gereformeerd leven in nederland

4 december 2018

Beter dan aardse zorgprofessionals

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

“Maar mijn God zal u, overeenkomstig Zijn rijkdom, voorzien van alles wat u nodig hebt, in heerlijkheid, door ​Christus​ Jezus”[1].
Deze opbeurende woorden noteert de apostel Paulus in Philippenzen 4.

De christenen in Philippi hebben Paulus materieel ondersteund. Maar het leven is meer dan geld. Hun giften kunnen zij namelijk ten diepste beschouwen als evenzovele offers aan God.
Paulus zegt: u heeft in mijn behoefte voorzien; wees er maar zeker van dat de Here ook in uw behoefte zal voorzien. Niet dat alle wensen per onmiddellijk vervuld zullen worden. Maar wat de Here voor de christenen in Philippi nodig vindt, dat zal er komen. Zoveel is zeker!

Dat is een Paulinische stimulans. Maar tevens een bemoediging. En die is wel op z’n plaats.
Waarom?[2]
In de eerste plaats zijn er in Philippi twee vrouwen, Euódia en Syntyche, die elkaar klaarblijkelijk niet zo liggen. Paulus vermaant de dames om eensgezind op te treden. Dat is blijkbaar nog niet zo eenvoudig. De kerkelijke gemeente lijkt er knap last van te hebben.
In de tweede plaats zijn er in en rond Philippi nogal wat afgoden.
In Italië heeft men de Romeinse goden; Jupiter bijvoorbeeld, de oppergod en de god van de hemel en het onweer[3]. In Griekenland is er de oppergod Zeus[4]. En natuurlijk zijn er nog een heel stel lagere goden.
Er zijn in Philippi heel wat verleidingen!

Daartegenover staat de God van de Bijbel.
De machtige God die, ook heden ten dage nog, mensen tot geweldige dingen in staat stelt. Dingen waarvan men zegt: ik wist niet dat ik het in mij had.
David zegt in Psalm 18:
“Want met U ren ik door een legerbende,
met mijn God spring ik over een muur”[5].
Dat concludeert David nadat hij – vanwege de reddende kracht van God – allerlei vijanden van zich heeft afgeschud; Saul inbegrepen.

David debiteert geen onzin.
Want de hemelse God is zorgzamer dan alle aardse zorgprofessionals bij elkaar. Zijn zorg eindigt nooit. In Philippenzen 3 – even eerder in zijn brief – heeft Paulus het al opgeschreven: “Ons burgerschap is echter in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere ​Jezus​ ​Christus, Die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het gelijkvormig wordt aan Zijn verheerlijkt lichaam…”[6]. Gods zorg voor Zijn kinderen houdt niet op bij de grens van het aardse leven. Zijn zorg gaat in de hemel gewoon verder!

Het is niet voor niets dat de Spreukenleraar in hoofdstuk 23 zegt:
“Mijn zoon, geef mij je ​hart,
en laten je ogen behagen scheppen in mijn wegen”[7].
Want de weg van de Here is het pad naar de hemel!
Hier op aarde kijken we soms op een afstandje naar onszelf. Naar ons gefröbel. Naar ons onhandig geknutsel. Naar ons aards geknoei. Naar ons goed bedoeld geklungel. Daar staren we naar. En misschien ergeren wij ons wel een beetje aan onszelf. Dat moeten we echter niet te vaak doen. Want de Here toont ons de wegen die naar Zijn troon leiden; Hij heeft Hoogstpersoonlijk de route voor ons uitgestippeld!
Om met Psalm 23 te spreken:
“Hij sterkt mijn ziel, verkwikt mij met zijn zegen,
leidt om zijn naam mij op de rechte wegen”[8].

Onze God is een gevende God.
Hij deelt uit. Met gulle hand. Dat doet Hij graag. Dat doet Hij veel.
Paulus weet daar wel van.

Bij zijn naamgenoot Paul uit 2018 is het een beetje weggezakt.
Bij de bekende cabaretier Paul van Vliet, bedoel ik.
In het Nederlands Dagblad zei Paul onlangs: “Misschien vind ik God terug nu ik meer rust en ruimte in mijn leven krijg. De afgelopen jaren liep ik op zondag naar de schouwburg, misschien loop ik straks naar de Kloosterkerk – allebei vijf minuten. Maar God zal niet dezelfde zijn als in mijn kindertijd. Hij is abstracter geworden. Ik vind Hem in adembenemende kunst, in de natuur, in een mens, soms. In het mysterie. Ik vind het prettig om te geloven in het onbegrijpelijke. Ervan uit te gaan dat je als mens niet de maat der dingen bent. Voor het gemak spreek ik over ‘God’, maar de formulering is niet toereikend. Je gaat altijd stamelen hè, als je het probeert uit te leggen. Als je rotsvast in de Bijbel gelooft, is het veel makkelijker om God te beschrijven”[9].

Natuurlijk is God vele, vele malen groter dan wij. Hij is onbegrijpelijk.
Maar Hij is zeker niet mysterieus. Want Hij maakt Zich in Zijn Woord bekend. En de gaven van de gulle Gever zijn reuze concreet.
Terecht zei een dominee eens: “God geeft uit Zijn volheid en dat valt niet tegen. (…) Wij vallen tegen, maar God niet”[10].
Hij geeft van alles: vergeving en verzoening van zonden, totale vernieuwing van het leven, bescherming en beloften over het eeuwige leven – een verrukkelijk bestaan dat nooit ophoudt!

Ja, God is echt een Vader. Een Vader die zorgt.
Wij weten het wel: aardse vaders moeten op een bepaald moment hun kinderen loslaten. Er komt een moment dat aardse vaders bijna alleen maar meer bezorgd kunnen zijn over hun kinderen. Veel meer kunnen zij niet doen.
Welnu, onze hemelse Vader laat Zijn kinderen nooit los. Hij stuurt hen langs allerlei wegen. Soms zijn het wegen waarvan wij het bestaan niet konden vermoeden. Soms zijn er weggetjes en stopplaatsen waar Zijn kinderen vragen: wat moeten wij hier nu toch doen? Wij mogen ons realiseren: ooit zullen de vraagtekens verdwenen wezen!

Laten wij intussen onze Vader maar eren.
Laten wij ons, al werkende weg, maar verheugen op het grootse bestaan dat wij tegemoet gaan.
En laten wij het Paulus maar nazeggen: “Onze God en Vader nu zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. ​Amen”[11]!

Noten:
[1] Philippenzen 4:19.
[2] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.prekenweb.nl/m/Preek/Open/21742 ; geraadpleegd op donderdag 29 november 2018.
[3] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Jupiter_(mythologie) ; geraadpleegd op donderdag 29 november 2018.
[4] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Zeus ; geraadpleegd op donderdag 29 november 2018.
[5] Psalm 18:30.
[6] Philippenzen 3:20 en 21 a.
[7] Spreuken 23:26.
[8] Psalm 23:1 – berijmd, Gereformeerd Kerkboek-1986.
[9] “Ik ben een verwend jochie”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 29 november 2018, p. 20 – rubriek Houvast.
[10] De woorden werden gesproken door dominee W. Visscher, predikant van de Gereformeerde Gemeente in Amersfoort.
[11] Philippenzen 4:20.

14 november 2018

Refrein van de aansporing

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

“Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben”.
Dat is een zin die in het Bijbelboek Ezechiël meer dan twintig keer voorkomt. Die woorden klinken dreigend. Ze zullen ervan lústen – het volk Israël, Juda en de volken die Israël dwarsgezeten hebben!
Ezechiël zegt het in hoofdstuk 6, 7, 12, 24, 25, 26, 28…. enzovoort – steeds weer klinkt dat woord: “Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben”.

Tussen 593 en 571 voor Christus brengt Ezechiël allerlei onheilsboodschappen. En steeds weer is daar dat alarmerende keervers.

Israël en Juda storten in.
Ezechiël legt uit dat de verwoesting en de ballingschap in feite een straf zijn. Een straf van God op de zonden van Zijn volk. Met name de afgoderij is een gruwel in Gods oog!
Iemand schrijft: “Ezechiël gebruikt ook vaak vergelijkingen. Sommige daarvan zijn bijna schokkend om te lezen. In Ezechiël 16 wordt God beschreven als minnaar van Jeruzalem (Jeruzalem wordt daarin beschreven als vrouw). Jeruzalem is niet trouw aan God, maar heeft seks met allerlei mannen (afgoden). In hoofdstuk 23 lees je ook zo’n soort vergelijking. Het is alsof de profeet gedacht heeft: ik zeg het heel duidelijk. Als ze het nu nog niet snappen, weet ik het ook niet meer”[1].

Het lezen van het Bijbelboek Ezechiël is niet altijd even vreugdevol. Al die oordelen over Israël en de omringende volken roepen trieste beelden op. Ammon, Moab, Filistea, Tyrus en Sidon, Egypte: ze worden allen uitgebreid toegesproken.

Het is bekend dat sommige mensen Ezechiël liever niet aan tafel lezen. Al dat bloed, al dat geweld, al die oorlogstaal – daar wordt niemand blij van.

Toch is het van enig belang dat wij de profetie van Ezechiël kennen.

Die zin ‘Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben’ heeft een oproep in zich. Namelijk deze: erken nu toch dat de Here God is. Hij heeft de macht in hemel en op aarde.
Natuurlijk – daar dachten ze in Ammon, Moab, Filistea, Tyrus en Sidon en Egypte anders over. Maar ze zijn er inmiddels achter gekomen dat de Here de waarheid spreekt!
En ook Gereformeerden van 2018 mogen het zich realiseren: de God van het verbond is de Almachtige; Hij bestuurt heel de wereld!

Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben: dat is eerst en vooral het refrein van de aansporing tot erkenning van de Here.
Stelt u zich voor dat u iedere dag een kapittel van de profetie van Ezechiël leest. Dan zult u op een gegeven moment zeggen: ja ja, dat weten we nu wel – alweer oordeel, alweer gericht… En wellicht vraagt u zich vertwijfeld af waarom wij dit alles tot ons moeten laten doordringen.
Met name de hoofdstukken 6 tot en met 32 zijn doordrenkt met onheil, rampen, ellende en ongeluk.
De mensen vragen: kan het niet wat minder? Slechts tot weinigen lijkt het door te dringen dat de Here het klaarblijkelijk nodig vindt om in Zijn Woord zoveel aandacht te geven aan rampspoed en tegenslag.
“Hij weet hoe mensen zijn.
Hij doorgrondt hun daden,
weet wat zij beraden,
kent hen, groot en klein”[2].
Met andere woorden – de Here kent Zijn volk langer dan vandaag. En Hij waarschuwt ook de kerk van vandaag: pas goed op u zelf! En Hij vraagt: u weet toch wel dat de zonde nog op de loer ligt?
Wij zien het om ons heen: criminaliteit, kortzichtigheid, natuurrampen, oorlog, ontucht, onwil… – u kunt het rijtje van trammelant en tragiek ongetwijfeld zonder moeite aanvullen.
En de vraag is: blijven wij op de Here vertrouwen, op Hem die zo machtig is dat Hij Zijn volk altijd en overal beschermen kan?

Die bekende woorden ‘Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben’ hebben ook nog een andere betekenis.
Er zit ook troost in.
Want één ding is zeker: er komt een tijd dat alles en iedereen zal moeten erkennen dat onze God alle macht heeft, in de hemel en op de aarde.
Openbaring 6 spreekt daarover.
Leest u maar even mee. “En de koningen van de aarde, de groten, de rijken, de oversten over duizend, de machtigen en alle ​slaven​ en vrije mensen verborgen zich in de grotten en tussen de rotsen in de bergen. En zij zeiden tegen de bergen en de rotsen: Val op ons en verberg ons voor het aangezicht van Hem Die op de troon zit, en voor de toorn van het Lam. Want de grote dag van Zijn toorn is aangebroken en wie kan dan staande blijven?”.
Op die dag zal blijken dat de mensen die door de eeuwen heen Jezus Christus hebben gevolgd toch gelijk gehad hebben.
Op die dag zal blijken dat de trouwe kerkgangers van alle tijden het bij het rechte eind hebben gehad.
Op die dag zal blijken dat degenen die de God huns levens prijzen, biddend Hem hun dank bewijzen aan de goede kant staan[3].

In deze tijd hebben we te maken met een maatschappij waarin God zeker nog niet vergeten. Des zondags stromen er nog heel wat kerkgebouwen vol.
Maar naast het christelijke geloof zijn er nog talloze religieuze stromingen. Dergelijke religiositeit noemt Ezechiël afgoderij.
Dat moet je tegenwoordig uiteraard niet meer zeggen.

Ach – de wereld komt er nog wel achter.
Laten we ons in de kerk maar oefenen in de geloofszekerheid van Psalm 42:
“O mijn ziel, zozeer verslagen,
waarom bent u zo ontrust?
Hoop op God, uw heil zal dagen,
vind weer in zijn lof uw lust.
Ook al treft u smaad en spot,
uw verlosser is uw God.
Hoop op Hem, en zie naar boven
ik zal God, mijn God weer loven”[4].

Noten:
[1] Geciteerd van https://bijbel.eo.nl/inleiding-bijbelboeken/inleiding-op-ezechiel ; geraadpleegd op vrijdag 9 november 2018.
[2] Dit zijn regels uit Psalm 33:5 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986.
[3] De formulering van deze zin gaat terug op Psalm 42:5 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986.
[4] Psalm 42:7 – berijmd; Gereformeerd Kerkboek-1986.

20 september 2018

De afgod van de weet-wel-kunde

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Leviticus: dat is een Bijbelboek met lessen over de omgang met God.
Iemand typeert dat als volgt: “Hoe dat gaat en de voorwaarden die daarbij door God worden gesteld, wordt voorgesteld in de verschillende offers en de daarmee verbonden priesterdienst. Voor nieuwtestamentische gelovigen wordt in zinnebeelden getoond dat zij gemeenschap mogen hebben met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus”[1].

Het is goed om het bovenstaande in het achterhoofd te houden als wij in het begin van Leviticus 20 lezen: “Iedereen uit de Israëlieten en uit de ​vreemdelingen​ die in Israël verblijven, die iemand uit zijn nageslacht aan de Moloch overgegeven heeft, moet zeker gedood worden: de bevolking van het land moet hem met stenen ​stenigen. En Ikzelf zal Mijn aangezicht tegen die man keren en hem uit het midden van zijn volk uitroeien. Hij heeft immers iemand uit zijn nageslacht aan de Moloch overgegeven, waardoor Mijn ​heiligdom​ ​verontreinigd​ en Mijn ​heilige​ Naam​ ontheiligd is”[2][3].

Moloch – wie is dat?
Een uitlegger noteert: “Via deze god werden ook kinderen gewijd aan hun voorouders. Deze wijding kan zowel inhouden dat ze in leven bleven en in dienst van de godheid stonden, maar misschien ook dat ze voor het aangezicht van deze god werden verbrand. Deze laatste opvatting, dat kinderen voor Moloch werden verbrand, staat momenteel ter discussie”[4].
Moloch heet in de Bijbel soms ook Milkom.

Hoe dat zij: het offeren van mensen gaat rechtstreeks in tegen Gods gebod. Hij zegt immers: eer Mij met heel uw hebben en houden. Geen wonder dat God dat zo streng verbiedt!
In de toenmalige wereld wordt Moloch wijd en zijd vereerd. Uit 1 Koningen 11 blijkt dat zelfs Salomo niet aan de aantrekkingskracht van Moloch ontkomt[5]!

Waarom vindt God het dienen van afgoden zo verschrikkelijk en afschuwelijk?
Omdat Hij bezig is met de uitvoering van een groots verlossingsplan. In dat plan heeft de Here Jezus Christus, de Heiland, de meest centrale plaats.
In de eerste algemene brief van de apostel Johannes vinden we een adequate omschrijving van dat plan: “Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij gezien hebben met onze ogen, wat wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens – want het leven is geopenbaard en wij hebben het gezien, en wij getuigen en verkondigen u het eeuwige leven, dat bij de Vader was en aan ons is geopenbaard – wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij u, opdat ook u gemeenschap met ons hebt; en deze gemeenschap van ons is er ook met de Vader en met Zijn Zoon ​Jezus​ ​Christus. En deze dingen schrijven wij u, opdat uw blijdschap volkomen wordt”[6].

In het boek Leviticus wordt, om zo te zeggen, al naar Hem toe gewerkt.
De wereld moet er op rekenen: de Verlosser komt!

Wij weten het: de Verlosser is gekomen. Maar in Leviticus is het nog lang niet zo ver. Het zal nog zo’n 1450 jaar duren voordat Hij naar de aarde komt.
Maar het boek Leviticus roept de mensen er al toe op: bereid u voor op Zijn komst!

De God van hemel en aarde legt er de nadruk op: men mag Gods heiligdom niet verontreinigen. Gods heilige naam mag niet worden besmeurd.

Waar is het heiligdom vandaag? Waar moeten wij dat zoeken?[7]
Antwoord: in de kerk.

Paulus schrijft aan de christenen in Corinthe: “Weet u niet dat u Gods tempel bent en dat de ​Geest van God​ in u woont? Als iemand de tempel van God te gronde richt, zal God hem te gronde richten, want de tempel van God is ​heilig, en deze tempel bent u”[8].
Die gemeente is wellicht heel klein. Niettemin is zelfs dat kleine onbetekenende kerkje zeer de moeite waard! Want Jezus zegt in Mattheüs 18: “Verder zeg Ik u dat, als twee van u op de aarde iets, wat dan ook, eenstemmig verlangen, het hun ten deel zal vallen van Mijn Vader, Die in de hemelen is. Want waar twee of drie in Mijn Naam bijeengekomen zijn, daar ben Ik in hun midden”[9].

Terug nu naar Leviticus 20.
Het begin van dat hoofdstuk is niet bepaald rustgevend.
Dood.
Steniging.
Uitroeiing.
Verontreiniging.
Ontheiliging.
Dat past, zou je zeggen, op geen enkele manier bij de eenentwintigste eeuw. Daar kun je nu toch niet meer mee aankomen?

Inderdaad – Leviticus 20 is een deel van het Oude Testament.
Steniging en uitroeiing: dat is niet meer aan de orde.
Maar het is wel duidelijk: kinderen van God moeten hun leven aan Hem wijden.

Maar wat moeten wij verder met Leviticus 20 aanvangen?
Het is, als u het mij vraagt, goed om te bedenken: de afgod slokt je op!

Wat voor afgoden hebben wij vandaag?
Ik noem vandaag de afgod van het alles weten. Oftewel: de afgod van de weet-wel-kunde.

Vandaag de dag kunnen wij alles opzoeken.
Wie iets niet weet, raadpleegt het internet. De zoeker komt geheid een stukje verder.
Maar juist omdat dat kan, worden wij allemaal geacht alles te weten.
En juist omdat dat kan, kunnen wij ook snel bekijken welke rechten wij hebben.
Wie iets niet weet, is eigenlijk een beetje dom.
Wie geen gebruik maakt van al zijn rechten, is een beetje onnozel. Een tikje suf. Om niet te zeggen: bekrompen en boers.

Hierboven wordt Salomo genoemd.
Hij is typisch zo’n man die verder kijkt dan zijn neus lang is.
Hij is groots. Wijs. Kundig. Hij weet hoe de zaken staan in de wereld.
En Moloch, oftewel Milkom, vereert hij ook. Niet dat hij zijn God vergeet. Welnee. God en Moloch staan naast elkaar.
Ach ja, waarom niet?
Hij staat midden in de wereld, nietwaar?

Leviticus 20 waarschuwt ons ervoor om er een afgod op na te houden.
In 2018 kan dat zomaar de afgod van de weet-wel-kunde zijn.
Je bent een beetje sullig als je de boel niet bijhoudt.
Je staat midden in de wereld, nietwaar?

In de kerk moeten en mogen wij op God vertrouwen.
We mogen en moeten een schuilplaats zoeken bij de Heiland.
Ook vandaag mogen wij weten: wij zullen – om met 1 Thessalonicenzen 4 te spreken – “opgenomen worden in de wolken, naar een ontmoeting met de Heere in de lucht. En zo zullen wij altijd bij de Heere zijn”.
De Verlosser komt!

Wij hoeven niet alles bij te houden.
Wij hoeven niet altijd van onze rechten gebruik te maken.
Er komt een moment dat de weet-wel-kunde geen redding meer biedt.
Dat zal het ogenblik zijn waarop God alles zal zijn in allen!

Noten:
[1] Geciteerd van http://christipedia.nl/Artikelen/L/Leviticus ; geraadpleegd op dinsdag 11 september 2018.
[2] Leviticus 20:2,3.
[3] De Herziene Statenvertaling noemt de afgod Molech. Ik gebruik de meer gangbare naam Moloch.
[4] Geciteerd van http://www.bijbelaantekeningen.nl/files/subject?1658 ; geraadpleegd op dinsdag 11 september 2018.
[5] Zie 1 Koningen 11:5: “want ​Salomo​ ging achter ​Astarte​ aan, de god van de Sidoniërs, en achter ​Milkom, de afschuwelijke afgod van de ​Ammonieten”.
[6] 1 Johannes 1:1-4.
[7] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.oudesporen.nl/Download/OS1006.pdf ; geraadpleegd op dinsdag 11 september 2018.
[8] 1 Corinthiërs 3:16 en 17.
[9] Mattheüs 18:19 en 20.

1 juni 2018

Actuele belijdenis

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , , ,

Hoe kun je de Bijbel samenvatten?[1]
Dat hebben al heel wat mensen zich afgevraagd. Zij schreven belijdenissen. Zo komen we aan onze belijdenisgeschriften.
In de kerk sluiten we ons bij die belijdenissen aan. Op die manier zoeken wij heel bewust verbinding met ware gelovigen uit alle tijden en op alle plaatsen.

Als wij nu, in 2018, een nieuwe belijdenis zouden moeten schrijven… wat zou daar dan in geaccentueerd worden?

Laat ik een paar zaken noemen.
Maar ik waarschuw u van te voren: een compleet lijstje is dit zeker niet.

1.
Het feit dat God de Schepper is van hemel en aarde. Hij creëerde de wereld in zes dagen.
Hoe dat precies is gegaan? Niemand van ons was erbij. En omdat de mensen dat gebrek aan kennis wilden opvullen, ontwierpen zij de evolutietheorie. In die theorie steekt het niet op een miljoentje of een miljardje. Die theorie staat diametraal tegenover het christelijk geloof.
2.
Het feit dat de mens van nature diep in de zonde weggezonken is. Hij is, om zo te zeggen, één grote brok zonde. Dat de mens toch tot iets goeds in staat is, is aan God te danken. Hij heeft deze wereld niet in de ellende laten zitten. Wat is God genadig!
3.
Het feit dat Jezus Christus onze enige Verlosser is. Wij verwachten het niet van intermenselijkheid. En ook niet van Allah. En ook niet van het Boeddhisme.
Bij dit alles komt nog dat wij Allah, Boeddha – of welke andere god ook – niet op één hoop vegen met onze God. De eenvoudige reden daarvoor is dat er feitelijk maar één God is. Andere goden zijn er niet.
4.
De troost dat onze Here Jezus Christus ons van zonde en schuld verlost. Als ergens Zijn grote liefde voor het menselijk leven uitkomt, dan is het wel daarin. Om met de Nederlandse Geloofsbelijdenis te spreken: “Zijn goedheid en barmhartigheid heeft Hij uitgestort over ons, die schuldig waren en verdienden veroordeeld te worden”[2]. Daarin liet Hij Zijn volmaakte liefde zien.
Het is die liefde die in het menselijk leven weerspiegeld mag en moet worden. Daarom is het leven het alleszins waard om uit alle macht beschermd te worden. Van de conceptie tot aan de dood. Van eigenmachtig ingrijpen – door bijvoorbeeld abortus, euthanasie of moord in het criminele circuit – mag geen sprake zijn.
5.
Het feit dat volgelingen van Christus die liefde tonen in het gewone leven. Christenen staan, als het goed is, bekend om hun vriendelijkheid.
Daarnaast zijn christenen eerlijk en betrouwbaar. Bedrog is niet aan de orde. Met christenen kun je, om het zo maar te zeggen, zaken doen!
6.
Het feit dat volgelingen van Christus trouw zijn.
Trouw aan God en Zijn geboden.
Trouw aan de mensen om hen heen.
Huwelijkstrouw is daarom een groot goed.
Seksueel misbruik is uit den boze.
7.
Het feit dat de kerk een groots werk van God is. Tegenwoordig lijkt de algemene regel te zijn: iedereen kan een eigen kerkgenootschap beginnen. Maar dat is, goed beschouwd, nonsens.
De Dordtse Leerregels leren ons: “De uitverkorenen zullen – ieder op zijn tijd – bijeen vergaderd worden en zal er altijd een kerk van gelovigen zijn, die gefundeerd is in Christus’ bloed. Zij heeft Christus, haar verlosser, die voor haar, als een bruidegom voor zijn bruid, aan het kruis zijn leven gegeven heeft, standvastig lief, zij dient Hem met volharding en prijst Hem nu en in alle eeuwigheid. Amen”[3].
8.
Het feit dat de burgers van deze wereld in twee kampen verdeeld zijn: voor of tegen Christus. Het is van tweeën één: hemel of hel. Een grijs gebied is er niet.
Verhalen dat mensen als sterren in een heelal zweven zijn aantrekkelijke fantasieën. Die verhalen kloppen echter niet.
We zeggen wel eens: zij was een goed mens. Of: hij was een slecht mens. Ten diepste is de tegenstelling echter niet ‘goed of slecht’, maar ‘voor of tegen Christus’.

Wie het bovenstaande overziet, ontdekt ongetwijfeld elementen uit de apostolische geloofsbelijdenis. Ook andere belijdenisgeschriften komen langs.
En dat is de bedoeling ook. Want de kerk van nu staat op de schouders van het voorgeslacht. Zij gaat het wiel heus niet opnieuw uitvinden!

Er is wel eens geopperd dat er een belijdenistekst moet komen “die boven culturen uitgaat, breed gedragen wordt en niet tijdgebonden is”[4].

Ik kan u vertellen dat dat niets wordt.
Dat klinkt flauw en vervelend. Maar het lijkt mij toch een realistische kijk op het gelovig belijden in de eenentwintigste eeuw.
Immers, in de kerk moet iedere generatie in de context van zijn tijd het geloof belijden.
En: in de kerk moet iedere generatie de consequenties daarvan in de praktijk van alledag tonen.

Maar kan de belijdenis anno Domini 2018 niet heel kort zijn?
Bijvoorbeeld: ‘Jezus Christus, ja Hij alleen’?
Dat klinkt prima.
En inderdaad – de Heiland staat in de Bijbel centraal. Maar er staat toch nog veel meer in Gods Woord; dat mogen we niet vergeten. Laten we niet net doen alsof de kern van de Heilige Schrift op een geel Post It-plakkertje past.

Belijdenis doen van je geloof: dat is een kwestie van alle tijden.
De consequenties van het geloof laten zien: dat is, als het eropaan komt, een taak voor iedere dag.

Noten:
[1] In dit artikel is deels gebaseerd op een stuk dat ik eerder schreef. Dat stuk is gedateerd op donderdag 18 juni 2009.
[2] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 20.
[3] Dordtse Leerregels, hoofdstuk II, artikel 9.
[4] Dat pleidooi werd gehouden door de Gereformeerd-vrijgemaakte dominee R.C. Janssen. Zie: “Pleidooi voor een nieuwe belijdenis”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 17 juni 2009, p. 2.

15 februari 2018

Tucht en troost

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Vanavond zal te Groningen een vrouwenvereniging bijeenkomen om Ezechiël 14 en 15 te bestuderen[1]. Wordt dat een mooie vergadering? Worden er verblijdende conclusies getrokken? Dat staat nog te bezien. Want in die hoofdstukken gaat het over strafgerichten.
Er is sprake van ernstige tuchtmaatregelen.
Toch hoeven wij niet troosteloos en wanhopig in een hoekje te blijven zitten.

Op deze internetpagina plaats ik vandaag enkele opmerkingen over Ezechiël 14 en 15[2].

In dienst van God
Er komt een delegatie oudsten van Israël bij Ezechiël. Die afvaardiging komt de Here om raad vragen. Maar die afvaardiging heeft een probleem. Dat is dit: er wordt plaats gegeven aan afgoderij. Zodoende is men van God vervreemd. De Here zegt: “Bekeer u, keer u af van uw stinkgoden en keer uw gezichten af van al uw gruweldaden”[3].
Het valt op dat men afgoderij bedrijft, maar toch God komt raadplegen. Dat kan dus gebeuren. Ook vandaag kan dat in de kerk zo gaan.
Altijd moeten we in de gaten houden dat werken in de kerk en – bijvoorbeeld – op een Gereformeerde school geen hobby-op-zichzelf wordt. Vanwege de sociale contacten. Of om onszelf scherp te houden en verder te ontwikkelen. We hebben, om zo te zeggen, een dienstverband!

Laat u niet misleiden
Zelfs een profeet kan zich laten misleiden. En als de mensen achter zo’n valse profeet aan lopen, kan de Here zelf die mensen misleiden.
Dat gebeurt vaker. Bijvoorbeeld in 1 Koningen 22: “Welnu, zie, de HEERE heeft een leugengeest in de mond van al deze ​profeten​ van u gegeven, en de HEERE heeft onheil over u uitgesproken”[4].
Paulus schrijft er in 2 Thessalonicenzen 2 over: “En daarom zal God hun een krachtige dwaling zenden, zodat zij de leugen geloven, opdat zij allen veroordeeld worden die de waarheid niet geloofd hebben, maar een behagen hebben gehad in de ongerechtigheid”[5].
We moeten ons dus niet laten misleiden.
Moeten we daarom krampachtige kerkleden zijn, die bij iedere handeling nerveus worden? Moeten we bange mensen worden die onmiddellijk protesteren als het Evangelie in moderne bewoordingen gebracht wordt? Nee, zeker niet! Het gaat er juist om dat we met de Here wandelen in het leven van alledag. Trouwens, in Ezechiël 14 en 15 hebben we óók met concrete situaties te maken.

De kerk is er dankzij Jezus Christus
Dat blijkt ook uit het einde van Ezechiël 14.
Er zullen altijd gelovige kerkmensen overblijven. Dat belijden we ook in de Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Deze kerk is er geweest vanaf het begin van de wereld en zal er zijn tot het einde toe. Want Christus is een eeuwig Koning, die niet zonder onderdanen kan zijn. Deze heilige kerk wordt door God staande gehouden tegen het woeden van de hele wereld, hoewel zij soms een tijdlang zeer klein en ogenschijnlijk verdwenen is”[6].
Als mensen dat op eigen kracht willen gaan regelen, dan wordt dat niks. Zelfs de aanwezigheid van Noach, Daniël en Job is geen garantie dat de kerk in alles Schriftuurlijk blijft.
De kerk verzorgen en redden? Dat moet Jezus Christus doen. Hij is de Enige die dat kan. Zo staat dat in 1 Petrus 3: “Want ook ​Christus​ heeft eenmaal voor de ​zonden​ geleden, Hij, Die ​rechtvaardig​ was, voor onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen”[7]. Ook de Hebreeënschrijver heeft het er in hoofdstuk 2 over: “Want het paste Hem, om Wie alle dingen zijn en door Wie alle dingen zijn, dat Hij, om veel ​kinderen​ tot heerlijkheid te brengen, de Leidsman van hun zaligheid door lijden zou ​heiligen”[8].

Geen automatisme
Het is dus niet zo dat je, als je eenmaal kerklid bent, op de automatische piloot kunt gaan leven. Zo van: ik ben kerklid, dus mij kan niets meer gebeuren.
Dat legt Ezechiël uit in de gelijkenis van de nutteloze wijnstok, die in Ezechiël 15 vermeld staat. Jezus zegt daarover in Johannes 15 ook: “Blijf in Mij, en Ik in u. Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet in de wijnstok blijft, zo ook u niet, als u niet in Mij blijft. Ik ben de Wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u niets doen”[9].
Kerkmensen van 2018 hebben een grote verantwoordelijkheid!

God is liefde
De God van het verbond heeft Israël uitgekozen om Zijn volk te zijn. Dat deed Hij niet omdat de Israëlieten zulke hoogstaande mensen waren. En nee, indrukwekkend was dat volk ook al niet. Integendeel! Dat blijkt, bijvoorbeeld, heel duidelijk in Deuteronomium 7: “Niet omdat u groter was dan al de andere volken heeft de HEERE ​liefde​ voor u opgevat en u ​uitgekozen, want u was het kleinste van al de volken. Maar vanwege de ​liefde​ van de HEERE voor u, en om de eed die Hij uw vaderen gezworen had, in acht te nemen, heeft de HEERE u met sterke hand uitgeleid en heeft Hij u verlost uit het slavenhuis, uit de hand van de ​farao, de ​koning​ van Egypte”[10].
De kern van de zaak is: God heeft Zijn volk lief. Zodra de kerk daar allerlei redeneringen bij gaat verzinnen, zijn wij verloren. Want de reden voor die liefde kunnen we nooit helemaal doorgronden. Wij kunnen niet meer doen dan die liefde te accepteren en ervan te genieten.

Onze taak
Maar dan is het ook logisch dat we ons leven in dienst stellen van God. Regelmatig moeten we ons afvragen hoe we, in onze specifieke situatie, God behoren te dienen.
Paulus schrijft in 2 Corinthiërs 5 dan ook: “En Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem Die voor hen gestorven en ​opgewekt​ is”[11]. Wat vraagt God van ons? Dat is een vraag die we onszelf zo nu en dan eens moeten stellen.
Wat Jezus Christus in Johannes 15 zegt, geldt vandaag ook voor ons: “Niet u hebt Mij ​uitverkoren, maar Ik heb u ​uitverkoren, en Ik heb u ertoe bestemd dat u zou heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht zou blijven, opdat wat u ook maar van de Vader vraagt in Mijn Naam, Hij u dat geeft. Dit gebied Ik u: dat u elkaar liefhebt”[12].

‘t Kon wel eens een vertroostende vergadering worden, vanavond!

Noten:
[1] Dat betreft de vrouwenvereniging ‘Bouwen en Bewaren’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Mijn vrouw houdt tijdens die vergadering een inleiding over die hoofdstukken. Die inleiding is een bewerking van dit artikel.
[2] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.oudesporen.nl/Download/OS2359.pdf ; geraadpleegd op zaterdag 30 december 2017.
[3] Ezechiël 14:6.
[4] 1 Koningen 22:23.
[5] 2 Thessalonicenzen 2:11 en 12.
[6] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 27.
[7] 1 Petrus 3:18 a.
[8] Hebreeën 2:10.
[9] Johannes 15:4 en 5.
[10] Deuteronomium 7:7 en 8.
[11] 2 Corinthiërs 5:15.
[12] Johannes 15:16 en 17.

10 januari 2018

Kerkorde, verbond, heiliging

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , , ,

Vanavond gaat het, tijdens de vergadering van de Bijbelstudievereniging waar schrijver dezes lid van is, over Exodus 18 en 19.

Eigenlijk heb ik Exodus 18 altijd al een opmerkelijk Schriftgedeelte gevonden.
Dat is namelijk het hoofdstuk van de Schriftuurlijke organisatiekunde.
Jethro leert zijn schoonzoon dat hij de rechtspraak anders moet organiseren. Het is niet de bedoeling dat Mozes alles in zijn eentje doet. IJver voor de Here is, op zichzelf genomen, heel goed. Maar je hoeft er niet onderdoor te gaan.
Wat betekent het bovenstaande voor vandaag?
In de eerste plaats: efficiënt werken is in de kerk niet verkeerd. Natuurlijk is de kerk geen bedrijf. Maar het is zeker niet verboden om in de kerk moderne middelen te gebruiken. Het is bovendien prima om de kerkelijke zaken handig aan te pakken.
In de tweede plaats: er zijn wel mensen die zeggen dat (bijna) alle kerkelijke regels onmiddellijk moeten worden afgeschaft.
Maar dat is onzin.
Van Zacharias wordt in Lucas 1 gezegd: “Terwijl hij het priesterambt bediende voor God, toen het de beurt van zijn afdeling was, gebeurde het dat hij, volgens de gewoonte van de priesterdienst, door loting werd aangewezen om de tempel van de Heere binnen te gaan en het ​reukoffer​ te brengen”[1]. Ook in de priesterdienst waren regels en gewoontes!
Paulus schrijft in Philippenzen 3: “Laten wij dan, die geestelijk volwassen zijn, deze gezindheid hebben; en als u iets anders gezind bent, ook dat zal God u openbaren. Maar tot zover wij gekomen zijn, laten wij naar dezelfde regel wandelen, laten wij eensgezind zijn”[2]. Het is niet zo dat christenen zo maar wat doen. Zij leven naar de regels die God geeft.
In Galaten 6 noteert Paulus: “Want in ​Christus​ ​Jezus​ heeft niet het ​besneden​ zijn enige kracht, en ook niet het onbesneden zijn, maar wel dat we een nieuwe schepping zijn. En allen die overeenkomstig deze regel wandelen: ​vrede​ en ​barmhartigheid​ zij over hen en over het Israël van God”. Kinderen van God leven niet maar wat voor zich uit!
In de derde plaats kunnen we vandaag met recht zeggen: kerk en kerkorde horen echt bij elkaar. Dat wil niet zeggen dat we elkaar zodanig moeten vastbinden, dat we amper meer kunnen bewegen. Maar het betekent wel dat er duidelijke grenzen en kaders zijn.

Exodus 19 is het hoofdstuk dat voorafgaat aan de uitnodiging tot het verbond, en de aanvaarding van dat verbond.
De Here manifesteert Zich met groot vertoon van macht. Om dat nog eens helder te maken citeer ik een paar verzen: “En het gebeurde op de derde dag, toen het morgen werd, dat er op de berg donderslagen, bliksemflitsen en een zware wolk waren, en zeer sterk bazuingeschal, zodat al het volk dat in het kamp was, beefde. Mozes​ leidde het volk uit het kamp, God tegemoet. Zij stonden onder aan de berg. De berg Sinaï was geheel in rook gehuld, omdat de HEERE er in vuur neerdaalde. De rook ervan steeg omhoog als de rook van een oven, en heel de berg beefde hevig. Het bazuingeschal werd gaandeweg zeer sterk. ​Mozes​ sprak en God antwoordde hem met een stem”[3].
De grote God toont dat Hij wil zorgen voor nietige mensen.
Wat een troost!

De Here zet Zijn volk apart.
Dat blijkt de hele Bijbel door. In dit verband wijs ik u graag op Numeri 33: “Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer u de ​Jordaan​ oversteekt naar het land Kanaän, dan moet u alle inwoners van het land van vóór uw ogen verdrijven, en al hun beeldhouwwerken vernielen; ook moet u al hun gegoten beelden vernielen en al hun hoogten wegvagen. En u moet het land in bezit nemen en daarin wonen, want Ik heb u dat land gegeven om het in bezit te nemen”[4].
Van de Kanaänitische afgodendienst mag niets overblijven. Israël mag niet in de verleiding komen om ook maar iets van de afgodendienst van Kanaän over te nemen.
Dit betekent niet dat Gods volk zich in het geheel niets aan broedervolken en buurvolken gelegen moet laten liggen.
De adviezen over de organisatie van de rechtspraak komen in Exodus 18 notabene van Jethro, een Midianiet.
Die Midianieten stammen af van Midian, een zoon van Abraham en Ketura.
Ketura was, na de dood van Sara, de tweede vrouw van Abraham.
Maar Ketura wordt in 1 Kronieken 1 een bijvrouw genoemd[5]. De kinderen van Ketura worden in Genesis 25 bovendien weggestuurd[6]. Zij horen niet bij het verbond. De Midianieten dus ook niet. Die Midianieten worden in Richteren 7 en 8 door Gideon en de zijnen weggevaagd.
Dit alles zo zijnde, blijft overeind: Jethro’s adviezen zijn in Exodus 18 heel wijs. En daar mag Israël gebruik van maken!
De conclusie is gewettigd: heiliging wil niet zeggen dat je wereldvreemd bent, maar dat je geen wereldse afgoden hebt.

In Exodus 19 wordt met name benadrukt hoe heilig God is. Israël kan niet zomaar tot hem naderen.
Dat kunnen wij wel.
Sterker nog: ons zicht wordt steeds beter. Paulus noteert in 2 Corinthiërs 3: “Wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwen, worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heere bewerkt wordt”[7]. Het is God Zelf die ervoor zorgt dat wij Hem steeds beter kunnen zien.
En ja, het begin is er al. Want in 2 Corinthiërs 4 schrijft de apostel: “Want God, Die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is ook Degene Die in onze ​harten​ geschenen heeft tot verlichting met de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van ​Jezus​ ​Christus”[8].
Dat begin belooft wat!

Vanavond gaat het, tijdens de vergadering van de Bijbelstudievereniging waar schrijver dezes lid van is, over Exodus 18 en 19.
Gelet op het bovenstaande kunnen tenminste drie thema’s aan de orde komen:
* kerkorde
* verbond
* heiliging.
Er is veel te doen, vanavond!

Noten:
[1] Lucas 1:8 en 9.
[2] Philippenzen 3:15 en 16.
[3] Exodus 19:16-19.
[4] Numeri 33:51, 52 en 53.
[5] 1 Kronieken 1:32: “De zonen van Ketura, de ​bijvrouw​ van ​Abraham: zij baarde Zimran, Joksan, Medan, Midian, Jisbak en Suah. De zonen van Joksan waren Scheba en Dedan”.
[6] Genesis 25:6: “Abraham​ gaf alles wat hij had aan Izak, maar aan de zonen van de bijvrouwen die ​Abraham​ had, gaf ​Abraham​ geschenken. Hij stuurde hen, toen hij nog leefde, bij zijn zoon Izak vandaan in oostelijke richting, naar het Oosterland”.
[7] 2 Corinthiërs 3:18.
[8] 2 Corinthiërs 4:6.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.