gereformeerd leven in nederland

23 maart 2017

Pragmatisch

Met de kerkelijke eenheid wil het nog niet zo vlotten. Zeggen ze. Maar achter de huisdeur en zonder camera’s wordt de werkelijkheid eensklaps anders.
Dat blijkt eens te meer uit een bericht in het Nederlands Dagblad.

“Samen evangeliseren zit er nog niet in, maar achter de schermen helpen rooms-katholieken en protestants-evangelische christenen elkaar op missionair gebied – met bijvoorbeeld Alpha-cursussen en retraitemogelijkheden”.
En:
…”Achter de schermen en via allerlei netwerken ‘is er wel contact en wederzijdse dienstbaarheid’. Zo maakt het Katholiek Alpha Centrum ‘intensief gebruik van de expertise die christenen in andere kerken met de Alpha-cursus en met de Marriage Course hebben opgebouwd, en maken evangelische, protestantse en pinkstergelovigen intensief gebruik van rooms-katholieke retraitehuizen, kloosters en retraites in kloosters”.
En:
“‘In de katholieke eredienst lijken de goede vormgeving en de juiste formulering voorop te staan. In evangelische diensten lijken het persoonlijk geloof en vrije gebed meer voorop te staan. Het Onze Vader en de Psalmen zijn voorbeelden van gebedsteksten die alle christenen delen’, aldus het rapport. Voor evangelischen en pinkstergelovigen is het een uitdaging ‘om in het gemeentelijk gebed ruimte te maken voor gebeden uit de schat van de kerk’, voor katholieken is het een uitdaging ‘om ook in vrije gebeden de lofprijzing, het geloof en de noden van mensen op een persoonlijke manier voor de troon van God te brengen’. Samen hebben rooms-katholieken en evangelischen als zorg dat christenen niet meer de woorden vinden om te bidden. ‘Waar het gebed stokt, wordt de persoonlijke relatie tot God aangetast”[1].

Kerken helpen elkaar voort. Dat klinkt mooi. Maar in de Nederlandse Geloofsbelijdenis lees ik over “sekten die zich ten onrechte kerk noemen”. Er zijn “sekten, die beweren dat zij de kerk zijn”[2].
Op dit punt moeten wij scherp zijn: er is maar één kerk.
Zeker, ook buiten de kerk kunnen zich kinderen van God bevinden. Maar de roeping van Gods kinderen is duidelijk: zij moeten naar de kerk komen.

Er wordt gebruik gemaakt van elkaars expertise. Van elkaars kennis en kundigheid, betekent dat.
Als ik het bericht goed begrijp, is er – om het zo uit te drukken – met name sprake van een 3 G-systeem. Daarmee bedoel ik: informele uitwisseling van elkaars gewoonten, elkaars gebouwen, elkaars gebeden.

Het geloof is echter niet inwisselbaar.
In de Heidelbergse Catechismus wordt gevraagd: “Krijgen dan alle mensen door Christus het heil terug, zoals zij in Adam veroordeeld zijn?”. Het antwoord luidt: “Nee, maar alleen zij die door waar geloof bij Hem worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen”[3].
De Heidelbergse Catechismus leert ons verder: “Volgens het bevel van Christus wordt aan de gelovigen, allen samen en ieder persoonlijk, verkondigd en in het openbaar verklaard, dat al hun zonden hun door God om de verdienste van Christus werkelijk vergeven zijn, zo vaak zij de belofte van het evangelie met waar geloof aannemen”[4].
De kerk “is een heilige vergadering van de ware gelovigen, die al hun heil verwachten van Jezus Christus, gewassen zijn door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest”, zegt de Nederlandse Geloofsbelijdenis[5].
Wij moeten allen persoonlijk voor God verschijnen, zegt diezelfde geloofsbelijdenis[6].
Dat geloof is dus heel fundamenteel.
Dat geloof is bovendien principieel en allesomvattend.

Als we de berichtgeving in het Nederlands Dagblad analyseren, kunnen we echter niet anders concluderen dan dat het kerkelijk samenwerkingsbeleid veelal pragmatisch van aard is. Men kijkt naar de situatie. Men zet de mogelijkheden op een rijtje. Men kijkt kritisch naar mensen en materieel.
Maar naar het ware geloof kijkt men amper.
Men heeft het prettig met elkaar. De samenwerking ziet er best goed uit. Alle participanten zijn gelovig. En dat is dat.
Voelt u hoe on-Schriftuurlijk dat alles feitelijk is? In de kerk gaat het namelijk niet om nut. Of om bruikbaarheid. Om weer met de Nederlandse Geloofsbelijdenis te spreken: “Want één van beide: òf in Jezus Christus is niet alles wat voor ons heil nodig is, òf dit alles is wel in Hem en dan heeft hij die Jezus Christus door het geloof bezit, al zijn heil. Zou men dus beweren dat Christus niet genoeg is, maar dat er naast Hem nog iets anders nodig is, dan is dat een gruwelijke godslastering. Daaruit zou immers volgen dat Christus maar een halve Heiland is”[7]. Het gaat, met andere woorden, niet om herhaling van Christus’ offer. En ook niet om een goed religieus gevoel. Heus niet.

Moeten wij, zo vraagt de lezer die niet van gisteren is, in de kerk niet samenbindend werken?
Wij behoren toch te kijken naar wat ons bindt, en niet naar verschillen?
Laat ik een wedervraag formuleren: zou het toevallig zijn dat, als Gods Woord over gemeenteopbouw spreekt, er meteen ook van gebondenheid sprake is? Persoonlijk denk ik van niet, eigenlijk.
In de kerk zijn we, in de eerste plaats, onlosmakelijk verbonden aan Jezus Christus!
Leest u vooral ook even mee in Mattheüs 16, waar Jezus tegen Zijn discipelen – het fundament van de kerk – zegt: “…op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen.
En Ik zal u de sleutels van het Koninkrijk der hemelen geven; en wat u bindt op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en wat u ontbindt op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn”[8]. In de kerk hebben de ambtsdragers volmacht om vrij te spreken of schuldig te verklaren!
Jazeker, de kerk zal samenbindend werken. Want daar zullen de ware gelovigen bijeen gebracht worden!

Tenslotte: een speciale dialoogcommissie adviseert rooms-katholieken, evangelischen en pinksterchristenen elkaar te blijven ontmoeten.
Dat klinkt vroom.
Maar het zal nu wel duidelijk wezen: met allerlei pragmatisch gedoe komen we er niet, in de kerk!

Noten:
[1] “Katholiek en evangelisch helpen elkaar missionair”. In: Nederlands Dagblad, dinsdag 7 maart 2017, p. 3.
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 29.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 7, vraag en antwoord 20.
[4] Heidelbergse Catechismus – Zondag 31, antwoord 84.
[5] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 27.
[6] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 37.
[7] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 22.
[8] Mattheüs 16:18 en 19.

22 maart 2017

Onze reformatie volgens Exodus 2

Laatst schreef iemand: “Als ik nu moest kiezen zou mijn keuze CGK zijn. Eigenlijk heb ik geen hoop meer op eenwording DGK-GKN”[1].

Het is duidelijk dat deze woorden zijn geschreven door iemand die, als het over kerkelijke eenheid en kerkkeuze gaat, in ernstige gewetensnood is.
Waar gaat het toch heen met de kerk? En welke kant moet ik op? Is er, kerkelijk gezien, nog wel ergens rust te vinden?

Hoe moet men op dergelijke nood reageren?
In zo’n situatie lijkt allerlei gepraat over de gebrokenheid en treurnis op het kerkplein al gauw op het leveren van clichématige oplossingen.
Beter is het om Gods Woord open te doen.

Dat doe ik bij Exodus 2[2].

In dat Schriftgedeelte zien we een paar wonderen gebeuren.

Ik citeer:
“Toen daalde de dochter van de farao af om zich te wassen in de Nijl. Terwijl haar dienaressen langs de kant van de Nijl liepen, zag zij het mandje midden in het riet. Zij stuurde haar slavin om het te halen.
Toen zij het opendeed, zag zij hem, het kind. En zie, het jongetje huilde. Zij kreeg medelijden met hem en zei: Dit is een van de Hebreeuwse kinderen.
Toen zei zijn zuster tegen de dochter van de farao: Zal ik voor u een voedster uit de Hebreeuwse vrouwen gaan roepen, die dat kindje voor u de borst kan geven?
De dochter van de farao zei tegen haar: Ga maar. Toen ging het meisje de moeder van het kind roepen.
En de dochter van de farao zei tegen haar: Neem dit kind mee en geef het voor mij de borst. Ikzelf zal u uw loon geven. De vrouw nam het jongetje mee en gaf het de borst.
En toen het jongetje groot geworden was, bracht zij hem bij de dochter van de farao, en hij werd haar tot zoon. Zij gaf hem de naam Mozes. Want, zei ze, ik heb hem uit het water getrokken”[3].

Nog een citaat:
“In die dagen, toen Mozes groot geworden was en naar zijn broeders vertrok en hun dwangarbeid aanzag, gebeurde het dat hij een Egyptische man zag, die een Hebreeuwse man sloeg, een van zijn broeders.
Hij keek om zich heen, en toen hij zag dat er niemand was, sloeg hij de Egyptenaar dood en verborg hij hem in het zand.
En hij vertrok de volgende dag, en zie, twee Hebreeuwse mannen waren aan het vechten. Hij zei tegen de schuldige: Waarom slaat u uw naaste?
Maar die zei: Wie heeft u tot leider en rechter over ons aangesteld? Zegt u dit om mij te doden, zoals u die Egyptenaar gedood hebt? Toen werd Mozes bevreesd, en hij zei: Deze zaak is beslist bekend geworden.
Toen nu de farao van deze zaak hoorde, wilde hij Mozes doden, maar Mozes vluchtte voor de farao en vestigde zich in het land Midian…”.
En:
“Het gebeurde vele dagen daarna, toen de koning van Egypte gestorven was, dat de Israëlieten zuchtten en het uitschreeuwden vanwege de slavenarbeid. En hun hulpgeroep vanwege de slavenarbeid steeg omhoog tot God.
Toen hoorde God hun gekerm, en God dacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak en met Jakob.
En God zag naar de Israëlieten om en ontfermde Zich over hen”[4].

Voor dat ‘ontfermen’ staat er in het Hebreeuws een woord dat letterlijk ‘kennen’ of ‘acht slaan op’ betekent[5]. De Here weet als geen ander hoe het er met Zijn volk voor staat. Hij kent Zijn volk van haver tot gort. Hij let op hen. En Hij brengt een keer in hun lot!

Mozes wordt geen krokodillenvoer.
Hij wordt in een mandje gelegd. Een exegeet schrijft: “We moeten hierbij denken aan een kistje waarin destijds afgodsbeeldjes werden vervoerd per schip over de Nijl”[6].

Mozes houdt zich niet stil. Hij huilt luidkeels. Zo komt het dat hij door Farao’s dochter gevonden wordt.
Mozes wordt uiteindelijk door zijn eigen moeder opgevoed!

Mozes besluit zich, als hij veertig jaar geworden geworden is, bij zijn eigen volk te voegen.
Die leeftijd wordt ons meegedeeld in Handelingen 7: “Toen hij nu de leeftijd van veertig jaar bereikt had, kwam het in zijn hart op zijn broeders, de Israëlieten, te bezoeken”[7].
Dat is een ernstige breuk in zijn bestaan. In feite gooit Mozes een groot stuk van zijn opleiding aan het Egyptische hof weg.

In Hebreeën 11 leren we hoe wij tegen deze bijzondere levensloop van Mozes aan moeten kijken.
Wij lezen: “Door het geloof heeft Mozes, toen hij groot geworden was, geweigerd een zoon van de dochter van de farao genoemd te worden.
Hij koos ervoor liever met het volk van God slecht behandeld te worden dan voor een ogenblik het genot van de zonde te hebben.
Hij beschouwde de smaad van Christus als grotere rijkdom dan de schatten in Egypte, want hij had het loon voor ogen.
Door het geloof heeft hij Egypte verlaten zonder bevreesd te zijn voor de toorn van de koning. Want hij bleef standvastig, als zag hij de Onzichtbare”[8].

Wellicht vraagt iemand: wat heeft dat hele verhaal rond Exodus 2 te maken met de gewetensnood die die broeder zo onontkoombaar toonde?
Laat ik daarover hieronder iets schrijven.

Wij leren hier dat de God van het verbond de geschiedenis in de hand heeft. Menselijk bezien zijn de keuzes van, bijvoorbeeld, farao’s dochter en Mozes zelf slechts zeer moeizaam verklaarbaar.

Wij leren hier dat God een plan uitvoert waarin hij een volk vergadert. Hij vergadert Zijn kerk. Dat doet Hij op een manier die voor ons, mensen van de eenentwintigste eeuw, soms volstrekt onlogisch is. Wij zouden wellicht efficiënt en gestroomlijnd werken. Gewoon rechttoe rechtaan, zonder omwegen. Maar zo werkt de God van het verbond niet. Tenminste: in onze ogen niet.

Wij leren hier dat Mozes, door God gestuurd, ook zelf verantwoordelijkheid neemt. Hij maakt in geloof een duidelijke keuze. Die keuze doet vast en zeker vaak pijn. Maar Mozes is consequent. Niet omdat hijzelf een supergodsdienstig mens is. Maar omdat God in Zijn hart werkt.

Wij leren hier dat God ook in onze harten werkt. Onze Here is immers onveranderlijk?
Dat zullen we ook vandaag moeten bedenken.

Mozes is iemand die krachtig en energiek is. Hij durft de dingen bij de naam te noemen. Zelfs voor het doden van een Egyptenaar deinst hij niet terug.
Wij leren hier dat wij zondige dingen bij de naam moeten noemen. En vervolgens moeten wij doen wat de Here van ons vraagt.
Nu het hierom gaat, wil ik de gang van zaken in het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerken even in de schijnwerpers zetten. Binnen dat kerkverband worden vaak krachtige besluiten genomen. En daar mogen wij blij mee zijn. Maar vergis ik mij als ik hier noteer dat in de praktijk binnen de CGK diepgaande verschillen vaak verdoezeld worden? Als ik Gods Woord in Exodus 2 lees, concludeer ik dat dat anders moet.
Zo’n kerkelijke cultuurverandering doet heel zeer. Maar dat is niet zelden heilzaam.

De God van het verbond gaat met iedere burger van Zijn volk zijn eigen weg. Dat betekent dat Gods kinderen heel veel geduld moeten hebben.
Mozes sloeg een Egyptenaar dood. En men zou kunnen denken: dit is een begin van revolutionaire actie. Maar niets is minder waar. Mozes moet vluchten. Jaren – ja, zelfs decennia! – moet hij geduld hebben. In Exodus 7 staat zelfs: “Mozes was tachtig jaar oud en Aäron drieëntachtig jaar oud toen zij tot de farao spraken”[9].

Die zin uit het begin van dit artikel hamert in mijn hoofd: “Eigenlijk heb ik geen hoop meer op eenwording DGK-GKN”.
Wij leren in Exodus 2 dat we geduld moeten hebben. Nee, misschien beleeft die broeder die deze woorden schreef die eenwording niet meer op aarde. Misschien beleef ik het hier ook niet meer. Dat zullen we wel zien.
Twee dingen zijn daarbij zeker:
* de Verbondsgod werkt door
* als de Here ons naar de kerk roept, dan moeten we gaan. Zo eenvoudig is dat.

Noten:
[1] Zie: http://eeninwaarheid.info/index.php?rub=12&item=1401 ; geraadpleegd op maandag 6 maart 2017.
[2] Voor dit Schriftgedeelte kies ik ook omdat dat hoofdstuk centraal staat tijdens een vergadering van de mannenvereniging Augustinus van De Gereformeerde Kerk Groningen. Die vergadering vindt vanavond, woensdagavond 22 maart 2017, plaats. Dit artikel is een deel van mijn voorbereiding op die bijeenkomst.
[3] Exodus 2:5-10.
[4] Exodus 2:11-15 a en 2:23, 24 en 25.
[5] Zie hiervoor bijvoorbeeld de webversie van de Studiebijbel bij Exodus 2:25.
[6] Ds. B. van Zuijlekom, “God komt tot Zijn volk; schetsen over het boek Exodus”. – Bond van Mannenverenigingen op Geref. Grondslag, 1986. – p. 15.
[7] Handelingen 7:23.
[8] Hebreeën 11:24-27.
[9] Exodus 7:7.

21 maart 2017

Ga niet alleen door ’t leven

Goede werken: dat zijn activiteiten die passen in het kader van Gods wet.
Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus spreekt daarover: goede werken zijn werken die “alleen die uit waar geloof, naar de wet van God (..) gedaan worden”[1].

Als wordt gesproken over Gods wet, wordt onder meer verwezen naar Leviticus 18: “Mijn bepalingen moet u houden en Mijn verordeningen moet u in acht nemen door daarnaar te wandelen. Ik ben de HEERE, uw God”[2].

In Leviticus 18 wordt gesproken over heiliging. Gods volk is apart gezet om Hem te dienen.
Het is belangrijk om dat goed in beeld te hebben.
Goede werken zijn geen dingen die wij doen omdat ze goed aanvoelen.
Goede werken zijn niet per se goed omdat degene waarvoor wij werken er zoveel beter van wordt.
Goede werken doen we, als het goed (!) is, omdat we door God zijn afgezonderd van de wereld en Hem met ons werk dienen.

In de praktijk betekent dat dat we de gewoontes van de wereld niet klakkeloos overnemen.
We doen andere dingen.
We delen onze tijd anders in.
We stellen andere prioriteiten.
In Leviticus 18 is de boodschap: ga niet net zo doen als Egypte en Kanaän. Leef niet zonder God.
“Ga niet alleen door ’t leven,
Die last is u te zwaar.
Laat Eén u sterkte geven,
Ga tot uw Middelaar!”[3].

Het is wel bekend dat Mozes in Egypte opgevoed en onderwezen is.
Stefanus heeft het er in Handelingen 7 over: “En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid van de Egyptenaren en was machtig in woorden en in daden”[4].
Egypte had heel wat wijsheid in huis. Daar gebeurden grote dingen. De redeneringen waren groots. Dat was nog eens wat! Daar kon je mee verder!…
Tenminste, zo leek het.
Maar uiteindelijk ga je, zo leert Gods Woord ons, met al dat inzicht toch roemloos ten onder.

Als wij goede werken doen, maken we gebruik van een ander soort macht!
Dat is de macht die de apostel Paulus aanduidt in 1 Corinthiërs 2: “…ik had mij voorgenomen niets anders onder u te weten dan Jezus Christus, en Die gekruisigd.
En ik was bij u in zwakheid, met vrees en veel beven.
En mijn spreken en mijn prediking bestonden niet in overtuigende woorden van menselijke wijsheid, maar in het betonen van geest en kracht,
opdat uw geloof niet zou bestaan in wijsheid van mensen, maar in kracht van God”[5].

Paulus schrijft over “geest en kracht”.
Dat betekent: de Heilige Geest vernieuwt onze levens.
Dat betekent: een Goddelijke wijsheid die uiteindelijk tot onze heerlijkheid leidt!

Uit die wijsheid komen onze goede werken voort.
Die wijsheid is ons uitgangspunt bij het maken van onze keuzes.

De wijsheid waarmee God ons siert, geeft ons de mogelijkheid om naar Zijn wet te leven. God zorgt ervoor dat Hij aan Zijn eer komt. Niet vanwege Zijn egocentrisme, maar omdat Hij in deze wereld kalmerend en regulerend bezig is.
De regel “Mijn bepalingen moet u houden en Mijn verordeningen moet u in acht nemen” heeft daarom niets te maken met doctrine of dictatuur, maar alles wel met Goddelijke genade.

De schrijver van een hoofdredactioneel commentaar in het Reformatorisch Dagblad noteerde onlangs: “Eeuwenlang zette het joods-christelijk denken een stempel op cultuur en maatschappij. Dat gold niet alleen voor de mensen die naar de synagoge of de kerk gingen, maar ook voor degenen die de kerkdeuren alleen van de buitenkant kenden. Op de bodem van dat historisch erfgoed waren normen en waarden ontwikkeld die door nagenoeg iedereen werden gedragen. Die gedachtewereld zorgde voor cohesie in de samenleving en droeg er in belangrijke mate aan bij dat mensen oog en zorg voor elkaar hadden.
Na de Tweede Wereldoorlog sloeg de secularisatie toe. En ze is nog niet ten einde, blijkens het CBS-onderzoek van deze week dat aantoonde dat steeds minder jongeren naar de kerk gaan.
Die leegloop van de kerken werd vooral door liberalen en libertijnen toegejuicht. Zij waren er warm voorstander van dat mensen zelf hun keuzes maakten, en niet de voorgeschreven lijn van kerk of synagoge volgden. Wie mensen stimuleert om vooral eigen keuzes te maken, moet er niet gek van opkijken dat ze hun eigen levensbeschouwelijke visie ontwikkelen – niet gehinderd door tradities en dogma’s. Dat bevordert het eigenzinnig –lees: egoïstisch – gedrag. Inderdaad, het ‘grote dikke ik’, waar Rutte zozeer tegen waarschuwt”[6].
Daar komen we terecht als ongeloof het trefwoord van de samenleving is!

Het twitteraccount Katholieken Vandaag – @katholiekenvand – twitterde op Aswoensdag, 1 maart jongstleden: “Jezus roept ons op tot gebed, vasten en doen van goede werken. Ongezien en ongeweten; God zal het ons vergelden”.
Dat is een mooie oproep.
Maar wie dat proclameert, moet er in één adem bij zeggen dat het met die goede werken niks wordt als God Zijn genade niet toont.

Als het gaat om leven naar Gods wet, wordt Zijn naam ook in één adem genoemd.
Om dat te bewijzen citeer ik tenslotte nog één keer die tekst uit Leviticus 18: “Mijn bepalingen moet u houden en Mijn verordeningen moet u in acht nemen door daarnaar te wandelen. Ik ben de HEERE, uw God”.

Wie zo leeft, neemt als vanzelf Psalm 19 in de mond.
“Het woord van uw vermaan
neem ik gehoorzaam aan;
het is mijn richtsnoer, Heer.
Elk die op u vertrouwt,
zich aan uw wetten houdt,
zal leven tot uw eer”[7]!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 33, antwoord 91.
[2] Leviticus 18:4.
[3] In de Evangelische Liedbundel is dit lied 223. In de zangbundel van Johannes de Heer vinden we dit lied terug als nummer 53.
[4] Handelingen 7:22.
[5] 1 Corinthiërs 2:2-5.
[6] “Klagen” – hoofdredactioneel commentaar. In: Reformatorisch Dagblad, zaterdag 25 februari 2017, p. 3.
[7] Dit is het eerste deel van Psalm 19:5 (Gereformeerd Kerkboek).

20 maart 2017

Harde maatschappij is van alle tijden

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

Ware christenen lijken soms wel vechtersbazen[1].
Paulus schreef het in Romeinen 7 al: “…als ik het goede wil doen, is het kwade dicht bij mij.
Want naar de innerlijke mens verheug ik mij in de wet van God.
Maar in mijn leden zie ik een andere wet, die tegen de wet van mijn verstand strijd voert en mij tot gevangene maakt van de wet van de zonde, die in mijn leden is”[2].
De dingen die we doen zijn vaak niet in overeenstemming met de wet van God, die in onze harten geschreven is.

Ten diepste is dat soms de reden dat sommige Godvrezende mensen tegen een nieuwe dag opzien.
Zij willen het goede doen. Want zij hebben de Bijbel gelezen. Op zondag zijn zij naar de kerk getogen. Zij hebben gehoord hoe het leven er uit hoort te zien.
Maar ze realiseren zich ook: het gaat altijd weer mis. Steeds weer gaat het fout. Helemaal fout. Ze constateren bij zichzelf, om maar eens wat te noemen, een groot gebrek aan liefde. Vijandschap soms zelfs.
Zij zien wereldse activiteiten van christenen om zich heen. Bij tijd en wijle worden zij daar, zacht gezegd, niet blijer van. Zijn dat nu mensen die bij God horen? Is dat nu echte Godsdienst?

Het is belangrijk om te zien dat zulke gedachten bij een Gereformeerd mens niet zelden van gezonde Godsdienstigheid getuigen. Uiteindelijk blijken dit vaak heel heilzame gedachten te zijn.
Want die tekortkomingen doen ons beseffen hoezeer wij Gods genade nodig hebben. Om weer met Paulus te spreken: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?
Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere”[3].

Gelovigen zijn niet alleen vechters, maar vooral doorgewinterde dankzeggers!

Die dankzeggers hebben een plaats in een harde maatschappij.
Nu weet u wel dat er tegenwoordig veelvuldig wordt geklaagd over de harde en verhardende samenleving. Maar wie de recente geschiedenis een beetje kent, zal dat soort klaagzangen enigszins relativeren.

Om dat te illustreren ga ik eerst even terug naar het jaar 1978.
Eind april staat in het Reformatorisch Dagblad te lezen: “Op 9 april jl. was het 75 jaar geleden dat de Vereniging tot Stichting en Instandhouding van Scholen met de Bijbel te Lunteren werd opgericht. In verband met dit feit werd woensdagavond in de Oude Kerk een dankdienst gehouden”.
De christelijk-gereformeerde professor W.H.Velema voerde het woord. Ik citeer weer: “Het evangelie moet worden bewaard en uitgedragen. We moeten de tijd verstaan, maar de bijbelse boodschap niet aanpassen aan de geest van de tijd, want dan gaat de diepte eruit. En bij dit alles dienen wij te bedenken dat wij in onze koude en harde samenleving het onderwijs met warmte aan de kinderen moeten geven. Samenvattend kunnen we zeggen dat gebed, geloof, trouw, toewijding en inzetting nodig zijn voor het christelijk onderwijs, aldus prof. Velema”[4].
Onze koude en harde samenleving… toe maar!

In 1998 zegt minister-president Balkenende: “Ik denk dat de VVD tegen de grenzen van de eigen filosofie oploopt. Men is voor de markt, het individu en de zelfredzaamheid, maar dat leidt tot een kille, harde samenleving met uitvallers. Anderzijds vindt men het moeilijk om te komen tot een moreel perspectief”[5].
Een Nederlandse regeringsleider spreekt twintig jaar geleden al over een een kille maatschappij. ’t Is maar dat u het weet.

In 2004 meldt het Reformatorisch Dagblad: “Een groot deel van de Nederlandse burgers vreest dat zij over circa vijftien jaar in een hardere, meer prestatiegerichte maatschappij leven, met minder sociale zekerheid en meer ongelijkheid tussen mensen als het gaat om toegang tot de gezondheidszorg. Men is ook bang voor meer criminaliteit en meer etnische spanningen”[6][7]. Die vrees is uitgekomen. En wat is er aan gedaan om die uitkomst te voorkomen? Antwoord: niet al te veel. We hebben ons druk gemaakt over het bestrijden van de economische crisis. Geld en getallen maken al jaren de dienst uit.

Als het een beetje wil verwijzen de verstokte jeremieerders naar de jaren ’50 van de vorige eeuw. Toen was er een geweldige saamhorigheid. Iedereen hielp elkaar. Er werd hard gewerkt. Er werden successen geboekt. Was het niet geweldig?
Gemakshalve vergeten de klagers dat men in die jaren, na de Tweede Wereldoorlog in 1940-1945, druk bezig was met de wederopbouw van Nederland. Men zou kunnen zeggen dat voor die saamhorigheid een oorlog nodig is geweest!

Het moet, kortom, gezegd: de verharding in de samenleving is er reeds sedert de wereld bestaat. Alleen valt die meedogenloosheid in de ene periode van de geschiedenis wat meer op als in de andere.
Bovendien maakt het nogal wat uit wat de blikrichting der burgers is. Wat zien zij? Hoe interpreteren zij de vele gebeurtenissen op deze aarde? Wat is hun oordeel? Wat is hun levensovertuiging?
En als zij naar zichzelf kijken, wat zien zij dan? Zien zij de ellende van Romeinen 7? Begrijpen zij dat de verharding van de samenleving ten diepste wordt veroorzaakt door het feit dat zondige mensen van nature haatdragend zijn? Doorzien zij dat mensen, van zichzelf, fonteinen zijn van haat tegen God en hun naasten?

Kinderen van God zijn doorgewinterde dankzeggers.
Zij zijn trouwe Bijbellezers, bovendien.
Dus bladeren zij graag door naar Romeinen 8. U weet wel: “Want ik ben ervan overtuigd dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden”[8].
En:
“Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard?
(Zoals geschreven staat: Want omwille van U worden wij de hele dag gedood, wij worden beschouwd als slachtschapen).
Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad.
Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen,
noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heere”[9].

Menselijke verharding staat tegenover liefde van God. Uitverkorenen Gods kennen Zijn keuze. En daar hebben zij genoeg aan.

Noten:
[1] Het eerste deel van dit artikel is, mutatis mutandis,  afkomstig uit een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op dinsdag 11 maart 2008.
[2] Romeinen 7:21-23.
[3] Romeinen 7:24 en 25.
[4] “Naast dankbaarheid ook bezinning nodig”. In: Reformatorisch Dagblad, donderdag 27 april 1978, p. 2.
[5] “VVD botst met eigen filosofie”. In: Reformatorisch Dagblad, zaterdag 7 februari 1998, p. 15.
[6] “Burger vreest harde samenleving”. In: Reformatorisch Dagblad, maandag 25 oktober 2004, p. 1.
[7] De citaten uit het Reformatorisch Dagblad zijn ook te vinden via www.digibron.nl  .
[8] Romeinen 8:18.
[9] Romeinen 8:35-39.

17 maart 2017

Politiek panorama

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , ,

En? Bent u blij dat de Partij voor de Vrijheid bij de Tweede Kamerverkiezingen-2017 niet de grootste geworden is?
Het populisme is niet doorgebroken, zeggen de mensen opgelucht. Veel stemmers hebben, met andere woorden, begrepen dat maatschappelijke problemen niet altijd snel en eenvoudig kunnen worden opgelost[1].
Regeringsleiders in Europa herademen en gaan weer over tot de orde van de dag.
Gereformeerde mensen in Nederland mogen, dunkt mij, ook best een beetje blij wezen.

Op het televisiescherm zagen wij de rijen kiezers die op hun beurt stonden te wachten. Dat dat allemaal in Nederland mogelijk is mag een zegen heten. Een zegen van God! Alle burgers van Nederland krijgen de gelegenheid om hun politieke keuze kenbaar te maken. En er is niemand die zegt dat u iets verkeerds doet.
Laten wij maar eerlijk wezen: in heel veel landen is dat anders. Er zijn sommige regeringsleiders die allerlei karikaturen en leugens de wereld in helpen. De huidige Turkse president Erdogan bijvoorbeeld.
Dat de kerk in Nederland nog zoveel ruimte krijgt is een wonder van God. Laten wij dat maar zonder omwegen vaststellen. En laten wij de Here maar bidden dat die bewegingsvrijheid er blijven zal.

De VVD wordt de grootste partij met drieëndertig zetels, zij het dat ze een achttal zetels in moet leveren.
De PVV krijgt er vijf zetels bij, en komt uit op twintig.
De PvdA krijgt een genadeklap. Van de achtendertig zetels blijven er slechts negen over.
De Volkskrant schrijft: “..de duikeling in de volksgunst dateert al van het begin van de kabinetsperiode en kan Asscher niet speciaal worden aangerekend. Na Samsoms linkse campagne tegen ‘rechts rotbeleid’ in 2012, bekeerde de partij zich onder dezelfde Samsom subiet tot de vrije markt en de begrotingsdiscipline. Die U-bocht heeft de kiezer de PvdA nooit vergeven. Wat resteerde voor de progressieve herkenbaarheid waren schaduwgevechten met de VVD over kinderpardon en bed-bad-brood. Dat was leuk voor GroenLinks, en daar zijn de linkse kiezers dan ook uitgekomen”[2].

D66 krijgt, zoals het er nu uitziet, negentien zetels.
Dat is, wat mij betreft, zorgelijk.
We kennen D66 als de partij achter de uitbreiding van de koopzondagen. Indertijd zei D66-er Verhoeven: “De kern van ons voorstel is simpelheid. Die simpelheid haal je weg door weer allerlei belangen zoals zondagsrust, winkelpersoneel en kleine winkeliers erbij te gaan halen”[3]. Houdt het simpel, streep de zondagsrust weg als dat zo uitkomt; dat is het motto.
We kennen D66 als de partij die er naar streeft om 75-plussers de mogelijkheid te bieden uit het leven te stappen. Voordat wij ’t weten komen ouderen onder druk komen te staan om een eind te laten maken aan hun leven. De maatschappij moet ontlast worden, nietwaar?
De voorgaande dingen illustreren reeds voor een deel waarom ik over de winst van D66 enige zorg heb.
Daarbij komt dat D66 een heel beschaafde partij lijkt. Mensen als de heer Pechtold en de dames Dijkstra en Bergkamp zien er in de regel keurig uit. D66-ers zijn aardige mensen, heus waar. Maar juist vanwege de discrepantie tussen die nette uitstraling en de politieke maatregelen acht ik D66 een vermetele partij. Onaangenamer dan de PVV, eigenlijk. Want de PVV is helder. Je weet wat je eraan hebt. Gereformeerde mensen weten dat zij niet bij de PVV moeten wezen. Daarentegen is D66 netjes doch dubieus.
Als D66 mee gaat regeren is het voor christenen zaak om te waken!

VVD en D66 hebben gemeen dat zij allebei een zekere vrijheid voor ogen hebben. Die visie weerspiegelt de levenshouding van heel wat Nederlanders: u moet uw eigen leven vorm geven, en voor uzelf opkomen; marktwerking is een groot goed. Dat daarbij de zwaksten in het gedrang komen lijkt soms niet meer dan een vervelend bij-effect.
Gelet op deze stand van zaken is er voor de kerk in de komende jaren veel werk aan de winkel. Er moet, misschien nog wel zorgvuldiger als voorheen, gelet worden op de armen, op de zieken en op mensen met een beperking. De hulpbehoevenden en kwetsbaren zullen hulp nodig hebben. Het is onder meer aan de kerk om hen die te geven.

Intussen is de politieke versplintering pijnlijk zichtbaar.
De commentator van het Nederlands Dagblad schreef: “Nederland is gefragmenteerder dan ooit. We krijgen een veelkleurig kabinet, en de oppositie in de Kamer is een nog bonter dweilorkest. Dat belooft politiek boeiende jaren, met debatten die niet meer door één provocateur worden verlamd. Het intimiderende ‘Wilders-wordt-de-grootste’ effect is weggeëbd; de rest hoeft niet meer stoer te doen om hem te overtroeven”[4].
Wat mij betreft klinkt dat te technisch. Zeker, het is allemaal waar. Maar het moet kerkmensen er niet zozeer om gaan dat politiek boeiend blijft, maar dat de Here God wordt gediend.
Niet voor niets belijden wij in de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Wij geloven dat onze goede God om de verdorvenheid van het menselijk geslacht geboden heeft, dat er koningen, vorsten en overheden zullen zijn. Hij wil namelijk dat de wereld geregeerd wordt door wetten en staatsregelingen, zodat de ongebondenheid van de mensen bedwongen wordt en alles in goede orde onder hen toegaat”[5]. Daarbij wordt dan verwezen naar dat bekende woord uit Richteren 21: “In die dagen was er geen koning in Israël: eenieder deed wat juist was in zijn ogen”[6].

Terecht schrijft het Reformatorisch Dagblad: “Nederland is vanmorgen wakker geworden in een rechts land”, schrijft Trouw donderdag. Best, maar dat is niet waar het een christen om te doen is”[7].

Alles zou in ons land in goede orde moeten toegaan, zo lezen wij hierboven.
Op dat terrein is er nog veel te doen.
De onderlinge sfeer tussen burgers is niet zelden gespannen. Bitter. Grimmig en kortaf. Barbaars en ietwat boosaardig. Met de tolerantie valt het in dit land momenteel vaak tegen. En wat kan daaraan worden gedaan?
Misschien voelen wij ons in het momentele politieke landschap wat verloren en machteloos. Laten wij dan 2 Petrus 2 lezen. Want dan is er troost. Leest u maar mee: “…als God de rechtvaardige Lot, die leed onder de losbandige levenswandel van normloze mensen, verlost heeft
(want deze rechtvaardige, die in hun midden woonde, heeft dag in dag uit zijn rechtvaardige ziel gekweld bij het zien en horen van hun wetteloze daden) –
dan weet de Heere ook nu de godvruchtigen uit de verzoeking te verlossen, maar de onrechtvaardigen te bewaren tot de dag van het oordeel, om gestraft te worden.
In het bijzonder echter hen die in onreine begeerte het vlees achternalopen en het gezag verachten; die roekeloos zijn, eigenzinnig en er niet voor terugschrikken om al wat eer toekomt, te lasteren”[8].

De God van het verbond, onze God, heeft de macht. Ook op vrijdag 17 maart 2017. En ver daarna. Ja, tot in eeuwigheid!

Noten:
[1] Zie de omschrijving op http://www.encyclo.nl/begrip/populisme ; geraadpleegd op donderdag 16 maart 2017.
[2] Zie http://www.volkskrant.nl/4474847 ; geraadpleegd op donderdag 16 maart 2017.
[3] “Geen normen opleggen rond koopzondag”. In: Reformatorisch Dagblad, dinsdag 23 oktober 2012, p. 1.
[4] “Rutte III”. Commentaar van Sjirk Kuijper in: Nederlands Dagblad, donderdag 16 maart 2017, p. 3.
[5] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 36.
[6] Richteren 21:25.
[7] Geciteerd van http://www.rd.nl/opinie/verkiezingen-hoogtij-in-den-haag-én-op-de-redactie-1.1383911 ; geraadpleegd op donderdag 16 maart 2017.
[8] 2 Petrus 2:7-10.

16 maart 2017

Treurige boodschap

Onlangs verscheen het nieuwe handboek van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt). Daarin schrijft dominee J.H. Kuiper dat het van belang is om “bij het uiteenzetten van de Bijbelse waarden een goed verhaal te houden en daarin ook blijk te geven van wat in de hulpverlening en de praktische theologie de hermeneutische competentie heet. Dat vraagt enerzijds om gekwalificeerde mensen die zo’n klus kunnen klaren, schrijft de emeritus predikant. Tegelijkertijd doemt aan de andere kant een probleem op: wat te doen als een plaatselijke gemeente er niet van te overtuigen is dat ze, Bijbels gezien, op het verkeerde spoor zit? ‘Hoe ver gaat de diversiteit?’ is dan de vraag die overblijft, aldus ds. Kuiper”
Ik citeer via het Reformatorisch Dagblad[1].

Als u het mij vraagt staat in het bovenstaande ten diepste een tamelijk treurige boodschap.

Een goed verhaal houden?
De kerk moet het Evangelie verkondigen. Dat is een scherp Evangelie. Dat is een Evangelie dat mensen tegenover elkaar zet, in twee kampen. Laat ik in dit verband wijzen op Psalm 75:
“Want niet uit het oosten of uit het westen
of uit de woestijn komt het verhogen,
maar God is Rechter:
Hij vernedert de een en verhoogt de ander.
Want in de hand van de HEERE is een beker.
Daarin schuimt de wijn, overvloedig gekruid.
Hij schenkt eruit; zelfs zijn droesem
moeten alle goddelozen van de aarde tot op de bodem opdrinken.
Maar ik zal het voor eeuwig verkondigen,
ik zal voor de God van Jakob psalmen zingen.
Ik zal alle horens van de goddelozen afhakken,
de horens van de rechtvaardige worden omhooggeheven”[2].
Laten wij – kortom – de ernst van het Evangelie niet wegpoetsen!

Dominee Kuiper heeft het over de hermeneutische competentie. Dat is een deftige term. Die betekent: “Het vermogen om enerzijds de bronnen van de christelijke traditie, gemeenschap en/of organisatie, die hij/zij vertegenwoordigt en anderzijds de mens in zijn huidige context in hun onderlinge betekenisvolle samenhang te vertolken”[3]. Zeg maar even: de kunst om de inhoud van Gods Woord in deze wereld dichtbij mensen te brengen.
Van die deftige woorden word ik persoonlijk een beetje kriebelig. Een tikkeltje argwanend, ook. Een beetje narrig zelfs.
Veel GKv-dominees laten de cultuur in de samenleving teveel prevaleren boven de zuivere en onverkorte uitleg van het Woord van God. De gang van zaken rond de kwestie van vrouwen in het ambt bewijst het.
Via het Reformatorisch Dagblad citeer ik: “Opvallend veel gemeenten zijn volgens de kroniekschrijver – dominee Kuiper dus, BdR – bezig met structuurveranderingen, waarbij in de meeste gevallen verantwoordelijkheden die vroeger bij de kerkenraad lagen, elders worden neergelegd. Daarbij dringt de vraag zich op hoe het ambt getypeerd moet worden, als de kerkenraad bijna alle bezoekwerk delegeert. En wat valt er nog aan ambten open te stellen voor vrouwen als de functie van de ambten geminimaliseerd is?”.
Het zal u waarschijnlijk niet verbazen dat schrijver dezes van die cursief gedrukte vraag een beetje sarcastisch wordt…

Er zijn, zo legt dominee Kuiper uit, uitleggers nodig. Exegeten, zogezegd.
Soms staan in de Bijbel dingen die kerkgangers liever niet willen horen. Die dingen doen zeer aan het oor. Van die dingen krijg je een ongemakkelijk gevoel. Extreem vervelend, dat begrijpt u.
Wat o wat gaan we doen als, kort door de bocht gezegd, niemand zich van de uitleg meer iets aantrekt?
Die vraag stelt dominee Kuiper. Luid en duidelijk.
Graag stel ik een tegenvraag. Namelijk deze: heeft dominee Kuiper wel eens van kerkelijke tucht gehoord? En ik noteer erbij: als die tucht niet – of slechts mondjesmaat – wordt toegepast, geraakt de kerk in een spiraal naar beneden!

Hoe ver gaat de diversiteit?, vraagt dominee Kuiper.
Oftewel: hoeveel verschillen mogen er in de kerk zijn?
Laten we ’t maar ronduit zeggen: in de GKv zijn er teveel fundamentele verschillen. Her en der is sprake van ongeloof.
Veel GKv-predikanten blijven in het kerkverband arbeiden. Hun redenatie lijkt zo ongeveer te zijn: zolang ik nog vruchtbaar kan werken, blijf ik zitten waar ik zit. Of ook: zo lang mijn adviezen door een zeker deel van de kerkmensen nog wordt aanvaard, stel ik mijn kerkelijke overgang uit.
Schrijver dezes vraagt zich af: kunt u op een kerkschip blijven zitten, waarvan u zeker weet dat het op een verkeerde koers ligt?

In dit artikel proeft u, neem ik aan, een zeker sarcasme. En nee, dat sarcasme verberg ik niet.
Maar onder dat sarcasme zit ook wat teleurstelling. En een beetje verdriet. Want mijn vrouw en ik zijn, zoals u waarschijnlijk wel weet, uit de GKv afkomstig. En wij zien de afgang. Die afgang wordt door dominee Kuiper beschreven. Daarom heeft hij, wat mij betreft, eigenlijk een treurige boodschap.

Er is bekering nodig.
Ja, bij ons allemaal. Ook bij schrijver dezes.
Daarover heeft Jezus in Marcus 2 gezegd: “Wie gezond zijn, hebben geen dokter nodig, maar wie ziek zijn. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen tot bekering te roepen, maar zondaars”[4].
En in Lucas 15: “Ik zeg u dat er evenzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen, die de bekering niet nodig hebben”[5].
Dat Evangelie spreekt voor zondaars boekdelen!

Noten:
[1] “Kerk in ontwikkeling zoekt houvast”. In: Reformatorisch Dagblad, vrijdag 24 februari 2017, p. 2.
[2] Psalm 75:7-11.
[3] Geciteerd van www.che.nl/~/media/academie voor theologie/theologiebestanden/competenties.pdf ; geraadpleegd op maandag 27 februari 2017.
[4] Marcus 2:17.
[5] Lucas 15:7.

« Vorige paginaVolgende pagina »

Blog op WordPress.com.