gereformeerd leven in nederland

30 september 2016

Meer dan mildheid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Genade ontvangen wij van God.
Genade komt, om zo te zeggen, van boven naar beneden. Van de hemel naar de aarde. Van God naar mensen. Niet voor niets spreken sommigen dan ook wel van ‘de troon der genade’.
We leven echter in een tijd waarin genade wordt gehumaniseerd.
Genade wordt een begrip dat op aarde blijft steken.

Nee, dat is niet iets van de laatste tijd.
In de jaren ’70 van de vorige eeuw wordt daar reeds over gesproken.

Ten bewijze daarvan geef ik hieronder een citaat uit de editie van het Nederlands Dagblad die verschijnt op zaterdag 18 september 1971.

De vereniging ‘Protestants Nederland’ houdt de avond ervoor, op vrijdag 17 september, haar jaarvergadering.
Aldaar refereert professor doctor W.H. Velema over het onderwerp ‘Om de reformatorische belijdenis van de genade’.

Het Nederlands Dagblad geeft de volgende weergave.

“De toenadering tot de rooms-katholieke kerk vindt in de protestantse kerken, aldus prof. Velema, o.m. ook plaats vanwege het feit, dat deze laatsten bezig zijn de reformatorische genadeleer te verliezen. Waar humaniteit betracht wordt, is de genade aanwezig, zo zegt men. Genade is niet meer de gunst van God. Zij is een kracht die wij mensen zelf hebben. Zo wordt genade vermenselijkt. Daarmee zijn de protestantse kerken bezig hun reformatorische erfenis te verspelen.
Dat heeft allerlei praktische gevolgen: het evangelie wordt weer tot wet. Wat de mens, resp. de kerk moet doen, is de inzet van de prediking. Het bevrijdende en vertroostende van het evangelie verdwijnt uit de prediking. Zonde is dan een maatschappelijk kwaad. Het is geen kwaad meer in de relatie tot God. De toekomst — zo meent men — is in onze handen.
Deze humanisering van de genade was juist het punt waartegen de Reformatie zich verzette.
De Reformatie ontdekte dat genade gelegen is in de gunst van God. In de Roomse kerk van die tijd werd er met de genade gemanipuleerd. En zo geschiedt het nu in roomse en in protestantse kerken. Dat hangt nauw samen met de visie op de Bijbel. De Reformatie betrof ook het zicht op en het gebruik van de Bijbel. De humanisering van de genade hangt direct samen met de vermenselijking van de Bijbel. Gelukkig kent de christelijke gemeente geen ‘zwijgende meerderheid’. Ze is: belijdende gemeente. Daarom moet ze haar stem verheffen tegen deze humanisering van de genade. Ze moet haar voorgangers tot de orde van de Bijbel roepen. Het Kerkvolk moet gemobiliseerd worden. De gemeente betone haar mondigheid daarin dat ze deze genade belijdt en beleeft. Ze moet vragen om de boodschap van deze genade in de prediking”[1].

De toenadering tussen Rooms-katholieken en protestanten is, zoals wij allen weten, aan de orde van de dag. Ja, ook vandaag.

Want de kern van de leer der Roomsen blijft recht overeind. Het concilie van Trente (1545-1563) heeft uitspraken gedaan die nog altijd gelden[2]. Zoals bijvoorbeeld: “Indien iemand zegt; door het geloof alleen wordt de goddeloze gerechtvaardigd, zó, dat hij daaronder verstaat dat er niets anders nodig is om mee te werken om tot de genade van rechtvaardiging te komen en het helemaal niet nodig is dat hij door zijn eigen wilsbeweging zich voorbereidt en toerust, die zij verdoemd”.
En verder: “Als iemand zegt: het rechtvaardigende geloof is niets anders dan het vertrouwen op de goddelijke barmhartigheid, die wegens Christus, de zonden vergeeft, of het is alleen dit vertrouwen, waardoor wij gerechtvaardigd worden, hij zij verdoemd”.
En:
“Indien iemand zegt dat de ontvangen gerechtigheid niet behouden wordt en zelfs niet vermeerderd voor God door goede werken, maar dat deze werken alleen maar vruchten en tekenen zijn van de verworven rechtvaardiging, niet ook de oorzaak van haar vermeerdering, hij zij verdoemd”[3].

Als het over genade gaat is er tussen Rooms-katholieken en Gereformeerden een diepe kloof.

Genade heeft in onze tijd vaak de kleur van clementie.
Bijvoorbeeld in een zin als: “De trainer, met dezelfde bouw als Jerommeke uit Suske en Wiske, kent tijdens de Bootcamp in Stadspark Groningen geen genade”[4]. Of in deze krantenkop: “Jury Vuelta heeft genade voor 90 treuzelaars”[5].
‘Genade’ is een begrip dat meestal betekent dat het allemaal wel werkbaar moet blijven. Het betekent voor de meerderheid der wereldburgers dat gewone stervelingen op deze aarde op prettige wijze moeten kunnen leven.

De kerk moet volharden in de proclamatie dat God genade aan Zijn kinderen geeft.
En waaruit blijkt dan dat gelovigen Gods genade ontvangen hebben?
Petrus schrijft er over: “Want dit is genade, indien iemand, omdat hij met God rekening houdt, leed verdraagt, dat hij ten onrechte lijdt. Want mag dát roem heten, als gij slagen moet verduren, omdat gij kwaad doet? Maar als gij goed doet en dan lijden moet verduren, dát is genade bij God. Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden; die geen zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog is gevonden; die, als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt; die zelf onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht heeft, opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven; en door zijn striemen zijt gij genezen. Want gij waart dwalende als schapen, maar thans hebt gij u bekeerd tot de herder en hoeder van uw zielen”[6].
Kinderen van God kunnen onrecht verdragen omdat zij hun Heer dienen. Daar krijgen zij kracht voor. Zij bemerken de kracht van de Heilige Geest in hun leven.

Wij dragen Gods zegen in het leven mee: “De genade van de Here Jezus zij met allen”[7].
Wij dragen Gods goedheid uit, die zichtbaar is in het werk van de Heiland.
Wij tonen hoe Gods liefde en zorg in ons leven zichtbaar wordt.

Dat is veel meer dan aardse clementie.
Dat is veel meer dan mildheid of inschikkelijkheid!

Noten:
[1] “Waarschuwing tegen humanisering der genade”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 18 september 1971, p. 2.
[2] Zie over het concilie van Trente https://nl.wikipedia.org/wiki/Concilie_van_Trente ; geraadpleegd op dinsdag 13 september 2016.
[3] Achtereenvolgens citeer ik de artikel 9, 12 en 24 van de uitspraken van het concilie van Trente. Geciteerd via: W.B. Kranendonk, “Rome is niet veranderd”. In: Accent, katern bij het Reformatorisch Dagblad, zaterdag 11 juni 2016, p. 5.
[4] Zie http://www.dvhn.nl/Afsluitdijk-Open-%E2%80%98Trainen-voor-dat-eindeloze-stuk-rechtdoor%E2%80%99-21551533.html ; geraadpleegd op dinsdag 13 september 2016.
[5] Zie http://www.ad.nl/wielrennen/jury-vuelta-heeft-genade-voor-90-treuzelaars~afb5cacb/ ; geraadpleegd op dinsdag 13 september 2016.
[6] 1 Petrus 2:19-25.
[7] Openbaring 22:21.

29 september 2016

Wildebras

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Er was eens een professor die lang studeerde op het onderwerp ‘gemeenteopbouw’[1]. De activiteit van zijn brein leidde tot een sprankelende gedachte.
Het was de volgende.

“Waarom houd je niet op zondagochtend als gemeente één gezamenlijke dienst in het grote kerkgebouw, en ga je ’s middags met de gemeente uiteen in vier kleine samenkomsten, die op wijkniveau plaatsvinden? Laat daar gerust ook gemeenteleden voorgaan die de gave van het verkondigen hebben. Wat dat betreft zit er enorm veel potentie in de kerken. Zulke samenkomsten hoeven geen kopie van de ‘gewone’ kerkdiensten te zijn…”.

U begrijpt het: die professor had veel studies verricht. Hij zag grootse perspectieven.
Toch zat ergens, in de catacomben van zijn hart, nog een klein twijfeltje: “…ik geef toe: daar is durf en lef voor nodig”[2].

U merkt het: die professor was bijzonder ambitieus.
En u weet het wel: in de afgelopen jaren zijn er wel meer mensen geweest die dergelijke ijver hebben getoond.

Wat zullen wij daarover zeggen?

Ik denk aan Israël.
Nee, ik denk niet aan de Joden die er vandaag in de wereld zijn.
Ik bedoel het volk Israël zoals wij dat in de Heilige Schrift tegenkomen.
Terwijl ik aan Israël dacht kreeg ik het idee dat die professor van hierboven uit de bocht vliegt.
Wellicht ligt hij thans roemloos in de berm, tezamen met vele andere ijveraars. Ik vraag me af hoe dat voelt.

De eerste keer dat we de naam Israël in de Bijbel tegenkomen is, bij mijn weten, in Genesis 32.
Daar strijdt Jakob met God.
Die strijd loopt uit op Gods zegen voor Jakob. Ik citeer: “Toen zeide hij: Laat mij gaan, want de dageraad is gekomen. Maar hij zeide: Ik laat u niet gaan, tenzij gij mij zegent. Daarop zeide hij tot hem: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob. Toen zeide hij: Uw naam zal niet meer Jakob luiden, maar Israël, want gij hebt gestreden met God en mensen, en gij hebt overmocht”[3].
Daar hebt u die aanduiding ‘Israël’. Die naam betekent: Moge God strijden. Of ook: moge God voor hem strijden.

Israël: het is dat volk waarvoor de Here strijdt.
Ja, hij vecht er voor. ‘De Here zal voor u strijden’: dat is in het Oude Testament bijna een refrein.
Kijkt u bijvoorbeeld maar in Exodus 14, waar Mozes tegen zijn volksgenoten zegt: “De HERE zal voor u strijden, en gij zult stil zijn”[4]. Die uitdrukking – ‘de Here zal voor u strijden’ – komt u verder tegen in Deuteronomium 1, en ook in Nehemia 4[5].
De gedachte dat God voor Zijn volk vecht, leek de professor niet al te vaak in zijn overwegingen mee te nemen. Het gegeven dat de Verbondsgod vooral met Israël communiceert, leek bij de hoogleraar op de achtergrond te zijn geraakt.

De Here heeft contact met Zijn kinderen.
Sterker, Hij heeft een verbond met Israël. Maar Hij houdt er geen relaties met andere volken op na.
In Deuteronomium 7 wordt het onomwonden gezegd: “Want gij zijt een volk, dat de HERE, uw God, heilig is; ú heeft de HERE, uw God, uit alle volken op de aardbodem uitverkoren om zijn eigen volk te zijn. Niet, omdat gij talrijker waart dan enig ander volk, heeft de HERE Zich aan u verbonden en u uitverkoren; veeleer zijt gij het kleinste van alle volken”[6]. Eénzelfde boodschap treft u aan in Deuteronomium 14. En verder in 1 Koningen 3[7].

De Here heeft een verbond met Zijn volk. Is dat in het Nieuwe Testament, in de níeuwe bedeling, anders?
Nee. Er is wel wat veranderd. Maar het verbond is gebleven. En het Verbondsvolk ook.
Ik wijs u op Romeinen 9: “Want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël, en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Abraham zijn, maar: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken. Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods, maar de kinderen der belófte gelden voor nageslacht”[8]. Het gaat nog altijd om de mensen die de Here uitkiest. Daar, in Romeinen 9, gaat het over Goddelijke verkiezing en verwerping.

Laten we 1 Petrus 2 niet vergeten: “Zie, Ik leg in Sion een uitverkoren en kostbare hoeksteen, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. U dan, die gelooft, geldt dit kostbare, maar voor de ongelovigen geldt: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is geworden tot een hoeksteen en een steen des aanstoots en een rots der ergernis, voor hen, die zich daaraan, in hun ongehoorzaamheid aan het woord, stoten, waartoe zij ook bestemd zijn. Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen”[9].
Ik concludeer:
* de Here voert Zijn plan uit vanwege het welzijn van Zijn kinderen
* maar Hij praat in de Heilige Schrift niet in de eerste plaats tegen ongelovigen. Hij spreekt niet primair tegen buitenkerkelijken. Als Hij hen wel aanspreekt, gaat het niet zelden over oordeel. En over dood.

Thans acht ik het moment gekomen om terug te keren naar die toegewijde hoogleraar.
Hij sprak: “De kerk moet in veel meer plaatsen de deuren open zetten, om de buitenwereld te bereiken”.

Maar wat moet ik dan met de Schriftplaatsen waarover ik hierboven schreef?
Men doet, naar het mij voorkomt, onrecht aan Gods Woord als men over dergelijke Schriftwoorden heen huppelt.
Naar mijn overtuiging is de kerk er niet in de eerste plaats voor de buurt. Of voor de buitenkerkelijken.
De kerk is er tot Gods eer.
Wij hoeven geen deuren open te zetten.
Want de hemelse Here brengt Zijn kinderen naar de kerk. En soms gebruikt Hij daarbij Zijn kinderen als Zijn instrumenten.

Moeten wij dan niet naar buiten toe?
Zeker wel.
Natuurlijk wel.
Maar laten wij niet net doen alsof drommen heilbegerigen staan te wachten tot de zware kerkdeur ten langen leste knarsend en piepend open gaat. Want niets is minder waar.
Gods Woord klinkt in de kerk. Niet op een zeepkist in de wereld.

Het is oppassen geblazen.
Want voordat je het weet word je een wildebras die een tikkeltje bedrijfsblind is.
En dat is best een beetje treurig.

Noten:
[1] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op donderdag 27 september 2007.
[2] De professor in kwestie is M. te Velde, tussen 1988 en 2015 hoogleraar was aan de Gereformeerd-vrijgemaakte Theologische Universiteit te Kampen. Hij doceerde kerkgeschiedenis na 1650, kerkrecht en gemeenteopbouw. Hij zei het bovenstaande in de editie van het Nederlands Dagblad die verscheen op woensdag 26 september 2007. Het betreffende artikel is nog te vinden op http://www.resortofsecurity.com/Article/NL/101/101/121/Geen_bezinning,_gewoon_aan_de_slag.html ; geraadpleegd op maandag 12 september 2016.
[3] Genesis 32:26, 27 en 28.
[4] Exodus 14:14.
[5] Deuteronomium 1:30; Nehemia 4:20.
[6] Deuteronomium 7:6 en 7.
[7] Deuteronomium 14:2; 1 Koningen 3:8.
[8] Romeinen 9:6, 7 en 8.
[9] 1 Petrus 2:6-10.

28 september 2016

Vergeetachtige kerk?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

De kerk krijgt met tegenwerking en vervolging te maken.
In het leven der discipelen begon dat al.
En de kerk merkt dat door alle eeuwen heen.
Voortdurend.

Het is oppassen geblazen; de kerk moet zorgen niet in de val te lopen. De val van ergernis, van ongeloof en twijfel namelijk.
Waar komt die tegenwerking vandaan? Uit de kerk notabene!

Zeker, de wereld zit ook achter kerkmensen aan. Maar door de zonde verwordt de kerk tot de verkondiger van een eigen boodschap, die geen Evangelie heten mag. Het kan dan gebeuren dat trouwe kinderen van God uit de ‘kerk’ worden gezet. Terwijl die valse kerk vervolgens fijntjes opmerkt: dat hebben wij toch netjes gedaan…
Wij weten dat dat in vroeger tijden metterdaad zo heeft gewerkt. Iemand schreef: “Uit de joodse literatuur weten we, dat het rabbinaat sedert ongeveer 90 na Christus deze harde maatregel nam tegenover elke jood, die Jezus als Messias beleed”[1]. Dergelijke mensen kennen Jezus niet echt. En zij erkennen Hem ook niet.
De Heiland heeft daar Persoonlijk voor gewaarschuwd.

Bijvoorbeeld in Johannes 16[2].
Ik citeer de inzet van dat Schriftgedeelte: “Dit heb Ik tot u gesproken, opdat gij niet ten val komt. Men zal u uit de synagoge bannen; ja, de ure komt, dat een ieder, die u doodt, zal menen Gode een heilige dienst te bewijzen. En dit zullen zij doen, omdat zij noch de Vader, noch Mij kennen. Maar deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat, wanneer hun uur komt, gij u moogt herinneren, dat Ik ze u gezegd heb. Doch dit heb Ik u niet van het begin aan gezegd, omdat Ik bij u was”[3].

Dat klinkt tamelijk onheilspellend.
Kan de kerk anno Domini 2016 wel overleven?
Antwoord: jazeker wel.
Want in Johannes 16 klinken vooral beloften. De kerk wordt niet alleen gelaten. De Heilige Geest zal worden gestuurd. En de discipelen zullen Jezus zien als Hij opgestaan is.
Met andere woorden: de kerk blijft overeind in dit aardse bestaan!

Maar daarmee is niet gezegd dat het kerkelijk leven eenvoudig is.
Ook niet in Nederland.

Bijvoorbeeld niet omdat de vrijheid van onderwijs in Nederland behoorlijk onder druk staat. Een commentator van het Reformatorisch Dagblad schreef daarover onlangs het volgende.
“Kostbaar goed is vaak bedreigd bezit. Ook dat wordt in zijn algemeenheid doorgaans wel toegestemd. Maar wie beseft werkelijk dat dit zo is?
Eind vorige week werd in de media het toelatingsbeleid van de reformatorische scholen op de korrel genomen. Een leerling is geweigerd omdat ze vanwege haar levensbeschouwelijke achtergrond niet past bij de identiteit van de school. In een televisieprogramma kreeg de schoolleiding eigenlijk niet de gelegenheid om de inhoudelijke argumenten voor de afwijzing toe te lichten. De opzet was duidelijk. De programmamaker wilde alleen maar zijn eigen overtuiging uitdragen: de overheid moet geen subsidie geven aan scholen die hun identiteit serieus nemen door een eigen toelatingsbeleid te voeren.
Natuurlijk kan men zich druk maken over het onfatsoenlijke gedrag van de cameraploeg. En dat was onfatsoenlijk. Maar dat is niet het meest ingrijpende. Zorgwekkender is dat er kennelijk een mobilisatie op gang komt om de financiële gelijkstelling af te schaffen. Nog niet zo lang geleden antwoordde een politicus op de vraag of dit inderdaad moest, veelbetekenend: ‘Nu nog even niet’. Met andere woorden: het moet wel, maar het komt politiek nu niet uit.
Ouders, docenten, besturen en kerk zijn echter gewaarschuwd. De voorrechten die er nu nog zijn, komen ter discussie. De regering denkt na over een andere invulling van artikel 23, waarin de vrijheid van onderwijs is omschreven. Op het eerste gezicht lijken de voorstellen geen probleem, maar de zorg moet zijn wat de effecten op langere termijn zijn.
Laten ouders die nu met een gerust hart en soms met enige gemakzucht hun kinderen naar een eigen school sturen, meeleven met de school en vooral meebidden. Het gaat om bewaring van kostbaar en tegelijk bedreigd bezit”[4].

Wat gebeurt er dus?
De kerk komt onder druk te staan van binnenuit en van buitenaf.
Trouwe kinderen van God worden maar al te vaak afgeschilderd als lastposten. Zij kunnen maar beter uit de ‘kerk’ vertrekken. En als zij dat niet vrijwillig doen, krijgen zij wel te horen dat het beter is dat zij hun biezen pakken…
Trouwe kinderen worden door de wereld vervolgens verwonderd aangekeken. Men hóórt de seculieren bij tijd en wijle bijna denken: wat moeten we met deze wereldvreemde types aanvangen?

Nee, dat is niet goed voor ons zelfbeeld.
Ja, het wordt steeds moeilijker om aansluiting in deze wereld te vinden. Geloven is gek geworden. En uit de tijd.
Maar de Verbondsgod vraagt trouw.
En wat onmogelijk lijkt, blijkt toch uitvoerbaar.
Laten wij Jezus’ woorden vooral niet vergeten: “Maar deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat, wanneer hun uur komt, gij u moogt herinneren, dat Ik ze u gezegd heb”.
Als de kerk die woorden vergeet, gaat zij steeds minder van haar eigen geschiedenis begrijpen.

Noten:
[1] Zie de webversie van de Studiebijbel; commentaar bij Johannes 16:2.
[2] Volgende week woensdag, 5 oktober 2016, vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Tijdens die bijeenkomst zal Johannes 16 aan de orde komen. Het schrijven van dit artikel is een deel van mijn voorbereiding op die vergadering.
[3] Johannes 16:1-4.
[4] “Bijzonder”. Commentaar in: Reformatorisch Dagblad, zaterdag 10 september 2016, p. 3.

27 september 2016

De kerk doet grotere dingen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Zondag 9 van de Heidelbergse Catechismus spreekt grote woorden.
U kent die belijdenis waarschijnlijk wel: “Dat de eeuwige Vader van onze Here Jezus Christus, die hemel en aarde, met al wat erin is, uit niets geschapen heeft en ze nog door zijn eeuwige raad en voorzienigheid in stand houdt en regeert, om zijn Zoon Jezus Christus mijn God en mijn Vader is. Daarom vertrouw ik zo op Hem, dat ik er niet aan twijfel, of Hij zal mij voorzien van alles wat ik voor lichaam en ziel nodig heb, en ook elk kwaad, dat Hij mij in dit moeitevol leven toedeelt, voor mij doen meewerken ten goede. Want Hij kan dit doen als een almachtig God en wil het ook doen als een trouw Vader”[1].

Het komt allemaal goed met ons. Niet dat wij ongeschokt en onbeschadigd door het leven gaan, dat niet. Maar alles zal ten goede keren.
Wij worden tot grootse dingen in staat gesteld.

Dat horen wij ook in Johannes 14: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader”[2].
Dat wordt tegen de discipelen gezegd.
Tegen het fundament van de kerk.
En dus ook tegen ons.

Het wordt er, om zo te zeggen, bij ons in getimmerd: er gaan geweldige dingen gebeuren.
Het wordt ons bijna bezworen: er staan grootse dingen in de planning.
En dat is allemaal mogelijk omdat Jezus Christus naar Vader gaat.

Dat klinkt allemaal prachtig.
Maar wat zetten die paar Gereformeerden samen eigenlijk neer? Wat maken zij nou klaar? Die paar volgers van Christus vallen, op de keper beschouwd, amper op.
Zijn Zondag 9 en Johannes 14 tezamen eigenlijk geen ongewenste vormen van grootspraak?

De mensen die blijven geloven, zullen dezelfde dingen doen die Jezus deed.
De mensen die blijven geloven, zullen nog grotere dingen doen.
Dat is mogelijk door de komst van de Heilige Geest: “En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn”[3].

Maar wat zijn die grote dingen dan?[4]
De vergeving van de zonden? Wij komen die tegen in Johannes 20, waar Jezus tegen Zijn discipelen zegt: “Ontvangt de heilige Geest. Wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend”[5].
De tekenen van Marcus 16 misschien? “Als tekenen zullen deze dingen de gelovigen volgen: in mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen, en zelfs indien zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden”[6].

De discipelen hebben zieken genezen, melaatsen gereinigd, demonen uitgedreven en doden opgewekt.
En zij zullen grotere dingen doen. Dat betekent concreet in ieder geval:
* in de naam van Christus zullen zij de opstanding van Christus mogen proclameren
* in de naam van Christus zullen zij het oordeel uitspreken
* dat doen zij wereldwijd, dus ook buiten Palestina.
De discipelen vormen, zoals ik hierboven reeds schreef, samen het fundament van de kerk. Die grotere dingen worden vandaag dag, in 2016, verricht door de kerk. De kerk mag zich daarbij op Christus beroepen.

Het grotere kerkwerk kan gedaan worden omdat de Heiland een hogere positie gaat bekleden.
Als de kerk haar taak naar behoren verricht, “herkent Jezus zich in al het werk dat namens Hem wordt verricht en in elk gebed dat in zijn naam wordt uitgesproken. (…) Bij alle verhoogde activiteit van zijn Zoon zal de Vader gloriëren”[7].
En zo komen wij nu terug bij Zondag 9 van de Heidelbergse Catechismus.

De Schepper van de hemel en de aarde houdt Zijn schepping in stand.
De kerk eert de Vader en de Zoon door de Heilige Geest.
Zij proclameert de opstanding van Christus: er is redding voor ieder die in Hem gelooft.
Zij laat blijken dat ieder die dat niet gelooft, moet rekenen op het Goddelijk oordeel.
Zij belijdt dat de kerk wijd verbreid is; we vinden die overal ter wereld!

“Ik ga tot de Vader”, zegt Jezus in Johannes 14.
Gezeten naast Vader voert de Heiland met vaste hand de regie over het gewoel van alle volkeren op aarde.
De kerk lijkt in dat gekrioel der naties een tamelijk nietig fenomeen.
Maar dat is gezichtsbedrog.
Er worden grote dingen verkondigd. Gods kinderen worden op een schitterende toekomst voorbereid.
Zelfs als het in hun leven tegenloopt, kunnen zij zonder meer rekenen op de zorg van hun trouwe Vader. Hij is namelijk een almachtig God. Er is niets, werkelijk niets, wat Hem tegenhouden kan. Het prachtige plan om deze wereld te vernieuwen en weer paradijselijk te maken vindt glorieuze doorgang.

Ja, wat zetten die paar Gereformeerden in Nederland samen neer, in deze moderne tijd? Wat bouwen zij feitelijk op?
Niet zoveel eigenlijk. Sterker nog: menselijk bezien lijkt het meestal nergens op.
Intussen zijn die Gereformeerden wel bruikbaar instrumentarium van de hemelse Vernieuwer van deze wereld. Dat geeft garanties voor de toekomst!

“Ik ga tot de Vader”, zegt Jezus.
En inderdaad, bij Christus’ hemelvaart gebeurt dat ook.
Ieder gelovig mens krijgt van Hem een taak, in de kerk. Iedere week worden alle mensen in de kerk weer geïnstrueerd; in de preek namelijk.
Daarom is het volkomen onjuist om, op het moment dat de preek begint, kinderen naar de Kidsclub te sturen. Of naar de kindernevendienst. Of naar de Kind & Bijbel-groep. Of hoe het ook maar heet.
En volwassenen moeten het zich realiseren: ik krijg hier bewapening aangereikt, om mij in de komende week staande te houden in de wereld. Daarom kun je niet zomaar zeggen: vanmiddag ga ik maar niet naar de kerk, want ik ben niet zo geïnspireerd…
In de kerk worden mannen, vrouwen en kinderen geïnstrueerd en geëquipeerd.
Onze trouwe Vader zorgt ervoor dat wij vooruit kunnen in het leven!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 9, antwoord 26.
[2] Johannes 14:12.
[3] Johannes 14:16 en 17.
[4] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van: Dr. P.H.R. van Houwelingen, “Johannes: het evangelie van het Woord”. – Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, 1997; derde druk 2007. – p. 295 en 296.
[5] Johannes 20:23.
[6] Marcus 16:17 en 18.
[7] Van Houwelingen, a.w., p. 296.

26 september 2016

Tegen de verkruimeling

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , ,

Onlangs schreef een dominee in het Nederlands Dagblad: “Als ik de balans opmaak van wat ik vlak om me heen en breder zie, dan is de conclusie even zorgwekkend als onontkoombaar: het geloof dreigt onder trouwe kerkgangers meer en meer te verkruimelen”.

En hoe komt dat dan?
“Een belangrijke oorzaak daarvoor is gelegen in het feit dat het geloof ongemerkt en sluipenderwijs tot ‘gemeengoed’ is geworden. Het is niet langer een gave van God, door twijfel, verwarring en aanvechting verworven”.

Even verder schreef die dominee: “Zou het kunnen zijn dat een opgroeiende generatie van kinds af aan inmiddels te veel wordt aangepraat dat Jezus op voorhand je beste vriend is? De gevolgen daarvan zie ik om me heen: geloof als het sluitstuk van een redenering, zonder daadwerkelijke bekering, zonder ‘goede strijd’ om met God in het reine te komen. Een geloof ‘van horen zeggen’, zonder zelf zijn overtuigende stem te hebben vernomen. Een geloof dat je jezelf voor een appel en een ei hebt eigengemaakt”.

En:
“Hoe moet je daar in prediking en pastoraat nu mee omgaan? Niet door een achterhaald motto opnieuw in te voeren, maar door het onzichtbaar aanwezige ongeloof, de onderhuidse twijfel en toenemende verveling openlijk te benoemen. En door tijdgenoten met aandacht en mededogen, zonder veroordeling, vanuit de Schriften nabij te komen. Laat juist de Schrift niet zien dat God niet ‘voor het oprapen’ ligt, dat geloven in de Onzienlijke geregeld een zware opgave is? Staat er niet geschreven dat je enthousiast kunt beginnen maar het beu kunt worden, dat geloven lang niet altijd goed voelt en het vaak een klus is om het vol te houden? Ik ben ervan overtuigd dat deze noties méér aanspreken, meer lucht en troost bieden, dan allerlei bemoedigende slogans waar we ‘de week weer mee in kunnen’. Preken die eenzijdig suggereren dat God altijd onder handbereik is en klaarstaat met genade en geborgenheid, gaan op den duur vervelen en irriteren”[1].

Nu maakt het artikel van die dominee deel uit van een tweeluik. Daags erna publiceerde het Nederlands Dagblad het tweede artikel uit de serie; dat werd overigens geschreven door iemand anders.
Er staat veel herkenbaars in het artikel van die predikant.
Niettemin stelt die dominee van hierboven mij een beetje teleur.
U moet, zegt de dominee, twijfel en verveling benoemen.
U moet, zegt de dominee, vanuit de Schrift dichter bij elkaar komen.

Weet u wat ik in dat artikel meer benadrukt had willen zien?
De eer voor God.
De taak van gelovige mensen is: eerbetoon aan de God van hemel en aarde. Van daaruit kunnen gelovigen dichter bij elkaar komen te staan.
Zo staat het ook in de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Ten tweede maakt Hij Zichzelf nog duidelijker en volkomener aan ons bekend door zijn heilig en goddelijk Woord, namelijk voor zover dat voor ons in dit leven nodig is tot zijn eer en tot behoud van de zijnen”[2]. Gods eer staat voorop. En vervolgens wordt Gods kinderen toekomstperspectief gegeven.

Gods eer, als het goed is, in mensenlevens staat voorop.
Die eer moeten wij steeds benadrukken.
Als wij dat doen, verkruimelt ons geloof heus niet.

Hoe werkt dat precies?
Wij kunnen dat bijvoorbeeld zien in de geschiedenis van Job.

De geschiedenis van Job is wel bekend.
Hij verliest alles. Hij wordt ziek. Drie vrienden van Job komen hem beklagen. Lange betogen houden zij.
Het Bijbelboek Job is een boek waarin duidelijk blijkt dat de Here God ruimte geeft om in moeilijke tijden te klagen.
Maar dat Bijbelboek staat ook vol belijdenissen van Job. De bekendste is, denk ik, deze: “De HERE heeft gegeven, de HERE heeft genomen, de naam des HEREN zij geloofd”[3]. Er staat in Job 1 bij: “In dit alles zondigde Job niet en schreef Gode niets ongerijmds toe”[4].

Wat doet Job daar, in Job 1?
Hij eerbiedigt de manier waarop God met hem omgaat.

Het lijkt mij dat wij dat vandaag maar eens met grote letters moeten noteren.
We klagen nog wel eens. Over ons leven. En over de moeilijkheden die wij daar tegenkomen. En ’t moet gezegd: soms zijn de problemen niet gering.
Maar wij mogen het de Nederlandse Geloofsbelijdenis nazeggen: “…al wat in zijn doen het menselijk verstand te boven gaat, willen wij niet nieuwsgierig onderzoeken, verder dan ons begrip reikt. Maar in alle ootmoed en eerbied aanbidden wij de rechtvaardige beslissingen van God, die voor ons verborgen zijn (…) Deze leer schenkt ons een onuitsprekelijke troost, als wij erdoor leren verstaan dat ons niets bij toeval kan gebeuren, maar dat alles ons alleen overkomt door de beschikking van onze goedertieren hemelse Vader”[5].

Zijn daarmee alle vragen in dit aardse leven beantwoord?
Zeker niet.
We begrijpen soms niet waarom dit of dat gebeurd is.
Eén ding is echter zeker: we kunnen de geschiedenis met een gerust hart in handen leggen bij God. We kunnen Hem eren. We kunnen Hem laten gloriëren. Hij is de Eerste in ons leven.

Job zegt: “De HERE heeft gegeven, de HERE heeft genomen, de naam des HEREN zij geloofd”.
Het Hebreeuwse woord dat in onze Bijbels wordt vertaald met ‘geloofd’ betekent eigenlijk: gezegend. Een exegeet noteerde daar bij dat dit woord hetzelfde is “dat de satan gebruikt heeft voor vaarwel zeggen in de zin van vervloeken. Hierin ligt een woordspel: wat de Satan insinueerde dat Job zou doen, doet hij woordelijk, maar juist in tegenovergestelde zin”[6].

Job is een zeer Godvrezende man.
Dat wil niet zeggen dat hij nimmer fouten maakt. De Here klaagt hem dan ook aan:
“Wil de bediller twisten met de Almachtige?
De aanklager van God antwoorde daarop!”.
Job doet meteen boete.
“Toen antwoordde Job de HERE:
Zie, ik ben te gering, hoe zal ik U bescheid geven?
Ik leg de hand op mijn mond.
Eenmaal heb ik gesproken, maar ik doe het niet weer;
ja tweemaal, maar ik ga er niet mee voort”[7].
En uiteindelijk zegt de Here dan tegen de vrienden: “Mijn toorn is ontbrand tegen u en tegen uw beide vrienden, want gij hebt niet recht van Mij gesproken zoals mijn knecht Job”[8].
De lijn in Jobs leven is duidelijk. Hij blijft Godvrezend. Hij is en blijft vroom en oprecht.
In het leven van Job blijkt het zonneklaar: mensen die, om met Job 1 te spreken, wijken van het kwaad, neemt God in genade aan. Daar kan niemand om heen.

Job leert ons om ook vandaag geduldig te zijn, het geloof te behouden en God in alles te eren!
Zo beeldt Hij iets af van Christus’ werk.

Als ik mij niet vergis wordt het Bijbelboek Job vandaag de dag nogal eens beschouwd als een legitimatie van onze klachten over het leven. De klachten van Job zijn ellenlang. Daar heeft de Here aandacht voor, zo zegt men. Hij hoort het echt wel, zo merken wij hoopvol op.

Maar als wij bij mensen blijven staan doen we aan Job geen recht. De boodschap van het gelijknamige Bijbelboek komt niet uit de verf.
Want het Bijbelboek Job is, naar mijn inzicht, één lange roep om de komst van Christus.
Job leert ons om terug te gaan naar het geduld dat de Here met Zijn kinderen heeft. Job leert ons dat wij totaal afhankelijk zijn van Zijn genade. Job leert ons dat, als wij gelovig volharden, we in het Verbond ook mogen rekenen op Gods genade.
Zo bezien gaat het Bijbelboek Job niet in de eerste plaats over Job.
Nee, dat Bijbelboek gaat over Gods grote werk in kapotte mensenlevens.

Nu ga ik terug naar het pleidooi van die protestantse predikant.
Dat pleidooi begrijp ik wel.
En ik loop graag een stukje met doctor Visser mee.
Maar mijn punt is: laten we, bij de oplossing van onze problemen, vooral niet in ons menselijk bestaan blijven hangen.
Laten wij in alle omstandigheden blijven zeggen: de naam van de Here zij geloofd. Dat moeten wij expliciet zeggen. Dat moeten wij benadrukken[9].
Waarschijnlijk is dominee Visser dat wel met mij eens. Welnu, het is zaak om dat nadrukkelijk te zeggen!

Noten:
[1] Paul Visser, “Geloof onder kerkgangers verdwijnt”. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 23 september 2016, p. 12 en 13. Dr. P.J. Visser is protestants predikant van de Noorderkerk in Amsterdam. In de Noorderkerk vergadert een gemeente van Gereformeerde Bondssignatuur.
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 2.
[3] Job 1:21.
[4] Job 1:22.
[5] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 13.
[6] “Tekst voor tekst: De Heilige Schrift kort verklaard en toegelicht”.  – Zoetermeer: Uitgeverij Boekencentrum, vijfde druk, 2001.  – p. 267.
[7] Job 39:35-38.
[8] Job 42:7.
[9] Dit artikel is een bewerking van een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op vrijdag 19 oktober 2007.

23 september 2016

Kleding voor de naakte mens

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Het is al vaak opgeschreven: wij leven in een verseksualiseerde samenleving. Als het gaat over seks moet veel, zo niet alles, kunnen. Men is, om zo te zeggen, leider in het eigen lichaam.
Maar dat is niet iets van de laatste tijd.
Het is maart 1970 als een groep Dolle Mina’s een congres van gynaecologen binnendringt om actie te voeren voor een vrije abortus. De vrouwen trekken hun truien omhoog. Daar staat te lezen: baas in eigen buik[1].

Het blad ‘Lichtstralen’, dat in die jaren in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) wordt uitgegeven ter ondersteuning van kerkleden die in de evangelisatie actief zijn, besteedt er aandacht aan.
Dominee D. Vreugdenhil (1909-2003) schrijft een artikel over de sekscultus. Dat artikel wordt door het Nederlands Dagblad naar voren gehaald[2].

Dominee Vreugdenhil schetst met duidelijke lijnen wat Gods Woord ons over deze dingen leert. Hij doet dat als volgt.

“In al deze dingen komt tot uiting opstand tegen de wil en het begeren van God.

De Bijbel spreekt ook over de naakte mens.
Toen God de mens had geschapen, schoon en goed en mooi, had die mens geen kleding nodig. Toen waren er geen onzuivere hartstochten. Toen was er niet de zinnelijkheid, die zoals vandaag de zuivere blijheid van de mens wegvreet.
Toen was er dat pure, blanke, smetteloze, dat geen sterveling zich vandaag kan indenken.Toen was er geen schaamte, omdat er geen zonde was.

Maar toen de zonde was gekomen, als een bliksem ingeslagen in de schone wereld, toen schaamde de mens zich.
Toen schaamden man en vrouw zich voor elkaar.
Toen bleek, hoe groot de kracht van de zonde is en van de duivel, die de zonde in zijn dienst neemt.
Door de zonde is het menselijk leven verstoord. Ook de lichamelijke omgang is onder de vloek gekomen.
God heeft de mens zo gebouwd, als man en vrouw, dat de lichamelijke verschijning bekorend werkt.
Maar wat door God als het lichamelijk mooiste gemaakt is, is door de zonde het lelijkst geworden. De delen van het menselijk lichaam, die het hoogste zinnelijk leven en de hoogste zinnelijke bekoring tussen man en vrouw vertegenwoordigen, zijn de schaamdelen geworden.
Ze zijn oorzaak tot zonde geworden, tot perversiteit, tot verminking van het mooie menselijk leven.

Om de mens te beschermen tegen de zonde en om gelegenheid te scheppen voor de hernieuwde omgang tussen de mens en God, heeft de Here kleding gegeven aan de naakte mens.
Dat was genade van God. Dat was zegen.
We lezen in Genesis 3:21: ‘En de Heere God maakte voor de mens en voor zijn vrouw klederen van vellen en bekleedde hen daarmede’.
Wie de naaktheid propageert en het nudisme begeert, gaat dwars tegen Gods zegenende bescherming in.

Als in de Bijbel gesproken wordt over naaktheid en over de ontkleding van de mens, is dat een accentuering van zijn oordeel, van zijn toorn. Naaktheid is in Gods ogen schande.
In Ezechiël 16:39 staat het duidelijk, dat het goddelijke straf is, dat de mens, dat zijn volk van sieraden beroofd wordt en naakt en bloot moet staan.
En in Hosea 2:2 zegt God, dat Hij om zijn zonde Zijn volk naakt zal uitkleden.
En vooral in het leven van onze Here Jezus Christus zien wij het ontroerend klaar, dat naaktheid vloek betekent en oordeel, als Hij, Gods Zoon, het toelaat, dat Hij naakt wordt uitgekleed en zo in zijn schande publiek moet hangen aan een kruis.

En waarom deed Hij dat? Waarom liet Christus zich zo onteren?
Waarom wilde Hij naakt hangen aan het vloekhout?
Om zo de straf, die wij, zondaren, hebben verdiend, voor ons, in onze plaats te dragen en om zo voor mensen, die geloven en God willen dienen, de gelegenheid te scheppen zich te kunnen kleden en zonder schaamte te kunnen verschijnen voor de vergevende God.

Zo komt uit de Bijbel de dringende vermaning tot alle mensen, die luisteren willen, dat zij moeten ophouden met de naaktcultuur van de moderne tijd. De mode ook moet in dienst gesteld worden van de genade van God.

Het kleed mag sierlijk zijn. De mens mag zich met zijn kleding mooi maken en de vreugde van het leven onderstrepen.
Maar het kleed moet beantwoorden aan de bedoeling van God, Die het goede voor de mens zoekt. Kleding moet de naaktheid bedekken en zo de reine en zuivere omgang bevorderen van mens en mens en ook van mens en God”.

Tot zover dominee Vreugdenhil.

In onze tijd staan de zaken er niet beter voor.

Ten bewijze daarvan geef ik het woord aan professor van Marle, forensisch psychiater.
In februari 2016 zei hij in het Reformatorisch Dagblad: “Ik zie de mens als het hoogst ontwikkelde zoogdier. We hebben verantwoordelijkheidsgevoel en moreel besef gekregen, maar zoals Freud al zei: die zijn niet meer dan krassen op een steen. Ze blijven oppervlakkig. In ons onbewuste woelen alle mogelijke zoogdierdriften. ‘Het Ik is als een ruiter te paard’, zei Freud. De zwakste dus. Op grond van mijn werk als psychiater en wetenschapper moet ik vaststellen dat de mens in feite nog steeds primitief is. Uiteindelijk blijven we egoïsten, tot het kwade beschikt. Gelukkig zijn er wel compenserende factoren, zoals humor, identificatie, moreel besef, geloof”.

In het voorbijgaan waarschuwt Van Marle voor de gevaren van seks op het internet:
“Ook daarin zie je dat we tot het kwade beschikt zijn. We kunnen door dit prachtige netwerk met elkaar communiceren en elkaar foto’s sturen, maar wat gebeurt? We delen via internet schimpscheuten uit, of erger, en zetten er porno op. Vooral voor de zwakke broeders onder ons, die niet van hun ouders meekregen dat het in de seksualiteit in de eerste plaats om intimiteit gaat, is dat funest. Het bevestigt hun idee dat seks iets mechanisch is. De pornoficatie, die begon met reclame voor mooie onderbroeken met mooie meisjes erin, zouden we veel duidelijker moeten afwijzen”.

Professor Van Marle zegt ook nog:
“Ja, ik vind dat wij van God los zijn, en dat betreur ik zeer. Voor een land zonder morele bakens valt weinig goeds te verwachten. Het zoogdierbrein gaat dan zijn gang. We moeten er niet vreemd van opkijken als mensen in zo’n samenleving ontsporen”[3].

Veel wat Van Marle zegt kan onze instemming hebben.
Tegelijkertijd is het zonneklaar dat de hooggeleerde psychiater in somberheid en duisternis blijft steken. En het is, wat mij betreft, volstrekt duidelijk waarom dat zo is.

Nee, geef mij dan Vreugdenhil maar: “En waarom deed Hij dat? Waarom liet Christus zich zo onteren?
Waarom wilde Hij naakt hangen aan het vloekhout?
Om zo de straf, die wij, zondaren, hebben verdiend, voor ons, in onze plaats te dragen en om zo voor mensen, die geloven en God willen dienen, de gelegenheid te scheppen zich te kunnen kleden en zonder schaamte te kunnen verschijnen voor de vergevende God”.

Laten wij ons vooral door de vermaning van Spreuken 5 laten leiden. U weet het misschien wel: dat Schriftgedeelte bevat een waarschuwing tegen de vreemde vrouw. De laatste verzen van dat hoofdstuk luiden:
“Want voor de ogen des Heren liggen ieders wegen open,
Hij weegt al zijn gangen.
Zijn ongerechtigheden vangen de goddeloze,
in de strikken zijner zonde raakt hij vast.
Hij sterft, omdat tucht hem ontbreekt,
door zijn grote dwaasheid verdwaalt hij”[4].

Noten:
[1] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/1970 .
[2] ‘Wereld zonder schaamte’. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 18 september 1971, p. 2. Ook te vinden via www.delpher.nl .
[3] “In de huid van het menselijk kwaad”. In: Puntkomma, katern van het Reformatorisch Dagblad, vrijdag 19 februari 2016, p. 4 en 5.
[4] Spreuken 5:21, 22 en 23.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.