gereformeerd leven in nederland

21 augustus 2019

Toegenegen toezicht

Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) staat onder verscherpt toezicht.
Dat is maar goed ook.
Op donderdag 15 augustus jongstleden kwam in het nieuws: “Het CBR heeft medische gegevens van tientallen mensen in verkeerde dossiers gestopt. Ze waren daardoor via internet zichtbaar voor anderen. Het gaat onder meer om verwijsbrieven, onderzoeken van specialisten, formulieren van huisartsen, adressen en burgerservicenummers, bevestigt het instituut na berichtgeving van het Algemeen Dagblad.
De verwisselingen kwamen aan het licht na meldingen van klanten en CBR-personeel. In 50 gevallen werden de fouten ontdekt door medewerkers van het CBR, bij de andere 21 gevallen werd het CBR gebeld door mensen die vreemde gegevens in hun dossier zagen staan of juist gegevens misten in hun dossier.
Het CBR sluit niet uit dat er meer gevallen zijn van verwisseling dan de 71 die nu bekend zijn”[1].
Voor ons beeld: het CBR is, wat je noemt, al jaren een probleem-instantie. In 2009 was er al gedoe over ICT-voorzieningen. En in de jaren daarna werd het er niet rustiger op[2].

Het gaat in het verdere van dit artikel vooral om dat verscherpte toezicht.
Het is niet moeilijk om ons voor te stellen wat daarbij aan de orde is: de ontwikkelingen worden – bijvoorbeeld door inspecteurs – nauwkeurig gevolgd, men schrijft verbeterplannen, er worden regelmatig gesprekken gehouden om te zien of de invoering van verbeterde procedures een beetje opschiet…– enzovoort.
Dat verscherpte toezicht wordt openbaar gemaakt. Alle mensen mogen het weten: met deze instantie, met deze organisatie is iets aan de hand.

Stelt de Here zondaren onder verscherpt toezicht?
In zekere zin wel.

Is dat nodig?
Tijdens een Gereformeerde synode in de zeventiende eeuw noteerde men: “Maar op het ingeven van de duivel is de mens uit eigen vrije wil van God afgeweken en daardoor heeft hij zich van deze uitnemende gaven beroofd. In plaats daarvan heeft hij over zich gehaald, wat zijn verstand betreft, blindheid, verschrikkelijke duisternis en een onbetrouwbaar en verdorven oordeel; wat zijn wil en hart aangaat, slechtheid, opstandigheid en hardnekkigheid; en bovendien in al zijn verlangens onzuiverheid”[3].
En:
“Zoals de mens was na de val, zo werden ook zijn kinderen: de verdorven mens bracht verdorven kinderen voort. Op deze wijze is naar Gods rechtvaardig oordeel de verdorvenheid van Adam gekomen over al zijn nakomelingen – uitgezonderd alleen Christus – (…) door voortplanting van de verdorven natuur”[4].
Dat toezicht is dus hard nodig.

Maar dat is er niet om gelovige mensen volledig af te branden.
Dat toezicht is er wel omdat Hij weet dat Zijn kinderen zo snel van het pad af raken.
En hoe doet Hij dat dan?
Antwoord: door het werk van de ambtsdragers.
Leest u maar mee in 1 Petrus 5: “De ouderlingen onder u roep ik ertoe op, als medeouderling en getuige van het lijden van ​Christus​ en deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden: hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op, niet gedwongen, maar vrijwillig; niet uit winstbejag, maar bereidwillig; ook niet als mensen die heerschappij voeren over het erfdeel van de Heere, maar als mensen die voorbeelden voor de kudde geworden zijn. En als de Opperherder verschijnt, zult u de onverwelkbare krans van de heerlijkheid verkrijgen”[5].

Voor dat woord ‘toezicht’ staat in 1 Petrus 5 een vorm van het woord epi-skopeo. Het betekent: omzien naar, uitzien naar, letten op.
In Hebreeën 12 staat te lezen: “Zie erop toe dat niemand achteropraakt in de genade van God, en dat er geen enkele wortel van bitterheid opschiet en onrust veroorzaakt zodat daardoor velen bezoedeld worden”[6]. Zie erop toe – wees er attent op; daar hebben we datzelfde woord epi-skopeo.
Ambtsdragers in de kerk? Dat zijn oplettende lieden!

Verscherpt toezicht – die term ligt in onze maatschappij zwaar op de maag.
Want dan denken we aan een bestuurlijke janboel, aan een reeks van buitengewoon vervelende gebeurtenissen, aan gevaarlijke situaties en aan ernstige gezondheidsrisico’s.
Welnu – in het bovenstaande is het reeds duidelijk geworden: feitelijk moeten alle mensen  onder verscherpt toezicht staan.
Echter – het toezicht dat onze goede God aanstuurt en aanleert, is toezicht vol genegenheid. Liefde is het trefwoord in de kerk.

In de kerk zijn we samen op weg naar een toekomst die niet stuk kan.
Die toekomst bereiken wij niet zonder slag of stoot. Dat niet.
Kijkt u maar mee in Openbaring 2: “Wees niet bevreesd voor wat u lijden zult. Zie, de ​duivel​ zal sommigen van u in de ​gevangenis​ werpen, opdat u verzocht wordt. En u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees trouw tot in de dood, en Ik zal u de ​kroon​ van het leven geven”[7]. Die kroon van het leven, die stephanon, vinden we ook in 1 Petrus 5. Daar heet hij: de onverwelkbare krans van de heerlijkheid.

In de kerk is het geen kwestie van: de zweep erover.
Ambtsdragers en andere kerkleden zijn geen streng kijkende types die met argusogen de mensen in hun omgeving volgen.
In de kerk staan we onder scherp toezicht – jazeker. Maar kerkmensen zijn niet stipt en strak om elkaar, zodra dat kan, een beste tik op de vingers te geven.
Maar eerlijk is eerlijk: soms lijkt de praktijk anders; sociale controle kan erger zijn dan kerkelijke tucht. Zo moet het niet wezen!

In onze maatschappij horen wij regelmatig over verscherpt toezicht.
En dat is niet voor niets.
De wereld is vol misstanden. Die tekortkomingen en wantoestanden moeten worden aangepakt.
Maar laten wij het toezicht in de wereld niet verwarren met de bescherming en de bewaking in de kerk. In de kerk is er sprake van toegenegen toezicht. Wij nemen elkaar mee naar Gods toekomst. In voorbereiding daarop loven en prijzen kerkmensen nu al de God die hen uitkoos om Zijn kinderen te zijn.
Zij zeggen, met de woorden van Petrus, tegen elkaar: “De God nu van alle ​genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in ​Christus​ Jezus, Hij Zelf moge u – na een korte tijd van lijden – toerusten, bevestigen, versterken en funderen. Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. ​Amen”[8].

Noten:
[1] Geciteerd van https://nos.nl/artikel/2297605-cbr-zet-medische-gegevens-per-ongeluk-in-verkeerde-dossiers.html ; geraadpleegd op donderdag 15 augustus 2019.
[2] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Centraal_Bureau_Rijvaardigheidsbewijzen ; geraadpleegd op donderdag 15 augustus 2019.
[3] Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 1.
[4] Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 2.
[5] 1 Petrus 5:1-4.
[6] Hebreeën 12:15.
[7] Openbaring 2:10.
[8] 1 Petrus 5:10 en 11.

15 januari 2019

Navigeren met Psalm 1

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , ,

Wetten en regels – daar hebben wij het van nature niet zo op. Wij redden ons liever zelf. Wij regelen onze eigen dingen. Daarom alleen al is Psalm 1 niet zo eigentijds.

Ik citeer de inzet van die eerste Psalm:
“Welzalig de man
die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
die niet zit op de zetel van de spotters,
maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.
Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken,
die zijn vrucht geeft op zijn tijd,
waarvan het blad niet afvalt;
al wat hij doet, zal goed gelukken”[1].

Blij zijn met Gods wet – kan dat?
Ja, dat is zeer wel mogelijk.
Dat kan als wij tot de conclusie komen dat de wet van God het leven verrijkt. De wet van God maakt het leven mooier.

Het blijkt de moeite waard om enkele woorden uit het bovenstaande citaat nader te bezien.

* Goddelozen

De hervormde dominee M.J. Schuurman schrijft daarover: “Deze mensen hebben wel weet van het bestaan van God, maar het heeft geen gevolgen voor hun daden. Zij geloven niet dat God van hen om een bepaalde manier van leven vraagt. Zij geloven niet dat zij rekenschap moeten afleggen van hun daden. Men spreekt in de uitleg ook wel van praktisch atheïsme: het geloof in God heeft geen enkele consequentie voor hun manier van leven”.

* De raad van de goddelozen

De hierboven reeds geciteerde dominee schrijft: “De Bijbel legt een grote verantwoordelijkheid neer bij de leidende personen van de gemeenschap. Zij zijn voorbeeldfiguren. Zij gaan voorop”[2].
Als wij Psalm 1 zó bekijken, draagt dit kerklied een speciale boodschap voor ambtsdragers in zich. Ambtsdragers hebben een grote verantwoordelijkheid: Gods kinderen moeten op de juiste weg blijven lopen!

* Wandelen, staan en zitten

Met die drie woorden wordt het leven als totaal gekarakteriseerd[3].

* Een boom, geplant aan waterbeken

Die typering brengt ons als vanzelf bij Ezechiël 47. Ezechiël spreekt daar over een beek die uit de tempel komt. Daar staat dan: “En langs de beek, langs de oever ervan, zullen aan deze kant en aan de andere kant allerlei vruchtbomen opkomen, waarvan het blad niet zal verwelken en waarvan de vrucht niet zal opraken. Elke maand zullen ze nieuwe vruchten voortbrengen, want het water ervoor stroomt uit het ​heiligdom. De vrucht ervan zal tot voedsel dienen en het blad ervan tot genezing”[4].
Dat betekent in ieder geval dit: de zegen van God is in de tempel te vinden. Oftewel – in de kerk. De zegen van God komt voort uit het werk van onze Heiland, de Here Jezus Christus. Zijn lijden en sterven aan het kruis geeft levensbloei! Exegeten voeren overigens heftige discussies over het antwoord op de vraag hoe Ezechiël 47 precies moet worden uitgelegd.
Hoe dat alles zij – er moet wel enig verband zijn met Openbaring 22: “En hij liet mij een zuivere rivier zien, van het water des levens, helder als kristal, die uit de troon van God en van het Lam kwam”[5].
Daarom kunnen we er bijna niet omheen – de God van hemel en aarde brengt het paradijs weer terug. Psalm 1 wijst ten diepste op een klein begin daarvan. Zeker, in de psalm klinkt nog maar een bescheiden preludium. Maar wij horen het wel. Dwars door alle kleinzieligheid en onenigheid heen brengt de hemelse Heer het paradijs terug.
Psalm 1 opent dus grootse perspectieven!

Inmiddels lijkt de laatste regel van het citaat toch ietsje overdreven.
“Al wat hij doet, zal goed gelukken”, staat er.
Dat zeggen we in 2019.
Echter – ook vandaag gaat er toch van alles fout in het leven? Bedoelingen worden niet begrepen. En soms komen we zélf tot de overtuiging dat de klus waar wij vol goede moed aan begonnen waren faliekant mislukt is. De componist van Psalm 1 weet dat natuurlijk ook wel. Waarom zegt de dichter van deze psalm dat dan toch?
Wij mogen hier denken aan de zegen die Gods kinderen krijgen in het verbond: het eeuwige leven en de hemelse glorie. Kinderen van God zijn onverbrekelijk met Jezus Christus verbonden. In Hem wordt ons werk gereinigd. Schoongemaakt. Het wordt alleszins toonbaar in de woonplaats van God.
In Openbaring 22 staat het onomwonden: “En zie, Ik kom spoedig en Mijn loon is bij Mij om aan ieder te vergelden zoals zijn werk zal zijn. Ik ben de Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste. Zalig zijn zij die Zijn geboden doen, zodat zij recht mogen hebben op de Boom des levens, en opdat zij door de ​poorten​ de stad mogen binnengaan”[6].
In Christus wordt ons werk op een magnifieke manier gesaneerd!
“Al wat hij doet, zal goed gelukken” – die psalmregel richt onze blik op een luisterrijke toekomst. Een toekomst die al is begonnen!

Psalm 1 wordt, zoals bekend, wel de psalm van de twee wegen genoemd. En het is duidelijk dat er op één van die wegen uitzicht is op de hemel.
Maar vandaag de dag lijkt het wel alsof velen werken met een niet bijgewerkt navigatiesysteem. U weet wel, zo’n systeem dat wel weet waar Hooghalen ligt, maar dat de afslag Assen-Zuid op de A28 niet kent; om in Hooghalen uit te komen stuurt het systeem u dwars door het centrum van Assen. En ach, zo kom je er ook – eerlijk is eerlijk. Je rijdt wat om, maar je bent een kniesoor als je daar op let. Het is 2019, nietwaar?
Het lijkt wel alsof zo’n niet bijgewerkt navigatiesysteem ook vaak gebruikt wordt bij Psalm 1. Er zijn twee wegen. Maar ook aardig wat zijstraten. En ook een paar alternatieve routes. Het duurt wellicht wat langer voor je in de hemel bent, maar je komt er wel. En nu ja, het is 2019. De televisie heeft honderd voorkeurzenders. En als je ’t helemaal niet meer weet gebruik je op Twitter #dtv – durf te vragen. Dan komt ’t allemaal goed.

Welnu –
Psalm 1 wijst twee wegen.
Twee; meer niet. Namelijk: naar God toe, of van God af.
Psalm 1 toont die weg in eerste instantie niet digitaal.
Maar het ligt allemaal heel duidelijk.
In Psalm 1 liggen de zaken eigenlijk heel eenvoudig!

Noten:
[1] Psalm 1:1-3.
[2] Geciteerd van https://mjschuurman.wordpress.com/2013/04/23/uitleg-over-psalm-1/ ; geraadpleegd op vrijdag 4 januari 2019.
[3] Zie hiervoor de onlineversie van de Studiebijbel; commentaar bij Psalm 1:1-3.
[4] Ezechiël 47:12.
[5] Openbaring 22:1.
[6] Psalm 22:12, 13 en 14.

9 april 2018

Gehoorzaam en onderdanig

In deze tijd zijn er heel wat jonge mensen die zich voorbereiden op het in het openbaar belijdenis doen van hun geloof.
Eén van de vragen die zij moeten beantwoorden luidt volgens het Gereformeerd Kerkboek-1986: “Belooft u zich te onderwerpen aan de kerkelijke vermaning en tucht, indien u zich – waarvoor God u genadig beware – in leer of leven misgaat?”[1].

Bij die vraag staat een Schriftverwijzing naar Hebreeën 13. Er wordt gewezen op deze woorden: “Gehoorzaam uw voorgangers en wees hun onderdanig, want zij waken over uw zielen omdat zij rekenschap moeten afleggen, opdat zij dat mogen doen met vreugde en niet al zuchtend. Dat heeft immers voor u geen nut”[2].

Gehoorzaam uw voorgangers en wees hun onderdanig… – dat is voorwaar geen aangename binnenkomer.
De dominee gehoorzaam zijn!
Ja, onderdanig zelfs!
Dat past, naar het lijkt, op geen enkele manier in deze tijd.
Immers, veel predikanten die zich Gereformeerd noemen brengen een leer die op bepaalde punten niet overeenstemt met de Heilige Schrift.
Bovendien: veel kerkleden wandelen links en rechts de kerk uit. Soms shoppen ze, om ergens een ‘Schriftuurlijk vitaminesupplement’ te kunnen innemen.
Gehoorzamen aan de predikant…: het mocht wat!

De Gereformeerd-vrijgemaakte emerituspredikant M.J.C. Blok – geb. 1949, thans wonend te Bunschoten-Spakenburg – schreef daar in 1976 het volgende over.
“Ambtsdrager zijn in de kerk is geen erebaantje. Daar geneest Christus ons direkt wel van: de ambtsdragers worden immers aangesteld in zware tijden, in de tijd van de nieuw-testamentische bedeling. De tijd waarin alles gaat gisten, de tijd van revolutie en afval. We lezen daar in de Hebreeënbrief uitgebreid van.
Die brief is één grote waarschuwing tegen afval en één klemmende oproep om bij Jezus Christus alleen te blijven, de Hogepriester van het nieuwe verbond. En via de ambtsdragers wil de Here Zijn volk bij Zijn Woord houden. Vandaar dat bevel in de tekst: Gehoorzaamt uw voorgangers. Je moet je laten overtuigen en voor hen wijken. Dat betekent: laat ze niet maar praten, maar laat je gezeggen.
Het is duidelijk dat de schrijver van deze brief alleen de trouwe ambtsdragers op het oog heeft, niet de ongehoorzame. De trouwe ambtsdragers zijn door God aangesteld. En daarom buig je ook niet voor mensen, maar je buigt voor het ambt, voor het Woord van God, voor Jezus Christus. Ambtsdragers geven Gods Woord vaak in gebrekkigheid door, maar het is het Woord van God”[3].

Ambtsdragers zijn instrumenten in de hand van de Here. Zij geven het Woord van de Here door. Niets anders dan dat. Als zij al een ‘eigen’ mening doorgeven, is die – als het goed is – steeds weer terug te voeren op Gods Woord. En nergens anders op.
Predikanten, ouderlingen en diakenen zijn niet belangrijk omdat ze invloedrijk zijn, of iets dergelijks. Ze wijzen op de Bijbel, en op de toepassing daarvan in het dagelijks leven.
Die gehoorzaamheid en onderdanigheid hebben te maken met het zich schikken naar de inhoud van het Woord van God.
Dat blijkt trouwens ook Hebreeën 13. Want vlak vóór het citaat van hierboven lezen we: “Laten wij dan altijd door Hem een lofoffer brengen aan God, namelijk de vrucht van lippen die Zijn Naam belijden. En vergeet het weldoen en het onderlinge hulpbetoon niet, want aan zulke offers heeft God een welgevallen”[4].
De Hebreeënschrijver maakt volstrekt helder waar onze aandacht naar toe moet gaan: naar de God van hemel en aarde!

Misschien kijken we wel eens tegen ambtsdragers op.
Omdat zij zo wijs zijn.
Of omdat zij zo ijverig zijn.
Laten wij dan in gedachten houden wat de Gereformeerd-vrijgemaakte nieuwtestamenticus J. van Bruggen eens schreef: “Wij concluderen dat de apostelen één soort oudsten in elke gemeente hebben aangesteld met als taak de gemeente te weiden door woord en leer. Het feit dat sommigen daarmee intenser bezig konden zijn dan anderen en dat zij mogelijk ook met speciale, tijdeisende, opdrachten werden belast, wettigt niet het invoeren van twee ambten. Wanneer sommigen in de dienst van de oudsten meer belast worden dan anderen, blijft het één ambt en taak. Intensiever werken leidt alleen tot intensievere eer en waar nodig ook tot materiële steun. Dit onderscheid tussen oudsten en oudsten is gradueel en bijkomstig, het is niet structureel of wezenlijk”[5].

Trouwens, de Gereformeerd-vrijgemaakte predikant en hoogleraar K. Deddens noteerde ooit: “Mensvergoding en mensverguizing liggen heel dicht bij elkaar, en het een kan heel makkelijk overslaan in het ander. Dat overkwam ook Paulus en Bamabas in Lystra. Het ene moment werden zij voor góden aangezien, maar het andere moment werd Paulus gestenigd en de stad uitgesleept (Handelingen 14:11, 12, 19). Maar men verstond niets van het ambt en de ambtelijke boodschap die zij brachten. Gehoorzaamheid en onderwerping waarvan in Hebreeën 13 sprake is, moet dan ook gezien worden als gehoorzaamheid en onderwerping aan het Woord der waarheid. Dat dwingt enerzijds de voorgangers, aan niets anders te binden dan aan Gods Woord, dat zij mogen ver­kondigen. Anderzijds verplicht het de hoorders, zich volledig aan dat gepredikte Woord te onderwerpen. Als zo wordt voorgegaan in de gemeente en als van haar kant de gemeente zo leeft, hoeven de voorgangers niet gebukt te gaan onder een zware last die zij niet kunnen tillen, maar kunnen zij hun werk met vreugde doen”[6].

De dominee gehoorzaam zijn…
Onderdanig zelfs…
Gewoon luisteren naar ambtsdragers…
Ja, dat past toch in deze tijd.
Zo lang ambtsdragers en gemeenteleden maar buigen voor het Woord dat God ook vandaag nog tot ons spreekt.

Noten:
[1] Gereformeerd Kerkboek-1986, p. 521.
[2] Hebreeën 13:17.
[3] M.J.C. Blok, “Gehoorzaamt uw voorgangers”. In: De Reformatie jg. 51, nr 29 (24 april 1976), p. 499 en 500.
[4] Hebreeën 13:15 en 16.
[5] J. van Bruggen, “Ambten in de apostolische kerk: een exegetisch mozaïek”. – Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, 1984. – p. 105 en 106.
[6] Prof. dr. K. Deddens, “Een voortreffelijke taak: profielschets van de pastor”. – Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1989. – p. 28.

8 december 2017

Het horizontalisme van professor Kuitert

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: , , , ,

Vrijdag 8 december 1972: in het Nederlands Dagblad worden uitspraken van professor Kuitert overgenomen. Die uitspraken heeft hij gedaan in het VU-magazine, een blad van de Vrije Universiteit te Amsterdam.
Hij pleit er voor om studenten theologie de ruimte te geven. Dat gaat als volgt.

“Een paar woorden wil prof. Kuitert nog aan VU-magazine kwijt over de groeiende kloof tussen (een deel van) de gemeenten en de theologische studenten, zowel die van de VU als die van ‘Kampen’. ‘Het is echt niet zo, dat die jongens niet een pastorie in willen, maar velen denken: ik beantwoord niet aan het verwachtingspatroon. Wat ik zou willen, is dat men nu eens ophoudt de studenten in alle mogelijke bochten te wringen, zodat ze bij ’n gemeente passen, maar dat de gemeenten hen nu eens de ruimte geven. Er zitten fantastisch goeie jongens bij, met zoveel moed en met zoveel zicht op de zaken en met zoveel ideeën, die vorm kunnen krijgen, dat ik de kerk beklaag die dat niet ziet en die deze kans – de zoveelste kans – aan zich voorbij laat gaan en zulke jongens laat staan. Dat is, wat ik nog dolgraag kwijt wil’”[1].

De formulering van hierboven is vijfenveertig jaar oud.
Maar de zaak zelf komt in het Neêrlandse kerkelijke leven nog met zekere regelmaat langs: dominees die – naar men zegt – niet bij gemeenten passen.
Als u geen vreemde in Jeruzalem bent, kent u de trefwoorden wel die bij meningen van deze soort horen: ontplooiingsruimte, vernieuwing, communicatie, verandermanagement.

Als u het mij vraagt, hebben we hier met horizontalisme te maken.

Horizontalisme: dat woord komt ook voorbij in een preek die op zondag 26 november 2017 in een kerkdienst van De Gereformeerde Kerk Groningen gelezen wordt.
Na de eredienst wordt het al snel duidelijk: de meeste catechisanten begrijpen dat woord niet meer. Geen wonder: het woord ‘horizontalisme’ gebruiken we anno 2017 weinig.

In de gelezen preek wordt trouwens wel uitgelegd wat horizontalisme is: “Horizontalisme, daar zit het woord horizontaal in. Men bedoelt daarmee te zeggen: verticaal omhoog, is er heel weinig meer te doen in de religie.
Verticaal, in de richting van God en van de hemel. Want, wie is God en waar is de hemel? Wie zal dat zeggen? Nee, wie nog godsdienstig wil zijn en wil blijven, wie nog aan religie wil doen die moet maar volop horizontaal bezig zijn. Op deze aarde, onder de mensen. Daar moet hij medemenselijkheid betonen en naastenliefde plegen”[2].

Horizontalisme, dat is: kijk veel om je heen, maar niet teveel omhoog; vanuit de hemel krijg je namelijk geen hulp.

Wie bij professor Kuitert tussen de regels door kijkt, ziet het woord ‘horizontalisme’ in neonletters oplichten.

Fantastisch goeie jongens… Zullen dat later Godvrezende ambtsdragers worden?
Jongens met moed… Hoe zullen die jongens hun dapperheid inzetten?
Jongens met goeie ideeën… Zijn dat Schriftuurlijke denkbeelden, eigenlijk?

Nu het om deze dingen gaat, wijs ik graag op de inzet van 1 Petrus 5: “De ouderlingen onder u roep ik ertoe op, als medeouderling en getuige van het lijden van ​Christus​ en deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden: Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op, niet gedwongen, maar vrijwillig; niet uit winstbejag, maar bereidwillig; ook niet als mensen die heerschappij voeren over het erfdeel van de Heere, maar als mensen die voorbeelden voor de kudde geworden zijn. En als de Opperherder verschijnt, dan zult u de onverwelkbare krans van de heerlijkheid verkrijgen”[3].
Dat woord geldt zeker ook voor ouderlingen met een bijzondere opdracht: de Woordverkondiging!

Toezicht: daar zit bewaking in. Een dominee moet ‘zijn’ schapen beschermen tegen de gevaren van de wereld.
Toezicht: daar zit ook controle in. Een dominee moet antwoord kunnen geven op de vraag: hoe gaat het met ‘mijn’ schapen?

Ouderlingen en predikanten moeten voorbeelden zijn. Zij mogen het de hele dag uitstralen: wandelen met God, zo doe je dat!
Lopen: dat doen we alle dagen. We lopen naar de keuken. We lopen naar de koffietafel. We lopen naar kantoor. We lopen naar het kantoor of de fabriek waar we ons dagelijks werk doen. We lopen naar onze makkelijke stoel bij het raam.
Welnu, ouderlingen en predikanten mogen hun gemeenteleden voorhouden: u loopt nooit alleen.

Petrus schrijft over een erfdeel van de Here.
Een exegeet legt dat als volgt uit: “Kleros (lot, erfgoed) was voor de lezers van de brief een bekend woord. Het duidt op een stukje land dat, meestal via het lot, door de burgerlijke overheid aan een inwoner werd toegewezen. Hier heeft dit woord betrekking op de kudde, die elk van de herders is toevertrouwd. Het is te vergelijken met de verdeling van het land Kanaän, waarin elke stam een erfdeel kreeg toegewezen”[4].
De kerk is van Jezus Christus. De gemeente moet namens Hem geleid en verzorgd worden. Gods kinderen moeten achter Christus aan. Met de blik op Hem gericht. De kerk wandelt dwars door de wereld, maar is volkomen geconcentreerd op de Redder, de Heiland. En daarbij gaat de dominee voorop. Zijn functieaanduiding zegt het al: voor-ganger.

Terug nu naar professor Kuitert.
Hij bekijkt in 1972 de zaken helemaal horizontaal.
De jongens moeten zicht op de zaken hebben, zegt hij.
Wel wel – waar dat alles toe leiden kan hebben we in de afgelopen decennia gezien!

Horizontalisme – wat is dat?
Komaan, ik noteer het nog eens.
Horizontalisme, dat is: kijk veel om je heen, maar niet teveel omhoog; vanuit de hemel krijg je namelijk geen hulp.

En laten wij maar eerlijk zijn: zulke opinies komen wij, mutatis mutandis, vandaag in het Nederlandse kerkelijk leven vaak tegen. Wij horen vaak over ontplooiingsruimte. Men heeft de mond vol over vernieuwing. Men praat over communicatie. Er wordt gesproken over verandermanagement.

In 1 Petrus 5 worden de lezers gemaand om wel naar boven te kijken.
Waarom?
Omdat de Opperherder aan de horizon verschijnen zal. Hij is de Herder die boven alle herders staat!

Daarom noteer ik tenslotte: let op de tekenen van de komst van de Opperherder; weg met het horizontalisme!

Noten:
[1] “Kuitert: synode-uitspraak was dubbelzinnig”. In: Nederlands Dagblad, vrijdag 8 december 1972, p. 2. Ook te vinden via www.delpher.nl .
[2] De betreffende preek is van de Gereformeerd-vrijgemaakte dominee G. Zomer (1925-1982). De preek handelt over Zondag 15 van de Heidelbergse Catechismus en is gedateerd: september 1971.
[3] 1 Petrus 5:1-4.
[4] Dit citaat komt uit de Studiebijbel, https://www.studiebijbel.nl/ ; commentaar bij 1 Petrus 5:3.

16 november 2017

Geestdriftige gezanten

Onlangs las ik een interview met professor mr. dr. F.T. Oldenhuis[1].
“Zet ook jonge mensen in de kerkenraad”, stond er boven.

Onder die intrigerende kop stond te lezen:
“‘Ik zie twee lijnen’, begint Oldenhuis, ‘de eerste begint positief: ik zie dat jongeren veel dingen aanpakken. Serieuze christelijke jongeren maken werk van hun christen-zijn in hun wijk. Ze zoeken medechristenen op. Daar heb ik grote bewondering voor.
Diezelfde jonge mensen interesseren zich niet voor kerkelijke vergaderingen. Ze voelen zich niet vertegenwoordigd. Op foto’s zie ik alleen oudere manslidmaten, terwijl jongeren met totaal andere dingen bezig zijn. Dan schud ik aan de boom, en zeg: Ho, ho, wakker worden met elkaar!’”[2].

Ik ben het met de emeritushoogleraar eens: er zijn veel jongeren die willen laten blijken dat zij christen zijn. Daar willen zij hun best voor doen. Dat is prachtig. En ja, ik stimuleer dat zeer gaarne.

Echter: ik voel enige verwijdering als ik lees: “Diezelfde jonge mensen interesseren zich niet voor kerkelijke vergaderingen. Ze voelen zich niet vertegenwoordigd”.
Sinds wanneer moeten jongeren in de kerkenraad vertegenwoordigd worden?

Wat wordt van ambtsdragers gevraagd?
Paulus zegt in 1 Thessalonicenzen 5: “En wij roepen u ertoe op, broeders, hen die ordeloos leven terecht te wijzen, de moedelozen te bemoedigen, de zwakken te ondersteunen, en met allen geduld te hebben”[3].
En in Titus 1: “Om die reden heb ik u op Kreta achtergelaten, opdat u verder in orde zou brengen wat nog ontbrak, en van stad tot stad ouderlingen zou aanstellen, zoals ik u opgedragen heb. Zo iemand moet onberispelijk zijn, de man van één vrouw, gelovige ​kinderen​ hebben, die niet te beschuldigen zijn van losbandigheid of opstandigheid. Want een ​opziener​ moet onberispelijk zijn, als een beheerder van het huis van God, niet eigenzinnig, niet opvliegend, niet verslaafd aan ​wijn, niet vechtlustig, niet uit op oneerlijke winst, maar gastvrij, goedwillend, bezonnen, ​rechtvaardig, ​heilig, beheerst, iemand die zich houdt aan het betrouwbare woord, dat overeenkomstig de leer is, zodat hij bij machte is anderen te bemoedigen door het gezonde onderwijs en ook de tegensprekers te weerleggen”[4].

Ambtsdragers zijn vertegenwoordigers. Van hun Zender namelijk.
Zij zijn ambassadeurs, jazeker. Nee, niet van de jeugd. Nee, niet van de werkende jongeren. Maar van hun Here Jezus Christus.
Zij mogen Zijn Woord laten spreken. Zij mogen het voorlezen en voor-leven. Zij mogen het toepassen.
Voor dat laatste is veel wijsheid vereist. Ouderlingen en diakenen menen soms zelf dat die wijsheid ontbreekt. Maar al biddend worden zij met Geest-drift vervuld.
Want de Verbondsgod zorgt er Hoogstpersoonlijk voor dat zijn ambassadeurs op aarde hun werk adequaat kunnen verrichten.
Kortom: ouderlingen en diakenen vertegenwoordigen Iemand. Niet iemand. En nee, ook geen groep mensen.

Het bovenstaande doet mij denken aan die bijeenkomst waarin gezegd werd: eigenlijk zou in iedere kerkenraad iemand met een beperking moeten zitten.
Dit nu, geachte lezer, is weinig inspirerende onzin.
We moeten in de kerk vooral niet in categorieën gaan denken. Anders wordt de kerkenraad een groot college waarin vooral naar mensen wordt gekeken, en niet naar God.

Wederom citeer ik professor Oldenhuis: “Je moet ervoor zorgen dat je geestelijke zaken zo weinig mogelijk van bovenaf oplegt. Je zult meer vrijheid moeten geven aan plaatselijke gemeenten. En laat serieuze jongeren daarbij het voortouw nemen. Ik houd er niet van mijn eigen kerk te bewieroken, elke kerk blijft gebroken. Er is bij ons bewust een gemengd team van jongere en oudere mensen voor Schriftlezing en gebed.
Tijdens synodes zie ik kleine groepjes mannen vergaderen. En hoe intens, hoe bewogen ze dat ook doen – daar doe ik niets van af. Ik zie dat heel veel mensen zich niet door hen vertegenwoordigd voelen, ook ouderen”.

Professor Oldenhuis zegt dat je geestelijke zaken zo weinig mogelijk van bovenaf moet opleggen.
Dat bevreemdt mij enigszins.
Het is, wat mij betreft, zo dat Geestelijke zaken – nee, die hoofdletter is geen typefout! – in zekere zin altijd van bovenaf worden opgelegd; vanuit de hemel, namelijk.
Of van binnenuit, zo u wilt. Omdat Gods Geest in de harten van Gods kinderen woont.
Heel duidelijk vind ik professor Oldenhuis op dit punt niet.

En dan is er die aanwijzing dat wij meer vrijheid dienen te gunnen aan plaatselijke gemeenten.
Wat die vrijheid oplevert zien we, bijvoorbeeld, in het kerkverband van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt).
Iemand schreef daar recent over: “De GKv moeten serieus onder ogen zien of ze met de nieuwe richting nog wel bestaansrecht hebben. Ik denk steeds vaker dat die er niet meer is. Laten we serieus overwegen ons te verdelen over de bestaande kerkgenootschappen.
Dan is er ook geen Gereformeerde Theologische Universiteit (GTU) en geen samenvoeging met de Nederlands Gereformeerde Kerken meer nodig”[5].
Laat het duidelijk wezen: pas een beetje op met die veelgeroemde vrijheid!

Eén opmerking permitteer ik mij nog.
De kerkenraad met diakenen van De Gereformeerde Kerk Groningen (hersteld) heeft leden in diverse leeftijden.
De oudste broeder in de kerkenraad, een ouderling, is 74 jaar; eind deze maand hoopt hij 75 te worden. De jongste broeder, ook een ouderling, is 32.
Die broeders hebben geen zitting in de raad om ouderen en jongeren te vertegenwoordigen.
Die broeders zitten daar omdat zij gezanten van Christus zijn.
Waarvan akte!

Noten:
[1] Fokko Tiemen Oldenhuis (geb. 1950) is onder meer bijzonder hoogleraar religie en recht aan de Rijksuniversiteit Groningen (RuG). Tot 2016 was hij hoofddocent privaatrecht aan de RuG. Hij is een deskundige op het gebied van het aansprakelijkheidsrecht. Verder heeft hij als bijzonder hoogleraar religie en recht gewerkt op het grensvlak van kerkgenootschappen en het privaatrecht.
[2] “Zet ook jonge mensen in de kerkenraad”. In: Kruispunt, bijlage bij het Reformatorisch Dagblad, donderdag 2 november 2017, p. 14 en 15.
[3] 1 Thessalonicenzen 5:14.
[4] Titus 1:5-9.
[5] Remmelt Groenwold, “Zo raken vrijgemaakten hun bestaansrecht kwijt”. In: Nederlands Dagblad, donderdag 2 november 2017, p. 12.

2 oktober 2017

Ambtelijk gebed

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 07:00
Tags: ,

Zo nu en dan zie en hoor ik de term voorbij komen die de titel van dit artikel vormt.

Sommige mensen lijken die term – ‘ambtelijk gebed’ – een tamelijk zware lading te geven[1].
Alleen daarom al is het goed om eens enkele woorden aan het ambtelijk gebed te wijden.
Wat is precies de bedoeling van een ambtelijk gebed?
Wat is het verschil met een ‘gewoon’ gebed?
Heeft een ambtelijk gebed meer waarde als een ‘gewoon’ gebed?

Ambtsdragers hebben de roeping om de gemeente van onze Here Jezus Christus te verzorgen. Ze passen op de gemeente. Ze kijken naar de schapen om. Ze waken over Christus’ kudde. Ze weiden de schapen in naam van de Heiland.

In dat kader staat de roeping van een ambtsdrager om te bidden. In kerkelijke vergaderingen. In de consistorie, voorafgaand aan en na afloop van de kerkdiensten. Tijdens huisbezoeken. Bij zieken. Tijdens een bezoek aan stervenden.
Altijd moet de goede verzorging van gemeenteleden centraal staan. Steeds weer moeten gemeenteleden worden opgedragen aan de Here. Herhaaldelijk moeten zij in Gods aandacht worden aanbevolen. Steevast moeten de schapen van de kudde aan de Verbondsgod worden toevertrouwd.

Dat betekent niet dat het ambtelijk gebed extra lang moet zijn. De lengte hangt sterk van de situatie af. Bij zwakke, zieke en stervende mensen is een lang gebed meestal misplaatst. En datzelfde geldt, wat mij betreft, als er jonge kinderen bij zijn.

Dat betekent wel dat situaties concreet dienen te worden benoemd. Een gebed van een ambtsdrager moet, als het even kan, niet blijven steken in vroom klinkende clichés. Rouw, verdriet, depressiviteit, alcoholisme, een homofiele geaardheid, fysieke of mentale handicaps: al die dingen mogen in het ambtelijk gebed met naam en toenaam voorbij komen. Niet om daar eens flink dramatisch over te doen. Maar wel om de Here te vragen om Zijn bijzondere zorg in specifieke omstandigheden.

Het bovenstaande houdt ook in dat er in kerkenraadsvergaderingen en tijdens bezoeken openheid moet zijn. Voor die openheid dient er ook onderling vertrouwen aanwezig te wezen.
Velen hebben wellicht de neiging om niet zo mededeelzaam te zijn. Zij vinden het niet zo belangrijk om in het middelpunt te staan. Bovendien vrezen zij niet zelden dat later van zulk vertrouwen misbruik wordt gemaakt.
Hoe begrijpelijk dat laatste vaak ook is, het is van het hoogste belang dat gebeden concreet kunnen wezen. De God van het verbond doorziet ons. Voor Hem is ons aardse bestaan, om zo te zeggen, een jarenlange aaneenschakeling van röntgenfoto’s. Maar hier geldt het aloude adagium: Hij wil gebeden zijn. Niet met allerlei gemeenplaatsen, maar met de gewone dingen van de dag.
Laten ambtsdragers, alleen daarom al, levenslang voorzichtig blijven in de omgang met vertrouwelijke informatie!

Wat is de bedoeling van een ambtelijk gebed?
In zo’n gebed worden concrete noden voor de troon van God gebracht. De Verbondsgod wordt gevraagd om intensieve zorg in buitengewone omstandigheden.

Wat is het verschil met een ‘gewoon’ gebed?
Gewone gemeenteleden zijn, in tegenstelling tot ambtsdragers, lang niet altijd van precieze omstandigheden op de hoogte. En het is meestal ook heel wijs om dat zo te laten. Het is niet juist om altijd alles van iedereen te willen weten. Mensen zijn zondig. Soms gaan zij, ook geheel onbewust, op een heel verkeerde manier met informatie van anderen om.
Het is niet voor niets dat in de kerk ambtsdragers functioneren. Zij weiden Christus’ kudde. Dat doen zij, bij wijze van spreken, vierentwintig uur per etmaal. Zij zijn daartoe geroepen.

Heeft een ambtelijk gebed meer waarde als een ‘gewoon’ gebed?
Nee, voor de God van het verbond althans niet.
Paulus schrijft in Romeinen 8: “Maar als wij hopen wat wij niet zien, dan verwachten wij het met volharding. En evenzo komt ook de Geest onze zwakheden te hulp, want wij weten niet wat wij ​bidden​ zullen zoals het behoort. De Geest Zelf echter pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij Die de ​harten​ doorzoekt, weet wat het denken van de Geest is, omdat Hij naar de wil van God voor de ​heiligen​ pleit”[2].
Paulus heeft het, als u het mij vraagt, in Romeinen 8 niet over een bepaalde categorie gebeden.

Een ambtsdrager heeft, als het om het gebed met en voor gemeenteleden gaat, wel meer verantwoordelijkheid dan het gemiddelde gemeentelid. De ambtsdrager moet een voorbeeld voor de kudde zijn. Wijs, vrijmoedig, met onderscheidingsvermogen en barmhartig[3].

Laat echter niemand denken dat het ambtelijk gebed iets van een hogere orde is. Gewichtiger. Groter en van meer importantie.
Laten ambtsdragers – om met Jeremia 3 te spreken – maar herders zijn naar Gods hart, die de schapen van Zijn kudde weiden met kennis en verstand[4]. Eenvoudig en blij van hart. Dat is voldoende. Dat is genoeg.

Noten:
[1] Bij het schrijven van dit artikel gebruik ik onder meer: ds. G.S.A. de Knegt, “Het ambtelijk gebed”. In: De Waarheidsvriend, donderdag 6 december 1990, p. 791 en 792. Ook te vinden via www.digibron.nl .
[2] Romeinen 8:25, 26 en 27.
[3] Zie: Formulier voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen. – Gereformeerd Kerkboek-1986, p. 553 en 554.
[4] Deze formulering preludeert op Jeremia 3:15: “Ik zal u ​herders​ geven naar Mijn ​hart, die u zullen weiden met kennis en verstand”.

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.