gereformeerd leven in nederland

29 april 2016

Voorbijgaande verontrusting

Onlangs las ik een krantenkop in een oud nummer van het Nederlands Dagblad: “Maak van uw verontrusting geen bestendigdurende toestand”.
Nee, die krant komt niet uit 2016. Die krant is gedateerd op woensdag 28 april 1971[1].

Ik citeer uit het Nederlands Dagblad:
“U mag uw verontrusting niet tot een bestendigdurende toestand doen worden. God vraagt van u de lofzang op de rust, die Hij schenkt in en door de zuivere bediening van Zijn Woord. Verontrusten en nietverontrusten, wij allen hebben ons te voegen tot de kerk van de zuivere woordbediening, want daar schenkt God Zijn rust, aldus sprak ds. W. Wierenga uit Berkel en Rodenrijs in het kerkgebouw aan de Kuipersstraat te Rotterdam-Delfshaven, waar een comité van gereformeerden (vrijgemaakt) een drukbezochte contactavond had belegd voor verontrusten uit de synodaal gereformeerde kerken”.

Ook vandaag zijn er heel wat mensen die onrustig in hun stoel heen en weer schuiven.
Zij voelen wel aan dat het niet goed gaat in de kerk.
Maar waar moeten ze naar toe?
Dominee Wierenga kan die onrustige stoelschuivers de weg wijzen. Want, zegt hij, zuivere woordbediening geeft rust.

“Ds. Wierenga stelde daarbij twee vragen aan de orde: wat er aan de hand is en wat er gedaan moet worden”.

Wat is de situatie in april 1971?

“Er is, zo zei hij, veel weerstand bij vele verontrusten tegen het onstuitbaar lijkende streven naar nauwe samenwerking en naar vereniging met de Ned. Herv. Kerk, waar loochenaars van Christus’ zoenbloed en van Zijn opstanding een volwaardige plaats wordt gegeven als predikers; oprechte zorg over de aansluiting bij de Wereldraad van kerken, die sterk overheerst wordt door linke figuren; schrik over de recente dissertatie van dr. Wiersinga, waarin wordt afgerekend met het plaatsvervangend lijden en sterven van Christus: verontrusting ook over het meer en meer loslaten van de Drie formulieren van Enigheid en over de gang van het onderwijs op christelijke en gereformeerde onderwijsinstellingen.

Vooral spitsen de zaken zich toe op het Schriftprobleem, gezien het feit dat de synode van Amsterdam-Lunteren in 1967 het besluit van Assen 1926 liet vallen. Ds. Wierenga noemde dit een levensgevaarlijke zaak, omdat nu de Heilige Schrift afhankelijk gemaakt wordt van de wetenschap en de wetenschap in feite prioriteit krijgt ten opzichte van de Bijbel. Nu de schriftkritiek is vrijgegeven maakt bijv. prof. Kuitert van die vrijheid volop gebruik in zijn ontkenning dat Adam en Eva ooit echt hebben bestaan, en in zijn onschriftuurlijk spreken over het sterven. Hier is hij bezweken voor de druk van de wetenschap, die met Gods Woord niet rekent. Op vele plaatsen wordt de Schrift niet-letterlijk meer genomen, wordt onderscheid gemaakt tussen betrouwbare kern en vroeg of anti-Joods verpakkingsmateriaal.

Dat alles komt in de plaats van de belijdenis van de inspiratie van de Heilige Schrift. Vandaar dat Kuitert spreekt als zou het Oude Testament bestaan uit gebundelde geloofsuitspraken van Israël en het Nieuwe Testament het geloofsgetuigenis zou zijn over de menselijke daden van Christus. Maar, zo stelde ds. Wierenga, waar is het Woord Gods waaraan we ons dienen te onderwerpen, mogen onderwerpen en waarop we ons geloofsantwoord zullen te geven hebben? De gewone man, de niet-theoloog, de gereformeerde leek is volstrekt afhankelijk geworden van de theoloog, de vakman, die zal uitmaken wat aan te nemen kern en te verwaarlozen verpakking is.

Zo wordt de gemeente afhankelijk van de theologische wetenschap, welke op zijn beurt weer afhankelijk is van de niet-theologische wetenschap. Zo is het niet verwonderlijk, dat reeds openlijke twijfel is uitgesproken over de waarachtige, lichamelijke opstanding van Christus uit de doden, evenals over Zijn maagdelijke geboorte. De wezenlijke crisis, aldus ds. Wierenga is dat het vaste, betrouwbare, duidelijke, gezagsvolle, troostende en houvastbiedende woord van God is losgelaten. Een crisis, die de synode van Sneek geweigerd heeft weg te nemen”.

Wat betekent dat alles in de praktijk van de zeventiger jaren?

“De vraag is daarom wat er gedaan moet worden. Het zal ons toch, zo stelde spreker, allen in het hart geschreven staan, dat wij, als Christenen van het Woord Gods leven. Het geloof staat op het spel, zodra de Schrift op het spel staat. Wie gaat sleutelen aan het middel der genade, Gods kracht tot behoud, het Woord, die draait de moeren uit het gebouw der verlossing. Met klem stelde Ds. Wierenga dat het kenmerk van de ware kerk is: de zuivere bediening van het Woord Gods. Daar moeten verontrusten en niet-verontrusten zijn, want het komt niemand toe zich daarvan af te scheiden. Dat is een evangelische eis, want met die eis jaagt onze Gods onze zaligheid na en ons naar de zaligheid toe. Verontrusting mag niet bestendig zijn, want in Jeruzalem, de kerk, wordt de rust geschonken, omdat het Woord Gods gepredikt wordt. Het woord der rust, van troost, zegen, vreugde en geloofsversterking”.

Maar hoe is dat mogelijk? Met een paar duidelijke lijnen tekent predikant de situatie in de synodale kerken.

“Verontrusting tegenover de rust. Hoe kan dat, zo vroeg ds. Wierenga, God. schenkt rust en u bent verontrust; Christus zegt: Komt en ik zal u rust geven…. en u bent de rust kwijt. Hoe kan dat? Dat kan, omdat u het Woord Gods, dat die rust schenkt, in feite kwijt bent in uw kerken. Omdat u niet meer kunt zingen: hier wordt de rust geschonken”.

Nog is het einde niet. Leest u maar mee.

“Ds. Wierenga memoreerde hoe er ook in de vrijgemaakte kerken de laatste jaren grote moeiten zijn geweest. Die gingen toch weer om hetzelfde: te blijven bij de door God geschonken rust van het volle, rijke Woord Gods, in de strikte binding aan de Drie formulieren van Enigheid, waarin de leer der zaligheid, de leer der rust, is neergelegd.
Er is, zo stelde [de] spreker, grote zorg over u en uw kinderen, over broeders en zusters, wier geloof wordt afgebroken door de schriftkritiek. Als gereformeerden hebben we ook vóór de vrijmaking de gereformeerde bonders in de hervormde kerk voorgehouden dat ze met een kerk van leervrijheid en schriftkritiek en hiërarchie moeten breken. Verontrusten mogen geen gereformeerdebonders worden in de synodale kerken. Onze voorouders stelden de daad van de Afscheiding en daarin zijn wij ze toch gevolgd, aldus ds. Wierenga”.

Tot zover de citaten uit een editie van het ND uit 1971.

Anno Domini 2016 is de situatie natuurlijk anders. Maar laten we eerlijk wezen: de deformatie in de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) is groot.
De tijden zijn veranderd, zegt men.
En natuurlijk is dat waar.
Maar de boodschap van Gods Woord is niet veranderd.

Die laatste zin noteer ik met vreugde.
Toch is die vreugde gemengd met diepe teleurstelling.

Die teleurstelling is persoonlijk gekleurd.
Jazeker, dominee Wierenga is de predikant waar ik in 1981 openbare geloofsbelijdenis bij deed.
Maar hij is ook de predikant die het boek ‘Geen geboden rustdag meer?’ schreef[2]. Kort gezegd komt de huidige opvatting van de dominee er op neer dat de zondag een dag als andere dagen is[3].
En om niet meer te noemen: dominee Wierenga geeft, vandaag de dag, de mogelijkheden van de evolutietheorie soms een ruime plaats in zijn preken.
Het zou mij daarom helemaal niet verbazen dat dominee Wierenga zijn eigen uitspraken uit 1971 slechts deels onderschrijft.

Wat mij betreft zit in dat krantenartikel uit 1971 een troost en een waarschuwing.
Een troost – want als we bij de zuivere Waarheid blijven komt het goed. Als wij bij het Woord blijven is de verontrusting voorbij.
En een waarschuwing – onze persoonlijke ontwikkeling kan er voor zorgen dat wij zomaar wegdwalen bij de God van het verbond. Laten wij ervoor waken dat dat niet gebeurt!

Noten:
[1] De onderstaande citaten komen uit het krantenartikel “Ds. Wierenga tot verontrusten: Maak van uw verontrusting geen bestendigdurende toestand”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 28 april 1971, p. 2.
[2] De gegevens van dat boek zijn: Drs. W. Wierenga, “Geen geboden rustdag meer?”. – Groningen: Uitgeverij Pamac, 2011. – 352 p.
[3] Zie hierover bijvoorbeeld http://www.vergadering.nu/boekwierenga-geen-geboden-rustdag.htm . Geraadpleegd op zaterdag 23 april 2016.

28 april 2016

Openbare onvrede

In het Reformatorisch Dagblad van donderdag 21 april 2016 staat een vraaggesprek met de cultureel antropologe Catharina Mulder[1]. Zij heeft onderzoek gedaan naar het antwoord op de vraag waarom groepen gemeenteleden hun ‘eigen’ kerk verlieten om huisgemeenten te stichten. Het betreft vooral voormalige leden van Christelijke Gereformeerde Kerken en van de Hersteld Hervormde Kerk.

We weten allemaal dat kerkverlating veel voorkomt. En laten we eerlijk wezen, er zijn dingen in de kerk die erg miserabel zijn.

Maar altijd weer denk ik in dezen aan de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
“Wij geloven en belijden één katholieke of algemene kerk. Zij is een heilige vergadering van de ware gelovigen, die al hun heil verwachten van Jezus Christus, gewassen zijn door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest”[2].
En:
“Wij geloven dat niemand, welke positie hij ook heeft, zich van deze heilige vergadering afzijdig mag houden, om op zichzelf te blijven staan. In deze vergadering komen immers bijeen degenen die behouden worden, en buiten haar is er geen heil. Daarom moet ieder zich bij haar voegen en zich met haar verenigen. Zo wordt de eenheid van de kerk bewaard; men onderwerpt zich aan haar onderwijzing en tucht, buigt de hals onder het juk van Jezus Christus en dient de opbouw van de broeders overeenkomstig de gaven die God aan allen verleend heeft, als leden van eenzelfde lichaam. Om dit alles des te beter te kunnen onderhouden, is het volgens Gods Woord de roeping van alle gelovigen zich af te scheiden van hen die niet bij de kerk horen, en zich bij deze vergadering te voegen op ieder plaats waar God haar gesteld heeft, zelfs al zouden de overheden en wetten van de vorsten zich daartegen verzetten en al zou er de dood of lijfstraf op staan. Daarom handelen allen die zich van haar afzonderen of zich niet bij haar voegen, in strijd met Gods bevel”[3].

Als we die belijdenis in de mond nemen is het stichten van huisgemeenten op zijn minst merkwaardig te noemen.
Volgelingen van Jezus Christus zoeken elkaar op. Zij ondersteunen elkaar. En zij stimuleren elkaar. Jesaja zegt in hoofdstuk 2 heel beeldend: “…vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des Heren woord uit Jeruzalem”[4].
Dat betekent in de Nederlandse situatie toch niet dat je in een willekeurig huis bij elkaar komt?

Waarom zijn die kerkverlaters door de zijdeur verdwenen?
Catharina Mulder zegt ervan: “Het zijn voornamelijk jonge mensen die geraakt zijn door het Evangelie. Op de vragen waarmee ze liepen, kregen ze voor hun gevoel in de kerk geen antwoord. Ik verwachtte hedendaags evangelische jongeren aan te treffen, maar het merendeel moest juist niets hebben van allerlei pogingen om de diensten aantrekkelijker te maken. Daarin zijn ze reformatorischer dan veel traditionele gemeenten. Ze misten de oproep tot bekering, de prediking van de noodzaak van wedergeboorte en de aandacht voor het werk van de Heilige Geest. Daaruit trokken ze de conclusie dat er geen echtheid was in de prediking in hun thuisgemeente en in het geestelijk leven van hun medegemeenteleden. Sommigen hebben geprobeerd in de kerk een verandering op gang te brengen, maar dat lukte niet. In gesprekken met de kerkenraad voelden ze zich niet begrepen”.

Maar er wordt toch vaak gewezen op de bekering?
Bovendien: de kerk zit toch niet helemaal vol met huichelaars? Hoe kan het dan dat er zo weinig echtheid te vinden is?
Verderop in het artikel komt er een aap van een bekend ras uit een mouw.
“Blijkbaar speelt de verwoording een grote rol. Heel belangrijk in huisgemeenten is de beleving. Die wordt gekoppeld aan voor deze mensen belangrijke thema’s en termen, zoals levensheiliging, groei in het geloof, discipelschap en gemeenschap. De diensten in de huisgemeenten worden als persoonlijker en intiemer beleefd. Dat is niet zo vreemd, want ze zijn meestal uit vriendengroepen ontstaan”.

Het gaat dus voor een zeker deel niet zozeer om wat er wordt gezegd maar hoe het wordt gezegd.
Het gaat om de toon. Om de woorden die gebruikt worden. En misschien zelfs wel om lichaamstaal en timbre van de stem.

Laten we eerlijk zijn: herkenbaar is het allemaal wel.
Maar daarmee is niet alles gezegd.

In de Gereformeerde Kerken in Nederland (DGK) en de Gereformeerde Kerken Nederland (GKN) worden heel veel preken gelezen. En soms is het taalkleed zo oud, dat we de neiging hebben om het geheel in de afvalemmer te werpen, als zijnde onnut. We kunnen er niet zoveel meer mee, zeggen we dan.
Dat kan wel waar wezen. Maar het gaat natuurlijk om de boodschap die er in de predicatie zit. Om die er uit te halen moeten we vaak wel extra ons best doen. Maar het is wel mogelijk.
Mijn ervaring is dat het al helpt als je probeert een zin uit de preek te onthouden.
Of het thema, dan wel een stukje daarvan.
Of een steekwoord dat regelmatig in de preek terugkomt.
Als het meezit komt dat alles tijdens het gewone werk in de week weer boven. Zomaar achter ons bureau. Of in de keuken. Of tijdens een gesprek met een collega of een zakenrelatie.

Dit alles overdenkende, vraag ik me af hoe toegankelijk en welwillend die kerkverlaters indertijd in de kerk gezeten hebben.

Nog één keer geef ik het woord aan Catharina Mulder.
“In de preken, die drie kwartier tot een uur duren, staat niet de exegese maar de toepassing centraal. Vooral de noodzaak van wedergeboorte, levensheiliging en discipelschap krijgt veel aandacht. Ik miste de breedte van het onderwijs dat ik in mijn eigen kerkelijke gemeente krijg”.

In het bovenstaande citaat valt mij met name het woord ‘breedte’ op.
Als het goed is wordt in de kerk niet gefocust op wedergeboorte, op discipelschap, op naastenliefde of op wat dan ook.
Nee, de Heilige Schrift wordt in al haar facetten open gelegd. Daar doet de predikant zijn best voor. En de gemeenteleden passen, zo mogen wij hopen, het gehoorde toe in hun eigen leven.
Gods Woord heeft op alle gebieden van het leven veel te zeggen. Schriftgezag is niet beperkt tot één enkel half ontgonnen terreintje.

Huisgemeenten zijn een uiting van onvrede die openbaar geworden is.
En ach, het ziet er allemaal heel vroom uit.
Maar ten diepste is het, zo valt te vrezen, weinig meer dan devote eigenzinnigheid.

Noten:
[1] “Op zoek naar beleving en verdieping”. In: Reformatorisch Dagblad, katern Kruispunt, donderdag 21 april 2016, p. 4 en 5.
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 27.
[3] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 28.
[4] Jesaja 2:3.

27 april 2016

Christelijke conversatie

Persoonlijk contact, dat is in de kerk een groot goed. Daar worden u en ik meestal blij van. Naar elkaars welstand informeren en elkaar in het geloof bemoedigen: dat is mooi.
Onze geloofsblijdschap wordt zodoende gaandeweg groter[1].

Wat ik hierboven noteerde is trouwens niets nieuws.
Johannes wist er ook al van. Want hij schreef in zijn tweede brief: “Ik heb u veel te schrijven, doch ik wilde dit niet doen met papier en inkt, maar ik hoop tot u te komen en van mond tot mond te spreken, opdat onze blijdschap volkomen zij[2].

In die brief van Johannes gaat het overigens over misleiders, de mensen “die de komst van Jezus Christus in het vlees niet belijden”[3]. In die tijd waren er mensen die de komst van Christus loochenden. Johannes waarschuwt voor hen.
Daar zit ook voor ons een waarschuwing in. Iedereen die de leer van Christus vervalst of inkort moeten we mijden of uit onze omgeving weren.

Geloofsblijdschap heeft, als u het mij vraagt, alles te maken met reformatie.
Het hoeft daarom niet te verbazen dat in de Studiebijbel van de Herziene Statenvertaling de volgende aantekening staat: “Afwijking in de leer bedreigt de blijdschap van de gemeente, want het verbreekt de eenheid en vormt een gevaar voor de aanwezigheid van Christus in de individuele levens en in de gemeente”[4].
Als de leer over Christus een dwaalleer wordt, is het tijd om waakzaam te worden.
Natuurlijk, een spreker of schrijver kan best een keer ontsporen. Wie is volmaakt op deze wereld? Maar als een dwaalleer niet wordt weersproken, is dat een ernstige zaak. Als men in een dwaalleer volhardt, gaat er iets helemaal fout.
Geloofsblijdschap heeft pas werkelijk recht van bestaan als de waarheid voluit gehandhaafd wordt.
Heel kort door de bocht: als dwaalleer wordt getolereerd is het tijd om weg te wezen!

Het is belangrijk om elkaar vaak te zien en veel met elkaar te praten. Inhoudelijk te praten, bedoel ik.
Als ik mij niet vergis, zijn sommige kerkleden dat een beetje aan het verleren.
We praten vaak over mensen. Over hun manier van doen. Over hun kleding. Over hun onhandigheden. Enzovoort. Ach, wij weten wel dat dat eigenlijk niet zo hoort. Maar we doen het toch. Want zo gaat dat nu eenmaal.
Wij moeten echter blijven trainen om in onze onderlinge gesprekken geloofsblijdschap over te brengen.

In dit verband wijs ik u op Zondag 40 van de Heidelbergse Catechismus.
Voornoemd leerboekje formuleert daar dat God gebiedt “dat wij onze naaste liefhebben als onszelf, jegens hem geduldig, vredelievend, zachtmoedig, barmhartig en vriendelijk zijn, zijn schade zoveel mogelijk voorkomen…”[5].
Schade in ons leven? Die ontstaat bij u en bij mij als Christus niet in ons leven is. Jezus zegt in Mattheüs 16: “Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het vinden. Want wat zou het een mens baten, als hij de gehele wereld won, maar schade leed aan zijn ziel?”[6].
Ik wil maar zeggen: kerkmensen moeten niet over iemand praten, maar over Iemand praten!
Mogen wij dan nooit eens iets over kerkmensen zeggen? Natuurlijk wel. Maar wij dienen altijd te beseffen dat we ’t over broeders en zusters hebben. Wij moeten zó spreken dat wij elkaar, om zo te zeggen, in Christus’ nabijheid houden.

Het is noodzaak om in de kerk met elkaar te spreken.
Zeker, zeker – schrijven is ook goed. Een goed artikel is niet te versmaden. Een degelijk boek moeten wij koesteren.
Maar het kan toch niet zonder het praten met elkaar.

Laat daarom niemand zeggen dat het bezoek aan de erediensten niet zo belangrijk is.
Laat niemand mompelen dat huisbezoeken heden ten dage niet zo nuttig meer zijn.
Laat niemand beweren dat het bezoek aan een Bijbelstudievereniging verloren tijd is.

En als dat alles niet meer mogelijk is?
Laten we dan elkaar opzoeken. En er is niets tegen om dan een Bijbel mee te nemen. Want Gereformeerde mensen moeten niet blijven steken in koetjes en kalfjes.

Laten wij maar op geloofsniveau met elkaar spreken.
Van mond tot mond, van man tot man, van vrouw tot vrouw.
Denkt u in dit verband maar aan de manier waarop de Here Mozes typeert in Numeri 12. Daar spreekt de hemelse God bijna liefkozend over “mijn knecht Mozes, vertrouwd als hij is in geheel mijn huis. Van mond tot mond spreek Ik met hem, duidelijk en niet in raadselen, maar hij aanschouwt de gestalte des Heren”[7][8].
Christelijke conversatie?
Daar ben ik een groot voorstander van!

Noten:
[1] Op woensdagavond 11 mei 2016 vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Tijdens die bijeenkomst zal onder meer het onderwerp ‘Geloofsblijdschap’  aan de orde komen. Dat onderwerp hoop ik in te leiden. Een bewerking van dit artikel zal een deel van de inleiding zijn.
[2] 2 Johannes vers 12.
[3] 2 Johannes vers 7.
[4] HSV-Studiebijbel. – Heerenveen: Royal Jongbloed, 2014. – Aantekening bij 2 Johannes verzen 12 en 13, p. 2208.
[5] Heidelbergse Catechismus – Zondag 40, antwoord 107.
[6] Mattheüs 16:25 en 26 a.
[7] Numeri 12:7 b en 8 a.
[8] Dr. Pieter J. Lalleman schrijft: “Tegenover het gebruik van nog meer ‘papyrus en inkt’ stelt Johannes het gesprek ‘van mond tot mond’, een uitdrukking die ontleend lijkt aan Numeri 12:8 (zie ook Jeremia 32:4) en die hij ook in 3 Johannes 14 gebruikt”. In: Pieter J. Lalleman, “1, 2 en 3 Johannes; brieven van een kroongetuige”. – Kampen: Uitgeverij Kok, 2005; tweede druk 2008. – p. 78.

26 april 2016

De vreugde van de vinders

Geloofsblijdschap zindert, als het goed is, voortdurend overal in ons leven[1].
Dat blijkt wel uit Mattheüs 13: “Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een schat, verborgen in een akker, die een mens ontdekte en verborg, en in zijn blijdschap erover gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft en koopt die akker”[2].

Over dat vers schreef ik enkele jaren geleden het volgende.

“Dat is één vers uit een langere uiteenzetting van de Here Jezus. Hij vertelt enkele gelijkenissen, parabels dus. Daarin toont de Zoon van God de glorie van Zijn Koninkrijk, de voortdurende bezigheden van de duivel en de beslissende kracht van het Goddelijk eindoordeel.
Jezus vertelt over de zaaier.
Over de akker waarop goed zaad gezaaid wordt, maar waarop ook onkruid blijkt te groeien.
Over het kleine mosterdzaadje, dat uitgroeit tot een boom waarin vogels een nest kunnen maken.
Over zuurdesem – dat is zuur geworden gist dat als deeg wordt gebruikt. Een kleine hoeveelheid zuurdesem is voldoende om drie maten meel te doorzuren. Daar kun je, naar men zegt, twintig kilo brood mee maken.
Over een verborgen schat, die bij toeval door een man gevonden wordt.
Over een koopman die mooie parels zoekt, en het allermooiste juweel aanschaft dat er op deze wereld te vinden is.
Over een sleepnet dat over de bodem van de zee schuift. Als het sleepnet opgehaald is, zijn zo ongeveer alle schepelingen druk doende met de selectie. De verkoopbare vis wordt gescheiden van waardeloos spul dat nergens toe dient.
En over een heer des huizes die, door het huis lopend, opeens iets tegenkomt waarvan hij eigenlijk was vergeten dat het zijn eigendom is. Voor hem is het als nieuw.

Wat is het doel van al die parabels?
Het doel is dat de wereld in twee kampen wordt verdeeld. Dat staat ook in Mattheüs 13.
Mensen horen het wel, maar zij schenken er geen aandacht aan. De mensen zien wel wat er gebeurt, maar ze sluiten er hun ogen voor.
De mensen die de Here Jezus heeft uitgekozendie begrijpen het. De Here zorgt ervoor dat zij luisteren. De Here zorgt ervoor dat Zijn uitverkorenen werkelijk signaleren wat er aan de hand is”[3][4].

Die schat in de akker is voor de vinder zo belangrijk dat hij er alles, werkelijk alles, voor over heeft om die akker te kunnen kopen.
Want hij begrijpt: die schat is levensreddend.
Hij begrijpt: als ik die schat in mijn bezit heb, is mijn toekomst gegarandeerd.
Hij begrijpt: als die schat mijn eigendom is, wordt eeuwig leven mijn deel.
Eigenlijk kent de vreugde van die vinder geen grenzen!

En de mensen die het allemaal niet zo belangrijk vinden?
Zij begrijpen er hoe langer hoe minder van.
Zij worden steeds onverschilliger. En derhalve onwetender.

De vreugde van die vinder trilt dus door een wereld waar heel wat mensen zich afvragen: waarom maakt die man zich toch zo druk om die schat?
Er zijn een heleboel mensen die zich om goede doelen, verenigingen en clubs druk maken. U kent ze vast wel – de bobo’s van de plaatselijke voetbalvereniging, de ijveraars voor onderzoek tegen kanker en de mensen die schooltjes willen bouwen in Afrika. Al die mensen doen uiteraard geweldig goed werk.
De kwestie is alleen dat al dat goede werk in en ten bate van deze wereld gebeurt. Al die drukdoeners zeggen: ‘Iets anders is er voorlopig toch niet? Nou dan, laten wij aan het werk gaan!’.
Al die nijvere mensen vragen zich af wat u en ik opschieten met kerkenraadswerk, met gemeentevergaderingen en met Bijbelstudieverenigingen. Welnu, ten diepste maken alle broeders en zusters zich druk om de schat, om het Koninkrijk van de hemelen. En er zijn nog blij om ook.
Dat is, goed beschouwd, een wonder. Deze wereld is vol nalatigheid, zonde en misbruik. En ondanks dat, belijden gelovigen dat Gods Woord de zuivere Waarheid is[5]. De vreugde van de vinder is uniek!

Het Koninkrijk van God – wat is dat eigenlijk?
Een dominee vatte dat eens als volgt samen:
“1.
Het Koninkrijk van God is: Jezus Christus (Origenes). Hij is de Koning van dat rijk. Hij is die schat. Het Koninkrijk van God krijgt gestalte in Jezus als de kruiskoning Die voor doodsschuldigen de straf draagt die hen vrede aanbrengt. Vrede met God door Zijn bloed. Welk een wonder! Geef acht, gemeente op die grote zaligheid en zoek naar de vrede van dat Koninkrijk. ‘Want het Koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap door de Heilige Geest’ (…). Een schat, in de akker (van de wereld) verborgen.
2.
Het Koninkrijk van God is ook daar waar mensen geleerd hebben God lief te hebben boven alles en de naaste als zichzelf. Het Koninkrijk van God bestaat derhalve ook in de liefdevolle heerschappij van Gods Geest in onze harten. Het is door die wederbarende Geest, dat wij er zin in krijgen om te doen wat God behaagt. Het Koninkrijk der hemelen is er dus nu reeds in het leven van hen die de onderdanen van God en van Jezus Christus zijn. Maar het is nu nog een Koninkrijk in onvolkomenheid. Een schat in de akker (van de wereld) verborgen.
3.
Het Koninkrijk van God is er tegelijk nog niet. Het komt eraan in al zijn volheid, als de Heere Jezus wederkomt op de wolken des hemels en alle tong Hem zal belijden. Als alle ongerechtigheid van de mensenkinderen van de aarde zal zijn weggedaan. Dan zal God weer alles zijn in allen, zoals in het begin van de wereldgeschiedenis. Een schat in de akker (van de wereld)”[6].

In de kerk tintelt de vreugde van de vinders. Buitenstaanders begrijpen daar weinig van. Maar in de kerk heerst koortsachtige drukte. Want de schat is prachtig!

Noten:
[1] Op woensdagavond 11 mei 2016 vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Tijdens die bijeenkomst zal onder meer het onderwerp ‘Geloofsblijdschap’ aan de orde komen. Dat onderwerp hoop ik in te leiden. Een bewerking van dit artikel zal een deel van de inleiding zijn.
[2] Mattheüs 13:44.
[3] Dit is een bewerkt citaat uit het door mij geschreven artikel “Het geheim achter de huisgodsdienst”; hier gepubliceerd op maandag 6 mei 2013. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2013/05/06/geheim-achter-huisgodsdienst/ .
[4] Zie Mattheüs 13:10-16: “En de discipelen kwamen en zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen? Hij antwoordde hun en zeide: Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun is dat niet gegeven. Want wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden. Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen. En aan hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen, en met hun oren niet horen, en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen.
Maar uw ogen zijn zalig, omdat zij zien en uw oren, omdat zij horen. Voorwaar, Ik zeg u: Vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien, en te horen wat gij hoort, en zij hebben het niet gehoord”.
[5] Zie hierover ook http://www.oudesporen.nl/Download/BB06.pdf , pagina 3. Geraadpleegd op woensdag 20 april 2016.
[6] Zie http://www.dsdenboer.refoweb.nl/ ; preek over Mattheüs 13:44. Geraadpleegd op woensdag 20 april 2016. Ds. den Boer was jarenlang actief in de Gereformeerde Bond van de Hervormde Kerk, onder meer als lid van het hoofdbestuur en als studiesecretaris.

25 april 2016

Gegeven geloofsblijdschap

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Nog altijd zijn er veel mensen die menen dat christenen enigszins sombere mensen zijn[1]. Echt blij zijn christenen bijna nooit, zeggen zij. En net als christenen uit hun dak dreigen te gaan worden zij weer serieus.
Wat moeten wij daar van zeggen?

Het is, denk ik, heel belangrijk dat Gods kinderen zich in geloofsblijdschap blijven oefenen.
Graag neem ik u, als het daarom gaat, eerst even mee naar Deuteronomium 28.

U weet waarschijnlijk wel dat het Bijbelboek Deuteronomium het testament van Mozes is. Hij houdt de Israëlieten nog één keer zegen en vloek van de Here voor.
In Deuteronomium 28 staat vanaf vers 16 een hele reeks vervloekingen. Op alle terreinen van het leven is het donker. Letterlijk overal in het leven is het schemerig. De duisternis valt.
En wij lezen dan: “Al deze vervloekingen zullen over u komen, u achtervolgen en u treffen, totdat gij verdelgd zijt, omdat gij niet geluisterd hebt naar de stem van de Here, uw God, en de geboden en inzettingen die Hij u opgelegd heeft, niet onderhouden hebt; zij zullen onder u tot een teken en wonder zijn, en onder uw nageslacht, voor altoos. Omdat gij de Here, uw God, niet met vreugde en blijdschap gediend hebt vanwege al uw overvloed, zult gij de vijanden, die de Here tegen u zal doen optrekken, dienen”[2].
Totdat u verdelgd bent… Uit de weg geruimd… Ziet u hoe ver God gaat?
Het volk Israël heeft in haar geschiedenis heel wat te verduren gehad. Als we de Assyriërs noemen of de Babyloniërs en de Romeinen, dan hebben wij daar – denk ik – allemaal wel een beeld bij.
De ene uitlegger schrijft in verband met Deuteronomium 28 over “afbraak van de structuren, de ordeningen, de gezags-, en liefdesrelaties”. En verder: “De natie wordt onder de voet gelopen. Er is geen plek meer om te wonen. Basale gevoelens zullen omslaan. En achter het ene wee duikt nog altijd een volgend op. Het is nooit genoeg”[3].
Een andere exegeet noteert: “Voorname, verwende vrouwen van Jeruzalem die zich in betere tijden lieten dragen (…), zullen elke natuurlijke liefde voor hun kinderen kwijtraken en veranderen in monsters met een onmenselijk, beestachtig gedrag. In hun onbeschrijflijke nood nemen zij niet de toevlucht tot God, maar tot het laagst denkbare: het etenvan hun eigen kinderen (…). Tot deze diepe verdorvenheid voert de ongehoorzaamheid aan God”[4].
Het is blijkbaar heel zondig om de Here in somberheid en treurnis te dienen. Als de mens op eigen kracht en kunnen gaat rekenen, raakt ons bestaan al snel in een spiraal naar beneden.
Het is daarom zaak om in ons leven altijd iets van geloofsblijdschap te laten schitteren. Toegegeven: soms betreft het maar een klein lichtpuntje. Het is dat oplichtende puntje dat wij mogen laten zien.

Misschien overpeinst iemand dat hierboven had moeten staan: wij moeten dat lichtpunt tonen.
Dat heb ik opzettelijk niet gedaan.
Waarom niet?

Om dat duidelijk te maken wijs ik u op 1 Koningen 1.
Dat is het volgende Schriftgedeelte dat ik vandaag open leg.

Ik citeer:
“De priester Zadok had de hoorn met olie uit de tent meegenomen, en hij zalfde Salomo; toen blies men op de bazuin, en al het volk riep: Leve koning Salomo! Daarna trok al het volk achter hem op, terwijl het op fluiten speelde en zich met grote blijdschap verheugde, zodat de aarde van hun geluid spleet”[5].
Wat is de situatie in dat Bijbelgedeelte?
David blijkt in 1 Koningen 1 een zwakke man te zijn geworden.
De activiteiten van Adonia, en van alle mensen om hem heen, zijn aan David voorbij gegaan. Davids geestelijke scherpte is niet groot meer. Hij heeft veel hulp nodig en moet verzorgd worden.
Oplettende mensen om hem heen hebben wél bemerkt wat er gaande is. Enkele vertrouwelingen melden zich bij de koning met het verhaal van Adonia’s greep naar de macht.
De spanning loopt snel op: wat zal David gaan doen?
En David spreekt.
Tegen Bathséba zegt hij: “Zo waar de Here leeft, die mij uit alle benauwdheid heeft verlost, zeker, zoals ik u bij de Here, de God van Israël gezworen heb: Salomo, uw zoon, zal na mij koning zijn en hij zal in mijn plaats op mijn troon zitten, zo zal ik heden doen”[6].
Zo komt het dat Salomo tot koning wordt uitgeroepen.
De vreugde bij de inhuldiging van Salomo is ongetwijfeld een beetje gemengd.
Maar er is dus sprake van feestgedruis dat zijn weerga in de wijde omgeving niet kent. Het is een groots festijn. Jaren later hebben de toen aanwezigen het er nog over.
En alle Bijbellezers moeten dat weten!
Waarom moet dat zo goed tot ons doordringen?
Antwoord: omdat de Here met Salomo aan het werk is. Dat verwoordt Benaja, een generaal uit Davids leger: “Amen, zo bevestige de Here de woorden van mijn heer de koning! Zoals de Here geweest is met mijn heer de koning, zo zij Hij ook met Salomo; Hij make diens troon groter dan de troon van mijn heer koning David”[7].

Wat kunnen wij vandaag over geloofsblijdschap zeggen?
Ik trek twee conclusies.

1.
Gereformeerde mensen zien er heel vaak niet zo blij uit. Dat komt omdat geloofsblijdschap niet spontaan uit henzelf komt. De Here moet voor de vreugde zorgen. En dat doet Hij ook!
Gereformeerde mensen zijn heel vaak een beetje serieus, zelfs als ze blij zijn.
Dat komt omdat die geloofsvreugde niet standaard in hen zit. Die moet door de God van het verbond gegeven worden.

2.
De Verbondsgod geeft hier, in Nederland, nog veel overvloed. In ieder geval in materieel opzicht.
Vaak zeggen wij dat Nederland in snel tempo seculariseert. En dat is ook zo. Maar dat wil zeker niet zeggen dat alles hier kommer en kwel is. De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant L.W. de Graaff merkte onlangs op: “Wij zeggen dat de kerken leeglopen en Europa seculariseert, maar moslims die naar Nederland komen, ervaren dat heel anders. Wij hebben de zondag, kruisen op kerken en christelijke feestdagen”[8]. Die opmerking lijkt mij terecht.
Laten wij ons daarom maar oefenen in de blijdschap van het geloof.
Dat mag nog.
Dat kan nog.

Noten:
[1] Op woensdagavond 11 mei 2016 vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Tijdens die bijeenkomst zal onder meer het onderwerp ‘Geloofsblijdschap’ aan de orde komen. Dat onderwerp hoop ik in te leiden. Een bewerking van dit artikel zal een deel van de inleiding zijn.
[2] Deuteronomium 28:45-48.
[3] Zie http://www.gvgroningen.nl/wp/index.php/Deuteronomium/ , bij Deuteronomium 28:45-68. Geraadpleegd op dinsdag 19 april 2016.
[4] Zie http://www.oudesporen.nl/Download/OS1008.pdf . Geraadpleegd op dinsdag 19 april 2016.
[5] 1 Koningen 1:39 en 40.
[6] 1 Koningen 1:29 en 30.
[7] Het bovenstaande is een bewerkt citaat uit mijn artikel “De aarde trilde mee”, hier gepubliceerd op vrijdag 13 januari 2012. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2012/01/13/de-aarde-trilde-mee/ .
[8] Zie http://www.cip.nl/god/april-2016/55901-god-zet-miljoenen-moslims-bij-ons-op-de-stoep . Geraadpleegd op dinsdag 19 april 2016.

22 april 2016

Training van Trimp

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Kent u Friedrich Schleiermacher? Dat is een Duits theoloog en filosoof. Deze godgeleerde leefde van 1768 tot 1834.
“Volgens Schleiermacher bestaat de ware vroomheid niet uit weten, noch uit doen, maar uit intuïtie en ervaring. Deze ervaring is een onmiddellijk bewustzijn dat de mens van zichzelf heeft dat hij geheel afhankelijk is van God. Dit is het meest fundamentele kenmerk van ons bestaan”[1].
Wie bovenstaand citaat uit een internetencyclopedie leest, realiseert zich al snel dat de roep om emotie in de kerk al heel lang weerklinkt. ‘Ik moet iets voelen’ – dat ziet er reuze modern uit. Maar eigenlijk valt het met dat nieuwmodische wel mee.

Professor C. Trimp (1926-2012) heeft in 1970, toen hij zijn inaugurele rede uitsprak, aandacht aan Schleiermacher geschonken[2].
Het Nederlands Dagblad deed in april 1970 verslag van de bijeenkomst waarin Trimp zijn ambt als hoogleraar in de ambtelijke vakken aan de toenmalige Gereformeerd-vrijgemaakte Theologische Universiteit aanvaardde.
Uit dat verslag citeer ik het volgende.

De arbeid der prediking is voor Schleiermacher “niet meer dan het spreken van een broeder onder de broeders, als orgaan niet van Christus, maar van de gemeente. In de prediking wordt het innerlijk van de prediker openbaar tot bevestiging van de religieuze gemeenschap. Hij wil zijn religieus bewustzijn aan de anderen mededelen, en hoe meer dit wederzijds geschiedt, hoe meer de gemeente bloeit en wordt gesticht.
De prediking is voor Schleiermacher niet het orgaan van de Heilige Geest tot het stichten en onderhouden van gemeenschap tussen God en mens; ze dient ook niet om gemeenschap met Christus te werken en te versterken.
Ze is geen genademiddel, maar dient tot stimulering en verlevendiging van vroomheidscirculatie in de gemeente. De prediker waakt tegen verzwakking en werkt aan versterking van de religieuze impuls, die van Jezus’ Godsbewustzijn in de wereld is uitgegaan. De Heilige Schrift speelt bij dit alles een zeer ondergeschikte rol. Ze is evenals de prediking volgens dit denken produkt van de kerk. De prediking geschiedt namens de gemeente, maar de prediker is slechts relatief onderscheiden van de andere leden. Het ambt brengt in de gemeente niets nieuws, omdat Christus volgens deze theologie in feite niets nieuws heeft gebracht. Hij voltooide slechts Gods scheppingswerk. De impuls die van Hem uitgaat, kan met meer zijn dan stimulering van wat in de mens aanwezig is.
De prediking wordt zo een moment in ’t ethisch vervolmakingsproces van de mensheid, die Christus’ volmaaktheid moet benaderen, en waarvan de kerk de hoogste gestalte is. Schleiermachers grote ideaal is, dat de wereld evolueert tot Rijk Gods en mensheid en kerk volkomen vereenzelvigd worden.
In dit kader is geen weerklank te verwachten van het spreken der Schrift over bediening der verzoening. Er is geen sprake van bediening in de zin van aanreiking van Godswege, en de verzoening speelt in Schleiermachers denken een zeer ondergeschikte rol”.

Laten we even naar het bovenstaande kijken. Hoe kijkt Schleiermacher tegen de predikant aan?
1. De preek komt van een broeder uit de gemeente.
2. In de preek zien we hoe de dominee zijn geloof beleeft.
3. De preek heeft niets te maken met een verbondsrelatie.
4. In de preek is de Heilige Geest niet aan het werk.
5. De preek zorgt er voor dat er vroomheid in de gemeente rond gaat.
6. De preek zorgt voor versterking van religieuze impulsen.
7. De Bijbel is een product van de kerk.
8. De dominee brengt niets nieuws; Christus bracht ten diepste ook niets nieuws.
9. Christus stimuleert de religieuze impuls van wat in de mensen aanwezig is.
10. De preek is een momentopname in een proces van vervolmaking.
11. Gods Koninkrijk en de kerk vallen uiteindelijk samen.
12. De hemelse God is hier niet belangrijk.
13. Verzoening door voldoening is niet aan de orde.

De verslaggever noteerde in het Nederlands Dagblad: “De functie van de kerk is slechts een horizontale heilsbemiddeling”.
En:
“Prof. Trimp stelde vervolgens vast, dat ondanks de tegengestelde uitgangspunten de concrete resultaten van Schleiermachers en Barths theologie elkaar dicht naderen. Hoewel Barth anders dan Schleiermacher de verzoening volstrekt centraal stelt, en weigert Christus’ opstanding te rekenen tot de mythe, vindt bij hem terzake van de ambtelijke dienst een ontlediging plaats, die hem vlak bij Schleiermacher brengt.
Bij beiden gaat het uiteindelijk om de humaniteit en is de kerk een voorlopige demonstratie van de totale voleinding van de mensheid als volk van God. De één is subjectivist, de ander objectivist maar beiden hebben ze aan de gemeente niets te bedienen, waardoor de prediking gevangen blijft in de besloten cirkel van de gemeente. In de kerk, aldus de beide theologen, wordt de kroon der humaniteit, nl. de medemenselijkheid zichtbaar en wil de menselijkheid Gods gestalte aannemen. Deze humaniteit heeft in beide gevallen geen uitdeling der verzoening meer nodig”[3].

Schleiermacher zegt: in de kerk ontstaat een nieuwe vroomheid, omdat de dominee de mensen op niveau houdt. Een nieuwe schepping, zeg maar.

Maar de boodschap van 2 Corinthiërs 5 komt onvoldoende in beeld. Ik citeer: “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen. En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich verzoend heeft en ons de bediening der verzoening gegeven heeft, welke immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen, en dat Hij ons het woord der verzoening heeft toevertrouwd.

Wij zijn dus gezanten van Christus, alsof God door onze mond u vermaande; in naam van Christus vragen wij u: laat u met God verzoenen. Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem”[4].

Laat ik het mogen zeggen met de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
“Wij geloven en belijden dat Jezus Christus, die het einde van de wet is – Romeinen 10:4 –, door het vergieten van zijn bloed een eind gemaakt heeft aan elke andere bloedstorting die men zou kunnen of willen doen tot verzoening voor onze zonden. Hij heeft de besnijdenis, waarbij bloed vloeide, afgeschaft en in plaats daarvan het sacrament van de doop ingesteld.
Hierdoor worden wij in de kerk van God opgenomen en van alle andere volken en vreemde godsdiensten afgezonderd, om helemaal het eigendom te zijn van Hem, van wie wij het merk en veldteken dragen. Dit dient ons tot een getuigenis dat Hij eeuwig onze God en onze genadige Vader zal zijn”[5].

Gelet op 2 Corinthiërs 5 en de Nederlandse Geloofsbelijdenis gaat het in de kerk dus niet om medemenselijkheid.
En ook niet om vrede tussen mensen.
Nee, er is – dankzij het lijden van Christus aan het kruis – vrede tussen God en Zijn aangenomen kinderen.
Wij zijn apart gezet.
Onze doop vertelt het ons iedere dag: God is voor altijd onze genadige Vader!

Toen professor Trimp in december 1992 zijn officiële afscheidscollege gaf, was het beeld van Friedrich Schleiermacher wederom even aan de horizon te zien.
Uit een bericht in het Reformatorisch Dagblad citeer ik: “’Het vak predikkunde lijkt een ernstig zieke patiënt te zijn geworden. Rondom het bed staan zo veel hulpwetenschappen als specialist, dat de patiënt zelf nauwelijks meer gezien of gehoord wordt’. Deze kritiek klonk gisteren in de Kamper Stadsgehoorzaal, tijdens het afscheid van prof. dr. C. Trimp als gewoon hoogleraar aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt.
Prof. Trimp vroeg zich in zijn afscheidscollege af of aan de theologische opleidingsinstituten in Nederland nog wel de goddelijkheid van de Schrift en de pietas (vroomheid) wordt onderwezen. ‘Interpretatie is het toverwoord van onze tijd. Praktische theologen die uitgaan van de helderheid van de Schrift, worden al gauw veel te conservatief en te vroom genoemd’.
Een getemde Barth en een gekuiste Schleiermacher zijn volgens Trimp de peetvaders geworden van de moderne homiletische methode. In deze methode maken de context en de cultuur de dienst uit. Trimp omschreef dit uitgangspunt als een ‘hefboom voor ragfijn semi-pelagianisme’. Ook zei hij dat dit het bijbelse leerambt afdoet als spel”[6].

Dat pelagianisme belijdt de keuzevrijheid van de mens. Oftewel de mogelijkheid om als mensen goede keuzes te maken, zonder tussenkomst van God.

Het kan, dunkt mij, geen kwaad om nog eens attentie te vragen voor zowel de inaugurele rede als het afscheidscollege van professor Trimp.
Ervaring, gevoel, intuïtie en het maken van eigen keuzes: dat alles is anno Domini 2016 op het kerkplein aan de orde van de dag.
Een extra training van Trimp kan ons Geestelijk vitaal houden!

Noten:
[1] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Friedrich_Schleiermacher . Geraadpleegd op vrijdag 15 april 2016.
[2] Cornelis Trimp doceerde tussen 1970 en 1993 ambtelijke vakken en diaconologie aan de Gereformeerd-vrijgemaakte Theologische Universiteit.
[3] “Prof.dr. C. Trimp in inaugurele rede: Bediening der verzoening brengt niet medemenselijkheid, maar antithese”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 15 april 1970, p. 3. Ook te vinden via www.digibron.nl .
[4] 2 Corinthiërs 5:17-21.
[5] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 34.
[6] “Vak predikkunde lijdt aan interpretatie-kwaal”. In: Reformatorisch Dagblad, donderdag 3 december 1992, p. 2. Ook te vinden op www.digibron.nl .

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.