gereformeerd leven in nederland

31 augustus 2016

Veelbelovende liefde

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Dat 1 Corinthiërs 13 over de liefde gaat is, naar ik aanneem, alom bekend[1]. De wereld roept:
‘Rozen verwelken, schepen vergaan,
maar onze liefde zal altijd blijven bestaan’.
Zodra het echter wat ingewikkelder wordt, haken velen af.
Zodoende weten heel wat mensen geen raad met een tekst als de volgende:
“Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben”[2].

Het loont, dunkt mij, de moeite, om bovenstaande woorden van wat dichterbij te bekijken.
In dit artikel wil ik dat gaan doen.

In 1 Corinthiërs 13 staat Gods liefde centraal.
Die liefde wordt door de Heilige bewerkt en gestimuleerd.
Gods Heilige Geest werkt naar de volkomen heerlijkheid toe.
In die heerlijkheid doen profetieën er niet meer toe.
In die heerlijkheid is het spreken in tongen niet belangrijk meer.
Het spreken van allerlei verschillende talen is niet meer nodig.
Het hebben van kennis is niet meer aan de orde.

Vaak wordt 1 Corinthiërs 13 enigszins veralgemeniseerd. Men wil het wel uitschreeuwen: 1 Corinthiërs 13 demonstreert voor het oog der wereld hoe pure liefde er uit moet zien.
Wij mogen echter niet vergeten dat het in dat Schriftgedeelte over kerkmensen gaat.
Gelovigen hebben door het werk van de Heilige Geest, het vermogen om hun onderscheiden gaven te benutten.
Daar is heel het voorgaande hoofdstuk, 1 Corinthiërs 12, aan gewijd.
De inzet van die Geestelijke gaven heeft echter bitter weinig zin als de liefde voor God en voor elkaar ontbreekt. Dat is de reden dat in 1 Corinthiërs 13 de liefde zo uitgebreid wordt besproken.

Intussen prangt de vraag: wat heeft die spiegel nu precies met die liefde te maken?
Wanneer zien wij iemand anders in de spiegel? Als die persoon achter ons staat; dat is logisch.
In de oudheid zijn er bronzen handspiegels[3]. Die zijn erg populair, maar ook tamelijk duur.
Die bronzen spiegels worden vaak aangetast door corrosie. Zeg maar even: ze hebben last van roest. Daarom is het beeld wat fragmentarisch. De persoon achter ons is niet helder in beeld.
Pas als we ons omdraaien zien we die persoon echt.
Paulus wil ermee zeggen dat wij de volkomenheid van Gods liefde op deze aarde slechts voor een deel kunnen zien. Maar dat deel is al enorm veelbelovend!

Paulus noteert er bij: “Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben”.
Een uitlegger merkt op: “In de tweede zin ‘nu ken ik ten dele, straks zal ik volkomen kennen, zoals ik zelf volkomen gekend ben’, valt het verschil op tussen het werkwoord ginosko -leren kennen, kennen- en epi-ginosko -in samenhang kennen, uit ervaring kennen-. Dit kennen betreft niet alleen het kennen van allerlei waarheden over God, maar ook het kennen van God Zelf in een volmaakte relatie. Bij ‘zoals ook ik gekend ben’ gaat het om Gods kennen van ons (…) Dit gekend zijn door God heeft geleid tot onze bekering en redding”[4].

Als wij in die handspiegel kijken, ontwaren wij – vanwege de hierboven reeds gesignaleerde roest – geen keurig plaatje.
Wij zien geen beeld waar wij urenlang naar kunnen staren om dat zorgvuldig te analyseren. Nee, als we in die spiegel kijken zien we alleen maar een deel van het beeld. We zien maar een stukje van die persoon achter ons. Het beeld blijft een beetje vaag.
Natuurlijk zouden we het beeld onmiddellijk scherp willen stellen.
Maar wij moeten geduld hebben.
Wij weten het: er zal een moment komen waarop we God in al Zijn hemelse glorie zullen zien. We kunnen Hem dan recht in het gezicht kijken. En dan, ja dan zal blijken dat God ons al door en door kende. Hij kende ons al voordat de basis van deze wereld werd gelegd[5].

Een exegeet maakt hierbij de volgende kanttekening: “Dit kennen Gods vindt zijn oorsprong in zijn verkiezende liefde; de gemeente is hiervan de weerspiegeling”[6].
In de kerk merken wij, als het goed is, steeds het verlangen om gaandeweg meer van Gods liefde te zien. Wij zien in veelvoud de beweging die de apostel Paulus in Philippenzen 3 beschrijft: “Niet, dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ík ook door Christus Jezus gegrepen ben. Broeders, ik voor mij acht niet, dat ik het reeds gegrepen heb, maar één ding doe ik: vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus”[7].

De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant E.Th. van den Born (1900-1982) schreef naar aanleiding van 1 Corinthiërs 13 eens: “Er is echter één gave van de Geest, welke allen ontvangen, die niet tijdelijk, maar eeuwig is, die niet aards, maar hemels. Het is de gave der liefde, welke het deel wordt van allen, die de Here Christus aanroepen”[8].

Het is die liefde waarmee de hemelse God de wereld zal blijven besturen.
En Zijn kinderen mogen meeregeren.
In Openbaring 22 staat het zo: “…en zij – dat zijn Zijn dienstknechten – zullen zijn aangezicht zien en zijn naam zal op hun voorhoofden zijn. En er zal geen nacht meer zijn en zij hebben geen licht van een lamp of licht der zon van node, want de Here God zal hen verlichten en zij zullen als koningen heersen tot in alle eeuwigheden”[9].

Dan is de liefde volmaakt geworden.
Dan is het toppunt van liefde bereikt.

Noten:
[1] In dit artikel gebruikte ik onder meer een notitie die ik op zaterdag 4 juli 1998 schreef. Die notitie heeft het volgnummer 571 en is getiteld ‘Geest-elijke liefde is onsterfelijk’.
[2] 1 Corinthiërs 13:12.
[3] In het onderstaande gebruik ik onder meer: Dr. R. Dean Anderson, “1 Korintiërs: orde op zaken in een jonge stadskerk”. – Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, 2008. – p. 198.
[4] Zie hierover de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij 1 Corinthiërs 13:12.
[5] Zie mijn artikel ‘Geloof en verstand’ hier gepubliceerd op maandag 7 december 2015. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2015/12/07/geloof-en-verstand/ .
[6] “Bijbel met kanttekeningen”. – Baarn: Bosch & Keuning n.v. – deel 8, p. 173: kanttekening 28 bij 1 Corinthiërs 13:12.
[7] Philippenzen 3:12, 13 en 14.
[8] E.Th. van den Born, “Gedenkt en gelooft; Bijbels dagboek”, ca. 1967. – 10 juli.
[9] Openbaring 22:4 en 5.

30 augustus 2016

Symfonie van Gods liefde

In een berijming van Zondag 5 uit de Heidelbergse Catechismus dichtte iemand eens:
“Wie kan de prijs der ziel dan toch voldoen,
Wie is die sterke Held, die Kampioen?”.
De dichter zei daar zelf over: “Het gebruik van het woord ‘kampioen’ geeft een verrassend effect, omdat het uit een heel ander taalveld komt dan dat van de catechismus.
Hier vond ik dit woord wel gepast. De wereld spreekt vrijmoedig over zijn kampioenen, de wereldsterren die als helden worden vereerd. Mogen wij onze Held dan geen Kampioen noemen? Hij heeft de wereld overwonnen”[1].
Intussen zien wij van die overwinning nog niet zoveel.

Immers – schietpartijen, liquidaties en criminele afrekeningen: in onze tijd komen die regelmatig in het nieuws langs. U leest er over in de krant. U hoort er over op radio of televisie.
Heel vaak betreft dat een misplaatste vorm van vereffening van schuld. Het betreft een betaling. Iemand moet een fout, of een vermeende fout, met zijn leven bekopen.
Een dergelijke afrekening is natuurlijk verboden. De rechter moet er aan te pas komen om mensen die dergelijke dingen bedenken, te bestraffen. En ook de schutters dienen een rechtmatige straf te krijgen.

In Zondag 5 van de Heidelbergse Catechismus, die hierboven reeds bezongen werd, wordt aandacht besteed aan de schuld die wij bij de Here hebben.
Kunnen mensen die schuld betalen?

In de Catechismus staat het zo:
“Maar kunnen wij zelf betalen?
Antwoord:
Op geen enkele manier. Wij maken de schuld juist elke dag groter”[2].
En:
Kan een schepsel dat alleen maar schepsel is, voor ons betalen?
Antwoord:
Nee, want ten eerste wil God geen ander schepsel straffen voor de schuld die de mens gemaakt heeft; ten tweede kan ook geen schepsel dat alleen maar schepsel is, de last van de eeuwige toorn van God tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen”[3].

Het helpt in de kerk dus niet om mensen te liquideren.
Een afrekening is in de kerk dus nooit genoeg.
Er moet iets gebeuren dat van een totaal andere orde is.
Wij moeten een Middelaar zoeken “die een echt en rechtvaardig mens is en toch sterker dan alle schepselen, dat wil zeggen: die tegelijk echt God is”.

Wat gebeurt hier?
De kerk wordt als het ware omhoog getild.
Kerkmensen krijgen een dienstorder: kijk maar omhoog; want als u om u heen blijft kijken komt u geen centimeter verder.

Paulus schrijft in 1 Corinthiërs 15: “Want, dewijl de dood er is door een mens, is ook de opstanding der doden door een mens”[4].
De schrijver van de brief aan de Hebreeën noteert: “Immers, zulk een hogepriester hadden wij ook nodig: heilig, zonder schuld of smet, gescheiden van de zondaren en boven de hemelen verheven; die niet, gelijk de hogepriesters, van dag tot dag eerst offers voor zijn eigen zonden behoeft te brengen en daarna voor die van het volk, want dit laatste heeft Hij eens voor altijd gedaan, toen Hij Zichzelf ten offer bracht”[5].
Wij worden op Jezus Christus gewezen.
* Want Hij is mens geweest, maar was ook boven de hemelen verheven
* Hij betaalde voor onze zonden.
Die betaling is op geen enkele manier te vergelijken met onze kleinzielige liquidaties en bekrompen criminele afrekeningen. Die betaling is een geweldig blijk van Gods liefde voor de wereld.
Om met de Nederlandse Geloofsbelijdenis te spreken: “in volkomen liefde heeft Hij zijn Zoon voor ons in de dood overgegeven en Hem opgewekt tot onze rechtvaardiging, opdat wij door Hem onsterfelijkheid en eeuwig leven zouden hebben”[6].

Uit Zondag 5 van de Heidelbergse Catechismus lijkt slechts één strenge toon op te klinken: u moet betalen!
Maar die grondtoon wordt door de God van het verbond uitgewerkt in een prachtige symfonie van liefde en genegenheid voor Zijn kinderen.

Het is de Christelijke Gereformeerde dr. M.J. Kater die in verband met deze thematiek eens het beeld van een bruggenbouwer heeft gebruikt.
Ik citeer: “Een goed beeld om het in onze tijd in eigen woorden te zeggen is dat van een brug.
God en mens zijn gescheiden door een onoverbrugbare kloof; tenminste wat de kant van de mens betreft. Een mens kan niet meer tot God naderen en God is aan geen mens verplicht tot hem of haar te komen.
De Middelaar is van de kant van de beledigde partij, God, gekomen. De Middelaar behoort helemaal aan de kant van God en is helemaal aan de kant van de mens gekomen.
In Hem is de kloof tussen God en mens overbrugd. Deze ‘verbinding’ die Hij als Middelaar in eigen persoon is, is tot stand gekomen door als echt en rechtvaardig mens in de kloof van het oordeel af te dalen (…) en het oordeel te dragen dat Hij alleen kon dragen”.
Dr. Kater noteert ook: “Zo heilig is God, zo groot is onze zonde en zo oceaandiep onze ellende dat alleen God in eigen Persoon onze Redder kan zijn. Dat laat de onpeilbare liefde van God in Christus zien”[7].

Die prachtige symfonie van liefde is niet rationeel te verklaren.
Dat moeten wij ook maar niet ijverig proberen.

Ziet u onderwijl hoe ver die Goddelijke genegenheid van aardse barbaarse schietpartijen af staat?

Hier wordt geloof gevraagd.
Dat geloof geeft ruimte in het leven. Ruimte om naar de toekomst te kijken. Ruimte om ons te verheugen op de hemel.

“Wie kan de prijs der ziel dan toch voldoen,
Wie is die sterke Held, die Kampioen?”.
In de kerk kennen wij het antwoord op die vraag. Die Held is onze Heiland!

Noten:
[1] Huib de Vries, “Lofzang op de Heidelberger”. In: Terdege, woensdag 2 januari 2013, p. 20-23. Ook te vinden via www.digibron.nl .
[2] Heidelbergse Catechismus – Zondag 5, vraag en antwoord 13.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 5, vraag en antwoord 14.
[4] 1 Corinthiërs 15:21.
[5] Hebreeën 7:26 en 27.
[6] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 20.
[7] Dr. M.J. Kater, “Verzoening niet te vatten vanuit ons denkschema”. In: PuntKomma, katern van het Reformatorisch Dagblad, zaterdag 4 januari 2014, p. 14 en 15. Ook te vinden via www.digibron.nl .

29 augustus 2016

Rustgevende regels

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

In iedere samenleving zijn regels[1]. Die zijn nodig om het leven leefbaar te houden. In de kerk is dat net zo.
In Gods Woord worden ook dingen geregeld.
In 2 Kronieken 35 zien wij dat gebeuren. Ik citeer:
“Toen werd de dienst geregeld: de priesters gingen op hun plaats staan, evenzo de Levieten, overeenkomstig hun afdelingen, naar het gebod van de koning”[2].
En:
“Zo was de gehele dienst des Heren op die dag voor de viering van het Pascha en het offeren van de brandoffers op het altaar des Heren geregeld, overeenkomstig het gebod van koning Josia”[3].

Met het citeren van die verzen vallen wij midden in de activiteiten van koning Josia.
En Josia kan er wat van!
Zijn reformerende bezigheden worden breed uitgemeten.

Daarbij valt op hoe vaak Josia op het verleden teruggrijpt. Salomo, David, Mozes… Leest u maar even mee.
“Ook zeide hij tot de Levieten, die aan geheel Israël onderwijs gaven en de Here heilig waren: Zet de heilige ark in de tempel die Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, gebouwd heeft”[4].
En: “maakt u gereed naar uw families, overeenkomstig uw afdelingen, volgens het voorschrift van David, de koning van Israël, en volgens het voorschrift van zijn zoon Salomo[5].
En:
“…slacht het Pascha, heiligt u en maakt het gereed voor uw broeders en handelt overeenkomstig het woord des Heren door de dienst van Mozes[6].
Het is goed voorstelbaar dat jongeren in een Gereformeerde kerk zich een beetje ergeren aan het feit dat er in de kerk zo vaak naar het verleden gekeken wordt.
De hele maatschappij vertelt ons dat we vooruit moeten kijken. En in de kerk kijken ze om. Is dat niet verschrikkelijk ouderwets?
Toch niet.
Want steeds weer steekt de zonde de kop op. Steeds weer overheersen in mensenlevens de verkeerde dingen, de zaken die tegen Gods geboden in gaan. In dergelijke gevallen zorgt de God van het verbond dat wij op onze schreden terugkeren. Het is de Here Zelf die er voor zorgt dat het weer wordt… als vroeger!

Gaandeweg wordt ook duidelijk welk accent de Kroniekenschrijver legt: Christus komt voort uit het volk dat de Here dient. Het geslachtsregister in 1 Kronieken noemt Adam en vervolgens… Seth[7]. Het is alsof de schrijver het er bij ons wil inhameren: de lijn naar Christus loopt, ondanks alles, dóór.
Vandaag loopt de lijn van de heilsgeschiedenis nog steeds verder. We wachten immers nog op Christus’ wederkomst? Daarom is het van belang om ons te realiseren dat wij instrumenten van de Here behoren te wezen.
In de kerk mogen wij niet zomaar onze eigen zin doen. Er zal steeds weer ge-reformeerd moeten worden. Het verleden geeft voorbeelden voor de toekomst; het geloof van onze voorgeslachten kan een stimulans voor ons wezen.

Dat laatste komt ons nog wat helderder voor ogen te staan als wij verder lezen in 2 Kronieken 35.
“De Israëlieten die zich daar bevonden, vierden toen het Pascha benevens het feest der ongezuurde broden, zeven dagen lang. Zulk een Pascha was in Israël niet gevierd sinds de dagen van de profeet Samuël; geen der koningen van Israël heeft het Pascha gevierd zoals Josia het vierde met de priesters, de Levieten en geheel Juda en Israël dat zich daar bevond, en met de inwoners van Jeruzalem”[8].
Josia heeft begrepen dat het Pascha een feest is van heiliging en bevrijding: afgezonderd door de Here, leven voor de Here!

Josia heeft in 2 Kronieken 36 het feest zorgvuldig georganiseerd.
Maar mensen bekeren kan hij niet.
En nee, genade is geen erfgoed.
Als Josia overleden is, gaat het in razend tempo bergafwaarts[9].

Wat zullen wij van deze dingen zeggen?

Als in 2 Kronieken 35 één ding duidelijk wordt, dan is dat wel: ook in de kerk moeten regels wezen.
Als we die regels willen aanpassen, moeten wij zorgvuldig bekijken hoe die regels zijn ontstaan. Dat is niet in de mode. Maar nodig is het wel.

Wij moeten constateren dat – ook op het kerkplein! – regels soms niet meer functioneren. Een kerkorde lijkt voor vele gelovigen bij tijd en wijle alleen maar hinderlijk en irrelevant.
Wij moeten constateren dat – ook op het kerkplein – regels soms voorzichtig ontdoken worden.
En ja, soms worden op het kerkplein regels gewoonweg aan de laars gelapt.
Als wij dat zien, mogen we gerust zeggen dat het hard nodig is dat Christus terugkomt op de wolken. Wij mogen er om bidden: kom, Here Jezus!

Maar dan blijven er nog prangende vragen over.
Bijvoorbeeld:
* Wij kunnen ons wel reformeren, maar hoe gaat dat met ons nageslacht?
* Onze kinderen en kleinkinderen kunnen toch bij God weg zwerven, en waar gaat het dan naar toe?

Weet u nog hoe de laatste koning van Juda heette[10]?
Zijn naam was Zedekia. Dat betekent: mijn gerechtigheid is de Here.
Die naam nodigt ons uit om, samen met de Kroniekenschrijver, te kijken naar de andere Koning, die onze gerechtigheid is.
Jezus Christus is onze Heiland. Hij proclameert Gods gerechtigheid. Hij onderging het oordeel over onze zonden. En daarom zijn wij toch vrij.
Op de vragen die hierboven staan is eigenlijk maar één antwoord: Christus.

Zolang de regels in de kerk in alles op Gods Woord gebaseerd zijn, geven die regels rust!

Noten:
[1] Dit is een uitwerking van een notitie die ik op woensdag 24 juni 1998 schreef. Die notitie heeft het volgnummer 570 en is getiteld ‘Christenen en regelgeving’.
[2] 2 Kronieken 35:10.
[3] 2 Kronieken 35:16.
[4] 2 Kronieken 35:3 a.
[5] 2 Kronieken 35:4.
[6] 2 Kronieken 35:6.
[7] 1 Kronieken 1:1-42. De naam Seth staat meteen in vers 1.
[8] 2 Kronieken 35:17 en 18.
[9] Zie 2 Kronieken 36. Ik citeer hier de verzen 1-8: ”Daarop nam het volk des lands Joahaz, de zoon van Josia, en maakte hem koning in Jeruzalem, in de plaats van zijn vader. Joahaz was drieëntwintig jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden in Jeruzalem. De koning van Egypte zette hem af in Jeruzalem, en legde het land een boete op van honderd talenten zilver en een talent goud. Toen maakte de koning van Egypte zijn broeder Eljakim koning over Juda en Jeruzalem en veranderde zijn naam in Jojakim. En Necho nam zijn broeder Joahaz mee en bracht hem naar Egypte.
Jojakim was vijfentwintig jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde elf jaar in Jeruzalem. Hij deed wat kwaad is in de ogen van de Here, zijn God. Nebukadnezar, de koning van Babel, trok tegen hem op en boeide hem met twee koperen ketenen om hem naar Babel te voeren. Een deel van het gerei van het huis des Heren bracht Nebukadnezar naar Babel en hij plaatste het in zijn paleis te Babel. Het overige van de geschiedenis van Jojakim, de gruwelen die hij bedreven heeft, en het kwaad dat in hem gevonden werd, zie, dit is beschreven in het boek der koningen van Israël en van Juda. Zijn zoon Jojachin werd koning in zijn plaats”.
[10] In het onderstaande gebruik de webversie van de Studiebijbel. Commentaar bij 2 Kronieken 36:23.

26 augustus 2016

Ondoorgrondelijk oogmerk

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

“Hij openbaart ondoorgrondelijke en verborgen dingen, Hij weet wat in het duister is, en het licht woont bij Hem”[1].
Dat is een volzin uit Daniël 2.

In dat hoofdstuk lezen we over de droom van Nebukadnezar. Alle geleerden, bezweerders en deskundigen op het gebied van occultisme worden ontboden.
De koning test al die experts. Hij wil wel eens zien wat hun mogelijkheden zijn. Hij wenst dat zij zowel de inhoud van de droom als de uitleg daarvan uiteenzetten.
De specialisten protesteren. Dat kan toch niet? Maar de koning houdt voet bij stuk.
Uiteindelijk komen al deze heidenen toch terecht bij de God van hemel en aarde.
En dan staat er: “Toen werd de verborgenheid aan Daniël in een nachtgezicht geopenbaard. Daarop loofde Daniël de God des hemels; Daniël hief aan en zeide: Geprezen zij de naam Gods van eeuwigheid tot eeuwigheid, want Hem behoort de wijsheid en de kracht! Hij toch verandert tijden en stonden, Hij zet koningen af en stelt koningen aan, Hij verleent wijsheid aan wijzen en kennis aan hen die inzicht hebben. Hij openbaart ondoorgrondelijke en verborgen dingen, Hij weet wat in het duister is, en het licht woont bij Hem”[2].

De laatste zin van het bovenstaande citaat mag wel even onze aandacht hebben.
En speciaal wel dat ene woord: ondoorgrondelijk.

Daniël doet, als u het mij vraagt, in Daniël 2 iets bijzonders.
Hij barst uit in een lofprijzing, maar zegt tegelijkertijd dat de Here ondoorgrondelijke en verborgen dingen openbaart.
Natuurlijk – als wij in de eenentwintigste eeuw een prijs uitreiken, dan heeft iemand iets groots volbracht. Maar in dat geval weten wij op z’n minst ongeveer wat die meneer of mevrouw heeft gedaan. Wij weten zo’n beetje welk resultaat er is behaald. Dat kunnen wij uitleggen.
Daniël gebruikt hier het woord ondoorgrondelijk. En het begrip verborgen. De Herziene Statenvertaling vertaalt het Griekse woord voor ‘ondoorgrondelijk’ – ammiqata – met: diep. De hemelse God heeft, om zo te zeggen, een plan met diepgang. Onze Verbondsgod pakt de zaak in de kern aan.
Voor de meeste mensen in Daniëls tijd is dit alles mysterieus en onbegrijpelijk. Daniël zelf doorziet dat hier een wonder gebeurt. Alleen de woordvoerder van God krijgt onderwijs over het plan van God over de structurele veranderingen in de wereld. En alleen hij mag dat onderwijs doorgeven.

De God van het verbond heeft een ondoorgrondelijk oogmerk.
Het is belangrijk om dat in onze tijd vast te houden.

Niet zo lang geleden verscheen een Nederlandse vertaling van een boek uit 2013 over het ontstaan van het christendom[3]. Hoe kan het toch, vraagt dr. Jonathan Hill zich in dat boek af, dat het christendom – dat met een paar discipelen begon – uitgroeide tot de heersende godsdienst van het Romeinse Rijk? Oftewel: hoe is de uitbreiding van de kerk te verklaren?
Het probleem van de wetenschappers blijkt te zijn dat men dat niet alleen maar vanuit de geschiedenis kan uitleggen.
Gelovige mensen zeggen: welnu, Gods Woord is betrouwbaar. En daar staat het in. Lees dat maar. Dan komt u een heel eind verder.
Maar u begrijpt het al: zo simpel ligt dat voor die wetenschappers niet. Meneer Hill vraagt zich bijvoorbeeld af of alle gebeurtenissen die in Mattheüs, Marcus, Lucas, Johannes en Handelingen beschreven zijn, werkelijk zo zijn gebeurd.
Meneer Hill stelt vast dat de discipelen inderdaad in de opstanding geloofden. Maar, hoe kan het dat die discipelen die overtuiging gedurende heel hun leven vasthielden?
Een recensent schreef: “Hill beschrijft op een grondige en prettige leesbare manier het dagelijks leven van christenen, hun opvattingen en gebruiken (maar ook hun meningsverschillen). Het christendom kreeg in die eerste vier eeuwen een vaste vorm. Het overleefde vervolgingen; bisschoppen en concilies deden uitspraken over leer en leven, over orthodoxie en ketterij, over het bestuur van kerken en kloosters”[4].
Meneer Hill weet heel veel over die eerste tijd van de kerk. Maar hij lijkt niet te geloven dat Gods doen en laten ondoorgrondelijk is.
Als wij dat los laten, is het einde zoek. Want dan gaan wij aan zo ongeveer alles twijfelen. Wij moeten het, ook anno Domini 2016, vasthouden: de Here is ondoorgrondelijk. Niettemin verdient Hij alle lof.

Hoe komt het eigenlijk dat Gereformeerden wel geloven dat God ondoorgrondelijk is?
De Dordtse Leerregels geven ons een antwoord.
Ik citeer: “God schenkt in dit leven aan sommigen het geloof, terwijl Hij het aan anderen onthoudt. Dit vloeit voort uit zijn eeuwig besluit. Want de Schrift zegt, dat al zijn werken Hem van eeuwigheid bekend zijn (…), en dat Hij alles werkt naar de raad van zijn wil (…). Overeenkomstig dat besluit vermurwt Hij in zijn genade de harten van de uitverkorenen, hoe hard die ook zijn, en buigt Hij ze om te geloven. Maar volgens datzelfde besluit laat Hij hen die niet zijn uitverkoren, uit kracht van zijn rechtvaardig oordeel over aan eigen slechtheid en hardheid. Juist hier komt voor ons de ondoorgrondelijke, even barmhartige als rechtvaardige beslissing van God aan het licht, waarbij Hij onderscheid gemaakt heeft tussen mensen, die allen evenzeer verloren zondaren zijn. Dit is het besluit van de uitverkiezing en de verwerping, dat in het Woord van God geopenbaard is. Terwijl slechte, verdorven en onstandvastige mensen dit besluit verdraaien tot hun eigen verderf, ontvangen heiligen en godvrezenden daardoor een onuitsprekelijke troost”[5].
En:
“Aan hen die over deze genade van de onverdiende uitverkiezing en over de strengheid van de rechtvaardige verwerping opstandig spreken, houden wij deze uitspraak van de apostel voor: Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken? (…). En deze van onze Verlosser: Staat het mij niet vrij met het mijne te doen, wat ik wil? (…). Maar wij aanbidden deze heilsgeheimen eerbiedig en roepen met de apostel uit: O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen! Want: wie heeft de zin des Heren gekend? Of wie is Hem tot raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst iets gegeven, waarvoor hij vergoeding ontvangen moet? Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen”[6].
Het is kortom, een kwestie van verkiezing of verwerping.
Nog altijd is het zo dat Gods heilsgeheimen alleen maar worden getoond aan door uitgekozen mensen: de uitverkorenen. En we mogen het weer zeggen: wat is Gods genade groot!

Maar er is ook een keerzijde.
Want de kerk heeft nu een grote verantwoordelijkheid. Het Woord van God moet nauwkeurig worden doorgegeven. Het Woord moet in de wereld worden geproclameerd.
En daarbij geldt: de Ondoorgrondelijke doorgrondt ons. En Hij vraagt rekenschap van onze daden. Wat is uiteindelijk het doel dat wij willen dienen? Dat gaat heel diep, zegt Hebreeën 4.
Leest u maar mee.
“Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten; en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen”[7].

Wij staan, om het zo uit te drukken, met gebogen hals voor God.
We staan klaar om de genadeklap te krijgen. En die komt… niet.
De genade: die komt wel. Die kwam mee in het lijden, het sterven en de opstanding van onze Here Jezus Christus.
Hij heeft voor onze zonden betaald.
Dat is ondoorgrondelijk. Maar wel waar[8].

Noten:
[1] Daniël 2:22.
[2] Daniël 2:19-22.
[3] De gegevens van het bedoelde boek zijn: Jonathan Hill, “Christendom de eerste 400 jaar – hoe een Joodse sekte uitgroeide tot staatsgodsdienst”. – Heerenveen: Royal Jongbloed, 2016. – 420 p.
[4] Maarten Stolk, “Waarom de kerk het zo goed doet”. In: PuntKomma, katern van het Reformatorisch Dagblad, dinsdag 26 juli 2016, p. 11.
[5] Dordtse Leerregels, hoofdstuk I, artikel 6.
[6] Dordtse Leerregels, hoofdstuk I, artikel 18. De opstellers van de Nederlandse Geloofsbelijdenis citeren in de laatste zinnen van dit artikel Romeinen 11:33-36.
[7] Hebreeën 4:12 en 13.
[8] Bij het schrijven van dit artikel gebruikte ik een notitie die ik op zaterdag 13 juni 1998 schreef. Die notitie heeft het volgnummer 569 en is getiteld ‘Ondoorgrondelijk’.

25 augustus 2016

Gekroond met gaven

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

In Efeziërs 4 gaat het over de waarheid[1].
Exacter aangeduid: over de waarheid in Jezus.
De in de vorige zin gecursiveerde woorden betekenen: u hebt onderwijs gehad over het leven dat Jezus hier op aarde heeft gehad. Over de dingen die Hij heeft gezegd. Over de wonderen die Hij heeft gedaan. Over Zijn lijden, sterven en opstanding. Over Zijn hemelvaart.
De mensen in Efeze kennen de waarheid en haar achtergrond.
Misschien zijn wij geneigd om te zeggen dat Jezus Christus in de hemel een nieuwe start heeft gemaakt.
Wij moeten de situatie echter nog wat nog wat preciezer omschrijven. Namelijk als volgt: Christus heeft Zijn reddingswerk voltooid, zodat wij een nieuwe start kunnen maken.
Het is daarover dat Paulus in zijn brief aan de mensen in Efeze noteert: de waarheid is dat u “de nieuwe mens aandoet, die naar de wil van God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid”[2].
Het leven krijgt, om zo te zeggen, een geheel nieuwe aankleding.

In het onderstaande wil ik bij die zeventien woorden uit Efeziërs 4 enkele aantekeningen maken.

1 Blij en heerlijk leven
Over de hierboven geciteerde tekst schreef ik op deze plaats al eens: “Een ware gelovige wordt verjongd. De Here begint een groot werk: Hij voert een grondige vernieuwing door. Vervolgens gaat Gods kind ook zelf actief aan de arbeid: hij doet de nieuwe mens aan. En ja, daar kun je heel blij van worden. De gevangenbewaarder in Philippi werd er in Handelingen 16 in ieder geval heel gelukkig van”[3].
En:
“Hier is de dood helemaal uit het zicht. Verderf en verdwijning zijn hier niet aan de orde. Integendeel – er komt wat nieuws! Het leven wordt vele malen mooier! We bereiden ons voor op een leven dat zo heerlijk is dat we er niet eens genoeg woorden voor hebben”[4].
Deze gedachten ruk ik gaarne een ogenblik uit de vergetelheid.

2 Bekroond leven
Een nieuw kostuum, een nieuwe jurk: dat voelt toch vaak alsof er iets bijzonders gebeurt.
Wij willen bovendien heel graag dat er iemand is die wat over die nieuwe kleding zegt. We willen graag dat de nieuwe kledij opvalt.
In de kerk valt ons nieuwe leven misschien niet zo op. Want daar lopen heel veel nieuwe mensen. Maar het werk dat de Heilige Geest daarvoor moet verzetten is ongekend en volstrekt onaards!
Om het met woorden uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis te zeggen:
“Wij geloven dat dit ware geloof, in de mens verwekt door het horen van het Woord van God en door de werking van de Heilige Geest, hem opnieuw geboren doet worden en hem tot een nieuwe mens maakt. Dit ware geloof doet hem leven in een nieuw leven en bevrijdt hem uit de slavernij van de zonde. Daarom is er geen sprake van dat dit rechtvaardigend geloof de mensen onverschillig zou maken voor een vroom en heilig leven. Integendeel, zonder dit geloof zullen zij nooit iets doen uit liefde tot God, maar alleen uit liefde tot zichzelf en uit vrees veroordeeld te worden. Het is dan ook onmogelijk dat dit heilig geloof in de mens niets zou uitwerken. Wij spreken immers niet van een onvruchtbaar geloof, maar van geloof waarvan de Schrift zegt, dat het door de liefde werkt (…). Het beweegt de mens ertoe, zich te oefenen in de werken die God in zijn Woord geboden heeft. Als deze werken voortkomen uit de goede wortel van het geloof, zijn ze goed en voor God aangenaam, omdat zij alle door zijn genade geheiligd zijn”. (…) “Door Zijn genade kroont Hij Zijn gaven”[5].
Met andere woorden: in de kerk zitten bekroonde mensen!

3 Gewóón leven
In de kerk zijn heel veel nieuwe mensen aanwezig.
Zij zijn in de kerk is zekere zin een alledaags verschijnsel.
Die nieuwe mensen zijn ook in andere zin tamelijk gewoon.
Die nieuwe mensen doen denken aan de paradijssituatie.
U weet wel, die van Genesis 1: “En God zeide: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen”[6].
God vertoont Zich, om zo te zeggen, in een spiegel aan de mensen. De nieuwe mens is de standaard die de Verbondsgod aanlegt.
Nieuwe mensen zijn bij de God van het verbond heel gewoon.

4 Leven in gerechtigheid en heiligheid
Wanneer wij als nieuwe mensen leven komen we in een goede verhouding te staan tot God en mensen.
We wijden ons leven aan God.
Dan wordt ons leven opbouwend en aangenaam. Allerlei negativiteit krijgt in ons leven dan een steeds kleinere plaats. Nieuw mens-zijn? Dat heeft iets rustgevends!

5 Kloosterleven?
Wie het bovenstaande tot zich door laat dringen, komt wellicht tot de gedachte dat Efeziërs 4 een beetje in de theorie blijft steken.
Maar dat is gezichtsbedrog.
Want in Efeziërs 4 gaat het over onreinheid; zeg maar even: seks die verboden is. Over het rondstrooien van leugens, en hoe verkeerd dat is. Over boosheid die steeds opnieuw gevoed wordt en mensen die maar moeilijk te kalmeren zijn. Over mensen in de criminaliteit en fraudeurs. Over mensen die anderen voortdurend negatief benaderen. Enzovoort[7].
Ik wil maar zeggen: Efeziërs 4 staat midden in het dagelijkse leven. Paulus behandelt kwesties van alledag.
Het is, naar het mij voorkomt, wel nuttig om het voorgaande te accentueren.
In de editie van het Nederlands Dagblad die op vrijdag 5 augustus verscheen las ik: “De toekomst van het klooster van het Noord-Brabantse dorp Sint Agatha staat op het spel. Door te moderniseren hoopt het klooster nieuwe aanwas te werven. De abdij moet nu een oecumenisch ‘klooster van de toekomst’ worden met ‘eenentwintigste-eeuwse bewoners’, zegt Marga Arendsen, directeur van het Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven. Wat het klooster te bieden heeft? Ruimte en rust, zegt Arendsen. ‘Het klooster van de toekomst lijkt op de oudste kloosters die uit de geschiedenis bekend zijn: een klooster bewoond door mensen die ervoor kozen om te wonen op een plaats die bezinning mogelijk maakt, om zo scherper te leren zien wat in het leven belangrijk is”.
Bezinning?
Scherp zien wat in het leven belangrijk is?
Efeziërs 4 laat ons zien dat u en ik ons daarvoor niet in een klooster hoeven terug te trekken. Gods Woord stimuleert ons juist om in ons dagelijks bestaan als nieuwe mensen te leven.
Er stond in het Nederlands Dagblad nog wat bij.
Dat was dit: “Het klooster maakte een heuse ‘profielschets’ voor sollicitanten. Hij of zij moet bijvoorbeeld participeren in het gebedsleven en een gastheer van de stilteplek zijn. Een rooms-katholieke achtergrond is geen vereiste voor potentiële bewoners. Arendsen: ‘De grens ligt bij de christelijke traditie. Mensen hoeven niet eens per se christelijk te zijn, zolang ze maar geïnteresseerd zijn in religie en vragen durven te stellen. We weten dat we in deze tijd niet te veel eisen kunnen stellen’”[8].
Als u het mij vraagt ligt dit ver bij Efeziërs 4 vandaan. Heel ver.

6 Tenslotte
Een nieuwe mens zijn? Dat is reuze rustgevend. Want dat geeft perspectief in het leven. Uitzicht.
Juist in het drukke leven van alledag!

Noten:
[1] Bij het schrijven van dit artikel gebruikte ik een notitie die ik op de zaterdagen 16 en 23 mei 1998 schreef. Die notitie heeft het volgnummer 567 en is getiteld ‘Vernieuwd gedrag’.
[2] Efeziërs 4:24.
[3] Zie mijn artikel ‘Karin zoekt het geluk’; hier gepubliceerd op woensdag 9 november 2011. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2011/11/09/karin-zoekt-het-geluk/ .
[4] Zie mijn artikel ‘Radicaliserend Nederland’; hier gepubliceerd op donderdag 11 september 2014.  Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2014/09/11/radicaliserend-nederland/ .
[5] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 24.
[6] Genesis 1:26 en 27.
[7] In Efeziërs 4:25-31 staat het zo: “Legt daarom de leugen af en spreekt waarheid, ieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkander. Geraakt gij in toorn, zondigt dan niet: de zon mag niet over een opwelling van uw toorn ondergaan; en geeft de duivel geen voet. Wie een dief was, stele niet meer, maar spanne zich liever in om met zijn handen goed werk te verrichten, opdat hij iets kan mededelen aan de behoeftige. Geen liederlijk woord kome uit uw mond, maar als gij een goed woord hebt, tot opbouw, waar dit nuttig is, opdat zij, die het horen, genade ontvangen. En bedroeft de heilige Geest Gods niet, door wie gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing. Alle bitterheid, gramschap, toorn, getier en gevloek worde uit uw midden gebannen, evenals alle kwaadaardigheid”.
[8] “Gezocht: 21e-eeuwse kloosterlingen”. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 5 augustus 2016, p. 7.

24 augustus 2016

Dapper dienen

De geschiedenis van de drijvende bijl heb ik – eerlijk gezegd – altijd een tamelijk zonderling wonder gevonden[1].
Elisa woont, samen met een aantal andere profeten, in één huis. Maar de broeders zijn eigenlijk te klein behuisd. Om een aanbouw te kunnen realiseren willen zij hout gaan hakken. Dat hout is afkomstig van bomen bij de Jordaan. Op verzoek van de profeten gaat Elisa mee.
Juist als er druk gewerkt wordt verdwijnt een geleende bijl in de Jordaan. Dat wordt aan Elisa gemeld. Op de plaats waar de bijl in het water is gevallen gooit Elisa een stuk hout in de rivier. Prompt komt de bijl weer bovendrijven. Gelukkig maar!
Wat kunnen wij van dit mirakel leren?
Hoe moeten wij tegen dit wonder aan kijken?

Vandaag wil ik mijn gedachtegang als volgt samenvatten:
* De God van het verbond toont Zijn macht
* De God van het verbond redt de kerk
* De God van het verbond let op de kleintjes

In de eerste plaats dit: onze God is almachtig.
Hij stuurt niet alleen de kerk aan. En ook niet slechts het instrumentarium waarmee voor de bescherming van de kerk gezorgd wordt.
De Here heeft, om het zo maar uit te drukken, ook het buitenland in de hand.
In 2 Koningen 5 lezen we over de Syriër Naäman. Uiteindelijk doet Naäman gewoon wat Hem, via de profeet Elisa, door de Here bevolen wordt. God is ook buiten de grenzen van Israël actief[2]!
In 2 Koningen 6 gaat het over de manier waar de Here Zijn volk voor Aram afschermt. Letterlijk: door blindheid van de Arameeërs[3].

Jarenlang al wordt er op het kerkplein van gedachten gewisseld over de werfkracht van de kerk. Men praat over missionair werk. En over uitstraling.
Nee, dat is helemaal niet verkeerd. Integendeel.
Als wij ons daarbij maar wel realiseren dat de uitstraling van de kerk in feite door de God van het verbond wordt verzorgd.
In verband met de historie rond Naäman schreef de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant G. van Rongen (1918-2006) eens: “Israël moest niet importeren, maar exporteren. Het moest niet ontvangen maar juist omgeven. Niet zich laten beïnvloeden van buitenaf maar zijn eigen invloed naar buiten laten gelden. Zij hadden zoveel te bieden!”[4].
Waarvan akte.

In de tweede plaats gaat het hier over profetenzonen.
Er zijn er zoveel dat het huis waar zij in wonen te klein wordt.
En dat terwijl Izebel haar uiterste best heeft gedaan om alle profeten van de Here uit te roeien.
Totale uitroeiing is echter door Gods macht voorkomen.
Leest u maar mee in 1 Koningen 18:
“Obadja was iemand, die de Here zeer vreesde. Toen Izebel de profeten des Heren uitroeide, had Obadja honderd profeten genomen en hen, vijftig bij vijftig, in een spelonk verborgen en met brood en water verzorgd”[5].
En:
“Is het mijn heer niet meegedeeld, wat ik gedaan heb, toen Izebel de profeten des Heren doodde? Toen heb ik van de profeten des Heren honderd man verborgen, vijftig bij vijftig in een spelonk, en ik heb hen met brood en water verzorgd”[6].

Obadja is niet de eerste de beste. Hij is de directeur van de koninklijke hofhouding. Vandaag de dag draagt zo iemand meestal de titel ‘grootmeester’[7].
Welnu, deze grootmeester is een instrument in de handen van God. Obadja heeft, om zo te zeggen, de opdracht om het werk in de kerk voort te laten gaan.
Wellicht zijn wij geneigd om, vervuld van somberheid, op te merken dat zulke mensen er amper meer zijn. Mensen die de kerk dapper dienen – als we hen zoeken, mogen wij wel een lantaarntje meenemen.
Maar in 1 Koningen 18 wordt duidelijk dat er maar één of twee mensen nodig zijn om de kerk verder te helpen. Zo groot is Gods macht!

In de derde plaats dit: laat niemand denken dat de Here God alleen maar groot denkt[8].
Hij heeft ook aandacht voor een bijl, die geleend is.
En voor de moeilijkheden die het zinken van die bijl voor de lener meebrengt. Het lijkt er op dat die lener ook geen geld heeft om een nieuwe bijl te kopen.

De Here heeft zeker aandacht voor de enkeling.
Ja, ook voor kleine Gereformeerde kerken in Nederland, zoals DGK: De Gereformeerde Kerken in Nederland. Kerken waar groot denkende Nederlanders – om het maar modern te zeggen – helemaal niets mee hebben. Kerken die zelfstandig werkende Nederlanders een beetje vergeten.
Die paar verzen uit 2 Koningen 6 maken ons duidelijk dat dapper dienen in de kerk zeer de moeite waard is!
Om weer met dominee Van Rongen te spreken: “Dit verhaal laat zien: De Here staat achter de zijnen. Hun zaak is zijn zaak! Deze geschiedenis is een nieuw bewijs: Gaat die ‘rest’ behouden en bouwt ze uit tot een nieuw Israël”[9].

De kerk wordt beschermd.
Ook in Nederland.
Soms lijkt dat niet zo.
Maar 2 Koningen 6 bewijst ons dat het wel zo is.

Noten:
[1] Bij het schrijven van dit artikel gebruikte ik een notitie die ik op zaterdag 9 mei 1998 schreef. Die notitie heeft het volgnummer 566 en is getiteld ‘Elisa en Nederlandse linksigheid’.
[2] Over hem schreef ik op deze plaats onder meer in het artikel ‘Het voorbeeld van Naäman’; hier gepubliceerd op vrijdag 23 januari 2015. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2015/01/23/het-voorbeeld-van-naaman/ .
[3] Zie hierover mijn artikel ‘Gods wil en 2 Koningen 6’; hier gepubliceerd op maandag 1 december 2014. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2014/12/01/gods-wil-en-2-koningen-6/ .
[4] G. van Rongen, “Elisa, de profeet”. – Groningen: De Vuurbaak, z.j. – 195 p. – Citaat van p. 128.
[5] 1 Koningen 18:3 b en 4.
[6] 1 Koningen 18:13.
[7] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Grootmeester_(hofhouding) ; geraadpleegd op zaterdag 6 augustus 2016.
[8] In de alinea hieronder maak ik onder meer gebruik van http://www.oudesporen.nl/Download/OS1848.pdf ; pagina 84 en volgende. Geraadpleegd op zaterdag 6 augustus 2016.
[9] Van Rongen, a.w., p. 128.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.