gereformeerd leven in nederland

22 november 2017

Laaiend vuur

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Behouden worden van de toorn.
Die term kennen vele lezers wel, denk ik zo.

Hij staat in Romeinen 5: “Veel meer dan zullen wij, nu wij gerechtvaardigd zijn door Zijn bloed, door Hem behouden worden van de toorn”[1].
En ook in het formulier voor de viering van het Heilig Avondmaal. Heel wat Gereformeerden kennen de betreffende zin wel: “Wanneer God nu zijn liefde voor ons daarin bewijst, dat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren, hoeveel te meer zullen wij dan, nu wij door zijn bloed gerechtvaardigd zijn, door Hem behouden worden van de toorn”[2].

Zelfs voor mensen in 2017 is dat iets ongrijpbaars.
Wij kunnen dat in ieder geval niet wetenschappelijk verklaren.
Rechtvaardiging door Christus’ bloed, behoud van de toorn: dat zijn kwesties die we in het geloof aanvaarden!

Dat geloof is een vuur[3].
Een vuur dat, zoals alle vuren, heel klein begint.

Wie steekt dat vuur aan?
Antwoord: de Heilige Geest.
Hij zorgt er voor dat het vuur gaandeweg groter wordt. De verkeerde dingen worden weggebrand. Oud zeer wordt vernietigd.

Jezus Christus wordt in het geloof omhelsd.
Omhelzen – dat doe je met intieme vrienden. Of met familie. Zo’n omhelzing maakt duidelijk dat er sprake is van een band die niemand op aarde verbreken kan.
Geen wonder dus dat we dat omhelzen onder meer in het Hooglied tegenkomen:
“Laat Zijn linkerarm onder mijn hoofd zijn
en Zijn rechter mij omhelzen”[4].
Een omhelzing zien we ook in Lucas 15. In de gelijkenis van de verloren zoon omhelst de vader de zoon die verloren was: De verloren zoon “stond op en ging naar zijn vader. En toen hij nog ver van hem verwijderd was, zag zijn vader hem en deze was met innerlijke ontferming bewogen en hij snelde hem tegemoet, viel hem om de hals en kuste hem”[5].
Omhelzen: dat is een uiting van liefde en genegenheid.
De Heiland omhelzen: dat doen we feitelijk omdat Hij ons eerst heeft omhelsd.

Omhelzen: dat betekent ook dat je iemand, om zo te zeggen, naar je toe trekt.
Je laat blijken dat je iemand in je hart meedraagt.
Zijn blijdschap is de jouwe.
Zijn teleurstelling en verdriet zijn de jouwe.
Welnu, Gods kinderen eigenen zich de Geest van Jezus Christus toe. Hij vult heel hun leven. Er is steeds minder ruimte voor andere dingen!

De Heiland heeft onze schuld betaald. Als Hij dat niet had gedaan, waren wij geheel en al verloren geweest. Wij zijn daarom voor altijd met Hem verbonden. Het geloof is, om zo te zeggen, het materiaal waarmee die verbinding gecreëerd is.

Geloof is geen betaalmiddel. Zeker niet. Nee, het is de bouwstof voor de band met Christus.

Zo komt het dat gelovige kinderen van God nimmer met Gods toorn te maken krijgen. Wij ontlopen Zijn vernietigend oordeel. Als wij voor de troon verschijnen, zal de vrees ons niet kleineren. Want de Heiland proclameert: ja, ik heb voor hem geleden. Onze Redder verkondigt het luid en duidelijk: ik heb voor haar zonden betaald!

Veel mensen zeggen dat Gereformeerden zo streng zijn.
Daarom vraagt schrijver dezes met zekere regelmaat aan mensen in zijn omgeving of hij er streng uitziet. Maar dat schijnt nogal mee te vallen.

Hoe dat zij, niet zelden zijn Gereformeerden vurige mensen.
Goed beschouwd is dat geen wonder.
Het geloof is immers een vuur?

En er is meer. Het lijkt wel alsof Gereformeerden altijd haast hebben. Ze hebben het altijd zo druk. Zo vreselijk druk.
Wie die drukte een moment overpeinst, zal alras tot de conclusie komen dat dat niet zo vreemd is.
In 2 Petrus 3 gaat het over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Daar staat dan: “Als deze dingen dus allemaal vergaan, hoedanig behoort u dan te zijn in ​heilige​ levenswandel en in godsvrucht; u, die de komst van de dag van God verwacht en daarnaar verlangt, de dag waarop de hemelen, door vuur aangestoken, zullen vergaan en de elementen brandend zullen wegsmelten. Maar wij verwachten, overeenkomstig Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar ​gerechtigheid​ woont”[6]. Voor die woorden ‘daarnaar verlangt’ lezen we letterlijk: zich haast. Door ons vurig optreden bespoedigen wij de komst van de Jongste Dag. In het Grieks staat er een vorm van het woord speudoti: iets bespoedigen.
Daarom heerst er in de kerk vaak zo’n koortsachtige bedrijvigheid.
Daarom zijn in kerkgebouwen de lichten zo vaak aan.

Het geloof is een vuur dat door de Heilige Geest wordt aangestoken.
Het branden van dat vuur mag iedereen zien.
Daarom moet ons adagium zijn: houdt het vuur brandend!

Noten:
[1] Romeinen 5:9.
[2] Formulier voor de viering van het Heilig Avondmaal, Gereformeerd Kerkboek-1986, p. 528.
[3] In het onderstaande maak ik onder meer gebruik van artikel 22 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
[4] Hooglied 2:6. Dezelfde tekst vinden we ook in Hooglied 8:3.
[5] Lucas 15:20.
[6] 2 Petrus 3:11, 12 en 13.

21 november 2017

Onze zonde bedekt

“Wat is voor u de waarde van de heilige ontvangenis en geboorte van Christus?
Antwoord:
Zo is Hij onze Middelaar, die met zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt”.

Het zou heel goed kunnen zijn dat de bovenstaande woorden u bekend voorkomen.
Ze staan namelijk in Zondag 14 van de Heidelbergse Catechismus[1].

Wij kijken in Zondag 14 naar een kleine baby.
Een Verbondskind.
Een, zo op het oog, prachtige nieuwe schepping. Met alles erop en eraan. De aanblik van dat kind vertedert ons. Wat een wonder is het toch, zo’n klein kind!
En toch belijden wij: die kleine wereldburger is vanaf het begin zondig. Dat kleine kind ligt, zegt de Catechismus, midden in de zonde.
Dat gegeven lijkt onze vreugde over die voorspoedige geboorte van dat Verbondskind te bederven. Een vies, smerig kind, dat wil toch niemand zien? Een kindje dat tot in de vezels van zijn bestaan zondig is, dat bevordert de blijdschap toch niet?

Vormen Gereformeerden overal ter wereld gemeenschappen van sombere zwartkijkers?
Zeker niet.
Integendeel!
Luister maar eens naar Romeinen 4: “Welzalig zijn zij van wie de ongerechtigheden ​vergeven, en van wie de ​zonden​ bedekt zijn, welzalig is de man aan wie de Heere de ​zonde​ niet toerekent”.
De zonden worden afgedekt. De Middelaar legt, om zo te zeggen, de deken van Zijn onschuld en volkomen heiligheid over dat kind heen. Die bedekking neemt niemand dat kind meer af. Het is een beschermende bedekking, die nimmermeer behoeft te worden ingeleverd!

Als het kind opgroeit, zal het hoe langer hoe beter zien hoe kil het in de wereld om hem heen is.
Er zijn omgevingen waar het ijskoud is. Er is daar geen enkel contact met de Heer van hemel en aarde. De mensen doppen er hun eigen boontjes. Dat ziet er reuze beschaafd uit. Echter, de samenleving is kil. Dood is dood. En daarmee uit.
Maar dat Verbondskind?
Dat Verbondskind leeft al maar verder. Het blijft steeds in leven. Dat Verbondskind leeft zelfs voor eeuwig. Want dat Verbondskind heeft die beschermende en verwarmende deken om zich heen!

Misschien zijn er lezers die het bovenstaande in zekere zin een beetje overdreven vinden.
Een kille samenleving?
Zo’n vaart loopt het toch niet?
Met die alles doordringende vrieskou valt het in deze wereld toch nog wel een beetje mee?

Vergis u niet.
Een tijdje geleden stond in de krant: “Actieve levensbeëindiging wordt voor veel Nederlanders steeds normaler. Predikanten moeten er dan ook rekening mee houden dat ze steeds vaker te maken krijgen met ethische vragen rond dit thema.
Dat zegt de hervormde emeritus predikant J. Belder in reactie op het onderzoek dat de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) liet verrichten naar de vraag in hoeverre predikanten te maken krijgen met actieve levensbeëindiging”.
Een verpleeghuisarts merkte in hetzelfde krantenartikel op: “Het is steeds gebruikelijker dat mensen een appartement huren in een zorgcentrum. Je kunt je afvragen in hoeverre de instelling het dan kan verbieden dat mensen bijvoorbeeld de hulp inroepen van een consulent van de Levenseindekliniek, die helpt bij euthanasie. En in het verlengde daarvan: welke rol is weggelegd voor bijvoorbeeld een arts of een pastor die verbonden is aan zo’n instelling? Moet iemand dan bijvoorbeeld buiten de deur geëuthanaseerd worden, maar mag hij wel weer opgebaard worden in de eigen kamer? Dat zijn lastige kwesties, waarbij ook de vraag opkomt welk beeld je als christelijke instelling wilt uitdragen”[2].
Zelfbeschikking wordt gaandeweg gewoner.
Men spreekt over mondigheid.
Men heeft de mond vol over  keuzevrijheid.
En inderdaad, privacy is schier sacraal. Die is in ieder geval belangrijker dan Gods heilig Woord.
Dat de Heiland reeds van den beginne beschermende dekens om Zijn kinderen heeft gelegd, doet er niet zoveel toe. In woord en daad suggereren massa’s mensen: die dekens kun je, naarmate je leven vordert, toch net zo goed afwerpen? U moet zich per slot van rekening wel een beetje aanpassen aan de praktijk van de eenentwintigste eeuw. Dat is de eeuw van makkelijk zittende kleding die mensen zelf uitzoeken.

Velen willen niet meer geloven dat God ons Zijn onschuld en volkomen heiligheid toerekent. En omdat zij dat niet meer geloven, blijft de hemel voor hen dicht.
Hier op aarde ziet het leven er zo keurig uit. Maar men heeft ernstige twijfels bij Romeinen 5. U weet wel: “Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben ​vrede​ bij God door onze Heere ​Jezus​ ​Christus. Door Hem hebben wij ook de toegang verkregen door het geloof tot deze ​genade​ waarin wij staan, en wij roemen in de hoop op de heerlijkheid van God”[3].
De waarde van de beschermende bedekking wordt gering geacht. In het leven van alledag lijkt die bedekking eigenlijk alleen maar in de weg te zitten.
Men zou kunnen zeggen: in onze maatschappij gelden ongeschreven kledingcodes.

Gereformeerde mensen van 2017 weten echter welke nieuwe werkelijkheid er aan komt. Dat is de realiteit die Paulus in 1 Corinthiërs 15 beschrijft: “En wanneer dit vergankelijke zich met onvergankelijkheid bekleed zal hebben, en dit sterfelijke zich met onsterfelijkheid bekleed zal hebben, dan zal het woord geschieden dat geschreven staat: De dood is verslonden tot overwinning”[4].

Welnu, Zondag 14 roept ons – Gereformeerde mensen van 2017 – ertoe op om de warmte die de door Jezus Christus gegeven deken ons aardse leven geeft, te blijven koesteren. Als wij die deken om houden, krijgen wij het niet koud als wij in de wereld ons werk doen.
Als we de deken van Zijn onschuld en heiligheid om houden, is te Zijner tijd de toegang tot de hemel open.
Aldaar zal de Here ons hemelse kledij verstrekken. Nieuw gewaden, waarmee we het hemelse feest kunnen opluisteren. Denkt u maar aan Openbaring 7: “Hierna zag ik en zie, een grote menigte, die niemand tellen kon, uit alle naties, ​stammen, volken en talen, stond vóór de troon en vóór het Lam, bekleed met witte gewaden en palmtakken in hun hand. En zij riepen met een luide stem: De zaligheid is van onze God, Die op de troon zit, en van het Lam!”[5].

Dan is de dood verdwenen.
Het leven kan dan niet meer stuk. Nooit meer!

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 14, vraag en antwoord 36.
[2] “Levensbeëindiging wordt normaler”. In: Reformatorisch Dagblad, donderdag 9 november 2017, p. 1.
[3] Romeinen 5:1 en 2.
[4] 1 Corinthiërs 15:54.
[5] Openbaring 7:9 en 10.

20 november 2017

Op de heup gedragen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

Morgen gaat één van mijn vrienden naar het ziekenhuis. Hij moet er al vroeg wezen. De ochtendstond heeft goud in de mond, zeggen ze.
Maar de nieuwe heup die mijn vriend krijgt is niet van goud, denk ik. Van kunststof, misschien. Of van keramiek. Of van metaal.

‘Ik moet maar eens een stukje schrijven over een nieuwe heup’, zei ik op vrijdag 10 november jongstleden tegen mijn vriend. ‘Over Jakob in Pniël of zo’. ‘Jacob kreeg problemen met zijn heupspier, niet zozeer met zijn heup’, wierp mijn vriend tegen[1]. U ziet: hij is niet van gisteren.

Die conversatie brengt mij vandaag, daags voor die heupoperatie, bij Jesaja 66:
“Want zo zegt de HEERE:
Zie, Ik doe de ​vrede​ naar haar toestromen
als een rivier,
en de luister van de heidenvolken
als een alles wegspoelende beek.
Dan zult u zuigen, u zult op de heup gedragen
en op de knieën vertroeteld worden.
Zoals iemands moeder hem troost,
zo zal Ík u troosten;
ja, in Jeruzalem zult u getroost worden!”[2].

Jesaja 66 is een antwoord op een gebed.
Jesaja heeft in een gebed Gods grote daden in het verleden in herinnering gebracht.
En Jesaja gaat verder: ‘Scheur de hemel open, en kom alstublieft Zelf naar beneden!’. Het moet Gods vijanden volkomen duidelijk worden wie God is. Het moet helder zijn dat Hij  de macht heeft!
De Here komt mensen die Hem eerbiedigen tegemoet. En eigenlijk is dat, zegt Jesaja in hoofdstuk 64, een regelrecht wonder! Want wij zien er voor Gods aangezicht op z’n smerigst uit. Te vies om aan te pakken, feitelijk. Van Sion – de kerkstad – is bovendien weinig meer over.
Intussen blijft het voor Jesaja recht overeind: de hemelse God is de Maker van alles en iedereen!

En dan komt Gods magnifieke reactie.
Hij laat Zijn kinderen nooit in de steek.
Nu niet. Nooit!

Jesaja 66 is, in zekere zin, een bijzonder hoofdstuk.
God wordt namelijk als een moeder voorgesteld.
Het is in de afgelopen decennia al vaak gevraagd: waarom is God geen vrouw? Men zegt: God is een Man, en dat is niet eerlijk; de vrouwen worden achtergesteld.
Dit nu is onzin van een tamelijk merkwaardig soort. Terecht schrijft iemand: “God overstijgt het menselijk onderscheid over het menselijke vaderschap en moederschap. God is geen man en geen vrouw; Hij is God. Hij overstijgt het menselijk vaderschap en moederschap. Niemand is vader zoals God Vader is”[3].

Hoe dat zij: Jeruzalem is niet langer een stad van droefenis en treurigheid.
In die nieuw ingerichte metropool staat één ding centraal: de liefdevolle zorg van God.

God zal Zijn kinderen in Jeruzalem troosten, zoals een moeder het verdriet van haar kind wegneemt. Daar zit een impliciete boodschap in.
Namelijk deze: God is er bij! Jazeker, Hij is present. Hij is naast Zijn kinderen. Hij is ook bij Zijn kinderen als zij een tijd van operatie en revalidatie tegemoet gaan. Nee, die kinderen worden daar niet vrolijk van. Zij zien tegen moeilijke dingen op. Want zo gaat dat met mensen.
Bovendien: Gods kinderen zijn, als zij in dergelijke omstandigheden verkeren, niet in de stemming om over God te jubelen. Zij hebben, goed beschouwd, wel wat anders aan hun hoofd.
Maar in zulke situaties  mogen zij terugvallen op wat zij altijd beleden hebben: God is trouw, en Ik ben Zijn kind.

Ziet u wat er in Jesaja 66 gebeurt?
“Zie, Ik doe de ​vrede​ naar haar toestromen
als een rivier”.
Wij praten vaak over oplossingsgerichtheid. Wij wisselen van gedachten en willen altijd denken in oplossingen. Maar de Here doet hier iets. Hij laat de vrede stromen.
Als het gaat over de zorg in Nederland is er heel vaak onvrede. Over communicatiestoornissen. Over dingen die niet gebeuren, terwijl dat wel zou moeten. Over dingen die wel gebeuren, terwijl dat helemaal niet de bedoeling is. U weet daar allemaal wel iets van.
Welnu, in Jesaja kabbelt een rivier van vrede. Dat is mogelijk omdat God Zijn liefdevolle zorg geeft.
Die rivier stroomt in de kerkstad. Die vrede komen we tegen in de kerk. In Gods Woord. In contacten met broeders en zusters. Laten we daar maar van genieten. Zeker in tijden van ziekte en beperking.

De trots van de heidenen gaat in Jesaja 66 teniet.
Van de mensen die zonder God leven, blijft uiteindelijk niets over. Zij worden krachteloos. Nutteloos. Kortom: zij hangen roemloos, suf en sullig aan de zijlijn rond. Van hun prestaties is niets meer te zien. Hun  voornemens zijn vervluchtigd. Er is niets meer van terug te vinden. Een snel stromende beek spoelt alle vergankelijke dingen weg

Maar in de kerkstad wordt Thuiszorg van het allerhoogste niveau gegeven. Op die zorg is niets meer aan te merken. En er is ook niemand die het in zijn hoofd haalt om daarover te klagen. Geen klachten meer over de zorg – is dat niet een heerlijk idee?

De hemelse God wordt in Jesaja 66 vergeleken met een zeer zorgzame moeder.
Welnu, de ultieme zorgzaamheid heeft God getoond toen Hij Zijn Zoon naar deze wereld zond. Jezus Christus raapte ons, om zo te zeggen, op uit deze wereld om ons tot Zijn eigendom te maken.
En toen Hij Zijn verlossingswerk volbracht had, zond Hij de Trooster. De Heilige Geest, die troosten kan op een manier die op deze aarde zijn weerga niet kent.
Die Trooster gaat mee op al onze wegen. Zelfs de operatiekamer is voor Hem geen verboden terrein. En ja, ook in het zorgcentrum is Hij volop actief bezig. Dwars door de pijn en het ongemak heen, soms.

In Jeruzalem zult u getroost worden.
Dat zegt Jesaja, als woordvoerder van de heilige God.
Hij spreekt ook de gelovige Bijbellezers van 2017 aan.
Zij mogen getroost worden. Ook als zij wachten op de operatie.
Maar die gelovige Bijbellezers mogen ook verder kijken dan de ziekenhuiszaal.

Want de Heiland komt terug.
Dan Hij zal Zijn kinderen meenemen naar het hemelse Jeruzalem. Daar waar geen geween meer is. Daar waar pijnkreten en tranen geheel en al uit de tijd zullen wezen.
Om het met Openbaring 21 te zeggen: “En God zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal er niet meer zijn; ook geen ​rouw, jammerklacht of moeite zal er meer zijn. Want de eerste dingen zijn voorbijgegaan”[4].
Ja, dat gaat heel wat verder dan een nieuwe heup!

Zo zal Ik u troosten, zegt God Zelf in Jesaja 66.
Daar kan niemand tegen op.
Helemaal niemand!

Noten:
[1] Zie Genesis 32:32.
[2] Jesaja 66:12 en 13.
[3] Geciteerd van http://www.waaromgeloven.nl/is-god-een-man-of-een-vrouw ; geraadpleegd op zaterdag 11 november 2017.
[4] Openbaring 21:4.

17 november 2017

Buigende barbaren

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

“Al de heidenvolken, die U gemaakt hebt, Heere,
zullen komen, zich voor Uw aangezicht neerbuigen
en Uw Naam eren.
Want U bent groot en doet wonderen,
U bent God, U alleen”.

Dat zijn woorden uit Psalm 86[1].
Mijn vrouw en ik lazen die Psalm niet zo lang geleden aan tafel.

Natuurlijk weet ik niet hoe het u vergaat als u die woorden leest. Maar de vraag ligt voor de hand: wat zie ik daar nu, op dit moment, van?
De reactie is even kort als duidelijk. Inderdaad, niet zo veel.

Psalm 86 zingen we echter in geloof.
En goed beschouwd bidden wij in geloof. Samen met David.
Want er staat boven: “Een ​gebed​ van ​David”[2].
Samen met David kijken wij zingend naar de toekomst.

Vanouds is er altijd een enorme kloof geweest tussen Gods natie en de heidenvolken.
Een voorbeeld.
Als in Leviticus 18 de huwelijkswetten en seksuele ontucht aan de orde komen, wordt ook gezegd: “U mag uzelf niet verontreinigen met al die dingen, want de heidenvolken die Ik vóór u uit ga verdrijven, hebben zich met al die dingen ​verontreinigd”[3].
Nog een voorbeeld.
Gods kinderen moesten verre blijven van “de gruweldaden van de heidenvolken”. Maar uit de boeken van de Koningen blijkt wel dat daar heel vaak uitermate weinig van terecht kwam[4].
De duidelijke scheiding tussen Gods kinderen en de heidenen werd maar al te vaak weggepoetst.

Maar één ding is van stonde aan duidelijk: God is Heerser over heel de wereld, inclusief de heidenvolken.
Als het volk van God in moeilijkheden komt, is het parool: ga naar God!
Als het volk van God bedreigt wordt, is het motto: bidt tot God!
Als het volk van God schier ten onder gaat, is het adagium: richt een smeekbede aan God!
Het is precies dat wat koning Josafat doet in 2 Kronieken 20. Nu het volk van de Here onder grote druk staat gaat hij – ten overstaan van zijn onderdanen – voor in gebed: “HEERE, God van onze vaderen, bent U niet die God Die in de hemel is? Ja, U bent de Heerser over alle koninkrijken van de heidenvolken. In Uw hand is kracht en sterkte, zodat niemand tegen U kan standhouden”[5].

Er zijn trouwens momenten dat die heidenen zelf ook beseffen dat zij niet tegen de God van hemel en aarde op kunnen.
Dat zien wij bijvoorbeeld gebeuren in het Bijbelboek Nehemia: “De ​muur​ werd op de vijfentwintigste van de maand ​Elul​ voltooid, na tweeënvijftig dagen. En het gebeurde, toen al onze vijanden het hoorden, dat alle heidenvolken rondom bevreesd voor ons werden en in hun eigen ogen zeer in achting daalden, want zij wisten dat dit werk van onze God uit gedaan was”[6].
De heidenen hebben het door: de God van de Israëlieten is machtig; de moeten we niet tegen ons hebben! En: dat volk krijgt speciale bescherming, wij moeten voorzichtig met Israël omspringen!
Als het in Gods raadsplan past, krijgen de seculiere volken door Zijn toedoen inzicht in de werkelijke gang van zaken.
Als het in Gods raadsplan past, gaan de heidenvolken ontdekken wie de touwtjes echt in handen heeft.
Als de heidenvolken dat soms al begrijpen, dan moet Gods volk het echt geloven. Gods kinderen behoren te volharden in hun geloof. Zij moeten zich daar nu niet en nooit niet van af laten brengen!

Het bovenstaande ziet er prachtig.
Vroom en oprecht.
Maar wat zien we vandaag van de heidenvolken? Jan en alleman doet van alles wat tegen Gods geboden in gaat. Kerkmensen kunnen daar bij tijd en wijle treurig van worden. Wanhopig zelfs, misschien.
Jazeker.

Maar laten wij nimmer vergeten wat Paulus in Romeinen 15 schrijft: “En ik zeg dat ​Jezus​ ​Christus​ een Dienaar van de ​besnijdenis​ is geworden ter wille van de waarheid van God om de beloften aan de vaderen te bevestigen, en opdat de heidenen God zouden verheerlijken vanwege de ​barmhartigheid, zoals geschreven staat: Daarom zal ik U belijden onder de heidenen, en Uw Naam lofzingen. En verder zegt Hij: Wees vrolijk, heidenen, met Zijn volk! En verder: Loof de Heere, alle heidenvolken, en prijs Hem, alle volken!”[7].
Alle volken in de wereld krijgen anno Domini 2017 nog altijd de gelegenheid om zich welbewust en vrijwillig naar God te keren, en Hem te gaan eren!

Wat gebeurt er als die heidenen dat tot het einde der tijden weigeren?
Wat gaat er geschieden als de heidenen gewoon hun eigen zin blijven doen?
In Openbaring 19 wordt het ons beschreven: “En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zat, werd getrouw en waarachtig genoemd. En Hij oordeelt en voert ​oorlog​ in ​gerechtigheid. En Zijn ogen waren als een vuurvlam en op Zijn hoofd waren vele diademen. Hij had een Naam, die opgeschreven was, en die niemand kent dan Hijzelf. En Hij was bekleed met een in bloed gedoopt ​bovenkleed, en Zijn Naam luidt: Het Woord van God. En de legers in de hemel volgden Hem op witte paarden, gekleed in fijn ​linnen, wit en smetteloos. En uit Zijn mond kwam een scherp ​zwaard, opdat Hij daarmee de heidenvolken zou slaan. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf. En Hij treedt de wijnpersbak van de ​wijn​ van de grimmige toorn van de almachtige God. Er stond op Zijn ​bovenkleed​ en op Zijn dij deze Naam geschreven: ​Koning​ der koningen en Heere der heren”[8].
De heidenen krijgen te maken met het vernietigend eindoordeel van de Schepper aller dingen. De tronende Majesteit maakt, om zo te zeggen, schoon schip.
De wereld wordt smetteloos.
Gods kinderen zullen, terwijl zij hun Heer bewonderen, triomfen vieren!

Al zingend zijn wij op weg naar die toekomst. Een toekomst met de almachtige God.
De God die Zijn volk steeds weer wil heiligen.
De God die maar al te graag maar Zijn biddende natie luistert.
De God die buitenstaanders laat beseffen hoe nietig zijn zijn bij Zijn overmacht.
De God die in het verleden al zo vaak bewezen heeft almachtig te wezen.
De God die iedereen, inclusief buigende barbaren, naar Zijn hand zet.

Vandaag gaan wereldse mensen vaak nogal neerbuigend om met gelovigen.
Maar Gods kinderschare realiseert zich dat de omstandigheden 180 graden om zullen keren. Ja, uiteindelijk staat dat voor Gods kinderen vast!
Daarom zingen zij ten langen leste Psalm 86 toch vol overtuiging mee:
“Allen die als goden blonken
zijn bij U in ’t niet gezonken.
Niets kan bij uw werk bestaan.
Heel de wereld roept U aan.
Alle volken komen samen,
die Gij schept en roept bij name,
buigen voor uw zetel neer,
brengen uwe naam de eer”[9].

Noten:
[1] Psalm 86:9 en 10.
[2] Psalm 86:1.
[3] Leviticus 18:24.
[4] De term ‘gruweldaden van de heidenvolken’ komt uit 1 Koningen 14:24.
[5] 2 Kronieken 20:6.
[6] Nehemia 6:15 en 16.
[7] Romeinen 15:8-11.
[8] Openbaring 19:11-16.
[9] Psalm 86:3 (berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986).

16 november 2017

Geestdriftige gezanten

Onlangs las ik een interview met professor mr. dr. F.T. Oldenhuis[1].
“Zet ook jonge mensen in de kerkenraad”, stond er boven.

Onder die intrigerende kop stond te lezen:
“‘Ik zie twee lijnen’, begint Oldenhuis, ‘de eerste begint positief: ik zie dat jongeren veel dingen aanpakken. Serieuze christelijke jongeren maken werk van hun christen-zijn in hun wijk. Ze zoeken medechristenen op. Daar heb ik grote bewondering voor.
Diezelfde jonge mensen interesseren zich niet voor kerkelijke vergaderingen. Ze voelen zich niet vertegenwoordigd. Op foto’s zie ik alleen oudere manslidmaten, terwijl jongeren met totaal andere dingen bezig zijn. Dan schud ik aan de boom, en zeg: Ho, ho, wakker worden met elkaar!’”[2].

Ik ben het met de emeritushoogleraar eens: er zijn veel jongeren die willen laten blijken dat zij christen zijn. Daar willen zij hun best voor doen. Dat is prachtig. En ja, ik stimuleer dat zeer gaarne.

Echter: ik voel enige verwijdering als ik lees: “Diezelfde jonge mensen interesseren zich niet voor kerkelijke vergaderingen. Ze voelen zich niet vertegenwoordigd”.
Sinds wanneer moeten jongeren in de kerkenraad vertegenwoordigd worden?

Wat wordt van ambtsdragers gevraagd?
Paulus zegt in 1 Thessalonicenzen 5: “En wij roepen u ertoe op, broeders, hen die ordeloos leven terecht te wijzen, de moedelozen te bemoedigen, de zwakken te ondersteunen, en met allen geduld te hebben”[3].
En in Titus 1: “Om die reden heb ik u op Kreta achtergelaten, opdat u verder in orde zou brengen wat nog ontbrak, en van stad tot stad ouderlingen zou aanstellen, zoals ik u opgedragen heb. Zo iemand moet onberispelijk zijn, de man van één vrouw, gelovige ​kinderen​ hebben, die niet te beschuldigen zijn van losbandigheid of opstandigheid. Want een ​opziener​ moet onberispelijk zijn, als een beheerder van het huis van God, niet eigenzinnig, niet opvliegend, niet verslaafd aan ​wijn, niet vechtlustig, niet uit op oneerlijke winst, maar gastvrij, goedwillend, bezonnen, ​rechtvaardig, ​heilig, beheerst, iemand die zich houdt aan het betrouwbare woord, dat overeenkomstig de leer is, zodat hij bij machte is anderen te bemoedigen door het gezonde onderwijs en ook de tegensprekers te weerleggen”[4].

Ambtsdragers zijn vertegenwoordigers. Van hun Zender namelijk.
Zij zijn ambassadeurs, jazeker. Nee, niet van de jeugd. Nee, niet van de werkende jongeren. Maar van hun Here Jezus Christus.
Zij mogen Zijn Woord laten spreken. Zij mogen het voorlezen en voor-leven. Zij mogen het toepassen.
Voor dat laatste is veel wijsheid vereist. Ouderlingen en diakenen menen soms zelf dat die wijsheid ontbreekt. Maar al biddend worden zij met Geest-drift vervuld.
Want de Verbondsgod zorgt er Hoogstpersoonlijk voor dat zijn ambassadeurs op aarde hun werk adequaat kunnen verrichten.
Kortom: ouderlingen en diakenen vertegenwoordigen Iemand. Niet iemand. En nee, ook geen groep mensen.

Het bovenstaande doet mij denken aan die bijeenkomst waarin gezegd werd: eigenlijk zou in iedere kerkenraad iemand met een beperking moeten zitten.
Dit nu, geachte lezer, is weinig inspirerende onzin.
We moeten in de kerk vooral niet in categorieën gaan denken. Anders wordt de kerkenraad een groot college waarin vooral naar mensen wordt gekeken, en niet naar God.

Wederom citeer ik professor Oldenhuis: “Je moet ervoor zorgen dat je geestelijke zaken zo weinig mogelijk van bovenaf oplegt. Je zult meer vrijheid moeten geven aan plaatselijke gemeenten. En laat serieuze jongeren daarbij het voortouw nemen. Ik houd er niet van mijn eigen kerk te bewieroken, elke kerk blijft gebroken. Er is bij ons bewust een gemengd team van jongere en oudere mensen voor Schriftlezing en gebed.
Tijdens synodes zie ik kleine groepjes mannen vergaderen. En hoe intens, hoe bewogen ze dat ook doen – daar doe ik niets van af. Ik zie dat heel veel mensen zich niet door hen vertegenwoordigd voelen, ook ouderen”.

Professor Oldenhuis zegt dat je geestelijke zaken zo weinig mogelijk van bovenaf moet opleggen.
Dat bevreemdt mij enigszins.
Het is, wat mij betreft, zo dat Geestelijke zaken – nee, die hoofdletter is geen typefout! – in zekere zin altijd van bovenaf worden opgelegd; vanuit de hemel, namelijk.
Of van binnenuit, zo u wilt. Omdat Gods Geest in de harten van Gods kinderen woont.
Heel duidelijk vind ik professor Oldenhuis op dit punt niet.

En dan is er die aanwijzing dat wij meer vrijheid dienen te gunnen aan plaatselijke gemeenten.
Wat die vrijheid oplevert zien we, bijvoorbeeld, in het kerkverband van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt).
Iemand schreef daar recent over: “De GKv moeten serieus onder ogen zien of ze met de nieuwe richting nog wel bestaansrecht hebben. Ik denk steeds vaker dat die er niet meer is. Laten we serieus overwegen ons te verdelen over de bestaande kerkgenootschappen.
Dan is er ook geen Gereformeerde Theologische Universiteit (GTU) en geen samenvoeging met de Nederlands Gereformeerde Kerken meer nodig”[5].
Laat het duidelijk wezen: pas een beetje op met die veelgeroemde vrijheid!

Eén opmerking permitteer ik mij nog.
De kerkenraad met diakenen van De Gereformeerde Kerk Groningen (hersteld) heeft leden in diverse leeftijden.
De oudste broeder in de kerkenraad, een ouderling, is 74 jaar; eind deze maand hoopt hij 75 te worden. De jongste broeder, ook een ouderling, is 32.
Die broeders hebben geen zitting in de raad om ouderen en jongeren te vertegenwoordigen.
Die broeders zitten daar omdat zij gezanten van Christus zijn.
Waarvan akte!

Noten:
[1] Fokko Tiemen Oldenhuis (geb. 1950) is onder meer bijzonder hoogleraar religie en recht aan de Rijksuniversiteit Groningen (RuG). Tot 2016 was hij hoofddocent privaatrecht aan de RuG. Hij is een deskundige op het gebied van het aansprakelijkheidsrecht. Verder heeft hij als bijzonder hoogleraar religie en recht gewerkt op het grensvlak van kerkgenootschappen en het privaatrecht.
[2] “Zet ook jonge mensen in de kerkenraad”. In: Kruispunt, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, donderdag 2 november 2017, p. 14 en 15.
[3] 1 Thessalonicenzen 5:14.
[4] Titus 1:5-9.
[5] Remmelt Groenwold, “Zo raken vrijgemaakten hun bestaansrecht kwijt”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 2 november 2017, p. 12.

15 november 2017

Reisroute met een omweg

Het is vandaag een niet geheel onbelangrijke dag in Gereformeerd Nederland.

Waarom?
Omdat ik las: “De al eerder aangekondigde tweede vergadering ‘En nu?’ is gepland op 15 november 2017, 20.00–22.00 uur. Plaats: Zalencentrum Balk, De Gast 39, 9801 AB Zuidhorn.
Welkom zijn GKv-ers die de GS-besluiten, de vorige keer in Bedum besproken, niet kunnen aanvaarden. Omdat het aantal zitplaatsen beperkt is, zijn we genoodzaakt te werken met een systeem van verplichte aanmelding”[1].

De conclusie ligt voor de hand: heel wat verontruste GKv-ers leven in moeilijke dagen.

Aan die ongeruste kerkmensen denk ik, nu ik Gods Woord open doe bij Exodus 13. Met name heb ik het oog op de volgende woorden: “Toen de ​farao​ het volk had laten gaan, is het gebeurd dat God hen niet leidde langs de ​weg​ door het land van de Filistijnen, hoewel dat korter was. Want God zei: Anders zal het het volk berouwen bij het zien van ​oorlog​ en wil het naar Egypte terugkeren”[2][3].

Dat is, als u het mij vraagt, een opvallend vers.

Eindelijk is het volk Israël bevrijd. Wij zouden zeggen: en nu maar gauw naar het nieuwe beloofde land! Langs de kortste weg, zonder omwegen.
Maar zo gaat het in Exodus 13 niet.
De Heer van hemel en aarde laat blijken het door Hem uitgekozen volk goed te kennen. Hij geeft een reisroute aan waar een flinke omweg in zit.
Wat is de reden daarvan? Antwoord: de Here weet zeker dat Zijn volk weer terug wil naar Egypte wil als het in het land van de Filistijnen wordt geconfronteerd met oorlogszuchtige lieden die van God en Zijn gebod niets willen weten.

Als wij in onze comfortabele huizen zitten, kunnen wij ons daar wellicht weinig bij voorstellen.
Onderdrukking was in Egypte aan de orde van de dag. Dat zo zijnde, willen de Israëlieten toch nooit meer in Egypte terugkomen?
Israël heeft te maken gehad met slavernij. Nu zijn zij vrij. Dat zo zijnde, willen zij toch nooit meer naar Egypte teruggaan?
De Here weet het echter zeker: als de Israëlieten terugkijken op het recente verleden, zullen zij hun vroegere bestaan gaan relativeren. Dat gaat dan bijvoorbeeld ongeveer zo:
* we moesten in Egypte dag en nacht werken, maar we leefden in ieder geval;
* we werden onderdrukt, maar ’t was in Egypte in ieder geval veilig
* het is mooi dat wij bevrijd werden, maar onze huidige situatie is weinig beter dan die in Egypte.

Daarom wijst de hemelse Heer dus een omweg.

Waarom doen die woorden uit Exodus 13 mij denken aan die vergadering in Zuidhorn, vanavond?

Omdat mensen van de eenentwintigste eeuw nog wel eens diezelfde redeneringen gebruiken als Gods kinderen in de tijd van Exodus 13.
Bijvoorbeeld:
* het Evangelie van Jezus Christus werd in de kerk die we verlieten maar half verkondigd, maar we werden in elk geval met rust gelaten
* we werden een beetje met de nek aangekeken, maar overigens leefden wij kalmpjes voort
* het is wel goed dat wij een kerkelijke overgang maken, maar op de ‘nieuwe’ kerk is ook wel het een en ander aan te merken.

De Israëlieten waren indertijd zondig. Zij waren bevrijd, maar aan dankbaarheid ontbrak het nogal eens.
Maar vandaag de dag is het weinig anders. Kerkmensen zijn tot op de huidige dag niet zo verheugd als zij behoren te zijn. Want het zou idealer zijn als… – vult u maar in: minder ruzie, minder formeel gedoe, meer blijdschap in de kerk. En wat daar verder volgt.
Ziet u dat de zonde de dankbaarheid in een ommezien wegvreten kan?

Thans zie ik u bijna protesteren.
In dit stuk denken we aan die vele ongeruste, ontevreden en roerige kinderen van God die zich afvragen hoe het verder moet. Moeten we al die zoekende mensen nu opzadelen met Exodus 13? Moeten we hen opzadelen met zonde en zwarigheid? Moeten we hen ervan overtuigen dat het ten principale nooit meer anders wordt?
Ja, ik zie u bijna protesteren.
Zo van: had die weblogschrijver niet een wat bemoedigender Bijbeltekst kunnen kiezen vandaag? Zo van: op deze manier trek je toch geen mensen? Misschien zegt u zelfs: dit werkt toch heel erg afstotend?

Laten we nog even naar Exodus 13 kijken.
Wat gebeurt daar?
De Here leidt Zijn volk. Jazeker, Hij kent de situatie.
Hij weet, wat van Zijn maaksel zij te wachten,
Hoe zwak van moed, hoe klein zij zijn van krachten,
En dat zij stof, van jongs af, zijn geweest[4].
Maar de Here zegt niet: dat ondankbare gepeupel zoekt het maar uit.
Hij zegt niet: als het zo staat, dan gaat u maar terug naar Egypte.
Hij zegt niet: ik verbreek Mijn verbond, want met de mensen op aarde kan ik niets beginnen.
Hij zegt niet: waar ben Ik aan begonnen? Ik had nooit met de schepping moeten starten.
Hij blijft Zijn volk leiden.
Via een omweg, jazeker.
Maar Hij laat Zijn volk niet in de steek.

Anno Domini 2017 ligt de zaak niet anders.
De Schepper en Onderhouder van deze wereld gaat met Zijn volk verder. Zelfs als zij tegenstribbelen. Zelfs als zij op allerlei manieren tegenspartelen.

Het wordt vanavond vast een nogal bewogen, misschien zelfs ronduit emotionele vergadering, daar in Zuidhorn.
Maar één ding is daarbij zeker: onze Vader in de hemel laat Zijn kinderen nooit in de steek!

Zullen wij dat samen goed onthouden?

Noten:
[1] Geciteerd van http://eeninwaarheid.info/index.php?rub=9&item=1502 ; geraadpleegd op donderdag 2 november 2017.
[2] Exodus 13:17.
[3] Deze keuze houdt ook verband met het feit dat vanavond de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen vergadert; die vergadering hoop ik bij te wonen. Tijdens die bijeenkomst wordt Exodus 13:17-15:21 besproken. Dat zal gebeuren aan de hand van: Ds. B. van Zuijlekom, “God komt tot Zijn volk; schetsen over het boek Exodus”. – Bond van Mannenverenigingen op Geref. Grondslag, 1986. – schetsen 15 en 16, p. 53-59.
[4] Dit is een enigszins bewerkte versie van Psalm 103:7 in de berijming-1773.

« Vorige paginaVolgende pagina »

Blog op WordPress.com.