gereformeerd leven in nederland

29 juli 2016

Vlaggen en vaandels

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Gereformeerde mensen moeten zich dagelijks bekeren[1]. Zij behoren zich dagelijks naar God toe te keren.
Dat moeten zij doen: enthousiast en zonder restricties.
Men zegt dat het in veel zogeheten “traditionele kerken” aan zulke Geestdrift schort. Er moet, zegt men, meer blijheid blijken.

Nu bestaat er een al wat ouder boekje over ‘geestelijk vlagvertoon’.
De schrijfster betoogt dat vlaggen passen in het doorbreken van oude structuren, en het componeren en gebruiken van nieuwe liederen. Het zwaaien met vlaggen en vaandels is een must. Het hoort er bij. Het is een uitdrukkingsvorm van de Heilige Geest. De auteur meent dat het wapperen met vlaggen “iets doet verschuiven in de atmosfeer”. Het heeft dus invloed. Daarom moeten we ons bekwamen in vlagtechnieken[2].

Mozes geeft in Exodus 17 een speciale naam aan een altaar. Die naam luidt: ‘De Here is mijn banier’[3].
Het volk Israël loopt door de woestijn, op weg naar de Sinaï. We kennen de geschiedenis: als Mozes zijn hand maar goed omhoog houdt, houdt Gods volk de overhand in de strijd met Amalek. Als de hand zakt, is het omgekeerde het geval.
Het is duidelijk dat het omhoog houden van die hand slechts een teken is. Niemand wint een gevecht met het omhoog heffen van een hand.
Nee, het is werk van de Here. En Hij zegt er bij: “Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en prent het Jozua in, dat Ik de herinnering aan Amalek onder de hemel volledig zal uitwissen”[4]. De Here stelt orde op zaken.

Moeten wij de sfeer laten schuiven?
Moeten wij het werk van de Geest zichtbaar maken?
Ach, dat lukt ons slechts zeer ten dele. En het lukt ons alleen maar als Gods Geest heel intensief in ons leven werken gaat.
Ooit was ik in een baptistische dienst. En ja hoor, ook daar werd met vlaggen gezwaaid. Ik vond het indertijd een zeer zonderling gezwier. Dwaas gedwarrel met stoffen aan een stok. Moet je daar nou de Heilige Geest in zien? Het lijkt wel of men met al dat gezwaai het werk van Gods Geest zelf op gang wil brengen!

In Jesaja 11 vinden we een beschrijving van Gods vrederijk.
Er komt een nieuwe Koning, die vervuld zal wezen van Gods Geest. Die Koning zal ook een heel rechtvaardige Rechter zijn. Zwakke mensen worden eerlijk door Hem behandeld. Armen zijn bij die machtige Koning goed af.
Die Koning zal zorgen voor een heerlijke vrede op aarde. Moet u zich eens voorstellen: een wolf die met een lammetje speelt, een panter die vredig naast een bokje ligt, een kalfje dat samen met een leeuw aan het eten is. Die dieren hebben een oppas. En wie is dat? Een klein kindje…
Uiteindelijk is de aarde vol met mensen die een dagvulling hebben aan het dienen van die Koning. Zoals de zee vol is met water, zo is de aarde helemaal gevuld met ware godsdienst[5].
Is het niet ongelooflijk?
Daar wil je toch bij wezen?
Daar gaan we toch met z’n allen zo snel mogelijk naar toe?
Jesaja profeteert: “En het zal te dien dage geschieden, dat de volken de wortel van Isaï zullen zoeken, die zal staan als een banier der natiën, en zijn rustplaats zal heerlijk zijn”[6].
Die Koning is als een banier.
Iedereen ziet Jezus Christus staan, net als een vaandel op het slagveld.
En allen begrijpen: bij Hem moeten wij wezen!

Daar steken onze banieren schril bij af.
Onze vlaggen stellen bij Gods grootheid niets voor.
Laten we ervoor oppassen dat onze vlaggen beeld-spraak worden. Of, nog erger: beelden-dienst!

De Here is onze banier.
Daar zinspeelt Paulus in Romeinen 15 ook op.
Daar schrijft hij over de omgang met elkaar in de kerk: sterken met zwakken, en andersom. Het draait in de kerk niet om de wensen die wij zelf hebben, en de dingen die wij zouden willen doen. Wij moeten ons oefenen in eensgezindheid, in eendracht, in samen optrekken. En dan moeten we allemaal wel eens wat inleveren. Die eensgezindheid kunnen we bij Jezus Christus goed zien. Hij voerde Gods wil perfect uit.
In Hem, en in Zijn voorbeeld, ligt uiteindelijk de reden dat wij elkaar accepteren.
Dat geldt niet alleen voor Israël, maar ook voor de kerk in heel de wereld.
Samen moeten wij naar Christus toe.
En als Paulus zover gekomen is, wordt zijn brief aan de Romeinen opeens een jubelzang:
“Daarom zal ik U loven onder de heidenen en uw naam met snarenspel prijzen.
En verder zegt Hij:
Verheugt u, heidenen, met zijn volk.
En verder:
Looft, al gij heidenen, de Here, en laten alle volken Hem prijzen
En verder zegt Jesaja:
Komen zal de wortel van Isaï, en Hij, die opstaat, om over de heidenen te regeren; op Hem zullen de heidenen hopen
De God nu der hope vervulle u met louter vreugde en vrede in uw geloof, om overvloedig te zijn in de hoop, door de kracht des heiligen Geestes”[7].

Moeten we nu toch hoopvol met vlaggen zwaaien?
Laten we vooral niet denken dat daar een bepaalde kracht van uit gaat. Of dat we daarmee het werk van Gods Geest zichtbaar kunnen maken.
We moeten beseffen dat onze Here Jezus Christus een banier is.
Met de kracht die Hem eigen is verzamelt Hij Zijn volk om Zich heen. Als het daarom gaat kunnen Zijn kinderen slechts instrumenten zijn van de grote God, die wonderen doet. Ook anno Domini 2016.

Noten:
[1] Dit is een uitwerking van een ‘weeknotitie’ die ik op zaterdag 4 oktober 1997 schreef. Die notitie heeft het volgnummer 540 en is getiteld ‘De Here is onze banier’.
[2] Jackie Howard, “Vlaggen en banieren”. – Vlissingen: Goed Nieuws Uitgevers, 1997. – 63 p. Het boekje werd besproken in de editie van het Nederlands Dagblad die verscheen op donderdag 2 oktober 1997. In 2012 verscheen van dezelfde auteur het e-book “Vlaggen en banieren – Creatieve expressie in de gemeente”. Zie http://www.vanstockum.nl/ebooks/theologie-algemeen/geloofsopbouw/nl/vlaggen-en-banieren-jackie-howard-9789081955126/ ; geraadpleegd op woensdag 6 juli 2016.
[3] Exodus 17:15.
[4] Exodus 17:14.
[5] Zie Jesaja 11:1-9.
[6] Jesaja 11:10.
[7] Romeinen 15:9 b-13.

28 juli 2016

De volle waarheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Leven op deze aarde heeft als primair doel: het eren van God, de Schepper van alles en iedereen in de hemel en op de aarde[1]. Wie zich in het eren van God wenst te oefenen, moet zich verdiepen in Gods Woord. Heel dat Woord dient te worden geëerbiedigd.
Gods Woord moet niet gaan functioneren als een naslagwerk waarin onze favoriete stukken de leidraad van het leven zijn.
Het gaat om de volle waarheid.
Om de hele Bijbel.

Als wij eenmaal zo ver zijn, moeten wij ervoor oppassen Bijbelteksten uit hun verband te rukken en er de behandeling van heikele kwesties aan op te hangen.
Sommige predikers bezondigen zich daar wel eens aan.
Een voorbeeld van zo’n prediker is de bekende dr. D. Martyn Lloyd-Jones (1899-1981)[2]. Sommige van zijn preken lijken tijdredes. De tekst fungeert als een kapstok[3].
Wij moeten door de Geest zien welke consequenties Gods Woord vandaag in ons leven hebben moet. Voordat wij ’t weten ontwikkelen we echter eerst een eigen opinie, om daar vervolgens een Schriftgedeelte bij te zoeken!

Denkend over deze dingen wijs ik vandaag op woorden uit 1 Timotheüs 3. Ik bedoel deze woorden: “Mocht ik nog uitblijven, dan weet gij, hoe men zich behoort te gedragen in het huis Gods, dat is de gemeente van de levende God, een pijler en fundament der waarheid. En buiten twijfel, groot is het geheimenis der godsvrucht:
Die Zich geopenbaard heeft in het vlees,
is gerechtvaardigd door de Geest,
is verschenen aan de engelen,
is verkondigd onder de heidenen,
geloofd in de wereld,
opgenomen in heerlijkheid”[4].

Het is belangrijk om te zien dat Timotheüs hier de aangesprokene is. Het gaat hier blijkbaar om een opdracht aan Timotheüs. De jonge kerkleider moet handelen volgens door God geformuleerde principes.
Timotheüs is klaarblijkelijk eerst en vooral zelf een “zuil en sokkel van de waarheid”[5]. In Galaten 2 worden Jacobus, Céphas en Johannes trouwens ook steunpilaren genoemd[6]. In Rome werden vaak zulke zuilen opgericht. Daarmee eerde men mensen met bijzondere verdiensten voor het Romeinse volk. Welnu, Timotheüs moet dus de waarheid van Jezus Christus hoog houden.
Op die zuil moet de gemeente steunen. Op die leider mag de kerk leunen.

Maar de kerk mag toch niet steunen op mensen?
Zeker niet. Beslist niet!
Daarom haast de apostel Paulus zich ook om, als het ware in één adem, te schrijven over de verschijning van Jezus Christus op deze aarde. Een exegeet formuleert mooi: “Hij vormt de essentie van de christelijke existentie”[7].
Timotheüs moet Christus eren en laten eren.
Christus heeft in het openbaar opgetreden.
Mensen hebben Hem gedood, maar de Heilige Geest heeft Hem weer tot leven gebracht.
Engelen hebben de hemelvaart van de Heiland gezien; ook zij moeten Christus’ macht erkennen.
Het Evangelie van Christus’ machtsgreep gaat de wereld door; tot op vandaag toe.
Massa’s mensen op de wereld hechten aan dat Evangelie geloof.
Gods kinderen mogen het zich iedere dag realiseren: “Jezus Christus leeft voorgoed in volle glorie!”[8].

In 1 Timotheüs 3 wordt eerst en vooral een kerkleider aangesproken.
Naar hedendaagse termen vertaald: het is belangrijk dat er een goede kerkenraad zit. Wijze mannen zijn een zegen van de Here voor de kerk!
De gemeenteleden hebben, als het goed is, het zicht op een pijler en fundament der waarheid, “die het Evangelie zoals dat in de wereld gepredikt wordt, draagt en het beschermt tegen dwaalleer en verkeerde praktijken, door steun te geven aan het geloof in haar belijdenisgeschriften”[9].

Nogmaals: het is belangrijk dat er een goede kerkenraad zit.
Daarom is het logisch dat Paulus in 1 Timotheüs 3 ook een kraakheldere profielschets van ambtsdragers geeft.

Ware gelovigen moeten de volle waarheid toepassen in hun dagelijkse leven.
Alleen de volle waarheid levert maximale godsvrucht op.
In 1 Timotheüs 3 vinden we de ijkpunten van de volle waarheid op een rij. Wie daar wat van weglaat, kortwiekt het Evangelie. Wie er wat aan toevoegt, brengt een bericht dat geen Evangelie heten mag.

Noten:
[1] Dit is een uitwerking van een ‘weeknotitie’ die ik op zaterdag 29 november 1997 schreef. Die notitie heeft het volgnummer 548 en is getiteld ‘De vólle waarheid’.
[2] Meer informatie over hem is te vinden op https://nl.wikipedia.org/wiki/Martyn_Lloyd-Jones ; geraadpleegd op vrijdag 15 juli 2016.
[3] Dat gebeurt bijvoorbeeld in: D. Martyn Lloyd-Jones, “Het Evangelie volgens het Oude Testament”. – Heerenveen: Uitgeversgroep Jongbloed -J.J. Groen en Zoon-, 1997. – 267 p.
[4] 1 Timotheüs 3:15 en 16.
[5] De term komt uit: Dr. P.H.R. van Houwelingen, “Timoteüs Titus: pastorale instructiebrieven”. – Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, 2009. – p. 96. In dit artikel maak ik gebruik van de pagina’s 94-101 van genoemd boek.
[6] Zie Galaten 2:7, 8 en 9: “Maar integendeel: toen zij zagen, dat mij de prediking van het evangelie aan de onbesnedenen toevertrouwd was, gelijk aan Petrus die aan de besnedenen, – immers Hij, die Petrus kracht gaf om apostel te zijn voor de besnedenen, gaf die kracht ook aan mij voor de heidenen, – en toen zij de genade, die mij geschonken was, opmerkten, reikten Jakobus, Céphas en Johannes, die voor steunpilaren golden, mij en Barnabas de broederhand: wij zouden naar de heidenen, zij naar de besnedenen gaan”.
[7] Van Houwelingen, a.w., p. 97.
[8] Van Houwelingen, a.w., p. 101.
[9] De formulering is van de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant G. van Rongen (1918-2006). In: “Apostolische kerkorde – schetsen over de ‘Pastorale brieven’ van de apostel Paulus aan Timotheüs en Titus. – Nederlandse Bond van Gereformeerde Jeugdverenigingen; Bond van Mannenverenigingen op Gereformeerde Grondslag”. – tweede druk, ca. 1984. – p. 28.

27 juli 2016

Geestelijke bubbelbaden?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Christenen vergaderen en confereren heel wat af[1]. Omdat zij zich – niet zelden tot hun eigen droefenis – in de kantlijn van de samenleving bevinden, zoeken zij elkaar daar graag op. Bij voorkeur in een conferentiecentrum, of iets dergelijks. Iemand noemde dat eens een ‘geestelijk bubbelbad’[2].

Momenteel staat allerlei bestuursactiviteit en commissiewerk op een tamelijk laag pitje.
We hebben nu dus wel even tijd om, in rust en in bezonnenheid, terug te kijken en vooruit te blikken.
Vergaderen, confereren, congresseren… – waarom besteden wij daar eigenlijk zo veel tijd aan?

In Spreuken 1 lezen wij wat het uitgangspunt van al dat delibereren moet wezen:
“De vreze des Heren is het begin der kennis;
de dwazen verachten wijsheid en tucht”[3].

Naar aanleiding van de tekst schreef ik al eens: “De grote God heeft allerlei verbanden in de schepping gelegd.
De machtige God geeft de mens het vermogen om relaties aan te gaan.
De eeuwige God geeft intelligentie om kennis te verzamelen.
De trouwe Here geeft ons de mogelijkheden om de dingen op een rij te zetten.
Maar dat relateren en systematiseren begint bij de hemelse God. U moet, zo zegt de wijsheidsleraar in Spreuken 1, er allereerst voor zorgen dat u de Here leert kennen”[4].

Wie zijn die dwazen van hierboven?
Om dat te doorzien, moeten we bedenken dat de Spreukenleraar hier vooral wensen en doelen formuleert[5].
En in de Spreuken is het volkomen duidelijk: alles cirkelt de eerbied voor de Here. Wie die eerbied niet als kerndoel ziet, zal nooit een wijze man of vrouw worden.

Op bijeenkomsten en studiedagen moet de eerste vraag niet zijn: ‘Hoe lossen we dit of dat op?’, maar: ‘Wat vraagt de Here in deze situatie van ons?’.
Allen hebben wij de bijna onbedwingbare neiging om te zeggen dat we allerlei praktische zaken moeten oplossen, waarvan de oplossing niet in de Bijbel te vinden is.
Echter: altijd zijn onze oplossingen terug te voeren op één der Tien Geboden. Hoe gaan we met het materiaal dat God ons geeft? En met de gaven die hij schenkt? En met onze onderlinge omgang?
De kennis die we tijdens allerlei bijeenkomsten op doen, zal gespiegeld moeten wezen aan de inhoud van Gods Woord.
Niet geheel toevallig staat in Spreuken 1 ook:
“Hoor, mijn zoon, de tucht van uw vader
en verwerp de onderwijzing van uw moeder niet;
want zij zijn een liefelijke krans voor uw hoofd,
een keten voor uw hals”[6].
Bij het nemen van allerlei beslissingen maken we, als het goed is, gebruik van de kennis van onze ouders en andere familieleden. Wij luisteren graag naar de kerkleden om ons heen.

In al ons kerkwerk moeten wij de ambitie hebben om de Here te dienen.
Maar daarbij moeten wij tenminste één valkuil ontwijken.
De valkuil der goede werken bedoel ik.

In de editie van het Nederlands Dagblad die op 14 juli jongstleden verschenen is, komt een moslim aan het woord.
Het is Mohamed Ajouaou. Hij is universitair docent islam aan de Vrije Universiteit en hoofd islamitische geestelijke verzorging bij het ministerie van Veiligheid en Justitie.
Hij zegt: “In de profetische uitspraken, de hadith, wordt aan de profeet Mohammed gevraagd: moet je een kameel vastbinden, of op God vertrouwen dat hij niet wegloopt? Zijn antwoord: bind de kameel vast aan de boom én hoop op God. Alleen maar op God vertrouwen is niet voldoende om in dit leven verder te komen. Je moet wel wat doen, elke dag proberen in alles beter te zijn. Wat heb je vandaag goed gedaan, wat verkeerd? Elke dag moet je de balans opmaken, en de volgende dag moet er een verschil te zien zijn, als dat niet gebeurt, ben je arm, zegt de hadith”[7].
Geldt iets dergelijks voor Gereformeerden ook?
Moeten wij het elke dag beter doen?
Natuurlijk, het is goed om onszelf bij tijd en wijle te corrigeren.
Maar hebben wij als taak de perfectie na te streven?
Moet uw leven iedere dag een stukje beter worden? Benadert u de volmaaktheid als u – laten we zeggen – 88 jaar bent, terwijl uw zoon van 54 op het perfectiecircuit een heel eind achter u aan komt?
Ik zeg u: neen, geenszins!
Natuurlijk, wij mogen de zonde niet opzoeken. Woekerwinsten en ander onrechtmatig gedoe met geld zijn uit den boze.
Maar niet voor niets eindigt Spreuken 1 met de woorden:
“…de afkerigheid der onverstandigen zal hen doden,
de zorgeloosheid der dwazen zal hen te gronde richten.
Maar wie naar mij luistert, zal gerust wonen,
beveiligd tegen de verschrikking van het onheil”[8].
Er bestaat niet zoiets als super-eerbied. Wij moeten gewoon naar de Here luisteren, en Zijn leiding aanvaarden.
Het allerbeste bereiken wij in dit leven niet.
Superioriteit op deze aarde? Dat loopt op niets uit.
Wij kunnen niets verdienen. Wij zijn slechts in dienst.
Heel ons leven mag en moet van de vreze des Heren doortrokken wezen. Meer vraagt de Here niet van ons. Het is niet voor niets dat de term “vreze des Heren” dertien keer in het Bijbelboek Spreuken voorkomt[9].

Terug nu naar de vergaderingen. Naar de conferenties. Naar de symposia. Naar het commissiewerk en de werkgroepbijeenkomsten.

Nee, die vergaderingen in christelijk Nederland zijn niet bedoeld als geestelijke bubbelbaden.
Nee, die vergaderingen in christelijk Nederland zijn niet bedoeld om Gereformeerden op te jagen.
Alle vergaderingen in christelijk Nederland zijn bedoeld om al Gods kinderen van de vreze des Heren te doortrekken.
Net als zout. Daarom is de slotvraag van dit artikel dezelfde als die in Lucas 14: “Het zout is wel goed, maar wanneer zelfs het zout zijn kracht verliest, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden?”[10].

Noten:
[1] Dit is een uitwerking van een ‘weeknotitie’ die gedateerd is op zondag 23 november 1997. Die notitie heeft het volgnummer 547 en is getiteld ‘Christenen en conferenties’.
[2] Dat was Arnold van Heusden. Hij gebruikte de term in de periode dat hij directeur van de Evangelische Alliantie was.
[3] Spreuken 1:7.
[4] Dit citaat komt uit mijn artikel “Het ouderlijk gezag richt ons op het hemels tijdperk”; hier gepubliceerd op dinsdag 27 december 2011. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2011/12/27/ouderlijk-gezag/ .
[5] Een exegeet schrijft in de webversie van de Studiebijbel: “Het opschrift boven het boek luidt: ‘Spreuken van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël’ (vers 1). Hierop volgt het doel van het boek: een opsomming van zaken die door het lezen van dit boek geleerd moeten worden. Het is een opsomming van doelen (vers 2-4), wensen (vers 5) en daarna weer doelen (vers 6)”.
[6] Spreuken 1:8 en 9.
[7] Zie: “Elke dag een beter mens” – rubriek Houvast –. In: Nederlands Dagblad, donderdag 14 juli 2016, p. 24. Zie voor meer informatie over de heer Ajouaou http://www.godgeleerdheid.vu.nl/nl/over-de-faculteit/medewerkers/wetenschappelijk-personeel-a-f/m-ajouaou/index.aspx ; geraadpleegd op donderdag 14 juli 2016.
[8] Spreuken 1:32 en 33.
[9] Die uitdrukking komt voor in Spreuken 1:7, en verder in hoofdstuk 1:29; 2:5; 8:13; 9:10; 10:27; 14:26; 14:27; 15:16; 15:33; 16:6; 19:23; 22:4.
[10] Lucas 14:34.

26 juli 2016

Geestelijk gevecht

Het begrip ‘geestelijke strijd’ staat in Zondag 52 van de Heidelbergse Catechismus. De zin waar dat begrip in staat, komt u vast bekend voor: “Daarom bidden wij U: wil ons toch staande houden en sterken door de kracht van uw Heilige Geest, zodat wij in deze geestelijke strijd niet het onderspit delven, maar altijd krachtig tegenstand bieden, totdat wij uiteindelijk de volkomen overwinning behalen”[1].

Die geestelijke strijd zien we, als u het mij vraagt, om ons heen.
Ik noem een paar dingen:
* het gemak waarmee men overstapt van kerk A naar genootschap B
* het feit dat weinigen meer kijken naar de principiële keuze met betrekking tot de kerk; men denkt vaak in termen van sfeer en warmte
* de angst voor ruzie in de kerk. ‘Is er bij jullie wel een warme gemeenschap?’.
* de onoverzichtelijkheid in de kerk en op het kerkplein. Waar zitten nu de echte gelovigen?
* het feit dat mensen niet meer geloven wordt negatiever beoordeeld dan het feit dat mensen anders geloven.

Wij zien de geestelijke strijd om ons heen.
Er wordt gestreden, gebeden, gepraat, geschreeuwd, gehuild…
Wat moet een kind van God in zo’n situatie doen?

Die vraag kan met behulp van Marcus 13 beantwoord worden. In dat hoofdstuk is Jezus’ rede over de laatste dingen opgenomen.
Jezus zegt onder meer:
* Let er op dat niemand u verleidt[2].
Jezus spreekt over nep-redders. Over oorlogen en terreur. Over natuurrampen. Over geloofsvervolging.
* Vlucht weg uit Jeruzalem, de stad die verwoest zal worden[3].
* Het aantal dagen waarop vervolging en allerlei andere gruwelen plaatsvinden, wordt beperkt[4].
De reden daarvan is dat de uitverkorenen moeten overleven.
* Loop niet achter nep-verlossers aan.
Het staat er zo: “Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen tekenen en wonderen doen, om, ware het mogelijk, de uitverkorenen te verleiden”[5].
* het complete universum komt in opschudding[6].
* dan geeft Jezus Christus een dienstorder om de uitverkorenen, die her en der in de wereld weggedoken zijn, weer bijeen te brengen[7].
* Het gaat om de keiharde werkelijkheid; de gebeurtenissen zijn voor iedereen zichtbaar[8].
* Niemand weet precies wanneer Jezus Christus terug zal komen, maar waakzaamheid is geboden[9].

Jezus spreekt de discipelen aan, maar gaandeweg wordt duidelijk dat dit een boodschap is voor alle kinderen van God.

De hele wereld is in beweging.
En dat is de inleiding van, de voorbereiding op de terugkomst van de Heiland.
Het moment van die terugkomst is onbekend. Maar het feit van die terugkomst is zeker.
En de oproep klinkt door de wereld: mensen, wees er op voorbereid!

Marcus 13 weidt er over uit: “Ziet toe, blijft waakzaam. Want gij weet niet, wanneer het de tijd is. Gelijk een mens, die buitenslands ging, zijn huis overliet en aan zijn slaven volmacht gaf, aan ieder zijn werk, en de deurwachter opdroeg te waken. Waakt dan, want gij weet niet, wanneer de heer des huizes komen zal, laat in de avond of te middernacht, bij het hanegekraai of des morgens vroeg, opdat hij niet, als hij plotseling komt, u slapende vinde. Wat Ik u zeg, zeg Ik allen: Waakt!”[10].

Door alle drukte worden de mensen moe. Ja, ook de kerkmensen.
Zij zijn murw geslagen. Zij hebben helemaal geen zin meer om zich in principiële zaken met betrekking tot Bijbel en geloof te verdiepen.
Zij zijn te vermoeid om, bijvoorbeeld, uit te zoeken waar de kerk is. En dus koersen zij op eigen gevoel en persoonlijke emotie.
Zij zien om zich heen hoeveel onenigheid, onmin, ruzie, tweespalt en conflicten er zijn. In de gezinnen. In de families. En ja, ook in de Familie met een hoofdletter F – de kerk.
Je mag, zeggen de mensen, al blij wezen dat je kinderen nog geloven; ongeloof, dat is vele malen erger.

Wij zien vermoeidheid, onoverzichtelijkheid, geloofsvervolging. Wij zien daarnaast nog vele andere schier onbeschrijflijke gruwelen.
Is het met het oog daarop, menselijk gesproken, een wonder dat u vooral op uzelf let? Op uw eigen welzijn? Op uw eigen gevoel? Nee, natuurlijk. Dat is heel begrijpelijk.
Misschien wordt u er wel zo moe van dat u er spontaan van in slaap valt.
Welnu, zegt de Here in Marcus 13, u moet wakker blijven!
En vooral: u moet blijven bidden!

Vanachter de opeenstapeling van problemen worden massa’s mensen zoekers.
Zij zoeken hun richting.
Zij zoeken een antwoord op honderdduizend vraagstukken.
Zij zoeken hun bestemming.
Zij zoeken naar de juiste uitleg van Gods Woord.
Zij zoeken God.
Maar ach, eigenlijk is dit allemaal weinig nieuws. Professor Kuitert zegt al sinds de jaren ’70 van de vorige eeuw dat God een zoekontwerp is. Theologie, dat is ook een zoekontwerp[11].
De kerk heeft, zegt professor Kuitert, een constructiefout gemaakt. De kerk moet, zegt hij, ermee ophouden om zichzelf te beschouwen als een instituut dat de waarheid verkondigt en een leer oplegt; de kerk moet zich transformeren tot een religieuze gemeenschap[12].
Op zoek naar God, dat is al een heel oude bezigheid.

Het zijn moeilijke tijden, zeggen de mensen. En zij hebben gelijk.
Intussen leert de Catechismus ons dat wij krachtig tegenstand moeten bieden. De geestelijke strijd is niet voor mensen die een beetje aarzelen. De geestelijke strijd is niks voor mensen die een beetje lopen te zoeken naar de juiste route in het leven.
Kerkmensen moeten nodig weer wat zekerder worden.
En dat kan ook.
Want zij zijn zeker van de volkomen overwinning!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 52, antwoord 127.
[2] Marcus 13:5.
[3] Marcus 13:14.
[4] Marcus 13:20.
[5] Marcus 13:22.
[6] Marcus 13:25.
[7] Marcus 13:27.
[8] Marcus 13:29.
[9] Marcus 13:33.
[10] Marcus 13:33-37.
[11] Zie http://www.hmkuitert.nl/wie.html ; geraadpleegd op woensdag 13 juli 2016.
[12] Zie: Harry Kuitert, “Kerk als constructiefout; de overlevering overleeft het wel”. – Utrecht: VBK Media -Ten Have-, 2014. – 176 p.

25 juli 2016

Vertrouwend vragen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Onlangs zei een jonge vrouw in het Nederlands Dagblad: “Laatst las ik een interview met een wat oudere vrouw die zei: hoe meer ik in de Bijbel lees, hoe minder ik ervan begrijp. Dat klinkt raar, maar ik herken het wel. Telkens als je leest in de Bijbel, ontdek je nieuwe dingen en wordt het minder eenduidig. Er is zo veel te ontdekken over God en hoe Jezus naar de wereld kwam. Het wordt onduidelijker, maar tegelijk ook mooier, mysterieuzer”[1].

Een oude weduwnaar had de Bijbel voor de zoveelste keer helemaal uit gelezen. Hij kon weer bij Genesis 1 beginnen. Maar daar verheugde hij zich niet op. De lange zinnen stonden hem wat tegen. De regelmatige herhaling van allerlei wetten sprak hem niet zo aan. De moeiten in het ontstaan van de kerk in die eerste Bijbelboeken… – hij werd er een beetje moe van.
De oude weduwnaar besloot het anders aan te pakken.
Hij begon in het Oude Testament bij Jozua, en startte in het Nieuwe Testament bij het Evangelie naar Johannes.
Hij putte er troost uit en vatte nieuwe moed.

Als u het mij vraagt is Bijbellezen mooi werk.
Die beide mensen uit het vorenstaande – die jonge vrouw en die oude weduwnaar – geven echter terecht aan dat Bijbellezen ook minder mooi en bevredigend kan wezen.
Vaak roept het Bijbellezen zoveel vragen op.
Sommige delen van de Bijbel staan zo ver van ons af.
En waarom worden sommige Oudtestamentische wetten en regels zo vaak herhaald?
Wat nut ons dat?
Wat baat het ons?

In Spreuken 30 heeft Agur ook heel wat vragen.
Hij voelt hoe hij te kort schiet.
Er zijn zoveel vraagtekens.
Rond de schepping bijvoorbeeld.
Maar er is één ding dat hij zeker weet:
“Alle woord Gods is gelouterd;
hun die bij Hem schuilen, is Hij ten schild”[2].
Wie dat vasthoudt, is een gezegend mens. Met hem gaat het altijd goed. Wat er ook gebeurt.

Laten wij de inzet van Spreuken 30 nog ietwat nauwkeuriger bestuderen. Wij lezen:
“De woorden van Agur, de zoon van Jake. De godsspraak.
Deze man zegt: Ik tobde mij af, o God,
ik tobde mij af, o God, en ik versmacht;
want ik ben onvernuftiger dan enig mens
en mensenverstand heb ik niet;
ook heb ik geen wijsheid geleerd,
dat ik de Hoogheilige zou kennen.
Wie klom op ten hemel en daalde weer neder,
wie heeft de wind in zijn vuist verzameld?
Wie heeft de wateren saamgebonden in zijn kleed,
wie heeft al de einden der aarde vastgesteld?
Hoe is zijn naam en hoe de naam van zijn zoon?
Gij weet het toch.
Alle woord Gods is gelouterd;
hun die bij Hem schuilen, is Hij ten schild”[3].

Wie is Agur?
Dat weten we niet precies. Sommige uitleggers menen dat het Salomo is. Anderen zeggen dat het een broer van Lemuël betreft. U weet wel: Lemuël, de man die in Spreuken 31 wordt vermeld[4].
De naam Agur betekent: verzameld[5]. Is het de schuilnaam voor de opsteller van deze spreuken?
Wie hij ook is: wij mogen ons door hem laten onderwijzen[6].

Agur laat een godsspraak horen.
Het Hebreeuwse woord dat voor ‘godsspraak’ wordt gebruikt, duidt op onderwijs. Hetzelfde woord zien wij terug in 2 Koningen 9: “Toen zeide Jehu tot zijn hoofdman Bidkar: Neem hem op en werp hem op de akker van de Jizreëliet Naboth. Want herinner u, dat de Here, toen gij en ik zij aan zij reden achter zijn vader Achab, deze Godsspraak over hem gaf: Voorzeker, Ik heb gisterenavond het bloed van Naboth en van zijn zonen gezien, luidt het woord des Heren. Ik zal het aan u vergelden op deze akker, luidt het woord des Heren. Nu dan, neem hem op en werp hem op de akker, volgens het woord des Heren”[7]. Dat is een dreigement dat in opdracht van de Here wordt uitgesproken.
Dat Hebreeuwse woord kan ook ‘last’ betekenen.
We zouden, voor wat Spreuken 30 betreft, wellicht kunnen zeggen dat Agur hier op last van God onderwijs geeft.

Agur stelt zich zeer bescheiden op.
Hij erkent zijn kleinheid tegenover de machtige Schepper van hemel en aarde.

Maar één ding weet Agur heel zeker.
Elk woord dat de Here gesproken heeft is getoetst.
Een Gereformeerd-vrijgemaakte predikant omschreef dat in een preek over Spreuken 30 eens zo: “Alle vuile deeltjes zijn er uit weggebrand. Zo is het Woord van God als zuiver goud. Geen verkeerd stukje zit er meer in. Gods Woord, daar kun je op vertrouwen. Er is niets wat je op het verkeerde been zet. Bij dat Woord ben je veilig. Wil je de Heilige kennen…je hoeft niet omhoog naar de hemel. Het woord is dichtbij U, in uw mond en in uw hart”[8].
Agur lijkt Deuteronomium 30 in zijn achterhoofd te hebben: “Want dit gebod, dat ik u heden opleg, is niet te moeilijk voor u en het is niet ver weg. Het is niet in de hemel, zodat gij zoudt moeten zeggen: Wie zal opstijgen ten hemel, het voor ons halen, en het ons doen horen opdat wij het volbrengen? En het is niet aan de overkant der zee, zodat gij zoudt moeten zeggen: Wie zal oversteken naar de overkant der zee, het voor ons halen, en het ons doen horen opdat wij het volbrengen? Maar dit woord is zeer dicht bij u, in uw mond en in uw hart om het te volbrengen”[9].
Hij repeteert Psalm 18 ook nog maar eens:
“Gods weg is volmaakt;
des Heren woord is zuiver.
Hij is een schild voor allen
die bij Hem schuilen”[10].

Op deze aarde kunnen wij Gods Woord nooit helemaal begrijpen.
Dat ben ik met de jonge vrouw van hierboven eens.
Maar wordt de Bijbel gaandeweg minder eenduidig?
Ik zou denken dat Gods Woord één kant op wijst. Agur wijst ook maar één kant op. Hij wijst op de Schepper van hemel en aarde.
Wij moeten ons op God verlaten. Wij zullen steeds beter moeten leren om om Hem te vertrouwen!
De Bijbel is mooi.
Maar nee, Gods Woord is niet mysterieus. Wij kunnen de God van het verbond niet van geheimzinnigheid betichten. Als het daarom gaat, zeg ik het de Nederlandse Geloofsbelijdenis na: “Wij geloven dat deze Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat en voldoende leert al wat de mens moet geloven om behouden te worden. Daarin heeft God uitvoerig beschreven op welke wijze wij Hem moeten dienen”[11].

En die oude weduwnaar?
Ja, ik geloof dat ik hem wel begrijp.
Want in het Bijbelboek Genesis komt al heel snel de zondeval ter sprake.
Bovendien vereist het lezen van al die wetten en regels in het begin van de Bijbel het trekken van wat langere heilshistorische lijnen. En wij weten het: dat lukt bejaarde mensen niet altijd meer. En zij hebben er soms ook de energie niet meer voor.
Maar één ding kunnen wij van veel oude broeders en zusters leren: onwrikbaar vertrouwen op de Here God. Laten wij dat geloof maar navolgen.

Het zij mij vergund daarbij één woord uit het Bijbelboek Genesis te citeren. De Here zegt in hoofdstuk 15 tegen Abram: “Vrees niet, Abram, Ik ben uw schild; uw loon zal zeer groot zijn”[12].
Die belofte geldt ook voor de kerk anno Domini 2016.

Als wij dan nog vragen over Gods Woord hebben, laten wij dan maar vol vertrouwen vragen stellen. Aan broeders en zusters om ons heen. En aan de Here, in het gebed.

Noten:
[1] “Interessant hoe anderen Bijbellezen” – interview met Marelien Oudman. In: Nederlands Dagblad [rubriek: Mijn Bijbel], zaterdag 23 juli 2016, p. 28.
[2] Spreuken 30:5.
[3] Spreuken 30:1-5.
[4] Spreuken 31:1: “Woorden van Lemuël, de koning van Massa, waarmee zijn moeder hem vermaande”.
[5] Zie http://www.oudesporen.nl/Download/OS0939.pdf ; geraadpleegd op zaterdag 23 juli 2016.
[6] Zie http://www.oudesporen.nl/Download/40-11.pdf ; geraadpleegd op zaterdag 23 juli 2016.
[7] 2 Koningen 9:25 en 26.
[8] Zie http://gkvdebron.nl/spreuken-30-1b-6.html ; geraadpleegd op zaterdag 23 juli 2016. De predikant in kwestie is H. van den Berg.
[9] Deuteronomium 30:11-14.
[10] Psalm 18:31.
[11] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 7.
[12] Genesis 15:1.

22 juli 2016

Van 1.0 naar 2.0 en terug

Tegenwoordig spreekt men zowel van Gereformeerden 1.0 als van Gereformeerden 2.0 .

Gereformeerden 1.0 zijn mensen die zeggen: Gereformeerd is een vaste identiteit. Die ziet u terug in de belijdenisgeschriften. Schrift en belijdenis vormen de basis van het bestaan.
Gereformeerden 2.0 zijn mensen die vaststellen dat ‘Gereformeerd’ iets beweeglijks is. Gereformeerden zijn Godvrezend in hun eigen situatie. Met dank aan de voorvaderen, dat wel.

In april 2016 schreef professor A.L.Th. de Bruijne er een column over in het Nederlands Dagblad[1].

Persoonlijk vind ik dat verhaal over 1.0 en 2.0 een valse tegenstelling.
Op basis van de Schrift en de belijdenis kunnen we reageren op de gebeurtenissen in onze maatschappij.
We kunnen er zelfs op anticiperen. Wij kunnen vooruitkijken. Wij kunnen wel zo ongeveer zien waar het op uit loopt.
Daarbij staan we op de schouders van ons voorgeslacht. Wij lezen over hen. Wij leren nog altijd van hen.
Derhalve moeten wij, als u het mij vraagt, geen scheiding aanbrengen tussen 1.0 en 2.0. Wat mij betreft hoort zo’n scheiding thuis in de categorie Weinig Succesvolle Onzin.

Trouwens, eerder al heb ik al dat genummer op het kerkplein op deze pagina al eens gerelativeerd.
Indertijd schreef ik onder meer:
“Nu meende ik te weten dat we inmiddels aan de kerk Drie Punt Nul toe waren.
Daarbij denk ik aan het boek “Kerk voor een nieuwe generatie”, van Sabine van der Heijden. Sabine is docente jeugdwerk van de Christelijke Hogeschool Ede.
Zij onderscheidt drie soorten kerken. En wel de volgende.
kerk 1.0: kerk tegenover jongerencultuur; de wereld is slecht, jongeren moeten leren ‘geheel anders’ te zijn;
kerk 2.0: men gebruikt elementen uit de jongerencultuur, en maakt daar een christelijke variant op;
kerk 3.0: kerken en groepen, waarin alles draait om relaties en authenticiteit”[2].
Ik wil maar zeggen: soms verzanden pogingen om het kerkelijk leven te systematiseren uiteindelijk in een tamelijk nutteloos ontwerp van een telraam. Tja.

Terecht schreef dr. Huijgen, universitair hoofddocent systematische theologie aan de Christelijke Gereformeerde Theologische Universiteit te Apeldoorn over de tegenstelling die De Bruijne tekent: “De belijdenis is niet allereerst een papieren of juridische werkelijkheid, maar een existentiële, een zaak van het hart. Belijden is immers in Bijbels licht nooit alleen iets formeels. Als de binding aan de belijdenis niet een vorm van liefde is, wordt de belijdenis inderdaad alleen maar een koude meetlat, waarbij de luiken dicht gaan, of juist een overtollige ballast. Maar zo hoeft het helemaal niet te gaan”.
En:
“Persoonlijk leef ik met de gereformeerde belijdenis en ik ervaar geen hindernis om te leren van andere tradities, open te staan voor modern bijbelonderzoek of nieuwe ideeën in de dogmatiek. Natuurlijk is dat wel spannend, maar spanning hoort bij de theologie en bij het geloofsleven.
Ik geef er geen nummer aan, maar wat mij betreft is dit gewoon gereformeerd”[3].

Professor de Bruijne laat tussen de regels door blijken dat hij zich best thuis voelt bij de Gereformeerden 2.0. De kerkmensen moeten zich, zegt hij, bewust worden van de verschuiving die er plaatsvindt.
Dominee E. Heres schrijft in reactie daarop: “Helder erkennen en je bewust worden dat het kerkverband van de GKV fundamenteel van koers veranderd is, dat is inderdaad winst. Het is niet minder schokkend. Hoeveel GKV-ers zien nog de ernst van deze ontwikkeling? Prof. De Bruijne schrijft daar in één zin ook iets over. Hij zegt: ‘Ook wie zich hierover zorgen maken, tolereren het wel’. Helaas moeten we zeggen dat ook deze waarneming juist lijkt te zijn. Het lijkt erop dat de verontrusting bezig is weg te ebben. Sommige vanouds gereformeerde broeders en zusters in de GKV zijn nog wel bezorgd, maar inderdaad, men komt niet meer in het geweer. Geve de HERE door zijn Geest dat, misschien mede door dit soort openlijke erkenningen, er nog ogen open gaan.
Ja want de grote vraag die bij het lezen van de column van prof. De Bruijne boven komt is deze: Hoe zit dat met ‘Gereformeerd 2.0’? Kijk, bij een andere versie van een internettechniek verandert er niets principieels. Maar de verschuiving van Gereformeerd 1.0 naar Gereformeerd 2.0 is wél principieel. Je kan toch niet de Schriftuurlijke belijdenisgeschriften ter discussie stellen en tegelijk zeggen dat je gereformeerd blijft!”[4].

Als u het mij vraagt moeten wij in de kerk heel voorzichtig zijn met nummeren.
Voordat wij ’t weten wordt zo’n nummer iets van ons. Voordat wij ’t weten kraait onze haan victorie.
Laten wij nooit vergeten dat de God van het verbond van een nummer zomaar een brandmerk maken kan.
Die situatie komen wij tegen in Jesaja 3 en 4. Ik citeer:
“Voorts zeide de Here: Omdat de dochters van Sion verwaten geworden zijn en rondlopen met gerekte hals en lonkende ogen, omdat zij met trippelende gang wandelen en haar voetringen laten rinkelen, zo zal de Here de schedel der dochters van Sion schurftig maken en de Here zal haar schaamte ontbloten. Te dien dage zal de Here wegnemen de pronk der voetringen, de voorhoofdbanden, maantjes, oorhangers, armbanden, sluiers, hoofddoeken, voetkettinkjes, gordels, reukflesjes, tovermiddelen, zegelringen, neusringen, feestgewaden, mantels, omslagdoeken, tasjes, handspiegels, onderkleding, hoofdtooi en overkleding. Dan zal er in plaats van balsemgeur vunsheid zijn, in plaats van een gordel een touw, in plaats van haarvlechten kaalheid, in plaats van een pronkgewaad omgording met een rouwkleed, een brandmerk in plaats van schoonheid. Uw mannen zullen vallen door het zwaard en uw helden in de strijd, en de poorten der stad zullen zuchten en jammeren, en uitgeschud zal deze ter aarde neerzitten.
Zeven vrouwen zullen te dien dage één man aangrijpen en zeggen: Ons eigen brood willen wij eten en ons eigen kleed aantrekken, laat ons slechts uw naam dragen, neem onze smaad weg.
Te dien dage zal wat de Here doet uitspruiten tot sieraad en heerlijkheid zijn, en de vrucht des lands tot glorie en luister voor de ontkomenen van Israël. En het zal geschieden, dat wie overgebleven is in Sion, overgelaten in Jeruzalem, heilig zal heten – ieder die in Jeruzalem ten leven is opgeschreven”[5].
Het gaat niet om onze vindingrijkheid.
Het draait niet om ons inzicht en onze inzet.
Het gaat om heiliging van Gods volk.
Dat was zo in 1517, in 1944, in 2003. En u begrijpt het al: dat zijn geen willekeurige jaarnummers.

We moeten niet nummeren, maar reformeren.
Dat is niets nieuws.
Echt niet.

Noten:
[1] De column staat in de editie van het Nederlands Dagblad die verscheen op zaterdag 9 april 2016, p. 17.
[2] Zie mijn artikel ‘De kerk en de versienummers’; hier gepubliceerd op donderdag 19 juli 2012. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2012/07/19/de-kerk-en-de-versienummers/ .
[3] Geciteerd via: Weerklank – gereformeerd maandblad voor toerusting en informatie van de Gereformeerde Kerken Nederland – jaargang 4, nr 6 (juni 2016), p. 11. Ook te vinden op http://www.rd.nl/theologenblog-arnold-huijgen-binding-aan-belijdenis-niet-hinderlijk-1.540620 ; geraadpleegd op maandag 11 juli 2016.
[4] Zie: http://www.gereformeerde-kerk-dalfsen.nl/files/artikelen/Gereformeerd2-0.pdf ; geraadpleegd op maandag 11 juli 2016.
[5] Jesaja 3:16-4:3.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.