gereformeerd leven in nederland

30 september 2020

Dwalingen rond de erfzonde

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

“Want dit is het soevereine raadsplan, de genadige wil en het voornemen van God de Vader geweest, dat de levendmakende en reddende kracht van de kostbare dood van zijn Zoon ten goede zou komen aan alle uitverkorenen, om alleen hun het rechtvaardigend geloof te schenken en hen daardoor met vaste hand tot het volle heil te brengen. Anders gezegd: God heeft gewild dat Christus door zijn bloedstorting aan het kruis (waarmee Hij aan het nieuwe verbond rechtskracht verleend heeft) uit alle volken, stammen, geslachten en talen met kracht al diegenen – en hen alleen – zou verlossen, die de Vader van eeuwigheid tot het heil uitverkoren en aan zijn Zoon gegeven heeft. God heeft ook gewild dat Christus aan dezen het geloof zou schenken, dat Hij – evenals de overige reddende gaven van de Heilige Geest – door zijn dood voor hen verworven heeft. God heeft eveneens gewild dat Hij hen door zijn bloed zou reinigen van al hun zonden, zowel van hun erfzonde als van de zonden die zij voor of na het ontvangen van het geloof zouden bedrijven. En ook was het Gods wil dat Hij hen tot het einde toe trouw zou bewaren en hen tenslotte stralend zonder vlek of rimpel voor Zich zou plaatsen”.
Dat is de juichende taal van de Dordtse Leerregels[1].

In het leven van Gereformeerden vlamt voortdurend de blijdschap op: wij zijn gered!
Intussen wordt in het bovenstaande de macht van de zonde niet ontkend. Wij lezen over erfzonde. En over zonden die we doen nadat wij het geloof ontvangen hebben. Er zijn heel wat mensen die dat overdreven vinden. Op een website van de Evangelische Omroep staat te lezen: “Sommige christenen hebben inderdaad een overdreven beeld van erfzonde. (…) Natuurlijk zondigen baby’s niet actief – ze weten niet wat goed en kwaad is en kunnen er zeker niet tussen kiezen! De Bijbel praat nergens zo over kinderen. God heeft ons zorgvuldig gemaakt, dat staat er wel, ieder mens is ‘beeld van God’ en God bereikt zijn plannen via ‘de stemmen van kinderen en zuigelingen’. ‘Verdorven’ en dergelijke termen, die zijn dus nogal misplaatst”[2].
Nu is op het bovenstaande wel wat af te dingen. Want een ieder weet: baby’s zijn heus niet altijd voorbeeldig. Peuters en kleuters zijn vaak heel lief. Maar we hoeven er niet omheen te draaien: ze kunnen ook knap vervelend zijn!
Dat daargelaten – wat is het kernprobleem? Antwoord: hier zit de kwestie van de vrije wil achter. Oftewel: kunnen mensen zelf werken aan hun bekering tot God?
Er bestaat een rijmpje:
De vrije wil,
Dat is de spil
Waar ’t ganse rad om draait…
In feite zegt men dus: er is nog een beetje goede wil over. In verband hiermee schreef de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant E. Koop (1912-1990) eens: “Waarom maakten de Remonstranten scheiding tussen de verwerving èn de toepassing van het heil door Christus verworven? Wel, juist omdat zij wilden vasthouden aan de vrije wil ten goede. Want die wil is tenslotte de beslissende instantie! Juist daarom wilden zij van een particuliere, persoonlijke verzoening niet weten. De Uitwerking van het heil, door Christus verdiend, moet gebeuren door de vrije wil van de méns. Christus is volgens hen voor alle mensen gestorven. En Hij heeft voor allen door de dood des kruises verzoening en vergeving der zonden verdiend. Maar of iemand die rijkdom zal ontvangen, dat hangt van de souverein verklaarde mens zelf af”[3].
Het loont de moeite om in dit verband ook te wijzen op David Pareus. Dat was een Duitse theoloog. Hij was hoogleraar te Heidelberg, en schreef een brief met een duidelijke boodschap voor de Remonstranten: “Wat betekent dan voor u, Remonstranten, ‘sterven voor iemand’? Dat wil toch zeker zeggen, dat men een ander door zijn eigen dood van de dood bevrijdt, zodat die ander leve?” Hij wijst dan op Davids klacht over Absalom: ‘Och dat ik, ik voor u gestorven ware!’ Dat kan toch niet anders betekenen dan: ‘Och, dat ik door mijn dood uw leven kon vrijkopen of u van de dood verlossen’. Daarom betekent die bewering ‘Christus is voor allen gestorven’ hetzelfde als: door Christus’ offer zijn alle mensen bevrijd van de dood en is hun het leven bereid”[4][5].
Dat was een heel logische redenering. Maar de Remonstranten wilden er niets van weten…

De erfzonde is door de eeuwen door vele geleerden bestudeerd en geanalyseerd.
En geloochend, ook. Hieronder staan daar drie voorbeelden van.

Binnen het orthodoxe Jodendom wijst men het idee van de erfzonde af.
Iemand legt uit: “Volgens de orthodox Joodse visie heeft ieder mens twee neigingen in zich: tot het goede en tot het kwade. Maar hij is in staat om voor het goede en tegen het kwade te kiezen. Een mens heeft een vrije wil om het goede te doen. Dat betekent niet dat hij geen zonden kan begaan. Maar wanneer hij zonden begaat, kan hij weer verzoend worden met God. Daarvoor is boetedoening noodzakelijk. Hij moet wel oprecht berouw van zijn zonden hebben en zich ook vast voornemen om niet opnieuw te zondigen. Dit geldt zowel voor zonden ten opzichte van God als ten opzichte van de mens”[6].

En dan is er de van oorsprong Franse theoloog Josué de la Place – ook wel aangeduid als Josua Placeus – (circa 1596-circa 1655). De la Place hield zich intensief met de erfzonde bezig. De Gereformeerd-vrijgemaakte theoloog Piet Houtman schrijft over hem: “In de erfzonde worden, traditioneel, twee aspecten onderscheiden: erfschuld en erfsmet. Het laatste staat meestal centraal in de aandacht. Met die smet wordt onze zondige aard bedoeld, die van ouders op kinderen wordt doorgegeven. Het woord erfschuld duidt aan: de zonde maakt ons schuldig in Gods ogen; en ook die schuld gaat over van de eerste mensen op al hun nakomelingen.
Het onderscheid tussen erfschuld en erfsmet heeft een rol gespeeld in de discussie rond de zeventiende-eeuwse Franse theoloog La Place -Placeus-. Zijn leer werd door een synode veroordeeld, en ook in een Zwitsers belijdenisgeschrift. Hij verwierp de gedachte dat de schuld van ouders op kinderen wordt overgedragen; dat leek hem onrechtvaardig. Volgens hem komt alleen de zondige aard van ouders op kinderen over. Die kinderen zijn ook zondig en dáárom zijn ze schuldig. Placeus betoogt dat hij daarmee toch wel trouw is aan de leer van de erfzonde. De geldende leer zegt dat God de schuld van de eerste zonde, van Adam, aan ons toerekent. Placeus legt dat dan zo uit: die toerekening vindt plaats via het in zonde ontvangen en geboren worden; en niet rechtstreeks. In theologisch jargon: hij verwierp de ‘onmiddellijke toerekening’ en leerde de ‘middellijke toerekening’: de erfschuld wordt toegerekend alleen door middel van de erfsmet”[7].
Is het zo dat schuld van ouders op kinderen overgedragen wordt? Dat vindt La Place te dol.
Maar Gods Woord leert het ons echt: de mens staat vanaf het begin schuldig tegenover God; en die schuld wordt elke dag alleen maar groter. Denkt u in dit verband bijvoorbeeld maar aan Job 15:
“Wat is de sterveling dat hij zuiver zou zijn,
en dat hij, geboren uit een vrouw, rechtvaardig zou zijn?
Zie, zelfs op Zijn heiligen vertrouwt Hij niet,
en zelfs de hemel is niet zuiver in Zijn ogen.
Hoeveel te meer is dan een man afschuwelijk en verdorven
die het onrecht indrinkt als water!”[8].

De katholieke theologe Cecilia González-Andrieu zegt: Adams ongehoorzaamheid was niet het grote probleem; de kwestie was dat hij Eva de schuld gaf. Daardoor kwam er een deuk in de solidariteit van mensen[9].
Intussen gaat het door die denk-manoeuvre niet meer over de verhouding tussen God en mensen, maar tussen mensen onderling. Zo wordt de erfzonde een menselijke zaak.  

Laten wij maar gewoon Romeinen 5 blijven lezen: “Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen, en door de zonde de dood, en zo de dood over alle mensen is gekomen, in wie allen gezondigd hebben. Want totdat de wet er kwam, was er wel zonde in de wereld. Zonde wordt echter niet toegerekend als er geen wet is. Toch heeft de dood geregeerd van Adam tot Mozes toe, ook over hen die niet gezondigd hadden met eenzelfde overtreding als Adam, die een voorbeeld is van Hem Die komen zou”[10]. En: “Want zoals door de ongehoorzaamheid van de ene mens velen als zondaars aangemerkt worden, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van de Ene velen als rechtvaardigen aangemerkt worden”[11][12].

Noten:
[1] Dordtse Leerregels, hoofdstuk II, artikel 8.
[2] Geciteerd van https://visie.eo.nl/artikel/2014/09/lezersvraag-bestaat-die-erfzonde-wel ; geraadpleegd op dinsdag 29 september 2020.
[3] In het bovenstaande gebruikte ik onder meer: Ds. E. Koop, “De Dordtse Leerregels dichterbij gebracht”. – tweede druk. – Kampen: Uitgeverij Van den Berg, 1985. – p. 89.
[4] E. Koop, a.w., p. 89.
[5] Zie over David Pareus https://en.wikipedia.org/wiki/David_Pareus (Engelstalig); geraadpleegd op dinsdag 29 september 2020.
[6] Geciteerd van https://www.israelendebijbel.nl/nl/bijbelonderwijs/digitale-bijbelstudie/Erfzonde/352 ; geraadpleegd op dinsdag 29 september 2020. De uitleg is van prof. dr. P.A. Siebesma.
[7] Geciteerd van http://piethoutman.net/erfzonde/ ; geraadpleegd op dinsdag 29 september 2020.
[8] Job 15:14, 15 en 16.
[9] Zie hierover bijvoorbeeld https://www.trouw.nl/nieuws/de-erfzonde-is-het-kwaad-de-mens-eigen~b5d2c8cb/ ; geraadpleegd op dinsdag 29 september 2020.
[10] Romeinen 5:12, 13 en 14.
[11] Romeinen 5:19.
[12] De keuze van het onderwerp van dit artikel is ingegeven door het feit dat de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen Deo Volente vanavond zal vergaderen. Aldaar zal hoofdstuk II van de Dordtse Leerregels worden besproken. In verband met die vergadering publiceerde ik op woensdag 16 september 2020 hier het artikel ‘Wees dan waakzaam!’. Het artikel is te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2020/09/16/wees-dan-waakzaam/ .

29 september 2020

Voorbereiding op de toekomst

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Een goede eetlust is een zegen. Wie zich kan verheugen op de dagelijkse maaltijden heeft in het leven een hoop extra pret.
In Gods Woord gaat het ook regelmatig over maaltijden. En het bruiloftsmaal van Mattheüs 22 lijkt wel het toppunt van luxe. Want daar worden mensen voor uitgenodigd die nooit hadden gedacht dat zij aan de koninklijke dis zouden zitten.
Leest u maar even mee: “Toen zei hij tegen zijn dienaren: De bruiloft is wel bereid, maar de genodigden waren het niet waard. Ga daarom naar de kruispunten van de landwegen en nodig er voor de bruiloft zovelen uit als u er maar zult vinden”[1].

Wat gebeurt daar?
Een exegeet legt uit: “Als het volk van de stad de oproep heeft genegeerd, gebiedt de koning zijn knechten naar de pleinen van de wegen te gaan. Diexodos is geen kruispunt, zoals wij dat kennen, maar het is de plaats, waar een straat de stadsgrens passeert en in het open landschap uitmondt, met andere woorden – het is het eindpunt van de straat, een plein buiten of aan de rand van de stad (…). Hier bevond zich altijd veel volk, met name bedelaars, rovers en onreinen.

Het is duidelijk dat Jezus met het plein aan de rand van de stad en de woorden ‘nodig iedereen die je maar zult vinden uit’ hier profetisch over de heidense volkeren spreekt.

Binnen het evangelie van Mattheüs wordt hier de overgang voorbereid van een zending die beperkt was tot de ‘verloren schapen van Israël’ (…) naar een zending onder alle volkeren in de wereld”[2].
Dat is goed nieuws – het Evangelie is niet alleen voor Joden, maar voor alle wereldburgers. Een ieder mag zich aansluiten bij de Heiland der wereld!

Wat is daarvoor nodig? Antwoord: geloof in Gods beloften van vergeving en eeuwig leven.
Dat zien we ook in Johannes 2, waar water in goede wijn wordt veranderd. Dat is, om zo te zeggen, de aardse start van Christus’ werk. En ook daar gaat het over een bruiloft. Wij lezen: “Dit heeft Jezus gedaan als begin van de tekenen, te Kana in Galilea, en Hij heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen geloofden in Hem”[3].
De leerlingen beseffen: bij Hem moeten we wezen.
De leerlingen beseffen: als wij bij Hem blijven gaan wij een wonderlijk mooie toekomst tegemoet.
De leerlingen beseffen: als we Jezus volgen, worden wij voorbereid op de heerlijkheid. Toegegeven – dat overzien de leerlingen niet. Maar zij geloven: alles komt goed. Zij laten zich voorbereiden op een nieuwe toekomst.
In Mattheüs 22 is er één deelnemer aan de maaltijd die wel graag mee wil eten; hij laat die voorbereiding echter liever zitten. Wij lezen: “Toen de koning naar binnen was gegaan om de gasten te overzien, zag hij daar iemand die niet gekleed was in bruiloftskleding. En hij zei tegen hem: Vriend, hoe bent u hier binnengekomen terwijl u geen bruiloftskleding aan hebt? En hij zweeg. Toen zei de koning tegen de dienaars: Bind hem aan handen en voeten, neem hem mee en werp hem uit in de buitenste duisternis; daar zal gejammer zijn en tandengeknars. Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren”[4]. Men schrijft erbij: “De weg naar behoud is voor beide groepen gelijk. Uitverkoren, behouden, zijn alleen zij, die zowel de boodschap van het Evangelie aanvaarden (…) als ook als gevolg daarvan het nieuwe leven ontvangen”[5]

Het is belangrijk om het bovenstaande goed vast te houden. Het Evangelie moet worden aanvaard. Het Evangelie moet, in heel zijn lengte en breedte, met open armen worden ontvangen. Zonder voorwaarden, zonder reserve.
Wellicht zijn wij geneigd op te merken dat dat toch vanzelf spreekt. Maar in de praktijk blijkt dat niet altijd zo te zijn. De GKv en de NGK – de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) en de Nederlands Gereformeerde Kerken – heten ‘Gereformeerd’. Men zou dus zeggen: in de Gereformeerde belijdenisgeschriften spreken zij de Bijbel na. Maar dat ligt toch een beetje genuanceerder. Op een website die gewijd is aan de eenwording van GKV en NGK wordt geschreven: “We moeten eerlijk onder ogen zien dat die binding in veel gemeenten in beide kerkverbanden steeds minder functioneert’, signaleert Regiegroepvoorzitter Ad de Boer. ‘Daarbij speelt groeiende onbekendheid met de confessies een rol, maar ook dat kerkleden, inclusief ambtsdragers, zich steeds vaker vervreemd voelen van de taal en van delen van de inhoud van die eeuwenoude en contextbepaalde belijdenisgeschriften’”[6].
De belijdenisgeschriften staan dus ver van de mensen af. In feite betekent dat ook delen van het Evangelie ver van de mensen af staan. En eerlijk is eerlijk: in de GKv en de NGK is dat inderdaad op allerlei manieren te zien.
Dat kan dus zomaar met goedwillende christenen – Gereformeerden inbegrepen – gebeuren: ze wandelen zomaar bij God vandaan, bijna ongemerkt maar tóch. Gereformeerden moeten derhalve op scherp staan.
Met zekere regelmaat moeten zij de vraag onder ogen zien: bereiden we ons nog voor op het koninklijke bruiloftsmaal?

Eén ding is zeker: aan de God van hemel en aarde zal het niet liggen. Want nog altijd vinden we de dagelijkse dienstorder in Zijn Woord: “Ga daarom naar de kruispunten van de landwegen en nodig er voor de bruiloft zovelen uit als u er maar zult vinden”.
De grote God brengt Zijn kinderen bijeen. Ook vandaag.

Noten:
[1] Mattheüs 22:8 en 9.
[2] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Mattheüs 22:9.
[3] Johannes 2:11.
[4] Mattheüs 22:11-14.
[5] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Mattheüs 22:14.
[6] Geciteerd van https://onderwegnaar1kerk.nl/nieuwe-verankering/ ; geraadpleegd op vrijdag 25 september 2020.

28 september 2020

Bergen verzetten?

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

Er zijn gedeelten in het Woord van God waarvan men bij een eerste lezing denkt: dit is volkomen onmogelijk! Of ook: dit kan helemaal niet!
Neem nu Mattheüs 21: “Maar Jezus antwoordde en zei tegen hen: Voorwaar, Ik zeg u: Als u geloof had en niet twijfelde, zou u niet alleen doen wat er met de vijgenboom is gedaan, maar zelfs als u tegen deze berg zou zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen, dan zou het gebeuren”[1].
Zouden veel dingen in de wereld niet makkelijk worden als het vorenstaande werkelijk kon gebeuren? Dan kunnen gelovige mensen toch ook het coronavirus COVID-19 de wereld uit helpen? Dat zou prachtig wezen!

Een commentator schrijft: Jezus zegt niet “dat Zijn discipelen in concrete zin bergen zullen moeten verplaatsen, maar Hij spreekt overdrachtelijk en met een hyperbool. Hij belooft een ieder die gelooft een aandeel aan Zijn volmacht en aan de kracht van het Koninkrijk van God, die nu onder meer zichtbaar wordt in de macht over demonen en ziekten”[2].
De overdrijving van Mattheüs 21 kennen wij ook wel. Bijvoorbeeld in: ‘de regen viel met bakken uit de hemel’ en: ‘Ik heb een eeuw staan wachten’.

Die opmerking van Jezus volgt op een merkwaardig incident: Jezus vervloekt een vijgenboom omdat er geen vruchten aan zitten. In die vloek zit iets dreigends. Als de toorn van de Heiland losbarst, kan men blijkbaar in een oogwenk worden weggevaagd.
Maar in dat statement over het geloof zit vooral veel troost. Wie Jezus volgt bevindt zich niet in de hoek waar de klappen vallen. Hij gaat immers achter de Machthebber van deze wereld aan?
Jezus zegt: “En alles wat u in het gebed vraagt, in geloof, zult u ontvangen”[3]. Met andere woorden – wie in het gebed tot God gaat zet een machtig middel in! Sterker nog: de almachtige God staat aan zijn zijde!

Het was de Gereformeerd-vrijgemaakte dominee I. de Wolff (1901-1976) die in een preek over Mattheüs 21 eens opmerkte: “… laten we toch niet voorbijzien, dat Christus van ons geen tovenaars en kunstenaars maakt, maar ambtsdragers. En ambtsdrager zijn wil zeggen, dat we zo volstrekt gebonden zijn aan de wil van Christus en aan de wil van God met betrekking tot onze dienst, dat we alleen maar doen en begeren te doen wat God wil; zoals geschreven staat van de Christus, dat hij niets deed dan wat die Vader hem getoond heeft. God moet ons tonen wat ons werk is. Dat moeten we van hem afbidden”.
Gods kinderen beschikken niet over magische krachten – nee, dat niet. Maar zij leven mét en werken vóór God. Zij zijn met alle vezels van hun bestaan aan Hem verbonden. Zij leven vol liefde en passie voor hun Heiland. Daarom schrijft de apostel Paulus in 1 Corinthiërs 13 ook: “En al zou ik de gave van de profetie hebben en alle geheimenissen weten en alle kennis bezitten, en al zou ik al het geloof hebben zodat ik bergen zou verzetten, maar ik had de liefde niet, dan was ik niets”[4].

Maar, zucht iemand wellicht, mijn geloof is soms zo zwakjes, zo fragiel, zo breekbaar. Dat kan best zo zijn. Moeten wij dan op zoek naar meer geloof? Moeten wij een speurtocht organiseren naar een beter geloof, misschien? Ei neen! Het is het beste als wij gewoon aan het werk gaan, in het leven van alledag. Wij moeten zogezegd in training. Paulus schrijft in zijn eerste brief aan Timotheüs: “Want de oefening van het lichaam is van weinig nut, maar de godsvrucht is nuttig voor alle dingen, omdat zij de belofte van het tegenwoordige en van het toekomende leven heeft”[5].

De hierboven reeds geciteerde dominee de Wolff zei in die preek over Mattheüs 21 ook: “Dan zal het geloof krachtig blijken. Als het maar gevoed wordt uit de Schrift en versterkt door het gebed. Want dat geloof is wereldoverwinnend, het zal tot grootse dingen in staat blijken, het zal het aller-geweldigste vermogen… de hemel beërven; want door het geloof zullen we koninkrijken verkrijgen. Geweldiger dan dat een berg verschoven wordt is, dat een zondaar de heilige hemel zal binnen gaan, om er de eeuwige genieting van God te ontvangen. Bij het sterfbed van Gods kind wordt de waarheid van Christus’ woord bevestigd. Als het geloof overgaat in het heerlijk aanschouwen van de eeuwige Vader in het aangezicht van Jezus Christus”[6].

Anno Domini 2020 zijn wij in onze wereld tot veel in staat. Maar bergen verzetten? Nou nee. Dat is wat lastig. Het virus COVID-19 bestrijden? Ook dat lukt nog niet goed. De maatschappij is nog altijd niet maakbaar. Maar wie de Machthebber van hemel en aarde volgt zal grootse dingen zien.
Nee, dat is geen grootspraak. Dat is een geloofszaak!

Noten:
[1] Mattheüs 21:21.
[2] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Mattheüs 21:21.
[3] Mattheüs 21:23.
[4] 1 Corinthiërs 13:2.
[5] 1 Timotheüs 4:8.
[6] De preek van ds. De Wolff heeft als tekst: Mattheüs 21:18-22 en is gedateerd op dinsdag 25 september 1945.

25 september 2020

Het Evangelie klinkt door de eeuwen heen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Jezus spreekt in Mattheüs 10 een troostrijk woord: “Worden niet twee musjes voor een penninkje verkocht? En niet een van die zal op de aarde vallen buiten uw Vader om. En ook de haren van uw hoofd zijn alle geteld. Wees dus niet bevreesd, u gaat veel musjes te boven”[1].

Die tekst is voor velen zeer troostrijk. Waarom? Omdat alle mensen in dezelfde positie blijken te staan. Wij zijn allen afhankelijk van de Here, onze God. Directeuren zijn net zoveel waard als de mensen op de werkvloer in de fabriek. De minister-president staat in hetzelfde rijtje als de vuilnisman. Alle kinderen van God worden overkoepeld door de beschermende kracht van Vader.

Wij moeten echter niet vergeten in welke context dat woord staat. Wat is het verband? De discipelen worden gewaarschuwd. Als zij het Evangelie van verlossing en eeuwig leven gaan verkondigen zullen zij veel tegenstand ontmoeten. Zelfs een verblijf in de gevangenis moet niet worden uitgesloten. Maar één ding is zeker: Jezus’ leerlingen zullen altijd woorden hebben om Gods blijde Boodschap te blijven proclameren. Zelfs een rechtbank zal er niet in slagen om de discipelen met stomheid te slaan. Ook als de dood komt is er geen reden tot paniek. Want de God van hemel en aarde zal al Zijn kinderen een woonplaats geven in Zijn heerlijkheid.
De Heiland laat Zijn volk van alle tijden dus weten: kom maar vrijmoedig voor het Evangelie uit. En: u staat onder mijn speciale bescherming; men kan u het leven niet ontnemen!

Steeds weer heeft Gods volk de neiging zich af te keren van Gods regels en wetten. Dan kijkt men naar de samenleving waar men in leeft. En naar de cultuur waarmee men omringd is. En naar menselijke intelligentie. Maar Jezus zegt: mensen kunnen u niet redden; u krijgt Thuiszorg vanuit de hemel, daarmee kunt u het leven in.
Ook hier geldt een woord dat dominee J.C. Sikkel (1855-1920) eens noteerde: “Nooit heeft Hij zijn Bondsvolk weggezonden. Nooit heeft Hij tot één der kinderen van zijn Volk gezegd: “Zoek Mij tevergeefs!”[2].  

Exegeten becommentariëren Mattheüs 10 onder meer als volgt: “De discipelen mogen nooit denken dat de Vader hen vergeet. Hij zorgt zelfs voor de mussen, het goedkoopste, hoeveel te meer zal Hij dan voor het duurste, de kroon van Zijn schepping, zorgen?”.
En:
“Jezus zegt hier niet dat zijn volgelingen geen vervolging en zelfs martelaarschap kan overkomen, maar wel dat wanneer dit hen overkomt, het plaatsvindt binnen Zijn plan en heerschappij”[3].

Niet één van die musjes zal op de aarde vallen buiten onze Vader om. Dat is een troost voor de kerk. En daarbij mag zij het zeker weten: de verkondiging van het Evangelie gaat door. Als iemand ergens een deur dicht doet, gaat elders een venster open.
De profeet Jesaja predikte het reeds in hoofdstuk 55: “Want zoals regen of sneeuw neerdaalt van de hemel en daarheen niet terugkeert, maar de aarde doorvochtigt en maakt dat zij voortbrengt en doet opkomen, zaad geeft aan de zaaier en brood aan de eter, zo zal Mijn woord zijn dat uit Mijn mond uitgaat: het zal niet vruchteloos tot Mij terugkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe Ik het zend”[4].

Oude mensen, die al een lang leven op aarde achter de rug hebben, vragen het zich wel eens af: hoeveel zin heeft al dat werk van mij gehad? Soms zijn zij geneigd hun werk wat te relativeren: het had beter gekund, het had anders gemoeten … – u weet hoe dat gaat.
Maar zullen we dan niet vergeten dat de Heiland alles in de hand heeft? Hij stuurt de kerk de wereld in. Hij laat het Evangelie van verlossing overal en nergens verkondigen. Door volwassen mensen. En door kinderen. In de preek en in de praktijk. Het Evangelie klinkt door de eeuwen heen.
Jonge mensen, die – naar de mens gesproken – nog lang op aarde zullen leven, moeten maar beseffen dat er nog helemaal niemand in is geslaagd om ervoor te zorgen dat Gods Woord uit de wereld is verbannen. De vermaning van de Prediker is ook anno Domini 2020 nog volop actueel: “Denk aan uw Schepper in de dagen van uw jeugd, voordat de kwade dagen komen en de jaren naderen waarvan u zeggen zult: Ik vind er geen vreugde in”[5].

Laten wij maar terugkeren naar Mattheüs 10.
Jezus zegt daar ook: “Ieder dan die Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is. Maar wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is”[6].
Het galmt door de wereld en al Gods kinderen horen het: mensen, zet door en blijf Gods Woord trouw en blijmoedig bekendmaken!
Laten we ons, hier op aarde, maar realiseren dat de Heiland onze verrichtingen op aarde nauwgezet volgt. En Hij zegt tegen Zijn Vader: Hij is een trouw kind van Mij. Hij zegt tegen Zijn Vader: zij volhardt blijmoedig in haar geloof; zij hoort bij Ons!

Nee, Evangelieverkondiging is geen klusje voor een achternamiddag. Het is een kwestie van lange adem. Maar juist als het moeilijk is mogen we blijven zingen tot eer van God. En als zingen niet meer lukt mag neuriën ook:
“Zelfs vindt de mus een huis, o HEER,
de zwaluw legt haar jongen neer
bij uw altaren in uw woning.
Laat mij bij U zo thuis zijn, HEER.
Want daar is vrede; ik begeer
bij U te zijn, mijn God en Koning!
Welzalig wie daar wonen mag,
hij zingt uw lof van dag tot dag”[7].  

Noten:
[1] Mattheüs 10:29, 30 en 31.
[2] J.C. Sikkel, “Troost Mijn volk”, deel I, p. 299. Geciteerd via http://www.gereformeerdkerkbladdebazuin.nl/artikel/470 ; geraadpleegd op woensdag 23 september 2020.
[3] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaren bij Mattheüs 10:29 en Mattheüs 10:31.
[4] Jesaja 55:10 en 11.
[5] Prediker 12:1.
[6] Mattheüs 10:32 en 33.
[7] Psalm 84:2 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986.

24 september 2020

Zijn Woord is waar en zuiver

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Als de hemelse God Zich in Openbaring 1 aan Johannes presenteert, is dat groots en imposant. Hij is schitterend gekleed; het is duidelijk dat Iemand van hoge komaf Zich aan de wereld toont. Hij draagt een riem van goud. Zijn hoofd en haar zijn blinkend wit. Zijn gezicht doet denken aan een hete zomerdag; de zon schijnt volop. Zijn ogen lijken wel een laaiend vuur. Zijn voeten zien eruit als koper dat blinkend gepoetst is. Zijn stem doet sterk denken een brede en hoge waterval. Uit Zijn mond komt een scherp zwaard. Dat voorspelt strijd. De wereld moet er op rekenen dat de Here ingrijpt!
Aan alles is het te zien: hier zien we de opgestane Christus!
In Openbaring 1 staat het zo: “En ik keerde mij om, om de stem te zien die met mij had gesproken. En toen ik mij had omgekeerd, zag ik zeven gouden kandelaren. En te midden van de zeven kandelaren zag ik Iemand Die op de Zoon des mensen leek, gekleed in een gewaad tot op de voeten, en op de borst omgord met een gouden gordel; en Zijn hoofd en haar waren wit, als witte wol, als sneeuw, en Zijn ogen waren als een vuurvlam, en Zijn voeten waren als blinkend koper, gloeiend gemaakt in een oven, en Zijn stem klonk als het geluid van vele wateren. En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand en uit Zijn mond kwam een tweesnijdend scherp zwaard; en Zijn gezicht was zoals de zon schijnt in haar kracht”[1].

Die grote God laat de wereld niet aan haar lot over. De kerk spreekt nog altijd de Nederlandse Geloofsbelijdenis na: God heeft “in zijn bijzondere zorg voor ons en ons behoud zijn knechten, de profeten en apostelen, geboden zijn geopenbaarde Woord op Schrift te stellen, en zelf heeft Hij met zijn vinger de twee tafelen van de wet geschreven. Hierom noemen wij zulke geschriften heilige en goddelijke Schriften”[2].

Nu klinkt dit alles prachtig. Monumentaal. Veelomvattend
Maar om ons heen klinkt de vraag: hoe weet de kerk zo zeker dat de Bijbel echt waar is? Mensen met grote verbale kwaliteiten stellen die vraag met een stellige overtuiging, een betere zaak waardig. En men geeft vlotjes het antwoord: de Bijbel is niet waar; het boek past in een lange rij van religieuze uitingen. Jaja, men zou bijna gaan twijfelen aan de Waarheid.
Intussen is een aantal Godsgezanten vermoord vanwege hun geloof in de Here Jezus Christus. Denkt u bijvoorbeeld maar aan de dood van Johannes, in Marcus 6[3]. En aan het sterven van Stefanus in Handelingen 7[4]. Het is natuurlijk niet zo dat Johannes, Stefanus en zovele anderen hun reputatie en heel hun leven opofferden voor een leugen. Dat zou onzin zijn!
Er is meer.
Tot op heden zijn meer dan 5300 Griekse manuscripten en meer dan 24.000 handgeschreven kopieën of gedeelten van het Nieuwe Testament gevonden. Al die manuscripten wijken op kernpunten niet van elkaar af.
En dan zijn er nog de archeologische vondsten. Uit het Oude Testament zijn alleen al meer dan 50 namen van personen teruggevonden.
Gods Woord is door meer dan veertig schrijvers geschreven. Die mensen hadden uiteenlopende beroepen: koning, arts, visser enzovoort. Dat schrijven deed men in een periode van 1600 jaar, vanuit drie continenten. Toch is de Bijbel één geheel: er zijn bijna 64.000 verwijzingen in de Bijbel naar andere Bijbelteksten[5]. Dat kan geen toeval zijn.

Jezus Christus spreekt het ware Woord. Gods stem klinkt als een waterval, als een bruisende zee. Een exegeet noteert bij Openbaring 1 onder meer: “Daarin komt de kracht van Zijn woord tot uitdrukking waarmee Hij het vonnis zal uitspreken. De kracht van Zijn stem zal elk weerwoord in de kiem smoren. Het zal in niemand opkomen Zijn vonnis te betwisten”[6].

Tenslotte – de kerk leest Openbaring 1, vol geloof en in vast vertrouwen op Gods beloften. Daarom kan zij instemmen met Psalm 18:
“Alleen Gods weg kan tot het doel geleiden,
zijn woord is waar en zuiver t’ allen tijde.
Hij is een schild, een schuilplaats in de strijd,
voor al wie bij hem zoekt naar veiligheid”[7].

Noten:
[1] Openbaring 1:12-16.
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 3.
[3] Marcus 6:25-28.
[4] Handelingen 7:59 en 60.
[5] Zie hierover: Bijbelvast, uitgave van het Logos Instituut, nr 1, mei 2020, p. 12.
[6] Geciteerd van https://www.oudesporen.nl/Download/OS1736.pdf , p. 22; geraadpleegd op dinsdag 22 september 2020.
[7] Dit zijn regels uit Psalm 18:9 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986.

23 september 2020

Herrie rond Hillsong Church

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Burgemeester Halsema van Amsterdam doet alles om de vrije beleving van homofiele gevoelens te bevorderen. Als kerken daar een grens aan lijken te stellen, komt zij haastig uit haar stoel. Nogal overhaast, soms ook.
Een voorbeeld daarvan zien we in het volgende bericht.
“Christelijke partijen in de raad van Amsterdam zijn verbaasd dat burgemeester Halsema de verhuurder van een pand aan de Hillsongkerk op het matje roept.
Halsema wil een ‘ernstig gesprek’ voeren met de huurbaas van de Hillsongkerk, omdat die ‘pinksterkerk’ intolerant zou zijn jegens homo’s. De Amsterdamse burgemeester benoemde de kwestie donderdag in een raadsdebat over geweld tegen homo’s, berichtte het Parool. ‘Als er signalen zijn dat gemeenschappen homogenezing prediken of aanbieden, dan treden we daarmee in contact om te laten weten dat we daar niet van gediend zijn’, citeert de krant Halsema. ‘We geven netjes aan dat we geen bevoegdheden hebben, maar dat weerhoudt ons er niet van om een ernstig gesprek te voeren, bijvoorbeeld met de verhuurder van Hillsong’”.

Hillsong? Wat is dat?
Dat is een keten van pinkstergemeenten. De wortels ervan liggen in Australië. Wikipedia leert ons: “De diensten definiëren zich door een modern relevant karakter waarbij ze op alle terreinen -muziek, multimedia, presentatie, prediking, gastvrijheid- willen excelleren en zo de kerkdienst als een positieve beleving aanbieden zonder op leer of inhoud te willen inboeten.
De kerk wordt vanuit Sydney geleid door seniorpastors-echtpaar Brian en Bobbie Houston en heeft geen geregistreerde leden. Met bezoekersaantallen boven de tweeduizend man kan de kerk op veel locaties gedefinieerd worden als een megakerk”[1].

Burgemeester Halsema gaat dus een ernstig gesprek voeren.
Maar burgemeester Halsema stapt niet naar de leidinggevenden van Hillsong. Zij stapt naar de verhuurder.
Dat is merkwaardig. Want die verhuurder heeft uiteraard weinig te maken met leer en praktijk van Hillsong. De ChristenUnie vraagt dan ook: “Waarom gaat de burgemeester het gesprek voeren met de verhuurder van een religieuze gemeenschap? Heeft de burgemeester al eerder geprobeerd om contact op te nemen met de kerk en met hen gesproken? Zo nee, is de burgemeester niet van mening dat dat een veel zorgvuldigere stap is?”[2].
Wij moeten niet uitsluiten dat de verhuurder zegt: ‘Laten wij een kop koffie drinken’. En vervolgens: ‘Het verhuurcontract is op orde. En overigens bemoei ik mij niet met leer en leven van Hillsong. Ik wens u verder een fijne dag’. En dat is dat. Het moge duidelijk zijn: met de ernst van dat gesprek zal het waarschijnlijk wel meevallen.
Eerlijk gezegd lijken de uitlatingen van de Amsterdamse burgemeester thuis te horen in de categorie: veel geschreeuw, weinig wol. Misschien is dit bedoeld als een vingerwijzing voor gans het volk, inzonderheid ruim 870.000 Amsterdammers: ‘Think about it! The mayor is watching you…!’.  
   
De journalist Jeffrey Schipper schreef terecht: “Als de burgermoeder zich wat beter in het christendom en de Hillsong-kerk had verdiept, had ze niet zo hoeven schrikken. “’Hillsong is een gastvrije kerk voor iedereen, ongeacht geaardheid’, laat de onafhankelijke onderzoeker Miranda Klaver weten. ‘Homofobie of homo’s ‘genezen’ ben ik niet tegengekomen’. De aankondiging van de voormalig GroenLinks-leider is bovendien een klap in het gezicht van dit homostel dat er bewust voor kiest om Hillsong trouw te blijven en zich in deze volgens Halsema ‘homofobe’ gemeenschap thuis voelt.
Wat deze kwestie nog erger maakt is de timing. De tik op de vingers van Hillsong volgt na recente gevallen van homogeweld in Amsterdam. Nu overheerst het beeld dat dit geweld wordt gekoppeld aan de visie van Hillsong op het terrein van huwelijk en seksualiteit. Met andere woorden: iedere christen die is aangesloten bij een orthodox-christelijke kerk is een potentiële potenrammer. Honderdduizenden onschuldige en fatsoenlijke kerkgangers zijn door Halsema, misschien onbedoeld, in het verdachtenbankje geplaatst. In plaats van het aanpakken van de échte daders van het homogeweld kiest de burgemeester voor een ‘ernstig gesprek’ met een willekeurige kerk”[3].

Wat maakt het voorgaande duidelijk?
In ieder geval dit: er is een strijd gaande tussen de God en de duivel. Laten wij elkaar goed begrijpen – schrijver dezes stelt beslist niet dat burgemeester Halsema zelf een duivel is. Allesbehalve dat. Sterker nog: er zijn momenten dat zij reuze sympathiek óverkomt.
Wij allen – kerkmensen en seculieren – dienen echter terdege te beseffen dat in deze wereld twee legers tegenover elkaar staan: Gods kinderen en de soldaten van de duivel. Paulus schrijft daar in Efeziërs 6 ook over: “Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van de duisternis van dit tijdperk, tegen de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten”[4]. Dat betreft een strijd op leven en dood. Zie 1 Petrus 5: “Wees nuchter en waakzaam; want uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, op zoek naar wie hij zou kunnen verslinden”[5]. Wij vinden dat motief ook in Zondag 52 van de Heidelbergse Catechismus: “Wij zijn van onszelf zó zwak, dat wij zelfs geen ogenblik kunnen standhouden, en bovendien houden onze doodsvijanden – de duivel, de wereld en ons eigen vlees – niet op ons aan te vechten”[6].
Dat is de stand van zaken.

Aan die stand van zaken kijkt de burgemeester van Amsterdam voorbij. Via een sluipweg wil zij een kerkgemeenschap aanpakken.
Wat kunnen gelovigen dan nog doen? Antwoord: zij kunnen bidden. In de eerder reeds geciteerde Zondag 52 belijden wij: “Daarom bidden wij U: wil ons toch staande houden en sterken door de kracht van uw Heilige Geest, zodat wij in deze geestelijke strijd niet het onderspit delven, maar altijd krachtig tegenstand bieden, totdat wij uiteindelijk de volkomen overwinning behalen”.
Laten wij ook maar bidden dat gelovigen in Nederland bij de voortduur recht gedaan zal worden. Net als David in Psalm 26:
“O, HERE, doe mij recht!
In onschuld leeft uw knecht,
mijn wandel is naar uw gebod.
Ik blijf op U vertrouwen,
op U, mijn rotssteen, bouwen;
 ik wankel niet, o HEER, mijn God”[7].

Noten:
[1] Geciteerd van https://nl.wikipedia.org/wiki/Hillsong ; geraadpleegd op maandag 21 september 2020.
[2] Geciteerd van https://www.rd.nl/vandaag/binnenland/onbegrip-over-actie-burgemeester-halsema-tegen-hillsongkerk-1.1695950 ; geraadpleegd op maandag 21 september 2020.
[3] Geciteerd van https://jjcschipper.home.blog/2020/09/20/is-hillsong-voor-burgemeester-halsema-een-grotere-vijand-dan-de-radicale-islam/ ; geraadpleegd op maandag 21 september 2020.
[4] Efeziërs 6:12.
[5] 1 Petrus 5:8.
[6] Heidelbergse Catechismus – Zondag 52, antwoord 127.
[7] Psalm 26:1 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.