamskracht en behendigheid. De mens en zijn prestaties worden verheerlijkt en bezongen. Filmsterren, voetbalclubs en ‘schaatskampioen’ worden aanbeden. Millioenen worden in deze afgodendienst gestoken En miljoenen mensen zijn gefascineerd en worden hysterisch wanneer ze zien of horen, dat Nederland weer een wereldkampioen schaatsen heeft voortgebracht. Voorwaar, een grote eer; oftewel een nationale schandvlek. Want in feite is het zo, dat Nederland weer een afgod heeft opgesteld tegenover en in plaats van de Enige Waarachtige God. Dacht u, dat God er een welgevallen in heeft? We weten wel beter. Hij is een God Die te allen dage toornt (Ps. 7:12). Die zich dus vandaag over Nederland vertoornt.

Laten we daar niet gering van denken. Want misschien komt de toornuitbarsting van de Here niet onmiddellijk: ‘de snoden van hart garen toorn op’, Job 36:13. Wie zijn lichaam verheerlijkt, of de lichaamskracht en prestaties van een ander, die stelt zich in de plaats van God en doet aan afgodendienst. Een gruwel in Gods ogen. Ook een levensgroot gevaar voor de kerk, voor ons allemaal. Want het mag honderd, maal zo zijn dat christenen zeggen: ‘Ik mag Ajax zo graag zien spelen: ik vind hardrijden op de schaats enorm’. Dat zal wel. Maar ons gevoel en onze lust zijn geen maatstaf. De Catechismus zegt in zondag 34 (hier is Zondag 35 bedoeld, BdR) dat God mij in het eerste gebod gebiedt: dat ik zo lief als mij mijn zaligheid is, alle afgoderij vermijd en ontvlucht. Kijken naar afgodendienst – of dat nu in een heidense tempel is, of in een stadion, of in een huiskamer – is heus geen onschuldige bezigheid. Het is mensenverheerlijking, in plaats van de verheerlijking van onze God. Laat niemand zichzelf misleiden met de gedachte dat hij als christen zo zichzelf kan ontspannen.

En wanneer wij in de huiskamer, of in ons hart bijval schenken aan afgodendienst, vertoornen en bedroeven wij de God van het verbond. De God Die van het begin van ons leven ons al toeroept: ‘Mijn zoon, geef Mij Uw hart’.
De afgodendienst die door het Nederlandse volk zo druk bedreven wordt, is een levensgroot gevaar voor de kerk. Want die afgoderij leidt tot afval van de kerk. Tot misleiding van de jeugd. Laten daarom de ouders toezien dat zij geen afgoden toelaten in hun hart, in hun huis. in hun gezin. Het leidt tot ontheiliging van de Naam des Heren, van de dienst des Heren en dan ook van de dag des Heren. Wie aan zijn afgoden vasthoudt, vergaat met hen”.

Wat zal ik verder van deze dingen zeggen?

Dominee Kapteyn noteert, wat mij betreft, veel behartenswaardige dingen. Ook vandaag scherpen zijn woorden ons op!

Het is een feit dat het soms best leuk kan zijn om naar sport te kijken.
Een mooi doelpunt tijdens een goede voetbalwedstrijd is leuk om te zien.
De landschappen die tijdens tv-uitzendingen van de Tour de France op het scherm voorbij schuiven zijn vaak het aanzien waard.

Maar wat mij betreft wordt dergelijk kijkplezier niet zelden bedorven door de wetenschap dat sport, corruptie en andersoortig bedrog nogal eens hand in hand gaan.
In de internationale atletiekfederatie is corruptie aan de orde van de dag[3].
In de wereldvoetbalbond – beter bekend als de FIFA – is corruptie een bekend fenomeen[4].
We horen, met name in de voetballerij, veel over matchfixing. Dat is een modern woord voor wedstrijdmanipulatie[5].
En ach, zullen we ’t over doping maar niet meer hebben?

Een sport beoefenen is meestal heel gezond.
Kijken naar sport: dat is natuurlijk niet verboden.
Maar het probleem van de topsport is dat iedere vorm van bescheidenheid of deemoed ver te zoeken is.
Prestaties heeft de sporter zelf neergezet. Hij heeft zijn prijs op eigen kracht gewonnen.
Maar als de sporter gefaald heeft, laten commentatoren en supporters helemaal niets meer van hem heel. Hij heeft afgedaan. Hij doet er verstandig aan schielijk via een zijdeur uit het zicht te verdwijnen.

In de topsport is alles maximaal. Totaan de geldbedragen die er in om gaan.
De topsport is een gesloten wereld, waarin niet of nauwelijks plaats is voor de God van hemel en aarde.
Het is uiterst belangrijk om onszelf in acht te nemen. Voor we ’t weten worden we meegezogen in een draaikolk van verwereldlijking.

Tenslotte nog dit.
Dominee Kapteyn citeert een woord uit Job 36.
Laat ik vandaag met datzelfde Schriftgedeelte mogen eindigen.
“Zie, God handelt verheven in zijn kracht;
wie is een leermeester als Hij?”[6].
Het moge duidelijk zijn: tegen die kracht kan geen topsporter op[7]!

Noten:
[1] Dominee K.J. Kapteyn – geboren in 1937 – diende de kerken te Bunschoten-Spakenburg en Spakenburg-Noord tussen september 1969 en maart 1977.
[2] “Sportvergoding”. In: Nederlands Dagblad, maandag 1 maart 1971, p. 2 (rubriek Persschouw).
[3] Zie hierover bijvoorbeeld http://www.nu.nl/sport-overig/4197611/corruptie-wijdverspreid-in-internationale-atletiekfederatie.html .
[4] Zie hierover bijvoorbeeld http://www.volkskrant.nl/sport/oud-vicevoorzitter-fifa-geeft-corruptie-toe~a4214334/ .
[5] Zie hierover bijvoorbeeld https://nl.wikipedia.org/wiki/Wedstrijdvervalsing .
[6] Job 36:22.
[7] De bovengenoemde internetpagina’s werden alle geraadpleegd op zaterdag 20 februari 2016.

25 februari 2016

Vluchtelingenproblematiek

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Het nieuws over de vluchtelingenproblematiek dreigt ons soms te overspoelen. De kranten staan er vol mee. In televisie- en radioprogramma’s wordt er schier eindeloos over gesproken.

Een rechtgeaard Gereformeerd mens vraagt zich wellicht af wat hij met al dat nieuws moet. Passende oplossingen lijken niet of nauwelijks voorhanden. De samenwerking in het Europese werelddeel is, als het om de opvang van vluchtelingen gaat, op z’n zachtst gezegd tamelijk moeizaam.

Gods Woord is, ook in onze tijd, geen handboek met oplossingen en protocollen. Wij mogen de Bijbel echter niet dicht laten. Ook in een tijd van oorlog, terreur en vluchtelingenstromen heeft onze God het te zeggen.

In Mattheüs 24 gaat het onder meer over vluchtelingen. Leest u maar even mee.
“Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn.
Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, op de heilige plaats ziet staan – wie het leest, geve er acht op – laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen[1].

Over bovenstaand Schriftgedeelte wil ik vandaag gaarne enkele gedachten doorgeven.

Gods kinderen moeten volharden in hun geloof. Het is belangrijk om dat vast te stellen.
Er staat in Mattheüs 24 niet dat ware gelovigen steeds behoren te proberen om overzicht te houden over de gebeurtenissen in de wereld.
Dat kan namelijk niet. Ook de wereldleiders hebben geen exact overzicht van alle gebeurtenissen op aarde. Zij zetten enkele lijnen uit. En het kost die regeerders geweldig veel moeite om die lijnen evenwijdig te laten lopen.
Van Gods kinderen wordt volharding gevraagd. Er zal namelijk een moment komen dat de Heiland verschijnt: “Terstond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen. En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid. En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere”[2].
Al die berichten over die vluchtelingen moeten ware gelovigen richten op de wederkomst van Jezus Christus.
Moeten we dan maar over al de vluchtelingen van 2016 heen kijken? Nee. Natuurlijk niet. Maar onze blik moet ook in die wandelende mensenmassa’s blijven steken.

Het Evangelie van Gods Zoon zal in heel de bewoonde wereld geproclameerd worden. Dat Evangelie is een getuigenis, een marturion. Dat Griekse woord ‘marturion’ komt uit de rechtspraak. Het getuigenis is een bewijs vóór of tegen iemand.
Naarmate dat Evangelie in de wereld luider en indringender klinkt, wordt het bewijs dat Gods beloften werkelijkheid worden steeds harder.
Zolang de Heiland nog niet terug is op aarde, is er voor alle wereldburgers om zich te laten overtuigen.
In die situatie spreekt het bijna vanzelf dat mensen die reeds het eigendom van Jezus Christus zijn, metterdaad contact houden met hun Heiland. Zij weten immers dat Hij terugkomt om een nieuwe toekomst te openen?

De verschrikkingen die in Mattheüs 24 beschreven staan komen, om zo te zeggen, niet uit de lucht vallen.
De profeet Daniël spreekt er in het Oude Testament al over. In hoofdstuk 11 bijvoorbeeld: “Dan zullen strijdmachten door hem op de been gebracht worden; zij zullen het heiligdom, de vesting, ontheiligen, het dagelijks offer doen ophouden en een gruwel oprichten, die verwoesting brengt. En degenen die zich misgaan tegen het verbond, zal hij door vleierijen tot afval bewegen, maar het volk dat zijn God kent, zal sterk zijn en daden doen”[3].
Over die woorden van de profeet Daniël zou veel te schrijven zijn. Vandaag volsta ik met het volgende.
Het dagelijks offer in de tempel kan niet meer worden gebracht. Sterker nog: de tempel wordt op een schandelijke manier verontreinigd. De Here God wordt aan de kant geschoven; men zet er zijn eigen afgoden voor in de plaats.
Wordt de kerk dan volkomen weggevaagd? Zeker niet. Want ware gelovigen zullen krachtig wezen. In de kerk worden de activiteiten niet gestaakt. Integendeel. In de kerk is het een drukte van belang!

Gelovigen moeten vluchten, zegt Jezus in Mattheüs 24.
In sommige delen van de wereld is dat nu al het geval. En wellicht komt het in Nederland ook wel eens zover.
Misschien zullen ook wij ons eens uit de voeten moeten maken. Misschien moeten onze nakomelingen een schuilplaats zoeken in bergen, ravijnen en moeilijk toegankelijke rotspartijen.
Maar dat alles, geachte lezers, is geen reden om de zaak maar blauwblauw te laten.

De beelden van wanhopige vluchtelingen buitelen in de media over elkaar heen.
Misschien hebben wij, kerkmensen van 2016, de neiging om ons maar stil te houden. Wellicht menen wij dat het Woord van God in onze tijd niet meer verkondigd kan worden. Heeft evangelisatie in onze tijd nog wel zin?
Geachte lezers, ook in deze tijd is de boodschap voor de kerk: volhardt in het geloof; houdt Gods beloften vast!
Gereformeerde mensen – ja, ook zij – mogen vluchtelingen helpen waar zij kunnen.
Gereformeerden mogen laten blijken dat zij, dankzij dat Woord van God, in staat zijn om over de vluchtelingenproblematiek heen te kijken.
Er is perspectief.
Er is toekomst.

Daarom noteer ik nog één keer die prachtige woorden uit Mattheüs 24: “Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden”.
Laat die woorden maar echoën in ons brein!
Laten die woorden het motto van de dag maar wezen!

Noten:
[1] Mattheüs 24:13-16.
[2] Mattheüs 24:29, 30 en 31.
[3] Daniël 11:31 en 32.

24 februari 2016

Kort door de bocht

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

In kerkelijk Nederland heerst vandaag de dag, globaal bezien, één grote angst[1]. Die angst is samen te vatten in vier woorden met in totaal vijftien tekens. Die stille beklemming is in de titel van dit stuk omschreven. Die angst heet: kort door de bocht.
Wij willen niet te kort door de bocht gaan. Stelt u zich voor dat u ongewild ongenuanceerd bezig bent! Foei toch!
Gemakshalve lijken velen te vergeten dat in het verkeer een bocht naar rechts zo kort mogelijk moet worden gemaakt. Als u een te ruime bocht maakt riskeert u namelijk botsingen met andere weggebruikers. Kort door de bocht: dat kán zo z’n voordelen hebben.
Trouwens, ikzelf gebruik de betreffende uitdrukking ook nogal eens. En dat acht ik in het geheel niet ernstig.

Natuurlijk, u kunt ook te kort door een bocht gaan. Dan komt u op het trottoir terecht. Alwaar u onschuldige burgers aan rijdt. En dat is niet de bedoeling. Daar is iedereen het over eens.

In de kerk hoor ik vandaag de dag te pas en te onpas dat we te kort door de bocht gaan.
Niet zelden heb ik de indruk dat mensen kort door de bocht gaan als zij Gereformeerd blijven denken. Althans: andere verkeersdeelnemers vinden dat diverse bochten te kort genomen worden. Zij vinden dat bar lastig. Zij roepen dingen als: ‘Je zult het nog moeilijk krijgen in de kerk’ . Dat houdt feitelijk in dat u zachtkens wordt vermaand: u dient zich aan onze verkeersregels aan te passen, want anders werkt het niet.
Denkt u vooral niet dat het bovenstaande pure fantasie is! Jaren geleden is het al  – het was in 2007 –  dat iemand voorspelde dat mijn vrouw het nog lastig gaat krijgen in de kerk. Het gebeurde tijdens een vergadering van de vrouwenvereniging waar ze indertijd lid was. Zou die vereniging enkele helderziende leden gehad hebben?
Toen ik ooit eens met een broeder sprak over de verhouding GKV/CGK, kanselruil en wat daar verder volgt sprak de broeder blijmoedig: ‘Doe niet zo ingewikkeld man’. Terwijl ik nu niet bepaald het idee had dat ik het extra moeilijk maakte.

Die uitdrukking ‘kort door de bocht’ wijst er, als u het mij vraagt, op dat de mensen veelal kort van memorie zijn.

Wat dat betreft is Deuteronomium 32 een eyeopener.
Dat is het lied van Mozes.
Mozes laat in dat lied zien hoe trouw Vader voor Zijn kinderen zorgt. Maar ondank is Vaders loon. In dat kader lees ik:
“Zij verwekten Hem tot naijver door vreemde goden,
met gruwelen krenkten zij Hem;
zij offerden aan de boze geesten, die geen goden zijn,
aan goden, die zij niet hebben gekend,
nieuwe goden, die kort tevoren opgekomen waren,
voor welke uw vaderen niet gehuiverd hadden”[2].

Trouwe zorg is aan Israël, de kerk van Deuteronomium 32, niet besteed. Langdurige verzorging overzien de Istaëlieten niet. Ze kijken om zich heen. Maar ze richten de blik niet naar boven.
Desondanks houdt de Verbondsgod Zijn volk permanent in beeld.
“Want de HERE zal recht doen aan zijn volk
en Zich ontfermen over zijn knechten;
wanneer Hij ziet, dat hun kracht vergaan is,
van hoog tot laag allen hun einde gevonden hebben”[3].
De Here laat Zijn volk niet los.
Dat is natuurlijk kort door de bocht. Maar het is toch zo.

Graag wijs ik u op een Schriftgedeelte dat u, in zekere zin, ongenuanceerd kunt noemen. Ik bedoel Jacobus 1.
En wel deze woorden: “Houdt het voor enkel vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt, want gij weet, dat de beproefdheid van uw geloof volharding uitwerkt. Maar die volharding moet volkomen doorwerken, zodat gij volkomen en onberispelijk zijt en in niets te kort schiet. Indien echter iemand van u in wijsheid te kort schiet, dan bidde hij God daarom, die aan allen geeft, eenvoudigweg en zonder verwijt; en zij zal hem gegeven worden. Maar hij moet bidden in geloof, in geen enkel opzicht twijfelende, want wie twijfelt, gelijkt op een golf der zee, die door de wind aangedreven en opgejaagd wordt”[4].

Het kan natuurlijk aan mij liggen. Maar ik heb het idee dat daar, in Jacobus 1, nogal wat nuances blijven liggen. Kijkt u voor de aardigheid even mee.
* Houdt het voor enkel vreugde. Er staat niet: probeer nu eens een beetje blij te zijn.
* Velerlei verzoekingen. Niet maar een paar, het gaat hier over talloze verleidingen.
* Volharding die volkomen doorwerkt. Als u er iets van ziet, is dat dus niet genoeg.
* Volkomen, onberispelijk, in niets tekort schietend. Nou nou! God kent Zijn kinderen toch wel?
* Hij “die aan allen geeft”. Niemand uitgezonderd dus. Terwijl God bij machte is zo zorgvúldig te werken.
* Eenvoudigweg en zonder verwijt. Hij vraagt dus nooit of u ’t eigenlijk wel verdiend hebt.
* Bidden in geloof. Dus niet alleen op die momenten dat u zeker van Zijn zaak bent.
* In geen enkel opzicht twijfelende. Denk vooral niet: zou ’t allemaal ook voor míj zijn?
Dit is kort door de bocht, zeggen ze tegenwoordig.
Dergelijk commentaar is, dunkt mij, tamelijk ongerijmd.
Het is namelijk datgene wat de Here zegt.
En op dat terrein komen wij geen grijs gebied tegen.
Over ‘niemandsland’ hebben wij de God van het Verbond nog nimmer horen spreken.

Die uitdrukking ‘kort door de bocht’ is ingekaderd in de angst. Dit artikel begon er mee. Er is de vrees voor ongenuanceerde uitspraken die meer kapot maken dan de sprekers lief is.
Maar er is, denk ik, meer.
Het kon wel eens zijn dat nogal wat bangeriken diep in hun hart beducht zijn voor de waarheid.
Want iemand die kort door de bocht formuleert laat de grote lijn zien. De details worden even vergeten. De grote lijn wordt uitgetekend. Men wordt geconfronteerd met de consequenties van gedetailleerde blabla. Opeens wordt het duidelijk, pijnlijk duidelijk: kijk, daar gaat het naar toe.
Natuurlijk, die lijn kan een verkeerde richting op gaan. Maar zou dat snel gebeuren als Gods Woord het beginpunt is? De vraag stellen is haar beantwoorden.

Ik erken graag dat het bovenstaande een aantal veronderstellingen bevat. Want ik kan uiteraard niet met zekerheid zeggen dat mensen bang zijn.
Maar wat ik wel weet is dat er meestentijds nogal fel gereageerd wordt. ‘Hij is ook van die club’, hoort men dan zeggen. Of woorden van gelijke strekking. U hoort bijna nooit: hij heeft wel een beetje gelijk, maar… De kerk is ingedeeld in clubs en hoeken. En ergens in een nis staan een aantal mensen schrikachtig en goeddeels zwijgend te wachten tot de storm over is.

Zou die felheid toevallig zijn?
En hoe moet het verder met die kleumende kerkmensen, daar in die nis?

En vooral: hoe moet het eigenlijk verder met die paar Gereformeerden die, soms ergens in een klein kerkje, eenvoudigweg verkondigen dat Gods blijde Boodschap ook een tweesnijdend scherp zwaard is?

Laat ik tot ons aller troost tot slot vandaag het volgende antwoord mogen noteren. U vindt het in 1 Petrus 5.
“Wordt nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. Wederstaat hem, vast in het geloof, wetende, dat aan uw broederschap in de wereld hetzelfde lijden wordt toegemeten. Doch de God van alle genade, die u in Christus geroepen heeft tot zijn eeuwige heerlijkheid, Hij zal u, na een korte tijd van lijden, volmaken, bevestigen, sterken en grondvesten. Hem zij de kracht in alle eeuwigheid! Amen”[5].

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op vrijdag 23 februari 2007.
[2] Deuteronomium 32:16 en 17.
[3] Deuteronomium 32:36.
[4] Jacobus 1:2-6.
[5] 1 Petrus 5:8-11.

23 februari 2016

Drukte in het werkpaleis

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Wij moeten, zo leert ons Zondag 32 der Heidelbergse Catechismus, “met ons hele leven tonen, dat wij God dankbaar zijn voor zijn weldaden[1].
Enkele van de Schriftbewijzen die onder die Zondag staan zijn te vinden in 1 Petrus 2:
“en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus”.
En:
“Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht”[2].

Daar, in 1 Petrus 2 staat de term ‘levende stenen’[3]. Die uitdrukking heeft iets merkwaardigs. Immers – stenen zijn toch niet levend? Er zit geen leven in. Bovendien: kan Petrus niet gewoon volstaan met het noemen van de stenen?
Toch niet.
Want Petrus wil tonen dat Jezus Christus datgene wat bij mensen onmogelijk is, toch bestaanbaar maakt. Het leven wordt gul gedistribueerd onder allen die de God van hemel en aarde op Zijn Woord geloven.

In 1 Petrus 2 staat dat wij ons als levende stenen moeten laten gebruiken. Daar lezen wij dus niet dat wij levende stenen moeten worden. Dat kan natuurlijk ook niet. Dode materie kunnen wij toch niet tot leven wekken?
Welnu, wij kunnen ons als levende stenen laten gebruiken als wij in Jezus Christus blijven. Dat is: “het ‘in Christus-zijn’ is niet alleen maar het fundament of de diepste wortel van het christen-zijn, maar het is een nieuwe werkelijkheid, een nieuwe realiteit binnen het dagelijkse leven zelf”[4].

Met die levende stenen wordt een “geestelijk huis” gebouwd.
Een huis is statisch. Het staat stil. Het beweegt niet.
Maar een geestelijk huis komt tot leven. Want de Heilige Geest is daar aan het werk!

De kerk is het paleis van God.
De gelovigen in de kerk hebben dagwerk aan priesterlijke arbeid: in al hun doen en laten stralen ze uit hoe dankbaar zij zijn voor het leven. En voor de zegen van God. En voor de zorg en de bescherming die Hij iedere minuut van het leven geeft.

De priesters – dat zijn dus de kerkmensen – verkondigen de grote daden van God.
Die uitdrukking ‘grote daden’ moeten wij in verband brengen met de komst van Christus op aarde, en met de uitstorting van de Heilige Geest op de eerste Pinksterdag.
Maria zingt namelijk in Lucas 1: “Mijn ziel maakt groot de Here, en mijn geest heeft zich verblijd over God, mijn Heiland, omdat Hij heeft omgezien naar de lage staat zijner dienstmaagd. Want zie, van nu aan zullen mij zalig prijzen alle geslachten, omdat grote dingen aan mij gedaan heeft de Machtige. En heilig is zijn naam”[5].
In Handelingen 2 zeggen de mensen verbijsterd: “Parthen, Meden, Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judéa en Capadócië, Pontus en Asia, Phrygië en Pamphilië, Egypte en de streken van Libië bij Cyrene, en hier verblijvende Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten, Cretenzers en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal van de grote daden Gods spreken”[6].
Grote daden van God: die term slaat vooral op het Kerstfeit en het Pinksterfeest.

Dit alles gelezen hebbende slaat wellicht de wanhoop toe.
Wat wat maken wij van de lofprijzing? Schieten wij niet schromelijk tekort als het om de lof op God gaat?
Ja, dat is ontegenzeglijk waar.

Maar het loven van God betekent, als u het mij vraagt, niet dat wij de ganse dag ‘halleluja’ moeten roepen. Het prijzen van de Here wil niet zeggen dat wij de ganse dag dankgebeden stamelen.
Het houdt ook niet in dat wij altijd maar stoïcijns moeten blijven onder tegenslagen of rampspoed.

Wij behoren, zegt Zondag 32, met ons hele leven te tonen, dat wij God dankbaar zijn voor zijn weldaden. En dus kunnen we zeggen: elke beroerdigheid ons ook overkomt, de dankbaarheid voor Gods weldaden kan er altijd zijn. Immers – Jezus’ lijden, sterven en opstanding blijven immer functioneren als het fundament van ons leven.

Wij zullen, zo leren we in 1 Petrus 2, geestelijke offers moeten brengen.
Denkt u daarbij maar rustig aan de gewone, dagelijkse gang van zaken in uw leven. In alle situaties van ons bestaan kunnen wij blijmoedig contact zoeken met de hemelse God, de soevereine Vorst van deze wereld.
We weten dat Hij Zijn kinderen uitkoos, dat Hij een verbond met hen sloot, en dat Hij die kinderen nooit – nee, nooit – meer los zal laten.

De kerk is het paleis van God.
En jazeker, dat kasteel is een werkpaleis.
De kerk is één enorme brok dynamiek. Heel veel koninklijke priesters hebben hun handen aan het eren van God. Nee, al die priesters krijgen daarvoor geen honorarium. Al die geestelijke offers zijn “Gode welgevallig door Jezus Christus”.

De luiken van de kerk zijn trouwens niet dicht.
Integendeel.
De kerk staat midden in een wereld vol chaos, geweld en revolutie tegen God.
Maar in het werkpaleis heerst, tot in alle hoeken en nissen, een sfeer van dankbaarheid.
En al die bedrijvige koninklijke priesters zijn vol vertrouwen.
Dat is het heerlijke vertrouwen van Psalm 21:
“U bent het, HEER, die hem – die koninklijke priester dus! – verblijdt;
op U is zijn vertrouwen,
wie hem ook mag benauwen.
Want door uw goedertierenheid
staat hij onwankelbaar,
zelfs in het grootst gevaar”[7].

Het werkpaleis van God is een onneembare vesting!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 32, antwoord 86.
[2] Achtereenvolgens citeer ik de verzen 5 en 9 uit 1 Petrus 2.
[3] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van http://www.gelovenisleven.nl/levendestenen.htm . Geraadpleegd op maandag 15 februari 2016.
[4] Geciteerd via https://bderoos.wordpress.com/2014/05/20/nieuwe-werkelijkheid/ .
[5] Lucas 1:46-49.
[6] Handelingen 2:9, 10 en 11.
[7] Psalm 21:4 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

22 februari 2016

Zuiver zicht op Christus’ kerk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Nadenken over de kerk – de kerk zoals God die creëert – is mooi werk[1]. Dat doe ik graag. Ik weet wel dat datgene wat mensen ervan maken, soms maar een armzalig gedoetje is. Maar denken over de kerk als verzameling van Gods kinderen, dat levert mooie gedachten op.

Die gedachten beperk ik niet tot Nederland.
Ik kijk wat dit betreft ook graag over grenzen heen. Daarbij denk ik niet aan iets als een ‘onzichtbare kerk’. Als we naar de Verenigde Staten zouden reizen, of naar Congo, of naar China, dan zouden we daar ook kinderen van God tegenkomen. En ook kerken waarin Gods kinderen verenigd zijn. Als u in die landen bent ziet u die kerken dus wel. Als dat het geval is, kun je de kerk toch bezwaarlijk onzichtbaar noemen? Wat mij betreft is de kerk in heel de wereld niet te overzien. Maar de kerk is wel zichtbaar. En de kerk is, goed beschouwd, niet onoverzichtelijk. Dat wij er niet in slagen om er grip op te krijgen, dat ligt aan onze beperkte blik.

Maar de kerk is in de grond van de zaak dus iets prachtigs.

Met zekere regelmaat kan men artikelen tegenkomen waaruit – soms tussen de regels door – verlegenheid met de kerk spreekt.
Dat is verdrietig.
Maar wij moeten niet in zulk verdriet blijven steken. Laten wij vasthouden: Gods kerkvergaderende werk is mooi. De mensen in de kerk laten, hoofd voor hoofd, zien hoe genadig God is. Hij had ons ook in de zonde kunnen laten zitten. Maar dat is niet gebeurd.

Sprekend over de kerk, komt soms ook zomaar het woord ‘denominatie’ langs. Dat is een “aanduiding van een kerk of groep van kerken, met een eigen geloofstraditie, kerkorde en liturgie, die hen onderscheidt van andere kerken”[2].
Aldus redenerend kijk je van onderaf op de kerk. Zo wordt de kerk een gemeenschap van goedwillende gelovigen. Het wordt een groep die elkaar welwillend in de gaten houdt. De denominatie is een groepering uit een rijtje. Links, rechts, voor en achter bevinden zich ook diverse genootschappen die zich ‘kerk’ noemen.
Het Latijnse denominatio betekent iets als: omnoeming, het ene woord gebruiken in de betekenis van een ander[3]. ‘Denominatie’ heeft daarom de klank van: als het beestje maar een naam heeft.
Al met al heb ik niet bepaald het idee dat het woord ‘denominatie’ de zaak eenvoudiger maakt.

De kerk is van onze Here Jezus Christus.
Hij is het Hoofd van de kerk.
Hij is de Eigenaar van de kerk.
Het lijkt me dat wij dat scherp voor ogen moeten hebben. Want wij kunnen sommige kerkmensen in de wandelgangen horen zeggen dat we in ons leven ruimte voor God moeten maken.
Zulke sprekers beginnen, als u het mij vraagt, aan de verkeerde kant.
God komt binnen in ons leven. Hij schept ruimte voor Zichzelf. Wij scheppen geen ruimte voor Hem. Dat kunnen wij niet eens.
Wat behoort onze houding te wezen? In de Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt die als volgt getypeerd: “… al wat in zijn doen het menselijk verstand te boven gaat, willen wij niet nieuwsgierig onderzoeken, verder dan ons begrip reikt. Maar in alle ootmoed en eerbied aanbidden wij de rechtvaardige beslissingen van God, die voor ons verborgen zijn. Wij stellen ons ermee tevreden, dat wij leerlingen van Christus zijn, om slechts te leren wat Hij ons onderwijst door zijn Woord, zonder deze grenzen te overschrijden”[4].
Wij moeten God op Zijn Woord geloven.
Wij mogen naar God opkijken, net zoals een kind vol ontzag naar Zijn vader opkijkt: Hij is mijn Vader; wat is Hij toch machtig!

En als wij Hem dan zien, ontdekken we meteen hoe klein wij zijn, en hoe zondig.
Wij ontdekken alras dat wij er op mogen rekenen dat onze zonden ons niet levenslang worden nagedragen: er is vergeving door Jezus Christus.
In de woorden van de Dordtse Leerregels gaat dat als volgt: “Maar zij (dat zijn Gods kinderen) ontvangen haar (= de zekerheid over de uitverkiezing), wanneer zij met een geestelijke blijdschap en heilige vreugde de onmiskenbare vruchten van de uitverkiezing, die Gods Woord aanwijst, bij zichzelf opmerken, zoals bijvoorbeeld het ware geloof in Christus, kinderlijk ontzag voor God, droefheid naar Gods wil over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid”[5].
Wij gaan dat alles als vanzelf merken.
Wij hoeven niets bijzonders te voelen. Wij hoeven ook opmerkelijks niets te creëren.
Ruimte maken in ons leven, dat gebeurt door de Heilige Geest. Dat maak ik op uit 1 Corinthiërs 2: “Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is. Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken”[6].

De kerk zit vol mensen.
Zij maken het goed, daar in de kerk.
Maar zij maken de kerk niet.
Want de kerk wordt door God staande gehouden[7]. Wat de wereld ook bedenkt, de kerk valt nooit om. Hoe de wereld ook haar best doet, de kerk verdwijnt nooit helemaal.

Met Efeziërs 5 mag de kerk blijven belijden dat Christus “zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft, om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord, en zo zelf de gemeente voor Zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbesmet”[8].
Kortom: de kerk is iets prachtigs.
En wat meer is: zij wordt, door toedoen van Christus, steeds mooier. Wonderlijk, maar waar!

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op maandag 19 februari 2007.
[2] Deze omschrijving is afkomstig van http://www.cultureelwoordenboek.nl/index.php?lem=1009 . Geraadpleegd op vrijdag 12 februari 2016.
[3] Zie http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/denominatie . Geraadpleegd op vrijdag 12 februari 2016.
[4] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 13.
[5] Dordtse Leerregels, hoofdstuk I, artikel 12.
[6] 1 Corinthiërs 2:12 en 13.
[7] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 27.
[8] Efeziërs 5:25, 26 en 27.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.