gereformeerd leven in nederland

9 augustus 2018

Achter het voorhangsel

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Gereformeerden hebben hoop op de toekomst. Dat is geen hoop van het type: we hopen maar dat die toekomst komt, maar wij weten niets zeker. De God van hemel en aarde geeft geweldige garanties. Daarom hebben Gereformeerden zekerheid.

In Hebreeën 6 wordt die zekerheid als volgt verwoord.
“Deze hoop hebben wij als een ​anker​ voor de ziel, dat vast en onwrikbaar is en reikt tot in het binnenste heiligdom, achter het voorhangsel. Daar is de Voorloper voor ons binnengegaan, namelijk ​Jezus, Die naar de ordening van Melchizedek ​Hogepriester​ geworden is tot in eeuwigheid”[1].

Achter het voorhangsel – die term brengt ons eerst naar Leviticus 16.
En naar de grote Verzoendag.
Eenmaal per jaar is er de dag dat het volk verzoend wordt voor God. Eenmaal per jaar gaat de Hogepriester in de tent van ontmoeting het Heilige der Heiligen binnen.
Even gaat dat prachtige gordijn, het voorhangsel, opzij. De Hogepriester mag verzoening doen. Voor heel het volk. Het wordt weer goed tussen God en Zijn kinderen!

In Leviticus 16 staat het zo: “Dit is voor u tot een eeuwige verordening: u moet in de zevende maand, op de tiende dag van de maand, uzelf verootmoedigen en geen enkel werk doen, de ingezetene niet, en de ​vreemdeling​ die in uw midden verblijft, evenmin. Want op deze dag wordt voor u ​verzoening​ gedaan om u te ​reinigen. Van al uw ​zonden​ wordt u voor het aangezicht van de HEERE gereinigd. Het is voor u ​sabbat, een dag van volledige rust, opdat u uzelf verootmoedigt. Dit is een eeuwige verordening. En de ​priester​ die men ​gezalfd​ en gewijd heeft om in de plaats van zijn vader als ​priester​ te dienen, moet de ​verzoening​ doen, als hij de ​linnen​ kleren, de ​heilige​ kleren, heeft aangetrokken. Zo moet hij het ​heilige​ ​heiligdom​ verzoenen. De tent van ontmoeting en het ​altaar​ moet hij verzoenen en hij moet voor de ​priesters​ en voor heel het volk van de ​gemeente​ ​verzoening​ doen. Dit is voor u tot een eeuwige verordening om voor de Israëlieten eenmaal per jaar ​verzoening​ te doen voor al hun ​zonden. En men deed zoals de HEERE ​Mozes​ geboden had”[2].

Achter het voorhangsel komen – dat is heel bijzonder.
Achter het voorhangsel komen – dat wil zeggen dat de zonden vergeven worden!
Gods kinderen worden schoon!
Vuilheid en zonden worden weggedaan!
Dat is de boodschap van Leviticus 16.

Achter het voorhangsel – die term staat dus ook in Hebreeën 6.
Een uitlegger noteert daarbij: “Zoals de hogepriester ieder jaar binnenging in het heilige der heiligen, achter ‘het voorhangsel’, zo mag de gelovige steeds zijn hoop blijven vestigen op Jezus Christus, die eens voor altijd het ware heilige der heiligen, nl. de hemel (…) is binnengegaan (…). Eis-erchomenen (binnengaande) is een praesensvorm, die aangeeft dat de hoop voortdurend binnengaat, zich voortdurend richt op Jezus Christus”[3].

Jezus Christus ging voor ons uit.
Hij heet Zijn kinderen te Zijner tijd van harte welkom in de hemel.
Onze Hogepriester staat paraat!
Maar die Hogepriester is ook Koning. Net als Melchizédek, in het Oude Testament. Wij komen Hem tegen in Genesis 14:18: “En Melchizédek, de ​koning​ van Salem, bracht brood en ​wijn; hij was een ​priester​ van God, de Allerhoogste”[4].
Melchizédek liet al iets zien van Jezus Christus: Offer-brenger en Koning tegelijk!

Jezus Christus bracht eenmalig het offer tot verzoening van onze zonden.
Na Zijn lijden, sterven en opstanding betrad Hij koninklijk de hemel. Daar zet Hij Zijn regeerwerk voort.
En nogmaals: Hij heet Zijn kinderen te Zijner tijd van harte welkom in de hemel!

Dat geeft het leven perspectief.
Die geloofskennis opent de deur naar de toekomst.

Heel wat filosofen maken zich over die toekomst niet zo druk. En soms negeren zij die toekomst gewoon.
Als voorbeeld noem ik de Duitse wijsgeer Martin Heidegger (1889-1976)[5].

Eén van de belangrijkste vragen waar Heidegger zich mee bezig hield was: wat is de zin van het bestaan, en hoe krijg je daar zicht op? ‘Dasein’ noemde hij dat.
Mensen staan in de wereld. Zij gaan met elkaar om.
De zin van het bestaan is: de tijd.
Mensen zijn in een bepaalde omgeving geworpen. Heidegger noemt dat: geworpenheid.
Mensen geven vorm aan hun eigen leven. Heidegger noemt dat: ontwerp.
Geworpenheid en ontwerp komen samen in het heden. In het leven van vandaag dus. Je maakt keuzes. Je doet dingen op jouw manier. Heidegger noemt dat: articulatie.

En waar doe je het dan allemaal voor?
Heidegger zegt: de authentieke mens realiseert zich dat het naar de dood toe gaat. Sein-zum-Tode noemt hij dat.

Iemand schreef: “De filosoof Martin Heidegger zegt: het leven is een ballenbak. Zo eentje bij de Ikea. Ik zit in zo’n ballenbak en jij ook, maar niet per se samen. In de kern zit jij er alleen en ik ook. Het is krankzinnige situatie. Je ouders zijn gaan shoppen maar zijn vergeten(?) je weer op te halen. Het personeel is naar huis en andere kinderen ook. Net was je nog fijn aan het spelen en nu gapen de felgekleurde ballen je aan. Wat is dit?
Het leven is zo’n ballenbak. Je weet niet precies hoe het kan dat je hier bent (ja tuurlijk, via je ouders, maar die hebben je niet eerst toestemming gevraagd). Niemand weet precies wat-ie moet doen en wat goed is. En niemand weet hoe het na het leven verder gaat. Kortom: krankzinnig, bizar, angstaanjagend.
Heidegger zegt: en daar begint de filosofie. Bij de erkenning dat het leven krankzinnig is – en dan bij de vraag hoe je daar precies mee moet omgaan”[6].

Ergens las ik: “Door te zeggen: ‘Men sterft’, probeert de enkeling te vergeten dat hij zelf moet sterven, dat zijn eigen dood onverbiddelijk op hem afkomt. Pas de schaduw van de eigen dood die over ons bestaan valt, maakt dit bestaan belangrijk.
De boodschap van Heidegger is: trouw zijn jegens het eigen ik, echtheid, vastbeslotenheid, zichzelf zijn”[7].

Martin Heidegger is een voorbeeld van een filosoof die zegt: het leven moet hier op aarde geleefd worden, en daarna is het uit.
En dat is een levensfilosofie die, als het puntje bij het paaltje komt, door massa’s wereldburgers gedeeld wordt.
Echtheid, zichzelf zijn – daar hebben velen immers de mond vol van.

Wij zouden kunnen zeggen: Martin Heidegger heeft met zijn wijsbegeerte zijn tienduizenden verslagen.
Al zijn volgelingen wandelen als eenlingen door de wereld, richting een zwaar gordijn. Dat gordijn heeft overigens een schitterend design; men moet het aardse leven een beetje aankleden, nietwaar? Maar achter dat gordijn… is niets. Diepe duisternis. Leegte. Een eindeloos vacuüm.

Welnu, daartegenover staat Hebreeën 6.
Wij moeten weten: onze Voorloper is ons voorgegaan.
Wij mogen belijden: te Zijner tijd zullen wij, om zo te zeggen, achter het hemelse voorhangsel kijken.
Wij hebben de zekerheid dat wij dan een leven vol geluk en vrede zullen leiden. De Here Jezus Christus, onze Heiland, zal Zijn trouwe kinderen aldaar van harte welkom heten!

Noten:
[1] Hebreeën 6:19 en 20.
[2] Leviticus 16:29-34.
[3] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Hebreeën 6:19 en 20.
[4] Genesis 14:18.
[5] Zie voor algemene informatie over hem https://nl.wikipedia.org/wiki/Martin_Heidegger ; geraadpleegd op donderdag 26 juli 2018.
[6] Geciteerd van https://www.gerkotempelman.nl/filosofen/heidegger/ ; geraadpleegd op donderdag 26 juli 2018.
[7] Geciteerd van https://mens-en-samenleving.infonu.nl/filosofie/35035-martin-heidegger-vertegenwoordiger-van-het-existentialisme.html ; geraadpleegd op donderdag 26 juli 2018.

8 augustus 2018

De boodschap van de brand

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

‘Wereldwijd brand en verzengende hitte’.
Aldus kopt het Nederlands Dagblad op woensdag 25 juli 2018.
En daaronder staat: “Droogte, wind en hitterecords leiden tot apocalyptische taferelen in Griekenland, Zweden, Californië, Algerije en Japan”[1].
Dat zijn alarmerende woorden in de krant!
Apocalyptische taferelen nog wel!

Het is belangrijk om bij dergelijke berichten Gods Woord te openen.
En dan moeten we concluderen: geduld is een schone zaak; dat geldt zeker als we nadenken over het Goddelijk beleid.

Als er in de kerkgeschiedenis iemand veel geduld heeft moeten oefenen, dan was het Abraham wel. Pas toen zijn Sara en hij hoogbejaard waren, kwam er een zoon. Die zoon was door God beloofd – inderdaad. Maar het echtpaar heeft lang op Isaäk moeten wachten!
Maar wat meer is: God heeft Zich aan Zijn eed gehouden!

Over die eed noteert de schrijver van de brief aan de Hebreeën in hoofdstuk 6: “Mensen ​zweren​ immers bij Iemand die hoger is dan zijzelf, en de eed, die hun tot bevestiging dient, is het eind van alle tegenspraak. Omdat Hij aan de erfgenamen van de belofte overvloediger de onveranderlijkheid van Zijn raadsbesluit wilde bewijzen, heeft God die bekrachtigd met een eed, opdat wij door twee onveranderlijke dingen, waarin het onmogelijk is dat God zou liegen, een sterke troost zouden ontvangen, wij die bij Hem de toevlucht genomen hebben om de hoop die voor ons ligt, vast te houden”[2].

De kerk heeft te maken met haar betrouwbare God!

In die tekst hierboven gaat het over twee onveranderlijke dingen. Welke twee zijn dat dan?
a.
De belofte – die geeft al garanties. Denkt u maar aan Numeri 23, waar de profeet Bileam namens de Here tegen koning Balak zegt: “God is geen man, dat Hij liegen zou, of een mensenkind, dat Hij ergens ​berouw​ over hebben zou. Zou Híj iets zeggen en het dan niet doen? Zou Híj spreken en het niet gestand doen?”[3].
b.
De eed – die geeft nog meer garanties. Denkt u hierbij maar aan de eed van Psalm 110:
“De HEERE heeft gezworen
en Hij zal er geen ​berouw​ van hebben:
U bent ​Priester​ voor eeuwig,
naar de ordening van Melchizedek”[4].
Over Psalm 110 schrijft een uitlegger onder meer: “In de psalm komt naar voren dat de HERE een speciale relatie heeft met de vorst in Sion. Hij schenkt aan de koning een erepositie en gebruikt hem om Gods volk te beschermen en de vijanden ten onder te brengen. De koning ontvangt ook priesterlijke voorrechten op een wijze die Melchizédek had. Israël heeft steeds het diepe besef gehad dat de HERE de God van de gehele aarde is en dat Hij het waard is overal gediend te worden. Uiteindelijk zal met alle tegenstand afgerekend worden. Hoe gewelddadig dit ook op ons overkomt, het gaat uiteindelijk om Gods recht op aarde”[5].
Met andere woorden:
Gods volk geniet speciale bescherming. Het volk, en de koning die dat volk regeert, moeten gezamenlijk beseffen dat de hemelse Koning Heerser van de hele aarde is. De aarde is Zijn schepping! Zijn eigendom!
We spreken wel eens over mensenrechten. Maar hier gaat het over het recht dat God op de aarde mag laten gelden. Hij heeft de almacht om Zijn plannen door te zetten.

Hij heeft alle mogelijkheden om Zijn kinderen naar de hemelse heerlijkheid te brengen.
De krachten van de hemel zijn geweldig!
Onvoorstelbaar!
En ja – wij mogen het gerust tegen elkaar zeggen: we zijn onderweg naar de stad. De stad waarvan God de Bouwer en de Ontwerper is. In de verte zien we de skyline van de stad al[6].
Wij mogen ons realiseren dat de Heilige Geest in ons leven de leiding heeft. Hij geeft de energie om de eindstreep te halen![7]

Als u het mij vraagt zijn die wereldwijde brand en die verzengende hitte samen een attentiesein voor kerk en wereld.
Jazeker – het is ook een signaal voor de kerk in Nederland. Wij moeten ons realiseren dat onze Heiland in aantocht is. Nee, wij kunnen niet precies zeggen op welke datum Hij arriveren zal.
Maar al Zijn kinderen, ook die in Nederland, weten: Hij komt eraan.
Zij weten: wij moeten met Zijn komst rekening houden.
Zij weten: wij moeten Hem verwachten.
Zij weten: wij moeten niet in paniek raken, maar geduldig en gelovig blijven. En dan geldt: ora et labora – bid en werk.

Dat zo zijnde is het natuurlijk logisch dat kinderen van God in één land zich gaan verzamelen. Zij zullen zich moeten verenigen.
En dan vraag je je, met betrekking tot de Nederlandse situatie, af:
* waarom is de kerkelijke verdeeldheid zo groot?
* waarom komen – bijvoorbeeld – de Gereformeerde Kerken in Nederland (DGK) en de Gereformeerde Kerken Nederland (GKN) niet bij elkaar?
We kunnen zeggen: dat ligt aan de harde harten van mensen. En dat is waar.
Maar de kernvraag is: willen wij samen het geduld opbrengen om op Hem te wachten, om vervolgens samen achter Hem aan te gaan?
Natuurlijk kunnen we een lang verhaal houden over oorzaken en gevolg, over ergernissen en frustraties. Dat verhaal laat ik achterwege. Ik herhaal slechts die kernvraag: willen wij samen het geduld opbrengen om op Hem te wachten, om vervolgens samen achter Hem aan te gaan?

Nog één ding.
In het boek ‘Ankerplaatsen van het geloof’ worden negen ankerplaatsen van het geloof genoemd[8][9]. Waar vinden gelovige mensen houvast? Antwoord: dat vinden ze in de Bijbel, in de kerk,  tijdens de preek, in de traditie, de schepping, de ervaring of de menselijke rede.
In dat boek wordt een aantrekkelijk en boeiend beeld geschetst: “In het geloof voel ik me net als een vlieg aan het plafond. Op z’n kop, geen grond onder hem, maar van boven wordt hij vastgehouden”.
Dat is mooi gezegd.
Alleen maar: dat beeld klopt niet. Want geloof is namelijk geen synoniem voor passiviteit. Geloof leert ons om, werkende weg, te wachten op Gods tijd.
In al onze drukte kunnen wij dan toch zingen:
“De HERE is getrouw en sterk,
Hij zal zijn werk voor mij voleinden.
Verlaat niet wat uw hand begon,
o levensbron, wil bijstand zenden”[10].
Zo slagen we erin om geduldig te blijven.
Zo kunnen we Jezus Christus, onze Heiland, volgen; op weg naar de laatste dag van dit aardse bestaan.

Noten:
[1] Nederlands Dagblad, woensdag 25 juli 2018, p. 1.
[2] Hebreeën 6:16, 17 en 18.
[3] Numeri 23:19.
[4] Psalm 110:4.
[5] Geciteerd uit de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Psalm 110 (‘Boodschap’).
[6] Zie hiervoor ook mijn artikel ‘De smaak te pakken’, hier gepubliceerd op maandag 6 augustus 2018. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2018/08/06/de-smaak-te-pakken/ .
[7] Zie hiervoor ook mijn artikel ‘Met ongekende pracht’, hier gepubliceerd op dinsdag 7 augustus 2018. Te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2018/08/07/met-ongekende-kracht/ .
[8] In deze alinea gebruik ik http://www.hvanveen.nl/2015/07/hebreeen-6-19-20a-ver-anker-d-in-god/ ; geraadpleegd op woensdag 25 juli 2018.
[9] De gegevens van dat boek zijn: Willem Maarten Dekker, Bert Karel Foppen, Bert de Leede, Koos van Noppen (redactie), “Ankerplaatsen: waar geloven houvast vindt”. – VBK Media (Boekencentrum B.V.), 2015. – 144 p.
[10] Psalm 138:4; berijmd, Gereformeerd Kerkboek-1986.

7 augustus 2018

Met ongekende kracht

De krachten van de hemel zijn enorm groot.
Als wij ons daar iets bij voorstellen, moeten we altijd bedenken: het is groter… nog luisterrijker… nóg magnifieker!

God – onze God – is fenomenaal en majestueus. Moeiteloos slaagt Hij er in om alle wereldburgers, hoofd voor hoofd, aan te sturen. Iedere minuut van de dag. En ja, ook ’s nachts.
Aldus gebeuren er goede, christelijke dingen in de wereld. God geeft ons er de gaven voor. Hij creëert de omstandigheden. Hij geeft de mogelijkheden.
En toch komt al dat werk op onze naam te staan. Wonderlijk maar waar!

Leest u maar mee in Hebreeën 6: “Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten en de liefdevolle inspanning die u Zijn Naam bewezen hebt, doordat u de ​heiligen​ gediend hebt en nog dient. Maar wij verlangen ernaar dat ieder van u dezelfde inzet toont, tot volle zekerheid van de hoop, tot het einde toe, opdat u niet traag wordt, maar navolgers bent van hen die door geloof en geduld de beloften beërven”[1].
Laat ik, in verband hiermee, enkele zinnen uit de Dordtse Leerregels in herinnering brengen: “En wanneer de wil vernieuwd is, wordt hij niet alleen door God geleid en bewogen; maar door God in beweging gebracht, werkt hij ook zelf. Daarom wordt terecht gezegd dat de mens zelf gelooft en zich bekeert door de genade, die hij ontvangen heeft”[2].
Met andere woorden:
als we – na een groots Goddelijk werk – op gang zijn gebracht, willen we ook niet meer anders.

Als wij ons dat realiseren gaan we – bijvoorbeeld – Zondag 48 van de Heidelbergse Catechismus beter begrijpen.

De bede ‘Uw koninkrijk kome’ betekent: “Regeer ons zo door uw Woord en Geest, dat wij ons steeds meer aan U onderwerpen; bewaar en vermeerder uw kerk; verbreek de werken van de duivel en alle macht die tegen U opstaat; verijdel ook alle boze plannen die tegen uw heilig Woord bedacht worden; totdat de volmaaktheid van uw rijk komt, waarin U alles zult zijn in allen”[3].
Dus:
de God van hemel en aarde buigt onze wil om. En daarna worden we ook zelf actief. Als lid van de militia Christi gaan wij de strijd aan!

Vervolgens is het wel zaak om vol te houden. Wij moeten volharden zolang wij adem hebben.

Bij de formulering van de vorenstaande zin heb ik gedacht aan een boek waarin ervaringen van een longarts beschreven staan[4]. Deze arts behandelt veel patiënten met longkanker. Van de honderd patiënten blijven er slechts vijftien in leven. De dokter heeft afgeleerd om ‘Het valt wel mee’ te zeggen; dat doet het namelijk meestal niet. De dokter doet buitengewoon moeilijk werk!
De Engelse arts Cicely Saunders, één van de grondleggers van hospices en palliatieve zorg zei over haar werk eens: ‘Leven toevoegen aan de dagen, niet dagen aan het leven’[5].
Wie dat leest, beseft: wat liggen troost en verdriet soms dicht bij elkaar![6]

Als wij dat tot ons laten doordringen worden wij bepaald bij het antwoord op de vraag: wat is nu echt leven?
Het antwoord daarop luidt: wij weten zeker dat Jezus Christus terugkomt! Het Koninkrijk Gods breekt in alle volheid aan, schrijft iemand[7]. Kijk, dat is echt leven. Dan vangt het nieuwe leven aan.

Geloof en geduld: die twee zaken moeten Gereformeerde mensen vastgrijpen, zo lang als zij dat kunnen. En zij kunnen die beide dingen steeds in gedachten houden. Ook als zij zwakker worden. Ook als zij misschien wel snakken naar adem!

In Hebreeën 10 staat geschreven: “Werp dan uw vrijmoedigheid niet weg, die een grote beloning met zich meebrengt. Want u hebt volharding nodig, opdat u, na het volbrengen van de wil van God, de vervulling van de belofte zult verkrijgen. Want: Nog een heel korte tijd en Hij Die komt, zal komen en niet uitblijven”[8].
Dat woord ‘vrijmoedigheid’ heeft daar de kleur van: innerlijke zekerheid, vertrouwen[9].
Daar horen we, om zo te zeggen, de echo van Hebreeën 6.

Het is vakantietijd.
Na een druk kerkelijk seizoen ademen wij nu rustig in en uit.
Wij herademen, zogezegd.
Wij recreëren met diepe overgave en grote vreugd.
En dan kan ons, in een strandstoel, opeens de gedachte bekruipen: volgend seizoen moet ik het maar wat rustiger aan doen; dat is beter voor mij.
Laten wij, als wij zulke dingen denken, ook beseffen dat de Heilige Geest ons aanstuurt en dat God krachten geeft: laten wij vooral niet bang worden dat wij op een bepaald moment moe zullen wezen!
En trouwens: onze God werkt altijd.
Hij leidt ons door Zijn Woord en Geest.
Hij beschermt en vermeerdert Zijn kerk.
Het werk van de duivel maakt Hij uiteindelijk kapot.
Alle andere machten zullen ook stuk gemaakt worden.
De planning van iedereen die zich bezighoudt met het ondermijnen van Gods Woord en van het geloof wordt uiteindelijk totaal in de war geschopt.
Zo komt Gods Koninkrijk eraan, in al zijn glorie en volmaaktheid. Inderdaad, met ongekende kracht. Ongelooflijk, maar waar!

Noten:
[1] Hebreeën 6:10, 11 en 12.
[2] Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 12.
[3] Heidelbergse Catechismus – Zondag 48, antwoord 123.
[4] De gegevens van dit boek zijn: Sander de Hosson, “Slotcouplet. Ervaringen van een longarts”. – Amsterdam: De Arbeiderspers, 2018. – 215 p.
[5] Zie over Cicely Saunders https://nl.wikipedia.org/wiki/Cicely_Saunders ; geraadpleegd op dinsdag 24 juli 2018.
[6] Zie hierover ook: Willy Wouters-Maljaars, “In stille kamers, achter dichte deuren”. In: Puntkomma, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, vrijdag 20 juli 2018, p. 11.
[7] Citaat uit de onlineversie van de Studiebijbel, commentaar bij Hebreeën 6:11: “d.w.z. de zekerheid dat bij de wederkomst van Christus het Koninkrijk Gods in alle volheid aanbreekt en zij in de heerlijkheid van Christus zullen delen”.
[8] Hebreeën 10:35, 36 en 37.
[9] Zie de onlineversie van de Studiebijbel, commentaar bij Hebreeën 10:35.

6 augustus 2018

De smaak te pakken

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

De krachten van de hemel zijn geweldig!
Onvoorstelbaar!
Er zijn, op de keper beschouwd, op aarde geen goede woorden om die energie te beschrijven!

Het bovenstaande heb ik niet helemaal zelf bedacht.
Het zijn gedachten naar aanleiding van de brief aan de Hebreeën.

In hoofdstuk 6 spreekt de schrijver over mensen die geproefd hebben van de hemelse gave.
Dat wil zeggen: mensen die vol zijn van de Heilige Geest.
Dat betekent: mensen die de smaak van Gods Woord te pakken hebben gekregen.
Dat houdt in: mensen die ontdekt hebben welke Goddelijke energieën in de hemel gebruikt worden. En inderdaad, energietekórt is in de hemel ten enenmale onbekend.
Welnu – zegt de Hebreeënschrijver –: stel je voor dat mensen die van dat alles geproefd hebben, zich toch weer van God afkeren.
Als mensen die keuze gemaakt hebben is het onbegonnen werk uiteindelijk weer bij de kerk terug te brengen.

Zulke mensen lijken wel kinderen.
Kinderen krijgen in hun opvoeding wel eens te horen: ‘Dat moet je niet doen! Je moet het zus of zo aanpakken…’.
Sommige kinderen luisteren daarnaar.
Maar andere kinderen zie je bijna denken: ‘Ja, dat kunnen pappa en mamma wel zeggen, maar ik doe het lekker toch zo’. En vervolgens doen ze hun eigen zin. Gewoon omdat dat lekkerder voelt. Of omdat ze zich tegen pappa en mamma af willen zetten. Ja, pappa en mamma kunnen hen nog veel meer vertellen…!

Die Hebreeënschrijver zegt in hoofdstuk 6 tegen de christenen aan wie hij zijn brief richt: zulke mensen bent u toch niet? Ach welnee! U bent geestelijk volwassenen!
En omdat u volwassen bent hoef ik de basisregels van het Evangelie hier niet weer neer te zetten. Die weet u namelijk allang.
Het is u genoegzaam bekend hoe de wereld in elkaar zit. U weet wel wat goed is. U begrijpt best wat kwaad en niet oké is.
Dat hoef ik u echt niet allemaal meer uit te leggen.

In de woorden van Hebreeën 6 klinkt dat als volgt.
“Laten wij daarom het eerste onderwijs met betrekking tot ​Christus​ laten rusten, en doorgaan tot de volmaaktheid, zonder opnieuw het fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God, van de leer van de dopen, van de handoplegging, van de opstanding van de doden en van het eeuwig oordeel. En dat zullen wij ook doen, als God het toestaat. Want het is onmogelijk om hen die eens verlicht zijn geweest, die de hemelse gave geproefd hebben en deelgenoot zijn geworden van de ​Heilige​ Geest, en die het goede Woord van God geproefd hebben en de krachten van de komende wereld, en die daarna afvallig worden, weer opnieuw tot bekering te brengen, omdat zij voor zichzelf de ​Zoon van God​ opnieuw ​kruisigen​ en openlijk te schande maken”[1].

De aanduiding Hebreeën verwijst onder meer naar Heber, en meer in zijn algemeenheid naar de Oudtestamentische Israëlieten.
Een exegeet noteert over de Hebreeënbrief: “De brief is gericht aan bekeerde Joden (…) Deze Joden hadden zich bekeerd en waren volgelingen van Christus geworden, waardoor ze heel wat verdrukking ondervonden van Joodse zijde (….). Aanvankelijk hadden ze dat alles met blijdschap verdragen, maar de zwaarte en de duur van het lijden maakte zich voelbaar. Daardoor werden sommigen nalatig en dreigden het geloof te verliezen en terug te keren tot het jodendom (…). Dat laatste, het geloof verlaten en tot het jodendom terugkeren, is het opzettelijk zondigen waarover gesproken wordt”[2].
Die toelichting maakt de inzet van Hebreeën 6 een stukje begrijpelijker.
Er zijn nogal wat mensen die denken dat Paulus de schrijver van de brief aan de Hebreeën is. Zeker weten doen we dat echter niet.

Hoe dat zij – Hebreeën 6 zegt ook tegen de kerk van vandaag: ‘De krachten van de hemel zijn geweldig! Onvoorstelbaar!’.

Het is augustus 2018.
In de vakantie genieten velen van bijzondere uitzichten. Op het vasteland. Of op een eiland. Die uitzichten zijn mooi.
Niet zo lang geleden – het was op zaterdag 21 juli 2018 – genoten mijn vrouw en ik met enkele vrienden op het Duitse waddeneiland eiland Borkum van het uitzicht over de zee. Het is mooi om dat ontspannen te kunnen doen.
In de verte voer een groot schip. Zo te zien vervoerde het een booreiland, of delen daarvan. Wat een techniek!
Het is twintig jaar geleden dat iemand schreef: “Dat techniek het leven van mensen, vooral ook in onze cultuur, beheerst, is zo duidelijk als wat. Of moesten we zeggen: zo onduidelijk als wat? Het is nauwelijks voorstelbaar nog zonder te kunnen. Vakanties lijken soms nog bedoeld om techniek af te schudden. In Amerika rijden vele vakantiegangers rond in grote vrachtwagens die omgebouwd zijn als caravan. Het is verrassend en gênant tegelijk te zien wat zij allemaal aan techniek met zich meevoeren, tot aan bubbelbaden toe. Techniek stempelt het leven van mensen. Het is als water voor een vis. Een vis weet pas wat water is, als hij ligt op de kar van de visboer”[3].
Welnu, vandaag zijn we zover dat de techniek ons ook in de vakantie ondersteunt. Smartphones en laptops nemen we mee op vakantie. Ansichtkaarten zijn goeddeels vervangen door korte filmpjes of chatsessies.
Al met al is ons uitzicht anno Domini 2018 behoorlijk veranderd. Wie zijn horizon wil verleggen kijkt op internet. Wie zijn uitzicht wil verbeteren gebruikt Twitter of Instagram.
Maar de vragen die voor Gereformeerden nogal wat belangrijker zouden moeten wezen, zijn deze:
* hebben we nog uitzicht op de hemel?
* gebruiken we iets van de hemelse kracht, waarvan we de smaak te pakken gekregen hebben?
 

We mogen tegen elkaar zeggen: we gaan naar de stad!
En dat is dan de stad die in Hebreeën 11 aangewezen wordt: Abraham “verwachtte de stad die fundamenten heeft, waarvan God de Bouwer en Ontwerper is”[4]. En: “Maar nu verlangen zij – de geloofsgetuigen – naar een beter, dat is naar een hemels vaderland. Daarom schaamt God Zich niet voor hen om hun God genoemd te worden. Want Hij had voor hen een stad gereedgemaakt”[5].
In de verte zien we de stad al liggen.
Vanuit die stad schijnt een groot licht.
In die stad zien we een groots en zeer bijzonder schijnsel: “…de stad heeft de zon en de maan niet nodig om haar te beschijnen, want de heerlijkheid van God verlicht haar, en het Lam is haar ​lamp”[6].

De krachten in die stad zijn geweldig!
Onvoorstelbaar!
Daarom: óp naar de toekomst!

Noten:
[1] Hebreeën 6:1-6.
[2] Geciteerd van http://www.oudesporen.nl/Download/OS1506.pdf , p. 1 ; geraadpleegd op maandag 23 juli 2018.
[3] Drs. J.W.G. Meissner, “Techniek, om gek van te worden?”. In: Driestarbundel, november 1998, p. 84-97. Meissner verwijst naar in noot 3 naar H. van Riessen, “Mondigheid en machten”, 1970.
[4] Hebreeën 11:10.
[5] Hebreeën 11:16.
[6] Openbaring 21:23.

3 augustus 2018

Oordeel en troost

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

“Het Woord, dat is Christus zelf, is al lang niet meer de norm voor het leven in onze natie; de maatschappij wordt gedreven door de beginselen van afgoderij, zoals het pragmatisme en het materialisme.
Hoe zal een christelijk-sociaal getuigenis er vandaag dan uitzien? Voorheen had de kerk in ons land tot taak de weg aan te geven waarlangs de natie moet gaan om het predikaat ‘christelijke notie’ te honoreren. Die taak blijft de kerk vervullen.
Maar nu men daarnaar niet meer luisteren wil en de beginselen van de afgoderij normerend zijn geworden voor de voortgang der samenleving, nu zal het waarschuwend oordeel niet mogen ontbreken in ons spreken tot de natie. Dat moge hard klinken, maar we kunnen er niet onderuit. Zelf zullen we ook moeten blijven rekenen met het oordeel, dat God ongetwijfeld laat komen als de maat van zoveel hardnekkige eigenzinnigheid vol is”.

Het citaat hierboven ziet er een beetje dreigend uit, vindt u ook niet?
Het zijn woorden die door mijn vader, H.P. de Roos te Haren, geschreven werden. Vandaag is mijn vader 91 jaar geworden. Ik haal zijn activiteiten als schrijver van artikelen graag eens naar voren.
Mijn vader schreef de bovenstaande woorden in juli 1972 in het Nederlands Dagblad[1].

Mijn vader schrijft over pragmatisme. Dat wil zeggen: de waarheid kun je zien in de praktische toepasselijkheid van een theorie. De praktische consequenties zijn belangrijk; de rest doet er niet zoveel toe.
Mijn vader schrijft over materialisme. Dat wil zeggen: de normen en waarden van een samenleving worden bepaald door de materiële omstandigheden waarin men verkeert. Geld en bezit zijn belangrijk; vergeet de rest maar – daar komt het op neer.

Welnu, in die omstandigheden moet de kerk een waarschuwing laten horen.
De kerk moet zeggen: er is meer dan alleen de praktijk, meer dan alleen maar voorspoed!

Trouwens, de kerk zelf moet ook rekening houden met het eindoordeel dat onze God zal vellen.

Dat brengt mij bij enkele woorden uit 1 Petrus 4. Namelijk deze: “Want nu is het de tijd dat het oordeel begint bij het huis van God; en als het eerst bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen die het ​Evangelie​ van God ​ongehoorzaam​ zijn?”[2].
Met andere woorden:
* de kerk kent het Evangelie
* het gedrag van de kerk steekt dus heel nauw
* maar hoe zal het aflopen met de mensen die zich van God en gebod niets aantrekken?

In de eerste brief van Petrus worden drie zaken aan de orde gesteld:
* de verlossing en de levensheiliging
* het gezag en het huwelijk
* het lijden en de volharding[3].

De tekst die ik hierboven citeerde komt uit dat laatste stuk, over het lijden en het volhardend geloven.

Wees maar niet bang, schrijft Petrus. Vertel maar waarom u hoopvol bent!
Dat levert geregeld pijnlijk commentaar op – jazeker. Maar het is nog niets bij het lijden en het sterven van onze Heiland, de Here Jezus Christus.
Christus heeft de dood overwonnen!
Onze God doet, om zo te zeggen, niets liever dan het redden van Zijn kinderen. In het Oude Testament haalde Hij Noach en de zijnen uit een totaal bedorven wereld. Zij verdronken niet in de zondvloed.
In de huidige tijd zien we daar ook iets van terug. Kinderen van God zijn gedoopt. Zij hebben in de kerk een water-teken ontvangen. Door de doop werd het duidelijk: God wil deze jongetjes en meisjes redden; Hij zette deze kinderen apart, en beschermt hen in een zwaar beschadigde wereld.

Als je apart gezet bent, ga je natuurlijk niet met allerlei dingen meedoen waarin God totaal genegeerd wordt. Dat spreekt vanzelf. Dat past daar niet op. Zo werkt dat niet.
Door God gered zijn, dat geeft je een nieuwe status in het leven. Dat laatste speelt natuurlijk een grote rol in het leven van mensen die zich pas onlangs tot God bekeerd hebben. Maar ook mensen die van jongs af gelovig zijn moeten op dit punt attent zijn. De wereld ziet er, van de buitenkant bekeken althans, altijd veel aantrekkelijker uit dan de kerk.
Niet-kerkelijke mensen vinden dat maar een vreemd gedoe.
Niet meedoen – dat heeft iets van spelbrekerij. En nee, dat voelt niet leuk.
Maar uiteindelijk zal God de daden van alle mensen beoordelen.
Schaam je dus vooral niet voor je christenzijn. Wees maar niet bang; vertel maar waarom je hoopvol bent![4]

Bij de kerk is het oordeel eigenlijk al begonnen.
Dat klinkt nogal dreigend. Wat hangt ons boven het hoofd?
Wie het bovenstaande tot zich door laat dringen, begrijpt echter al wel dat het in 1 Petrus 4 niet een en al donder en bliksem is.
Immers, als je een kind van God ga je je als vanzelf anders gedragen.
Dan ga je ook begrijpen dat in 1 Petrus 4 ook staat: “Daarom, laten ook zij die lijden naar de wil van God, hun zielen aan Hem, als de getrouwe Schepper, toevertrouwen in het doen van het goede”[5].
Je vertrouwt je aan de Here toe. Want dan gaat het goed!

Zo gaan wij op weg naar de toekomst.
Op weg naar het einde van deze wereld.
Onderweg kunnen de burgers van deze wereld in twee kampen worden verdeeld:
* mensen die met en voor God leven
* mensen die denken het wel zonder God af denken te kunnen.

Wij zijn op weg naar een nieuwe toekomst. Naar een toekomst waarin eigenzinnigheid verdwenen is. Naar een toekomst waarin geluk en vrede nooit meer kapot gemaakt kunnen worden.

Met het oog daarop schreef mijn vader indertijd: “Tot zolang vatten wij met steeds hernieuwde moed onze christelijk-sociale taak op, ons aldus onderscheidende van ‘deze wereld’ met haar materialisme en egoïsme. De sociale kwestie raakt ons wel, maar zal ons nimmer overmogen”.

De sociale kwestie? Wat is dat?
De term ‘sociale kwestie’ stamt uit de negentiende eeuw. Het werd indertijd ook wel het arbeidersvraagstuk genoemd. Het was een verzamelnaam voor de slechte woon- en arbeidsomstandigheden, vrouwen- en kinderarbeid, hongerlonen en massale werkloosheid in Nederland[6].
Natuurlijk, anno 2018 is de situatie in Nederland ingrijpend veranderd. Maar wie de werkvloer van bedrijven en instanties met zekere regelmaat betreedt, weet dat egoïsme en rechtsongelijkheid nog al te vaak aan de orde van de dag zijn.
Ook vandaag voeren kinderen van God hun christelijk-sociale taak uit. Dat betekent: vanuit Gods Woord, en in het kader van Gods wet, dragen zij zorg voor het welzijn van hun medemensen.

Nee, dat is niet gemakkelijk.
Wij hebben in onze maatschappij allen te maken met oneerlijkheid en onrechtvaardigheid. Wij zitten allemaal wel eens in de hoek waar de klappen vallen. Maar dat alles “zal ons nimmer overmogen”; we worden er niet door platgewalst!
Wie de Bijbel leest, blijft altijd in staat om over moeilijke omstandigheden heen te kijken. Een Schriftgedeelte als 1 Petrus 4 leert ons:
* de kerk moet de wereld waarschuwen: mensen, sluit u aan bij de Heiland!
* de kerk mag ook troost bieden: in de hemel heeft de sociale kwestie afgedaan; en we gaan naar die toekomst toe!

Dit artikel begint met een citaat, dat in heden ten dage wellicht enigszins dreigend overkomt.
Maar laten wij ons niet vergissen.
Want op de achtergrond van die waarschuwing staat het schitterende Evangelie van onze redding. Een blijde boodschap voor verleden, heden en toekomst!

Noten:
[1] “De sociale kwestie in de welvaartstijd”. In: Nederlands Dagblad, maandag 10 juli 1972, p. 5 (rubriek ‘Sociaal zoeklicht’).
[2] 1 Petrus 4:17.
[3] Zie voor deze indeling http://christipedia.nl/index.php?title=Artikelen/P/Petrus%2C_zijn_brieven ; geraadpleegd op vrijdag 20 juli 2018.
[4] Zie voor het bovenstaande 1 Petrus 3:13-4:16.
[5] 1 Petrus 4:19.
[6] Zie hiervoor ook https://nl.wikipedia.org/wiki/Sociale_kwestie ; geraadpleegd op vrijdag 20 juli 2018.

2 augustus 2018

In voor- en tegenspoed

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

“Zouden wij het goede wel van God ontvangen en zouden we het kwade niet ontvangen?”[1]. Dat vraagt Job aan zijn vrouw in hoofdstuk 2 van het gelijknamige Bijbelboek. Zij had tegen hem gezegd: “Houd je nog steeds vast aan je vroomheid? Zeg God vaarwel en sterf”[2].

De echtgenote van Job spreekt woorden waarachter een ook nu nog bekende vraag ligt: waarom laat God de ellende toe terwijl Hij ook macht heeft om ons welstand en welvaart te geven?
Welnu, Job zegt impliciet: ons leven is in Gods hand, in voor- en tegenspoed.
Dat is iets om ook anno Domini 2018 vast te houden.
Daarom noteer ik het nog eens: ons leven is in Gods hand, in voor- en tegenspoed.

Laten wij eerst even naar de historie van Job kijken.

De naam Job betekent: de vijandig behandelde[3].
In het Bijbelboek Job vinden we eerst het droevige verhaal van al het onheil dat Job treft.
Daarna volgen lange gesprekken met drie vrienden: Elifaz, Bildad en Zofar.
Die vrienden zeggen tegen Job: je hebt vast en zeker een grote zonde gedaan; anders overkomt dit jou niet. Die vrienden blijven dat standpunt met verve verdedigen.
Dat laat Job echter niet gebeuren! En in zijn verdediging gaat hij heel ver. Hij roept God ter verantwoording: waarom is dit eigenlijk allemaal geschied?
Er is nog een vierde vriend, Elihu. Elihu is een wijze man. Hij wijst erop dat wij allen tot op het bot zondig zijn. Eigenlijk hebben wij allemaal de grootste ellende verdiend. Ieder mens heeft de Verlosser nodig!

Wat zullen wij van deze dingen zeggen?

Debiteren die eerste drie vrienden – Elifaz, Bildad en Zofar – alleen maar onzin? Welnee. Zij zeggen allerlei dingen die, op zichzelf genomen, waar zijn.
Vandaar dat Paulus in 1 Corinthiërs 3 rustig refereert aan Job 5. Paulus schrijft: “Want de wijsheid van deze wereld is dwaasheid bij God, want er staat geschreven: Hij vangt de wijzen in hun sluwheid”[4]. Paulus woorden voeren ons, zoals gezegd, terug naar op Job 5:
“Hij vangt de wijzen in hun eigen sluwheid,
zodat de raad van hen die slinks zijn, mislukt”[5].
Maar die drie vrienden knopen de waarheden op een zodanige manier aan elkaar dat er nu een nieuwe boodschap ontstaat. Die boodschap werd hierboven al verwoord: als je in grote problemen komt, is dat jouw eigen schuld; dan heb je een grote zonde begaan!
En dat, geachte lezers, is beslist niet waar.
In Johannes 9 speelt in de geschiedenis van de blindgeborene hetzelfde probleem. En daar zegt Jezus: “Hij heeft niet gezondigd en zijn ouders ook niet, maar dit is gebeurd, opdat de werken van God in hem geopenbaard zouden worden”[6].
Wij moeten letten op Gods werk.
Daarom luisteren wij naar Gods Woord in de kerk.
Want dan staan wij sterk!
Job berispt dus zijn vrouw: “Zouden wij het goede wel van God ontvangen en zouden we het kwade niet ontvangen?”.
In hoofdstuk 1 was Job alles kwijtgeraakt. Toen zei hij al: “Naakt ben ik uit de buik van mijn moeder gekomen en naakt zal ik daarheen terugkeren. De HEERE heeft gegeven en de HEERE heeft genomen; de Naam van de HEERE zij geloofd!”[7].

Is die belijdenis nu eigenlijk niet onmenselijk? Bovenmenselijk, zo u wilt? Een beetje zweverig zelfs?
Want je kunt als mens toch niet aan zoveel leed voorbij kijken?
Zeg nu zelf: ook in onze tijd zijn er massa’s mensen die vanuit het verleden allerlei moeilijke dingen met zich meedragen. Al dat leed ligt in een hoekje van het hart. En je hebt er weinig last van. Maar soms komt het zomaar in je gedachten langs. Vijf seconden maar. Maar die gedachte is er onmiskenbaar. Soms komen de herinneringen – bijvoorbeeld – terug in de keuken, als je even een kopje thee voor jezelf zet.
Nee, wij hoeven niet aan allerlei misère voorbij te kijken.
Waarom is er eigenlijk zoveel ellende op de wereld?
Iemand schrijft: “Om een direct antwoord te geven op deze vraag, moeten we – vanuit het oogpunt van Gods genade gezien – eigenlijk zeggen: Omdat Hij genadig is en nog zoveel mogelijk mensen een kans wil geven de toevlucht tot Hem te nemen! Mensen die ontdekken dat ze het in eigen kracht niet kunnen en alles van Hem willen verwachten. Mensen, die eenvoudig op Hem hun vertrouwen stellen”[8].
Wij moeten ons erin trainen om, ook in periodes van tegenspoed, alles van God te verwachten. En laten we wel wezen: wie daarmee begint in goede tijden, heeft het in tijden van kommer en kwel veel minder moeilijk!

Jacobus kijkt in zijn brief ook met een schuin oog naar Job. Hij noteert: “Mijn broeders, neem tot een voorbeeld van het lijden en van het geduld de profeten, die in de Naam van de Heere gesproken hebben. Zie, wij prijzen hen gelukzalig die volharden. U hebt gehoord van de volharding van ​Job, en u hebt de uitkomst van de Heere gezien, dat de Heere vol ontferming is en ​barmhartig”[9].

Soms is het erg moeilijk om dat geduld op te brengen.
Denkt u alleen maar aan de natuurramp in Japan in de afgelopen maand juli. Hevige regenval, aardverschuivingen, overstromingen… – wat een verschrikking, wat een nood[10]! Ach, het is maar één van de vele, vele rampen die zich op deze wereld voltrekken. En er zijn momenten waarin de vragen zich opstapelen: waarom? waartoe? wat moeten wij doen?
Laten wij bij alle vragen teruggaan naar de Here. Want Hij beproeft Zijn volk. Hij neemt Zijn kinderen een test af: blijven Mijn kinderen ook nu op Mij vertrouwen?

Laten wij het maar blijven belijden: ons leven is in Gods hand, in voor- en tegenspoed!

Noten:
[1] Job 2:10.
[2] Job 2:9.
[3] In het onderstaande gebruik ik http://christipedia.nl/Artikelen/J/Job_(bijbelboek) en https://holyhome.nl/dhs-018.html ; geraadpleegd op donderdag 19 juli 2018.
[4] 1 Corinthiërs 3:19.
[5] Job 5:13.
[6] Johannes 9:3.
[7] Job 1:21.
[8] Geciteerd van https://www.amen.nl/artikel/730/waarom-laat-god-zoveel-ellende-toe ; geraadpleegd op donderdag 19 juli 2018.
[9] Jacobus 5:10 en 11.
[10] Zie hierover bijvoorbeeld https://nos.nl/artikel/2240938-dodental-natuurramp-japan-loopt-op-naar-176-tientallen-nog-vermist.html ; geraadpleegd op donderdag 19 juli 2018.

« Vorige paginaVolgende pagina »

Blog op WordPress.com.