gereformeerd leven in nederland

10 januari 2020

Sterker dan Soleimani

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Het jaar 2020 levert meteen in het begin al een belangrijk nieuwsfeit op: het Amerikaanse leger doodt een hoge Iraanse militair op een luchthaven bij de Iraakse hoofdstad Bagdad.
Het Nederlands Dagblad bericht onder meer: “‘De gevolgen van het doden van Soleimani zijn moeilijk te overschatten: dit is de grootste nieuwsgebeurtenis in het Midden-Oosten in jaren.’ Met deze stelling verwoordt Charles Lister, directeur aan het Midden-Oosten Instituut (MEI) in Washington, wat veel kenners denken na de liquidatie door Amerika van generaal Qassem Soleimani. Hij was de commandant van de al-Quds strijdmacht – de ‘expeditionaire’ eenheid van de Iraanse Revolutionaire Gardes. ‘Het doden van Soleimani reikt veel verder dan de dood van Bin Laden of Baghdadi’, aldus Lister.
Die analyse wordt gedeeld door Michael Doran, tijdens de regering-Bush lid van de Nationale Veiligheidsraad van de Verenigde Staten. ‘Meer dan welke andere Amerikaanse operatie sinds de invasie in Irak, is de moord op Soleimani een ware aardbeving”.
En:
“De architect van deze Iraanse schaduwoorlogen is nu uitgeschakeld…”[1].

De Amerikaanse president plaatst op Twitter een afbeelding van de Amerikaanse vlag. De triomf spat er van af.
Maar ergens in een hoek van het brein is er wellicht toch die onrust: wat zullen op wat langere termijn de gevolgen zijn? Zal er echt een oorlog komen tussen de VS en Irak? En hoe gaat dat dan aflopen?

Laten we het slot van 1 Corinthiërs 16 maar eens tot ons door laten dringen[2]. Citaat: “Als iemand de Heere Jezus ​Christus​ niet liefheeft, laat die vervloekt zijn. Maranatha! De ​genade​ van de Heere Jezus ​Christus​ zij met u. Mijn ​liefde​ zij met u allen in ​Christus​ Jezus. ​Amen”[3].

De stad Corinthe “was een belangrijke stad. Militair omdat het uitzicht had op de twee zeeën. De stad had twee havens die het commerciële centrum vormden tussen Azië en Europa. Het was een stad beheerst door rijkdom, pracht, literatuur, kunst en luxe. De stad was berucht om zijn losbandigheid, vol met afgoderij en immoraliteit -beroemd om de prostitutie in de tempel van Afrodite-”[4].

In een internetencyclopedie wordt de inhoud van deze brief onder meer als volgt omschreven: “Het doel van Paulus’ schrijven is de gemeente richtlijnen te sturen over de zaken die mis waren in de gemeente te Korinthe: verdeeldheid, grove zonden op seksueel gebied in de gemeente, onbegrip over het huwelijk, het eten van offervlees, misbruiken bij het avondmaal, wanorde in de samenkomsten, ontkenning van de opstanding en onwetendheid over de wederkomst van Christus. De gemeenteleden te Corinthe kwamen voornamelijk uit de lagere klassen van de bevolking, toch waren ze niet vrij van de Griekse intellectuele trots op hun taal, literatuur en cultuur. Paulus bestrijdt in de eerste brief de wereldse wijsheid en wijst hen op de wijsheid van God en van Diens verlossingsplan. Corinthe stond tevens bekend om zijn immorele leefwijze, die ook zijn sporen trok in de jonge gemeente. Immoraliteit en dronkenschap waren karakteristieke zonden in hun stad en kwamen helaas ook binnen de gemeente voor. De eerste brief geeft duidelijke richtlijnen over avondmaal en eredienst. De brief heeft een duidelijk vermanend karakter. Zelfs de leerstellingen die Paulus behandelt worden gegeven in een geest van vermaning en correctie”[5].

Corinthe is, zeg maar, een wereldstad. De kerkleden wonen in de volkswijken. Voor hen geen bungalows en villa’s. Zij lopen rond in een kolkende wereld die voor een behoorlijk deel van God los is.
In bepaalde opzichten lijkt die dus wel wat op onze samenleving.

Men zou denken dat de kerkleden alleen maar troost krijgen. En bemoediging. En blijde stimulansen. Zo van: hou vol, het komt goed.
Dergelijke passages verwacht men zeker aan het begin en het einde van de brief. Want dat zijn toch vooral die woorden die blijven hangen als de brief gelezen wordt.
Niet dus.
Aan het einde noteert Paulus: “Als iemand de Heere Jezus ​Christus​ niet liefheeft, laat die vervloekt zijn”.
Boem.
Daar staat het.
De apostel komt niet aan met een leunstoel-evangelie. Nee, hij predikt de antithese. De God van hemel en aarde laat goddeloosheid beslist niet over Zijn kant gaan.

De kerk van de eenentwintigste eeuw moet dat met nadruk noteren.
Met dankbaarheid kunnen we constateren dat Gereformeerden in Nederland steeds weer en steeds meer pogingen doen om elkaar op te zoeken en voor te lichten[6]. Dat is heel goed. Want Gereformeerde mensen moeten scherp blijven. De kerkelijke verdeeldheid heeft als verleiding om vermoeid in een fauteuil te zakken en te verzuchten: ik weet het niet meer; het zal mijn tijd wel duren. Laten we ’t maar zonder omwegen vaststellen: dat is foute boel. Wij moeten bij de les blijven. En vooral: wij moeten in liefde met onze Heiland leven. Dat behoren wij uit te stralen. Dat behoren wij te proclameren, waar dat kan.
De wereld is verdeeld in twee kampen. Het is voor of tegen Christus. Nee, dat is geen ongewenste versimpeling. Het is de werkelijkheid, ook in onze wereld.

‘Maranatha!’ schrijft Paulus. Dat betekent: ‘onze Heer, kom!’ of ‘Onze Heer is gekomen!’.
En meteen is daar de apostolische geloofsbelijdenis. U weet dat vast wel: de Here Jezus Christus is in de hemel “zittende ter rechterhand van God, de almachtige Vader; vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden”.
Maar daar is ook het Kerstevangelie: “heden is voor u geboren de Zaligmaker, in de stad van ​David; Hij is ​Christus, de Heere”[7].
Maranatha – dat is een waarschuwing en een troostboodschap in één woord.

Gereformeerde mensen leven met de genade van hun Here Jezus Christus.
Het woord ‘genade’ komt van het Griekse charis – geschenk. Nauwkeuriger: gunst, of blijk van goedgunstigheid, gunstige gezindheid. Het betekent dus niet iets als: medelijden hebben. Het zit veeleer in de buurt van: in genade aannemen. De kern, het hoogtepunt van die genade is: de Heiland heeft voor onze zonden betaald. En dat betekent dan ook: we ontvangen de vrijheid om niet meer aan onze zondige gewoontes verslaafd te zijn[8].

Hij is Here. “Omdat Hij ons met lichaam en ziel, niet met goud of zilver, maar met zijn kostbaar bloed van al onze zonden vrijgekocht en uit alle macht van de duivel verlost heeft. Zo heeft Hij ons tot zijn eigendom gemaakt”[9].

Hij is Jezus. “Omdat Hij ons verlost van al onze zonden, en omdat er bij niemand anders enig behoud te zoeken en te vinden is”[10].

Hij is Christus. “Omdat Hij door God de Vader is aangesteld en met de Heilige Geest gezalfd tot onze hoogste Profeet en Leraar, tot onze enige Hogepriester en tot onze eeuwige Koning. Als Profeet en Leraar heeft Hij ons de verborgen raad en wil van God over onze verlossing volkomen geopenbaard. Als Hogepriester heeft Hij ons met het enige offer van zijn lichaam verlost en blijft Hij met zijn voorbede steeds bij de Vader voor ons pleiten. Als Koning regeert Hij ons met zijn Woord en Geest, en beschermt en bewaart Hij ons bij de verworven verlossing”[11].
Wellicht heeft u woorden uit de Heidelbergse Catechismus herkend.

Van daaruit kan Paulus de gemeente in Corinthe liefhebben.
Die liefde wordt ook van ons gevraagd. In een keiharde wereld. In een wereld die kolkt en kreunt.
Het Evangelie van antithese en genade roept ons op om ons aan te sluiten bij de militia Christi. Dat leger zal uiteindelijk het sterkste ter wereld blijken te zijn. Sterker zelfs dan alle milities van generaal Soleimani, die Iraakse strateeg. Dat is zeker. Hónderd procent zeker!

Noten:
[1] “Midden-Oosten op scherp na liquidatie Soleimani”. In: Nederlands Dagblad, zaterdag 4 januari 2020, p. 1.
[2] Dit Schriftgedeelte is onder meer gekozen omdat de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen afgelopen woensdag, 8 januari 2020, een avond wijdde aan 1 Corinthiërs 16. Het schrijven van dit artikel is een deel van de voorbereiding op die avond.
[3] 1 Corinthiërs 16:22, 23 en 24.
[4] Geciteerd van https://www.bijbelstudies.org/Korinthiers.htm ; geraadpleegd op zaterdag 4 januari 2020.
[5] Geciteerd van https://christipedia.miraheze.org/wiki/1_Korinthiërs ; geraadpleegd op zaterdag 4 januari 2020.
[6] Zie bijvoorbeeld http://www.samengereformeerd.nl/aanbevolen-sites/ ; geraadpleegd op zaterdag 4 januari 2020.
[7] Lucas 2:11.
[8] Zie hierover bijvoorbeeld https://bijbel.eo.nl/geloofsvragen/genade-wat-is-genade en https://bijbelingewonetaal.nl/actueel/blogs/item/genade/ ; geraadpleegd op zaterdag 4 januari 2020.
[9] Heidelbergse Catechismus – Zondag 13, antwoord 34.
[10] Heidelbergse Catechismus – Zondag 11, antwoord 29.
[11] Heidelbergse Catechismus – Zondag 12, antwoord 31.

4 december 2019

Jezus Christus is de Eersteling

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: ,

In 1 Corinthiërs 15 vinden wij een typisch voorbeeld van Paulinische logica[1]. Leest u maar even mee: “… als er geen opstanding van de doden is, dan is ​Christus​ ook niet ​opgewekt. En als ​Christus​ niet is ​opgewekt, dan is onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof. En dan blijken wij ook valse getuigen van God te zijn. Wij hebben namelijk van God getuigd dat Hij ​Christus​ heeft opgewekt, terwijl Hij Die niet heeft opgewekt als inderdaad de doden niet opgewekt worden. Immers, als de doden niet ​opgewekt​ worden, is ook ​Christus​ niet ​opgewekt. En als ​Christus​ niet is ​opgewekt, is uw geloof zinloos; u bent dan nog in uw ​zonden. Dan zijn ook zij die in ​Christus​ ontslapen zijn, verloren. Als wij alleen voor dit leven op ​Christus​ onze hoop gevestigd hebben, zijn wij de meest beklagenswaardige van alle mensen. Maar nu, ​Christus​ ís ​opgewekt​ uit de doden en is de Eersteling geworden van hen die ontslapen zijn”[2].
Alles staat of valt met het geloof in de opstanding van de doden. Als dat er niet is, zegt Paulus, dan kunnen wij wel ophouden. Dan gaat het Evangelie dicht. Dan blijft de hemel gesloten.

Het is van enig belang het bovenstaande voor in het geheugen te houden.
In de Islam wordt de opstanding zonder veel omwegen ontkend. Op de website van de Stichting Het Zoeklicht wordt dat als volgt uiteengezet: “Mohammed zegt dat de Bijbelse overlevering over het leven en de persoon van Christus onjuist zijn. Daarmee wordt de hele Bijbel onbetrouwbaar verklaard. De moslim gelooft wat de Koran zegt over Jezus en over de andere Bijbelse personen. Adam, Noach, Abraham, ze waren allen moslims, die Allah dienden. Maar de Jezus van het Nieuwe Testament is een totaal andere dan die van de Koran. Daarom zijn Christendom en Islam niet met elkaar te verenigen. De Koran is volkomen in strijd met de Bijbel, ook als het gaat om Jezus. De Koran noemt Jezus een apostel van God, een profeet voor Israël. Maar Mohammed maakte zichzelf tot de laatste profeet en wel voor de hele wereld. De geloofsleer van de Islam is dan ook een volkomen andere dan de leer van het Nieuwe Testament. De Koran ontkent de kruisiging en ook de dood van Jezus, evenals Zijn Zoonschap Gods.
Zeshonderd jaar na Christus komt iemand vertellen dat hij een profeet van God is en dat hij een volkomen nieuwe openbaring heeft gekregen, die dan alle Bijbelse feiten ontkent en die naar het land der fabelen verwijst, zonder enige bewijsvoering daarvoor te leveren. Het Nieuwe Testament spreekt echter aan de hand van zeer vele ooggetuigen(!). Zij, die de dingen zelf hebben meegemaakt, hebben het ook nauwkeurig te boek gesteld. Daarom blijft de Koran op de vraag naar de bewijsvoering van de beweringen het antwoord volkomen schuldig”[3].

Het valt op dat de logische redenering van Paulus ophoudt bij de opstanding. Hij legt niet uit hoe het daarmee precies zit. Hij zet geen rationeel betoog op. De opstanding van Jezus Christus, onze Heiland, is een feit. Punt. Die opstanding wordt in feite niet bewezen maar beleden!

De opstanding van onze Heiland is uniek.
Hij stond op uit de dood.
Met hetzelfde lichaam als Hij voor Zijn dood had.
En toch was het anders.
Dr. A. de Reuver – een prominent lid van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk – schrijft: “Ik bedoel het feit dat het Nieuwe Testament enerzijds duidelijk gewag maakt van de lichamelijkheid van de opgestane Christus, en dat het anderzijds even onmiskenbaar laat zien dat deze lichamelijkheid een eigensoortige is, zonder analogie in onze aardse werkelijkheid. Christus’ opstanding is vooralsnog volstrekt uniek. Maar niet omdat zij ònlichamelijk zou zijn. Op diverse momenten blijkt dat de Opgestane geen lichaamloze geestverschijning is, en komt Zijn lichamelijkheid nadrukkelijk op ons toe: Hij toont de littekenen van Zijn wonden, laat Zich aanraken, eet en drinkt. Hij is Dezelfde als de Gekruisigde. Anderzijds is het evident dat Hij niet ‘hetzelfde’ is als voorheen en dat Zijn lichamelijkheid van een andere kwaliteit is dan de onze. H. Bavinck tekent bij dit laatste aan: ‘Hij verschijnt en verdwijnt op een geheimzinnige wijze…, in een andere gedaante. Zijn lichaam is veranderd in een Geestelijk lichaam’. De Opgestane is anders dan vóór Zijn verrijzenis, maar toch niet een Ander!”.
En:
Paulus kent klaarblijkelijk twee soorten lichamelijkheid. De ene soort noemt hij psychisch (natuurlijk), de andere duidt hij aan met pneumatisch (Geestelijk). Alleen van de éérste bestaanswijze kunnen wij ons een concrete voorstelling maken. Het betreft een lichaam zoals het onze: met al de creatuurlijke beperktheden van dien. Het is gebrekkig, vergankelijk, aan slijtage, ziekte en dood onderworpen. De tweede is voor ons onvoorstelbaar nieuw. Het betreft een verheerlijkt, onsterfelijk en onverderfelijk lichaam. Het is pneumatisch, dat wil zeggen: door de Heilige Geest doortrokken en beheerst. Wij zien en begrijpen daarvan nog niets. Wij hopen erop, en geloven dat de Opgestane een levendmakende Geest is geworden, en dat wij naar het beeld van Zijn verheerlijkt lichaam herschapen zullen worden.
Voor Paulus vormen lichamelijkheid en Geestelijkheid dus geen tegenstellingen die elkaar uitsluiten, maar twee facetten van de ene existentie die elkaar insluiten. Naar deze geestelijke lichamelijkheid gaat het heen, en Christus, de Eersteling, staat er garant voor. God zal dan zijn alles in allen. En heel ons bestaan zal gezuiverd en doorzinderd zijn door de Geest, Die de Vader en de Zoon verheerlijkt. Onze Geestelijk-lichamelijke heerlijkheid zal er geheel ‘op gebouwd’ zijn, de drievuldige God te verheerlijken!”[4].
Ja, dit is onvoorstelbaar.
Nee, dit kunnen wij niet op een rijtje krijgen.
Nee, dit past niet in aardse wetmatigheden.
Het is een kwestie van geloof!

Het onderscheid ‘lichamelijk’ en ‘geestelijk’ heeft de kerk reeds vroeg parten gespeeld. De Gereformeerd-vrijgemaakte predikant G. van Rongen (1918-2006) schrijft: in Corinthe waren er “lieden die beweerden dat er geen opstanding der doden is. Vermoedelijk leerden ze zoiets als ook Hymenaeus en Philetus propageerden, ’dat de opstanding reeds heeft plaatsgehad’, dus een ’geestelijke’ is -2 Timotheüs 2:18-.
Het is niet bekend of dit spiritualisme – zoals we het noemen – uit Griekse dan wel Joodse bron kwam. Maar de hele situatie in Korinthe, zoals die in deze brief getekend wordt, wijst in de richting van een overwaardering van ’de geest’ en een onderwaardering van het lichamelijke”[5].

Jezus Christus, onze Heiland, is de Eersteling. Als Betaler voor de zonden ging Hij de hemel in. Alle door Hem gekochte kinderen zullen Hem volgen.
Hoe dat precies gaat, kunnen we hier op aarde niet uitleggen. Wij kunnen er hele betogen over houden, maar een precieze beschrijving van het opstandingsproces zal er niet komen.
Het is een kwestie van geloof!

Laten we ’t in de kerk maar blijven zingen:
“Hij heeft, van dood en graf ontdaan,
het leven weergenomen.
Nu is zijn uur gekomen.
Gods paradijs zal opengaan
en heel de hemel wijd
weerkaatst zijn heerlijkheid”[6].

Noten:
[1] Vanavond zal de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen vergaderen. Aldaar wordt gesproken over 1 Corinthiërs 15:1-34. Het schrijven van dit artikel is een deel van de voorbereiding op die vergadering.
[2] 1 Corinthiërs 15:13-20.
[3] Geciteerd van https://www.zoeklicht.nl/artikelen/de+opstanding+van+christus+feit+of+fictie_3242 ; geraadpleegd op zaterdag 30 november 2019.
[4] Dr. A. de Reuver, “De aard van Christus’ opstandingslichaam”. In: De Waarheidsvriend – huisorgaan van de Gereformeerde Bond in de PKN –, 12 april 1990, p. 9 en 10. Dr. De Reuver was van 1979 tot 1994 lid van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond, en van 1994 tot 2007 bijzonder hoogleraar Gereformeerde godgeleerdheid aan de Rijksuniversiteit Utrecht.
[5] G. van Rongen, “Jaagt de liefde na – schetsen over de eerste brief van de apostel Paulus aan de gemeente te Korinthe”. – Nederlandse Bond van Gereformeerde Jeugdverenigingen, [ca. 1984]. – pagina 120.
[6] Gezang 24:2 – Gereformeerd Kerkboek-1986.

25 november 2019

Doe maar gewoon

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

“In de ​gemeente​ echter wil ik liever vijf woorden spreken met mijn verstand, om ook anderen te onderwijzen, dan tienduizend woorden in een andere taal”.
Dat schrijft Paulus in 1 Corinthiërs 14[1]. Hij noteert dat in verband met de tongentaal, de glossolalie.
Tongentaal – wat is dat? Iemand omschrijft het zo: “Het is geen taal die je kunt leren zoals Nederlands of Engels, maar het is een klanktaal die je spreekt door de Heilige Geest. Toch gaat het niet geheel buiten je eigen controle om, het is niet de Geest die door jou heen spreekt – je spreekt zelf, door de kracht van God die in je is (…). Tongentaal wordt vaak door de meeste aanwezigen niet verstaan, vaak zelfs ook door de tongenspreker zelf niet”[2].
Welnu – de apostel Paulus schrijft: met tongentaal dient u de gemeente niet. Daarmee bevordert u andermans geloofskracht niet. Wie spreekt in de gemeente, moet dat doen tot opbouw. Broeders en zusters moeten er wat aan hébben.
Om weer met 1 Corinthiërs 14 te spreken: “Zo ook u, als u naar geestelijke gaven streeft, zoek er dan naar om overvloedig te zijn in gaven tot opbouw van de ​gemeente”[3].

De waarde van tongentaal is dus maar betrekkelijk. Voor buitenstaanders is het niet veel meer dan gebrabbel. Zeg maar gewoon: tamelijk onverstaanbaar gestamel. Alsof een klein kind geluiden maakt, waarvan eigenlijk niemand weet wat ze precies betekenen.
Een commentator schrijft erbij: “Kleine kinderen babbelen maar door in onverstaanbare klanken. Laat de Korintiërs maar baby’s blijven in het kwade, maar volwassenen in hun verstand”[4].

Een dominee uit de Gereformeerde Bond schrijft: “Paulus lijkt klanktaal vooral te relativeren, en de betekenis van profetie sterker te beklemtonen. Het lijkt net alsof hij zich een beetje geneert voor een gemeente waar iedereen maar aan het bidden is in klanktaal. Ze zullen denken dat jullie krankzinnig zijn, schrijft hij -1 Corinthiërs 14:23-. Paulus wekt niemand op om de gaven van de Geest, vooral naar die van profetie -14:1-.
Ten slotte: als Paulus wenst dat iedereen in klanktaal spreekt, kun je daaruit aflezen dat hij het geen onmisbaar element van het christelijk geloof acht.
Met zoveel woorden noemt hij het een van de gaven van de Geest -1 Corinthiërs 12:10-, waarbij het duidelijk is dat niemand alle gaven heeft, en dat er geen enkele gave aan allen gegeven is. Klanktaal is dus geen must. Het is niet typisch christelijk. Maar het is wel een gave van de Geest. Het is daarom absurd om tongentaal in de ban te doen. ‘Verhinder niet dat er klanktaal gesproken wordt’ -14:39-. Deze gave wordt gegeven door de Geest, ‘die ze aan iedereen afzonderlijk toebedeelt zoals hij wil’ -12:11-. Als de Geest het wil, gebeurt het ook. Of de Geest het altijd wil is een tweede. Maar wie is bevoegd de Geest in de kaart te kijken? Wie is bevoegd de Geest aan banden te leggen?”[5].

Een voorganger uit de Pinksterbeweging schrijft bij 1 Corinthiërs 14: “Het mag ons nooit te doen zijn om een soort van ‘geestelijke kick’ door het spreken in nieuwe tongen te krijgen”[6].
Het is van belang om dat laatste ook vandaag te accentueren.
Voor Gereformeerden uit 2019 ’t weten, vinden zij diep in hun hart ook dat er in de kerk iets te beleven moet zijn. Een gewone preek is dan zomaar  saai. De predicatie zegt ons dan ook niks meer. Laten wij daar alert op blijven! We moeten ons erin trainen om naar de preek te blijven luisteren, en ons erdoor te laten aanspreken.
Nee, een kick is beslist niet nodig.
In de kerk leven wij niet van mooie redevoeringen. In de kerk hoeven wij ons niet met hoogmoed en ijdelheid overeind te houden. In de kerk zijn wij, hoofd voor hoofd, in dienst van onze Heiland.

Nu het om die geestelijke kick gaat, mogen wij elkaar ook wijzen op de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Wij ontvangen al deze boeken, en deze alleen, als heilig en canoniek, om ons geloof daarnaar te richten, daarop te gronden en daarmee te bevestigen. En zonder in enig opzicht te twijfelen geloven wij alles wat zij bevatten. Dat doen wij niet zozeer omdat de kerk ze aanneemt en als canoniek erkent, maar vooral omdat de Heilige Geest in ons hart getuigt dat zij van God zijn[7].
Hierboven zijn enkele woorden gecursiveerd. Wat wordt daarmee aangeduid? Dit:
* er is veel meer dan tongentaal, wij hebben heel de Bijbel
* Gods Heilige Geest brengt ons steeds weer de dringende boodschap: de Bijbel is waar; helemaal waar.

Het bovenstaande heeft onder meer betekenis voor het werk op Bijbelstudieverenigingen.
Tijdens de vergaderingen van die verenigingen hoeven we niet aan te komen met allerlei geleerdheid en ingewikkelde theorieën. Wij behoren elkaars geloof op te bouwen. Wij mogen bevorderen dat het geloof van anderen en van onszelf sterk blijft. Wij behoren te stimuleren dat wij Gods Woord toepassen op alle terreinen van het leven.
Inderdaad – daar zullen we nooit perfect in worden. Maar op die manier bereiden wij ons uiteindelijk wel voor op een leven in heerlijkheid: een bestaan dat zijn weerga niet kent en dat nimmer eindigt!

We leven in een tijd die vol is van stakingen. Van demonstraties en protesten. Men moet tegenwoordig een oproerkraaier wezen om gehoord te worden.
Welnu – in 1 Corinthiërs 14 zegt de God van het verbond: doe maar gewoon; dan horen uw broeders, uw zusters en Ik u ook wel[8].

Noten:
[1] 1 Corinthiërs 14:19.
[2] Geciteerd van https://bijbel.eo.nl/geloofsvragen/tongentaal-wat-is-tongentaal-en-kan-iedereen-het-spreken ; geraadpleegd op woensdag 20 november 2019.
[3] 1 Corinthiërs 14:12.
[4] Dr. R. Dean Anderson, “1 Korintiërs: orde op zaken in een jonge stadskerk”. – Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, 2008. – p. 207.
[5] J. Maasland, “Tongentaal”. In: De Waarheidsvriend – huisorgaan van de Gereformeerde Bond binnen de Protestantse Kerk Nederland – donderdag 2 oktober 2008, p. 16 en 17.
[6] Geciteerd van http://www.tjderuiter.nl/1Cor14.htm ; geraadpleegd op woensdag 20 november 2019.
[7] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 5.
[8] Dit artikel werd geschreven op woensdag 20 november 2019. Die avond woonde de schrijver een vergadering bij van de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Aldaar werd gesproken over 1 Corinthiërs 14. Het schrijven van dit stuk was een deel van de voorbereiding op die vergadering.

23 oktober 2019

De meeste van deze is de ​liefde

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: ,

De liefde wordt alom besproken[1]. De liefde wordt in ontelbaar veel songs bezongen. Kortom – de liefde is een dankbaar onderwerp. Men kan er schier eindeloos over nadenken. En de gedachte aan liefde voor mensen tovert zomaar een glimlach op ons gezicht.

In dit artikel gaat het over de liefde zoals die in Gods Woord ter sprake komt. Meer precies: 1 Corinthiërs 13 staat centraal[2].
Ik citeer een paar verzen uit dat hoofdstuk.
“Al zou ik de talen van de mensen en van de ​engelen​ spreken, maar ik had de ​liefde​ niet, dan zou ik klinkend koper of een schallende ​cimbaal​ zijn geworden. En al zou ik de gave van de ​profetie​ hebben en alle geheimenissen weten en alle kennis bezitten, en al zou ik al het geloof hebben zodat ik bergen zou verzetten, maar ik had de ​liefde​ niet, dan was ik niets. En al zou ik al mijn bezittingen uitdelen tot levensonderhoud van de armen, en al zou ik mijn lichaam overgeven om verbrand te worden, maar ik had de ​liefde​ niet, het baatte mij niets.
De ​liefde​ is geduldig,
zij is vriendelijk,
de ​liefde​ is niet jaloers,
de ​liefde​ pronkt niet,
zij doet niet gewichtig”[3].

Een lofzang op de liefde in de Bijbel: mooier kan het niet!

Eens bestudeerde een Gereformeerde predikant die lofzang. En hij vroeg: “Vaak klagen mensen die aan de rand van het kerkelijk leven verkeren over gebrek aan liefde in de kerk. Ze zeggen: We vinden hier geen gemeenschap der heiligen. Hebben ze daartoe het recht wel?”[4].

Eerst even over die gemeenschap van de heiligen.
De Heidelbergse Catechismus leert ons daarover:
“Wat verstaat u onder de gemeenschap der heiligen?
Antwoord:
Ten eerste dat de gelovigen allen samen en ieder persoonlijk als leden gemeenschap hebben met de Here Christus en deel hebben aan al zijn schatten en gaven. Ten tweede dat ieder verplicht is zijn gaven tot nut en heil van de andere leden gewillig en met vreugde te gebruiken”[5].
In de kerk is er dus een woongemeenschap. Een woongemeenschap met Jezus Christus. Alles wat Hij heeft aan vergevingsgezindheid en eeuwig leven is ook van ons.
Wilt u liefde vinden?
Ga naar de kerk!

In de kerk zijn heel wat mensen aan het werk. Zij doen wat ze kunnen om samen een vreedzame gemeenschap te vormen. In de kerk is de boel goed geregeld. In de kerk is begrip voor elkaar. In de kerk steken we elkaar een helpende hand toe.
Natuurlijk gaat er wel eens wat fout. Volmaakt wordt het niet. De ideale kerk bestaat hier op aarde niet. Maar talloze mensen doen hun best.

De kerk is ordelijk gegroepeerd. De organisatie is transparant. Aan de buitenkant van die groep mensen staan nog wel eens een paar klagers. Die zeggen: ‘er is te weinig liefde in de kerk’.
Hebben ze daar het recht toe?
Jawel. Het is namelijk de waarheid. Aardse liefde is nooit volmaakt. Ook mensen die midden in die vergadering staan moeten wel eens vaststellen dat er aan de liefde nogal wat mankeert.

Maar daarmee is het verhaal niet uit.
Die Gereformeerde predikant van hierboven schrijft in zijn studie:
“Het zal duidelijk zijn dat dit ’hooglied der liefde’ niet gaat over een soort algemeen-menselijke liefde, niet over ’mede-menselijkheid’ en dergelijke. Het gaat over de opbouw van het kerkelijke leven. Daarom moeten we het lezen tegen de achtergrond van de situatie in Corinthe”.
En:
“…het gaat om de opbouw van de gemeente. De liefde die hier wordt bedoeld is: liefde voor de kerk, voor Christus’ duurgekochte gemeente!”[6].
Wat betekent dat?
Dat betekent dat de liefde voor de mensen in de kerk gebaseerd is op de liefde voor de Heiland, en voor Zijn werk.
Die wetenschap kan ervoor zorgen dat wij, als wijzelf niet zo liefdevol behandeld worden, dat makkelijker kunnen relativeren. Immers – als kerkmensen niet zo vriendelijk tegen ons zijn, wil dat nog niet zeggen dat die kerkmensen geen liefde voor hun Heiland hebben.
Inderdaad – kerkmensen zijn soms niet zo vrolijk, aimabel en/of beminnelijk. Laten wij ons, als we daar eens het slachtoffer van zijn, niet meteen afgewezen voelen. Ook voor gelovigen geldt: niets menselijks is hen vreemd; maar de liefde voor Jezus Christus kan best bloeiend wezen!

En dan nog dit.
Paulus schrijft in 1 Corinthiërs 13: “En al zou ik de gave van de ​profetie​ hebben en alle geheimenissen weten en alle kennis bezitten, en al zou ik al het geloof hebben zodat ik bergen zou verzetten, maar ik had de ​liefde​ niet, dan was ik niets”.
Dat doet sterk denken aan Jezus’ woorden in Mattheüs 17: “Als u een geloof had als een ​mosterdzaad, u zou tegen deze berg zeggen: Verplaats u van hier naar daar! En hij zou gaan, en niets zou voor u onmogelijk zijn”[7].
Een uitlegger schrijft bij Mattheüs 17: “Geloof als een mosterdzaad betekent (…) een geloof, dat niet door uiterlijk vertoon, grote woorden enz. indruk maakt op den toeschouwer, maar door zijn innerlijke kracht, zijn eenvoudige en kinderlijke gebondenheid aan God het geheim vormt van grote dingen”[8].
In eenvoudige en kinderlijke gebondenheid aan God leven gelovige mensen in liefde met God en mensen. Met alle tekortkomingen van dien – jazeker. Maar kinderen van God zijn op weg naar een heerlijke toekomst.
En zij weten het nu al zeker:
“Zoals een vader liefdevol zijn armen
slaat om zijn kind, omringt ons met erbarmen
God onze Vader, want wij zijn van Hem.
Hij die ons zelf uit aarde heeft genomen,
Hij weet, dat wij, uit stof aan ’t licht gekomen,
slechts leven op de adem van zijn stem”[9].

Noten:
[1] De titel van dit artikel is geciteerd uit 1 Corinthiërs 13:13.
[2] De keuze van het onderwerp van dit artikel staat in verband met het feit dat 1 Corinthiërs 13 vanavond besproken zal worden tijdens een vergadering van de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen.
[3] 1 Corinthiërs 13:1-4.
[4] Dat was dominee G. van Rongen (1918-2006). In: “Jaagt de liefde na – schetsen over de eerste brief van de apostel Paulus aan de gemeente te Korinthe”. – Nederlandse Bond van Gereformeerde Jeugdverenigingen, [ca. 1984]. – pagina 109.
[5] Heidelbergse Catechismus – Zondag 21, vraag en antwoord 55.
[6] Van Rongen, a.w., p. 105.
[7] Mattheüs 17:20.
[8] Geciteerd uit: Dr. Herman Ridderbos, “Het Evangelie naar Mattheüs opnieuw uit den grondtekst vertaald en verklaard” – tweede deel, hoofdstuk 16:13-28:20. – tweede druk. – Kampen: J.H. Kok N.V., 1954. – p. 33.
[9] Psalm 103:5; berijmd – Gereformeerd Kerkboek-1986.

9 oktober 2019

Kinderen op hun eigen plaats

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Het twaalfde hoofdstuk van Paulus’ eerste brief aan de christenen in Corinthe is één der meest bekende gedeelten uit de Bijbel[1].

Ter oriëntatie een citaat: “Maar nu heeft God de leden, elk van hen afzonderlijk, in het lichaam een plaats gegeven zoals Hij gewild heeft. Als zij alle één lid waren, waar zou het lichaam zijn? Nu echter zijn er wel veel leden, maar is er slechts één lichaam. En het oog kan niet zeggen tegen de hand: Ik heb je niet nodig, of vervolgens het hoofd tegen de voeten: Ik heb jullie niet nodig. Ja, meer nog, de leden van het lichaam die de zwakste schijnen te zijn, zijn echter juist noodzakelijk”[2].

Velen kennen de boodschap van 1 Corinthiërs 12: God heeft de door Hem gekochte mensen gesierd met Geestelijke gaven; daarom horen al die mensen bij elkaar.

Vandaag de dag wordt dit hoofdstuk wel gebruikt om te verdedigen dat het mogelijk zou moeten zijn dat kinderen deelnemen aan de viering van het Heilig Avondmaal.
Een Gereformeerd-vrijgemaakte predikant schreef eens: “Elke tijd, situatie en gemeente kent de verleiding om delen van het lichaam te amputeren. Helaas gebeurt dat in veel kerken waar de kinderen (met de goddelozen en zondaren) de maaltijd niet mogen gebruiken. De vraag – naar analogie van 1 Korintiërs 12 – luidt dan: Als het kind zegt: ‘omdat ik geen volwassene ben hoor ik niet bij het lichaam’ – hoort het daarom niet tot dat lichaam? Paulus reactie zal zijn: onzin! Zijn conclusie in hoofdstuk 12 is immers: juist de zwakste delen zijn het meest noodzakelijk. Kinderen, heeft Paulus in hoofdstuk 7, vers 14 gezegd, zijn geheiligd. Dat is: apart gezet van de wereld, van de zondaren, opgenomen in zijn gemeente, ingedoopt in het lichaam van Christus. Het lichaam, dat zijn dood verkondigt als het de maaltijd gebruikt”[3].
De vraag is: maakt de hierboven bedoelde predikant een goed punt?

Het staat buiten kijf: kinderen horen bij het lichaam van Christus. Zij hebben daar een functie in. Zij zijn volop in beweging.
Maar daarbij is zonneklaar: kinderen missen nog heel wat kennis. Kinderen hebben nog relatief weinig van de wereld gezien. Zij weten, bijvoorbeeld, nog niet wat afgoderij precies inhoudt. Zij weten nog niet precies hoe makkelijk mensen zichzelf in het middelpunt zetten en vervolgens van God wegdwalen.
Paulus schrijft: “Want aan de één wordt door de Geest een woord van wijsheid gegeven en aan de ander een woord van kennis, door dezelfde Geest”[4].
De Heilige Geest geeft die gaven op Zijn tijd.

In 1 Corinthiërs 11 heeft de apostel Paulus reeds genoteerd: “Want zo dikwijls als u dit brood eet en deze drinkbeker drinkt, verkondig de dood van de Heere, totdat Hij komt. Daarom, wie op onwaardige wijze dit brood eet of de drinkbeker van de Heere drinkt, is schuldig aan het lichaam en bloed van de Heere. Maar laat ieder mens zichzelf beproeven en laat hij zó eten van het brood en drinken uit de drinkbeker. Want wie op onwaardige wijze eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, omdat hij het lichaam van de Heere niet onderscheidt”[5].
Iemand schrijft: “Om het avondmaal te vieren, is het nodig om jezelf te ‘beproeven’ (…). Dat betekent dat je nagaat: Geloof ik dat het waar is wat de Bijbel zegt over mijn zonden? En geloof ik in de beloften van het Evangelie, in het offer van Christus en de gave van de Heilige Geest? Het gaat er niet om dat je een ‘perfect’ geloof hebt dat nooit wankelt. Het gaat erom dat je Gods belofte gelooft, en die belofte is onwankelbaar!”[6].
Kinderen moeten op z’n minst begrijpen wat de dood van de Heiland voor de wereld betekent. En nee, dat weet je niet precies als je zes of zeven jaar bent.
Terecht schreef de Christelijk-Gereformeerde hoogleraar A. Huijgen eens in het Nederlands Dagblad: “Waar kinderen aan het avondmaal worden toegelaten, is er kennelijk geen catechese meer die tussen doop en belijdenis-doen (als toegang tot het avondmaal) plaatsvindt. Dat lijkt me een gemis. Onze tijd heeft niet minder, maar juist meer catechese nodig”[7]. Waarvan akte!

In 1 Corinthiërs 12 staat ook te lezen: “Al deze dingen echter werkt één en dezelfde Geest, Die aan ieder afzonderlijk uitdeelt zoals Hij wil”[8].
Zoals de Heilige Geest het wil, zo gebeurt het. Het geschiedt ook op het tijdstip dat de Geest bepaald heeft.

Die laatste aantekening is van belang bij de gedachtevorming ten aanzien van kinderen aan het Heilig Avondmaal.
Soms lijkt het erop dat kinderen in de kerk geen kind meer mogen wezen. Zij moeten zo snel mogelijk volwassen worden. Zij moeten alles weten. Zij moeten aan alles meedoen.
Zullen we in de kerk onze kinderen maar gewoon kinderen laten blijven?

Wellicht wijst iemand op Psalm 8:
“HEERE, onze Heere, hoe machtig is Uw Naam op de hele aarde!
U Die Uw majesteit getoond hebt boven de hemel.
Uit de mond van kleine ​kinderen​ en zuigelingen
hebt U een sterk fundament gelegd, omwille van Uw tegenstanders,
om de vijand en wraakzuchtige te laten ophouden”[9].
En de vraag is: pleit de psalmist er hier impliciet voor om kinderen overal aan mee te laten doen, dus ook aan de viering van het Heilig Avondmaal? Antwoord: dat is niet het geval. Jazeker, de Schepper Zelf legt een sterk fundament; dat stevige fundament komt er echter ondanks de beperkte mogelijkheden die kinderen en zuigelingen hebben. Ja, zo machtig is onze God!

Tegenwoordig worden wij te pas en te onpas aangespoord om voor onze rechten op te komen.
Die beweging wandelt ook het kerkelijk terrein op, soms zonder dat men het opmerkt.
Maar laten we er maar niet omheen draaien: met de kinderrechten zit het bij de God van hemel en aarde wel goed. Hij geeft ook kinderen hun plaats; gewoon in de kerk, niet aan het Heilig Avondmaal.

Noten:
[1] De keuze van het onderwerp van dit artikel staat in verband met het feit dat 1 Corinthiërs 12 vanavond besproken zal worden tijdens een vergadering van de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen.
[2] 1 Corinthiërs 12:18-22.
[3] Ds. Ulbe van der Meer, “De gemeente viert als geheel Heilig Avondmaal”. Ingezonden in: Nederlands Dagblad, vrijdag 19 juli 2019, p. 12 en 13.
[4] 1 Corinthiërs 12:8.
[5] 1 Corinthiërs 11:26-29.
[6] Geciteerd van http://abcvanhetgeloof.nl/avondmaal ; geraadpleegd op donderdag 3 oktober 2019.
[7] A. Huijgen, “Geen Avondmaal zonder bekering”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 25 april 2018, p. 12 en 13.
[8] 1 Corinthiërs 12:11.
[9] Psalm 8:2 en 3.

12 september 2019

Het einde van de eeuwen

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , ,

Het einde van de eeuwen is over ons gekomen[1].
Dat schrijft Paulus in 1 Corinthiërs 10. Leest u maar mee: “Al deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden voor ons, en ze zijn beschreven tot waarschuwing voor ons, over wie het einde van de eeuwen gekomen is”[2].

Paulus heeft in 1 Corinthiërs 10 beschreven welke straffen Israël heeft gekregen voor haar afgoderij en rebellie.
De apostel wil in dat hoofdstuk maar zeggen: pas op dat u niet in diezelfde fout vervalt!
We worden gewaarschuwd. Denk eraan: soms lijkt het erop dat u straffeloos bij de Here weg kunt lopen, maar niets is minder waar!

We worden gewaarschuwd.
Want we zijn in het einde der eeuwen gekomen.
Wat houdt die term in?

Een exegeet noteert: “De zinsnede ‘ons, tot wie de einden der eeuwen gekomen zijn’ (…) wijst in de eerste plaats op het feit dat met de kruisiging en opstanding van de Here Jezus het einde van de huidige tijd is ingetreden en dat de wederkomst van de Here Jezus wordt verwacht (…). Daarmee zal de toekomstige eeuw en de nieuwe wereldorde onder de heerschappij van Christus aanbreken. Het meervoud ‘de einden der eeuwen’ is hier gebruikt, omdat niet alleen de tijd waarin wij leven tot een einde komt, maar omdat ook de gehele geschiedenis (met al haar tijdsperioden en alle daarin levende mensen) tot zijn definitieve bestemming (…) komt. De gehele schepping en de gehele geschiedenis zijn immers gericht op Christus (…). In de tweede plaats geeft de genoemde zinsnede aan, dat de huidige tijd een beslissend en gewichtig karakter draagt”[3].

Het einde van de eeuwen – dat betekent: de schuld van de zonde is weggedaan. Zij worden zogezegd tot niets teruggebracht. Aanklachten tegen Gods kinderen worden ongegrond verklaard. Want de Heiland zegt in de hemel: Ik heb voor hen aan het kruis geleden.
Of, zoals de schrijver van Hebreeën 9 het zegt: “Maar nu is Hij bij de voleinding van de eeuwen eenmaal geopenbaard om de ​zonde​ teniet te doen door het offer van Zichzelf”[4].

We horen het misschien wel eens zeggen: kwam de Here Jezus maar terug…, het duurt allemaal al zo lang.
Paulus schrijft in 1 Corinthiërs 7: “Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd beperkt is. Laten zij die vrouwen hebben voortaan zijn alsof ze die niet hebben”[5]. Sun-estalmenos staat daar – samengebald. En: kairos, dat wil zeggen: de tijd is door God bepaald.
Voor ons besef duurt het veel te lang voordat de Heiland op de wolken terugkeert. Echter – wij moeten beseffen dat de God van hemel en aarde de regie in handen heeft. Wij mogen het met Psalm 138 zingen:
“De HERE is getrouw en sterk,
Hij zal zijn werk voor mij voleinden”[6].
Voor ons besef duurt het allemaal lang. Misschien willen wij wel dat het afgelopen is, liever gisteren dan vandaag. Maar de beslissing daarover ligt niet bij ons.

In 1 Petrus 4 kunnen wij lezen: “En het einde van alle dingen is nabij; wees daarom bezonnen en nuchter in de gebeden”[7].
Dat betekent, zo noteert een exegeet: “Hou je hoofd erbij, wees gezond in gedachten om te onderscheiden wat belangrijk is in de tijd die aan het einde voorafgaat”.
En:
“Zie de dingen in de juiste proporties en in het juiste perspectief, namelijk dat van de grootse toekomst. Weest niet beneveld zoals een dronkaard (…), maar werkzaam en waakzaam om te kunnen bidden”[8].
Zo moeten wij dus in 2019 de krant lezen.
Zo moeten wij dus vandaag naar het NOS-journaal kijken.
Zo moeten wij dus in deze tijd op het internet surfen.

We zouden kunnen zeggen: we moeten in de kerk zoveel.
Maar dat valt mee.
De apostel Paulus legt in Colossenzen 1 uit: “Daarbij danken wij de Vader, Die ons bekwaam heeft gemaakt om deel te hebben aan de ​erfenis​ van de ​heiligen​ in het licht. Hij heeft ons getrokken uit de macht van de duisternis en overgezet in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn ​liefde”[9].
We hoeven niet op eigen houtje van alles doen.
Onze God maakt ons bekwaam.
Hij heeft ons in een totaal andere invloedssfeer gebracht.
Wandelen met God? Ja, dat gaat lukken!

Het einde der tijden – dat thema fascineert velen.
Wilt u een voorbeeld? Vooruit dan.
“De Japanse mythologie”, zo stond niet zo lang geleden in een krant, “kent geen mythe over het einde van de wereld, maar wel een verhaal waarin de goden er samen voor zorgen dat een einde der tijden wordt voorkomen”[10].

Welnu – wij mogen getroost Psalm 138 blijven zingen:
“De HERE is getrouw en sterk,
Hij zal zijn werk voor mij voleinden”.

Noten:
[1] Materiaal uit dit artikel is benut voor een inleiding die ik woensdagavond 11 september 2019 heb voorgelezen tijdens een vergadering van de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Deze inleiding handelde over schets 12 van: Ds. G. van Rongen, “Jaagt de liefde na – schetsen over de eerste brief van de apostel Paulus aan de gemeente te Korinthe”. – Nederlandse Bond van Gereformeerde Jeugdverenigingen, [ca. 1984]. – pagina 74-81. Schets 12 handelt over 1 Corinthiërs 10:1-11:1.
[2] 1 Corinthiërs 10:11.
[3] Onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij 1 Corinthiërs 10:11.
[4] Hebreeën 9:26.
[5] 1 Corinthiërs 7:29.
[6] Dit zijn regels uit Psalm 138:4 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986.
[7] 1 Petrus 4:7.
[8] Onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij 1 Petrus 4:7.
[9] Colossenzen 1:12 en 13.
[10] “Na ons de zondvloed”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 7 augustus 2019, p. 7.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.