gereformeerd leven in nederland

13 november 2014

Volharding gevraagd

‘Een rest wordt behouden’. Dat is een bekende, op de Schrift gebaseerde term[1].
Een variant ervan vinden we in Jesaja 10: “Een rest zal zich bekeren, de rest van Jakob, tot de sterke God”[2].

Jesaja 10 zet in met een duidelijke waarschuwing. De mensen die heilloze regels uitvaardigen en Gods volk onderdrukken, die zullen er te Zijner tijd van lusten! Van die macht der onderdrukkers blijft niets over. Helemaal niets.
De Assyriërs hebben nogal wat eigendunk. Het handhaven van hun macht? Ach, dat regelen zij wel even. Dat komt wel goed. Denken zij.
Maar zij rekenen buiten de Here. “Daarom zal de Here, de Here der heerscharen, een tering zenden in zijn welgedaanheid, en onder zijn heerlijkheid zal een brand branden als de brand van een vuur”[3]. Stap voor stap wordt Assyrië afgebrand en weggebroken.

Wij kunnen lezen: “En het zal te dien dage geschieden, dat de rest van Israël en wat van Jakobs huis ontkomen is, niet langer zullen steunen op hem die ze sloeg, maar in waarheid steunen zullen op de Here, de Heilige Israëls”[4].
Daarin schuilt een saillant detail. Er staat “dat de rest van Israël en wat van Jakobs huis ontkomen is, niet langer zullen steunen op hem die ze sloeg”. Blijkbaar zijn de Israëlieten aan de onderdrukking gewend geraakt. Ze hebben zich in hun lot geschikt. Menselijk bezien is dat ook wel logisch. Je moet er het beste van maken, nietwaar? Als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan. Zo gaan die dingen.
Maar als de Assyrische macht vernietigd is, kunnen de Israëlieten natuurlijk nergens meer tegen aan leunen. Hun steunbeer is weg. Moeten zij het nu zelf doen?
De weinige Israëlieten die nog over zijn, vertrouwen op de Here.
Ooit was het volk van God groot. Maar nu is er maar een klein clubje meer over. Met dat kleine groepje gaat de Here verder.
Dat clubje Israëlieten weet dat. Dat groepje vertrouwt op de sterke God.

Is thans alles opgelost?
Is de toekomst nu één stuk zonovergoten strand?
Nee.
Want in Jesaja 10 staat ook: “Zij overvallen Ajath, zij trekken door Migron, te Michmas legeren zij hun legertros. Zij trekken de bergpas door: ‘Geba zij ons nachtkwartier’. Rama siddert, Gibea Sauls vlucht. Gil het uit, o dochter van Gallim! Pas op, Laïs! Arm Anatoth! Madmena vlucht, de inwoners van Gebim bergen zich. Nog heden stellen zij zich op te Nob: zij zwaaien hun handen in de richting van de berg der dochter van Sion, de heuvel van Jeruzalem”[5].
De dreiging van de Assyriërs blijft nog even. De afbraak van het Assyrische rijk zal niet in een oogwenk gebeuren. Dat is een heel proces. En in dat proces komen Gods kinderen zo nu en dan nog wel in de verdrukking.

Wat is de actualiteit van Jesaja 10?
Wat moeten wij ermee, vandaag?

Wij zien dat het mechanisme van aanpassing aan de wereld iets is van alle tijden.
Hoe gaat dat? U moet er wat van maken. En als u lang onder een goddeloos bewind leeft en daar veel contacten mee hebt, moet u op de lange duur inschikken.
Helemaal ideaal is het natuurlijk als u in uw contacten nog iets van uw godsdienstigheid kunt overdragen. Men weet nooit wat er nog van blijft hangen.
Daar zit wel een gevaar in. De kwestie is dat u zomaar een slap aftreksel van het Evangelie verkondigt. De scherpe kantjes haalt u er wat af. Want nu ja – het moet voor alle partijen leefbaar blijven. Toch? Gelovigen en ongelovigen moeten, om zo te zeggen, moeiteloos samen door één deur kunnen.
En voor u en ik het weten is een stukje van ons Godsvertrouwen afgeknabbeld. Dat stukje vullen wij vervolgens zelf in.
En later gaat er nog een stukje af.
En nog een stukje.
En nog een stukje.
Ziet u het probleem?

De actualiteit van Jesaja 10 is dat we steeds op God moeten blijven vertrouwen.
Zijn alle problemen vervolgens voor eens en voor altijd de wereld uit?
Nee.
Hier en daar steekt de verdrukking de kop op. Dan hier, dan daar.
Op heel wat plekken in de wereld worden kinderen van God vervolgd. In die gebieden is het leven vol angst. De druk is her en der geweldig groot.
Maar uiteindelijk…

Uiteindelijk zal de God van hemel en aarde, de Schepper van deze wereld, overwinnen.
“Zie, de Here, de Here der heerscharen, houwt met vervaarlijke kracht de loverkroon af, de rijzige stammen worden omgehouwen en de hoge geveld; het dichte gewas van het woud houwt Hij af met het ijzer, en de Libanon zal vallen door de Heerlijke”[6].
Alle goddeloosheid wordt vernietigd.
Hoge bomen vangen veel wind, zeggen we vandaag nog wel eens. Maar hier, in Jesaja 10, worden die hoge bomen vanuit de hemel omgehakt. Neergehaald. Die hoge bomen liggen roemloos op de grond.

Jesaja 10 leert ons dat we gelovig uithoudingsvermogen moeten hebben.
Wij moeten, om het met een oude en vertrouwde term te zeggen, volharden in het geloof.
Ook als de kerk klein is.
Ook als de kerk wereldvreemd is.
De kloof tussen kerk en wereld is groot. En diep.
Maar de kerk weet: de Machthebber van de wereld is onze Vader. En God de Vader zal voor Zijn kinderen zorgen. Nu. En altijd.

Noten:
[1] Tijdens een later in het vergaderseizoen te houden vergadering van de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen zal het vrije onderwerp ‘Een rest wordt behouden’ aan de orde komen. Ik heb toegezegd dat onderwerp te zijner tijd in te zullen leiden. Dat alles uiteraard Deo Volente.
Het betreffende thema is geïnspireerd op een lezing die kandidaat M.Dijkstra hield tijdens een op vrijdag 31 oktober 2014 gehouden gemeentevergadering van De Gereformeerde Kerk Groningen; die lezing was een presentatie/samenvatting van diens afstudeerscriptie. Kandidaat Dijkstra reikte ter vergadering een hand-out uit waarop elf vragen vermeld staan. Mijn voorbereiding op de te maken inleiding bestaat uit een aantal artikelen op deze blog. In die artikelen worden een aantal van die vragen beantwoord. Dit artikel is het eerste in die serie.
[2] Jesaja 10:21.
[3] Jesaja 10:16.
[4] Jesaja 10:20.
[5] Jesaja 10:28-32.
[6] Jesaja 10:33 en 34.

26 februari 2014

Nahum 1: de Here is uniek

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , ,

Mensen van de eenentwintigste eeuw zoeken uitdagingen[1].
Zij willen zich ontwikkelen. Zij zijn ambitieus. Zij willen grenzen verleggen en kaders verbreden.
Ook in de religie wil men nogal eens innoveren. Dan begint men aan nieuwe vormen van geloofsvertrouwen: esoterisch geloven, bijvoorbeeld.

Men moet niet verbaasd staan als sprekers op het kerkelijk terrein tot uitspraken komen als: “Het begrip esoterie, afgeleid van het Griekse esoterikos (het innerlijke), is een begripsbepaling voor een grote verzameling van mystieke en religieus-filosofische stromingen. Reeds Jezus van Nazareth bestempelde zijn uitspraken die alleen voor zijn toehoorders bestemd waren, tot een geheimenis. We kunnen die ook duiden als esoterisch”[2].
Esoterie: dat staat in onze wereld voor het geheimzinnige.
Esoterie: dat betekent dat bepaalde kennis alleen voor ingewijden toegankelijk is; de informatie is niet verifieerbaar.
Enkele jaren geleden was er een docent aan een Utrechtse hogeschool die zei dat esoterische religiositeit zich richt op “onder- en onbelichte aspecten van het christendom en de postmoderne samenleving”.
U begrijpt het wellicht al: de hiervoor bedoelde spreker had een nieuwe geloofsuitdaging gevonden.
Die uitdaging is: het met elkaar verbinden van de esoterie en het christelijk geloof.

Is de Here geheimzinnig?
Nee.
Hij toont Zich in Zijn Woord. Hij laat voldoende van Zichzelf zien. De Here stelt alle mensen in de wereld in staat om Hem zo goed te leren kennen dat zij behouden kunnen worden.
Dat belijden we ook in de Nederlandse Geloofsbelijdenis[3].

De Here is dus niet geheimzinnig.
Hij is wel heilig.
Dat wil zeggen dat Hij de eer wenst te krijgen die Hem toekomt. Wie die eer niet geven wil, zal met de Here God te maken krijgen.
In de Bijbel komen we teksten tegen die dat volkomen helder maken. Neem bijvoorbeeld Nahum 1: “Een naijverig God en een wreker is de Here, een wreker is de Here en vol van grimmigheid; een wreker is de Here voor zijn tegenstanders, en toornen blijft Hij tegen zijn vijanden”[4].

‘De Here zal troosten’. Dat betekent de naam Nahum[5].
Nahum is een relatief onbekende profeet. Zijn profetie is kort: drie hoofdstukken maar.
Hij komt, zegt de Bijbel, uit Elkos. Waar die plaats precies heeft gelegen, weten we niet. Sommige geleerden denken dat het Al-kosj is, een Irakees stadje.
Zijn profetie gaat over Nineve, de hoofdstad van Assyrië.”De stad was”, zo las ik ergens, “gelegen aan de Tigris, ongeveer waar nu Mosul ligt en bij Tikrit, de geboorteplaats van de gewezen Irakese dictator Saddam Hussein”[6].
Nineve werd, als ik het goed weet, in 612 voor Christus verwoest. Dat is ongeveer vijftig jaar nadat Nahum zijn profetie uitsprak[7].

‘De Here zal troosten’ – in zijn naam draagt de profeet het Evangelie levenslang met zich mee.
Van die troost is in Nahum 1, bij oppervlakkige beschouwing althans, weinig te zien.
Wreken, grimmigheid, tegenstand, toornen: dat zijn geen woorden die passen bij een romantische sfeer. Nee, in Nahum 1 is het oorlog[8].

De Here pakt de Assyriërs aan.
In de achtste eeuw voor Christus is Assyrië uitgegroeid tot één van de sterkste wereldmachten. De Here heeft het gezien. En Hij acht de maat van hun ongerechtigheid vol.

De Assyriërs hebben de Israëlieten onderdrukt. Afgoderij en zonden zijn in Assyrië aan de orde van de dag. Iemand schrijft: “De Assyriërs waren een wreed volk. Zij martelden hun tegenstanders, onthoofden ze, staken ze in brand. In sommige, beschreven, gevallen gingen ze zelfs zo ver dat ze hun tegenstanders levend vilden”. Nou, dan weten wij wel genoeg.

De kern van de kwestie is dat de Here rechtvaardig is. Zondige praktijken kunnen niet altijd doorgaan. Jazeker, mensen hebben hun eigen verantwoordelijkheid. Maar als zij voortdurend tegen de Here en Zijn wetten in blijven gaan, breekt God die verantwoordelijkheid af. Zonde blijft niet ongestraft; daar moet er wat aan gedaan worden.
En als Hij er dan wat aan doet, beschermt Hij Zijn volk. Hij geeft beschutting aan de mensen die Hij uitgekozen heeft.
Voor de uitverkorenen is er dus wel degelijk troost. Want zij worden gered. Dat mogen zij zeker weten.

De bescherming die de Here biedt is uniek.
Er is niemand in de wereld die een dergelijke vrijwaring geven kan. Er is geen schepsel op de wereld die zo’n verzorging kan garanderen.
Wie werkelijk bewaart wil worden, moet zich tot de Here wenden. Hij is een unieke God. Om het met Nahum 1 te zeggen: “De Here is lankmoedig, doch groot van kracht, en de Here laat geenszins ongestraft. In wervelwind en storm is zijn weg, wolken zijn het stof zijner voeten”[9].
Wij kunnen het op onze klompen aanvoelen: nu moeten u en ik niet aankomen met een verzameling van mystieke en religieus-filosofische stromingen. Zo’n opeenhoping van ideeën verdraagt zich niet met de uniciteit van de hemelse Here.

Het lijkt mij duidelijk: u kunt de Here nimmer op één hoop gooien met afgoden.
Wij kunnen al helemaal niet zeggen dat gelovigen van ongeveer alle signaturen bij de Here God horen. De Here kiest Zijn volk Zelf uit. De Here werft Zijn bruid. En zijn wervingsmethóde is bekend: liefde en goedheid.

Die liefde van God verwordt bij velen tot een soort sullige goeiigheid. God vindt alles wel goed, lijkt men te denken.
Wat de mensen ook van Hem zeggen of denken: het is, zo meent het volk, allemaal prima. En als de massa vrede met God heeft, is de vrede met elkaar wellicht óók wat dichterbij.
Gemakshalve wordt Gods toorn een beetje weggemoffeld. En de reden van die hemelse woede, de zonde, wordt zorgvuldig uit beeld gehouden.
Er zijn heel wat mensen die, naar zij zeggen, van God niets merken. Dat het voortbestaan van deze wereld onder meer te maken heeft met Gods lankmoedigheid, met Zijn geduld dus, schijnt in weinig hoofden op te komen.

Dit brengt mij bij Zondag 4 van de Heidelbergse Catechismus.
Men moet er mee rekenen dat God “ongehoorzaamheid en afval” niet ongestraft wil laten.
In Zondag 4 lees ik: “God vertoornt Zich verschrikkelijk, zowel over de zonde die ons aangeboren is als over de zonden die wij doen. Hij wil die dan ook door een rechtvaardig oordeel in tijd en eeuwigheid straffen”[10].
Wij zien het: in de Heidelbergse Catechismus wordt er niet omheen gedraaid.
Wij zullen ons moeten realiseren: de kerk mag niet blijven steken in onnozele goedmoedigheid!

Nog eenmaal keer ik terug naar Nahum 1.

Mensen van de eenentwintigste eeuw zoeken uitdagingen.
Zij willen zich ontwikkelen. Zij zijn ambitieus. Zij willen grenzen verleggen en kaders verbreden.
Nahum leert ons dat wij daarmee in ons geloofsleven voorzichtig moeten zijn.
Want daar gaat het niet om onze vindingrijkheid.
Het gaat daar om de reddende activiteit van de heilige God.
Hij kiest mensen uit om ze af te zonderen voor Zichzelf. Die mensen worden apart gezet. Ze worden geheiligd.
In Nahum 1 wordt de antithese scherp gesteld. Ik citeer: “Wie kan standhouden voor zijn gramschap? wie staande blijven bij zijn brandende toorn? Zijn grimmigheid stort zich uit als vuur en de rotsen springen voor Hem aan stukken. De Here is goed, een sterkte ten dage der benauwdheid; Hij kent hen die bij Hem schuilen”[11].

Noten:
[1]
In dit artikel maak ik onder meer gebruik van stukken die ik respectievelijk schreef in mei 2009 en oktober 2009.
[2] In deze alinea gebruik ik onder meer http://www.nd.nl/artikelen/2009/oktober/01/vloeiende-grenzen-aan-de-kerkleer .
[3] Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 2.
[4] Nahum 1:2.
[5] Zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Nahum_(boek) .
[6] Zie http://bijbelseplaatsen.nl/plaatsen/N/Nineve/600/ .
[7] Zie http://www.oudesporen.nl/Download/OS1314.pdf .
[8] Tijdens de vergadering van de Mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen die op woensdag 5 maart wordt gehouden, zal het gaan over de profetie van Nahum. In dit artikel maak ik een paar opmerkingen naar aanleiding van Nahum 1.
[9] Nahum 1:3.
[10] Heidelbergse Catechismus – Zondag 4, antwoord 10.
[11] Nahum 1:6 en 7.

5 april 2013

Niet voor stilzitters

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , , ,

Kerkmensen moeten zich concentreren op Jezus. Hij geeft de richting aan. Hij wijst aan waar het met ons leven naar toe moet.
In Hebreeën 12 wordt dat zó geformuleerd: “Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een grote wolk van getuigen rondom ons hebben, afleggen alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen, die vóór ons ligt. Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs, die, om de vreugde, welke vóór Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods. Vestigt uw aandacht dan op Hem, die zulk een tegenspraak van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet door matheid van ziel verslapt”[1].
De schrijver van Hebreeën 12 wandelt met grote stappen door de heilshistorie. Goede Vrijdag en Hemelvaartsdag worden in één adem genoemd. Wat daar tussen ligt, spreekt voor de scribent blijkbaar vanzelf. De Hemelvaartsdag had niet kunnen aanbreken als het geen Pasen was geweest.
De Hebreeënschrijver denkt in het groot.
Het Evangelie is niet voor sullige typjes, die alle details honderd keer voorgeschoteld moeten krijgen. Er moet gewerkt worden. Er moet hard gelopen worden.
Nee, de blijde Boodschap die God reeds eeuwen lang in deze wereld laat rondbazuinen is niks voor stilzitters.

Wij moeten onze last afleggen. De zonde moet uit ons leven worden verbannen.
De vraag is of dat wel kán. Is dat niet hoog gegrepen? Immers: volmaaktheid kunnen we in dit leven nooit bereiken.
Antwoord: dat afleggen van teveel bagage moet door de Hére gebeuren. En bij Zijn uitverkorenen dóet Hij dat ook.

Ik wijs u, wat dat betreft, op Jesaja 14. De Here redt de Israëlieten. Het volk van Zijn keuze laat Hij niet in de steek. Tegen de achtergrond van eerdere en toekomstige deportaties klinkt de boodschap: de hemelse God geeft herstel! Als Gods volk bevrijd is, zal het een spotlied over Babel aanheffen. Gods kinderen zingen: De vijand die ons opjoeg heeft zijn activiteit gestaakt
De Here heeft het góed gemaakt!
Het dodenrijk doet de deuren open,
wereldvorst Babel kan zó naar binnen lopen!
En als het spotlied over Babel dan ten einde is, komt Assur aan de beurt. Het juk dat Gods volk door Assyrië opgelegd kreeg, wordt door de Here afgenomen. Wij lezen: “Ik ga Assur in mijn land verbreken en het op mijn bergen vertreden; dan zal zijn juk van hen worden weggenomen en weggenomen de last van hun schouder. Dit is het besluit dat gemaakt is over de ganse aarde, en dit is de hand die uitgestrekt is over alle volken. Want de HERE der heerscharen heeft een besluit genomen; wie zal het verijdelen?”[2].
Het leger van Assyrië wordt overwonnen door de legers die de Hére inzet. Hij is de Here der heerscharen: Hij deelt dienstorders uit aan vele divisies hemelsoldaten!

Wij moeten onze lasten afleggen.
Daarin zit ook: we mogen, in bepaalde opzichten althans, net doen alsof het elke dag zondag is.
In dezen wijs ik u op Jeremia 17: “…zo zegt de HERE: Hoedt u ervoor, om uws levens wil, dat gij op de sabbatdag geen last draagt en door de poorten van Jeruzalem binnenbrengt. Ook zult gij op de sabbatdag geen last naar buiten brengen uit uw huizen of enigerlei werk doen; gij zult de sabbatdag heiligen, gelijk Ik aan uw vaderen geboden heb”.
U moet de sabbatdag heiligen, zegt de woordvoerder van God. Dat is een zaak van lévensbelang.
De Here laat onomwonden weten dat Hij dat in het verleden óók al vaak heeft gezegd. Maar tóen luisterde er geen mens. Waarom zouden de luisteraars in Jeremia 17 eigenlijk wel moeten luisteren? Antwoord:
*dan blijft de stad bestaan
*dan komen er koningen van David binnen die de troon gaan bezetten
* alle inwoners van Jeruzalem komen weer terug: Sion wordt weer een bruisende stad
* de eredienst wordt weer hersteld.
En als de luisteraars niet luisteren? Dan steekt de Here de bránd erin. Van de stad blijft slechts een puinhoop over.
Er wordt concentrátie gevraagd. Mensen moeten ervoor zorgen dat zij de sabbat reserveren om naar God te luisteren. En wij, kerkmensen van de Nieuwtestamentische bedeling, behoren daarom de zóndagsrust te eerbiedigen. Ware godsdienst brengt het leven in evenwicht. Ware godsdienst geeft ook welvaart: is het niet nú, dan gebeurt dat wel in het kómende leven. Elke dag mogen we ons voorbereiden op een alleszins gelukkige en volop vredige toekomst.

Wij mogen onze lasten wegleggen.
Daarin zit ook: de Here kiest mensen uit.
In Mattheüs 11 zegt Jezus: “Alle dingen zijn Mij overgegeven door mijn Vader en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren”[3].
Hierbij merk ik op dat er theologen zijn die zich afvragen of Jezus dit nou wel Zelf heeft gezegd[4]. Eerlijk is eerlijk: dat verbaast mij niet. Uitverkiezing is voor veel Bijbellezers een moeilijk punt. Moet je, zo vragen velen, mensen úitsluiten van het Evangelie? Moet je niet veeleer uitnódigend wezen?
Wij kunnen er echter niet omheen praten. Jezus moedigt de door Hem uitverkoren mensen aan: “Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is licht”[5].
Gods uitverkorenen worden van harte uitgenodigd om zich telkens weer bij hun Redder te melden. Kinderen van God mogen hun lasten en moeilijkheden, hun twijfels en problemen bij de drie-enige God neerleggen!

Jezus Christus heeft geleden. Hij is gestorven. Én Hij is opgestaan, om in de hemel voor ons te pleiten.
Hij zegt tegen Vader: Ik heb Persoonlijk voor dit kind geleden; neem hem aan en spreekt hem vrij.
Hij zegt tegen Vader: voor háár heb ik aan het kruis gehangen; en dus is zij nu van harte welkom in Onze woonplaats.
Allerlei aards gewauwel van zondaren kon dat reddingswerk niet doen mislukken.
Zwarte zondigheid kon Hém niet tegenhouden!

Wij moeten gewoon achter Jezus Christus aan.
Klaar.
Is dat nou niet saai? Tegenwoordig vinden vele christenen van wel.
Zo lijkt het tenminste.
Er zijn van die mannenweekenden. U hebt daar vast wel eens iets over gehoord. Op woensdag 3 april jongstleden schreef iemand daarover in het Nederlands Dagblad: “De kerk vervrouwelijkt, is een veelgehoorde klacht van christelijke mannen. Mannelijke waarden, zoals strijdbaarheid, moed en heldendom komen te weinig aan bod. Het gaat allemaal over lief zijn voor elkaar. En samen emotionele liedjes zingen in een bank is gewoon niet echt iets wat mannen inspireert. Oplossing? We gaan survivallen, broederlijk met elkaar op de vuist, kou en pijn lijden en andere echt mannelijke dingen doen, onder het motto ‘voorwaarts christenstrijders!’”.
En: “Het avontuurlijke leven ‘op de rand’ waar deze mannen naar verlangen, is gewoon iets wat uit onze samenleving aan het verdwijnen is. De kerk compenseert dat niet en daar is de kerk ook niet voor bedoeld. Het was, denk ik, eerder andersom: de mannen die de hele week in het zweet huns aanschijns hadden gezwoegd op hun akkers en in hun vissersboten moesten even een uurtje rustig kunnen zitten.
Het christelijke leven zelf daarentegen is inderdaad avontuurlijk en een voortdurende strijd. Een bloemetjes- en hartjeschristendom is niet vrouwelijk, maar oppervlakkig en daar hebben oprechte vrouwen net zo goed een hekel aan als oprechte mannen”[6].
Ach, ik heb niks tegen survivallen.
Och, ik heb niks tegen een gezonde uitdaging.
Nee, ik heb niks tegen fitness.
En nee, ik ben geen fervent tegenstander van de oprichting van sportscholen.
Integendeel.
Maar laat het helder zijn: wij kunnen onszelf niet redden met een individuele uitputtingsslag. We redden het niet als we tijdens een aardse competitie alles geven.
Als u het mij vraagt heeft de dame die ik hierboven citeerde, érgens wel gelijk.

Wij moeten achter Christus aan.
Wij moeten ons realiseren dat Hij de macht heeft. In hemel en op aarde.
Wij behoren te onderkennen dat het elke dag een beetje zondag is, als we ons – tijdens die wedloop van Hebreeën 12 – voorbereiden op de hemelse toekomst.
Wij mogen beseffen dat de Here mensen uitkiest om Zijn kinderen te zijn. Dat betreft óók mannen, vrouwen en kinderen die op vrijdag 5 april 2013 in de kracht van hun leven zijn.

Als wij dat weten is de matheid van ziel snel verdwenen.
Als wij dat weten is moeheid uit de tijd.

Noten:
[1]
Hebreeën 12:1-3.
[2] Jesaja 14:25, 26 en 27.
[3] Mattheüs 11:27.
[4] Zie de webversie van de Studiebijbel.
[5] Mattheüs 11:28, 29 en 30.
[6] Francisca van Dalen, “De ware man”. In: Nederlands Dagblad, woensdag 3 april 2013, p. 12.

6 februari 2013

Joël wijst de weg naar de genadige God

Filed under: Uncategorized — B. de Roos @ 08:00
Tags: , , , , , ,

Gods volk moet leren luisteren. Dat blijkt al in Joël 1[1]. Maar in het volgende hoofdstuk, Joël 2, kan niemand er meer omheen[2]. Wij lezen: “Blaast de bazuin op Sion en maakt alarm op mijn heilige berg!”[3]. Niemand kan zijn oren voor het indringende geluid van die bazuin sluiten.
Iedereen moet het zich realiseren: een agressieve vijand zal het land totaal verwoesten[4]!

Er is nóg Iemand die dat bazuingeluid hoort.
De Here God hoort dat óók. En als Hij dat geluid hoort, zal hij eraan denken dat hij Zijn volk beloofde om altijd de noodzakelijke zorg te bieden. Ik herinner u aan Numeri 10.
Even tussendoor: dat is ook het Schriftgedeelte waarop het beeldmerk van De Gereformeerde Kerk Groningen gebaseerd is. Dat logo staat voorop het kerkblad. Als toelichting daarop werd indertijd geschreven: “De functie van ons kerkblad is goed vergelijkbaar met de functie van de twee trompetten. Het geeft verschillende signalen met verschillende betekenissen zodat de gemeente weet waartoe zij opgeroepen wordt. Een signaal om de erediensten te bezoeken, een signaal om naar de vereniging te gaan, een signaal om naar een vergadering van kerkenraad met de gemeente te komen, enzovoort”[5].
Welnu – de Here hoort dat alarmsignaal ook. Numeri 10 vermeldt de daarbij behorende belofte. Ik citeer: “En wanneer gij in uw land ten strijde trekt tegen de vijand die u benauwt, dan zult gij op de trompetten een signaal blazen, waardoor gij in gedachtenis gebracht zult worden voor het aangezicht van de HERE, uw God, zodat gij van uw vijanden verlost zult worden”[6].
In Joël 2:15 wordt nóg eens op de bazuin geblazen[7]. Het moet voor iedereen duidelijk zijn: de dag van de Here is dichtbij. En op Sion, zeg maar: in de kerk, daar moet iedereen present zijn. Verzuimbriefjes? Daar doen we niet aan…

Joël laat weten dat de Assyriërs er aan komen. Die natie is, zo zegt de Here in Jesaja 10, “de roede van mijn toorn” (…) “en in welks hand mijn gramschap is als een stok”[8].
Wil dit nu zeggen dat ware gelovigen bang voor God moeten worden? Moeten Gods kinderen dekking zoeken? Nee, zegt de Here in Micha 5. Want die profeet zegt: “En Hij zal bevrijden van Assur, wanneer die in ons land komt en wanneer hij ons gebied betreedt”[9].
Maar het verhaal van de sprinkhanenplaag is wel een teken van de tijd. De kerk moet attent zijn. En dat geldt ook voor óns, vandaag. Niet voor niets zegt Jezus in Mattheüs 16 tegen de Farizeeën: “Hij antwoordde hun en zeide: Bij het vallen van de avond, zegt gij: Goed weer, want de lucht ziet rood. En des morgens: Vandaag ruw weer, want de lucht ziet somber rood. Het aanzien van de lucht weet gij te onderscheiden, maar kunt gij het de tekenen der tijden niet?”[10].

Joël 2 maakt het duidelijk: wij moeten ons blijven bekéren.
Maar over welke zonden gaat dat eigenlijk precies? Dat vermeldt Joël er niet bij. Blijkbaar moet héél het leven worden aangepakt.
Daarbij is één ding zeker: wij komen er niet met uiterlijke schijn. Zie Psalm 51: “Zie, Gij wilt waarheid in het verborgene”[11].
Wij moeten beseffen hoe zondig wij zijn.
Als wij dat bedenken is er óók de troost. In het Oude Testament is die troost al te horen. Bijvoorbeeld in Jesaja 57: “Want zo zegt de Hoge en Verhevene, die in eeuwigheid troont en wiens naam de Heilige is: In den hoge en in het heilige woon Ik en bij de verbrijzelde en nederige van geest, om de geest der nederigen en het hart der verbrijzelden te doen opleven”. In het Nieuwe Testament wordt die troost nog concreter. Bovendien gaat die troost nog vérder. Immers: we mogen ons vandaag realiseren dat Jezus Christus voor al onze zonden gestorven is. Om met Hebreeën 9 te spreken: “…zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving”[12].

Joël spreekt over enkele eigenschappen van God: genade, barmhartigheid, geduld, goedertierenheid, berouwhebbend over kwaad dat Hij in de zin heeft[13].
Het is opvallend dat Jona die vijf eigenschappen óók allemaal noemt[14].
Het is overigens een bekende combinatie. We komen ‘m tegen in de Psalmen 86, 103 en 145. En ook in Nehemia 9[15].
Dit is Joëls opdrachtgever ten voeten uit:
* genadig: als alle zegen verspeeld is, doet de Here nog goed
* barmhartig: de Here is vol medelijden als Hij ziet hoe Zijn volk eraan toe is
* lankmoedig: de Here kan van Zijn kinderen veel verdragen
* goedertieren: de Here is vergevingsgezind; het is voor een gewoon mens niet te bevatten hoe welwillend, vriendelijk, trouw en zachtmoedig de God van het verbond is.
* berouwhebbend: de Here komt terug op Zijn voornemen om kwaad te doen; dat doet Hij als het gedrag van mensen daartoe aanleiding geeft. Dat kunnen we bijvoorbeeld zien in de historie rond de wijngaard van Naboth. Die vinden we in 1 Koningen 21. Aan het eind van dat Schriftgedeelte zegt de Here: Hebt gij gezien, dat Achab zich voor Mij verootmoedigd heeft? Omdat hij zich voor Mij verootmoedigd heeft, zal Ik het onheil in zijn dagen niet doen komen; in de dagen van zijn zoon zal Ik het onheil over zijn huis doen komen”[16].

Joël 2 is heel expliciet: “Vergadert het volk, heiligt de gemeente, roept de ouden bijeen, vergadert de kinderen en de zuigelingen”[17].
De strekking van de door Joël verwoorde opdracht is helder: de kerk is voor álle leden. In de kerkdienst horen ouderen er echt bij. De blijde Boodschap is ook voor kinderen bestemd. Zelfs baby’s moeten er naar luisteren!

En de priesters? Ook zij worden aangesproken. Zij moeten uitspreken: “Spaar, HERE, uw volk en geef uw erfdeel niet prijs aan de smaad, zodat de heidenen met hen zouden spotten. Waarom zou men onder de volken zeggen: Waar is hun God?”[18].
’t Klinkt een beetje als Hosea 14: “Vergeef de ongerechtigheid geheel en al, en wees genadig; wij bieden als offerstieren de belijdenis onzer lippen”[19].
Priesters herinneren de Here eraan hoe Hij vroeger voor Zijn volk zorgde.
Priesters wijzen erop dat de hemelse Heer de reputatie die de machtige God en Zijn luisterend volk bij de vijanden hebben, niet op het spel mag zetten. Het gaat om niets minder dan de eer van God.

In 1 Petrus 2 wordt duidelijk dat wij, in ónze tijd, allemaal priesters zijn. Leest u maar mee: “…laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus. Daarom staat er in een schriftwoord: Zie, Ik leg in Sion een uitverkoren en kostbare hoeksteen, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen”[20].
Ziedaar: het program van de kerk voor deze tijd.
Zo worden wij weer aan het werk gestuurd. Er is nog veel te doen!

Noten:
[1]
Over dat Schriftgedeelte publiceerde ik op woensdag 30 januari 2013 op deze plaats het artikel ‘Luisterles van Joël’. Het is te vinden op https://bderoos.wordpress.com/2013/01/30/luisterles-van-joel/ .
[2] Vandaag, woensdag 6 februari 2013, vergadert Deo Volente de mannenvereniging ‘Augustinus’ van De Gereformeerde Kerk Groningen. Daar zal Joël 1:1-2:17 centraal staan. Dit artikel is een resultaat van enige voorstudie over Joël 2:1-17. Een ingekorte en bewerkte versie van dit artikel zal ook het tweede deel zijn van een inleiding die ik tijdens de bovengenoemde vergadering hoop voor te lezen.
[3] Joël 2:1.
[4] In het onderstaande gebruik ik onder meer http://www.oudesporen.nl/Download/OS1013.pdf .
[5] Zie http://www.dgkgroningen.nl/index.php?section=15&page=28 .
[6] Numeri 10:9.
[7] Numeri 10:15 en 16: “Blaast de bazuin op Sion, heiligt een vasten, roept een plechtige samenkomst bijeen. Vergadert het volk, heiligt de gemeente, roept de ouden bijeen, vergadert de kinderen en de zuigelingen; de bruidegom trede uit zijn kamer en de bruid uit haar bruidsvertrek”.
[8] Jesaja 10:5.
[9] Micha 5:5.
[10] Mattheüs 16:2 en 3.
[11] Psalm 51:8a.
[12] Achtereenvolgens citeer ik Jesaja 57:15 en Hebreeën 9:22.
[13] Joël 2:14: “Want genadig en barmhartig is Hij, lankmoedig en groot van goedertierenheid, berouw hebbende over het onheil”.
[14] Namelijk in Jona 4:2.
[15] Zie Psalm 86:15, Psalm 103:8, Psalm 145:8 en Nehemia 9:17.
[16] 1 Koningen 21:29.
[17] Joël 2:16.
[18] Joël 2:17.
[19] Hosea 14:3.
[20] 1 Petrus 2:5 en 6.

Blog op WordPress.com.