gereformeerd leven in nederland

31 januari 2017

De doop en de kerklozen

Het is, meen ik, zeker in onze tijd nodig om het belang van de doop te benadrukken. Van steeds meer mensen geldt dat zij, zoals zij zelf zeggen, best wel een beetje christelijk zijn. De inhoud daarvan verschilt sterk per persoon.
Daarom is het goed om ons te blijven realiseren wat de doop betekent.

Daarover peinzend en schrijvend citeer ik eerst een stukje uit Zondag 26 van de Heidelbergse Catechismus.
“Wat betekent dat: met het bloed en de Geest van Christus gewassen te zijn?
Antwoord:
Dat wij van God vergeving van de zonden hebben uit genade, om het bloed van Christus, dat Hij in zijn offer aan het kruis voor ons vergoten heeft. Verder ook, dat wij door de Heilige Geest vernieuwd en tot leden van Christus geheiligd zijn, zodat wij hoe langer hoe meer van de zonde afsterven en godvrezend en onberispelijk leven”[1].

Wat een prachtige troost is dat, in een schier dolgedraaide wereld!
Onze zonden worden vergeven!
Te midden van alle kleine problemen in ons persoonlijk leven, en de grote vraagstukken van de wereld in de eenentwintigste eeuw wordt er in ons leven een proces van vernieuwing gestart.
Dat is toch geweldig?

Massa’s mensen hebben het met deze wereld eigenlijk wel een beetje gehad. Ze zouden, diep in hun hart, wel graag opnieuw willen beginnen.
Welnu, de hemelse God geeft Zijn kinderen daarvoor iedere dag een kans.
Is dat niet schitterend?
Is dat niet alleszins hoopgevend?

Maar het moet duidelijk zijn: bij die doop komt ook de kerk in zicht.
Leest u maar mee in de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Wij geloven en belijden dat Jezus Christus, die het einde van de wet is (…), door het vergieten van zijn bloed een eind gemaakt heeft aan elke andere bloedstorting die men zou kunnen of willen doen tot verzoening voor onze zonden. Hij heeft de besnijdenis, waarbij bloed vloeide, afgeschaft en in plaats daarvan het sacrament van de doop ingesteld. Hierdoor worden wij in de kerk van God opgenomen en van alle andere volken en vreemde godsdiensten afgezonderd, om helemaal het eigendom te zijn van Hem, van wie wij het merk en veldteken dragen. Dit dient ons tot een getuigenis dat Hij eeuwig onze God en onze genadige Vader zal zijn”[2].

Daar staat het.
Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.
“Hierdoor worden wij in de kerk van God opgenomen en van alle andere volken en vreemde godsdiensten afgezonderd”.

Maar zo gewoon is dat niet.
Niet zo lang geleden, het was op dinsdag 10 januari jongstleden, stond in het Nederlands Dagblad een verhaal over een echtpaar dat het kerkplein willens en wetens verlaten heeft.
Ik citeer:
“Vraag je Mark Eikema waarom hij zich christen noemt, dan is zijn antwoord: ‘Ik geloof in God, die een bedoeling heeft met zijn schepping, en in de sleutelrol die Jezus daarin speelt door zijn sterven en opstanding. Ik ben christen, ik heb niet veel dingen losgelaten, mijn geloof is denk ik best orthodox.’
Toch is hij niet meer lid van een kerk. Niet uit afkeer of andere negatieve gevoelens, maar domweg omdat de diensten voor hem geen meerwaarde hebben. Om te ontdekken of er nog andere christenen zijn die om vergelijkbare reden geen kerk bezoeken, begon hij met zijn vrouw Elsa met het initiatief De Kerklozen.
De Kerklozen heeft een pagina op Facebook, een Twitteraccount en een website in wording. Op 3 januari verscheen het eerste bericht op de sociale media en sindsdien komen er veel reacties binnen. Ook de vrijgemaakt-gereformeerde dominee Jos Douma prees het initiatief aan als ‘boeiend en inspirerend’”`.
En:
“Op Facebook prijst De Kerklozen het boek Unchurching aan, geschreven door een voormalige voorganger. Onkerkelijk christen zijn is een internationaal fenomeen. In Nederland is er, behalve in Zwolle, ook een vergelijkbaar initiatief in Utrecht”
Eikema staat niet negatief tegenover de kerk. Hij laat zich inspireren door christelijke denkers als Tom Wright en Richard Rohr, die zelf wél stevig in de kerk geworteld zijn”[3].

Waar beginnen we, als wij over het bovenstaande nadenken?
Laten wij Romeinen 10 als uitgangspunt nemen. Ik citeer: “Want het einddoel van de wet is Christus, tot gerechtigheid voor ieder die gelooft”[4].

Wie gelooft, komt bij Christus terecht. Gods kind komt bij zijn Heiland terecht. Want het gelovig kind van God weet: ik ben het eigendom van de machtigste Man van heel de wereld!

Dat is trouwens al eeuwen geleden aan de wereld duidelijk gemaakt.
Dat blijkt bijvoorbeeld uit Exodus 12.
“Als er nu een vreemdeling bij u verblijft en als die voor de HEERE het Pascha wil houden, laat dan al wie mannelijk is bij hem, besneden worden. Dan mag hij naar voren komen om het Pascha te houden, en zal hij zijn als een ingezetene van het land. Niemand echter die onbesneden is, mag ervan eten”[5].
In Israël mogen slaven, vreemdelingen en bijwoners deelnemen aan de maaltijden. Maar voor het Pascha geldt een uitzondering. Daaraan mogen niet-Israëlieten alleen deelnemen als zij besneden zijn. Zij mogen alleen aan het Pascha meedoen als zij het merk- en veldteken van het verbond dragen. Het dragen van dat merk- en veldteken is beslissend.

Die lijn wordt in 1 Petrus 2 doorgetrokken.
Kijkt u maar.
“Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte; opdat u de deugden zou verkondigen van Hem Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht”[6].

Op grond van het bovenstaande concludeer ik: wie gedoopt is, hoort in de kerk thuis.
De verkondiging van het blijde perspectief van de toekomst en permanente troost gebeurt in de kerk.
Wie gelooft in Jezus Christus moet daar, in de kerk wezen.
Wie zijn Heiland wil volgen, moet zich bij de kerk melden!

Ja maar, vraagt iemand, heeft u nu helemaal geen begrip voor al die frustratie?
U begrijpt toch wel waarom De Kerklozen op de kerk stuk gelopen zijn?
U weet toch wel dat er in de kerk een overvloed van regels is?
U weet toch wel van de geringe betrokkenheid en de lauwheid?
Ja, dat alles is bekend.
Maar in de kerk moeten wij niet naar mensen kijken. Wij moeten ons in alles op de Here God richten.
De Kerklozen beginnen gewoon voor zichzelf. Maar dat lost niets op. Sterker nog, ten diepste is het een zich afkeren van de heilige vergadering die door God vorm gegeven wordt. Het betreft een miskenning van Christus’ kerkvergaderend werk.

Tenslotte, de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant dr. Jos Douma blijkt het initiatief van De Kerklozen “boeiend en inspirerend” te vinden.
Dat begrijp ik niet helemaal.
Zeker, het is een opvallend initiatief. Maar gedoopte mensen horen in de kerk thuis. En nergens anders.
Ik zou willen zeggen: de kerklozen moeten niet afkerig wezen; zij moeten zich bekeren!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 26, antwoord 70.
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 34.
[3] “Kerkloos uit overtuiging”. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 10 januari 2017, p. 2.
[4] Romeinen 10:4.
[5] Exodus 12:48.
[6] 1 Petrus 2:9.

30 januari 2017

Start de evacuatie!

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

“Om dit alles des te beter te kunnen onderhouden, is het volgens Gods Woord de roeping van alle gelovigen zich af te scheiden van hen die niet bij de kerk horen, en zich bij deze vergadering te voegen op ieder plaats waar God haar gesteld heeft, zelfs al zouden de overheden en wetten van de vorsten zich daartegen verzetten en al zou er de dood of lijfstraf op staan. Daarom handelen allen die zich van haar afzonderen of zich niet bij haar voegen, in strijd met Gods bevel”.
Die woorden zijn de laatste tijd met zekere regelmaat op deze plaats geciteerd. Ze staan in de Nederlandse Geloofsbelijdenis[1].

Als de Here mensen bij Zich roept, gebeuren er bijzonder belangrijke dingen. Zeker, het geheugen van mensen is feilbaar. Mensen zien het belang van Goddelijke dingen niet zo makkelijk in. Hoe dat zij: God gaat met Zijn werk verder.

Als wij op aarde leven in de kerk, geldt de regel: halve gehoorzaamheid is geen gehoorzaamheid.
Die gehoorzaamheid kunnen uit onszelf wij niet opbrengen. Maar het is God die een revolutionaire ommekeer bewerkstelligt. Door Zijn machtig ingrijpen komen mensen die Hij uitgekozen heeft naar Hem toe. God is genadig!
En als wij dan in de kerk zijn, wordt er van ons gevraagd om ons te concentreren op Gods Woord. Dat is moeilijk, want er wordt in de wereld veel herrie gemaakt. Daarom moeten kinderen van God waakzaam zijn[2]!

Dat klinkt streng.
Moeten we in de kerk niet wat zachter wezen? Moet de kerk, om zo te zeggen, niet meer fluweelzachte stoelen aanbieden?
Antwoord: het heerlijke evangelie van de redding heeft twee kanten:
* de ene kant is de vreugde en de troost
* de andere kant is het attentiesein, de waarschuwing.
Gods Woord brengt scheiding. Hoe graag wij dat ook willen, wij kunnen en mogen daar niet omheen praten.

Daarom vraag ik vandaag uw aandacht voor woorden uit Openbaring 18. Het zijn deze: “En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: Ga uit haar weg, Mijn volk, opdat u geen deelhebt aan haar zonden, en opdat u niet van haar plagen zult ontvangen”[3].

In Openbaring 17 en 18 gaat het over de val van het grote Babylon[4].
Wat is dat grote Babylon?
Er is wel op gewezen dat dat het Romeinse rijk zou zijn, dat inmiddels gevallen en verdwenen is. Maar wij moeten, denk ik, het beeld toch nog wat breder maken. Het gaat in feite om de afvallige kerk. Dat zijn alle mensen die zeggen dat zij Jezus Christus volgen, maar intussen op heel wat punten hun eigen zin doorzetten.

Waar kom je dan terecht?
Een dominee maakte dat duidelijk in de volgende beelden: “Als we het over het belang van de kerk hebben dan kunnen we dat het beste met het beeld vergelijken van de gnoes:
de gnoes maken jaarlijks een trektocht van achthonderd kilometer door de savannen van Afrika. Zo’n kudde kan wel veertig kilometer lang zijn. De gnoes zijn alleen veilig voor de roofdieren als ze hecht aaneengesloten blijven in de kudde. Als er één buiten de kudde terecht komt wordt hij door roofdieren omsingeld en verscheurd.
Conclusie: wil je als gelovige veilig je eindbestemming bereiken dan heb je Gods ‘kudde’, dat is de kerk nodig. Anders kom je om en val je ten prooi aan de boze machten.
Nog een ander beeld: geloven zonder kerk is denken dat je te voet de Sahara woestijn kunt oversteken zonder water mee te nemen. Je kunt het wel proberen maar je redt het niet”[5].

Hoe gaat dat grote Babylon ten onder?
Wel, de koningen van de aarde hebben eenvoudigweg genoeg van dat geweldige rijk. De koningen maken zich er los van. De ban gaat breken. De liefde en de eerbied die die heersers ooit voor dat Babylon hebben gevoeld, slaat om in haat.
Hoe dat kan?
Antwoord: de Machthebber van hemel en aarde, God Zelf, grijpt in. De wereld gaat structureel veranderen!
Babylon zelf heeft van dat alles niets door. Zij is gegrepen door grootheidswaanzin. Zij acht zich onaantastbaar. Zij waant zich veilig.
En juist dan pakt de Here de wereld aan. En Zijn oordeel is volstrekt duidelijk: “Want haar zonden hebben zich opgestapeld tot aan de hemel, en God herinnerde Zich haar ongerechtigheden.
Vergeld haar zoals zij ook u vergolden heeft, en vergeld haar dubbel naar haar werken. Schenk in de drinkbeker waarin zij voor anderen ingeschonken heeft, voor haar het dubbele in”[6].

Dat is de reden dat de Here tegen Zijn kinderen zegt: inpakken en wegwezen!
Oftewel: zorg dat u de afvallige kerk zo snel mogelijk verlaat!
Start de evacuatieprocedure!
Doe het nu!

Dat betekent natuurlijk niet dat wij, vluchters anno Domini 2017, het beter weten.
Welnee.
Dat betekent wel dat wij, met heel ons hebben en houden, een schuilplaats zoeken. Een veilig heenkomen, bij de Here. Een toevluchtsoord, voor nu en voor de toekomst.

En ja, dan komen de vragen op.
Want waarom is dat toevluchtsoord zo primitief? Waarom is het er niet wat comfortabeler ingericht? En waarom zijn er eigenlijk zo weinig mensen naar dat toevluchtsoord gekomen?
Niet in beelden gezegd: waarom is de kerk zo klein en machteloos?

Een volledig en sluitend antwoord op die vraag kunnen wij niet geven.
Maar daarmee is niet alles gezegd.
Want:
1.
Tegenover dat grote Babylon lijkt de kerk een dwerg. De kerk valt bijna weg tegenover die grote kolos. Laten wij nooit vergeten dat de wereld met een niet aflatende ijver zijn best doet om het beeld te vertekenen.
Immers, in de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijden wij: “Tenslotte geloven wij in overeenstemming met Gods Woord, dat als de door de Heer bepaalde tijd — die aan alle schepselen onbekend is — gekomen en het getal van de uitverkorenen vol zal zijn, onze Here Jezus Christus uit de hemel zal komen, lichamelijk en zichtbaar, op dezelfde wijze als Hij naar de hemel is opgevaren (…), met grote heerlijkheid en majesteit. Hij zal Zich openbaren als Rechter over levenden en doden, terwijl Hij deze oude wereld in vuur en vlam zet om haar te zuiveren. Dan zullen voor deze grote Rechter persoonlijk verschijnen alle mensen die ooit geleefd hebben: mannen, vrouwen en kinderen, gedagvaard door de stem van een aartsengel en het geklank van een goddelijke bazuin (…). Want al de gestorvenen zullen uit de aarde verrijzen en de zielen zullen verenigd worden met het eigen lichaam waarin zij geleefd hebben. Zij die dan nog leven zullen niet sterven zoals de anderen, maar in één ogenblik veranderd worden en van vergankelijk onvergankelijk worden”[7].
Dringt het tot u door hoe groot de mensenmassa wezen zal die in de rechtszaal verschijnt?
2.
De kerk lijkt hier op aarde klein, jazeker. Maar des te groter is de tegenstelling tussen het gebrek van deze aarde en de hemelse heerlijkheid!

Noten:
[1] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 28.
[2] Over de roeping om zich bij de kerk te voegen publiceerde ik in de afgelopen verscheidene artikelen op deze internetpagina. Deze zijn te vinden via https://bderoos.wordpress.com/tag/roeping/ .
[3] Openbaring 18:4.
[4] In het onderstaande gebruik ik onder meer: ds. J.M. Goedhart, “Onthulde geheimenissen: Meditatieve verklaring van het laatste bijbelboek”. – Wezep: Drukkerij-Uitgeverij Bredewold, 1994. – met name p. 190 en 191. Dominee Goedhart leefde van 1924 tot 2010.
[5] Zie www.keesdegraaf.com ; doorklikken naar Meditaties en Bijbelstudies, en “Waarom blijft de kerk noodzakelijk? – een korte verhandeling”. Geraadpleegd op vrijdag 13 januari 2017.
[6] Openbaring 18:5 en 6.
[7] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 37.

27 januari 2017

Oecumene te Nijmegen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

Het zogenaamde oecumenisch denken is in onze tijd praktijk. Naar elkaar toe groeien, elkaar leren begrijpen, samenwerken: we lezen er regelmatig over op de kerknieuwspagina’s van diverse dagbladen. Oecumene is in. En het lijkt er op dat het voorlopig niet weer ‘uit’ raakt.

Maar laten we niet denken dat dat iets is van, pakweg, de laatste tien, twintig jaar.
Ook in de jaren ’70 van de vorige eeuw werd er al veel over gesproken en gedacht.

Dat blijkt ook uit een bericht in het Nederlands Dagblad, dat verscheen op dinsdag 25 januari 1972.
Ik citeer: “Afgelopen zondag werd in Nijmegen de ‘Ontmoetingskerk’ in de Nieuwbouwwijk ‘Dukenburg’ geopend voor gemeenschappelijk gebruik door hervormden en gereformeerden (die al samen één wijkgemeente vormden) en door rooms-katholieken. Typerende ontwikkeling: deze kerk heeft slechts één kerkzaal, die protestanten en rooms-katholieken afwisselend na elkaar gaan gebruiken voor hun kerkdiensten, die kunnen uitlopen op gemeenschappelijk dienstbetoon in en voor de wijk”[1].

Wellicht, geachte lezer, bent u geneigd om te denken dat de schrijver van deze weblog een foutje heeft gemaakt. Moet daar niet een datum in 2017 staan? Nee, deze scribent heeft zich niet vergist. Het betreft inderdaad een bericht uit 1972. Dat is best bijzonder, zegt u nu zelf.

Over die gemeenschappelijkheid en die samenwerking blijkt het laatste woord nog niet gezegd te zijn.
Twee dagen later, op donderdag 27 januari 1972, staat in het ND een nieuwsbericht met als kop: “Geref. kerk te Nijmegen niet bij opening ‘oecumenische’ kerk”.

Daaronder wordt gemeld dat vanuit de Gereformeerde kerk een brief is gestuurd.
In die brief lezen we het volgende.

“Het streven waarvan de stichting van uw oecumenische kerk uitdrukking vormt, staat onzes inziens de eenheid van de christenen in de weg. Naar die eenheid verlangen wij.

Voor die eenheid heeft Christus, onze Heer, gebeden. Het is de eenheid van alle ware Christ-gelovigen, gebaseerd op het betrouwbare Woord van God, de Heilige Schrift. In het bekende gebed van Jezus om de eenheid van de zijnen zegt Hij ondermeer.: Ik heb Uw Naam, Vader, geopenbaard aan de mensen, die U mij uit de wereld gegeven hebt. Zij behoorden U toe en U hebt hebt hen aan mij gegeven en zij hebben uw Woord bewaard. Heilig hen in uw waarheid, uw Woord is de Waarheid. En ik bid ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen een zijn – opdat de wereld gelove dat U mij gezonden hebt (Johannes, hoofdstuk 17).

Het is duidelijk dat het gaat om de eenheid in het geloof, eenheid in het bewaren van het Woord der Waarheid. Naar die eenheid verlangen wij. Die eenheid in de Waarheid is onvergelijkelijk veel meer waard dan ’t gemeenschappelijk bezit van een dichtbij gelegen, modern gebouw. Maar juist die eenheid ontbreekt en dat wordt zo gemakkelijk verdoezeld door een mooi gebouw. Tussen u onderling en ons is er geen eenheid op essentiële punten, zoals bijvoorbeeld: dat een zondaar uit geloof alleen behouden wordt, uit genade; dat Christus slechts twee sakramenten heeft bevolen; dat er één Middelaar tussen God en mensen is, Jezus Christus; dat er één algemene bisschop van de Kerk op aarde is, Jezus Christus; dat Christus’ kruisoffer nooit in enige vorm herhaald kan worden; dat heel de Heilige Schrift Gods Woord is, waaraan noch toegevoegd noch afgedaan mag worden; dat zij die een andere leer brengen uit de gemeente verwijderd moeten worden; dat de eenheid van de Kerk alleen wordt bepaald door het geloof op basis van het Woord der Waarheid en dat de organisatie en wetten van de Kerk daaraan volkomen ondergeschikt zijn; enz.

Als u en wij over zulke en andere essentiële punten Gods Woord bewaren en belijden, dan zijn wij een zoals Christus daarvoor gebeden heeft. Dan komen we ook bij elkaar. En dan behoeven we ons over het overige, gebouwen en dergelijke, geen zorgen te maken. Dat wordt ons bovendien geschonken.

Zolang die eenheid tussen u en ons niet blijkt, zal onze gemeente dankbaar voor de eenheid die zij hebben mag, ’s zondags samenkomen in ons niet dichtbij gelegen noch moderne gebouw aan de Guyotstraat, alhier. Daar willen wij in belijdenis en prediking ons houden aan de gehele Heilige Schrift, het Woord der Waarheid. Daar is ook ieder welkom die daarin met Christus en met ons een wil zijn tot eer van God”.

Tot zover het eerste citaat.
Zelfs de meest argeloze lezer begrijpt dat hierboven aangehaalde brief niet in onze tijd geschreven kan wezen. Het uitgebreide gezelschap van oecumeneminnaars van de eenentwintigste eeuw zou de zaak vandaag de dag gans anders aanpakken. De brief zou toeschietelijker zijn. Er zouden voorstellen in staan om elkaar eens te ontmoeten; geheel vrijblijvend natuurlijk…

Wat mij aangaat: de brief van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt) te Nijmegen vind ik een voorbeeld van een schrijven dat vriendelijk, maar evenzeer helder en duidelijk is.
Daarin ben ik trouwens niet de enige.

In het Nederlands Dagblad wordt een andere krant geciteerd, die enig welwillend commentaar schrijft bij het besluit van de GKv Nijmegen om niet haar opwachting te maken bij de opening van het nieuwe kerkgebouw.
Ik citeer weer:
“‘De Gelderlander’ gaf op dit besluit en deze brief het volgende commentaar:
Men kan meewarig het hoofd schudden over het besluit van de Raad van de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) in Nijmegen om zich afzijdig te houden van het experiment van de oecumenische kerk in Dukenburg. Maar waar de pioniers van de eenheid onder de christenen zelf steeds hebben gezegd, dat oecumene niet bestaat in het verdoezelen van wezenlijke verschillen, zou een dergelijke houding in dezelfde mate onoecumenisch zijn als het experiment zelf oecumenisch. Dat neemt niet weg dat men het besluit van de vrijgemaakte gereformeerden kan betreuren. Maar dat is iets anders dan meewarig het hoofd schudden. Het houdt respect en begrip in voor een ander standpunt”[2].

Wie het bovenstaande leest, kan niet om de conclusie heen dat op het kerkplein de begrippen ‘respect’ en ‘begrip’ bij velen een wat andere inhoud hebben gekregen. Wie heden ten dage kerkmuren niet in een ommezien afbreekt is niet bekeerd, zo lijkt men te menen.

Die brief uit 1972 vind ik leerzaam.
Die leert mij onder meer dat het oecumenisch denken van vandaag, en het half nonchalant naar elkaar toe wandelen geen goede zaak is. Juist op het kerkplein zullen we altijd bereid moeten zijn de volgende vragen te beantwoorden:
* wat wil de Here dat wij doen zullen?
en:
* Hoe honoreren wij heel Gods Woord, ook als het om de oecumene gaat?

Noten:
[1] “Triologie of theologie?”. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 25 januari 1972, p. 2.
[2] “Geref. kerk te Nijmegen niet bij opening ‘oecumenische’ kerk”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 27 januari 1972, p. 2.

26 januari 2017

Let op de gieren

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

“Om dit alles des te beter te kunnen onderhouden, is het volgens Gods Woord de roeping van alle gelovigen zich af te scheiden van hen die niet bij de kerk horen, en zich bij deze vergadering te voegen op ieder plaats waar God haar gesteld heeft, zelfs al zouden de overheden en wetten van de vorsten zich daartegen verzetten en al zou er de dood of lijfstraf op staan. Daarom handelen allen die zich van haar afzonderen of zich niet bij haar voegen, in strijd met Gods bevel”.
Die woorden kent u wel. Ze staan in de Nederlandse Geloofsbelijdenis[1].

Als de Here mensen bij Zich roept, komen mensen tot grote dingen.
Het moet duidelijk zijn: het instrumentarium dat God gebruikt is heel belangrijk. Zijn werk gaat door!

Als wij op aarde de Here dienen, geldt de gouden regel: halve gehoorzaamheid is geen gehoorzaamheid.
Gehoorzaamheid kunnen wij, aardse mensen in 2017, niet opbrengen. Maar God houdt Zich aan het verbond dat Hij met ons sloot. Hijzelf bewerkt een totale ommekeer. Door Zijn toedoen komen Zijn kinderen naar Hem toe, gewillig en met vreugde. De hemelse God stuurt Zijn aardse kinderen aan[2]!

Het is van enig belang om, als het hierover gaat, Mattheüs 24 te lezen.
Daarin lezen we dat er op heel veel plekken wordt geroepen dat Christus daar is.
Anderen zeggen: nee, u moet hier wezen.
Nog weer anderen zeggen: welnee, kom toch gauw hierheen.
Van al dat geroep door elkaar heen moeten wij, dunkt mij, niet te gering denken. Feilbare mensen raken zomaar in de war. Allerlei media vallen ons in vette letters en fel gekleurde beelden lastig. In gesprekken en andere contacten wijzen diverse mensen ons op allerlei wegen, zijpaden, zandpaden, brede lanen enzovoort. En hoe meer mensen er praten, hoe klemmender de vraag wordt: waar moeten wij heen?
Er wordt concentratievermogen van ons gevraagd. Wij moeten ons focussen op datgene wat er in Gods Woord staat. Wij moeten, te midden van een kakofonie van geluiden, naar Gods stem luisteren.
Als wij Mattheüs 24 goed lezen, beseffen wij dat de kerk, in haar spreken en haar zwijgen, in al haar doen en laten, eenvoudig het Evangelie moet verkondigen.
Dat moeten wij volhouden tot onze Here Jezus Christus terugkomt.

In Mattheüs 24 staat het zo: “Als iemand dan tegen u zegt: Zie, hier is de Christus of daar, geloof het niet;
want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zó dat zij – als het mogelijk zou zijn – ook de uitverkorenen zouden misleiden.
Zie, Ik heb het u van tevoren gezegd!
Als men dan tegen u zal zeggen: Zie, Hij is in de woestijn; ga er niet opuit; zie, Hij is in de binnenkamers, geloof het niet,
want zoals de bliksem vanuit het oosten komt en zichtbaar is tot in het westen, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn”[3].

In dit alles is er tenminste één troost: het zal altijd lukken om Gods stem te horen. Om met Romeinen 8 te spreken: “Wat zullen wij dan over deze dingen zeggen? Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?
Hoe zal Hij, Die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard maar voor ons allen overgegeven heeft, ons ook met Hem niet alle dingen schenken?
Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen van God? God is het Die rechtvaardigt”[4].
En:
“Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen,
noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heere”[5].

Het is maar goed dat wij die belofte kennen.
Want in Mattheüs 24 staat ook: “Want waar het dode lichaam is, daar zullen de gieren zich verzamelen”[6]. In nog duidelijker Nederlands: gieren komen op kadavers af!
Dominee C. den Boer, een emerituspredikant binnen de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland, schetste daarvan in een Bijbelstudie eens het volgende beeld: “Met hun scherpe ogen zien die roofvogels vanuit grote hoogte hun prooi: een dood lichaam ergens beneden op de aarde. Als u dit soort roofvogels in grote zwermen ziet rondcirkelen, dan weet u: daar is wat voor hen te halen. Zij zijn daar waar de dood het voor het zeggen heeft. Dat is hun verzamelpunt”.

De kerk moet dus waakzaam wezen.
Dominee den Boer noteert: “Let op de gieren…Let op de groten der aarde die het gemunt hebben op Gods uitverkorenen. In Noord Korea, in Sudan, in Eritrea en waar niet al. Let op de haatcampagnes van het moslimterrorisme.
Ook in onze maatschappij waar de Joods-christelijke fundamenten steeds meer worden verwoest, waar niets meer veilig is: het ongeboren leven niet, het leven van demente bejaarden niet, het heilig huwelijk niet, de dag des Heeren niet”[7].
En:
“Wat ons te doen staat? Waakt, waakt, waakt…! Let op het azen van de gieren. Of doe als dat kind dat uit school thuiskwam en tegen zijn moeder zei: ‘Mamma, ik heb onderweg naar Jezus gezwaaid.’ ‘Maar kind’, zei moeder, ‘jij hebt toch de Heere Jezus niet gezien?’ ‘Nee, mama’ , zei het kind, ‘maar de Heere Jezus heeft mij wel gezien’.Zo kinderlijk eenvoudig geloven, dat Hij, de Overwinnaar van zonde, dood en satan, op de uitkijk staat. Zie, Hij komt spoedig”.

De hemelse God stuurt Zijn kinderen naar de kerk. Hij motiveert hen om daar naar toe te gaan. Hij drijft hen er naar toe.
Maar die aansturing ontslaat Gods kinderen niet van hun eigen verantwoordelijkheid. Zij moeten wakker wezen. Kinderen van God moeten altijd alert blijven.
En zij moeten, op allerlei manieren, het Evangelie verkondigen. Die taak is actueel totdat Hij komt!

Noten:
[1] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 28.
[2] Over de roeping om zich bij de kerk te voegen schreef ik op deze internetpagina reeds eerder. De betreffende artikelen zijn te vinden via https://bderoos.wordpress.com/tag/roeping/ .
[3] Mattheüs 24:23-27.
[4] Romeinen 8:31, 32 en 33.
[5] Romeinen 8:38 en 39.
[6] Mattheüs 24:28.
[7] De website van dominee Den Boer is te vinden op http://dsdenboer.refoweb.nl/ ; geraadpleegd op woensdag 11 januari 2017.

25 januari 2017

Het fundament verstevigd

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , ,

“De ongelovige Thomas heeft een punt”. Zo heet een boek, waarin twee auteurs hun lezers aanmoedigen om kritisch te denken[1].
Thomas eist in Johannes 20 bewijzen van Christus’ opstanding[2]. Dat Thomas die eis stelt, wordt hem kwalijk genomen. Maar, zeggen de schrijvers van dat boek, wij maken als mensen veel foute inschattingen en trekken snel verkeerde conclusies. Leer nadenken, zeggen de beide scribenten. Dan worden verkeerde overtuigingen gecorrigeerd. Bijgeloof wordt ontmaskerd. Verkeerde vooronderstellingen komen aan de dag.
Het denkvermogen dient voortdurend te worden aangescherpt. Wij moeten leren om de verschillen te zien tussen zin en onzin. Eigenlijk moeten wij een moderne Thomas worden.
Aldus de twee Vlaamse filosofen.

Mogen wij in de kerk niet kritisch nadenken?
Zeker wel.
De Here leert ons niet om in de kerk dociel af te wachten tot de klap komt. Welnee.
En trouwens, wij moeten ons – denk ik – niet al te zeer op Thomas focussen. Een exegeet schrijft terecht: “Jezus is niet privé aan hem (Thomas, BdR) verschenen, maar te midden van de leerlingenkring en tijdens hun eerstvolgende vergadering. Hij kwam dus niet zozeer op huisbezoek bij broeder Thomas als wel op kerkvisitatie bij de apostelen”[3]. De Here Jezus komt officieel op bezoek om te zien hoe het staat met het geestelijk leven van de kerk.

Dat begrip ‘geestelijk leven’ mogen we, zeker in deze situatie, best met een hoofdletter schrijven: Geestelijk leven.
In de vorige perikoop verschijnt de Here Jezus aan tien discipelen. Daar lezen wij onder meer: “Jezus dan zei opnieuw tegen hen: Vrede zij u! Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u.
En nadat Hij dit gezegd had, blies Hij op hen en zei tegen hen: Ontvang de Heilige Geest.
Als u iemands zonden vergeeft, worden ze hem vergeven; als u ze hem toerekent, blijven ze hem toegerekend”[4]. De Heilige Geest getuigt van de waarheid en de werkelijkheid van de opstanding.

Wij lezen: “Thomas antwoordde en zei tegen Hem: Mijn Heere en mijn God!
Jezus zei tegen hem: Omdat u Mij gezien hebt, Thomas, hebt u geloofd; zalig zijn zij die niet gezien zullen hebben en toch zullen geloven”[5].
Niet zelden wordt de reactie van Jezus Christus op Thomas’ belijdenis uitgelegd als een bedekt verwijt. Maar met een dergelijke grief moeten wij een beetje voorzichtig wezen. Niet voor niets staat in 1 Johannes 1: “wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij u, opdat ook u gemeenschap met ons hebt; en deze gemeenschap van ons is er ook met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.
En deze dingen schrijven wij u, opdat uw blijdschap volkomen wordt”[6].
Alle discipelen hebben Hem gezien. En juist het feit dat het complete apostelconvent Hem gezien heeft, maakt de stimulans om God op Zijn Woord te geloven sterker!

Dat noteert Johannes ook expliciet in hoofdstuk 20: “Jezus nu heeft in aanwezigheid van Zijn discipelen nog wel veel andere tekenen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek,
maar deze zijn beschreven, opdat u gelooft dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat u, door te geloven, het leven zult hebben in Zijn Naam”[7].
Al Gods kinderen worden, om met Efeziërs 2 te spreken, “gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus Zelf de hoeksteen is,
en op Wie het hele gebouw, goed samengevoegd, verrijst tot een heilige tempel in de Heere”[8].
Het apostelconvent is, naar de mens gesproken, niet zoveel waard. Het aanvankelijke ongeloof van Thomas bewijst dat eens te meer. Maar onze Here Jezus zorgt voor de hechtheid van het fundament der kerk. Om het het met Psalm 122 te zeggen:
“Jeruzalem is hecht gebouwd,
wel saamgevoegd, wie haar aanschouwt
zal haar als stad van vrede groeten”[9].

Laten wij nog even kijken naar die Vlaamse filosofen.
Zij noemen Thomas als een typisch voorbeeld van een kritische denker. De wijsgeren uit België lijken te zeggen: volg het voorbeeld van Thomas maar; want buitengewone dingen vragen om buitengewone bewijzen.
Johannes 20 blijkt echter heel andere boodschappen te hebben. Onder meer deze: kritisch nadenken mag best; als het uitgangspunt maar goed is. Wetenschappelijk werk is niet verboden; maar daarbij hoeft het geloof zeker niet uitgeschakeld te worden.

Als u het mij vraagt, toont Jezus Christus in Johannes 20 dat Hij ook voor realisten geleden heeft. En voor sceptici. En voor mensen die geneigd zijn om heel veel dingen in het leven te relativeren.
Het is duidelijk dat het fundament van de kerk, de apostelen, stevig staat. Daar kan de kerk op worden gebouwd. De kerk gaat niet omvallen. Bancaire instellingen kunnen dat op aarde wel. Maar met de kerk zal dat nimmer gebeuren.
Johannes 20 laat ons zien: het Hoofd van de kerk maakt Zijn werk af. Onweerstaanbaar. Maar zeer zorgvuldig. Dat is zeker!

Noten:
[1] De gegevens van dit boek zijn: Johan Braeckman, Maarten Boudry, “De ongelovige Thomas heeft een punt”. – Linkeroever Uitgevers, 2011. – 344 p.
[2] Vanavond, woensdagavond 25 januari 2017, vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Tijdens die bijeenkomst zal Johannes 20 aan de orde komen. Tijdens die vergadering hoopt schrijver dezes het onderwerp in te leiden. Een bewerking van dit artikel zal het tweede deel van die inleiding zijn.
[3] Dr. P.H.R. van Houwelingen, “Johannes: het evangelie van het Woord”. – Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, 1997; derde druk 2007. – p. 400.
[4] Johannes 20:21, 22 en 23.
[5] Johannes 20:28 en 29.
[6] 1 Johannes 1:3 en 4.
[7] Johannes 20:30 en 31.
[8] Efeziërs 2:20 en 21.
[9] Dit zijn de slotregels van Psalm 122:1 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek).

24 januari 2017

Versterkende sacramenten

Wat zijn de sacramenten in de kerk prachtig!
De heilige doop is het beginpunt van ieder kind dat uit gelovige ouders geboren wordt: de Here bezegelt Zijn verbond.
In het heilig avondmaal proclameren wij de dood van Jezus Christus. Hij stierf aan het kruis en betaalde zo de schuld voor onze zonden.
Twee sacramenten: twee tekens van Gods onwrikbare trouw!

In Zondag 25 van de Heidelbergse Catechismus belijden wij dan ook:
“Nu alleen het geloof ons aan Christus en aan al zijn weldaden deel geeft, waar komt dit geloof vandaan?
Antwoord:
Van de Heilige Geest, die het geloof in ons hart werkt door de verkondiging van het heilig evangelie en het versterkt door het gebruik van de sacramenten”[1].

De sacramenten versterken ons geloof.

U ziet wel dat ik dat woord ‘versterken’ hierboven cursief heb gezet.
Ons geloof, dat door de Heilige Geest bewerkt wordt, krijgt een extra fundament.

Graag leg ik daar vandaag de nadruk op.

Als er een kindje gedoopt wordt, is de kerkzaal vaak voller dan anders. Er komen familieleden, soms van heinde en ver.
Als het Heilig Avondmaal wordt gevierd zien we dat kerkleden, wat vaker dan anders, in de kerkdienst aanwezig zijn. Mensen doen daar extra hun best voor. Er zijn kerken waar, na een Avondmaalsdienst, ouderlingen bij elkaar gaan zitten om de presentie door te nemen.
Waarom zou dat eigenlijk zo wezen?

Begrijpt u mij goed: die familieleden zijn van harte welkom. Maar dat zijn zij ook als er ‘gewone’ kerkdiensten worden belegd.
Het spreekt vanzelf dat ieder kerklid in een Avondmaalsdienst van harte welkom is, en daar geroepen wordt.
En nee, op zichzelf genomen heb ik niets tegen het doornemen van een presentielijst na een kerkdienst waarin het Heilig Avondmaal gevierd is.

Waar het mij om gaat is, dat in de praktijk van het kerkelijke leven een kerkdienst met sacramentsbediening door veel kerkleden belangrijker lijkt te worden geacht als een ‘gewone’ kerkdienst.
Dat acht ik niet juist.

De Heidelbergse Catechismus geeft als Schriftbewijs woorden uit Mattheüs 28. Namelijk de volgende: “Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen”[2].
De doop is het begin.
In de jaren daarna wordt er onderwijs gegeven. Dat gebeurt in huiselijke kring. Tijdens de lessen in het catechisatielokaal. En hopelijk ook op de scholen. Dat onderwijs genieten wij feitelijk levenslang. Immers, iedere zondag wordt ons het Woord van God verkondigd; twee keer, als het even kan.
Welnu, die gewone ‘onderwijsdiensten’ zijn minstens net zo belangrijk als diensten waarin een sacrament wordt bediend.

Versterking van het geloof: dat is, om zo te zeggen, de verzamelaanduiding voor stimulansen om te volharden in het geloof.
Over zulke versterking lezen we ook wel in Gods Woord.
In Handelingen 14 bijvoorbeeld: “En nadat zij aan die stad het Evangelie verkondigd hadden en veel discipelen gemaakt hadden, keerden zij terug naar Lystra, Ikonium en Antiochië,
en zij versterkten de zielen van de discipelen, spoorden hen aan in het geloof te blijven en zeiden dat wij door veel verdrukkingen in het Koninkrijk van God moeten ingaan”[3].
En in Romeinen 1 bijvoorbeeld. Daar schrijft de apostel Paulus: “Want ik verlang er vurig naar u te zien, om u in enige geestelijke genadegave te laten delen, waardoor u versterkt zou worden,
dat is te zeggen, om in uw midden samen bemoedigd te worden door het onderlinge geloof, zowel dat van u als dat van mij”[4].
En in 2 Petrus 1 bijvoorbeeld: “Daarom, broeders, beijver u des te meer om uw roeping en verkiezing vast te maken; want als u dat doet, zult u nooit meer struikelen.
Want zo zal u in rijke mate de toegang worden verleend tot het eeuwig Koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus.
Daarom zal ik niet nalaten u altijd aan deze dingen te herinneren, hoewel u ze weet en in de waarheid, die bij u is, versterkt bent”[5].
De God van het verbond zorgt op allerlei manieren voor versterking van ons geloof. Zijn zorgzaamheid blijkt door alle tijden heen!

Wat zijn de sacramenten in de kerk prachtig!
Die sacramenten zijn door onze Here Jezus Christus ingesteld, om ons bij de voortduur op Zijn grote genade te wijzen. Juist omdat Hij die sacramenten Zelf instelde, mogen we er veel waarde aan hechten. Ja, misschien moeten we er wel meer waarde aan geven dan aan sommige bemoedigingen die van ‘gewone’ mensen komen.

Maar laten we erediensten waarin Doop en Avondmaal worden bediend vooral niet veel belangrijker gaan vinden als ‘gewone’ kerkdiensten!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 25, vraag en antwoord 65.
[2] Mattheüs 28:19.
[3] Handelingen 14:11.
[4] Romeinen 1:11 en 12.
[5] 2 Petrus 1:10, 11 en 12.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.