gereformeerd leven in nederland

28 februari 2018

Naar het licht geleid

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

Vanouds is Psalm 56 onder het kerkvolk een zeer geliefde psalm. Velen kennen de berijming uit 1773 nog:
“Ik roem in God; ik prijs ’t onfeilbaar woord;
Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord.
‘k Vertrouw op God, door gene vrees gestoord;
Wat sterv’ling zou mij schenden?”[1].

Dat klinkt blij. Triomfantelijk bijna.
Even zo goed is de aanleiding voor de psalm aanzienlijk minder glorieus.

David componeert de psalm namelijk naar aanleiding van zijn belevenissen in het land der Filistijnen.
David is, op de vlucht voor koning Saul, in Gath is aangekomen. Gath, dat ligt in Filistea. Daar zal Saul hem vast niet zoeken.
Maar al spoedig herkent het paleispersoneel hem. Blijkbaar zien ze in hem een machtige tegenstander. En die hebben zij nu in handen gekregen! Opgetogen brengen ze David naar hun werkgever, koning Achis.
Dat maakt David bang. Wat gaan ze hier met hem doen?
Hij stelt zich aan als een krankzinnige.
Laten we wel wezen: dat getuigt niet van veel vertrouwen op de Here. Het lijkt wel alsof David eensklaps de wanhoop nabij is en met eigen gewiekstheid de zaak wil oplossen[2].

De koning van Gath weet niet wat hij met David aan moet vangen. Wat moet je met zo’n gestoorde figuur beginnen? Weg met die man!, beveelt hij.
En zo wordt David opnieuw verdreven. En opnieuw schrijft hij een psalm; wij kennen die als Psalm 34.

Hoe dat zij: in Gath staat David angsten uit.

De vijanden komen op hem aan. Ze zitten hem op allerlei manieren dwars.  Ze leggen hem woorden in de mond die hij nooit heeft gezegd.
Als die vijanden een methode vinden om hem weg te drukken uit de maatschappij, dan gebruiken ze die onmiddellijk. Voortdurend zitten ze achter David aan.
Diep-verdrietig wordt David ervan!
Hoe moet het toch verder?

Met zijn nood gaat hij naar het juiste Adres.
En hij schrijft het lied dat wij kennen als de zesenvijftigste Psalm.
Daar zakt de wanhoop weg.
David weet: de Machthebber van de wereld is mijn God. En David weet ook: als de God van hemel en aarde aan mijn kant staat, gaat het goed; dan kan mijn leven nooit structureel worden vernield.

In de Nederlandse samenleving hebben veruit de meeste mensen niet met achtervolging of vervolging te maken.
Maar natuurlijk hebben we wel te maken met verdriet. En met tegenstand, soms. Met teleurstellingen, ook.

Toch gaat het daar in Psalm 56 niet om.

Kijkt u maar even met mee.
“Wees mij ​genadig, o God”[3].
En:
“Op de dag dat ik vrees,
vertrouw ík op U.
In God prijs ik Zijn woord,
op God vertrouw ik, ik vrees niet”[4].
En:
“Stort de volken neer in toorn, o God!
Ú hebt mijn omzwervingen geteld;
doe mijn tranen in Uw kruik.
Staan zij niet in Uw register?”[5].
En:
“Dit weet ik: dat God met mij is.
In God prijs ik het woord,
in de HEERE prijs ik het woord.
Ik vertrouw op God, ik vrees niet”[6].
En:
“U hebt mijn ziel gered van de dood,
– hebt U niet mijn voeten voor struikelen behoed? –
zodat ik voor Gods aangezicht zal wandelen
in het licht van de levenden”[7].

Nee, het gaat in Psalm 56 niet om David. Alles draait niet om de deplorabele toestand van de vluchteling. De God van het verbond staat hier centraal!

David leert alle zangers van deze psalm dat God genadig is.
Op Hem kunt u vertrouwen, zegt David. Met de Verbondsgod komen u en ik altijd goed uit. Dan zakt de wanhoop weg. Dan staat de angst niet meer vooraan.
David zegt: God ziet ons overal. En: de God van hemel en aarde weet van onze frustraties, van onze teleurstellingen, van ons verdriet en van onze tranen. Onze verdrietelijkheden staan in Zijn boek; Hij weet er alles van.
Dat is, juicht David ten langen leste, een geweldige troost. God is erbij. Hij is present. En Hij is volop actief.
Uiteindelijk is het onze God die ervoor zorgt dat er perspectief is in het leven. Hij draagt er persoonlijk zorg voor dat wij verder kunnen op aarde!

Dat is de les die David ons hier leert.

En dan begrijpen wij het wel: ook wij kunnen Psalm 56 zingen.
Nee, onze omstandigheden zijn vaak niet om over naar huis te schrijven. Wij voelen ons eenzaam. Ziek. Verdrietig of moe. Enzovoort.

Maar Psalm 56 leert ons: hou maar gauw op over uw eigen omstandigheden.
Daar kunt u ongetwijfeld van alles over zeggen. U kunt vertellen dat het lang niet altijd makkelijk was.

Ja, daar kan schrijver dezes – die vandaag de leeftijd van 56 jaar bereikte – ook een heel verhaal over houden. Als het moet kan hij er bovendien een hele verhandeling  over schrijven.
Maar nogmaals: Psalm 56 leert het ons af.

David leert ons in Psalm 56 om eenvoudig in God te blijven geloven.
Geloof maar dat Gods genade er altijd is.
Laat de wanhoop niet in uw brein zegevieren.
Laten wij ons maar realiseren dat God alles ziet.
Laten wij maar beseffen dat de goede God altijd weer openingen biedt om verder te gaan met ons leven op aarde.

Dan kunnen wij ’t vol overtuiging blijven zingen:
“Ik heb, o God, geloften u gewijd.
Ik breng het offer van mijn dankbaarheid
en prijs U om uw goedertierenheid,
uw hand kwam mij bevrijden.
Ik zal in ’t licht uws aanschijns mij verblijden,
zodat ik U mijn leven kan gaan wijden,
daar U mijn voet bewaarde tegen glijden,
naar ’t licht mij hebt geleid”[8].

Noten:
[1] Psalm 56:4, berijming-1773.
[2] Zie hierover ook http://www.oudesporen.nl/Download/OS1201.pdf .
[3] Psalm 56:2.
[4] Psalm 56:4 en 5.
[5] Psalm 56:8 en 9.
[6] Psalm 56:11 en 12.
[7] Psalm 56:14.
[8] Psalm 56:4, Gereformeerd Kerkboek-1986.

27 februari 2018

Schuilplaats van de kerk

Het Heilig Avondmaal vieren wij, als regel, op zondag in de eredienst.
Maar die viering heeft vervolgens ook alles te maken met de manier waarop wij in de maatschappij staan.
Dat zal hieronder alras blijken.

Als wij “het gekruisigd lichaam van Christus eten en zijn vergoten bloed drinken” betekent dat onder meer “dat wij door de Heilige Geest, die tegelijk in Christus en in ons woont, steeds meer met zijn heilig lichaam verenigd worden, en wel zo, dat wij, hoewel Christus in de hemel is en wij op aarde zijn, toch vlees van zijn vlees en been van zijn gebeente zijn; en ook zo, dat wij door één Geest eeuwig leven en geregeerd worden, zoals de leden van het lichaam door één ziel”.
Zo belijden wij dat in Zondag 28 van de Heidelbergse Catechismus[1].

Wie dat Catechismusantwoord tot zich door laat dringen, is wellicht geneigd om te vragen: dit kan toch helemaal niet?
Eén worden met zijn heilig lichaam – hoe kan dat?
Vlees van zijn vlees en been van zijn gebeente – hoe is dat mogelijk?
Dat is toch te groot en te groots voor aardse mensjes?

Welnu, de Catechismus verwijst naar woorden uit Johannes 6: “Want Mijn vlees is het ware voedsel en Mijn bloed is de ware drank. Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Zoals de levende Vader Mij gezonden heeft, en Ik leef door de Vader, zo zal ook wie Mij eet, leven door Mij”[2].

Door Gods Heilige Geest worden wij verbonden met Jezus Christus.
Om het met de Dordtse Leerregels te zeggen: de mensen “willen noch kunnen terugkeren tot God en evenmin kunnen zij in hun verdorven natuur verbetering brengen of zich daarop richten, zonder de genade van de Heilige Geest, die opnieuw geboren doet worden[3].
En:
“Wat dan het licht der natuur en de wet niet tot stand kunnen brengen, dat doet God door de kracht van de Heilige Geest en door het woord of de bediening van de verzoening: het evangelie van de Messias. Het heeft God behaagd de gelovigen zowel onder het oude als onder het nieuwe verbond daardoor te behouden”[4].
Wij leven samen met Hem.
De Heiland en Zijn kinderen – samen trekken zij door de wereld van de eenentwintigste eeuw.

Met hun God aan het hoofd zijn Gods kinderen onderweg naar de toekomst. Op pad naar een toekomst die nooit ophoudt.
Er is immers sprake van eeuwig leven? De Geest blijft hen ook dan voortdurend regeren. Zodoende is er altijd perfecte harmonie. Overal heerst steeds weldadige rust.
Die kant gaat het met Gods kinderen op!

Het is, in dit verband, niet overdreven om over verbondstrouw te spreken. De Geest van God komt in ons leven; en in het verbond zijn wij onlosmakelijk aan Hem verbonden. Jezus zegt in Johannes 14: “Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord in acht nemen; en Mijn Vader zal hem ​liefhebben, en Wij zullen naar hem toe komen en bij hem intrek nemen”[5].
Er is sprake van innige wederzijdse liefde.
Een liefde voor het Leven.
Verbondenheid waarvan wij, hier op aarde, de intimiteit niet geheel kunnen aanvoelen.
Verbondenheid die nog veel vuriger is dan wij verlangen!

De viering van het Heilig Avondmaal geschiedt op zondag.
Maar de vreugde van die viering trilt in het gewone leven door.
Steeds weer mogen we, met woorden uit Efeziërs 3, vragen: wilt u, geliefde Heiland, in onze harten wonen en ons in de liefde wortelen en funderen?[6]
Over Efeziërs 3 schreef ik op deze pagina al eens: “Geworteld en gefundeerd: dat woordenpaar is, wat mij betreft, heel nuttig.
Want dat woordenpaar roept het beeld van het kerkhuis op. Een schitterend huis waarin iedereen en alles goed verzorgd is. De kerk – daar moet u wezen!
Dat beeld is echter geen plaatje waar u en ik vrijblijvend naar kunnen kijken.
Dat beeld is ook een oproep: laat u door de ontwerper en bouwmeester van het kerkhuis inmetselen in het kerkhuis.
In een huis moet worden geleefd. Een huis dat niet bewoond wordt, vervalt. Het wordt er stoffig. Het wordt een paradijsje voor ongedierte.
Laten wij er voor zorgen dat de kerk levend blijft. Wees maar actief in de kerk…”[7].

In die kerk verzamelt de God van het verbond de mensen die hun vastheid alleen bij Hem zoeken.
Zij worden hoe langer hoe meer één met Hem.
Zij volgen Hem waar Hij gaat.
Zij luisteren naar Zijn liefdevolle stem.
De activiteiten die zij op aarde ontplooien, voeren zij uit op Zijn gezag.

Daar valt het woord ‘gezag’.
Dat is in Nederland heel vaak tamelijk ver te zoeken. Wetshandhavers bij de politie en bij de rechterlijke macht hebben het bijzonder moeilijk. Vorige week kwam het bericht dat rechercheurs bij de politie hun werk niet half aan kunnen; tweeduizend (2000!) collega’s erbij, dat zou geen luxe wezen.
Nederland is een narcostaat geworden, zeggen sommigen. Dat is behoorlijk overdreven, roepen anderen. Maar dat er iets grondig mis is, dat staat wel vast.

In zo’n samenleving viert de kerk met enige regelmaat het Heilig Avondmaal.
En kerkmensen weten het: wij worden steeds meer met zijn heilig lichaam verenigd. Niet door eigen inspanning. Niet door eigen passie. Maar door de Heilige Geest, die ons steeds weer op de Heiland wijst.
De Avondmaalstafel in de eredienst: voor de kerk is dat de schuilplaats in een wereld waarin ‘gezag’ veelal een leeg en onbetekenend woord geworden is.
Daarom zingen we, met de dichter van Psalm 2:
“Kust toch de zoon, opdat gij niet te gronde
gaat op uw weg. Te licht wordt hij getart
en kan zijn gramschap tegen u ontbranden.
maar zalig zijn die schuilen aan zijn hart”[8].

Noten:
[1] Heidelbergse Catechismus – Zondag 28, vraag en antwoord 76.
[2] Johannes 6:55, 56 en 57.
[3] Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 3.
[4] Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 6.
[5] Johannes 14:23.
[6] Zie Efeziërs 3:17.
[7] Geciteerd uit mijn artikel ‘Waardevol woordenpaar’, hier gepubliceerd op vrijdag 7 juli 2017. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2017/07/07/waardevol-woordenpaar/ .
[8] Psalm 2:4, Gereformeerd Kerkboek-1986.

26 februari 2018

Activiteit aan God toegewijd

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Het lezen van de Bijbel is soms een nogal verrassende bezigheid. Er zijn momenten waarop je denkt: waar gaat dit over?

Laatst kwam ik bij het lezen van Spreuken 27 zo’n tekst tegen. Het was deze:
“Zorg ervoor dat u uw schapen goed kent,
richt uw ​hart​ op de kudden.
Want rijkdom is er niet voor eeuwig,
of zal een ​diadeem​ van generatie op generatie blijven?
Als het eerste gras verdwenen is, het tweede gras verschijnt,
en de kruiden van de bergen verzameld zijn,
dan zult u lammeren hebben voor uw ​kleding
en bokken als koopprijs voor een akker.
Bovendien zult u genoeg geitenmelk hebben als uw voedsel,
als voedsel voor uw ​huis,
en als leeftocht voor uw dienstmeisjes”[1].

Als u – net als schrijver dezes – geen agrarische achtergrond heeft, staan deze woorden waarschijnlijk tamelijk ver van u af.
Niettemin staan ze zomaar onder elkaar:
* kudden schapen
* een diadeem
* kleding
* voedsel
* dienstmeisjes – zeg maar even: het personeel.
Wat wil de opsteller van de Spreuken ons leren?

Besteed, zegt de Spreukenleraar, goede aandacht aan uw bedrijf. Misschien waant u zich rijk. Maar als het er op aankomt, kunnen rijkdom en luxe ook zomaar weer verdwenen zijn. De ene generatie draagt dure juwelen, maar een volgend geslacht moet het vaak met veel eenvoudiger sieraden doen.
Late regenbuien geven nieuw groen als het eerste gras verdwenen is. Welnu, zorg dan dat dat gras verzameld wordt om het vee te voederen. Met andere woorden: wees ijverig doende in uw bedrijf!
Want wie goed en efficiënt werkt, genereert voldoende inkomen om voor zijn gezin te zorgen en bovendien zijn personeel een goed loon te geven.

Wat heeft het bovenstaande ons te zeggen, anno Domini 2018?
Laat ik het zo mogen samenvatten:
* ons werk is aan de Here toegewijd
* ons werk staat in het kader van Gods voorzienigheid.

Werken is belangrijk. Het is niet zo dat wij van vakantie naar vakantie huppelen. Nee, met name in ons dagelijks werk eren we de Here. Daarom moeten we daarvoor gáán. En daarom moeten we ook een beroep kiezen waar perspectief in zit.
Perspectief – vooral in die zin dat wij de Here daarin kunnen dienen met de gaven die wij van Hem hebben ontvangen.

Bij nadere beschouwing blijkt het slot van Spreuken 27 alles te maken te hebben met het achtste gebod: u zult niet stelen.
Het gaat in dat Schriftgedeelte namelijk ten diepste om goede zorg voor onszelf en voor onze naasten. Als het een beetje wil houden we van het geld dat we verdiend hebben, nog wat over om arme mensen te kunnen ondersteunen[2].

De Grote Catechismus van Westminster geeft bij dat achtste gebod de volgende uitwerking:
“Welke plichten worden er in het achtste gebod vereist?
Antwoord: De plichten die in het achtste gebod vereist worden zijn: waarachtigheid, betrouwbaarheid en rechtvaardigheid in onderlinge overeenkomsten en handel, aan iedereen geven wat hem toekomt, schadeloosstelling voor goederen die op onwettige wijze van de rechtmatige eigenaars zijn ontvreemd, aan anderen mild geven en lenen, al naar onze mogelijkheden en hun noden zijn; gematigdheid in onze oordelen, wensen en genegenheden wat betreft aardse goederen; goede zorg en ijver om te verwerven, te houden, gebruiken en te regelen de dingen die noodzakelijk en geriefelijk zijn voor het onderhoud van ons natuurlijke leven, en die in onze omstandigheden passen; het uitoefenen van een wettig beroep en ijver in het vervullen ervan, zuinigheid, het vermijden van onnodige processen, borgstellingen en dergelijke verplichtingen; en het streven om met alle rechtvaardige en wettige middelen de welvaart en materiële bezittingen zowel van anderen als van onszelf te verschaffen, te bewaren en te bevorderen”[3].
Bij het hierboven gecursiveerde zinsdeel wordt door de Grote Catechismus verwezen naar Spreuken 27:23-27. Het wordt eens te meer duidelijk: Spreuken 27 staat midden in het leven van alledag. De verantwoordelijkheden die we doordeweeks hebben, staan rechtstreeks in verbinding met de zorg die de God van het verbond dagelijks voor ons heeft. Hij geeft ons krachten om de taken te verrichten die wij in kerk en maatschappij gekregen hebben!

Soms is ons werk niet meer beroepsmatig. Bijvoorbeeld omdat wij afgekeurd zijn voor het verrichten van werk in de samenleving.
In dergelijke gevallen is er altijd wel iets in de kerk te doen.
Trouwens, de kerk wordt ook een kudde genoemd; een kudde die verzorgd moet worden. Denkt u maar Handelingen 20: “Zie dan toe op uzelf en op heel de kudde, te midden waarvan de ​Heilige​ Geest​ u tot ​opzieners​ aangesteld heeft om de ​gemeente​ van God te weiden, die Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed”[4].
Of ook aan 1 Petrus 5: “De ouderlingen onder u roep ik ertoe op, als medeouderling en getuige van het lijden van ​Christus​ en deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden: Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op, niet gedwongen, maar vrijwillig; niet uit winstbejag, maar bereidwillig; ook niet als mensen die heerschappij voeren over het erfdeel van de Heere, maar als mensen die voorbeelden voor de kudde geworden zijn. En als de Opperherder verschijnt, dan zult u de onverwelkbare krans van de heerlijkheid verkrijgen”[5].

Al ons werk mag gerust een passie heten.
Hoewel gelovige kinderen van God beter van Geest-drift kunnen spreken. Het is immers de Heilige Geest die ons dagelijks aanstuurt.
Daarom mogen wij met Psalm 90 zingen:
“Zie op ons neer met vriendelijke ogen.
O God, bescherm ons in ons onvermogen.
Bevestig wat de hand heeft opgevat,
het werk van onze hand, bevestig dat”[6].

Dat gebed is voor de kerk niet omgeven met allerlei vraagtekens. Ons werk is niet vol van onbestendigheid, onzekerheid en twijfelmoedigheid.
Waarom niet?
Omdat wij het onderwijs van Zondag 10 der Heidelbergse Catechismus kennen. U weet wel:
Gods voorzienigheid, dat is: “de almachtige en tegenwoordige kracht van God, waardoor Hij hemel en aarde, met alle schepselen, als met zijn hand in stand houdt en zó regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede en alle dingen, niet bij toeval, maar uit zijn vaderhand ons ten deel vallen”[7].

Laten wij maar gewoon aan het werk gaan.
Op de boerderij. Op kantoor. In het laboratorium. In het bedrijfsleven. Of gewoon thuis, achter ons bureau.
En laten wij er wat máken.
Tot eer van onze God.

Noten:
[1] Spreuken 27:23-27.
[2] Zie Heidelbergse Catechismus – Zondag 42, vraag en antwoord 111.
[3] “De Grote Catechismus zoals deze werd overeengekomen door de vergadering der Godgeleerden te Westminster”, goedgekeurd in 1648; vraag en antwoord 141. Opgenomen in: “De Westminster Confessie met de Grote en de Kleine Catechismus”. – vertaald en ingeleid door drs. G. van Rongen, met medewerking van dr. M.J. Arntzen. – tweede druk. – Barneveld: De Vuurbaak, 1986.
[4] Handelingen 20:28.
[5] 1 Petrus 5:1-4.
[6] Psalm 90:8, Gereformeerd Kerkboek-1986.
[7] Heidelbergse Catechismus – Zondag 10, antwoord 27.

23 februari 2018

Waar het hart vol van is…

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Een schietpartij op een school in Amerika, nee – daar kijken we amper meer van op.

We ergeren ons des te meer aan de politiek eromheen.
Waarom doet niemand iets? Is de wapenlobby in de Verenigde Staten zo machtig dat levens van jonge mensen er niet meer toe doen?
Hoe attent is het Federal Bureau of Investigation eigenlijk? Is de FBI, die federale politiedienst, wel voor zijn taak berekend?

Maar wellicht voelen we vooral machteloosheid.
In welke wereld leven we eigenlijk?
Houdt het nooit op?
Wanneer grijpt er eindelijk iemand in?

Wat zetten wij, Gereformeerden, tegenover de tv-uitzending met beelden van de zoveelste schietpartij?
Wat zetten wij, Gereformeerden, tegenover een krantenfoto waar de wanhoop bijkans van af druipt?

Vandaag wil ik graag wijzen op woorden uit Mattheüs 12: “De goede mens brengt goede dingen voort uit de goede schat van het ​hart, en de slechte mens brengt slechte dingen voort uit de slechte schat.
Maar Ik zeg u dat de mensen van elk nutteloos woord dat zij zullen spreken, rekenschap moeten geven op de dag van het oordeel.
Want op grond van uw woorden zult u ​rechtvaardig​ verklaard worden, en op grond van uw woorden zult u veroordeeld worden”[1].

Wat gebeurt er in Mattheüs 12?
Jezus heeft een man genezen die niet kon zien en niet kon spreken: een doof-blinde dus. Het verzamelde volk is verbijsterd en enthousiast tegelijk. Luidop vragen ze zich af: is dit nou de Messias? Oftewel: is dit nu de Man die Israël redden gaat?
De Farizeeën zijn helemaal niet zo blij met de geestdrift van het verzamelde gepeupel. Waarom niet? Omdat hun gezag wordt ondergraven, bijvoorbeeld. De Farizeeën willen niet geloven dat zij rechtstreeks geconstateerd worden met de Redder van de wereld.
Dat willen zij niet geloven.
Dat is ook de kwestie die vandaag voor ons aan de orde is: geloven wij werkelijk dat God de Machthebber van deze wereld is?

Als u en ik om ons heen kijken, hebben we die Amerikaanse schietpartijen meteen weer in beeld. En misschien komen die twijfels vrijwel onmiddellijk weer naar boven.

Misschien zegt u: in Mattheüs 12 is geloven makkelijker. Want daar is net een wonder gebeurd.
Dat is waar.
Maar de Farizeeën zeggen: die genezing komt voort uit de kracht van de duivel.

En zo ligt daar op onze tafel de vraag: geloven wij dat onze Heiland werkelijk de macht op aarde heeft?
Wij moeten, geachte lezers, maar met de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijden: “Wij geloven dat Jezus Christus een eeuwig Hogepriester is naar de orde van Melchizedek, wat God met een eed heeft bevestigd. Hij heeft Zichzelf in onze plaats voor zijn Vader gesteld, om door volkomen voldoening diens toorn te stillen. Daartoe heeft Hij Zichzelf aan het kruis geofferd en zijn kostbaar bloed vergoten, om ons te reinigen van onze zonden, zoals de profeten hadden voorzegd”. En: “Hij heeft geroepen: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (…), en Hij heeft dit alles geleden ter wille van de vergeving van onze zonden. Daarom zeggen wij terecht met Paulus, dat wij niets anders weten dan Jezus Christus en die gekruisigd (…)”[2].

Wie naar die schietpartijen op Amerikaanse scholen kijkt, denkt: de verdorvenheid der wereld gaat steeds verder. En terecht.
Als wij vervolgens weer een blik werpen op Mattheüs 12, zien we dat Jezus de ongelovige Farizeeën zonder omwegen oproept tot bekering. In Mattheüs 12 krijgen ook wij een stimulans om de goede kant op te kijken, en ons leven in de juiste richting te bewegen.
Het is verleidelijk om krachteloos en lamlendig naar de beelden van die schietpartijen te blijven kijken. Het is makkelijk om te zeggen: het gaat met de wereld echt de verkeerde kant op.
De Here Jezus Christus, onze Heiland, leert ons om op Hem te letten en Hem te volgen.
Jazeker, die schietpartijen zijn verschrikkelijk.
Jazeker, die dodelijke incidenten vereisen actie. Gerichte actie. Er moet een eind aan komen.
Maar in de wereld staat meer op scherp dan alleen maar geweren en revolvers.
Om het het met de Britse Bijbelverklaarder Matthew Henry (1662-1714) te zeggen: “Laat ons bedenken: Hoe nauwkeurige rekenschap wij in dien dag van de zonden der tong zullen hebben te geven, daar voor ieder ijdel woord, dat de mensen spreken, rekenschap door hen gegeven zal moeten worden. Dit geeft te kennen, dat God acht geeft op ieder woord, dat wij zeggen, zelfs op die, waarop wij zelven geen acht slaan. Zie Psalm 139:4: Geen woord op mijne tong, of Gij weet het, hoewel het zonder nadenken of bedoeling gesproken is, neemt God er toch kennis van”[3].

In deze wereld worden we overspoeld met nieuws waar de duivel achter zit. Voordat wij ’t weten zit ons hoofd er mee vol.
Laten wij het maar ons maar realiseren: ons leven moet vervuld zijn van Gods eer. Zoals Psalm 68 dat zegt:
“Heft Gode blijde psalmen aan,
laat ’s Heren volk nu tot Hem gaan,
laat al wat leeft Hem eren.
Komt, zingt en speelt, in Hem verblijd,
looft Hem, vervuld van dankbaarheid,
looft Hem, zijn naam is HERE”[4].

Noten:
[1] Mattheüs 12:35, 36 en 37.
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 21.
[3] Geciteerd uit: Matthew Henry, “Het Evangelie naar Mattheüs: een verklaring met praktische opmerkingen van het Evangelie naar de beschrijving van Mattheüs”. Verklaring bij Mattheüs 12:22-37. Ook te vinden op http://reformata.nl/ ; geraadpleegd op maandag 19 februari 2018.
[4] Psalm 68:2, Gereformeerd Kerkboek-1986.

22 februari 2018

Opdat wij het luisteren niet verleren

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Het is vandaag precies vijfenveertig jaar geleden.
Op donderdag 22 februari 1973 staat in het Nederlands Dagblad een nieuwsbericht waar de volgende kop boven prijkt: “Kern eredienst is: Spreek Here, want uw knecht hoort!”[1].
En daaronder staat: “Wie de prediking wegneemt, snijdt de kern uit de eredienst. Daarom mag het ‘Spreek Here, want uw knecht hoort’, nooit worden vervangen door ‘Hoor Here, want uw knecht spreekt’”.

Dat statement is afkomstig van drs. K. Deddens. Hij spreekt op de Friese ouderlingenconferentie te Leeuwarden over ‘De liturgie in onze kerken’. Voor een goed begrip der lezers: dat zijn de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt).

Wie het bovenstaande beziet, zit – wat mij betreft – meteen in de moderne maatschappij van 2018.
Luisteren naar een preek is voor heel veel mensen heden ten dage reuze ingewikkeld geworden. Want ach, zo’n preek is zo eenzijdig nietwaar? Mensen willen graag meepraten. Mensen willen direct reageren op wat zij horen, of hun reacties nu doordacht zijn of niet.
Luisteren – dat werkwoord schrijven wij tegenwoordig het liefst met kleine lettertjes.

Dominee Deddens keert zich in zijn lezing “tegen de opvatting dat de waarde van de kerkdienst niet afhangt van de preek, maar dat de liturgie het fundament van de kerkdienst vormt (…).
Ook de liturgische beweging denkt in deze richting en wil zelfs het altaar weer in de kerk halen.
Maar wie dat wil, zet de klok terug.
Immers de cultus van het oude Testament werd tot een einde gebracht door onze Here Jezus Christus en Zijn Kerk heeft naar Hebreeën 8:6 een altaar in de hemel waar Hij liturg is. Die liturgie gaat niet buiten ons om (Hebreeën 12). In de kerkdienst is de Here de eerste. Hij roept!”.

Daar valt de term ‘liturgische beweging’.
Die beweging komt van oorsprong uit de Rooms-katholieke kerk. Het beginpunt ligt zo rond 1903. Paus Pius X pleit in dat jaar voor een meer actieve deelname van kerkgangers aan de kerkmuziek.
Later komen ook in andere kerken liturgische bewegingen op gang. Onder meer in de Nederlands Hervormde Kerk komt veel aandacht voor vormgeving en rituelen. De doorwerking van dat gedachtegoed kunt u terugzien in het Liedboek voor de Kerken.

Nu is attentie voor liturgie in het geheel niet verkeerd. En zingen ter ere van God is prachtig werk. Maar bij dat nadenken over de vormgeving daarvan dient Gods Woord immer het uitgangspunt te blijven.
Als dat startpunt verandert, gaan de kerkdeuren ten langen leste dicht. Gaat u maar na: de Nederlands Hervormde Kerk, de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt): dat zijn allen kerken waar het Woord Gods steeds minder vaak klinkt.

De woorden van dominee Deddens blijken ook vandaag nog zeer behartenswaardig.

Nee, het is heel vaak niet zo dat men het geloof loslaat.
Welnee.
Men richt zich op Jezus en op de omgeving, heet het. Men is vol van Jezus en omarmt de omgeving[2].
Dat klinkt modern. Bij de tijd. Solide. Sociaal. Alleen maar: het Evangelie klinkt in de kerk. Daar verzamelt de God van hemel en aarde Zijn kinderen.
Aandacht voor de buurt is prachtig. Een open oog voor de omgeving is een alleszins goede zaak. Maar mét dat al mag de kerk nooit een buurthuis-plus worden. De kerk mag nooit een warme gemeenschap-met-de-Bijbel-als-toegevoegde-waarde worden.
En dat kan zomaar gebeuren als men aan de liturgie in de kerk gaat morrelen. Voordat wij ’t weten is menselijke inbreng reuze belangrijk geworden!

Het bovenstaande heeft alles te maken met de manier waarop u en ik tegen Gods volk aan kijken. Wat is het eigene van de kerk?
Dominee Deddens wijst daar ook op. Ik citeer: “Zijn verbondsvolk verschijnt op het appèl. Het komt samen om dienst – de oorspronkelijke betekenis van het Griekse woord leitourgia is: dienst, het volk ten baat – te verrichten. Die verbondsdienst betekent gemeenschapsdienst, want de gemeente is de bruid van Christus. Wie de samenkomsten der gemeente dus ziet als een godsdienstig samenzijn van een aantal mensen, komt terecht bij het conventikel en de sekte. Christus roept samen door middel van ambtsdragers en al hun handelen zal steeds weer getoetst moeten worden aan de lastbrief van de Schrift. Daarom is het dwaas om te zeggen, dat er meer liturgie moet komen en minder preek. De Vader spreekt immers in Christus”.

De zo vaak gezongen Psalm 105 wijst ons op onze taak:
“Vraagt naar de HEER en naar zijn sterkte
naar Hem die al uw heil bewerkte.
Zoekt dagelijks zijn aangezicht,
gedenkt al wat Hij heeft verricht.
Slaat acht op ’t oordeel van zijn mond
en vreest Hem, volk van Gods verbond”[3].
In die laatste versregel leren wij van het karakter van de kerk is: Verbondsvolk.

Nog één citaat uit het onderwijs van dominee Deddens.
“Uit Handelingen 2 blijkt, dat men bijeen kwam om te blijven bij de leer der apostelen, het breken van het brood, de dienst der gebeden, en de dienst der barmhartigheid. Maar in de loop der eeuwen werd de Woorddienst vervangen door de offerdienst, waarbij de ambtsdrager — die niet mag worden miskend — werd overschat. Het altaar kwam centraal te staan en de prediking ging zwijgen. Dit vond zijn dieptepunt in 1215, toen de leer van de transsubstantiatie officieel werd vastgesteld. Christus geeft dus, volgens Rome, elke dag een onbloedige herhaling van Zijn offer.
Door de Reformatie ging men echter weer zien, dat er maar één Middelaar Gods en der mensen is. Het Woord des Heren kreeg weer de centrale plaats en de sacramenten zijn tekenen en zegelen. De sacramenten werden dan ook bediend na de Woorddienst en het zogenaamde ‘grote gebed’ werd ook op dat tijdstip uitgesproken. Calvijn heeft steeds de volle aandacht gevraagd voor het Woord.
Ook in later eeuwen is men niet ontkomen aan sacramentalisme zoals bijvoorbeeld in de 18e eeuw toen de prediking ontaardde in het ‘verhelderen van het verstand’ en de kerk een ‘volksvergadering zonder tucht’ werd. Bij het liturgisch réveil van plusminus 1850 in Engeland, Frankrijk en Duitsland keerde men niet terug tot het hart van de eredienst. En elke reformatie van de eredienst zal steeds weer moeten beginnen bij de reformatie van de prediking. Het Woord des levens vraagt levende woorden”.

De Gereformeerde kerk is een lezende kerk: de Schrift ligt telkenmale open.
De Gereformeerde kerk is daarnaast een kerk met een scherp gehoor. Om met Psalm 85 te spreken:
“Toon ons uw heil en goedertierenheid;
ik ben o God tot luisteren bereid”[4]!

Noten:
[1] Nederlands Dagblad, donderdag 22 februari 1973, p. 4.
[2] Zie hierover bijvoorbeeld: “Afscheid van een kerkherplanter”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 17 februari 2018, p. 11. In dat artikel gaat het over de Gereformeerd-vrijgemaakte Veenhartkerk te Mijdrecht.
[3] Psalm 105:3, Gereformeerd Kerkboek-1986.
[4] Psalm 85:2, Gereformeerd Kerkboek-1986.

21 februari 2018

Tabernakel

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

“Wij geloven dat deze Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat en voldoende leert al wat de mens moet geloven om behouden te worden”.

Die zin herkent u wellicht wel. Die komt uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis[1].
Gods Woord geeft ons genoeg om met de Here door deze wereld te wandelen.
Dat belijden wij.

Maar er zijn Bijbelgedeelten waarvan u en ik ons kunnen afvragen: waar hebben wij die nu toch voor nodig?

Neem nu de hele instructie met betrekking tot de tabernakel[2]. Exodus 26, 27, 28… – het gaat maar door. En dan is er nog de uitvoering. Precies volgens de dienstvoorschriften.
Wat moeten we anno 2018 met dat alles aanvangen?

Het is belangrijk om ons eerst en vooral te realiseren dat God bij Zijn volk gaat wonen. Bij alles wat de Israëlieten doen, is de Here present. Hij beziet nauwkeurig waar het volk mee bezig is. Hier gebeurt een groot wonder: de machtigste Vorst van heel de kosmos komt, om zo te zeggen, naar beneden.
Stel u voor dat de Amerikaanse president Trump zich in een krottenwijk vestigt! Stel u voor dat president Poetin middenin een Braziliaanse favela leven gaat!
Welnu, in Exodus 26 en volgende is de tegenstelling nog groter: de grote God kiest – om zo te zeggen – een woonplaats bij stofjes aan een weegschaal.

U weet het wel, na Pinksteren wordt het allemaal nog grootser: de Heilige Geest komt in de harten van Zijn kinderen wonen. De hemelse God gaat met ons mee.
De tabernakel laat het ons beseffen: de presentie van God in deze wereld is, op de keper beschouwd, een geweldig wonder!

Dit alles inmiddels zo zijnde, zou het ondenkbaar wezen dat mensen bij de Here weglopen.
Wat is het erg dat twee getrouwde mensen in één huis wonen, maar dat één zegt: ‘Ik ga in het vervolg ergens anders eten. Want die voeding van jou, daar kan ik niet alleen op leven. Eigenlijk hangt er permanent een bordje boven mijn leven: gaarne bijvoeren’!
Toegegeven: in onze maatschappij gebeurt het bovenstaande met een benauwende regelmaat. Maar normaal is het zeker niet.
En in de verhouding tussen God en mensen is het helemaal niet normaal. Niettemin gebeurt het wel! Leest u maar mee in Psalm 78:
“Zij verwekten Hem tot toorn door hun offerhoogten,
verwekten Hem tot na-ijver door hun afgodsbeelden.
God hoorde het en werd verbolgen,
Hij verachtte Israël zeer.
Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo,
de tent waarin Hij woonde onder de mensen.
Hij gaf Zijn macht over in gevangenschap,
Zijn luister in de hand van de tegenstander.
Hij leverde Zijn volk over aan het ​zwaard
en werd verbolgen op Zijn eigendom”[3].
De kerk bestaat uit mensen die, vanuit zichzelf, voortdurend zondige dingen bedenken. Steeds weer lopen zij, al of niet gedachteloos, het verkeerde pad op.
Wie dat beseft, realiseert zich eens te meer hoe genadig God eigenlijk is!

Asaf wijst er in Psalm 78 op dat God de tabernakel toornig verlaat.
Die aanwijzing kan voeding geven aan de gedachte dat de hemelse God ook zomaar weer bij ons weglopen kan.
Echter – dat denkbeeld is, bij nader inzien, tamelijk ongerijmd. De God van hemel en aarde is namelijk de trouwe Verbondsgod. Hij laat het werk van Zijn handen niet varen. Als het verbond verbroken wordt, ligt dat nooit aan de Here, maar altijd aan trouweloze kerkmensen!
Ten bewijze daarvan neem ik graag even mee naar Ezechiël 37. Daar worden Efraïm en Juda door de Here bij elkaar gevoegd. En wel op de tijd en de plaats die de hemelse God voor ogen heeft. Alle Israëlieten komen weer bijeen. Sterker: de Here brengt heel Zijn volk weer samen. Daar wordt Psalm 68 waar:
“Zij stromen samen van alom,
want, Here, naar uw heiligdom
gaat uit hun sterk verlangen
Ter wille van uw tempel, Heer,
brengt U Jeruzalem tot eer,
daar zult U lof ontvangen”[4].
In Ezechiël 37 staat dan: “Mijn tabernakel zal bij hen zijn, Ik zal een God voor hen zijn en zíj zullen een volk voor Mij zijn. Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, Die Israël heiligt, wanneer Mijn ​heiligdom​ voor eeuwig in hun midden zal zijn”[5].
Weet u waar de profeet Ezechiël feitelijk op doelt?
Ezechiël geeft in hoofdstuk 37 een vingerwijzing naar de toekomst. Jezus Christus, de Heiland, zal komen. Door Zijn Heilige Geest zal Hij Zich een woning verschaffen in het Israël van de toekomst.
De Heiland zal – om het zo uit te drukken – te midden van Zijn ganse volk ‘tabernakelen’.
En ik wil maar zeggen: laten wij in dezen vooral niet bij het Bijbelboek Exodus blijven staan!

Trouwens, ook de schrijver van de brief aan de Hebreeën nodigt ons van harte uit om verder te kijken dan onze neus lang is.
Leest u maar even mee in Hebreeën 8.
“De hoofdzaak nu van de dingen waarover wij spreken, is dit: Zo’n ​Hogepriester​ hebben wij, Eén Die Zich heeft gezet aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen. Hij is een Dienaar in het ​heiligdom​ en in de ware ​tabernakel, die de Heere heeft opgericht en niet een mens”[6].
Exodus 26, 27 en volgende… – dat is nog maar het begin. Jezus Christus is Middelaar van een veel beter verbond.
In Hebreeën 9 staat daarover te lezen: “…toen is ​Christus​ verschenen, de ​Hogepriester​ van de toekomstige heilsgoederen. Hij is door de meerdere en meer volmaakte ​tabernakel​ gegaan, die niet met handen is gemaakt, dat is: die niet van deze schepping is. Hij is niet door bloed van bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed eens en voor altijd binnengegaan in het ​heiligdom​ en heeft daardoor een eeuwige verlossing teweeggebracht”[7].

De tabernakel wijst ons uiteindelijk op eeuwige verlossing. De tabernakel wijst ons op onze definitieve woonplaats.
Daarom helpt de tabernakel ons voorbij te kijken aan eigen zorgen. Aan eigen ziekten.
De tabernakel geeft antwoord op een kernvraag die bijkans de hele wereld stelt: komt er ooit een eind aan al dat aardse gefröbel en gefriemel? Oftewel: is er nog wel hoop als in ons leven de zoveelste nooddruft voorbij komt?
Laat mij u wijzen op datgene dat hierboven staat: hij heeft Zich gezet aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen. Ja, dat leest u goed: de Heiland is gaan zitten. Zijn verlossingswerk heeft Hij helemaal klaargemaakt. Zijn reddingswerk is volbracht!

Exodus 26 en volgende geeft veel details over de bouw van de tabernakel. Het moet, om het maar ronduit te zeggen, precies zó en niet anders. En misschien vragen wij wel: had dat nu niet anders gekund? Of ook: al die bouwvoorschriften kunnen wij toch nimmer bevatten?

Maar laten wij dan maar weer even verder kijken.
Naar Ezechiël.
Naar Hebreeën.
En weer terug.
En laten wij het vervolgens maar zonder terughoudendheid en blijmoedig zeggen: Jezus Christus, de Heiland, is voor al onze zonden gestorven. Nee, Hij heeft niet per ongeluk één van onze kleinste zonden over het hoofd gezien.
Daarin ligt de reden dat wij onberispelijk voor de troon van God kunnen verschijnen.
Ja, ook op woensdag 21 februari 2018. Een doorsnee-doordeweekse dag. Met alle bekrompen toestanden van dien.
Ach, het kan ons niet meer deren.
Want wij hebben zicht op de tabernakel!

Noten:
[1] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 7.
[2] Vanavond staan Exodus 25 en 26 centraal tijdens een vergadering van de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Die vergadering vindt vanavond, woensdagavond 21 februari 2018, plaats. Dit artikel is een deel van mijn voorbereiding op die vergadering.
[3] Psalm 78:58-62.
[4] Psalm 68:11, Gereformeerd Kerkboek-1986.
[5] Ezechiël 37:27 en 28.
[6] Hebreeën 8:1 en 2.
[7] Hebreeën 9:11 en 12.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.