gereformeerd leven in nederland

7 juni 2016

Goddelijke deernis en daadkracht

Wij hebben – zo zegt Zondag 45 der Heidelbergse Catechismus – deze vaste grond, “dat Hij ons gebed, al zijn wij dat niet waard, om Christus’ wil zeker verhoren wil, zoals Hij ons in zijn Woord beloofd heeft”[1].

Het is duidelijk: wij zijn Gods luisterend oor en Zijn zorgzaamheid niet waard.
En toch wil Hij ons verhoren.
Is dat niet prachtig?

Maar hoe kan dat eigenlijk?
Is het niet heel inconsequent dat de heilige God Zich bemoeit met een volk dat vuil en zondig is?
Gods zorg voor ons kunnen we alleen maar verklaren uit:
1. Gods wil
2. Gods barmhartigheid
3. Gods daadkracht
Die drie glorieuze eigenschappen van God vormen, als het goed is, de basis voor al onze gebeden.

Als het om ons gebed gaat, wijs ik u graag op Daniël 9.
Naar dat Schriftgedeelte verwijst Zondag 45 ons ook.
Ik citeer: “Nu dan, hoor, o onze God, naar het gebed van uw knecht en naar zijn smeking en doe uw aangezicht lichten over uw verwoest heiligdom, – om des Heren wil. Neig, mijn God, uw oor en hoor; open uw ogen en zie onze verwoestingen en de stad waarover uw naam is uitgeroepen; want niet op grond van onze gerechtigheden storten wij onze smeekbeden voor U uit, maar op grond van uw grote barmhartigheden. O Here, hoor! o Here, vergeef! O Here, merk op! Treed handelend op; toef niet om uwszelfswil, mijn God, want uw naam is uitgeroepen over uw stad en over uw volk”[2].

Een uitlegger noteert bij Daniël 9 onder meer: “In dit vers gaat het bij ‘het verwoeste heiligdom’ om het verwoest zijn van de tempel als gevolg van Nebukadnessars inname van de stad – een vervulling van de verbondsvloek van Leviticus 26:31 en volgende –, maar elders in het boek duidt ‘verwoesting’ de ontheiliging van de tempel door de goddeloze koningen van de nog komende goddeloze rijken aan (…). Kennelijk staat het een in het verlengde van het ander”[3].
Het gaat dus om:
* straf voor Gods volk, wegens ongehoorzaamheid
* ontheiliging van Gods huis door het heidendom.
Daniël realiseert zich hoe zondig de wereld is. Hij doet een beroep op de wil van de Here, “om des Heren wil”.

De wil van de Here – wat kunnen wij daarover zeggen?
Laten wij Ezechiël 33 er even bij nemen: “Zeg tot hen: zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here Here, Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze, maar veeleer daarin, dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen. Want waarom zoudt gij sterven, huis Israëls?”[4].
Wij kunnen het, denk ik, zo samenvatten: waar de Here is, is leven.

Des Heren wil – zo heet ook een zoon van David.
U kent de geschiedenis, die in onze Bijbel in 2 Samuël 12 te vinden is, vast wel.
David heeft er, door een paar listige maatregelen, voor gezorgd dat Uria – de man van Bathseba – in de strijd om het leven komt. David had al overspel met Bathseba gepleegd; nu kan hij er ‘legaal’ met haar van door gaan!
De escapade van David en Bathseba heeft gevolgen: er wordt een zoon geboren. Maar de Here straft David en Bathseba: de boreling sterft. God straft de zonde.
Als er opnieuw een kind geboren wordt geeft de Here hem een speciale naam: Jedidja – dat betekent: om des Heren wil[5]. Salomo is een levend bewijs van Goddelijke vergevingsgezindheid!

Des Heren wil: onze God is een goede God, maar geen goeiige God.
Des Heren wil: dat betekent dat we moeten leven naar de wet van God.
Dan is er echt toekomst.
Toekomst die de Here Zelf creëert!

In 1 Petrus 2 gaat het ook over de wil van de Here.
“Onderwerpt u aan alle menselijke instellingen, om des Heren wil: hetzij aan de keizer, als opperheer, hetzij aan stadhouders, als door hem gezonden tot bestraffing van boosdoeners, maar tot lof van wie goed doen. Want zó is het de wil van God, dat gij door goed te doen de mond snoert aan de onwetendheid van de onverstandige mensen, als vrijen en niet als mannen, die de vrijheid misbruiken tot dekmantel voor hun kwaadwilligheid, maar als dienaren Gods. Eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God, eert de keizer”.
In de praktijk van het leven moet Gods volk laten zien waar het staat in de wereld. Kinderen van God vallen in een heidense wereld op door hun levensstijl. Gods kinderen leven voor hun Heer!
Des Heren wil – dat houdt in ieder geval in: heb het goede voor met alle mensen, toon liefde voor de kerk, wees Godvrezend en respecteer de overheid.

Thans keer ik spoorslags terug naar Daniël 9.

Daniël doet een beroep op Gods grote barmhartigheden.
Als het van mensen afhangt, zien we zonden. Wij zien afwijking van Gods geboden. We signaleren eigenzinnigheid. De chaos lijkt voortdurend groter te worden.
Maar wij mogen, net als Daniël, een beroep doen op Gods ontferming. Op zijn mededogen.

Daniël doet een beroep op Gods daadkracht.
Hij wil dat er wat gebeurt!
Hij wil dat de Here er wat aan doet!
En waarom? “Uw naam is uitgeroepen over uw stad en over uw volk”. Gods naam is aan Zijn volk verbonden. Zijn eer moet hoog blijven!
Mij dunkt dat wij dat gebed anno Domini 2016 in de kerk niet mogen verleren.

Daarbij moeten wij het volgende goed vasthouden.
Een gebed dat door God verhoord wordt bevat:
* welgemeende woorden, vragen en wensen; wij behoren van harte te bidden
* blijken van kennis omtrent onze status; we moeten weten hoe groot de malaise en misère in ons leven zijn
* het besef dat de God verbond Zijn leven gunt; als wij wandelen met Hem gaan wij een heerlijke toekomst tegemoet!

Tenslotte nog dit.
Daniël 9 is een hoofdstuk vol getallen en tijdsaanduidingen:
* zeventig weken
* zeven weken
* tweeënzestig weken
* een week
* de helft van de week[6].
De Gereformeerd-vrijgemaakte emerituspredikant D. de Jong schreef in verband met Daniël 9 eens: “Daniël kreeg (…) veel informatie uit de profetieën van Jeremia. Het ging maar niet om de precieze duur van de ballingschap, maar om het belijden van en vechten tegen de zonde. De rust die dan volgt, die sabbatsrust, wordt door het getal zeventig gesymboliseerd. Daar gaat het om.
Daniël deed daarom niet wat veel christenen in onze tijd graag doen. Hij zette niet allerlei berekeningen op om uit te vinden op welke datum bepaalde profetieën precies vervuld worden. Daniël verootmoedigde zich voor de HEER en beleed zijn eigen zonden en die van zijn volk”[7].
Het bovenstaande lijkt mij belangrijk voor ons. Want:
* wij moeten niet gaan berekenen wanneer God dit of dat gaat doen
* wij behoren tegen onze zonde te strijden
* wij mogen kinderlijk vertrouwen op Zijn barmhartigheid en heerlijke daadkracht!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 45, antwoord 117.
[2] Daniël 9:17, 18 en 19.
[3] Zie: webversie van de Studiebijbel, uitleg bij Daniël 9:15-19.
[4] Ezechiël 33:11.
[5] 2 Samuël 12:24 en 25: “Daarna troostte David zijn vrouw Bathseba; hij kwam tot haar en had gemeenschap met haar, zij baarde een zoon en hij noemde hem Salomo. De Here nu had hem lief: Hij zond een boodschap door de profeet Natan en noemde hem Jedidja, om des Heren wil”.
[6] Daniël 9:24-27.
[7] Zie http://www.bijbelknopendoos.nl/kn18.htm ; geraadpleegd op maandag 30 mei 2016. Dominee de Jong is emeritus-predikant van de Ebenezer Canadian Reformed Church te Burlington, Ontario, Canada.

Geef een reactie »

Nog geen reacties.

RSS feed for comments on this post. TrackBack URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.